VRIJESCHOOL – 2e klas – legenden (3-10)

DE WOLFSMOEDER VAN SINT-ELVIUS.

Dit is de geschiedenis van een klein Iers kind, wiens ontaarde vader en moeder niet de allerminste liefde voor hem voelden. En daar zij natuurlijk het noch konden verkopen noch weggeven, probeerden zij zich op een andere manier van hem te ontdoen. En zij wikkelden het in een doek en namen het mee naar het gebergte, waar zij het in een bosje van heidestruiken neerlegden.

Nu gebeurde het, dat een wolfsmoeder, die haar avondwandeling maakte nadat zij haar kleintjes gedurende de hele dag in haar
verbor­gen berghol verzorgd had, juist voorbij het heidebosje kwam. Toen zij nu een zwak, klein stemmetje hoorde huilen, spitste zij haar puntige oren en dacht: “Wat is dat?” En met haar scherpe neus rondsnuffelend,  liep zij regelrecht aan op de plek, waar het kleine roze kindje lag te schreien van honger en kou.

Toen werd het hart van de wolfsmoeder getroffen, want zij dacht aan haar eigen kleintjes thuis, en hoe droevig het zijn zou, wanneer zij daar zo verlaten en hulpeloos en vergeten lagen. En zij nam het kindje voorzichtig op in haar bek en rende er mede terug naar het hol aan de voet van de berg. En daar nu,  in dat hol groeide de kleine, wiens naam Elvius was, op met de kleine wolfjes, met wie hij het ontbijt en het middag-  en avondeten deelde, met wie hij speelde en kibbelde, alles op zijn beurt. De wolfsmoeder verzorgde hem teder en gaf hem van alles het beste, want zij had hem in waarheid zéér lief. En Elvius werd dagelijks groter en sterker en mooier, terwijl hij daar te midden van zijn gelukkig tehuis in de woeste bossen van het groene Ierland opgroeide.

Maar op zekere dag, ongeveer twee jaren, nadat de wolfsmoeder de kleine Elvius in het heidebosje gevonden had, reed een jager, na afloop van de jacht, over de berg naar huis en kwam voorbij het hol, waarin Elvius met de kleine wolfjes woonde. En terwijl hij on­der de bomen doorreed, zag hij opeens een klein wit wezentje het pad recht tegenover hem oversteken. Eerst dacht hij, dat het een konijn was, maar daarvoor was het toch te groot, en bovendien sprong het ook niet als een konijn. De jager sprong van zijn paard en liep het grappige diertje achterna om te zien, wat dit wezen kon. Weldra haalde hij het in bij een kreupelbosje, waarin het zich wilde ver­bergen, en hij was niet weinig verbaasd, toen hij zag, dat het noch een haren vacht, noch horens, noch vier poten, noch een staart had, maar dat het een mooi kindje was, dat niet rechtop kon staan, maar met zijn naakte lijfje op handjes en voetjes te gelijk, als een klein wolfje rondliep.
Het was de kleine Elvius, de lieveling van de wolfsmoeder, die nu zo groot en flink geworden was, dat hij wel voor zichzelf zorgen kon. De jager dacht evenwel, dat hij niet daartoe in staat was, en besloot aanstonds het arme kleintje mee naar huis te nemen en het door zijn vrouw verder te laten verzorgen. En hij nam Elvius op in zijn armen,  die echter hevig tegenspartelde en schopte en beet, als een klein wild diertje,  zodat hij door de jager in een slip van zijn wijde  jas gewikkeld moest worden. Daarna sprong deze weer op zijn paard en rende daarmede het bos uit, naar zijn dorp.

Elvius wilde evenwel zijn huis in het bos, zijn wolfshol en zijn kleine wolfsbroertjes niet gaarne verlaten,  en voornamelijk wilde hij niet gescheiden worden van zijn lieve pleegmoeder, zodat hij uit alle macht schreeuwde en schopte, om toch maar los te komen uit de sterke armen van de jager. En luidkeels riep hij de wolven toe in hun eigen taal om hem toch te komen helpen. Toen kwam plotseling de grote
wolfsmoeder met haar vier kinderen, die nu bijna even groot waren als zijzelf, uit het bos springen. En zij jaagden het vluchtende paard achterna en beten huilend van angst en woede naar de los geraakte slip van de  jas van de jager. Maar zij konden de rover niet pakken,  en dus hun pleegkindje, het kleine vondelinge­tje met zijn zacht velletje,  niet terug krijgen. En zo geraakten de vijf wolven langzamerhand verder en verder achterop, nadat zij hem mijlen vervolgd hadden. En toen ten laatste Elvius zijn arm­pjes over de schouder van de jager uitstrekte naar zijn pleeg­moeder, zag hij nog juist, hoe zij hijgend op de weg bleef stilstaan en met een laatste gehuil tot afscheid zich omkeerde. Zij had de wanhopigen strijd moeten opgeven. En met de staart tussen de poten en met hangende koppen gingen de wolven met lome schre­den terug naar hun eenzaam hol in de bergen, waar zij hun klein
speel­makkertje nooit zouden terugzien. Het was voor de goede
wolfsmoeder een zéér treurige dag.

De jager reed intussen met de kleine Elvius vóór zich op de hals van het paard naar zijn huis, waar de kleine een nieuwe moeder vond om hem te ontvangen. Elvius heeft nooit geweten, hoe eigenlijk zijn eigen moeder was, doch zeker moest zij een slechte, wrede vrouw geweest
zijn. Zijn tweede moeder nu was een vriendelijke wolvin en deze, zijn derde, was een mooie prinses. Want de jager, die het kind gevonden had, was een prins, en woonde in een groot kasteel bij een meer in de nabijheid van Tipperary, waar een menigte paarden en hon­den en kleine pages waren voor Elvius om mee te spelen. En hier nu woonde Elvius en voelde zich heel gelukkig, en hij leerde er allerlei dingen, die in die dagen een kleinn jongen moesten ma­ken tot een groot, wijs man. En werkelijk was hij zo groot en wijs, dat hij werd benoemd tot bisschop en een eigen paleis kreeg in de stad Emly. En van zeer ver kwamen de mensen tot hem, om zijn wijze raad in te winnen.

Doch hoe groot en beroemd Elvius ook mocht geworden zijn, toch
ver­gat hij nooit zijn tweede moeder, de goede wolvin, noch zijn
vier­voetige broertjes,  in hun grijze harenvacht,  en menigmaal, wanneer de mensen het hem met hun domheden al te lastig maakten, ver­langde hij terug naar het bos met zijn goede dieren. Want dikwijls waren zij veel verstandiger dan de mensen, die veel uit de boeken geleerd hadden.

Vele jaren later werd er op zekere dag in Emly een grote
jachtpartij gehouden. Mijlen ver uit de omtrek kwamen de lords en gro­te heren tezamen, om op de wilde dieren uit de bossen te jagen, en onder de  jagers was ook de prins, de pleegvader van Elvius. Doch
hijzelf, de bisschop, was niet onder hen, want hij vond geen genot in het doden van levende schepselen.

Het was reeds nacht, en nog altijd verwachtten de inwoners van Emly de terugkomst van de jagers. En juist kwam de bisschop op weg uit de kerk door de dorpstraat, toen het geluid van de jachthorens over de heuvels schalde. Binnen enkele ogenblikken zouden dus de jagers terug zijn. Luider klonk het geschetter van de hoorns en duidelijk kon Elvius nu ook het gekletter van paardenhoeven en het blaffen van de honden horen.
Plotseling was het, alsof Elvius’ hart stil stond. Want te midden van de verschillende jachtgeluiden hoorde hij een kreet, die hem van lang geleden, in het geheugen kwam. Het was het lang ge­rekte huilen van een wolf, een droevig geluid van angst, afmatting en pijn, een taal sprekend, die hij bijna vergeten was. Nauwelijks had hij echter tijd er verder over na te denken en zijn geheugen te hulp te roepen, of er kwam een grote, magere figuur, vluchtend voor de grootste sprongen van de voorste honden, die hem op de hielen zaten, de dorpstraat inrennen. Het was de wolfsmoeder van St.- Elvius. Zodra hij haar groene ogen zag en de witte vlek op haar rechter voorpoot, herkende hij haar. En zij herkende hem blijkbaar ook. In de bisschop met zijn fraai purper gewaad, met kostbare kant bezet, met de mijter op het hoofd en de staf in de hand herkende de wolfsmoeder haar geliefde zoon. Met een kreet van vreugde sprong zij te­gen hem op en legde haar kop tegen zijn borst, vast overtuigd, dat hij haar beschermen zou tegen de huilende honden en de woeste, bloed­dorstige jagers. En zij vergiste zich niet in de goede bisschop.
Want hij spreidde zijn kostbaar fluwelen gewaad over haar vermoeid, afgemat lichaam, en legde zijn hand vol tere liefde op haar kop, terwijl hij met de andere zijn staf waarschuwend omhoog hief om de woedende honden tegen te houden.
“Ik zal U beschermen, oud moedert je” zei hij teer. “Toen ik klein ­en jong en zwak was, hebt U mij gevoed en geliefkoosd en beschermd. En zou ik U, nu U oud en grijs en zwak bent, niet dezelfde liefde bewijzen en voor U zorgen? Niemand zal U enig kwaad doen.” Op hetzelfde ogenblik kwamen de jagers op hun met schuim bedekte rossen tierend aanrijden, maar plotseling hielden zij stil om te zien, wat er gebeurd was. Sommigen van hen werden boos en wilden onmiddel­lijk de
wolvin doden, zoals de honden die, teleurgesteld, grom­mend naar hun buit zochten. Doch Elvius hield hen tegen, hen verbie­dend de wolvin aan te raken. En hij was z’on machtig en wijs en heilig man, dat niemand hem ongehoorzaam durfde  zijn, zodat hun niet anders overbleef dan lijdelijk toe te zien, hoe hun jacht mis­lukt was en hun prooi uit hun klauwen ontnomen werd. Doch voordat de  jagers met hun honden wegreden, had Sint-Elvius nog enige woorden met hen te spreken. En hij verzocht al de nieuwsgie­rigen, die zich om hem en de
wolvin verzameld haddeb, te luisteren.
Toen herhaalde hij plechtig de belofte, die hij de wolvin gedaan had, en waarschuwde een ieder, haar, noch haar kinderen ooit enig leed te berokkenen, noch in het dorp, noch in het woud, en ook niet in de bergen. En zich opnieuw tot de wolvin keerend,  sprak hij: “Zie, moeder, U hoeft niet te vrezen. Zij zullen U geen kwaad doen, nu U uw zoon weergevonden hebt om U te beschermen. Kom elke dag met mijn broeders aan mijn tafel, en ik zal met U en de uwen mijn voedsel delen,  zoals U dat zo menigmaal hebt gedeeld met mij.”

En zo gebeurde het.

Zolang zij leefde bracht de wolfsmoeder elke dag haar vier kinde­ren naar het bisschoppelijk paleis, en huilde zolang aan de poort, totdat de wachters haar binnenlieten. En elke dag opnieuw werd hun de poort opengedaan en werd het vijftal  naar de eet­zaal gebracht, waar Elvius aan het hoofd van de tafel gezeten was met de vijf familieleden. En daar met haar vijf geliefde kinderen in een halve cirkel om zich heen, at de wolfsmoeder van de spijzen, die de vrien­den van de bisschop voor hen bereid hadden. Maar het kind, dat zij het meest liefhad, was niet een van de vier, die met hun hari­ge vacht en fijne baarden op haar geleken, maar was de Heilige met de vriendelijke blauwe ogen, gekleed in zijn purper en wit kleed, aan het hoofd van de tafel.

Sint-Elvius beschouwde haar geheel als zijn moeder en zijn broe­ders,  en vergenoegd glimlachte hij, terwijl hij daar zo te midden van hen gezeten was, en hij voelde zich zéér gelukkig.

Uit: ‘Een boek van heiligen en hun dieren

2e klas vertelstof: alle artikelen 

760
Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.