Tagarchief: klas 2 vertelstof

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-13)

.

ODILIA

Een van de legendes die vrijwel in elke 2e klas van de vrijeschool wordt verteld, is die van Odilia.

Hier volgt een achtergrondartikel over haar leven:

EEN HELDIN DIE HET LICHT ZAG

In de wijngaarden van de Elzas hangen de laatste druiventrossen nog aan de ranken, gekrompen door de vorst, gelezen, maar te licht bevonden voor de laatste persing van de eiswein.
Vanuit het wijnstadje Molsheim rij ik* omhoog, de donkere bergen in.

De Elzas ligt als een groot plat bord achter me, gevuld met rijkdom.

Voor me rijst de Sankt-Odiliënberg op. Boven op de top prijkt het in de zevende eeuw gestichte klooster.
Al van ver zie ik het immense beeld van Odilia, dat voor het klooster staat. Met een wijds armgebaar zegent ze de Elzas, die helemaal aan haar voeten ligt. In haar tijd werd het hertogdom geregeerd door haar vader Etticho, ook wel Adalric genoemd. Hij was een broer van de Frankische koning Childéric.

Ik laat mijn auto achter in de winterse verlatenheid van een plomp geasfalteerd parkeerterrein, dat de natuurrijke omgeving van het klooster voor een deel heeft vernield. Slechts een bus vol vrolijke priesterstudenten, in toog, deelt vandaag met mij de vreugde van de pelgrimage. De huidskleur van de jonge mannen vertelt dat ze uit Afrika en Azië komen. Armoede levert nog roepingen op. Het lijkt al een beetje waar te zijn wat de Paus zijn Kerk voor ogen houdt: Europa wordt opnieuw een missiegebied.

Net zoals in de tijd van Odilia. Een nieuwe kerstening, nu vanuit voormalige missielanden. Deze jeugdige en opgewekte priesters in opleiding hebben echter niets van de steile, oude mannen uit de overlevering van de kerk, zoals bijvoorbeeld Bonifacius en Servatius.

Het klooster heette oorspronkelijk Hohenburg, naar de naam van het jachtslot dat Etticho op deze rots had gebouwd. Vanaf de transen kijk ik in een diepe afgrond en heb ik uitzicht over dorpen, stadjes en wijngaarden, tot aan het Zwarte Woud toe.

Het klooster is het vertrekpunt van talrijke goed aangegeven wandelroutes door hoogten en laagten van de Elzas, voor zowel zondagnamiddagwandelaars als voor ervaren randonniers die van bergtop naar bergtop lopen.

Odilia werd in 660 geboren in Oberehnheim (nu Obernai). Ze was het oudste kind van Etticho. Als baby moet ze hartveroverend mooi zijn geweest, maar helaas was ze blind. De hertog was boos op zijn vrouw omdat ze hem geen mannelijke opvolger had geschonken, maar een blinde dochter aan wie helemaal geen eer te behalen viel.
Ze zou nooit een prins als echtgenoot kunnen vinden. Etticho wilde het meisje niet eens zien; hij verstootte haar. In die tijd betekende dat niet minder dan dat hij haar voor de wolven wilde leggen. Maar de moeder, hertogin Bereswinde, wist Odilia te redden. Ze gaf haar in het geheim aan de voedster mee. Die bracht het kind onder in een nonnenklooster te Baume-les-Dames (bij Besançon), waar Odilia in vroomheid werd opgevoed. Op twaalfjarige leeftijd werd ze gedoopt. Toen gebeurde het wonder. Op het moment dat het doopwater haar ogen beroerde, zag ze het licht. Verrukt over dit mirakel besloot ze haar verdere leven aan God te wijden.

Eindelijk durfde men Etticho te vertellen dat Odilia nog leefde. Nu ze niet meer gehandicapt was, accepteerde hij haar als zijn dochter en nam haar in zijn huis op. Maar, Odilia’s belofte negerend, probeerde hij haar uit te huwen. De opvoeding door de nonnen bleek echter op vruchtbare bodem te zijn gevallen. Odilia bleef haar gelofte trouw. Ze ontvluchtte het kasteel in Obernai. Etticho, die een mooie partij voor zijn beeldschone dochter had gevonden, een vazal van het koningshuis der Merovingers die veel land en goed in de familie zou binnenbrengen, ging naar haar op zoek. Toen hij haar had gevonden, op de flanken van wat later de Sankt-Odiliënberg zou gaan heten, wist ze zich te verschuilen in een grot die zich, na haar gebed om hulp, in de rotsen vormde.
Toen haar vader over dit wonder vernam, zag hij in dat ze hem toch steeds dank zij bovennatuurlijke hulp zou ontkomen, en stemde hij erin toe dat ze op de wonderberg een vrouwenklooster stichtte.

Odilia’s stichting had succes, vooral vanwege het verhaal over de wonderlijke manier waarop ze het licht had gezien: zowel het aardse licht als het licht van God. Voor veel mensen gold het vrome meisje al als een heilige. In korte tijd sloten zich zo veel jonge vrouwen bij de kloostergemeenschap aan dat al spoedig een tweede klooster nodig was. Dat werd Niedermünster, aan de voet van de Sankt-Odiliënberg, het hospitium dat de geschiedenis inging als het eerste ziekenhuis van de Elzas.

Eerst bezoek ik de kleine kapel met de stenen tombe, waarin het lichaam van Sint-Odilia rust: het hart van het heiligdom. Het is er ijskoud, maar ook doodstil. Er is niemand, zodat ik de zwak verlichte ruimte op mijn gemak kan bekijken. Odilia rust in een sarcofaag, uitgehakt in de rots. Rond de sarcofaag is een stevig en betralied praalgraf gebouwd, dat haar voor al te opdringerige aanbidders behoedt. Zeven schilderijen rond de tombe tonen de belangrijkste feiten uit haar leven, zoals het doopsel waarbij ze het licht zag en de opname in de grot die haar verborg.
In de kapel ernaast bevindt zich het graf waarin het lichaam van de grillige hertog Etticho heeft gerust. Waarom juist zijn resten uit de sarcofaag zijn verdwenen tijdens de vele plunderingen die de Hohenburg in de loop der eeuwen hebben geteisterd, terwijl het lichaam van Odilia met rust werd gelaten, is een raadsel. In de tiende eeuw, ook wel ‘de duistere eeuw’ genoemd, plunderden heidense Magyaren het klooster. Ze lieten geen steen op de andere. Waarschijnlijk hadden ze te veel ontzag voor de heilige Odilia omdat ze, toen al zo aanbeden, een heidense priesteres in haar zagen. In de loop van de volgende eeuwen werd het klooster herhaaldelijk vernield en opgebouwd. Tijdens de reformatie was het aanzien van de heilige plaats vooral gedaald door het wereldse gedrag van de nonnen die er woonden. Van opofferende heiligen, die in zelfgekozen armoede leefden, waren ze veranderd in zelfzuchtige secreten, die zich zo schandalig werelds gedroegen dat ze door de bisschop van Straatsburg uit de kerk werden gezet. Bij hun gedwongen vertrek liet de hemel weten dat de bisschop juist had gehandeld: de bliksem sloeg in en het klooster brandde totaal af.

Toch bleven de pelgrims komen. Opnieuw werd er een kerk gebouwd en in de volksmond veranderde de naam ‘Hohenburg’ in ‘Sankt-Odiliënberg’. Weer later sloeg de Franse Revolutie toe. Soldaten verdreven de Premonstratenzer monniken die zich op de berg hadden gevestigd, en knoopten er een stuk of tien op. In de volgende jaren werd de kerk gebruikt als fabriek, stal en volksonderkomen.

In 1853 kocht de bisschop van Straatsburg de kerk van de staat terug. Broeders en nonnen bouwden alles weer op. Weer stroomden de pelgrims toe. In de jaren vijftig van deze eeuw** verleende Paus Pius XII aan Odilia de titel ‘Schutspatroon van de Elzas’. Of ze die titel verdient, valt te betwijfelen, vooral als je de talrijke vernielingen van haar eigen huis bekijkt.

Op 11 oktober 1988 bezocht paus Johannes Paulus II het graf van Odilia, waarvan grote en kleine prenten in de kiosken getuigen. Ze laten de paus zien, biddend voor de tombe.

Blijft de vraag: wat ligt er in de kist? Wie kan met zekerheid zeggen dat het lichaam van Odilia aan alle plunderaars, van heidenen tot revolutionairen, is ontkomen?

In de kleine kerk naast de kapel met de tombe, wordt een eeuwigdurend gebed gehouden. Voor het altaar knielen, in voortdurende aanbidding, steeds twee gelovigen, zowel jongeren als ouderen, elkaar dag en nacht aflossend, zingend of biddend voor een mooie toekomst voor de hele mensheid. Voor de rots zelf zal die toekomst uitstekend zijn, getuige de vele souvenierwinkels en restaurants die de kapel omsluiten. Achter het kloostergebouw staan twee kapellen, op de plekken waar Odilia zelf altijd gebeden zou hebben. De ‘Kapel van de Tranen’ is gebouwd op wat, in haar tijd, het kloosterkerkhof moet zijn geweest. In de rots rond de kapel zijn sarcofagen uitgehakt waarin, volgens de legende, de eerste volgelingen van Odilia te ruste zijn gelegd. Onderzoek heeft uitgewezen dat ze al van vele eeuwen vroeger zijn, net als de fundamenten van de aanpalende Engelenkapel, die ooit een heidense tempel droegen. Wat mooi illustreert hoe de christelijke kerk voortbouwt op de haar voorgaande religies. De mozaïeken in de kapel laten zien welke rol de engelen in de godsdienst hebben gespeeld. Ook voor de kerstening van Europa, want Cherubijnen en Serafijnen zijn ware neven en nichten van de Sirenen.

Al lang voor de komst van het christendom was deze plek al een heilig oord. Er zijn aanwijzingen dat de berg in de bronstijd en zelfs al in de Neolitische tijd werd bewoond.

De Kelten die hier in de ijzertijd woonden, de stam der Médiomatriques, hebben er lange tijd hun religieuze feesten gevierd en offers gebracht aan hun zonnegod Belen. Te zijner ere hadden ze op dit raakpunt tussen aarde en hemel altaren gebouwd en dolmens opgericht.

De Romeinen, die heersten over het land vanaf 50 voor Christus, namen de natuurlijke vesting, die door de Kelten was verlaten, weer in gebruik en noemden de berg Altitona, wat zoiets als ‘donderende hoogte’ betekent. Ze herstelden de muren, bouwden een kazerne en hoge wachttorens. In hun tempel aanbaden ze de godin Rosmerto, patrones van de oostelijk gelegen Romeinse gebieden.

In Odilia’s tijd werd deze voorouderlijke heilige plaats nog steeds bezocht door de nieuwbakken christenen, die van het pas verworven geloof nog niet veel meer begrepen dan dat ze het onder dwang hadden moeten aannemen. Pas bekeerd hielden ze naast de nieuwe religie ook hun heidense goden in ere. Morden de mensen aanvankelijk omdat Odilia met klooster op de heilige rots van hun voorvaderen zat, tegen de dochter van de ruwe graaf Etticho durfden ze niets te ondernemen. Dat was levensgevaarlijk. Een jonge vrouw van mindere afkomst zouden ze vanwege heiligschennis hebben gelyncht. Ook hertog Etticho zelf had weinig op met het christendom dat hem door bekeerde koningen was opgelegd. Hij vond het geloof voor vrouwen. Misschien had hij een profetische blik. Heden ten dage bezoeken vooral vrouwelijke pelgrims het bedevaartsoord, wat trouwens geldt voor alle bedevaartsoorden. Mannen houden niet van heilige vrouwen en zeker niet van heilige maagden.

Na het bezoek aan het klooster loop ik de fraaie wandelroute rond de Heidenenmuur, een imposant bouwwerk van tien kilometer lang, dat door de Kelten moet zijn aangelegd. De hele top van de Sankt-Odiliënberg wordt er door omsloten. Een deels door de natuur aangewezen citadel die door Kelten, Romeinen en Franken als vesting werd benut. Een strategische plek van de eerste orde. Er is een route die in een uur of vier flink doorlopen voert langs de deels intacte resten van nog andere heidense heiligdommen. Het is een geliefd pad voor mensen die geloven in de invloed van de aarde op gezondheid van geest en lichaam. Ze zoeken genezende krachten en vitaliteit in aardstraling, die vooral op de religieuze plekken uit de oudheid heel krachtig heet te zijn en daar nog versterkt wordt door straling vanuit de kosmos. Sommige onderzoekers denken dan ook dat de heilzame invloed van het bedevaartsoord gelegen is in deze straling, waarvan de Druïden al de genezende werking hebben gekend. De zon werpt een feeëriek licht tussen de bomen van het oerbos, dat terugkaatst op de groene fluorescerende korstmossen op de restanten van de heidense muur. Vroeger was de muur vier meter hoog en gemiddeld anderhalve meter dik. Daarop was nog eens een hoge palissade aangebracht, wat de berg, die door zijn steile wanden toch al nauwelijks kon worden beklommen, tot een onneembaar fort maakte. De ommuurde ruimte besloeg 118 hectare,meen oppervlakte waar bij belegering velen hebben gewoond en gewerkt. Archeologische vondsten getuigen daarvan.

Aan het begin van het wandeltraject liggen een paar Romeinse graven, oneerbiedig open en bloot, half gevuld met dorre bladeren. De bolvormige tumuli in de omgeving verraden dat hier nog meer Romeinen rusten.

Een paar kilometer verder naar het zuiden ligt, nog steeds binnen de vesting, de grot van de Druïden, een megalitisch grafmonument waar de Kelten offers brachten. Op deze plek wordt door kenners de hoogste dosis straling gemeten. Een uurtje uitrusten in of op deze dolmen moet heilzaam zijn voor lijf en geest, ook voor wie er niet in gelooft.

Vlakbij de grot stortte op 20 januari 1992 in dikke mist een vliegtuig van Air France neer. 87 Mensen vonden de dood in de vlammen. Een eenvoudig houten bordje herinnert aan de ramp. In het hekwerk zijn honderden kruisjes aangebracht, gevlochten van takken. Boeketten bloemen hangen in de draad. Daartussen een eenvoudig houten kruisje, waarop in beverig handschrift staat geschreven:

‘Renée, geboren 11-3-1966, hier smartelijk overleden op 20-1-1992, toen haar leven zo mooi was.’

Drie priesters, in toog, staan er te bidden. Ik vraag of ik ze mag fotograferen.

‘Dat mag, maar liever niet en face’, zegt een van hen, die zich, als we in gesprek raken, bekend maakt als abbé Bernhard. ‘We zijn niet zo geliefd in Frankrijk.’ Op mijn verbaasde vraag vertelt hij dat ze priesters zijn van Lefèbre, de aartsconservatieve kardinaal die zo behoudend was dat hij door Rome uit de kerk is gezet. Ze komen hier vaak bidden, zegt abbé Bernhard. Hij is ervan overtuigd dat veel van de omgekomenen zijn gebed hard nodig hebben. Kinderen van deze egoïstische tijd als ze waren, zijn hun zielen natuurlijk nauwelijks voorbereid op de dood.

Na een wandeling van twee uur is het pad terug op de smalste plek van de ingemuurde ruimte; het klooster. De noordroute gaat door het overige deel van het vestingswerk. De verbazingwekkende en nog geheel gave delen van de Heidenenmuur slingeren zich langs de helling. Op enkele plaatsen in de muren staan de poorten naar de uitvalswegen nog overeind.
Kilometers verder, al weer bijna terug bij het klooster, ligt de grot die zich op zo wonderlijke wijze voor Odilia opende toen haar vader haar achterna zat.

Na de wandeling voltooid te hebben, neem ik me voor om haar de volgende dag nog eens te maken, maar dan andersom. Ik ben nog lang niet uitgekeken.

Om geen genade gemist te hebben, daal ik af naar de plek waar Odilia een bron deed ontstaan, toen ze op een van haar tochten tussen de beide door haar gestichte kloosters een oude uitgeputte man tegenkwam. Bij de bron vullen pelgrims flessen met bronwater en strijken het langs de ogen, hopend daarna beter te kunnen zien. Odilia is ook de patrones van de ooglijders. Ik dep water uit de bron op mijn ogen, maar mijn geloof is te klein: ik heb mijn leesbril nog net zo hard nodig.

Tien minuten verder naar beneden liggen de resten van het klooster Niedermünster. Een stevig hekwerk voorkomt verdere sloop van de ruïne. De aanpalende boerderij is gebouwd van stenen van het munster. Op een steenworp afstand staat een niet te definiëren kerkje, van later datum, te kleumen in een nat weiland. Een koppel duiven met opgezette veren treurt in een half dichtgetimmerd, raam over het verval. Uit een bron ter grootte van een wasbak ontspringt een beekje, zo dun als een potlood, dat sierlijke krullen in het weiland schrijft.

Terug bij het klooster klinkt ijl gezang uit de kerk naar buiten. Vijf uur. De vespers worden gezongen door de laatste nonnen die het convent bewonen. Negen stemmen. Eén stem minder dan een paar weken geleden. Een op de deur geplakt bericht vertelt dat op 24 december 1992, in de leeftijd van 62 jaar, de ziel van soeur Georges-Marie haar aardse lichaam heeft verlaten, nadat ze 38 jaar bruid van Christus is geweest. Eén stem minder maakt het koor iets ieler. En wat wanneer zuster Ignatia-Marie uitvalt? En na haar zuster Joséphine-Marie? Zullen de zes overgeblevenen het nog kunnen opnemen tegen de sterke bariton van rector Jaques Ponts, helemaal alleen in de rechterbeuk, die nog geen vijftig is en te zijner tijd het hele koor van nonnen zal overleven? Wie volgt daarna rector Jaques op?

Kopzorgen voor de kerk, die zoveel zielen geestelijk te voeden heeft, maar weinigen uitverkoren acht om aan de tafel des Heren voor te gaan. Zorgen die ook nu al de Sankt-Odiliënberg beheersen en die doorklinken in de eenvoudige stemmen van de nonnen. De voorzangeres heeft de stem van Soeur Sourire, de zingende non die in de jaren zestig zoveel harten veroverde met haar ongekunstelde liedjes.

Het gezang roept een weldadige rust op in het sfeerrijke licht van de donkere, winterse kerk, die naar kaarsen en wierook geurt. Na de wandeling in de ingetogen stilte van de bossen rond de Heidenenmuur vind ik hier een andere, maar net zo weldadige rust. Even voel ik me in de middeleeuwen en is het net of Sint-Odilia zelf, met haar eerste medezusters, in de kerk aanwezig is. De legende heeft me in haar greep. De Sankt-Odiliënberg, met zijn vele tastbare herinneringen aan het verleden, zo dicht bij elkaar, is een spiritueel fenomeen. Zelfs een moderne heiden als ik voelt zich na een bezoek aan deze plek geestelijk opgekalefaterd.

Wat allemaal waar is van de legende van Odilia, het kan me niet schelen, maar haar naam zij geprezen. Vooral als ik te harer ere in het pelgrimsverblijf een flink stuk Odiliëntorte eet. Bosbessenvlaai. Een typische Elzaslekkernij met een aardse geur en met een hemelse nasmaak.

Bronnen: G. Altenbach en B. Legrais: Lieux Magiques et Sacrés d’Alsace et des Vosges. Editions du Rhin,
ISBN 2 86339 012 0.
F. Petry en R. Will: Le Mont Sainte-Odile. Guides Archéolgiques de La France, ISBN 211 080954 X.

Ton van Reen, Volkskrant, 03-04-1993

.

De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein

2e klas: vertelstof

Rudolf Steiner over: vertellen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

1589

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – een fabel

Meestal, soms wel eerder, maar in het algemeen in de 2e klas, doen zich voor het eerst ‘streken’ voor, die we met gemak herkennen in de fabels.

En het is een gouden greep van Rudolf Steiner geweest om de vertelstof voor de 2e klas te laten bestaan uit de fabels. [1]

Zo was er eens een kind dat een ander kind dat ruim in het snoep zat, naar de mond begon te praten met het duidelijke doel wat zoets los te peuteren. De ‘aanbedene’ kreeg, toen er zich meer vleiers meldden, wel enig argwaan, maar schonk toch gul van de rijke voorraad.
Aan de ogen van de ‘aanbidders’ was heel goed te zien, dat ze er niet veel van meenden.

De andere dag begon ik een klassengesprekje over of de kinderen weleens geprobeerd hadden thuis of ergens anders iets voor elkaar te krijgen met mooie woorden. Er kwamen genoeg voorbeelden. ‘In het gevlij komen, naar de mond praten, flemen, huichelen’ waren woorden die aan de woordenschat konden worden toegevoegd.

Na een poosje was het genoeg en ik zei: ‘Luister eens naar dit verhaal’ en vertelde de fabel van de raaf en de vos.

Om er later nog iets mee te kunnen doen, zette ik hem op rijm, zo een dialoog makend, die door alle kinderen, of in de rol van de raaf, dan wel die van de vos, gespeeld  zou kunnen worden.

DE VOS EN DE RAAF*

Een raaf op zijn gemak gezeten,
wilde van de kaas gaan eten.
Daar kwam een vos over het pad
die wel zin in iets lekkers had.
Toen zag hij meneer raaf en zei: (zacht bij zichzelf:)
‘Dat hapje is wel wat voor mij.

(Zich tot de raaf richtend:)

‘Welke vogel is zo gaaf,
O, bent u het, meneer raaf.
Wat zit u sierlijk op uw tak,
hoe schoon is toch uw verenpak,
wat zijn uw poten slank,
en dan….uw hals zo rank.
En uw vleugels zijn voorwaar
nog sterker dan van de adelaar.
Nooit zag ik zo’n mooi dier,
zo prachtig en zo fier.”

Zo sprak de vos, met zijn gevlei**
maakte hij de raaf heel blij.

‘Als uw stem zo mooi is als uw veren<
moet men u als koning wel vereren.’

‘kra, kra,’ kraste de raaf –
de kaas viel naar beneden,
recht in de vossenbek.
Hij riep tevreden:
‘Een stem heb je, zoals ik hoor,
maar hersens niet!’

En ging er met de kaas vandoor.

[1] in GA 295/19 is nog geen sprake van legenden]
vertaald/20

*i.p.v. de raaf, komt ook ‘kraai’ voor; in sommige bewerkingen is er sprake van ‘mevrouw, of juffrouw’ raaf/kraai.

**gevlij of gevlei

vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

876

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden

DE KAMELEN VAN DE HEILIGE FRONTO

Dit is een Egyptisch verhaal.

Midden in een grote, gele zee van zand lag een klein, groen eilandje, een oase. Overal elders brandde de zon op het zand, en op de rotsen en op de laagvlakten, en de kale heuvels tegen het westen. Maar hier was er schaduw onder de palmen, en een bron met koel, helder water. Het leek op een klein paradijsje, maar toch waren de mensen,  die daar woonden, verre van gelukkig. Want er heerste misnoegdheid en ontevredenheid, en er werd gemurmureerd en gemord. En toch wilden juist deze mensen leven als heilige kluizenaars, een leven leiden van goedheid en gehele zelfopoffe­ring. Doch het is moeilijk goed te zijn, wanneer men bijna sterft van honger. Zeventig van hen leefden in dit eenzame kamp te midden van de woestijn, zeventig hongerige monniken, die dagen achtereen niet anders gehad hadden dan enkele olijven om zich mee te voeden. En zij gaven één onder hen de gehele schuld van dit hun leven vol ont­beringen. Het was Fronto, die hen overgehaald had, hun heerlijk kloos­ter te Nitria te verlaten, waar de overige broeders nog altijd in vrede en overvloed leefden. Het was Fronto,  die hen gevoerd had naar deze ellendige woestijn,  om daar in eenzaamheid God te dienen,  zo­als de heilige mannen deden in de eerste dagen van het Christendom. Maar Fronto was een heilige, vol moed en vast geloof. Hij had hun voorspeld, dat het hun ook in de woestijn niet zou ontbreken aan het nodige, wanneer zij maar niet bezorgd zouden zijn over zich­zelf, en vertrouwden, en zij hadden hem geloofd. En zo pakte iede­re monnik wat olijven in zijn knapzak en wat tuingereedschap om te spitten en om koren te planten, en volgde Fronto naar de woestijn. Na vele dagen reizen vonden zij deze plek, ver naar het oosten heen gelegen, waar geen karavanen hen zouden komen storenwant zij lagen buiten de gewone reisweg. Doch weldra hadden zij hun hele voorraad verbruikt en zagen zij geen kans andere te krijgen. Wat moesten zij doen? En zij vroegen Fronto om raad, maar als enig antwoord verzocht hij hen geduldig te blijven. Doch nadat zij vele dagen achtereen honger geleden hadden, begonnen zij te morren en te spreken van terugkeren. Fronto echter was diep verontwaardigd over dit voorstel. “De Heer zal ons bijstaan,” zei hij. “O. jullie kleingelovigen!” En hij verzocht hen weer  aan hun werk te gaan en te trachten hun honger te vergeten.Toen haalden de monniken de koorden  van hun pijen wat strakker aan, doch dit hielp helaas al zeer weinig. Nooit hadden zij vroeger zo lang achtereen gevast als nu! Dagelijks werden zij bleker en magerder en hun lange pijen fladderden om hun uitgeteerde ledematen heen. De enke­le dadels, die aan de palmen van hun oase groeiden, waren sinds lang opgegeten, en de arme monniken begonnen te kauwen aan de toegeknoopte einden van hun pijkoorden,  zichzelf wijs makend dat het brood was. O, hoe verlangden zij naar een stuk hard zwart brood,  dat gebruikt werd in het klooster aan gene zijde van de heuvels!
En iedere dag vielen hun wangen meer in en werden zij wanhopiger, tot zij ten laatste op zekere avond allen tezamen, verenigd  tot een deerniswaardig, uitgeteerd, bleek troepje naar Fronto gingen, smekend: “Breng ons terug naar Nitria of wij sterven. Wij kunnen het niet  langer uithouden!”
En Fronto, bleker en meer uitgeteerd dan de anderen, voor hen staand, maar niettemin met het licht van een groot, mooi vertrouwen in de ogen, zei: “Wacht nog een klein poosje, mijn broeders. Ons is gezegd geen zorgen te maken voor de dag van morgen en niet te vragen: “Wat zullen wij eten en wat zullen we drinken.”
“Wij denken ook slechts aan de dag van heden, niet van morgen,” vielen enkelen hem in de rede. “Wanneer wij vandaag te eten hadden, zouden wij ook niet over morgen bekommerd zijn. Maar wij sterven van honger*”
“Geduld broeders, geduld,” hernam de Heilige, “wanneer wij nu
terugkeren, zouden wij tonen geen vertrouwen in Gods woord te hebben. Wacht nog tot morgen: komt er dan geen hulp, dan geef ik u verlof heen te gaan zonder mij.  Ik keer niet terug.”

En de monniken gingen heen, morrend en zeer ongelukkig. Toch hadden de woorden van de Heilige enigen indruk gemaakt, en zo besloten zij te wachten tot morgen, en ieder strekte zich op zijn vloermat in de kleine cellen, die zij in het zand hadden afgetekend, neer. En met verzuchtingen van honger in hun gebeden gemengd, deden zij hun best om te slapen en hun lange tijd van ontbering te
ver­geten.

Fronto echter kon niet slapen, want hij was zéér bedroefd en
te­leurgesteld, omdat zijn broeders hun geloof en vertrouwen verloren hadden, en omdat hij zich zo eenzaam en verlaten voelde, verlaten in deze grote woestijn door de vrienden, die hem juist door hun liefde en vertrouwen hadden moeten helpen. En gedurende de gehele nacht bad hij geknield op zijn vloermat de Heer,  zijn belofte te vervullen, en de twijfelende monniken te tonen, hoe klein hun geloof en hoe gering hun vertrouwen geweest was. Onderwijl droomden zijn broeders luid van allerlei spijzen die zij zich in hun ver­beelding zagen toegediend, en het maakte Fronto zéér bedroefd hun zwakke stemmen te horen.

Eindelijk vertoonden zich de eerste bleek-rose stralen aan de hemel. Plotseling rees Fronto, die geknield neerlag met zijn rug naar de deur van zijn cel, overeind. Hoor! wat was dat voor een ge­luid, dat in de frisse morgenlucht  tot hem kwam? Het moest wel zeker het getjingel van ballen zijn. En haastig begaf de goede Heilige zich naar buiten, met een glimlach van hoop om zijn bleke lippen en een kleur op zijn ingezonken wangen. Want hij wist, dat zijn gebed verhoord was. En waarlijk! ver in het noordwesten zag hij een zwarte streep, als rupsen over het zand kruipend, in de richting van de oase. Steeds nader kwam, het;  en nu kon hij duidelijk zien wat het was,  een rij waggelende grote kamelen;  terwijl het getjingel van de belletjes, bevestigd aan hun tuig, als een bewijs klonk, dat uitkomst nabij was. Het bellengerinkel had evenwel  de andere monniken ook doen ontwaken.

Met een kreet van vreugde kwamen zij uit hun cellen gestort en ren­den de kamelen tegemoet, die nu vlak bij het kamp waren aangekomen. En vallend over hun te lang geworden pijen of door zwakte en uitput­ting neerstortend, waren deze arme monniken als mensen op een zin­kend schip, die de reddingsboot in het zicht krijgen. Sommigen sprongen op en neer van louter vreugde, anderen klapten als kinderen in de handen en bijna allen hadden tranen in de ogen.

Daar waren zeventig kamelen, goedaardige wezens met grote zachte ogen en platte hoeven, die hen over het zachte zand droegen alsof het sneeuwschoenen waren. Grote pakken, die een rijke inhoud be­loofden, droegen zij op de rug; regelrecht gingen zij op de cel van Fronto af, waarvoor zij stilhielden. En hoe welkom werden zij daar ontvangen! De monniken sloegen de armen om de halzen van de die­ren, toen zij neerknielden in het zand, en kusten hen op de kop alsof zij lang verloren broeders terugzagen. Fronto evenwel zocht naar hun eigenaar, naar de man, die hen geleid had;  doch hij vond niemand bij hen.  Geheel alleen, zonder gids, hadden zij de weg ge­vonden door de woestijn. Een groot licht van vreugde straalde op Fronto’s gelaat.

De Heer heeft hen gezonden,”zei hij. En de monniken bogen de
hoof­den, diep beschaamd over hun twijfel.

Hoe hongerig zij ook waren, verzorgden de monniken toch eerst de vermoeide dieren, die van zo ver gekomen waren om hen te redden. Enige namen de zware lasten van hen af, wasten zacht en voor­zichtig hun gloeiende, vermoeide poten,en gaven hun fris water uit de bron te drinken. Weer anderen plukten van het malse, groe­ne gras van de oase voor hun uitgehongerde lotgenoten, en knoop­ten de bossen hooi los, die enkele kamelen hadden meegebracht, om een bed van te maken voor de uitgeputte dieren, waarna zij allen te samen vlug een soort van hok bouwden voor de zeventig kamelen in de schaduw van de palmbomen. En daar lieten zij de geduldige schepsels uitrusten en kalm hun voedsel herkauwen met het verkwik­kend gevoel,  dat de lange, gloeiend-hete afmattende reis nu vol­bracht was.

Hierna begaven de broeders zich naar Fronto, om nu eindelijk hun eigen ontbijt gezamenlijk te nuttigen, en zij vonden hem verdiept in het lezen van een brief, die hij onder het zadel van de voor­ste kameel gevonden had. Het was een brief uit Alexandrië, die de reden van de zending der kamelen verklaarde.
Vier nachten vóór deze namelijk lag een zekere Glaucus, een rijk koopman uit Alexandrië in zijn zomerverblijf uitgestrekt op zijn rustbank. Juist had hij zijn avondeten gebruikt, bestaand uit de meest uitgezochte spijzen, en voelde hij zich volkomen gelukkig, toen hem opeens de zeventig monniken in de gedachte kwamen, die vóór enige tijd uit Nitria vertrokken waren om met de hulp, die de Heer hen zenden zou,  in de woestijn te gaan leven. En hij voelde iets als een dolksteek in het hart; misschien waren zij wel ster­vend van honger, terwijl hij zelf zich in overvloed baadde. En een vurig verlangen om de mannen aan voedsel te helpen kwam in hem op. Ja, hij zou hun te eten sturenf van alles wat hij zelf gebruikt had zou hij ook hun zenden.

En zo had hij de volgende morgen zeventig kamelen met
allerlei proviand laten bepakken, vijf van hen bovendien met bossen
stro voor henzelf. En hij bracht ze tot de rand van de woestenij,
en zond deze schepen van de woestijn geheel zonder drijver of gids
de grote zandzee in, aan henzelf overlatend de goede haven te
vinden. Hij was voor zichzelf overtuigd, dat de Heer hen veilig naar
de monniken zou leiden. Dit was het slot van de brief.
En zo was het gebeurd. En wat lieten de arme, uitgehongerde
monniken zich hun ontbijt, bestaande uit allerlei vruchten, als verse
vijgen en olijven en dadels,  citroenen en sappige druiven en
granaatappelen, goed smaken! Ook was er nog brood en olie en noten en heerlijke, goudgele honingraat. Glaucus had in waarheid goed voor
hen gezorgd. In een blijde kring gezeten in het zand, genoten zij
er volop van. En toen zij verzadigd waren, bezochten zij opnieuw de kamelen, die hun het leven gered hadden, en dankten hen met liefkozingen. De ka­melen schenen hen te begrijpen!  Zij zagen hen met hun grote, don­kere ogen vriendelijk aan en dachten, terwijl zij ernstig aan het herkauwen waren: “Ziet gij nu, dat  de Heer u, niet vergeten, noch verlaten heeft. Wij zijn maar onnozele stomme dieren, maar toch zijn wij dwars de woestijn door tot jullie gekomen zonder enige vrees en zonder een ogenblik af te dwalen, omdat wij geloofden en vertrouwden. Waarom vertrouwden ook jullie niet net zo?” En opnieuw waren de monniken diep beschaamd en zij vroegen Fronto vergiffenis voor hun kleingelovigheid en zwakheid.

De volgenden morgen tuigden zij de kamelen dadelijk weer op voor de terugreis naar Alexandrië, want zij begrepen, dat Glaucus zeer verlangde te weten, of zijn dieren hun zending goed volbracht hadden. De helft van de proviand gaven zij weer mee, want voor hun sobere maaltijden hielden zij genoeg over voor een geheel  jaar. Met tranen in de ogen zonden de monniken hun vrienden, de kamelen, weer de woestijn in, doch in het vaste vertrouwen, dat zij de terugweg even­goed zouden vinden en veilig en behouden in Alexandrië zouden aan­komen. En ieder in de deur van zijn cel staand, zagen zij hen lang­zaam over het gele zand wegtrekken, tot de kamelen ten laatste helemaal verdwenen achter de heuvelen, die als grote golven verrezen tussen hen en dc wereld der steden.

Acht dagen waren er nu verlopen sedert Glaucus zijn kamelen had uitgezonden, en nog had hij niets van hen vernomen, zodat hij
on­gerust begon te worden. Zeventig kamelen zijn een kostbaar bezit! zelfs voor een rijk koopman,  en hij zou hen niet gaarne verloren hebben. Reeds vreesde Glaucus, dat hij dwaas en onverantwoordelijk gehandeld had;  er waren toch vele rovers in de woestijn,  en er was niemand om deze onbeheerde karavaan te beschermen. Zou de Heer ge­nadiglijk de zorg op zich nemen voor dingen, die geheel en al aan Hem werden overgelaten?

Stil en in sombere gedachten verdiept zat Glaucus in zijn tuin te
midden van de zijnen. En ook zij meenden, dat hij te onbezonnen en al
te overijld gehandeld had;  doch zij durfden hem dit niet te zeggen,
uit vrees van hem nog ongelukkiger te maken. De aanvoerder der
kamelen was de lievelingskameel van Glaucus’ dochter Emilia. Diep
bedroefd zat  zij in een verborgen hoek van de tuin, terwijl ze huilde over haat lieve kameel Humpo, die zij dacht nooit meer te zullen zien toen zij plotseling, evenals dit bij Fronto gebeurd was, het gerinkel van bellen hoorde. En opspringend liep zij snel de grote weg op.
“Wat is er, Emilia, mijn kind?n riep haar vader haar toe,  door haar plotselinge beweging uit zijn overpeinzingen opgeschrikt. “0, Vader, Vader!” riep zij hem toe, “ik geloof, dat ik tussen de bergen het gerinkel hoor van kameelbellen!”
En zo was het ook, want toen allen zich uit de tuin spoedden naar de weg, hoorde men duidelijk het getjingel nader en nader komen. Weldra kwam de lange rij van zeventig kamelen, met Humpo aan het hoofd,  in het gezicht, de helft beladen met het proviand, dat de onzelfzuchtige monniken zich niet hadden willen toe-eigenen. En nauwelijks had Emilia haar armen om de nek van haar geliefde Humpo geslagen en hem enige lieve woordjes in zijn slappe oren gefluisterd, of hij knielde voor haar neer, terwijl hij haar vol tederheid met zijn grote, bruine ogen aankeek.

Nu was Glaucus overtuigd, dat de Heer welgevallen aan hem had gehad, en hem geholpen had zijn plicht te doen. En elk jaar opnieuw zond hij zijn zeventig kameelen geheel alleen,  zonder leider,  de woestijn in, naar de ver afgelegen oase, en werden de kamelen de meest ge­liefde vrienden van Sint-Fronto en zijn monniken.

805

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-12)

DE WONDEREN VAN DE HEILIGE BERACHUS

Het leven van de Heilige Berachus is van zijn jeugd af vol wonderen geweest. Want toen hij als jongen nog bij zijn vader Nemnaldus,  in huis was, kreeg hij een visioen. Een engel verscheen hem en wenkte hem  te volgen. En de engel voerde hem naar het klooster te Glendalough, waar de heilige Coemgenus met zijn vriendin, de witte ree, woonde en waar de jongens uit de streek door hem onderwezen werden. En Berachus voegde zich bij de jongens om onderricht te worden in de kennis en wijsheid die deze Heilige bezat en om nog vele dingen meer te leren.

Ierland was in die dagen, het was zes honderd  jaar na Christus’
geboorte, een woest land, nauwelijks bebouwd met enkele kleine
stadjes. De hutten waar de mensen in deze wildernis woonden en
waaraan zij de namen van huizen, scholen en kerken gaven, lagen,
mijlen ver van elkaar verwijderd,  en overal zwierven wilde dieren rond.
In de grote, groene weiden dicht bij het klooster gelegen graasden de koeien,  die hun melk aan de monniken gaven. Het was een genot voor de jonge monnik Berachus uit het venster van zijn cel te waken over de koeien en kalfjes terwijl zij aten van het sappige, malse gras en zich baadden in de beken die langs de wilgen liepen. Bovenal hield hij veel van Bel,  de meest glanzende en de mooiste van alle, de trotse moederkoe, die juist een klein rood kalfje gekregen had.

Op zekeren dag, terwijl Berachus  weer zo’n schik had naar Bel en haar jong, die op enigen afstand van de andere koeien graasden, te kijken, zag hij opeens iets, wat hem deed verstijven van schrik. Een grote, grijze wolf, verscholen in de schaduw van een heg, zag hij langzaam nader en nader het vreedzame paar besluipen, zonder dat Bel in het minst iets bemerkte van haar gevaarlijke vijand. Zo gauw hij maar kon sprong Berachus de steile kloostertrap­pen af en rende de poort uit,  zich nauwelijks de tijd gunnend zijn broeder de portier te zeggen, wat er gebeurde. Hij wist dat hij geen minuut te verliezen had.
Hij vloog, als het ware, het weiland over, drong door de heg van bloeiende hagendoorn heen, maar helaas – hij kwam toch te laat. De grote, door honger uitgemergelde wolf had zich juist geworpen op het kleine rode kalfje en het opgegeten. Arme Bel, razend van droef­heid rende zij loeiende over het weiland, alsof zij haar jong zocht. Maar de wolf was al helemaal uit het gezicht verdwenen. Toen Berachus zag wat er gebeurd, was, werd hij zeer boos op de wolf, want hij hield erg veel van Bel en het maakte hem treurig haar zo bedroefd te zien. En hij dacht, hoe eenzaam de arme koe zich voelen zou zonder haar jong, en toen zij hartbrekend loeiend naar hem toe kwam, als wilde zij hem vragen haar te helpen, had hij z’n zielsmedelijden met haar, dat hem de tranen in de vriendelij­ke ogen kwamen. Maar dan moest hij weer denken, hoe uitgehongerd de wolf geweest moest zijn; het arme dier was geheel vermagerd en uitgeteerd – hij kon er hem toch geen al te groot verwijt van maken. Toen kwam er een eigenaardige gedachte in Berachus op. Hij was een wonderbare man,  en moet een zeer grote macht over de dieren gehad hebben, want hij riep de wolf bij zich, die al een heel eind van hem verwijderd was. Luid en met strenge stem riep hij hem. En op hetzelfde ogenblik bijna kwam de wolf verschrikt en huilend aan­sluipen en kroop voor Berachus op de grond. En de Heilige sprak hem vriendelijk toe. En hij riep ook de koe, en haar bij de horens nemend bracht hij haar tot vlak voor de wolf, en stelde haar door zijn zachte woorden en liefkozingen zo gerust, dat zij niet de min­ste angst voor de grote, grijze wolf voelde. En Berachus sprak tot de koe: “Zie, moeder Bel, dit zal voortaan uw kind wezen, in plaats van het kleintje, dat u verloren hebt. Hij zal een vriendelijk en goede zoon voor u zijn, dat beloof ik u.” En tot de wolf zei hij: “Hier, wolf, is de moeder, voor wie u zo goed en vriendelijk moet wezen,  dat zij het leed, dat u haar aangedaan hebt, zal vergeten. Wees een brave en liefhebbende zoon voor haar, die haar wensen in alles volbrengt.”

En van die tijd aan leefden de koe en de zachtzinnige wolf vreed­zaam
tezamen in de weiden van het klooster, en de wolf beschermde haar tegen elk gevaar, en hield als een grote wachthond de andere wilde dieren van de kudde af.

II.

Op deze gebeurtenis volgde z’n strenge winter, dat weken ach­tereen het land bedekt was met sneeuw, en de beken en sloten geheel dichtgevroren waren.

De kleine Edward, het zoontje van Hertog Golman, die in het klooster naar school ging, was daar zeer ernstig ziek geworden. Gloeiend van koorts lag hij daar met een door brandende dorst als het ware toegeschroeide keel. En de kleine smeekte om sappige, koele appels, verse slablaadjes, maar waar kon men in een land, bedekt met sneeuw en ijs, deze dingen krijgen! Maar Coengenius, de abt, vertrouwend in de macht van zijn jonge vriend, die wolven wist te temmen,  sprak tot hem: “Ga heen, mijn zoon, neem mijn staf in uw hand en breng de jongen, wat hij vraagt.”

Toen trok Berachus zich terug in zijn cel en bad dat hij  geze­gend zou worden, opdat hij het leven van het kind zou mogen redden. En krachtig in zijn geloof, toog hij vol moed uit over de met sneeuw bedekte weiden, steunend op de staf van de abt,  die hem hielp over de sneeuwophopingen heen. Zo kwam hij aan de hard bevroren beek, die onder de wilgen doorliep en waarin de koeien zich zo graag baadden,  en rustte daar een ogenblik uit. En met zijn staf de kale, bruine wilgentakken even aanrakend, die onder de zwaarte van de sneeuw neerhingen,  prak hij zacht de zegen daarover uit. En op hetzelfde ogenblik begon de sneeuw te smelten, als onder de warmte van de lente­zon. In de onbuigzame bruine takken kwam nieuw leven,  en zij werden mals en groen. En uit de grijze wilgenknoppen ontsproten kleine, donzige wilgenkatjes. En de katjes werden dikker en dikker, en ron­der en ronder, tot zij ten laatste openbarstten, en er heerlijke appels met rode kleurtjes neervielen in de schoot van de Heili­ge. Onderwijl waren ook de sneeuwhopen onder de bomen gesmolten, en uit de bevroren grond, bloeiden kleine groene blaadjes op. En Berachus plukte een grote bos van deze sappige, frisse slablaad­jes. En met de armen vol appels en blaadjes waadde hij door de ont­dooide sneeuw naar het klooster terug. En hij werd blij ontvangen, en grote vreugde heerste er bij zijn terugkomst. De kleine zieke herleefde door deze vruchten,  op z’n miraculeuze wijze voor hem voortgebracht, en was weldra geheel genezen. En dit zijn de wonderen van Sint Berachus, die leefde zes honderd jaren na Christus in het woeste Ierland, tot zegen van zijn medeschepselen.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

795

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-11)

 

DE MAALTIJD VAN SINT-RIGOBERTUS

St.-Rigobertus was zeer hongerig, want hij, noch Peter, zijn helper, die voor hem uitliep op weg naar Rheims, had die morgen iets gegeten. Zij waren op weg om Wibertus, de Gouverneur van Rheims te bezoeken, en hem wat geld af te dragen,  dat  de bisschop hem schul­dig was; helaas al het geld, dat hij bezat. En daarom nu hadden zij niets gehad om eten voor hun ontbijt van te kopen, en keek de kleine Peter zo begerig in elke bakkerswinkel, die zij voorbij­ liepen.
De goede heilige Rigobertus evenwel zag niets van al de heer­lijkheden, die voor de vensters uitgestald waren, want hij had de ogen neergeslagen, naar de grond,  en zong onderwijl enige hymnen zacht vóór zich heen. Niettemin voelde ook hij zich zeer flauw. Sint-Rigobertus was zeer arm, want hoewel hij een goede oude bisschop was, hield de Koning van Frankrijk niet veel van hem en hij had hem van het hof en uit de grote, rijke stad weggezonden, om zijn leven verder onder de arme boeren buiten te slijten. Maar Sint-Rigobertus betreurde zijn vroeger leven al zeer weinig, want hij hield van het aardige dorpje Gernicour, waar hij nu woonde. Hij hield van de mensen, die daar leefden, en in het bijzonder hield hij van Peter, die bij hem was komen wonen, om hem in alles te helpen.

De bewoners van het dorpje hadden vriendelijk en mild voor hem behoren te zijn, doch het waren domme, zelfzuchtige mensen, die alleen dachten aan zich zelf en er geen begrip van hadden, hoe arm hun goede bisschop wel was. Nu waren zij zelf ook wel arm en bezaten maar zeer weinig geld, maar zij hadden toch ruimschoots voedsel: overvloed van groenten, melk, eieren en boter, en wanneer ieder van hen iets had afgestaan – wat zij behoorden te doen,  want Sint- Rigobertus deed hun zoveel goed – dan zou de Heilige niet zo dik­wijls  honger hebben hoeven te lijden.

Sint-Rigobertus had er verdriet van, dat zij zo weinig aan hem dachten, maar nooit klaagde hij erover. Hij zou het hun niet heb­ben willen zeggen, of zou hun niet hebben willen vragen hem te hel­pen, en dikwijls wist zelfs kleine Peter niet hoelang hij al ge­vast had. Want als er weinig was, gaf hij het Peter ‘s avonds en behield voor zichzelf niets ervan.

Toch was hij altijd tevreden en opgeruimd en had steeds voor ieder, die hij tegenkwam in het dorp, een vriendelijk woord. En wanneer hij in de grote stad Rheims kwam, beklaagde hij zich bij de Gou­verneur nooit over zijn armoedig
leven van gebrek en ontbering, noch over het weinige, dat de inwoners van Gernicour voor hun bisschop over hadden. Want hij wilde het liefst goeds van hen denken, en geloven, dat zij in alles hun best deden.

En zo kwam het nu, dat beiden, Sint-Rigobertus en zijn helper, het geld aan de Gouverneur afdroegen,  zonder een enkel woord ervan te zeggen, hoe zwak en hongerig zij zich voelden. En toen hij de grote gedekte tafel in de eetzaal zag en de warme, geurige spij­zen, die de dienaren achtereenvolgens opdroegen, stond hij maar gauw op om niet in verzoeking gebracht te worden zijn nood te klagen. Zijn bisschopsstaf opnemend, wilde hij dadelijk terugkeren naar Gernicour en naar zijn huis, waarin niets voor hem te eten was. Doch toen zij op het punt stonden de zaal te verlaten, keek de kleine Pe­ter telkens zo begerig om naar de gedekte tafel, dat Wibertus, de Gouverneur, hem terugriep. Zeker had hij de begerige blikken van de jongen gezien en opgemerkt, hoe bleek en ingevallen Sint-Rigo­bertus er uitzag en half de oorzaak daarvan geraden, want hij zei op vriendelijke toon:

“Doet mij het genoegen met uw metgezel bij mij te blijven eten. Zie het middagmaal is juist gereed, en er is plaats te over aan mijn ta­fel.”

Maar Sint-Rigobertus had een dienst te houden in de kerk van Gernicour, en wist, dat zij nauwelijks op tijd  terug konden zijn, al lie­pen zij nog zo vlug. Daarenboven wilde hij, terwille van zijn ge­meente, de Gouverneur niet laten merken, hoe hongerig hij was. “Dank u,” antwoordde hij minzaam, “dank u voor uw vriendelijke uit­nodiging, vriend Wibertus. Wij mogen ons niet langer ophouden en heb­ben geen tijd meer nog vóór de dienst in de kerk te Gernicour te eten. Als wij ons niet haasten, komen wij te laat. Zoon, Peter, mijn jongen, wij moeten weg.”

Tranen van teleurstelling kwamen Peter in de ogen. Hij was zo graag gebleven, om wat van het heerlijke middagmaal te krijgen. Maar hij verzette zich nooit tegen de bevelen van zijn meester en was vol­strekt gehoorzaam. De Gouverneur drong nog tot blijven aan, maar Ri­gobertus bleef standvastig, en ging naar de deur, gevolgd door de pruilende Peter. Doch juist stond hij gereed de zaal te verlaten, toen hem van buiten een groot rumoer en het kwaken van een dier en het gelach van mensen tegen klonk. Op hetzelfde ogenblik kwam een der bedienden de zaal in met een grote, witte gans in de armen, die aanhoudend met de vleugels van zich af sloeg en van angst zich bij­na schor geschreeuwd had.

“Wat betekent dat daar?’, vroeg de Gouverneur streng”Waarom maken jullie zo’n stampij  in mijn huis.”

11 Vergeef me,”  zei de man, zo goed als hij kon met de weerbarstige gans in zijn armen, “deze gans is een geschenk van de weduwe Réné, en zij verzocht u haar dc eer aan te doen, het dier te willen aannemen.”
“Een armzalig geschenk voorwaar,”  zei de Gouverneur knorrig. “Wat moet ik met dat beest doen? We hebben zelf al meer gevogelte dan we bergen kunnen. Ik wil haar niet hebben.”
Toen viel hem opeens iets in en zich tot Sint-Rigobertus kerend, zei hij lachend: “Wel, eerwaarde heer, nu gij hier niet wilt blij­ven eten, verzoek ik u vriendelijk, neem deze vette gans mee naar huis, dan kunt gij in Gernicour een goede maaltijd van haar maken. En ons bewijst gij er omgekeerd een dienst mee, ons van het dier te bevrijden.”

Sint-Rigobertus aarzelde. Doch de gretige blik van Peter1s gelaat ziend, besloot hij de gift aan te nemen. wat in die tijd zeer gebruikelijk was.
“Veel dank voor uw beleefdheid, Heer Wibertus,” antwoordde hij. “Wij zullen de milde gift, deze mooie gans aanvaarden, ook omdat wij zien dat aan uw tafel niet veel meer ontbreekt.
Komaan, Peter, mijn jongen, neem uw buit, en pas op, dat het dier u niet bijt,” voegde hij er bij, toen hij zag, hoe de  jongen haastig het grote, tegenspartelende dier aannam.

De gans pikte en snaterde en sloeg vreselijk met de vleugels, ter­wijl Peter zijn arm om haar heen sloeg. Doch eindelijk waren zij toch klaar om te vertrekken. Peter voorop met de gans, die bijna zo groot was als hijzelf, gevolgd door de bisschop, leunend op zijn staf, de ogen naar de grond geslagen. Peter was buiten zichzelf van blijdschap, hij grinnikte van vreugd en had haast geen geduld te wach­ten, tot hij goed en wel thuis was, zo zeer verheugde hij zich op het heerlijke middagmaal.
Maar Sint-Rigobertus had de gans al helemaal vergeten; hij had zoveel andere dingen om aan te. denken. Juist op deze wijze, door aan wat anders te denken, had hij geleerd, zijn honger te vergeten.

Plotseling echter werd Rigobertus’ aandacht getrokken door een luid gesnater en een luide kreet die van de weg voor hem uit kwam. En op­kijkend zag hij nog juist een groot, wit ding omhooggaan, en Peter gillend en schreeuwend de weg op en neer hollen. Onmiddellijk begreep de bisschop wat er gebeurd was. “Jongen,  jongen, ben je je gans kwijt?” vroeg hij vriendelijk. “O, Vader,” snikte de jongen, “ons heerlijk middagmaal. Uw middag­maal, meester! De ondeugende gans is weggevlogen. O, wat ben ik toch dom, dat ik haar heb laten ontsnappen.” En hij ging op een steen zit­ten en huilde, alsof hem het hart breken zou.

“Neen, neen,”  zei de goede bisschop, hem op het hoofd kloppend, “ik denk, dat de arme gans misschien geen zin had om gebraden te worden. Peter, kan je het haar  verwijten, dat  zij liever haar vrij­heid zocht? Ik kan niet vinden, dat zij enig kwaad deed, maar het spijt me wel van je middagmaal, mijn jongen. We moeten nu proberen wat anders te eten te krijgen. Kom Peter, laat de gans gaan. Het zal nog wel in orde komen, mijn jongen.”

Hij hielp Peter opstaan, terwijl de jongen nog altijd bitter huil­de, en toen ging het weer verder over de stoffige weg naar huis. Doch nu had de jongen geen middagmaal meer in het vooruitzicht, en leek de weg hem nog eens zo lang. Met lome schreden ging hij ver­der, en het was alsof hij geen voet meer zou kunnen verzetten met dat lege gevoel in de maag en die pijn in het hoofd. SintRigober­tus zong opnieuw zijn hymnes zacht voor zich heen en liep op de maat ervan voort over den stoffige. weg. Om het verlies van zijn maaltijd scheen hij zich al heel weinig te bekommeren, eigenlijk gezegd was hij heimelijk blij, dat de arme gans ontsnapt was, want hij was zeer zachtzinnig en wilde niet graag dat levende schepselen gedood werden, zelfs niet voor zijn voeding.

Zo hadden zij een eind gelopen en Rigobertus begon luider en lui­der te zingen, toen zij het kerkje weer naderden, totdat opeens een vreemd geluid boven hun hoofden in de lucht weerklonk. Daar kwam een groote, witte gans fladderend in wijde kringen naar beneden en streek recht voor Rigobertus’ voeten neer. De goede Heilige stond verrast stil, en Peter, zich omkerend, kon zijn ogen nauwelijks geloven. Want daar zat in werkelijkheid dezelfde gans op de grond vlak voor Rigobertus, terwijl zij snaterend naar hem opkeek, alsof zij hem iets wilde vertellen.

“Het was mijn bedoeling niet om weg te vliegen,”  scheen zij te zeg­gen. “Ik wist niet, dat gij zo’n honger had, heilige man, en dat ik uw middagmaal zodoende wegnam. Zing maar verder, ik zal u naar uw huis volgen.”

Peter wilde de gans bij de nek pakken om haar te beletten weer weg te vliegen, maar Sint-Rigobertus  stak waarschuwend zijn vinger op, zodat de jongen stil bleef staan. “Raak haar niet aan, Peter,”  sprak de bisschop ernstig. “Ik geloof niet, dat zij weer weg zal vliegen. Laten wij maar eens zien.”
En zo was het ook. Toen zij weer op weg gingen1 Sint-Rigobertus zacht voor zich heen zingend, zag Peter, tersluiks omkijkend, de gans langzaam vlak achter zijn meester aanwagge­len. Zo kwam de eigenaardige kleine processie in Gernicour aan;  en iedereen op straat stond met open mond stil, om hen na te kijken.
Ein­delijk hadden zij het huis van de bisschop bereikt. En Rigobertus, zijn gezang stakend, keerde zich om naar de gans en haar vriendelijk over de veren strijkend,  zei hij:
“Mijn goede vriend, jij bent zeer trouw geweest. Je zult beloond worden daarvoor. Schud je veren op, mijn beste gans, want ze zullen niet uitgetrokken worden. Je zult niet voor ons middagmaal gebraden worden. Van heden af ben jij mijn goede vriend. Van de schachten van je veren zullen geen pennen gesneden worden, maar jij zult mij volgen, als je wilt.”

En de Heilige hield zijn belofte, want van die dag af leefde de gans bij hem gelukkig en in vrede. Lange wandelingen maakten zij samen in de velden rondom Gernicour, en zij bezochten trouw met elkaar de zie­ken en bedroefden. Waar Sint-Rigobertus ging, zag men ook de gans die hem als een hond volgde. Zelfs toen Rigobertus weer naar de Gouverneur van Rheims moest, waggelde de gans heen en weer de langen weg, die hij eens had afgelegd in de armen van Peter. En de Gouverneur vermaak­te zich kostelijk, toen hij,  in de deur staande, het vreemde paar bij hun vertrek nakeek over de weg.

“Hij zal wel niet zo’n grote honger gehad hebben, toen,”  dacht de Gouverneur, “want anders zou ik de gans nooit teruggezien hebben.”
Een bewijs hoe weinig zelfs Gouverneuren voor sommige dingen voelen.

Ook dan, wanneer Rigobertus in zijn kerkje dienst had, vergezelde de gans hem daarheen. Doch zij begreep wel, dat zij niet mee naar bin­nen kon gaan, en bleef daarom geduldig buiten wachten op haar mees­ter, terwijl zij in de zon haar veren netjes glad streek en tussen het gras van het kerkplein allerlei lekkere hapjes opzocht. Was de dienst afgelopen, dan volgde zij haar meester weer terug naar huis.

Ondertussen had de arme Peter zijn middageten gemist die dag. Doch alles was beter terecht gekomen dan hij op dat eerste ogenblik dacht. Want toen Rigobertus hongerig en zeer vermoeid na de lange wandeling en de ongewone gebeurtenis met de gans, uit de kerk terugkwam, was, was Peter hem met een van vreugde stralend gelaat tegemoet gekomen. “O, Vader, Vader!” riep hij, “we zullen toch nog een goed middagmaal hebben. Kom gauw mee, ik heb toch zo’n honger en kan het haast niet meer uithouden! De mensen uit het dorp hebben gehoord, hoe de lief­devolle gans teruggekomen was om u tot voedsel te strekken, en hoe gij geweigerd hebt haar op te eten. En daarom hebben zij ons nu een mand vol heerlijke spijzen gestuurd. En zij hebben ook beloofd, dat wij nooit meer, zolang zij zelf nog maar iets te eten zullen hebben, honger behoeven te lijden. O, Vader! Ik ben nu toch zo blij, dat wij de gans niet hebben opgegeten”

En de goede Sint Rigobertus, zijn hand op Peters hoofd leggend, zei: “Beste jongen, je zult nooit in je leven berouw hebben, wanneer je goed geweest bent voor een vogel of voor enig dier.”

Op datzelfde ogenblik kwam de gans snaterend naar hen toe en gingen zij met hun drieën tegelijk naar huis, om zich te goed te doen aan de maaltijd, diende dorpelingen hun gezonden hadden.

 

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

771

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-10)

DE WOLFSMOEDER VAN SINT-ELVIUS.

Dit is de geschiedenis van een klein Iers kind, wiens ontaarde vader en moeder niet de allerminste liefde voor hem voelden. En daar zij natuurlijk het noch konden verkopen noch weggeven, probeerden zij zich op een andere manier van hem te ontdoen. En zij wikkelden het in een doek en namen het mee naar het gebergte, waar zij het in een bosje van heidestruiken neerlegden.

Nu gebeurde het, dat een wolfsmoeder, die haar avondwandeling maakte nadat zij haar kleintjes gedurende de hele dag in haar
verbor­gen berghol verzorgd had, juist voorbij het heidebosje kwam. Toen zij nu een zwak, klein stemmetje hoorde huilen, spitste zij haar puntige oren en dacht: “Wat is dat?” En met haar scherpe neus rondsnuffelend,  liep zij regelrecht aan op de plek, waar het kleine roze kindje lag te schreien van honger en kou.

Toen werd het hart van de wolfsmoeder getroffen, want zij dacht aan haar eigen kleintjes thuis, en hoe droevig het zijn zou, wanneer zij daar zo verlaten en hulpeloos en vergeten lagen. En zij nam het kindje voorzichtig op in haar bek en rende er mede terug naar het hol aan de voet van de berg. En daar nu,  in dat hol groeide de kleine, wiens naam Elvius was, op met de kleine wolfjes, met wie hij het ontbijt en het middag-  en avondeten deelde, met wie hij speelde en kibbelde, alles op zijn beurt. De wolfsmoeder verzorgde hem teder en gaf hem van alles het beste, want zij had hem in waarheid zéér lief. En Elvius werd dagelijks groter en sterker en mooier, terwijl hij daar te midden van zijn gelukkig tehuis in de woeste bossen van het groene Ierland opgroeide.

Maar op zekere dag, ongeveer twee jaren, nadat de wolfsmoeder de kleine Elvius in het heidebosje gevonden had, reed een jager, na afloop van de jacht, over de berg naar huis en kwam voorbij het hol, waarin Elvius met de kleine wolfjes woonde. En terwijl hij on­der de bomen doorreed, zag hij opeens een klein wit wezentje het pad recht tegenover hem oversteken. Eerst dacht hij, dat het een konijn was, maar daarvoor was het toch te groot, en bovendien sprong het ook niet als een konijn. De jager sprong van zijn paard en liep het grappige diertje achterna om te zien, wat dit wezen kon. Weldra haalde hij het in bij een kreupelbosje, waarin het zich wilde ver­bergen, en hij was niet weinig verbaasd, toen hij zag, dat het noch een haren vacht, noch horens, noch vier poten, noch een staart had, maar dat het een mooi kindje was, dat niet rechtop kon staan, maar met zijn naakte lijfje op handjes en voetjes te gelijk, als een klein wolfje rondliep.
Het was de kleine Elvius, de lieveling van de wolfsmoeder, die nu zo groot en flink geworden was, dat hij wel voor zichzelf zorgen kon. De jager dacht evenwel, dat hij niet daartoe in staat was, en besloot aanstonds het arme kleintje mee naar huis te nemen en het door zijn vrouw verder te laten verzorgen. En hij nam Elvius op in zijn armen,  die echter hevig tegenspartelde en schopte en beet, als een klein wild diertje,  zodat hij door de jager in een slip van zijn wijde  jas gewikkeld moest worden. Daarna sprong deze weer op zijn paard en rende daarmede het bos uit, naar zijn dorp.

Elvius wilde evenwel zijn huis in het bos, zijn wolfshol en zijn kleine wolfsbroertjes niet gaarne verlaten,  en voornamelijk wilde hij niet gescheiden worden van zijn lieve pleegmoeder, zodat hij uit alle macht schreeuwde en schopte, om toch maar los te komen uit de sterke armen van de jager. En luidkeels riep hij de wolven toe in hun eigen taal om hem toch te komen helpen. Toen kwam plotseling de grote
wolfsmoeder met haar vier kinderen, die nu bijna even groot waren als zijzelf, uit het bos springen. En zij jaagden het vluchtende paard achterna en beten huilend van angst en woede naar de los geraakte slip van de  jas van de jager. Maar zij konden de rover niet pakken,  en dus hun pleegkindje, het kleine vondelinge­tje met zijn zacht velletje,  niet terug krijgen. En zo geraakten de vijf wolven langzamerhand verder en verder achterop, nadat zij hem mijlen vervolgd hadden. En toen ten laatste Elvius zijn arm­pjes over de schouder van de jager uitstrekte naar zijn pleeg­moeder, zag hij nog juist, hoe zij hijgend op de weg bleef stilstaan en met een laatste gehuil tot afscheid zich omkeerde. Zij had de wanhopigen strijd moeten opgeven. En met de staart tussen de poten en met hangende koppen gingen de wolven met lome schre­den terug naar hun eenzaam hol in de bergen, waar zij hun klein
speel­makkertje nooit zouden terugzien. Het was voor de goede
wolfsmoeder een zéér treurige dag.

De jager reed intussen met de kleine Elvius vóór zich op de hals van het paard naar zijn huis, waar de kleine een nieuwe moeder vond om hem te ontvangen. Elvius heeft nooit geweten, hoe eigenlijk zijn eigen moeder was, doch zeker moest zij een slechte, wrede vrouw geweest
zijn. Zijn tweede moeder nu was een vriendelijke wolvin en deze, zijn derde, was een mooie prinses. Want de jager, die het kind gevonden had, was een prins, en woonde in een groot kasteel bij een meer in de nabijheid van Tipperary, waar een menigte paarden en hon­den en kleine pages waren voor Elvius om mee te spelen. En hier nu woonde Elvius en voelde zich heel gelukkig, en hij leerde er allerlei dingen, die in die dagen een kleinn jongen moesten ma­ken tot een groot, wijs man. En werkelijk was hij zo groot en wijs, dat hij werd benoemd tot bisschop en een eigen paleis kreeg in de stad Emly. En van zeer ver kwamen de mensen tot hem, om zijn wijze raad in te winnen.

Doch hoe groot en beroemd Elvius ook mocht geworden zijn, toch
ver­gat hij nooit zijn tweede moeder, de goede wolvin, noch zijn
vier­voetige broertjes,  in hun grijze harenvacht,  en menigmaal, wanneer de mensen het hem met hun domheden al te lastig maakten, ver­langde hij terug naar het bos met zijn goede dieren. Want dikwijls waren zij veel verstandiger dan de mensen, die veel uit de boeken geleerd hadden.

Vele jaren later werd er op zekere dag in Emly een grote
jachtpartij gehouden. Mijlen ver uit de omtrek kwamen de lords en gro­te heren tezamen, om op de wilde dieren uit de bossen te jagen, en onder de  jagers was ook de prins, de pleegvader van Elvius. Doch
hijzelf, de bisschop, was niet onder hen, want hij vond geen genot in het doden van levende schepselen.

Het was reeds nacht, en nog altijd verwachtten de inwoners van Emly de terugkomst van de jagers. En juist kwam de bisschop op weg uit de kerk door de dorpstraat, toen het geluid van de jachthorens over de heuvels schalde. Binnen enkele ogenblikken zouden dus de jagers terug zijn. Luider klonk het geschetter van de hoorns en duidelijk kon Elvius nu ook het gekletter van paardenhoeven en het blaffen van de honden horen.
Plotseling was het, alsof Elvius’ hart stil stond. Want te midden van de verschillende jachtgeluiden hoorde hij een kreet, die hem van lang geleden, in het geheugen kwam. Het was het lang ge­rekte huilen van een wolf, een droevig geluid van angst, afmatting en pijn, een taal sprekend, die hij bijna vergeten was. Nauwelijks had hij echter tijd er verder over na te denken en zijn geheugen te hulp te roepen, of er kwam een grote, magere figuur, vluchtend voor de grootste sprongen van de voorste honden, die hem op de hielen zaten, de dorpstraat inrennen. Het was de wolfsmoeder van St.- Elvius. Zodra hij haar groene ogen zag en de witte vlek op haar rechter voorpoot, herkende hij haar. En zij herkende hem blijkbaar ook. In de bisschop met zijn fraai purper gewaad, met kostbare kant bezet, met de mijter op het hoofd en de staf in de hand herkende de wolfsmoeder haar geliefde zoon. Met een kreet van vreugde sprong zij te­gen hem op en legde haar kop tegen zijn borst, vast overtuigd, dat hij haar beschermen zou tegen de huilende honden en de woeste, bloed­dorstige jagers. En zij vergiste zich niet in de goede bisschop.
Want hij spreidde zijn kostbaar fluwelen gewaad over haar vermoeid, afgemat lichaam, en legde zijn hand vol tere liefde op haar kop, terwijl hij met de andere zijn staf waarschuwend omhoog hief om de woedende honden tegen te houden.
“Ik zal U beschermen, oud moedert je” zei hij teer. “Toen ik klein ­en jong en zwak was, hebt U mij gevoed en geliefkoosd en beschermd. En zou ik U, nu U oud en grijs en zwak bent, niet dezelfde liefde bewijzen en voor U zorgen? Niemand zal U enig kwaad doen.” Op hetzelfde ogenblik kwamen de jagers op hun met schuim bedekte rossen tierend aanrijden, maar plotseling hielden zij stil om te zien, wat er gebeurd was. Sommigen van hen werden boos en wilden onmiddel­lijk de
wolvin doden, zoals de honden die, teleurgesteld, grom­mend naar hun buit zochten. Doch Elvius hield hen tegen, hen verbie­dend de wolvin aan te raken. En hij was z’on machtig en wijs en heilig man, dat niemand hem ongehoorzaam durfde  zijn, zodat hun niet anders overbleef dan lijdelijk toe te zien, hoe hun jacht mis­lukt was en hun prooi uit hun klauwen ontnomen werd. Doch voordat de  jagers met hun honden wegreden, had Sint-Elvius nog enige woorden met hen te spreken. En hij verzocht al de nieuwsgie­rigen, die zich om hem en de
wolvin verzameld haddeb, te luisteren.
Toen herhaalde hij plechtig de belofte, die hij de wolvin gedaan had, en waarschuwde een ieder, haar, noch haar kinderen ooit enig leed te berokkenen, noch in het dorp, noch in het woud, en ook niet in de bergen. En zich opnieuw tot de wolvin keerend,  sprak hij: “Zie, moeder, U hoeft niet te vrezen. Zij zullen U geen kwaad doen, nu U uw zoon weergevonden hebt om U te beschermen. Kom elke dag met mijn broeders aan mijn tafel, en ik zal met U en de uwen mijn voedsel delen,  zoals U dat zo menigmaal hebt gedeeld met mij.”

En zo gebeurde het.

Zolang zij leefde bracht de wolfsmoeder elke dag haar vier kinde­ren naar het bisschoppelijk paleis, en huilde zolang aan de poort, totdat de wachters haar binnenlieten. En elke dag opnieuw werd hun de poort opengedaan en werd het vijftal  naar de eet­zaal gebracht, waar Elvius aan het hoofd van de tafel gezeten was met de vijf familieleden. En daar met haar vijf geliefde kinderen in een halve cirkel om zich heen, at de wolfsmoeder van de spijzen, die de vrien­den van de bisschop voor hen bereid hadden. Maar het kind, dat zij het meest liefhad, was niet een van de vier, die met hun hari­ge vacht en fijne baarden op haar geleken, maar was de Heilige met de vriendelijke blauwe ogen, gekleed in zijn purper en wit kleed, aan het hoofd van de tafel.

Sint-Elvius beschouwde haar geheel als zijn moeder en zijn broe­ders,  en vergenoegd glimlachte hij, terwijl hij daar zo te midden van hen gezeten was, en hij voelde zich zéér gelukkig.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

760

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-9)

DE BALLADE VAN ST. GILLES EN HET HERT (DE HINDE).

In ’t allerdiepste deel van het bos waar geen mensenvoetstap doordringt, woonde een grijze oude man. Sint-Gilles de heremiet.
Zijn woudwoning was een rotsspelonk, overgroeid met espenloof; tot vriend in die eenzaamheid had St.-Gilles een wild hert.
Een hinde was het, een mooi dier, met een rood gevlekt kleed; zij maakte haar woning vlak bij hem en kwam op zijn roepen zonder enige vrees bij hem, alle schuwheid vergetend.
In heel het lieflijke Frankrijk was er geen hinde zo mak en zacht; heerlijk was het haar te zien opspringen en aansnellen, als hij haar naam noemde!
Ze gaf hem melk, zijn sober voedsel, zij at het malse bosgras. Een paar wonderbare kameraden waren die twee!

De heilige was gelukkig in zijn cel en onder zijn groene bomen; zijn enige buren waren de wouddieren, maar St.-Gilles begeerde geen betere.
Somber was het bos, een donker grimmig woud,- en nog nooit hadden mensenstemmen zijn rust gestoord; uit de mensenwereld daarbui­ten ging niemand die plek voorbij.

Maar zie, op een lentemorgen – dauw lag nog op het mos – april steeg stralend de heuvels op, – daar klonk zilveren hoorngeschal en daar­doorheen schril gefluit en luide hallo’s.

Het wild getrappel van paardenhoeven, het bloeddorstig gebas van de honden weerklonk door de zoete woudstilte en weerkaatste in
schrik­wekkende echo’s alom.

Sint-Gilles zat in zijn eenzame kluis – nader en nader kwam de stoet. Ach, bij ’t geraas werd zijn oude hart hem zwaar en een nevel kwam voor zijn zachte ogen.

Hij hield niet van de mannen die op jacht gingen om te doden, hij meed rijkdom en grootheid, want in die tijden waren nog de heidenen meester in het land.

Maar nauwelijks had hij zijn deur bereikt en gegrepen naar zijn eiken staf, of als een bulderende golf brak de ganse jacht op hem los. Daar in de open ruimte sprong eensklaps naar hem toe een lichte, bevallige gedaante, het doel van de jacht – tot hem als laatste toe­vlucht.

Met schuim bespat over alle leden, trillend van afmatting en vrees viel aan zijn voeten ’t opgejaagde dier – zijn liefste vriend en mak­ker.

Achter haar dicht opeengedrongen de troep honden, fel glansden de wrede tanden – daar komen ze met wijde sprongen. St-Gilles’ hart stond stil.

Hij keek neer op de tere hinde – hij hief zijn zachte ogen op -zag het doodsgevaar en de doodspijn, nader en nader. Toen legde hij zijn hand op het fijne kopje van zijn kameraadje. “Zou ik u laten sterven?”,  sprak hij, “en toezien bij die moord?” Snel bukte hij en mompelde:  “Dat nooit,” zijn hand streelde haar gevlekt kleed. Nu ging hij in zijn hele lengte voor haar staan. “Eerst mij!” klonk het uit zijn mond.

Met angstige ogen keek ze tot hem op, wild klopte het kleine hart en elk lid trilde als het espenloof – daar scheurde ’t kreupelhout vaneen.

“Hallo, hallo!” klonk het jachtgeschreeuw en door de struiken drongen nu de jagers – een boogschutter in groen gewaad ontdekte het eerst het neergehurkte hert.

Snel als de bliksem zwierde zijn pijl. St.-Gilles strekte de armen uit, – helaas! de jager had goed gemikt, de heilige was gewond. Maar al te juist trof de scherpe pijl; ach, in het treurend bos viel de oude heilige op het groene mos terneer en kleurde het met zijn bloed.

Hij viel, maar legde nog zijn hand op het trillende lichaam van de hinde – “mijn leven voor het hare!” riep hij luid, geen die het niet verstond! En toen hij daar terneer lag,  stil op het mos, de dood nabij, kwam ook de koning aangereden met heel zijn vrolijke lijfstoet om zich heen.

Die zag de wond en riep: “Wat nu? Wie is die grijsaard? Wie mist
hier het rode hert en vergiet het bloed van een oude man? Spreek
op!”
Toen meldden zij hem alles.

De koning sloeg de ogen naar de grond. “Wee ons,”  sprak hij, “sterven mag hij niet, zo edel en moedig een grijsaard! Breng snel de heilige in zijn grot; wie valt, om zijn vriend te redden, is waard dat de koning hem dient. Ik zelf zal voor hem een rustplaats uitspreiden.”

Zij spaarden het duur gekochte leven van de hinde. In de lage donkere cel zat de koning neer, veel lange dagen en verzorgde de zieke. De koning was een heldenvorst, maar al die tijd bleef hij daar wonen tot de wond genas en de oude heilige van het ziekbed verrees. Daar in de kleine grot in het woud leerde de machtige koning vele dingen, die de meest verachte christenslaaf wel wist, maar hem verborgen waren gebleven. Want de goede heilige had zijn hart gewon­nen door zijn edele, moedige daad. En ziet, toen de grote koning vertrekken ging, bekende hij dat hij een christen geworden was. Hij gaf zijn heilig vorstenwoord aan Gilles, dat hij steeds zou houden wat hij had beloofd en christen zou blijven te allen tijde. Naast hen stond vertrouwelijk het rode hert.

Toen reed de koning langzaam heen, de twee keken hem lang na. Een gelukkig man was St. Gilles die dag. Een koning had hij gewonnen en zijn hinde had hij gered.

Haar kon hij voortaan veilig houden tegen de moordzucht van de jagers; het woord van de koning zelf beschermde de kleine plek tot in de lengte van dagen.

In ongestoorde rust, onbezorgd woonden St.- Gilles en zijn vriend, het hert, in 11 woud, vazallen van een christenkoning.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

753

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-8)

 

HOE DE HEILIGE GUDWALUS DOOR DE VISSEN GEHOLPEN WERD

De Wallische* kust is bekend om haar schoonheid,  zowel als om haar ontzettende stormen. En de lieden, die haar gedurende de zomer in al haar tere, liefelijke pracht zien, zouden haar in de winter, in de tijd van de ontzettende stormen, niet herkennen.
Sint Gudwalus, een geboren Walliser, kende die schone kust met al haar ontzettende gevaren. En juist wellicht omdat hij die gevaren zo goed kende, voelde hij zich tot haar aangetrokken, evenals zo­vele heiligen in die dagen, toen zorg voor eigen lichaam als een on­deugd gold, de ontberingen en moeilijkheden vrijwillig opzochten. En zo betrok hij op een zomerdag vergezeld door slechts één vriend zijn nieuwe verblijfplaats, een klein eilandje aan de Wallische kust. Hun eerste werk was een geschikt plekje te zoeken om te wonen. Het eilandje rees uit de zee op als een hooge berg, waarvan de top met fris groen begroeid was en waarin de bij vloed onophoudelijk beu­kende golven grote spelonken en grotten hadden doen ontstaan. Deze grotten nu waren voor de zeerovers en smokkelaars uitgezochte berg­plaatsen voor hun gestolen goederen, want niemand zou ze daar vinden.

En juist een van deze grotten koos Sint Gudwalus uit, om met zijn
leer­ling geheel alleen en afgezonderd van de wereld te leven. Zij had­den zich de allerdiepste en grootste tot woonplaats uitgezocht en brachten er hun boeken en bedden in en het weinige huisraad, dat zij voor hun gebruik nodig hadden.

In deze grot nu stroomde de zee bij vloed een eind naar binnen, om
zich dan weer plotseling terug te trekken. En nu was het voor
Gudwalus en zijn leerling het grootste plezier daar te gaan zitten, juist
op de uiterste grens tot waar de golven naar binnen stroomden, en
uren lang toe te zien hoe zij eerst onstuimig bruisend tegen de
rotsen opspatten, om dan rollend en donderend in geveinsde toorn naar binnen te stromen, en dan weer plotseling terug te gaan naar de
blauwe zee daarbuiten. Gedurende deze zomertijd was dit spel met
de zee een verrukkelijkheid voor Gudwalus, en hij voelde zich zéér gelukkig. Zo leefden zij gedurende enige heerlijke maanden geheel alleen met de golven en de rotsen en de meeuwen, die nu en dan
krijsend de donkere grot invlogen, maar er meteen weer uit ­gingen, wanneer zij bemerkten, dat zij als ongenode gasten in het huis van een vreemdeling binnengedrongen waren. Het was alles geluk en vrede en hooggestemd genot  in die zomertijd.

Doch hoe geheel anders was het, toen de koude wintervorst uit het noorden in zijn wagen van ijs over de golven kwam aanrijden,
voort­gestuwd door de hevige wind en de vertoornde stormwolken.  Toen veranderde de zee opeens van aanblik en werd woest en wild en on­heilspellend, en zij staakte haar vriendelijk spel met de eenzame grotbewoners van het eiland, en het was alsof zij hun plotseling vijandelijk geworden was, en hen wilde meeslepen en doen ondergaan in haar donkere, dreigende diepte.

Op zekere morgen stak er een ontzettende storm op. Gudwalus en zijn leerling werden door een hoge golf bijna weggespoeld achter uit hun grot. Zich er niet langer aan houdend, door te dringen tot over de drempel van hun woning, stroomde de zee geheel naar binnen, boeken en huisraad meesleurend in haar vaart, en trachtend de Hei­lige en zijn leerling, die zich aan de wand van de ruwe rots hadden vastgeklemd, te doen verdrinken. Half verstikt en snakkend naar adem ontkwamen zij ditmaal gelukkig aan het gevaar, toen de zee zich bij eb terugtrok, om later echter bij vloed opnieuw een aanval te doen. Doch zij wachtten dat ogenblik niet af, omdat zij zeker wisten, dat het hun het leven zou kosten.

Doornat als zij waren en verblind door het zilte schuim, kropen zij uit de grot en klommen tegen het glibberige zeewier van de rots op naar boven. Het was een hoogst gevaarlijke en inspannende bestijging, want de golven kwamen onophoudelijk donderend en dreigend ach­ter hen aan,  trachtend hen naar beneden te sleuren. Het gelukte haar evenwel niet en tenslotte bereikten beiden de top van de rots, waar zij althans voor het ogenblik veilig waren.

Zij konden daar evenwel niet blijven. Er waren geen huizen op het
eiland, zelfs was er geen enkel beschut plekje, en zij konden toch
niet buiten in de open lucht slapen; zij zouden van kou en door de
natte sneeuw bevroren zijn. Evenwel was het ook niet langer
mogelijk in hun grot te blijven, waar de zee tot achterin doordrong en hen dreigde te doen verdrinken. Alleen door een dam ervoor, om aan de golven te beletten naar binnen te komen, zouden zij in hun geliefde
grot kunnen blijver wonen. En Sint Gudwalus neerknielend, bad vurig
om hulp, bad voor enige bescherming tegen de woeste wintergolven.

Toen gebeurde er iets zeer wonderlijks, want de bewoners van de zee waren vriendelijker dan de zee zelf. De vissen, die veilig
voortleefden ook in de woeste golven waren zeer verdrietig en hadden groot medelijden met die grote mensenkinderen, die zo machteloos stonden tegenover het gevaar. En in grote scholen kwamen de vissen
uit de golven onder aan de voet van het eiland, uit de beddingen
van zeewier en de riffen van koraal, uit de zandige, peilloos diepe bodem van de oceaan naar de kust zwemmen, en elk van hen
had een zandkorrel tussen de lippen. Zo zwommen zij naar het ondiepe water vóór de ingang van de grot, waarin Gudwalus woonde en één voor één legden zij hun last neer op de zandige bodem en één voor één zagen zij nauwkeurig toe of het werk goed was; dan zwommen zij vlug weg, om zo gauw mogelijk weer een zandkorreltje aan te brengen. De helen dag door bewoog zich een lange processie van vissen heen en weer in het water vóór de grot, en zo was er tegen de nacht langzamerhand een kleine zandbank ontstaan vóór de ingang van de grot.

Terwijl nu Sint Gudwalus en zijn leerling huiverend van kou op de top van de rots stonden, en aandachtig naar de woeste zee onder hen keken, greep de pupil eensklaps zijn meester bij de arm. “Wat is dat daar beneden, in het water?” vroeg hij, wijzend naar een klei­ne bruine plek die boven de golven uitstak.

“Ik weet waarlijk niet wat dit wezen kan, mijn broeder”, antwoordde de Heilige. “Het is alsof de plek groter wordt,”  zei de ander. “Kijk, nu is die al hoger, dan toen wij haar het eerst ontdekten.”

En zo was het. Gudwalus zag duidelijk hoe langzamerhand de bruine strook verder en breder zich uitbreidde van rechts naar links. Korreltje voor korreltje hoopte het zand zich al hoger op, tot er ten laatste boven het blauwe water een sterke dam verrees op enige afstand van de grot. En tegen deze golfbreker spatten de schui­mende, woeste golven in dreigende toorn uiteen, want zij konden er niet overheen, om door te dringen tot in de grot langs de kust, zoals zij dit tot nu toe altijd gedaan hadden.

“De Heer heeft ons een beschutting gegeven,” zei Gudwalus met een dankbaar hart. Toen viel zijn oog op een groten vis die terugzwom naar de diepte van de zee. “Het zijn de vissen die de dam voor ons gelegd hebben,” riep hij uit. “Gezegend zijn de vissen, die ons op deze dag uit de nood geholpen hebben.”

Het waren in waarheid de vissen, die een sterke dam hadden ge­legd tussen Sint Gudwalus en de dreigende zee, zodat hij voor­taan in de winter even veilig in zijn grot woonde als in de zomer.

*Waarschijnlijk is hier bedoeld ‘de kust van Wales’, dus Welse (je komt ook Welshe tegen) kust

 

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

 

 747

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-7)

 

SINT PRISCA, DE KLEINE MARTELARES

De naam van Sint Prisca is altijd zéér geliefd geweest, voorname­lijk in Engeland.  Sint Prisca leefde zeventien honderd jaar gele­den, en de achttiende januari is de dag, die men aan haar gewijd heeft. Zij behoort tot een van de weinige kinderen, wier naam uit die vroege tijden tot heden toe is blijven voortleven, en die als martelares gestorven is, hoewel er toen vele dappere kinderen waren, die veel geleden hebben en de kracht bezaten hun leven voor hun geloof te offeren.

Sint Prisca was een Romeins meisje, dochter van voorname christenen. In die dagen regeerde Claudius als keizer over het Romeinse Rijk, en al is het bekend, dat tijdens zijn regering de christenen niet zo algemeen vervolgd werden als tot hier toe het geval ge­weest was,  toch werden er nu en dan grote wreedheden gepleegd,  en was het steeds zeer gevaarlijk, een christen te zijn. Vandaar dat menigeen in die boze tijd niet openlijk voor zijn gedachten durfde uitkomen en zijn waar geloof belijden. Vele chris­tenen hielden hun godsdienstoefeningen zorgvuldig verborgen voor de Romeinse heidenen,  die er steeds op uit waren de volgelingen van Christus, die zij fel haatten, op te sporen en hen te martelen en te pijnigen. Prisca’s ouders was het  evenwel gelukt hun geheim ver­borgen te houden; zij werden er dus niet van verdacht,  christenen te zijn. Waarschijnlijk hielden zij hun godsdienstoefening ook in de geheime kapellen, die de christenen diep onder de grond, in de steden gebouwd hadden. In deze donkere, sombere catacomben hielden zij hun bijeenkomsten, en weinig vermoedden de Romeinen, die boven hun hoofden wandelden, wat daar beneden onder hun voeten voorviel. Maar Prisca weigerde beslist enige voorzorg te nemen. Tenger, niet in het minst tot zelfverdediging in staat, vreesde zij niet, er open­lijk voor uit te komen, dat zij geloofde in Christus en Zijn kruis. Niet lang duurde het dan ook, of zij werd bekend als een klein, zwak christenmeisje en er waren in het wrede Rome mensen genoeg, die zelfs een klein christenkind haat toedroegen en het wensten te ver­volgen. Deze nu brachten aan de boodschappers van hun Keizer getrouw elk woord over, waarmee zij zo moedig belijdenis aflegde van haar geloof en betuigde dat zij nimmer zou willen offeren aan de Romeinse goden,  zoals de heidenkinderen deden. En zo werd zij door de lijf­wacht van de keizer gevangen genomen en voor Claudius gebracht. En deze, verrast z’n klein meisje voor zich te zien, meende dat het hem weinig moeite zou kosten, haar tot andere gedachten te bren­gen en tot gehoorzaamheid aan hem te dwingen. En hij beval zijn krijgslieden haar te voeren naar de tempel van Apollo en haar een wierookoffer te doen brengen aan de schonen god met de zilveren boog.

Zo werd Prisca gevoerd naar de top van de Palatinus, een van de ze­ven heuvelen van Rome.

En nadat zij eerst onder door een hoog marmer gewelf gereden waren, kwamen zij in een prachtige binnenhof, omringd door twee-en-vijftig marmeren zuilen.  In het midden van deze hof stond de tempel van Apollo, het prachtigste gebouw uit geheel Rome,  dat door zijn ivo­ren nissen en rijke beeldengroepen,  zijn ingelegde vloer en met bloemen omkranste altaren, zijn gouden vaten met brandende wierook, zijn lampen en kostbare zilveren vazen een opmerkelijke tegenstel­ling vormde met de donkere, kale, onderaardse spelonken, waarin de christenen hun godsdienstoefeningen hielden. Voor in de tempel stond een groep van vier bronzen ossen,  en midden daarin brandde op een gouden drievoet een vuur. Dit nu was het altaar voor Apollo, de zonnegod, wiens kolossaal gouden beeld in zijn met vier paarden bespannen wagen tegenover de tempeldeur verrees. En zoals hij daar stond, met zijn lauwerkrans om het hoofd,  een boog in de hand,
waar­mee hij verondersteld werd,  de zonnestralen naar de aarde te
zen­den, was hij de verpersoonlijking van de bekoorlijke, schitterende jeugd.

De krijgslieden van de keizer gaven Prisca wierook in de hand, en
ge­boden haar enige korrels daarvan in het vuur te werpen ter ere van de schone zonnegod. Het was waarlijk slechts een kleinigheid, een handvol poeder te werpen op het vlammend vuur, om daarmee haar leven te redden. Prisca toch had de zon evenals iedereen lief, maar zij wist,  dat het dwaas was te geloven, dat hij, Apollo,  een god was en dit gouden beeld te vereren en te aanbidden,  in plaats van de levende God,  die de zon en alle dingen gemaakt heeft. Daarom weigerde zij beslist de wierook te branden. En de keizer,  zeer ver­toornd hierover, beval zijn krijgslieden haar te geselen tot zij aan zijn gevel gehoorzaamd zou  hebben. Doch zij konden haar door hun wrede zweepslagen daartoe niet overhalen. En zelfs de meest verhar­de Romeinen, die gekomen waren om de tuchtiging bij te wonen,
be­wonderden haar dapperheid en hadden medelijden met haar. De vrouwen schreiden bij die wrede behandeling en de mannen riepen vertoornd uit: “Foei,  schaamt u,  een klein kind zo te martelen!” Toen gebeurde er iets heel moois en wonderbaarlijks.
Opeens scheen Prisca gehuld in een kleed van enkel gouden zonneschijn, zodat er van alle zijden een wonderbaar licht van haar uitging,  zozeer straalde haar hooggestemde geest in haar wrede omgeving. Het scheen allen een onmogelijkheid toe,  dat een kind zoveel smar­ten kon verdragen zonder zich gewonnen te geven,  en heimelijk hoop­te de keizer, dat zij dit ook maar doen zou, want hij kon niet be­sluiten haar te laten doden. Maar Prisca bleef standvastig en
wil­de het offer niet brengen. En de keizer, verrast door zoveel moed bij een kind, beval dat men haar terug zou brengen naar de gevange­nis en haar daar voor enigen tijd zou opsluiten. De arme Prisca voelde zich zeer ongelukkig, – geheel alleen opgesloten-, was zij bovendien nog koud en hongerig, en zij wist niet, welke vreselijke dingen haar nog te wachten stonden. Maar toch bleef zij moe­dig en was geenszins bevreesd.

Na verloop van geruime tijd kwam op zekere morgen de
gevangenbe­waarder bij Prisca, en werd zij naar buiten gebracht in de heerlij­ke zonneschijn. ‘O’ hoe verheugd was de kleine Prisca, de zon en de heldere blauwe hemel weer te zien! Doch het was, helaas,  slechts voor een ogenblik, want meteen werd zij verder gebracht naar het amfitheater, een grote open ruimte als een circus, met onaf­zienbare rijen zitplaatsen in de rondte, opgepropt met mensen,  die allen de ogen gericht hielden op de plaats in het midden, waar zij stond.

Prisca wist zeer goed, waar zij zich bevond, want dikwijls had zij gehoord, hoe de christenen in de arena gebracht werden, om door de wilde dieren verscheurd te worden. En neerknielend in het zand deed zij een kort gebed, niet dat zij  gespaard zou mogen blijven, maar dat zij moed en kracht zou krijgen, om haar geweldenaren en alle toeschouwers die haar omringden, de grootheid van haar christelijk geloof te tonen.

Toen werd het ijzeren hek geopend, dat zich aan het einde van de arena bevond,  en sprong er plotseling een grote, gele leeuw uit zijn hok. Met een ontzettend gebrul rende hij naar het midden van de circus en bleef daar een ogenblik stil staan, met zijn staart slaand en zijn grote, gele ogen naar alle kanten gericht. Opeens merkte hij het kleine meisje op,  dat met gevouwen handen rustig stond, terwijl zij hem zonder de minste vrees aanzag. En het grote, wilde dier stapte vriendelijk naar haar toe, en boog de brede kop en likte haar bloten voetjes, waarna hij rustig naast haar ging liggen, zo­als een Sint Bernardshond  gedaan zou hebben naast zijn kleine meesteres om haar te beschermen. En daarom ziet men op oude schilderijen Sint Prisca soms afgebeeld met een leeuw aan haar zijde.
Een ademloze stilte heerste in de 
arena en de keizer en het gehele volk waren roerloos van verbazing over dit ongekende schouwspel en vervuld van bewondering voor de moed van het kind. Want Sint Prisca had haar hand uitgestrekt om de kop van de leeuw te strelen en met zijn manen te spelen.
Toen boog zij even het hoofd, maar niemand die verstaan kon, hoe zij hem in het oor fluisterde:  “mijn goede vriend,  ik weet dat je mij geen kwaad zult doen, want de Heer heeft je bek gesloten, zo­als hij dit bij de leeuwen deed bij wie Daniël door boze mannen in de kuil was geworpen. Deze boze mensen willen mij ook ter dood brengen, maar jij bent beter dan zij.”
En de leeuw keek op en blikte haar in het gelaat, alsof hij haar be­grepen had en gromde zacht. En hij was vriendelijk en volkomen tam tegenover haar, maar toen de gevangenbewaarder bij hem kwam, begon hij tegen hem te brullen en toonde hij hem zijn grote tanden, zo­dat niemand hem vooreerst meer durfde naderen.  Toch kon de leeuw Sint Prisca niet redden van de dood, maar dat hoefde ook niet van haar. Eindelijk maakten zij zich meester van de leeuw en werd hij weggebracht. Maar de keizer, vertederd door zoveel moed, wenste Sint Prisca nog eenmaal in de gelegenheid te stellen haar leven te redden.  Zij werd enige  dagen opgesloten in de heidense tempel en op alle mogelijke manieren aangespoord de goden te offeren en haar christelijk geloof prijs ze geven. Nu eens vleiden zij haar en deden haar allerlei mooie beloften, dan weer dreigden en straften zij haar, maar Sint Prisca bleef standvastig, hoe uitgeput en ziek zij zich ook voelde na alles wat zij geleden had. Toen zij nu za­gen, hoe zij dit alles geduldig en moedig droeg en dat het onmoge­lijk was deze kleine christin tot haar vroeger heidens geloof te doen terugkeren, brachten zij haar naar de weg, die ten zuiden van de Palestijnse heuvel liep, naar de plaats van de terechtstellingen. Deze nu lag buiten de Ostiaanse Poort, een gewelf in de grote muur, die Rome omringde en waardoor de weg leidde naar de stad Ostium en naar de zee. En juist buiten deze poort werden de misdadi­gers terecht gesteld, omdat er buiten de grote muur geen enkele Ro­mein van enig aanzien meer woonde. Op die plek hebben zeer vele christen-martelaren het leven verloren. En Prisca was een van hen, want daar was het, dat zij onthoofd werd. Tot het laatste toe was zij rustig en volmaakt kalm, zonder enige vrees. En daarom is zij gewor­den Sint Prisca, de kleine martelares.

Toen gebeurde er opnieuw iets zeer wonderbaarlijks.

Toen zij gestorven was, verscheen er een grote arend, hoog boven Prisca’s dode lichaam in de blauwe lucht zwevend. En wanneer nu een Romein het slechts waagde haar te naderen, schoot de arend, op­eens met een vreselijke kreet en met klappende vleugels naar om­laag. En zijn ronde grijze ogen zagen er zo bloeddorstig uit en zijn klauwen waren zo lang en scherp, dat niemand haar durfde aan­raken uit angst voor de vogel. Zo had Sint Prisca opnieuw in het wrede Rome haar beschermer gevonden. En daarom ziet men op oude schilderijen de martelares Sint Prisca soms afgebeeld met een grote arend zwevend boven haar hoofd.

Nacht en dag bewaakte deze arend haar lichaam, iedereen verjagend, totdat ten laatste enige christenen, die gewacht hadden op een goe­de gelegenheid, haar heimelijk in de nacht wegdroegen en begroeven op een plaats, waar de Romeinen haar niet konden vinden, namelijk op hun geheim kerkhof in de catacomben.

Zo leefde en stierf de heilige Prisca twee honderd en zeventig ja­ren na Christus’ geboorte.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

Meer

741

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-6)

 

DE GELOFTE VAN DE HEILIGE CUTHBERTUS.

Sint-Cuthbertus was een Schotse herdersjongen, die zijn kudde hoedde en liet grazen langs de rivier de Tweed, in de nabijheid van Melrose. Dag en nacht leefde hij in de open lucht, at in de zonneschijn en sliep op de hei. En hij groeide mooi en sterk op, en was de aardigste jongen uit de hele streek. Hij kon harder lopen dan wie ook, en was altijd overwinnaar bij de worstelwed­strijden, waartoe hij de  jongens van mijlen ver uit de omtrek uit­daagde. En wat kon hij prachtige buitelingen maken en op zijn han­den lopen! Niemand op de hele wereld kon hem daarin overtreffen.

Het is nu wel meer dan duizend jaar geleden, dat Sint Cuthbertus leefde, en nog altijd vertellen de Schotten verhalen van zijn kracht en behendigheid en van zijn lenigheid in de spelen met de andere
jon­gens. Hij was hun hoofd en leider, en ieder was vast overtuigd, dat hij zou opgroeien tot een beroemd man.

Maar hij hoedde zijn schapen trouw en vol zorg, tot de tijd daar­toe gekomen zou zijn, en leerde, groot wordend, onbewust allerlei dingen. Want door zijn leven buiten werd hij wijs in allerlei zaken, die andere mensen nooit begrijpen. Zo leerde hij de geheimen ken­nen van de fluisterende wind, en van het lied van ruisende beek. Hij leerde de zin verstaan van het gesnap der eekhorentjes, en het gekras van de raven. Hij leerde de gewoonten kennen van al die kleine dieren met hun klare oogjes, die hij op zijn zwerftochten over de hei ontmoette, en hij kreeg alle gevederde en viervoetige schepselen lief. Inzonderheid had hij de vogels lief. Uren achtereen kon hij zitten kijken naar de zingend omhoog vliegende en met trillende vleugels weer neerdalende kleine leeuweriken, en naar de grote meeuwen, die nu eens omhoog vlogen met langzame vleugelslagen, dan weer zich op hun wieken lieten drijven als witte schepen in de blauwe lucht. Hoe verlangde hij dan zelf ook vleugels te hebben en weg te vliegen en te zweven, ver weg, zoals de vogels.                                 

Op zekere nacht, terwijl hij liggend op de paars-rose, zacht verende hei zijn schapen bewaakte, zag hij iets vreemds in de lucht. Het was als een grote weg van enkel licht, waarlangs een groep engelen van dn hemel neerdaalde, hun kleding bestond uit louter regenboogstralen. En even later zag hij hen weer naar omhoog terug­gaan, terwijl zij een prachtige bloem tussen zich in droegen. En hij begreep, dat dit de ziel was van een heilige, heengedragen naar het Paradijs.
En toen hij de volgende dag het nieuws hoorde vertellen, dat Aidanus, de heilige bisschop van Lindisfarne, die nacht gestorven was, begreep Cuthbertus, de kleine herdersjongen, dat hij het voor­recht had ontvangen van een visioen. En hij was zeer verwonderd waarom dit hem gegeven was, maar hij voelde toch duidelijk, dat hem daarmee een bijzondere genade verleend was.
Dagen en dagen, en nachten en nachten achtereen dacht hij hierover na, altijd weer zich verwonderend over z’n grote genade. En ten laatste be­greep hij, dat ook hij geroepen was een heilig leven te leiden, en dat hij dan wellicht het geheim van alle dingen verstaan zou.
Hij was vijftien jaar, toen hij zich bij de abt van MeIrose aan­meldde met den wens een monnik te worden. En daar, in het kloos­ter vermeerderde hij zijn kennis met veel boekenwijsheid, die, ge­voegd bij de wijsheid, die hij door de wouden en de heuvels, en de stromen reeds bezat,  maakte hem tot een zeer wijs man. Hij was daar nog niet lang geweest, of de andere kloosterbroeders en ook zelfs de abt merkten,  dat deze gebenedijde jonge monnik ver boven hen allen uitstak. Allen gehoorzaamden en vereerden hem. En ieder kwam zijn raad en hulp inroepen. Een ieder zond juist om hem wanneer hij in nood was. Door het gehele volk uit die streek was hij geliefd, deze man met zijn schoon gelaat en gespierd lichaam, met zijn vriendelijke ogen en zijn sterke handen, toch zoo teer tevens als die van een vrouw die een klein ziek kindje aanraakt, want hij bezat het grote voorrecht van sympathisch te zijn. Gedu­rende de jaren, die hij geleefd had onder de vriendelijke, warme zon, was zijn hart week en zacht geworden als een rijpe vrucht. Vele van de bewoners van de Schotse hooglanden en uit de eenzame dalen waren als wilden schuw teruggetrokken, en haatten alle
vreem­delingen. Maar de harten van deze arme kinderen van de hei ontsloten zich, wanneer hun sterke broeder tot hen kwam met liefde in zijn stralende ogen en met de begeerte hen te helpen. Hij trachtte door te dringen tot de verst afgelegen, meest onbegaanbare gedeelten, om hen te onderwijzen en hen op te wekken tot het goede. En hij bracht hun voedsel  en kleren, en medicijnen voor de zieken, want hij kon anderen niet zien lijden, al was hij niet bevreesd zelf pijn en ontbering te moeten verduren.

Een bewijs, hoe sterk hij was en gezond, was dat hij, ook toen hij reeds een oude man begon te werden, dagelijks een bad nam in zee. Hoe koud het ook mocht wezen, toch dook hij onder de golven en kwam druipende weer boven op het bevoren strand, waar hij dan neerknielde en een klein gebed deed voordat hij naar zijn cel te­rugkeerde .

In een zekere bitter koude winternacht, terwijl Cuthbertus als
ge­woonlijk weer verkleumd van koude in de sneeuw neerknielde, kwamen er twee bruine otters uit de zee zwemmen en gingen naast Cuthbertus liggen. En terwijl hij geheel in zijn gebeden verdiept was,  zodat hij hen niet eens opmerkte, likten zij zijn bevroren voeten, om deze te warmen, en wreven hem met hun dikke,  zachte vacht tot hij geheel droog was. Zo deden op hun beurt de dieren uit de zee wat zij konden voor hem, die zoveel gedaan had voor hen en hen zo innig liefhad.

Toen de abt van het klooster stierf, kwam Cuthbertus in zijn plaats aan het hoofd van het klooster. Maar nadat hij twaalf jaar binnens­huis bij de andere monniken geleefd had, kon hij dit leven niet lan­ger uithouden. Hij kreeg een onweerstaanbaar verlangen om weer  in de frisse buitenlucht te zijn en weer te leven onder de bloten hemel, en hij besloot kluizenaar te worden en een echt buitenleven te leiden met de vogels, die hij zo liefhad.
En hij ging weg en bouwde zijn kluis op een klein, wild begroeid eiland, genaamd Farne, op een steile, hoge rots, waar tien of vijf­tien jaar vroeger dezelfde heilige Aidanus gewoond had, van wiens overgang naar de hemel hij getuige geweest was, toen hij nog
schaapherdersjongen te Melrose was. De kluis was werkelijk niets anders dan een kuil in de grond, ooals sommige vogels ook maken.

Hij hakte een ronde holte uit in de rots, en maakte in het dak een venster, waardoor hij zijn dierbare blauwe lucht zien kon. De muren waren van zoden en steen, bedekt met stro. Er waren twee vertrekken in: een waarin hij woonde en sliep en kookte, en een dat tot kapel diende, waar hij zijn lofliederen zong als de vogels en waar hij uren achtereen geknield lag, in heilige over­peinzingen verdiept. Voor zijn deur hing hij een ossenhuid op, wat de enige beschutting was tegen de zeewinden. In de rots vond hij een kleine bron, die hem van water voorzag,  en hij beplantte een plek met gerst, die hem het nodige voedsel verstrekte. Zo leefde hij, alleen met de vogels, die in zwermen om de rots heenvlogen. En de wind woei over hem heen. en de golven rolden en braken soms tegen de deur van zijn kluis, maar hij sloeg er geen acht op. Waarlijk, de zee was een ruwe vriend van hem. Eens kwam zij bij vergissing al te dicht bij hem en spoelde een gedeelte van zijn kluis weg. Toen vroeg hij iemand naar zijn vrien­den de monniken van het vasteland te gaan, met het verzoek te komen en een balk mee te brengen om tussen het dak te stoppen, want er was geen hout te krijgen op zijn rotsachtig eiland. De broeders evenwel vergaten hem die te sturen. Maar de zee scheen berouw te hebben van het­geen zij gedaan had, en bij het volgend getij spoelden haar opko­mende golven een balk mee en wierpen die voor de voeten van Cuthbertus. Het ontbrak Sint Cuthbertus waarlijk niet aan vrienden. Want nau­welijks had hij het rotsachtige eiland tot zijn woonplaats gekozen of het werd een gezocht oord van alle mogelijke vogels. De andere dieren echter konden hem ongelukkigerwijze van de oever af niet bereiken. Toen droegen de meeuwen en zeezwaluwen, de eiderganzen en de raven hen op hun zegenvolle vleugels naar het verblijf van hun Meester.

“Hi”, zeiden ze tot elkaar,”wij hebben hem nu voor ons gekregen. En nu kunnen die arme schepsels zonder vleugels niet hier komen; ook kan hij van daar niet weg zonder vleugels. Nu pas behoort hij geheel ons!”

Maar de vogels bedachten niet,  dat al kunnen mensen niet vliegen zij toch boten met vleugels kunnen maken, om hen over de zee te brengen. Ook ging Cuthbertus dikwijls naar het vasteland om werken van barmhartigheid te doen, zowel in de hutten van de boeren als in het paleis van de koningin.

Ook kwamen velen om hem te zien op zijn eiland, want zijn naam was door het gehele koninkrijk bekend. En hij ontving de gasten, die hem steeds welkom waren, zo goed mogelijk in de eenzame cel van zijn eigengebouwde woning. Want hij had de mensen lief en hielp hen waar hij kon. Maar meer hield hij toch nog van zijn dierbare vrienden,  de vogels, en hij was het liefst met hen alleen. Zij kwamen op zijn schouders en knieën zitten, en dan nam hij hen in de hand en streelde hen zacht. In grote zwermen volgden zij hem op zijn wandelingen. Zij wachtten voor de deur van zijn hut om met hem zijn ontbijt, zijn middagmaal en zijn avondeten te ge­bruiken. Velen in die dagen hebben gemeend dat de vogels hem iede­re dag zijn voedsel brachten uit de hemel, maar dit verhaal ont­stond, zoals zovele onjuiste verhalen, uit iets anders, dat in werkelijkheid gebeurd was.

Eens namelijk, toen enkele raven gedach­teloos zijn gerst stalen en stro van zijn dak weghaalden, berisp­te Cuthbertus hen daarover, en verzocht hun dit nooit weer te doen. En zó beschaamd waren de vogels,  dat zij, om hun berouw te tonen, hem een groot stuk vet brachten. Maar hij wilde dit niet eten, zij verwacht hadden, en gebruikte het voor andere dingen. Cuthbertus had al deze vogels zeer lief, voornamelijk de onzelf­zuchtige eiderganzen, die het dons uit hun eigen borst plukken om het nestje voor hun kleintjes zacht te maken. Hij was altijd goed en vriendelijk voor hen, zodat zij helemaal niet schuw voor hem waren. Maar hij vreesde dat anderen, nadat hij  heengegaan zou zijn, wellicht minder goed voor.zijn lievelingen zouden zijn. En om hen te beschermen, deed hij een plechtige gelofte en maakte hen de gave van zijn innerlijke vrede. Niemand op het eiland zou een van hen enig leed kunnen aandoen of hen doden zonder daarvoor een vreselijke straf te ondergaan. En hij gaf hun deze gave mee tot aan het einde der tijden, waardoor het voortaan ieder, die een van Sint Cuthbertus’ vogels leed zou doen, slecht bekomen zou.
Er bestaan twee geschiedenissen hier­van, die allebei gebeurd zijn,  ang reeds nadat Cuthbertus van het eiland, was heengegaan.

Liveing, de dienaar van Aelric den kluizenaar, die naast  Cuthbertus’  cel woonde, had op zekere dag, terwijl Aelric naar het vaste­land gegaan was, een van de eiderganzen, die er nog woonde en zijn nest gebouwd had naast de hut van de heilige, gedood en opgegeten. Nu wist Liveing zeer goed de eed van Sint Cuthbertus, maar hij dacht, dat niemand ooit zijn misdaad  te weten zou komen, want hij wierp de beentjes en de veren over de punt van de rots heen, en zag, hoe zij door de golven werden weggespoeld. Maar toen zijn meester Aelric te­ruggekomen was, vond hij een bundeltje beentjes en veren, in el­kaar gerold, door de vloed op enige schreden afstand van zijn kapel aan ’t strand gespoeld, want ook de zee kende de gelofte van Sint Cuthbertus en was verplicht de schuldigen aan te wijzen. En zo werd Liveing ontdekt en gestraft.

En de tweede geschiedenis is deze: Ook de vogels waren gebonden door de gelofte van Cuthbertus, om vriendelijk onder elkaar te zijn. Zo was het aan de grote vogels verboden op de kleine jacht te maken of hen te doden. En nu gebeurde het, dat een grote havik, die van het naburig eiland Lindisfarne was komen vliegen, een tam­me mus opat, die behoorde aan Bartholomeus, een andere kluizenaar, die na Aelric op Farne was komen wonen. Als straf voor deze wrede daad moest de havik dagen achtereen het eiland voortdurend maar rondvliegen,  zonder weg te kunnen, zonder een ogenblik rust. Zeker zou hij op het laatste door honger en vermoeienis in de zee gevallen en verdronken zijn, wanneer de kluizenaar geen medelijden met hem gekregen had. Bartholomeus greep de vermoeide vogel bij de vleu­gels en bracht hem naar de kust,  en daar liet hij in naam van Sint Cuthbertus de havik wegvliegen. Nooit meer mocht hij naar het eiland terugkomen, om hem en zijn vredelievende vogels te kwellen. Zo leefde Sint Cuthbertus lange jaren op zijn eiland, omringd door zijne gevederde vrienden.

En hoewel iedereen hem liefhad, en hem vereerde en hem een Heili­ge noemde, werd hij nimmer hoogmoedig. Ook bleef hij altijd arm, hoewel de adellijke dames van het hof, en zelfs de koningin hem kostbare geschenken aan goud en diamanten gaven, welke schatten hij weggaf aan behoeftigen. En ook nederig was hij, hoewel Egfried, de koning,  zelf naar zijn eiland kwam en hem tot aartsbisschop benoem­de, terwijl hij knielend voor Cuthbertus1 voeten lag, hem smeekende, deze gift van hem aan te nemen.

Zijn leven was voor de mensen een lichtbaken, die steeds een klaar en helder licht verspreidde. Na zijn dood werd er op zijn rots een vuurtoren gebouwd, om een lichtglans te zijn voor de zeelieden. Nog altijd is de eenzame rots van Farne door de gelofte van Sint Cuthbertus gezegend,  en vliegen er groote zwermen zeevogels, afstammelingen van hen, die de Hei­lige zelf gekend hebben, rond. En deze vogels zijn zeer tam en vrien­delijk en vreezen van niemand enig kwaad, want hebben zij niet de belofte van hun Heilige? Helaas, minder liefdevolle en medelijdende mensen dan hij hebben deze gelofte geschonden. En zij hebben vele van deze goed-vertrouwende vogels gedood, die zij tot zich lokten, terwijl ze dachten dat het was om gestreeld te worden,  zoals zij dit vroe­ger gewoon waren. Zij dachten er daarom niet aan, de arme, on­schuldige schepseltjes met hun zachte oogjes, om weg te vliegen. Maar hoe wreed werden zij bedrogen!

Zeker echter zal Sint Cuthbertus zijn belofte niet schenden, en al worden deze moordenaars nu niet meer terstond gestraft zoals in vroegere tijden Liveing, en zoals de boze havik, zo zal hun eigen geweten hen geen rust laten, en hen kwellen, totdat zij berouwvol zullen besluiten het nooit weer te doen.

 

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

736

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-5)

 

DE HEILIGE BLASIUS EN ZIJN DIEREN.

Dit is de geschiedenis van een Heilige, die de dieren liefhad en daarom ook door de dieren was bemind.

Sint-Blasius was de zoon van welvarende ouders uit Sebastopol, een stad in Armenië, op de grens van Turkije, en leefde in de tijd, toen de heidenen het meest in aanzien waren. Maar hij was niet ge­lijk aan de andere  jongens, zijn speelmakkers, want hij was een christen die meevoelde met elk levend schepsel. En het was zijn grootste geluk, wanneer hij de schepselen, die hij liefhad, kon helpen, mannen zowel als vrouwen en kinderen en dieren en allen, die leed hadden of ziek waren.
Daarom ging hij in de medicijnen studeren en groeide hij
lang­zamerhand op tot een wijs man, met een ruim en teer hart.  Iedereen had hem lief, want hij deed veel goed onder het volk in zijn dorp: hij verpleegde hun kinderen en genas hun vee en hun huisdieren. Ook de wilde dieren vergat hij niet.
Sint-Blasius hield ervan te zwerven door de bossen en over de velden, waar hij de ongetemde dieren kon bestuderen en hun leren zijn vrienden te worden. Zo kregen de vogels en de viervoetige dieren en de vissen hem alle lief, omdat hij niet alleen hun nooit enig leed deed, maar ook vriendelijk tot hen sprak en hen genas, wanneer zij ziek of gewond waren. In zijn tegenwoordigheid werden de schuwe dieren vrijmoedig, en werden de wilde tam en vriendelijk, alleen door het geluid van zij­n stem. De vogeltjes brachten hem voedsel en de viervoetige die­ren werden zijn dienaren en boodschappers.
De legende zegt, dat zij hem in de woning in het bos, een grot in de berg Argus bij Sebastopol, opzochten. Iedere morgen kwamen zij zien hoe hun meester het maakte, lieten zich zegenen door hem en likten hem de handen uit dankbaarheid. Wanneer zij de Heilige in zijn gebeden verdiept vonden,  stoorden zij hem niet, maar wachtten eerbiedig en geduldig voor zijn hol, tot hij uit zijn knielende houding oprees.
Op zekere dag kwam er een arme vrouw in wanhoop bij hem, omdat een wolf haar biggetje bad weggehaald. Sint-Blasius was zeer bedroefd toen hij hoorde, dat een van zijn vrienden zich aan z’n boze daad had schuldig gemaakt en hij verzocht de vrouw naar huis terug te gaan en beloofde haar, te zullen zien wat hij voor haar zou kun­nen doen. Toen riep hij de wolf tot zich, en schudde ernstig het hoofd, toen de schuldige voor hem stond.
“Jij boze wolf”, zei hij, “wist jij dan niet dat ook dat biggetje een vriend van mij was? Hij is niet mooi, maar hij is aardig en daarbij het enige biggetje van een arme, eenzame vrouw. Hoe kon je zo zelfzuchtig wezen? Ga dadelijk naar huis, breng mijn vriend, het biggetje, terug naar de woning van deze vrouw.”
Toen ging de wolf beschaamd heen, en deed wat de goede Heilige hem bevolen had. En toen de arme vrouw haar biggetje knorrend haar
tuin­tje zag binnenlopen, voortgedreven door de berouwvolle wolf, sloeg zij haar armen om zijn hals en schreide tranen van vreugde. En de wolf keerde terug naar Sint-Blasius, die hem prees, en zei, dat hij een goede wolf was, en hem een schotel verse melk gaf.
Sint-Blasius werd door de christenen, die hem om zijn barmhartig­heid en zijn weldadigheid liefhadden, tot hun bisschop benoemd. En alle dieren uit het woud verheugden zich over deze eer, hun goe­de meester aangedaan.
Maar de arme dieren wisten niet, hoe gevaar­lijk het in die dagen was een christen te zijn en inzonderheid om een bisschop te wezen, die veel invloed had op het volk. Want de heidenen waren jaloers op hem en vreesden, dat hij het volk zou bekeren tot het christendom, wanneer het zijn wonderbaarlijke ge­nezingen zag. Zij konden hem echter nergens vinden, want hij leef­de verborgen in zijn grot  in het woud.

Dit geschiedde alles 516  jaren na de geboorte van Christus, tijdens de regering van den wrede keizer Licinius, die vele christenen ter dood heeft laten brengen. En Agricola, die de gouverneur van de stad Sebastopol was, aangesteld door Licinius, zond zijn solda­ten in de bergen, om wilde dieren te vangen voor de spelen in de arena, waar de christenen zouden worden gedood. Maar zij vonden tot hun grote verwondering geen enkel wild dier in de bergen, noch in de velden, noch in de dalen, noch in het woud, tot zij toevallig  aan de grot kwamen waar Blasius woonde.
En daar nu vonden zij alle dieren, al de wilde dieren, waarvoor zij zo bevreesd waren, leeuwen, tijgers, luipaarden, beren en wolven, die hun morgengroet aan de Heiligen man brachten.
En midden tussen hen lag Sint-Blasius zo ernstig verdiept in zijn gebeden, dat hij de soldaten, die met hun netten en speren gekomen waren om dieren te vangen, niet eens opmerkte. Hoewel de dieren zeer bang waren, bewogen zij zich niet en gaven zij geen enkel geluid, om hun meester niet te storen. Zij hielden zich doodstil, terwijl zij met hun gro­te, gele ogen de soldaten aanstaarden. Maar deze waren zo verbaasd door die aanblik, dat zij stil wegslopen zonder een enkel dier te vangen, noch een woord te zeggen tot de Heilige Blasius. Zij meen­den stellig,  dat hij Orpheus zelf of de een of andere heidense godheid moest wezen, die de wilde dieren betoverd had. En zij gingen terug naar de gouverneur en vertelden hem, wat zij gezien hadden.

“Ha, dan moet hij een christen wezen,” antwoordde Agricola, “want de christenen en de dieren zijn zeer grote vrienden. Breng hem mij aanstonds hier.”

Ditmaal trokken de soldaten in de namiddag erop uit, het uur waar­op de dieren hun avondeten gebruikten. En zo vonden zij Sint-Bla­sius geheel alleen, opnieuw verdiept in zijn gebeden. En zij be­valen hem, met hen mee te gaan. In plaats echter van bevreesd te zijn, antwoordde hij blijmoedig: “Ik ben gereed; ik heb u reeds lang verwacht.” Want hij was een heilig man, bereid te sterven voor zijn geloof, en heiligen weten dikwijls reeds lang vooruit, wat er met hen gebeuren zal.

En het geschiedde op weg naar de gevangenis, dat de heilige Blasius zijn laatsten zieke genas – een kindje, door de moeder aan zijn voeten neergelegd, terwijl zij hem smeekte het te helpen. De klei­ne had een botje ingeslikt en zou gestorven zijn. Maar Sint-Bla­sius raakte even de keel van de kleine aan, en meteen was het genezen. Daarom riepen in latere tijden mensen met een zieke keel in hun gebeden altijd de heilige Blasius aan, om hen te ge­nezen.

De goede bisschop werd in de gevangenis gezet, op allerlei manieren gepijnigd, om hem te dwingen zijn christelijk geloof op te geven. Maar Sint-Blasius weigerde standvastig een heiden te worden en aan heidense goden te offeren. En dus werd er besloten, dat hij ster­ven zou. Zij zouden hem wel in de arena gebracht hebben met de wil­de dieren, doch men wist dat deze trouwe makkers hun vriend nimmer enig leed zouden doen. De dieren zouden hem wel is waar niet heb­ben kunnen redden uit de handen van deze mensen, maar zij zouden hem toch ook geen kwaad gedaan hebben. En de dieren die nog in het woud achtergebleven waren, huilden en jammerden voor de verlaten grot en snuffelend zochten zij hem overal, als verdwaalde honden, die hun meester verloren hadden. En het was een zéér droeve dag voor de dieren uit het woud, toen Sint-Blasius voor altijd van hen was weggenomen.

De soldaten ontvingen bevel de heilige Blasius in het naburige meer te verdrinken. Maar toen zij hem uit de boot wierpen, maakte hij het teken van het kruis en terstond hief het water hem op, zo­dat hij daarop wandelde als op vasten grond,  juist zoals Jezus eens deed over het meer van Galilea.Toen nu de soldaten dit evenzo wilden doen,  denkend hem te halen en opnieuw gevangen te nemen, zonken zij allen in de diepte. Toen wandelde Sint-Blasius geheel uit vrije wil naar de kust, omstraald door een goddelijk licht, zodat het een heerlijk wonder was hem te zien, want hij was ge­reed en verlangend te sterven. Willig liet hij zich door de heide­nen grijpen en niet lang daarna werd hij onthoofd.

In overoude tijden was het in Engeland gewoonte op de derde februari grote vreugdevuren te zijner ere op de heuvels aan te steken. En bij het zien van deze vreugdevuren kwamen alle dieren uit hun holen en spelonken  en nesten, ter nagedachtenis aan de goede Heilige,  die zo goed geweest was voor hun voorouders, de dieren uit de bossen van Armenië.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

732

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-4)

 

DE HEILIGE KENTIGERNUS EN HET ROODBORSTJE.

Er was een tijd, dat Sint Servatius een school had in Schotland in de nabijheid van Glasgow, waar vele  jongens, grote en kleine kwa­men om te leren.
Onder die  jongens was er één,  die alle anderen overtrof en als leerling uitmuntte. Kentigernus was een van de klein­ste jongens van de school,  en toch was hij de eerste van de hoogste klas. Kentigernus was het, die altijd het antwoord vond op de meest ingewikkelde vraagstukken, en die de moeilijkste Latijnse passages verstond, wanneer niemand anders de zin ervan begreep. Kentigernus was het, die het eerst van allen zijn lessen leerde en ze het best opzegde. Kentigernus was het, die het mooiste zong, nooit te hoog of te laag, altijd zuiver, vandaar dat de goede Servatius van hem het meest hield.

Om al deze redenen en om nog vele andere waren de  jongens jaloers op Kentigernus en verzonnen van alles om hem te plagen en verdriet te doen. Zo trachtten zij hem in de war te maken, wanneer hij zijn lessen moest opzeggen, door onderwijl hard te praten en te lachen. Maar dit was alles vergeefse moeite; zijn antwoorden waren altijd helder en duidelijk, zodat zij dit wel moesten opgeven. En zij be­dachten nieuwe plagerijen en gaven hem spotnamen, om te proberen hem uit zijn humeur te brengen, zodat hij gestraft zou worden. Maar hij was te goedhartig, om boos op hen te worden, en zo moesten zij ook hiermee ophouden. Toen probeerden zij hem door vleierijen op een dwaalspoor te brengen en hem iets te laten doen, waarmee hij de toorn van Sint Servatius zou opwekken. Maar Kentigernus had zijn meester te lief dan dat hij ooit iets doen zou, om hem te mishagen. En zo moesten ten laatste de  jongens ook hiervan afzien. Maar er moest toch een middel gevonden worden, om Kentigernus in ongenade te doen vallen, er moest toch een valstrik wezen om hem te vangen. En weken lang putten zij hun brein uit om iets te bedenken, totdat zij ten laatste meenden wat goeds gevonden te hebben.
Het aanhouden van het vuur bood daarvoor een geschikte gelegenheid. In die dagen bestonden er nog geen lucifers, waarmee men dadelijk licht kon maken, want het was in het jaar 600. De enige manier om vuur te krijgen bestond toen in het zolang tegen elkaar wrijven van twee droge stukken hout,  tot deze warm werden en er vonken uit het hout sprongen, waardoor het in brand raakte. Dit was een zeer lastig en vermoeiend werk, vooral in de winter, wanneer er maar zeer weinig droge houtjes te vinden waren. Vandaar, dat het vuur in de groten haard van de Sint-Servatiusschool dag en nacht met de grootste zorg werd aangehouden, en het een werkelijk ernstig geval was, wanneer men het liet uitgaan. Want hoe zou­den het ontbijt moeten klaar gemaakt, de kamers verwarmd en de was­kaarsen ontstoken moeten worden voor de ochtenddienst in de kapel, wanneer er geen vuur was in de grote haard?

En zo had iedere  jongen op zijn beurt de week van het aanhouden van het vuur en hij, wiens beurt het was, moest te middernacht op­staan en zoveel hout op de haard leggen als nodig was om het vuur tot de morgen aan te kunnen houden. En Sint-Servatius zou heel boos geweest  zijn op de jongen, die de haard gedurende de nacht zou hebben laten uitgaan.

Zo had dan Kentigernus de week om het vuur aan te houden, en hij deed dit reeds verscheidene dagen met de uiterste zorg. Maar de
jon­gens wachtten op een gelegenheid om hem hun poets te bakken. De vierde nacht stond Kentigernus weer op, juist toen de klok van de kapel “twaalf”  sloeg, en ging naar beneden om het nodige hout op de haard te leggen. Maar nauwelijks kwam hij in de grooe voorhal, of hij merkte,  dat er iets niet in orde was. Brr! – het was er kil en koud, en hij zag geen enkel gloeiend vonkje in de haard. Huive­rend liep Kentigernus naar de haard, en pookte uit alle macht de zwarte, verkoolde houtblokken op. Maar er lag niets dan een hoopje witte as en half uitgebrand hout!

Toen voelde Kentigernus zich de moed ontzinken, want hij wist dat hij voor zijn nalatigheid berispt zou worden, al vermoedde hij wel, dat iemand water op het vuur moest hebben gegooid om het zodoende uit te doven. Hij begreep zeer goed, dat de andere  jongens dit ge­daan hadden om hem in ongelegenheid te brengen.
Het eerste ogenblik wist hij niet, wat hij doen zou, tot hij opeens moed vatte, een blok hout uit de hoek haalde en dit op de ashoop legde. En neer­hurkend blies hij het zacht aan. En o, wonder! nauwelijks had hij met zijn adem de as doen opstuiven en het mos, waarmee het grote houtblok begroeid was, doen trillen, of de hele haard was vol dansende vlammen, het hout begon te knetteren en het vuur laaide hoog op. Met een glimlach van geluk op het gelaat kroop Kentigernus weer in bed,  zonder een van de slapende jongens, die getracht hadden hem zo’n part te spelen, wakker te maken.
Toen nu de jongens ’s morgens wakker werden, gaven zij elkaar
veelbetekenend knipoogjes en stootten elkaar geheimzinnig aan, elk ogenblik verwachtend Sint Servatius te zien binnenkomen, met gefronste wenkbrauwen, om de nalatigen Kentigernus een berisping toe te dienen. En iedere jongen nam zich reeds in stilte voor, plechtig te verklaren, dat het vuur vrolijk brandde, toen hij naar bed ging, en dat dus Kentigernus  vergeten moest hebben in de nacht naar bene­den te gaan, om er nieuw hout op te doen. Doch zij waren niet in de gelegenheid deze leugens aan de man te brengen.Want op de gewo­ne tijd werd de bel voor het ontbijt geluid, en toen zij beneden kwamen, vonden zij een goed onderhouden vuur in de haard, en Kentigernus bezig met de waskaarsen in de kapel te ontsteken. En zij hebben niet geweten, hoe dit alles zo heeft kunnen gebeuren tot lang, zeer lang daarna, toen Kentigernus reeds vele andere wonderen verricht had, en hij wijd en zijd bekend was als een Heilige. Maar intussen haatten de  jongens hem meer dan ooit, omdat zij za­gen, dat Sint-Servatius hem steeds meer liefkreeg.
En opnieuw tracht­ten zij een plan te beramen, om hem in ongenade te doen vallen. Ditmaal echter verzonnen zij iets, dat nog veel wreder was. Want als dit plan lukte, zou dit niet alleen Kentigernus een bestraffing bezorgd en Sint-Servatius ongelukkig gemaakt hebben, maar zou het ’t leven gekost hebben aan een onschuldig wezentje, dat nooit iemand kwaad gedaan had.

Sint-Servatius was een goedhartige, vriendelijke oude man, en hij bezat een roodborstje, waarvan hij bijzonder veel hield, – een klein beestje, met ronde, zwarte oogjes, dat zijn ontbijt uit de hand van Sint-Servatius at. En wanneer zijn meester zijn psalmen zong, ging de kleine koorzanger op de schouder van Servatius zitten en sloeg met de vleugeltjes, en tjilpte alsof hij wilde trachten de lofliederen mee te zingen

Op zekeren morgen nu doodden de jongens het roodborstje en sneden het het kopje af. En de grootste van de jongens nam het dode vogeltje in de hand, en gevolgd door de anderen, liep hij huilend naar Sint- Servatius, alsof hij een groot verdriet had. “O Vader,” riep de jongen, “kijk eens wat die boze Kentigernus ge­daan heeft! Kijk eens naar uw roodborstje, dat Kentigernus gedood heeft!”

Toen begonnen zij allen als uit één mond op Kentigernus te schelden, terwijl enkelen van hen beweerden, hem zijn boze daad te hebben zien verrichten.

Natuurlijk was Sint Servatius zeer bedroefd en boos. Zacht en teer nam hij het levenloze lichaampje in de hand en ging Kentigernus zoeken, terwijl de jongens hem op de tenen naslopen om te zien hoe deze ontmoeting wel zou aflopen. En achtereenvolgens kwamen zij aan het venster, waarin Kentigernus op de vensterbank zat. En Sint Servatius, naar hem toegaande, legde zwaar de hand op zijn schouder. “Zie eens hier, knaap,” riep hij met droeve stem, “aanschouw deze wrede daad,  en zeg zelf, op welke manier de moordenaar  gestraft moet worden. Had ik het roodborstje niet even lief als ik u liefheb, on­dankbare  jongen?”
Kentigernus werd bleek van schrik en verdriet, en grote tranen kwamen, hem in de ogen. “Och, dat arme vogeltje,”  zei hij.”Hield ook ik niet even goed van hem? Wie heeft het gedood, Vader?”
“Jij, jij hebt het gedaan, we hebben het zelf gezien!” riepen de jongens allen in koor uit.
Kentigernus, zich omkerend, zag hen met de grootste verwondering aan. Hij zei geen enkel woord terug, maar zijn wangen werden
vuur­rood en zijn ogen flikkerden. Dit was meer dan zijn geduld
verdra­gen kon.
“Wat hebt je hier tegenin te brengen?” vroeg Sint-Servatius stren. Toen, vol droefheid zich tot hem kerend, sprak Kentigernus: “O,Vader, hoe kunt u geloven,  at ik tot zo iets wreeds in staat zou zijn, dat ik het vogeltje zou kunnen doden en u ver­driet aandoen? Ik heb het niet gedaan.” “Kun je dat bewijzen?” vroeg Sint-Servatius op steeds strenge toon, want hij meende, dat de jongen een leugen had bedacht om zijn schuld te verbergen.
“Geef mij het roodborstje, Vader”, zei Kentigernus, de hand
uitstrekkend. “Ik zal het bewijzen, dat het niet deze hand was, die zich lafhartig vergreep aan zo’n teer wezen als dit kleine vogeltje.” En het dode, slappe lijfje in de ene hand, en het kopje in de an­dere hand nemend, stond hij daar vóór hen allen, opziend naar den hemel, terwijl hij een kort gebed sprak.
“O Vader in de hemel,” bad hij, “geef mijn beminde vader op de aarde het bewijs, dat ik deze wrede daad niet beging. Wanneer ik onschuldig ben, geef mij dan de macht het kwaad ongedaan te maken en het leven weer te geven aan de kleinen zanger, die met zijn liefelijk lied zo graag uw lof verkondigde.
Toen zette hij zacht het kopje op de plaats waar het behoorde, en terwijl zijn tranen vielen op de hals van het roodborstje, scheen het alsof het weer aan zijn lichaampje vastgroeide. De veertjes be­wogen zich en de zwakke vleugeltjes trilden zwak. De zwarte oogjes openden zich, en uit het keeltje kwam een zacht getjilp. Toen wip­te het roodborstje uit Kentigernus’ hand, huppelde over de grond tot voor  de voeten van Sin-Servatius en vloog op zijn meesters schouder. En daar zittend zong het een jubellied,- dat klonk door de gehele voorhal. Maar de schuldige, boze jongens staken allen hun vingers in de oren en verbleekten, alsof zij verstonden wat hij zei, en alsof het hun jaloezie, hun wreedheid en hun valsheid aan het licht bracht.

Zo kwam Sint-Servatius te weten dat Kentigernus onschuldig was, en hoe alles zich had toegedragen. En meer dan vroeger was Kentigernus zijn meester dierbaar, die hem op allerlei manieren hielp een grote, goede Heilige te worden. Ook het roodborstje werd zijn trouwe,  liefhebbende vriend, want nooit scheen het vogeltje te vergeten, dat Kentigernus het door zijn gebed het leven weergegeven had. Daarom zong het zijn mooiste lied voor de knaap. Zijn schoolmakkers hadden van die tijd af de grootste eerbied voor Kentigernus, die onder bijzondere hoede van God scheen te staan.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

 

2e klas vertelstof: alle artikelen 

729

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-3)

 

DE KOE VAN DE HEILIGE LAUNOMARUS

Sint Launomarus was eenmaal herdersjongen geweest in de weiden van het zonnige Frankrijk en had meegeleefd met de vriendelijke bewoners van de schaapskooien en stallen. Daarom kende hij hen zelf en hun doen en laten zo goed, en voelden zij op hun beurt, een vriend in hem. Alleen door met hen mee te voelen komt je achter het geheim van hun wezen, omdat de dieren zelf niet kunnen spreken.

Sint Launomarus nu had een koe, die hij zeer bijzonder liefhad, een mooie, glanzend zwart-en-witte koe, die graasde in de groene weiden van Chartres in de nabijheid van het klooster, en die ieder­e avond thuis kwam om gemolken te worden en met haar zachte neus streek ze dan langs de hand van haar meester om hem te vertellen hoeveel ze toch van hem hield.
Mignon was een zeer wijze koe, men kon dat af­meten naar de krommingen aan haar horens en naar de rimpels in haar voorhoofd tussen de ogen; en ook nog, en wel voornamelijk, naar de wijze waarop zij met haar staart sloeg. En bovendien, een koe opgevoed door een heel klooster met geleerde mannen en die Launo­marus, de wijste man uit het gehele land, tot meester en vriend had, moest wel wijs wezen.

Het was een donkere nacht na melktijd. Launomarus had Mignon naar haar stal gebracht met haar avondeten, uit hooi bestaande, en had haar goedenacht gewenst en aangenaam herkauwen. Hierna had hij de zware schuurdeur gesloten en was naar zijn cel gegaan om te sla­pen, tot de morgen opnieuw zou aanbreken.

Maar nauwelijks was hij met zijn lantaarn door de poort van het klooster verdwenen , of er kwamen uit het bos vijf zwarte figuren te voorschijn, kruipend en sluipend langs de wal en over de bin­nenhof naar de zware eiken poortdeur. Zij waren allen gehuld in lange, zwarte kapmantels, waarvan zij de kappen dicht over hun gelaat getrokken hadden, alsof zij bang waren herkend te zullen worden. Zij zagen er boos uit die mannen, en zij hadden grote messen zodanig tussen hun gordels gestoken, dat zij die er gemakkelijk uit konden trekken. Het was een bende rovers, naar de stal geko­men om de koe van Launomarus te stelen,  die bekend stond als de mooi­ste uit de hele streek.
Zeer behoedzaam openden zij de grote deur, en zeer behoedzaam
kro­pen zij over de grond naar Mignons stal en bonden een stevig touw om haar nek om haar weg te voeren. Maar vooraf waren zij zo
voor­zichtig een prop in Mignons bek te stoppen waardoor zij niet loei­en kon om het gehele klooster zodoende te waarschuwen,  in wat voor
ge­vaar zij verkeerde. Mignon was daar zeer boos over, want juist had zij dit willen doen, toen zij merkte, dat de mannen geen vrienden, maar boze mensen waren, die met niet veel goeds in hun zin bij haar of in het klooster gekomen waren.

Maar nu bleef haar niets anders over dan stom en zwijgend met hen mee te gaan, hoewel zij voortdurend schopte en trachtte zich te
ver­zetten, en zoveel leven probeerde te maken als zij maar kon. De monniken wa­ren evenwel vast in slaap en lagen ronkend op hun harde britsen, zonder maar enigszins te vermoeden, wat er zo dicht bij hen ge­beurde. Alleen Launomarus draaide zich in zijn slaap om en prevel­de : “Ho, Mignon, sta stil!”, toen hij het doffe geluid van schoppen hoorde. Maar toch werd zelfs Launomarus niet wakker, om zijn dier­bare Mignon te redden uit de handen van de boosdoeners,  die haar gestolen hadden.

De rovers gingen haastig met haar door de laan, over de welbekende weide naar het dichte, donkere bos, waar zij haar gemakkelijk kon­den verbergen voor de ogen van een ieder, die voorbij mocht komen.
Nu was het die nacht wel bijzonder donker, zodat zij slechts zeer flauw konden zien, waar zij zich bevonden, en de paden kruisten en overkruisten elkaar in zoveel richtingen, dat de rovers weldra met elkaar begonnen te twisten over het pad, dat zij eigenlijk ne­men moesten. En zij kenden dit gedeelte van de streek niet zo heel goed, want zij waren afkomstig uit een andere provincie, alleen naar het land van Launomarus gekomen, omdat zij gehoord hadden van zijn
be­roemde koe, en omdat zij begerig waren, die te bezitten.
Het duurde niet lang, of de rovers waren verdwaald tussen het gewirwar van doornen en struiken en wisten helemaal niet meer, waar zij waren, of in welke richting zij verder moesten gaan. De een zei: “Laten wij deze weg nemen,” wijzend naar het Noorden, en de ander zei: ” Neen, neen! wij moeten deze weg uit,”  en hij wees recht naar het Zuiden heen. En de derde pruttelde tegen en zei: “Ho, jongens! niet daarheen, maar deze kant,”  en hij wees naar het Oosten, terwijl de vierde Mignon naar het Westen toe keerde en uitriep: “Jullie hebben het allemaal mis, kameraden. Daar moeten we heen.” De vijfde rover evenwel bekende, dat hij het werkelijk niet wist. “Laten wij de koe volgen,” riep hij, “zij is de enige, die in het donker zien kan. Ik heb altijd gehoord, dat de dieren ons goed lei­den, wanneer wij de zaak geheel aan hen overlaten.”
Daar nu de andere rovers niet het minste begrip hadden, welke richting zij moesten volgen, leek hun dit plan even goed aannemelijk als de andere plannen.

En zij stroopten het touw over Migons kop en zeiden: “Ziezo! vooruit koe, wijs jij ons den weg!”

Mignon zag hen door de duisternis heen met haar grote bruine ogen aan,  in zichzelf lachend. Het scheen te mooi te wezen om waar te zijn! De rovers hadden haar dus vrij gelaten, en vroegen haar, hun de weg uit het bos te wij­zen, terug naar hun eigen streek. Mignon lachte nog eens een keer in zichzelf, maar nu zo hard, dat de rovers dachten, dat zij stikte, en namen de prop uit haar mond. Dit was juist, wat zij wilde, want zij verlangde om weer te gaan herkauwen. En zij schudde de kop en zei vriendelijk: “Boe!” alsof zij zeggen wilde: “Kom maar mee, lieve mensen, ik zal je de weg wel wijzen.”
Maar in werkelijkheid dacht ze zij zichzelf: “Aha! mijn brave jongens, nu zal ik je eens een aardig tochtje la­ten maken.”
Mignon was een zeer wijze koe; zij had niet met gesloten ogen ge­graasd in de weiden buiten Chartres, maar had ze integendeel wijd open gehouden, zodat zij alle paden door het bos en de venen kende, van het Noorden naar het Zuiden, zowel als van het Oosten naar het Westen. Zelfs in donker wist zij de weg  door het dichtste kreupelbos goed te vinden. Maar zij dacht: “Ik moet de weg niet te gemakkelijk maken voor die boze mannen.” En zij voerde hen in een kring rond, dwars door de modder en de braamstruiken en door moerassen heen, over beekjes en door grote modderige vijvers, al maar in een kring rond, de helen nacht door. En zij hadden graag eens willen rusten, maar ze liep zo hard door, dat zij haar niet konden inhalen, om haar eens even te doen stilstaan. En zo moesten zij ook wel doorlopen, want in de duisternis wilden zij haar witte gedaante niet gaarne uit het oog verliezen. Gebeurde dat,  dan zou­den zij reddeloos verloren zijn, daar zij nooit uit deze wildernis zouden weten te komen.
En zo liet Mignon hen de hele nacht hij­gend en blazend, door het nat wadend achter zich aanlopen, zodat zij op het laatst helemaal uitgeput waren; koud en huiverig van het nat, met schrammen bedekt van de doornen en stijf als tien bonenstaken. En toen Mignon hen ten laatste, ongeveer een uur na zonsopgang, op een open plek bracht,  straalde hun gelaat van blijdschap.
“Ik geloof, dat ik mij deze plek herinner”, zei de eerste rover.”Ja, het ziet er hier zo bekend uit. We moeten zeker  dicht bij huis wezen,”  zei de tweede.”We moeten zo ongeveer vijfentwintig mijlen af zijn van de monniken van Chartres”, zei de derde, “en ik wilde,  dat we wat te eten hadden.” “Over een uur zullen wij de koe veilig in ons eigen hol hebben”, zei de vierde, “en dan zullen we wat brood en melk krijgen.” Maar de vijfde viel hem in de rede en zei: “Kijk eens! Wie is die man daar in het grijs?”
En terwijl ze in de aangewezen richting keken,  begonnen de rovers
op­eens hevig te beven. Maar Mignon riep met luide stem, blij ver­rast: “Boe!”  en rende naar de man toe,  die achter het kreupelhout te voorschijn was gekomen. Het was Sint Launomarus in eigen persoon. Overal had hij gezocht naar zijn kostbare koe, want toen hij naar de schuur gegaan was om Mignon te melken, had hij deze leeg gevon­den,  en haar sporen met die van de vijf rovers in de vochtige aarde hadden hem de gehele geschiedenis verteld en hem tevens gewezen, welke weg het gezelschap genomen had. Maar het was niet het plan van de heiligen Launomarus om de rovers te bestraffen of angst aan te  jagen. En hij ging naar hen toe, want zij waren zo geschrokken toen zij hem zagen, dat zij nog altijd bevend aan dezelfde plek vastgenageld stonden, en helemaal vergeten hard weg te lopen. “Goedemorgen, vrienden,”  zei Launomarus vriendelijk. “Ik zie, dat jullie mijn koe teruggebracht hebben,  die vannacht voor het eerst in haar leven haar stal verlaten heeft en ver weg is gelopen. Ik dank u, goede vrienden, dat jullie mijn Mignon teruggebracht hebben, want niet alleen is zij een schat op zichzelf, maar zij is mijn beste vriendin, en ik zou heel ongelukkig geweest zijn, wanneer ik haar kwijt geraakt was.”

De rovers staarden Launomarus  sprakeloos van verbazing  aan en
kon­den hun oren en ogen nauwelijks geloven. Waar kwam die man van­daan? Wat bedoelde hij eigenlijk? Maar toen zij tot het besef
kwa­men, hoe vriendelijk zijn stem was, en merkten, dat hij hen niet beschuldigde, noch hen wilde straffen, waren zij zéér beschaamd. Vol schuldgevoel bogen zij het hoofd, en als door een en hetzelfde gevoel gedreven, vielen zij tegelijk neer aan zijn voeten, terwijl een van hen bekende, hoe alles zich had toegedragen en hem vergif­fenis vroeg.
“Wij hebben de koe gestolen, Meester,”  zei de eerste. “En haar zoveel mijlen ver weggebracht,”  zei de tweede. “Wij zijn boze rovers en verdienen gestraft te worden,”  zei de derde. “Maar wij smeken U ons te vergeven,” riep de vierde uit. “Laat ons heen mogen gaan, goede Vader,  smeken wij U,” verzocht de vijfde. “En wees zo goed ons op de rechten levensweg terug te brengen, want wij zijn daar helemaal van  afgedwaald”.

“Neen, neen,” antwoordde Sint Launomarus vriendelijk, “de koe heeft u een lange weg laten maken, is het niet zo? en jullie zullen zeker wel erg moe en hongerig zijn. Jullie kunnen nu niet verder reizen.”
En inderdaad waren zij te deerniswaardig om aan te zien,  zodat het hart van de Heilige met medelijden vervuld was. “Volgt mij,” zei hij. En zij waren te zwak en te vermoeid, om ook maar aan
on­gehoorzaamheid te denken.
En zo vormden zij in alle ootmoed met hun zevenen een processie, Launomarus en de koe vrolijk vooruit lopend. Want deze beiden waren zeer verheugd weer bij elkaar te zijn, en liefdevol had Launomarus onder het gaan zijn arm om Mig­nons glanzende nek geslagen.

Maar hoe groot was de verbazing van de vijf rovers, toen zij na verloop van een paar minuten een hoek omsloegen en opeens het kloos­ter vlak voor zich zagen, met dezelfde schuur, waaruit zij Mignon in de afgelopen nacht gestolen hadden!
Al die tijd dus had de verstandige koe hen in een grote kring rondom haar eigen huis ge­leid. En na al dat waden door de modder en dat kruipen door het struikgewas in donker, waren zij in de morgen nog niet verder ge­komen op hun tocht dan zij in het begin geweest waren. Wat een wijze koe was dat geweest! En wat een heerlijk ontbijt van pap en hooi en zoete koolraap gaf Launomarus haar, omdat zij ‘s nachts zo hard gewerkt had.

De vijf rovers kregen ook een goed ontbijt, maar waarschijnlijk genoten zij er niet zo van als Mignon, want hun geweten was be­zwaard. Daarbij zaten zij aan tafel in het klooster en stonden alle monniken er op een rij zwijgend en met vrome gezichten bij, wat niet geschikt was om hen op hun gemak te stellen.
En toen de rovers hun brij aten, zei Launomarus zacht: “Deze is van Mignons melk gemaakt, vrienden. Het is de beste melk uit geheel Frankrijk, die u heden voor uw ontbijt van harte gegund is, daar wij alle reden hebben om dankbaar te zijn, dat jullie die niet voor altijd buiten ons bereik hebt gebracht. O, mijn vrienden, wij zouden zo’n kostbare koe, zo’n goede vriendin,  zulk een trouwe leidsvrouw moeilijk kunnen missen. Ik vertrouw dus, dat jullie haar diensten niet meer nodig zullen hebben. Bij daglicht zullen jullie zeker wel alleen je weg naar huis kunnen vinden, wanneer ik u die wijs. De straatweg is ruim en recht voor eerlijke lieden. Ik raad u, die rechte weg te gaan.”

En toen zij verfrist en uitgerust waren, deed Launomarus hen
uit­geleide en wees hun de weg, die zij te gaan hadden zoals hij beloofd had. Hij en Mignon stonden op de top van een kleine heu­vel en keken hen na, of zij wel het goede pad hielden. En toen zij uit het gezicht verdwenen waren, keerden zij zich om en keken el­kaar aan,  de wijze Heilige en de wijze koe. En beiden lachten zij in zichzelf.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas: alle vertelstof

727

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – legenden (3-2)

DE HEILIGE BRIGITTA EN DE WOLF VAN DE KONING

Iedereen heeft wel eens gehoord van Brigitta, het kleine heilige meisje van Ierland. Haar naam is dan ook even goed bekend als die van de heiligen Patricius,  die de slangen van het eiland verdreef.
De heilige Brigitta had lange,  gouden haren en was heel mooi. Vele wonderlijke dingen zijn met haar gebeurd, die opgeschreven staan in de heilige boeken. Maar ik vermoed toch,  dat je nog nooit gehoord hebt over wat zij deed met de wolf van de koning. Het is een heel wonderlijke geschiedenis,  die aldus gebeurde.

De koning van Ierland bezat een tamme wolf,  die een paar jagers voor hem gevangen hadden,  toen hij nog een teer, klein,  pas geboren wolfje was. En deze wolf liep,  als hij eer zin in had, helemaal vrij rond in het park bij het paleis,  en had een heerlijk leven.

Maar op zekere morgen sprong hij over de hogen muur,  die het park omgaf,  en dwaalde een heel eind van huis af,  wat heel dwaas en onvoorzichtig van de wolf was. Want in die dagen waren de wilde wolven zeer gehaat en gevreesd bij de mensen, van wie zij dikwijls het voedsel  sta­len,  en wanneer iemand  zo’n boze wolf wist te doden, voelde hij zich een heel gewichtig man. Bovendien had de koning zelf een prijs uitgeloofd aan iedereen die hem een dode wolf bracht. Want bij wilde dat zijn koninkrijk een gelukkig en vredig rijk zou zijn, waar de kinderen de gehele dag in de bossen konden spelen,  zonder dat zij gevaar liepen door wilde dieren te worden opgegeten.

Het is niet moeilijk te raden, wat er gebeurde met de wolf van de koning.

Een grote, domme boerenjongen was met zijn boog en pijlen uitgetrokken naar het bos, toen hij opeens een groot,  bruin beest over een heg zag springen en over de wei zag weglopen. Het was de wolf van de koning,  die van huis wegliep en zich erg vrolijk en dartel voelde,  omdat dit de eerste keer was,  dat hij zoiets deed. Maar de boerenjongen wist van dit alles niets.
“A ha”,  zei hij in zichzelf, “ik zal  je wel gauw krijgen, mijn beste wolf,  en dan zal de koning me een geldstuk geven, waarvan ik een hoed en een nieuw pak kleren kan kopen voor de feestdagen.
En zonder er verder over na te denken of de wolf,  die het koninklijk merk op zijn oor had,  eerst nog eens van dichtbij te bekijken,  schoot de  jongen zijn pijl recht op hem af. De wolf van de koning maakte een hoge sprong in de lucht en toen viel dood op het gras neer, het arme dier.De boer was erg in zijn schik,  en sleepte het dode dier regelrecht naar het paleis van de koning en klopte aan de poort.

“Doe ópen!” riep hij. “Open de poort voor de moedige jager,  die een wolf heeft geschoten voor de koning. Doe open, zodat ik mijn beloning kan ontvangen.”

En hij werd eerbiedig verzocht binnen te komen en de opper­kamerheer geleidde hem naar de koning, die op een rood fluwelen troon in de grote zaal gezeten was. En de man trad de zaal binnen, terwijl hij het levenloze lichaam van de wolf van de koning bij de staart achter zich aansleepte.

“Wat is dat hier?” vroeg de koning op ontevreden toon, toen de opper­kamerheer onder een diepe buiging hem met zijn staf op de vreemde­ling wees. De koning had een slecht humeur, en hield er niet van in de morgen bezoeken te ontvangen. Maar de domme boer was te trots op zijn daad,  en te  zeer vervuld daarvan, dan dat hij de misnoegde trek op het gelaat van de koning opmerkte.

“Hier hebt U een wolf, Sire,” zei hij trots. “Ik heb een wolf voor U geschoten, en nu kom ik om de beloning vragen die U hebt uitgeloofd.”
Doch op hetzelfde ongelukkige  ogenblik sprong de koning met een kreet van toorn op.  Hij had het merk op het rechteroor van de wolf gezien.

“Hier! Grijpt de booswicht!”riep hij tot zijn soldaten, “Hij heeft mijn tamme wolf vermoord, hij heeft mijn lieveling doodgeschoten! Weg met hem naar de gevangenis; morgen moet hij sterven!”
Het hielp de arme man niets, of hij al gilde en schreeuwde en trachtte uit te leggen,  dat alles een ongelukkige vergissing was. De koning was woedend. Zijn wolf was gedood,  en de moordenaar moest sterven.
In die dagen was dit de wijze, waarop koningen degenen straften, die hen in enig opzicht mishaagd hadden. Uitstel bestond niet,  alle dingen geschiedden onmiddellijk. En zo werd de arme man, naar een donker, duf gevangenishol gesleurd, waar hij schreiend, zich in wanhoop de haren uittrekkend, werd achtergelaten, wensend, dat de wolven maar nooit door Noach in zijn ark uit de zondvloed gered waren.

Niet ver van deze plaats leefde de kleine, heilige Brigitta.

Toen zij zich die mooie plek tot woning koos, was er nog geen enkel huis in de nabijheid;  alleen stond er een grote eik5 waaronder zij haar hutje bouwde. Dit bestond slechts uit één vertrek,  en het dak was bedekt met gras en stro. En het was zó klein, dat het op een poppenhuis leek,  en Brigitta zelf was als een grote pop met gouden haren – de mooiste pop die ooit bestaan had.

Zij was zó mooi en zó goed, dat de mensen wensten dicht bij haar te wonen, om haar zacht,  lief gelaat dikwijls te kunnen zien en haar stem te horen. En toen zij ontdekt hadden, waar zij haar hut gebouwd had, kwamen de lieden van alle kanten uit de omtrek met hun vrouwen en kinderen en hun huisraad, hun koeien en var­kens en kippen aanzetten, en vestigden  zich op het groene gras, on­der de grote eik,  en ze zeiden: “Wij willen wonen waar de heilige Brigitta woont.

En zo werd het ene huis na het andere gebouwd,  en ontstond er een heel dorp rondom haar kleine hut,  en het dorp werd Kildare genoemd, wat in het Iers betekent: ‘hut van de eik’.
En weldra was Kildare zo gezocht,  dat zelfs de koning er een paleis en een park wenste te hebben. En in dit park nu was de wolf van de ko­ning gedood.

Brigitta nu kende de man,  die de wolf had doodgeschoten,  en toen zij hoorde,  in welke diep ongelukkige toestand hij zich bevond, was zij zeer bedroefd, want zij was een zeer goedhartig, klein meis­je. En zij vond het wel heel dom van hem,  dat hij de tamme wolf had gedood, maar het was toch een ongeluk geweest van hem,  en zij vond,  dat hij daarvoor niet zo streng moest gestraft worden. En zij wilde dat zij iets kon doen om hem te helpen,  te redden zo dit mogelijk was. Maar dit was zeer moeilijk, want zij wist, wat voor een slecht humeur de koning had,  en zij wist ook, hoe trots hij geweest was op die wolf,  die de enige tamme wolf was in het hele land.

Brigitta liet haar wagen met haar witte paarden inspannen en reed daarmee naar het paleis van de koning,  zelf nog niet wetend wat zij doen moest om de koning tot bedaren te brengen en hem te be­wegen,  de man vrij te laten,  die, meende ze, niets kwaads gedaan had.

Maar ziet! terwijl de paarden langs de lersche venen renden,  zag de heilige Brigitta opeens een grote, witte gedaante op haar af­stormen. Eerst dacht zij,  dat het een hond was. Maar neen,  een hond kon zo groot niet zijn en weldra zag zij,  dat het een wolf was, met grote ogen en een rode tong, die uit zijn bek hing. En toen hij de verschrikte paarden had bereikt, kwam hij met een groten sprong opeens in de wagen, waarin Brigitta zat, en legde zich aan haar voeten neer, even kalm en rustig als een hond dit gedaan zou hebben. Hij was geen tamme wolf, maar een wilde, die nooit te voren de aanraking van een mensenhand gevoeld had. En hij liet zich door Brigitta strelen en liefkozen en allerlei lieve dingen in zijn oor fluisteren. En hij bleef volkomen stil aan haar voeten liggen tot de wagen voor de poort van het paleis reed. Toen strekte Brigitta de hand uit en riep hem,  en het grote witte dier volgde haar rustig door de poort en de trappen op en door de lange zaal, totdat zij voor de roodfluwelen troon stonden waar­op de koning met gefronst, bars en streng gelaat gezeten was. Het moet een eigenaardig gezicht zijn geweest, die twee, het klei­ne meisje in haar groen gewaad met haar gouden haren, als een slui­er neervallend tot op haar knieën, en staande naast haar sterke, witte wolf, even groot als zij, met zijn gele, schitterende ogen scherp voor zich uitstarend,  de rode tong uit zijn bek.

Bri­gitte  legde zacht haar hand op zijn kop, die dicht aan haar schou­der kwam,  en boog voor de koning.
Doch de koning zat onbewegelijk op zijn troon,  zozeer had deze aanblik hem verrast.
Brigitta be­schouwde zijn stilzwijgen evenwel als toestemming hem te mogen toe­spreken.
“U hebt uw tamme wolf verloren,  o Koning,”  zei ze. “Maar ik heb een betere voor U meegebracht. Nu Uw eigen wolf dood. is,  is er geen andere tamme in het gehele land. Maar zie deze aan! Geen enkele witte wolf is er ergens te vinden in Uw rijk, en deze is èn tam en wit. Ik heb hem getemd, mijn Koning. Ik, een klein meisje, heb hem tam gemaakt,  zodat hij vriendelijk is en zacht,  zoalsU ziet.  Kijk,  ik kan hem aan zijn grote oren trekken en hij gromt niet. Kijk,  ik kan mijn kleine hand in zijn groten, rode muil leg­gen,  en hij bijt niet.  Sire,  ik geef hem U. Spaar om mijnentwil dan het leven van die armen,  dwaze man, die onwetend Uw dier doodde. Geef mij zijn arm leven in ruil voor deze goede, vriendelijke wolf,”  en zij glimlachte zacht, terwijl zij zo pleitte.

Zwijgend keek de koning eerst naar het grote, witte dier, waarin hij groot behagen schiep, toen naar het schone meisje, dat hem met haar blauwe ogen zo ernstig aankeek. En in die blik beviel hem wel.

Toen verzocht hij haar, hem de gehele geschiedenis te vertellen, hoe zij aan dit dier kwam, en waar en hoe zij hem gekregen had. En toen zij haar verhaal gedaan had en de koning eerst zijn grote verbazing er over had laten blijken, begon hij te lachen. Dat was een goed teken, want ook in het verhaal van Brigitta schiep hij groot welbehagen. En het was zo iets vreemds voor de koning om in de morgen reeds te lachen, dat de kamerheer bijna flauw viel van verrassing,  en Brigitta wist nu zeker, dat haar bede verhoord zou worden. Nog nooit had men de koning zo goedgehumeurd gezien. Want hij was een ijdel mens, en het denkbeeld, dat hij dit mooie, grote dier, wiens gelijke in het gehele land niet te vinden en wiens geschiedenis zo wonderbaarlijk was,  zou bezitten,  streelde hem uitermate.                                                                                       En toen Brigitta hem zo smekend aankeek, kon hij geen weerstand bieden aan de vragende blik van haar zachte, blauwe ogen, uit vrees, dat zij zich met tranen zouden vullen.

En zo schonk hij, op verzoek van Brigitta, de boer vergiffenis, stelde zijn leven in haar handen, en beval de soldaten hem vrij te laten uit de ge­vangenis.
Toen zij de koning zeer vriendelijk bedankt had, verzocht zij de wolf  naast de roodfluwelen troon te gaan liggen, en voor­taan trouw en goed te zijn voor zijn nieuwe meester. En nadat zij nog eenmaal voor het laatst zijn ruige kop gestreeld, had., ver­liet zij de wolf en haastte zich, de onnozele boer in haar wa­gen mee te nemen, voordat de koning nog tijd had zich misschien te bedenken.

De man was zeer gelukkig en dankbaar. Maar zij gaf hem een ernstige vermaning op weg naar huis, en raadde hem aan voortaan  niet meer zo on­bedacht te zijn.
“Heer Domheid,” zei zij, toen zij hem bij de deur van de hut af­zette, “veel beter is het,  in het geheel  niet te doden dan het le­ven te nemen van arme, tamme creaturen.  Ditmaal heb ik u het leven gered, maar een volgende keer zou je het weleens kunnen verliezen. Bedenk, dat het beter is, dat twee boze wolven ontvluchten, dan dat een vrien­delijk dier gedood wordt. Wij kunnen onze goede dieren niet missen, Heer Domheid. Beter nog kunnen wij zo’n domme jongen als jij missen.”

En ze verdween in haar hut onder de eik,  de onnozele jongen
ach­terlatend, om na te denken over wat zij hem gezegd had, en zich te schamen over zijn daad.

De nieuwe wolf van de koning leefde verder gelukkig in Het park van het paleis, en Brigitta kwam hem dikwijls opzoeken,  zodat hij geen tijd had heimwee te krijgen of zich eenzaam te voelen.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas: alle vertelstof

 

727

VRIJESCHOOL – 2 klas – vertelstof (4)

Vertelstof: alle artikelen

 

DE VRIENDELIJKE HUT

Ierse legende

Lang, lang geleden trok er over de weg van Donegal naar Killybegs een groepje zigeuners. Het waren arme lieden die met het lappen van ketels probeerden aan de kost te komen en hier en daar een ei of een lam stalen als de pot té schraal was. Maar van karige beetjes kan men niet veel monden vullen en toen de zigeuners door Cam-Na-Ween trokken, besloten zij afstand te doen van het jongst-geboren kind en legden het te vondeling op de drempel van de hut van Bridget en Gonal Hegarty.

Nu waren in die dagen de tijden zwaar en Bridget en Conal hadden zelf al een groot gezin, maar een kind onderdak weigeren doet men in Ierland niet en dus werd het liefderijk opgenomen. De kleine Oona groeide op tot een mooi meisje, misschien wel het mooiste van heel Cam-Na-Ween en de landen daar ver omheen en de jongens uit die streek hadden haar graag tot vrouw genomen. Maar men was er niet vergeten dat zigeuners dit kind hadden gebracht en iedere jongeling wiens hart in vuur en vlam stond voor de lieftallige Oona, vergat maar gauw hoe aantrekkelijk dat meisje in de hut van Bridget en Gonal was en koos zich een degelijke Ierse huisvrouw. En dus bleef Oona alleen bij de twee oudjes van wie zij veel hield en die ze liefderijk verzorgde. In haar hart koesterde zij een schone droom: als eens Bridget en Conal zouden zijn overleden zouden zij misschien aan haar de hut achterlaten. Zij zou dan een eigen huis hebben, met voor de ramen zonnig-gekleurde gordijnen en boven het vuur een grote koperen ketel die altijd glimmend zou zijn gepoetst. Maar voor Bridget stierf zei ze: ‘Oona, de hut is voor mijn zoon Michael en zijn jonge vrouw. Neem uit de kist het linnengoed dat je toekomt. Misschien zal er ergens een man zijn die nog met je wil trouwen.”

En Oona vouwde haar linnengoed tot een bundel en vertrok, vastbesloten ooit haar schone droom waar te maken. En overal was wel een hutje dat haar wachtte, waar zij een ziek kind kon verzorgen of waar zij de taak van de overleden huisvrouw kon overnemen. Want Oona kon hard werken en er was veel liefde in haar hart. Maar nergens was er een plekje voor haar alleen en geen man kon vergeten dat zij een zigeunerkind was.

De jaren verstreken en hoe ouder en krommer Oona werd, hoe meer haar bezittingen groeiden; overal waar ze had gewerkt hadden de mensen haar linnen en potten en pannen geschonken ~- zoveel dat ze tenslotte wel een wagen nodig had om ze te vervoeren.

Toen zij al heel oud was, woonde ze in de hut van Brian MacManus. Het was in de tijd van de grote hongersnood en voor ieder was er niet meer dan de dagelijkse lepel pap. Het deed Oona pijn te zien hoe hongerig de ogen van de kinderen waren, maar zij kon haar eigen kleine hapje niet afstaan, want de vrouw was ziek en zonder dat beetje eten had ze niet kunnen werken en het gezin zo goed mogelijk verzorgen. Maar toen het midwintertijd werd en de restanten van de laatste mislukte oogst nog kariger geworden, kon zij de ellende en het verdriet niet langer aanzien en pakte haar bezittingen bijeen.
‘Jullle kunnen nu wel voor jezelf zorgen. Je hebt mij niet langer nodig’ zei ze. ‘God weet dat dat waar is’, zei vrouw MacManus.

Maar de man zei: ‘Zwijg toch, vrouw! Weet je niet wat voor avond dit is?’ En de vrouw sprak verbitterd: ‘Ik weet het. Het is kerstavond. Maar in deze tijden is iedere avond gelijk aan de andere. De oude vrouw is gek. Laat haar gaan!’  En Oona zei: ‘Mogen God en Maria u op deze avond bijstaan!’ en zij nam haar bundel over de schouder en stapte de heldere vriesnacht in. Ze nam de weg door Carn-Na-Ween die naar zee leidt en bij ieder hutje stond ze stil en keek naar binnen. Bijna iedere haard was haar vertrouwd, bijna ieder gezin had ze gekend. Langzaam volgde ze het steile pad de heuvels in, en toen zij de laatste hutten ver achter zich had gelaten, ging ze zitten aan de rand van het veen.

‘Ik heb nog nooit zo gezeten’, bedacht ze verwonderd. ‘Voor het eerst is er niemand voor wie ik moet zorgen, niemand die eenzaam, ziek of verdrietig is’. En terwijl de sneeuw zich zachtjes om haar schouders legde, dacht ze: ‘Hïer heb ik altijd willen zijn. Het is hier stil en mooi en hier zal ik wachten tot hij komt. En hij zal komen als een geliefde, die mij in zijn armen neemt en zegt: ‘Kom Oona, wees niet bang!’ en ik zal mijn hand in de zijne leggen en voor altijd mogen rusten.
Eigenlijk wist Oona niet .goed meer wat er hierna gebeurde. Vaag herinnerde zij zich dat ze nog het Elfenland had willen bezoeken, dat naar men zei aan de rand van het veen en de moerassen lag. Maar ze was te moe, haar hoofd viel op haar schouder en ze droomde van het verhaal van ‘Conall van de Duizend Zangen’, die eens op een midzomernacht op dezelfde plek had liggen slapen en die was wakker geworden met een hoofd vol feeënmuziek en van Willy Donogue die op een late voorjaarsavond door het elfenrijk was gereden en had gezien hoe de bewoners daar buiten rondreden, om hun schouders kleedjes van dauw en bloemen in de goudblonde lokken. Van dit alles droomde Oona, terwijl de sneeuw haar langzaam toedekte. Het zou zeker een Witte Kerstmis worden en men vertelde wel dat dan het Vriendelijke Volkje de huizen verliet om gezamenlijk het wonder van de geboorte te aanschouwen. En als dat zo was zou de oude vrouw in deze nacht zeker niet alleen zijn.

Toen Oona, na vele uren te hebben geslapen, wakker werd, had ze het gevoel dat iemand naar haar stond te kijken. Voorzichtig probeerde zij haar benen te strekken en ze voelde hoe ze daarbij iets aanstootte. Toen zij naar haar voeten keek, dacht ze dat de duisternis en haar oude ogen haar parten speelden. Zij zag daar een heel klein mannetje staan; een dwerg nog kleiner dan de hand van een man.
Maar toen Oona goed keek, zag zij rechts en links, voor en achter haar honderden van die dwergen en ze zei:
‘Wees maar niet bang. Ik wist niet dat jullie hier waren. Zoeken jullie iets?’ ‘Jou en niemand anders,’zeiden de mannetjes met lachende knopgezichtjes. En Oona begreep dat dit het Vriendelijke Volkje moest zijn. ‘Waarom lachen jullie?’, vroeg ze verwonderd.

‘Om jou natuurlijk! Je leven lang heb je voor anderen gezorgd en nooit heb je iets gevraagd en nooit heeft een mens je zichzelf of zijn woonplek geboden. En daarom zijn wij nu hier. Slaap nog maar wat, kind van zigeuners, vanaf heden doen wij het werk!’

En van onder haar deken van sneeuw zag Oona hoe het Vriendelijke Volkje heen en weer rende, hoe het stenen en riet aansjouwde en hoe het die stenen begon te stapelen en er balken op aanbracht en hoe op die balken het dak werd gelegd en hoe daar een Vriendelijke Hut werd gebouwd. En toen het werk gedaan was zeiden de dwergen: ‘Word wakker, Oona Hegarty, word wakker!’ ‘Maar ik ben wakker,’zei Oona, ‘hoewel ik het gevoel heb alsof ik droom.’ ‘Dan pakken we nu je bundel en kun je eindelijk naar huis gaan.
De duizenden kabouters pakten haar bundel en droegen hem de hut binnen en toen Oona over de drempel stapte zag ze dat alles net zo was als zij haar leven lang had gedroomd: voor de ramen hingen zonnige gordijntjes en boven het vuur een glimmend gepoetste koperen ketel. En zij zag dat er nog veel meer was: tafels en stoelen, potten en pannen en de lepel waarmee men het ‘griddle-bread’ roert.

Oona keek naar de dwergen. ‘Ik weet niet waarom jullie dit deden’, zei ze  ‘en ik wil ook niets vragen, behalve één ding: breng mij iedere Witte Kerstmis mensen die ongelukkig, ziek of eenzaam zijn. Ik zal het vuur dan opstoken, waaraan zij zich kunnen verwarmen en ik zal het brood bakken waarmee zij hun maag kunnen vullen. Hier zullen zij dan tevreden en gelukkig zijn.’ ‘Wij beloven het je, Oona Hegarty’, zeiden de elfjes. En toen waren ze weg Nog even hoorde Oona hun heldere stemmen in de verte, daarna werd alles stil.

Doodmoe viel de oude vrouw in een diepe slaap en toen zij wakker werd hoorde ze hoe de klink van de deur werd opgelicht. Vriendelijk zeï ze: ‘Kom binnen Maggie MacManus, ik heb al op je gewacht.’

Het uitgehongerde kind was verbaasd de stem van Oona te horen en een vrouw te zien die Oona misschien wel, maar misschien ook niet was. Zij lag geknield voor de haard en keerde het ‘griddle-bread’ en ze was jong en mooi; haar ogen waren hemelsblauw en haar lokken goudblond en zij leek wel iemand die tot het elfenvolk hoort.

‘Ga maar bij de haard zitten, Maggie,’ zei ze. ‘Je mag zoveel eten als je wilt en als je buik vol is mag je weer naar huis gaan.’

En toen Maggie weer thuis kwam vertelde ze van de Vriendelijke Hut en van Oona die weer als een jonge bruid was. Maar hoewel alle inwoners van Carn-Na-Ween nog maanden naar het hutje zochten, vonden zij het niet. En pas toen er weer een Witte Kerstmis was, zag de weduwe Molly Maclntyre, die was weggelopen omdat men haar naar het armenhuis wilde brengen, een kleine hut, waar achter de ramen een warm licht scheen. Maar zij is nimmer teruggekomen om in Carn-Na-Ween te vertellen hoe behaaglijk het daar was in die hut aan de rand van het veen.

Maar in Carn-Na-Ween weet men dat áls er een Witte Kerstmis is, er altijd hoop is voor een arm, eenzaam mens, dat de weg zal gaan die naar Killybegs leidt en daar zal worden ontvangen door een jonge vrouw die een Vriendelijke Hut bewoont.

(Bron bij mij onbekend)

Vertelstof: alle artikelen

 

717