VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie- warmte (11-1)

ORGANISCHE EIGENWARMTE ALS ONTWIKKELINGSGANG

De warmte bij mens en dier
Wij mensen zijn van nature warmtewezens. De warmte geeft ons zonder meer een gevoel van welzijn, dat ons zo doordringt en doorstroomt, dat we nauwe­lijks kunnen onderscheiden, waar het een vermogen van het lichaam en waar een vermogen van de ziel is. Wanneer men spreekt over de warmte van een medemens, dan bedoelt niemand diens lichaamstemperatuur, maar iets dat niet lichamelijk is en dat niet beter omschreven kan worden dan met het woord warmte. En toch is het merkwaardige daaraan, dat beide kanten van de warmte nauwelijks te scheiden zijn. De ,,nestwarmte”, die ieder kind nodig heeft, be­staat even goed uit warm voedsel, kleding en woning, als in de psychische
ge­borgenheid van de atmosfeer in het gezin. De zuigeling ondergaat beide
on­gescheiden in de armen van de moeder; ja zelfs zijn in iedere omarming van een geliefd mens zielenwarmte en levenswarmte één.

warmte 1

het kind heeft ‘nestwarmte’ nodig, d.w.z. levens- en zielenwarmte inéén

We kunnen dit geheim van de menselijke warmte tegenwoordig ook langs natuurwetenschappelijke weg naderbij komen. Daartoe willen we in het hierna volgende iets over de veelvuldige wijze waarop leven en warmte verbonden zijn, beschrijven. Daarbij kan een eenvoudige uiteenzetting reeds veelzeggend zijn, omdat de natuur tegenwoordig toch openligt voor onze blik.

Leven is mogelijk, waar een afgewogen maat aan warmte aanwezig is. Waarom is dit juist op aarde zo? Omdat ze zelf al een eigen warmte-omhulling heeft. Waar — zoals op de maan — de straling van de zon onmiddellijk op de naakte bodem kaatst, zijn er alleen uiterst hete (+ 150°C) en — wanneer de zon afge­keerd is — bijkans op slag uiterst lage temperaturen (— 150°C). Op de aarde worden door lucht- en wateromhulling, de atmo- en hydrosfeer, de tegenstel­lingen minder scherp. Reeds in de bovenste luchtlagen worden de hoogte- en ultraviolette stralen, die voor het leven te rijk aan energie zijn, voor het grootste deel opgevangen en in warmte omgevormd. In de onderste atmosfeer is het het weer dat onophoudelijk voor een evenwicht tussen de dag- en nachttemperaturen, zomerhitte en winterkou, tussen land en zee en alle klimaatzones zorgt. Het is vooral het water, dat in de wisseling van zijn toestand voortdurend een teveel aan warmte opzamelt en hier of daar weer vrijmaakt, waar het landschap teveel afkoelt. De geweldige watermassa’s van al het zoet- en zout water zijn de grootste warmtestabilisatoren, omdat het water een bijzonder hoog vermo­gen heeft om warmte vast te houden (specifieke warmte). De oceanen b.v. slokken overal waar de zon schijnt, geweldige hoeveelheden warmte op, en bewaren die nog lang, ook gedurende de koude jaargetijden en in de buurt van de polen — een onvervangbare hulp voor het leven op de aarde. Ontelbare zee-organismen leven zo in een omgeving met een verbazingwek­kend gelijkblijvend temperatuur. Voor 90 procent daarvan daalt de tempera­tuur nooit onder 9°C. en komt nooit boven 19°C. Deze toestand wordt klaar­blijkelijk niet door de levensprocessen van deze zeedieren zelf tot stand ge­bracht maar komt hun eenvoudig tegemoet vanuit de omgevende warmte. Hun warmte-organisme is identiek met dat van de zee.

Nu hoort het tot de merkwaardigste feiten van de evolutie, dat vele dieren de geborgenheid in de warmte-omhulling van het water verlaten hebben en nu op het land in vergelijking daarmee aan veel grotere temperatuurschommelingen zijn blootgesteld. Dergelijke dieren met wisselende warmte, zoals b.v. een sprinkhaan of een vlinder, kunnen slechts bij een hogere warmtegraad actief zijn; bij een lagere geraken ze in een verstijving door de koude en moeten alle eigen activiteit opgeven.

Maar we hebben hier reeds te maken met het eerste vermogen van een eigen actief evenwicht: vele insecten zoeken door een passende verandering van omgeving de voor hen verdragelijke temperatuur op. Een kever kruipt bij een te hete zon weg in koele aardspleten en zoekt bij grotere afkoeling weer war­mere plaatsen op. De sociaal levende insecten gedragen zich zelfstandiger. Ze kunnen weliswaar nog niet de warmteverhoudingen in hun kleine lichamen beïnvloeden, maar wel die in hun onmiddellijke omgeving. Vele termieten in tropische landen bouwen in een Noord-Zuid richting staande kompasnesten, die dus bij de gloeiende zon in de middag op de smalste kant beschenen worden, waardoor ze de kleinste bestralingsvlakte aan de zon blootstellen, ’s Morgens en ’s avonds, bij de lagere zoninstraling van Oosten en Westen neemt de brede kant van het nest de geringere warmte ten volle op. Onze rode bosmier regelt de warmte in haar grote naaldhopen zo, dat bij overmatige hitte de ingangen verwijd worden om meer verdamping en daarmee meer verdampingskoude tot stand te brengen; bij afkoeling worden ze gesloten. Zo wordt op een diepte van 15 tot 50 cm de hele zomer door steeds een temperatuur tussen 23 en 29°C aangehouden. Alleen in de winter raken al onze mieren in een verstarring, diep in de aarde in vorstvrije bijzondere overwinteringsnesten. Maar zelfs tegen de vorst vinden we onder de insecten reeds een eerste regu­leringsmogelijkheid, en wel bij de honingbij. Wanneer de warmte in de bijen­korf onder 13°C. zakt, dan klitten alle inwoners samen tot een nauw aaneen­gesloten „wintervolk”. Op die manier hebben de meest binnenin zittende bijen het nog het warmst. Zakt de temperatuur nog lager, dan worden de bijen aan de oppervlakte onrustig, trachten in het binnenste van de tros door te dringen en brengen het bijenvolk zodanig in rep en roer, dat de bijen zich nu allemaal bewegen, met de vleugels slaan en honing opnemen, die door de be­weging tot warmte verbrand wordt. Op die manier stijgt de temperatuur van de korf tot 25°C. en wordt dan weer langzaam lager, totdat de zelfverwarming van de aan de oppervlakte zittende bijen weer wordt opgewekt. Gedurende de zo­mer wordt de nesttemperatuur binnen nog engere grenzen geregeld, nl. tussen 34 en 36° C. Bij koel weer kruipen de werkbijen op de broedcellen dicht bijeen en verwarmen deze. Dreigt het weer te warm te worden, dan wordt er veel frisse lucht naar binnen gewaaierd. Dan staan er een paar dieren aan de korfopening en ventileren met snorrende vleugels en omhooggeheven achter­lichaam; daarbij wordt er ook water naar binnen gebracht, over de honingraten uitgespuwd, zeer dun uitgebreid en tot verdamping gebracht. Al het werk ver­loopt zonder dat ze het geleerd hebben, op een instinctief en harmonisch op elkaar afgestemde manier. De honingbij beschikt dus over de meest volkomen zelf-functionerende warmteregulatie onder de ongewervelde lagere dieren.
In het rijk van de hogere, de gewervelde dieren, herhaalt zich de hele ontwik­kelingsweg van de warmte van buitenaf tot aan de eigen warmte nogmaals, zij het ook met nieuwe accenten. De vissen zijn nog zonder hun toedoen door het water beschermd tegen sterke temperatuurdaling of -stijging. De padden die aan land komen, kunnen weliswaar het vochtige milieu nog niet missen, maar stellen zich toch meer bloot aan de uiterlijke en daarmee aan de eigenwarmte­wisseling; maar vele van onze kikvorsen overwinteren nog op de grond van hun vijver. Zeer wisselend van warmte zijn dan de kruipende dieren zoals de hage­dissen, slangen en schildpadden. Zij kunnen slechts door geringe wisseling van omgeving in bescheiden omvang temperatuurtegenstellingen compenseren. B.v. zijn onze hagedissen in de hitte hoogst bewegelijk, ze worden echter reeds in de avondkoelte, bij regenweer en pas goed bij winterse koude traag en
on­onbewegelijk. Alleen de grootste slangen, de tropische reuzenslangen, verto­nen eerste kenmerken van eigen warmte: de wijfjes leggen hun lange lichaam in dichte kronkels om de perkamentachtige eieren en maken ze warmer dan de temperatuur van de omgeving.
Het zijn pas de vogels die in staat zijn het eigen organisme zodanig te reguleren wat temperatuur betreft, dat ze voortdurend de eigen warmte vormen en onbeïnvloed door de schommelingen van het milieu, de eigen lichaamstemperatuur relatief goed in stand kunnen houden. Kleine vogels (winterkoninkje 41,8°C.) zijn meestal warmer dan de grote (struisvogel 37,4°C).

De hoogst ontwikkelde dieren, de zoogdieren, beschikken meestal ook over een zichzelf regulerend, eigen warmte-organisme. Ze herhalen echter binnen de eigen soort nog een derde keer de gehele ontwikkelingsgang op hun ma­nier. Het primitiefste levende zoogdier is het vogelbekdier in Australië; het legt nog eieren met een schaal, maar zoogt reeds de daaruit komende jongen. Zijn warmtehuishouden is nog niet volledig gestabiliseerd. Het leeft in nauw ver­band met het water, waarin het ook zijn voedsel zoekt en bouwt ook holen in de aarde van de oever, waarin evenwichtige temperaturen heersen. De hun na staande snavelegels zijn echte landdieren, die in het koude jaargetijde van Zud-Australië nog bijna als kruipende dieren in de afkoelende winterverstarring vervallen. Op een dergelijke manier zijn alle vleermuizen wisselend van warm­te. Ze koelen in de winterslaap zonder dat dit hun schaadt tot aan het vriespunt af. Warm worden ze door de warmte van de omgeving en door de eigen be­weging, vooral bij het vliegen; in rust daalt hun lichaamswarmte onmiddellijk. Ze kennen geen echte warmteregulering. Een paar andere kleine zoogdieren, zoals de egel, de zevenslaper en de hazelmuis zijn ook in het winterhalfjaar wisselend van warmte en koelen tijdens de winterslaap sterk af; ze kunnen echter gedurende de zomer de eigen warmte reeds regelen. De meeste zoog­dieren echter, vooral alle hoger staande, bereiken opnieuw de volle zelfstan­digheid van de warmtehuishouding, die dan tot een autonoom, van de omge­ving volledig onafhankelijk geworden warmte-organisme wordt. Het meest stabiel wat betreft de temperatuur zijn de roofdieren, het paard en de mens.

We trachten hierbij niet anders te doen dan in de dierenwereld waar te nemen, hoe leven en warmte samen horen en zien dan hoe de ontwikkeling tot een organische eigen warmte in drie etappes plaatsvindt, die telkens de levens­processen iets meer van de toestand in de omgeving emanciperen.

Voltrekt dit proces van het zich emanciperen zich echter niet bij de ontwikkeling van iedere mens steeds weer opnieuw? Voor de geboorte is het wordende menselijke lichaam nog geheel doordrongen met de gelijkmatige omgevende warmte van het vruchtwater. Bij de geboorte wordt dan de koelte van de atmosferische lucht ervaren. Bij kinderen die te vroeg geboren worden is de eigen warmtevorming en -regulatie weliswaar reeds aanwezig, maar nog niet geheel en al werkzaam: de huid is nog te rijk aan water, dampt teveel uit en is nog niet genoeg voorzien van een vetlaag. Ook het normaal geboren kind is nog zeer labiel wat de temperatuur betreft, maar de regulering komt in een paar weken snel tot stand. Bij het eenjarige kind bedraagt de dagelijkse variatie van temperatuur nog bijna 2 graden en wordt pas in de loop van het tweede levensjaar verminderd tot op de uiteindelijke waarde van 1,4 graden bij het mannelijke en 1,2 graden bij het vrouwelijke geslacht. Ons zo bijzonder gestabiliseerde warmteproces verhindert afkoeling door bibberen (warmtevorming!) en bewegings­beperking. Onze uiterste temperatuurgrenzen liggen bij 24-26 en 44-45°C. Daaronder en daarboven is geen menselijk leven mogelijk.

We hebben een grote hoeveelheid feiten uit de natuur opgesomd. Het was daarbij steeds de vraag, hoe leven en warmte bij dier en mens met elkander samenhangen. En op een viervoudige wijze kregen we steeds hetzelfde ant­woord: bezielde wezens hebben een bepaalde graad van min of meer sta­biele warmte nodig. Eerst wordt hun dit evenwicht eenvoudig als een geschenk tot beschikking gesteld. In de geborgenheid van de omgevende warmte-omhulling gedijt de aanvang van al het leven, dat zich eenmaal zelfstandig zal maken.
Bij de volgende schrede wordt deze omhulling doorbroken en achtergelaten en nu moeten de drastisch werkende onregelmatigheden van de omgevende wereld verwerkt en trap voor trap in evenwicht gebracht worden. Dan echter wordt tenslotte weer een nieuw warmte-evenwicht bereikt. Deze warmte wordt niet meer van buitenaf betrokken, maar moet voortdurend zelf gevormd en gereguleerd worden tegenover de invloeden van de omgeving. Afhankelijk­heid van de omgeving ging telkens weer door „crises” over in zelfstandigheid. Bijen, vogels, de hogere zoogdieren en de mens verwerkelijkten steeds beter deze biologische emancipatie tegenover de dwang van de uiterlijke wisselin­gen.

De mens kan zich — door de traditie van de cultuur en door de techniek — van het natuurlijk gegevene in zoverre van de warmte bevrijden, dat hij zelfs op de maan kan rondlopen. En staat niet reeds de biologische emancipatie van zijn warmte-organisme in een reële samenhang met de grootste behoefte van de moderne mens aan zelfbeschikking?

Is niet de drang vanuit de z i e l naar vrijheid, zelfverwerkelijking en autonomie ten opzichte van elke manipulatie iets dergelijks als de ontwikkelingen, die dit proces reeds op het biologische lichamelijke gebied doorliep? Door het feit dat we zelfwerkzame warmbloedige mensen zijn, kunnen wij ook wezens worden, die zich steeds meer op geestelijk gebied zouden kunnen bevrijden.
.

Wolfgang Schad (bioloog), Weledaberichten 95, dec.1972)
.

warmte:  [2]   [3]

Menskunde- en pedagogie: alle artikelen

antroposofisch leven: warmte

761
Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie- warmte (11-1)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-2) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.