Tagarchief: bijen

VRIJESCHOOL – Dierkunde

.

Jan Graafland*, Stroom*, jrg.2 okt.2006

Bijen nabeeld

Een bijenzwerm is neergestreken in een Sleedoornstruik. De donkere beweeglijke klont van 25.000 bijen begint meteen met het bouwen van raten. Deze worden gefabriceerd met de was die door de bijen wordt uitgezweet. Bijen vliegen af en aan, op zoek naar nectar en stuifmeel. Het is een gonzende drukte om de donkere bol. Echter, de herfst is al ingevallen. De nachten worden snel kouder. Omdat de bijen verzuimd hebben een omhullend onderkomen te zoeken, zoals een holle boom, voltrekt zich een drama. De kou vreet het bijenvolk van buitenaf aan. De bijen die zich opofferen als omhulling voor de buitenste lagen van het volk, sterven het eerst de koudedood. Zo vallen met de dagen steeds weer nieuwe lagen af, waardoor het bijenvolk steeds kleiner wordt, totdat de kou de koningin heeft bereikt en ook zij eraan moet geloven. Wat overblijft, is een bouwwerk, groter dan een voetbal en goudgeel van kleur: werkelijk een ruimtelijk kunstobject. Als een stralende bol hangt het in de donkere struiken.

Opvallend is dat na het sterven van de donkere bijenzwerm een haast lichtend bouwwerk is overgebleven. De was waaruit het bestaat is, net als honing, een product uit de warmte van de bijen. Een bijenvolk handhaaft een temperatuur die ongeveer gelijk is aan de menselijke lichaamstemperatuur. De producten die hieruit ontstaan zijn helend voor het menselijk organisme. Zo wordt bijengif onder andere gebruikt bij reumatische klachten en honing heeft een uitstekende beschermende en antiseptische werking op open wonden. De warmte uit de bijenwas laten wij graag als kaarsjes branden. Tenslotte is er nog de propolis, wat de bijen als een soort afdichtkit gebruiken. Dit wordt onder andere gebruikt bij keelklachten.

In de lijn van de natuurverschijnselen zijn de bijen de brengers van warmte. Ik ervaar dat als volgt: de aarde draagt ons. De mineralen van de aarde dienen de plant tot voeding. De plant voegt de levensprocessen toe en groeit naar de zon. Zijn hoogste bereik is de bloeiende bloem, gevuld met nectar. De bloem groeit door de warmte van de zon, maar kan deze warmte niet verinnerlijken. De bij herkent in de bloem echter wel het uiterlijke beeld van de zon. Daardoor wordt de bij naar de bloem gebracht. De herkenning is compleet als blijkt dat bijvoorbeeld de bloem van de Rozemarijn een inwendige vorm heeft die precies past om het lichaampje van de bij. Waar de bloem ophoudt te bestaan, draagt de bij de natuur weer iets verder. De bij draagt de natuurprocessen binnen in het bereik van de warmte en is daarmee een zonnewezen, nog meer dan de bloem. Deze tot zonnemacht opgedreven aardekracht dient de mens tot genezing.

 

*Jan Graafland verzorgt al twintig jaar de biodynamische Weledatuin met medicinale planten en bijenvolken in Zoetermeer. Waarneming is wel zijn belangrijkste tuingereedschap.

**Stroom: uitgave van Antroposana.
Het tijdschrift is inmiddels omgedoopt totIta‘.

.

1778

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie- warmte (11-1)

ORGANISCHE EIGENWARMTE ALS ONTWIKKELINGSGANG

De warmte bij mens en dier
Wij mensen zijn van nature warmtewezens. De warmte geeft ons zonder meer een gevoel van welzijn, dat ons zo doordringt en doorstroomt, dat we nauwe­lijks kunnen onderscheiden, waar het een vermogen van het lichaam en waar een vermogen van de ziel is. Wanneer men spreekt over de warmte van een medemens, dan bedoelt niemand diens lichaamstemperatuur, maar iets dat niet lichamelijk is en dat niet beter omschreven kan worden dan met het woord warmte. En toch is het merkwaardige daaraan, dat beide kanten van de warmte nauwelijks te scheiden zijn. De ,,nestwarmte”, die ieder kind nodig heeft, be­staat even goed uit warm voedsel, kleding en woning, als in de psychische
ge­borgenheid van de atmosfeer in het gezin. De zuigeling ondergaat beide
on­gescheiden in de armen van de moeder; ja zelfs zijn in iedere omarming van een geliefd mens zielenwarmte en levenswarmte één.

warmte 1

het kind heeft ‘nestwarmte’ nodig, d.w.z. levens- en zielenwarmte inéén

We kunnen dit geheim van de menselijke warmte tegenwoordig ook langs natuurwetenschappelijke weg naderbij komen. Daartoe willen we in het hierna volgende iets over de veelvuldige wijze waarop leven en warmte verbonden zijn, beschrijven. Daarbij kan een eenvoudige uiteenzetting reeds veelzeggend zijn, omdat de natuur tegenwoordig toch openligt voor onze blik.

Leven is mogelijk, waar een afgewogen maat aan warmte aanwezig is. Waarom is dit juist op aarde zo? Omdat ze zelf al een eigen warmte-omhulling heeft. Waar — zoals op de maan — de straling van de zon onmiddellijk op de naakte bodem kaatst, zijn er alleen uiterst hete (+ 150°C) en — wanneer de zon afge­keerd is — bijkans op slag uiterst lage temperaturen (— 150°C). Op de aarde worden door lucht- en wateromhulling, de atmo- en hydrosfeer, de tegenstel­lingen minder scherp. Reeds in de bovenste luchtlagen worden de hoogte- en ultraviolette stralen, die voor het leven te rijk aan energie zijn, voor het grootste deel opgevangen en in warmte omgevormd. In de onderste atmosfeer is het het weer dat onophoudelijk voor een evenwicht tussen de dag- en nachttemperaturen, zomerhitte en winterkou, tussen land en zee en alle klimaatzones zorgt. Het is vooral het water, dat in de wisseling van zijn toestand voortdurend een teveel aan warmte opzamelt en hier of daar weer vrijmaakt, waar het landschap teveel afkoelt. De geweldige watermassa’s van al het zoet- en zout water zijn de grootste warmtestabilisatoren, omdat het water een bijzonder hoog vermo­gen heeft om warmte vast te houden (specifieke warmte). De oceanen b.v. slokken overal waar de zon schijnt, geweldige hoeveelheden warmte op, en bewaren die nog lang, ook gedurende de koude jaargetijden en in de buurt van de polen — een onvervangbare hulp voor het leven op de aarde. Ontelbare zee-organismen leven zo in een omgeving met een verbazingwek­kend gelijkblijvend temperatuur. Voor 90 procent daarvan daalt de tempera­tuur nooit onder 9°C. en komt nooit boven 19°C. Deze toestand wordt klaar­blijkelijk niet door de levensprocessen van deze zeedieren zelf tot stand ge­bracht maar komt hun eenvoudig tegemoet vanuit de omgevende warmte. Hun warmte-organisme is identiek met dat van de zee.

Nu hoort het tot de merkwaardigste feiten van de evolutie, dat vele dieren de geborgenheid in de warmte-omhulling van het water verlaten hebben en nu op het land in vergelijking daarmee aan veel grotere temperatuurschommelingen zijn blootgesteld. Dergelijke dieren met wisselende warmte, zoals b.v. een sprinkhaan of een vlinder, kunnen slechts bij een hogere warmtegraad actief zijn; bij een lagere geraken ze in een verstijving door de koude en moeten alle eigen activiteit opgeven.

Maar we hebben hier reeds te maken met het eerste vermogen van een eigen actief evenwicht: vele insecten zoeken door een passende verandering van omgeving de voor hen verdragelijke temperatuur op. Een kever kruipt bij een te hete zon weg in koele aardspleten en zoekt bij grotere afkoeling weer war­mere plaatsen op. De sociaal levende insecten gedragen zich zelfstandiger. Ze kunnen weliswaar nog niet de warmteverhoudingen in hun kleine lichamen beïnvloeden, maar wel die in hun onmiddellijke omgeving. Vele termieten in tropische landen bouwen in een Noord-Zuid richting staande kompasnesten, die dus bij de gloeiende zon in de middag op de smalste kant beschenen worden, waardoor ze de kleinste bestralingsvlakte aan de zon blootstellen, ’s Morgens en ’s avonds, bij de lagere zoninstraling van Oosten en Westen neemt de brede kant van het nest de geringere warmte ten volle op. Onze rode bosmier regelt de warmte in haar grote naaldhopen zo, dat bij overmatige hitte de ingangen verwijd worden om meer verdamping en daarmee meer verdampingskoude tot stand te brengen; bij afkoeling worden ze gesloten. Zo wordt op een diepte van 15 tot 50 cm de hele zomer door steeds een temperatuur tussen 23 en 29°C aangehouden. Alleen in de winter raken al onze mieren in een verstarring, diep in de aarde in vorstvrije bijzondere overwinteringsnesten. Maar zelfs tegen de vorst vinden we onder de insecten reeds een eerste regu­leringsmogelijkheid, en wel bij de honingbij. Wanneer de warmte in de bijen­korf onder 13°C. zakt, dan klitten alle inwoners samen tot een nauw aaneen­gesloten „wintervolk”. Op die manier hebben de meest binnenin zittende bijen het nog het warmst. Zakt de temperatuur nog lager, dan worden de bijen aan de oppervlakte onrustig, trachten in het binnenste van de tros door te dringen en brengen het bijenvolk zodanig in rep en roer, dat de bijen zich nu allemaal bewegen, met de vleugels slaan en honing opnemen, die door de be­weging tot warmte verbrand wordt. Op die manier stijgt de temperatuur van de korf tot 25°C. en wordt dan weer langzaam lager, totdat de zelfverwarming van de aan de oppervlakte zittende bijen weer wordt opgewekt. Gedurende de zo­mer wordt de nesttemperatuur binnen nog engere grenzen geregeld, nl. tussen 34 en 36° C. Bij koel weer kruipen de werkbijen op de broedcellen dicht bijeen en verwarmen deze. Dreigt het weer te warm te worden, dan wordt er veel frisse lucht naar binnen gewaaierd. Dan staan er een paar dieren aan de korfopening en ventileren met snorrende vleugels en omhooggeheven achter­lichaam; daarbij wordt er ook water naar binnen gebracht, over de honingraten uitgespuwd, zeer dun uitgebreid en tot verdamping gebracht. Al het werk ver­loopt zonder dat ze het geleerd hebben, op een instinctief en harmonisch op elkaar afgestemde manier. De honingbij beschikt dus over de meest volkomen zelf-functionerende warmteregulatie onder de ongewervelde lagere dieren.
In het rijk van de hogere, de gewervelde dieren, herhaalt zich de hele ontwik­kelingsweg van de warmte van buitenaf tot aan de eigen warmte nogmaals, zij het ook met nieuwe accenten. De vissen zijn nog zonder hun toedoen door het water beschermd tegen sterke temperatuurdaling of -stijging. De padden die aan land komen, kunnen weliswaar het vochtige milieu nog niet missen, maar stellen zich toch meer bloot aan de uiterlijke en daarmee aan de eigenwarmte­wisseling; maar vele van onze kikvorsen overwinteren nog op de grond van hun vijver. Zeer wisselend van warmte zijn dan de kruipende dieren zoals de hage­dissen, slangen en schildpadden. Zij kunnen slechts door geringe wisseling van omgeving in bescheiden omvang temperatuurtegenstellingen compenseren. B.v. zijn onze hagedissen in de hitte hoogst bewegelijk, ze worden echter reeds in de avondkoelte, bij regenweer en pas goed bij winterse koude traag en
on­onbewegelijk. Alleen de grootste slangen, de tropische reuzenslangen, verto­nen eerste kenmerken van eigen warmte: de wijfjes leggen hun lange lichaam in dichte kronkels om de perkamentachtige eieren en maken ze warmer dan de temperatuur van de omgeving.
Het zijn pas de vogels die in staat zijn het eigen organisme zodanig te reguleren wat temperatuur betreft, dat ze voortdurend de eigen warmte vormen en onbeïnvloed door de schommelingen van het milieu, de eigen lichaamstemperatuur relatief goed in stand kunnen houden. Kleine vogels (winterkoninkje 41,8°C.) zijn meestal warmer dan de grote (struisvogel 37,4°C).

De hoogst ontwikkelde dieren, de zoogdieren, beschikken meestal ook over een zichzelf regulerend, eigen warmte-organisme. Ze herhalen echter binnen de eigen soort nog een derde keer de gehele ontwikkelingsgang op hun ma­nier. Het primitiefste levende zoogdier is het vogelbekdier in Australië; het legt nog eieren met een schaal, maar zoogt reeds de daaruit komende jongen. Zijn warmtehuishouden is nog niet volledig gestabiliseerd. Het leeft in nauw ver­band met het water, waarin het ook zijn voedsel zoekt en bouwt ook holen in de aarde van de oever, waarin evenwichtige temperaturen heersen. De hun na staande snavelegels zijn echte landdieren, die in het koude jaargetijde van Zud-Australië nog bijna als kruipende dieren in de afkoelende winterverstarring vervallen. Op een dergelijke manier zijn alle vleermuizen wisselend van warm­te. Ze koelen in de winterslaap zonder dat dit hun schaadt tot aan het vriespunt af. Warm worden ze door de warmte van de omgeving en door de eigen be­weging, vooral bij het vliegen; in rust daalt hun lichaamswarmte onmiddellijk. Ze kennen geen echte warmteregulering. Een paar andere kleine zoogdieren, zoals de egel, de zevenslaper en de hazelmuis zijn ook in het winterhalfjaar wisselend van warmte en koelen tijdens de winterslaap sterk af; ze kunnen echter gedurende de zomer de eigen warmte reeds regelen. De meeste zoog­dieren echter, vooral alle hoger staande, bereiken opnieuw de volle zelfstan­digheid van de warmtehuishouding, die dan tot een autonoom, van de omge­ving volledig onafhankelijk geworden warmte-organisme wordt. Het meest stabiel wat betreft de temperatuur zijn de roofdieren, het paard en de mens.

We trachten hierbij niet anders te doen dan in de dierenwereld waar te nemen, hoe leven en warmte samen horen en zien dan hoe de ontwikkeling tot een organische eigen warmte in drie etappes plaatsvindt, die telkens de levens­processen iets meer van de toestand in de omgeving emanciperen.

Voltrekt dit proces van het zich emanciperen zich echter niet bij de ontwikkeling van iedere mens steeds weer opnieuw? Voor de geboorte is het wordende menselijke lichaam nog geheel doordrongen met de gelijkmatige omgevende warmte van het vruchtwater. Bij de geboorte wordt dan de koelte van de atmosferische lucht ervaren. Bij kinderen die te vroeg geboren worden is de eigen warmtevorming en -regulatie weliswaar reeds aanwezig, maar nog niet geheel en al werkzaam: de huid is nog te rijk aan water, dampt teveel uit en is nog niet genoeg voorzien van een vetlaag. Ook het normaal geboren kind is nog zeer labiel wat de temperatuur betreft, maar de regulering komt in een paar weken snel tot stand. Bij het eenjarige kind bedraagt de dagelijkse variatie van temperatuur nog bijna 2 graden en wordt pas in de loop van het tweede levensjaar verminderd tot op de uiteindelijke waarde van 1,4 graden bij het mannelijke en 1,2 graden bij het vrouwelijke geslacht. Ons zo bijzonder gestabiliseerde warmteproces verhindert afkoeling door bibberen (warmtevorming!) en bewegings­beperking. Onze uiterste temperatuurgrenzen liggen bij 24-26 en 44-45°C. Daaronder en daarboven is geen menselijk leven mogelijk.

We hebben een grote hoeveelheid feiten uit de natuur opgesomd. Het was daarbij steeds de vraag, hoe leven en warmte bij dier en mens met elkander samenhangen. En op een viervoudige wijze kregen we steeds hetzelfde ant­woord: bezielde wezens hebben een bepaalde graad van min of meer sta­biele warmte nodig. Eerst wordt hun dit evenwicht eenvoudig als een geschenk tot beschikking gesteld. In de geborgenheid van de omgevende warmte-omhulling gedijt de aanvang van al het leven, dat zich eenmaal zelfstandig zal maken.
Bij de volgende schrede wordt deze omhulling doorbroken en achtergelaten en nu moeten de drastisch werkende onregelmatigheden van de omgevende wereld verwerkt en trap voor trap in evenwicht gebracht worden. Dan echter wordt tenslotte weer een nieuw warmte-evenwicht bereikt. Deze warmte wordt niet meer van buitenaf betrokken, maar moet voortdurend zelf gevormd en gereguleerd worden tegenover de invloeden van de omgeving. Afhankelijk­heid van de omgeving ging telkens weer door „crises” over in zelfstandigheid. Bijen, vogels, de hogere zoogdieren en de mens verwerkelijkten steeds beter deze biologische emancipatie tegenover de dwang van de uiterlijke wisselin­gen.

De mens kan zich — door de traditie van de cultuur en door de techniek — van het natuurlijk gegevene in zoverre van de warmte bevrijden, dat hij zelfs op de maan kan rondlopen. En staat niet reeds de biologische emancipatie van zijn warmte-organisme in een reële samenhang met de grootste behoefte van de moderne mens aan zelfbeschikking?

Is niet de drang vanuit de z i e l naar vrijheid, zelfverwerkelijking en autonomie ten opzichte van elke manipulatie iets dergelijks als de ontwikkelingen, die dit proces reeds op het biologische lichamelijke gebied doorliep? Door het feit dat we zelfwerkzame warmbloedige mensen zijn, kunnen wij ook wezens worden, die zich steeds meer op geestelijk gebied zouden kunnen bevrijden.
.

Wolfgang Schad (bioloog), Weledaberichten 95, dec.1972)
.

warmte:  [2]   [3]

Menskunde- en pedagogie: alle artikelen

antroposofisch leven: warmte

761

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis ( 10)

.

DE BIJENSTAAT EN HET KERSTGEBEUREN

In de insectenwereld nemen de zoge­naamd sociaal levende insecten (bijen, hommels, wespen, mieren en termie­ten) als groep een heel bijzondere plaats in.

Elk individu vormt een deel van een samenlevingsvorm, die slechts als geheel kan bestaan. Binnen deze groep nemen de bijen wel een héél bijzondere plaats in. Hun samenleving is strikt gebonden aan een streng wetmatige drieledig­heid: een koningin, duizenden werk­sters (50 – 60.000) en enkele honderden darren.

Het bijenvolk, zoals wij het heden ten dage kennen, is de vrucht van eeuwen lange domesticering. De bijenteelt werd al 5000 jaar geleden door de Egyptenaren beoefend. Gedurende de middel­eeuwen stond zij in hoog aanzien in West-Europa.

Immers, honing was het enige zoetmiddel. Zowel de kerkelijke als de wereld­lijke heren hadden altijd meerdere im­kers in dienst, om kerkruimten en burchtzalen van kaarsen te voorzien. Heden ten dage is de imkerij als beroep nagenoeg verdwenen, maar de interesse in deze boeiende samenleving zeker niet.

Volgen we dit wonderbaarlijke bijenorganisme in zijn activiteiten door de vier jaargetijden heen, dan zien we in het vroege voorjaar, wanneer de lente de eerste lover en bloemenpracht tot ontwikkeling laat komen, een grote bedrijvigheid voor een kast of korf. De bijen zijn met hun reinigingsvlucht be­zig en brengen al de eerste stuifmeelkorrels (bijvoorbeeld van wilg, krokus) en wat nectar naar hun woning. De koningin begint, na haar winterrustperiode weer aan de vernieuwing en op­bouw van haar volk, bijgestaan door de werksters die haar de winter door trouw gebleven zijn. Eitje voor eitje wordt in de zeshoekige cellen gedepo­neerd en bij een temperatuur van 35° C opgekweekt. Na 21 dagen lopen de nieuwe werksters uit en zullen de oude gaan vervangen, die nu hun taak volbracht hebben en sterven.
Langzaam neemt de grootte, en daar­mee ook de activiteit van het volk toe. Tussen de werksters die zich vlijtig over hun raten bewegen, neemt men hier en daar ook darren waar. Deze on­beholpen, bedelende, dikke nietsnut­ten krijgen aan het begin van de zomer hun enige taak toegewezen: ze be­vruchten de jonge koninginnen, die elk voorjaar door het volk worden ge­kweekt ter vervanging van de oude. Deze oude koningin vliegt met een deel van het volk weg en zoekt een andere woning.

De nieuwe koningin zet het werk van de oude voort. Ze legt in het
hoogsei­zoen gemiddeld 2000 eieren per dag. Vlijtig vliegen de werksters in de zo­mermaanden op de zogenaamde drachtplanten en verzamelen de nectar en het stuifmeel voor broedsel en eigen ge­bruik. Gedurende deze tijd wordt te­vens een wintervoorraad aangelegd. Deze bestaat uit honing, die in een ein­deloos proces uit nectar  en kliersecreet bereid wordt.

Langzaam worden de dagen korter en koeler. De eerste najaarsstormen hui­len over de bijenbehuizing en het volk trekt zich uit de periferie (buitenwe­reld) in het centrum (behuizing) terug. De koningin legt nu bijna geen eitjes meer en het broednest verdwijnt. De darren, die hun taak gedurende de zo­mermaanden volbracht hebben wor­den nu onverbiddelijk uit het volk ge­stoten en sterven voor de kast. De eerste sneeuw daalt op aarde neer en bedekt alles met een glinsterend wit kleed. Dicht opeengedrongen, zacht pulserend gaat het bijenvolk de winter in.

Aanschouwen we het beeld van dit or­ganisme binnen de wanden van de be­huizing, dan valt het op dat de konin­gin altijd omgeven is door een aantal werksters, die haar gedienstig zijn. Het aantal is in het mooiste geval twaalf, nooit meer.

In de bedrijvige zomermaanden, wan­neer de koningin over de raten loopt, is deze hofhouding ongeordend om haar heen gegroepeerd. In het najaar neemt de activiteit van het hele bijen­organisme langzaam af en komt aan het begin van de winter tot rust. Was rond de Johannestijd het volk als totaliteit in een open, ontvangend gebaar naar de buitenwereld toe gericht, nu tegen de herfsttijd is het gebaar omhullend, van de buitenwereld afgekeerd. In het centrum van deze ronde vorm bevindt zich de koningin, die nu een regelmati­ge twaalfstralige ster van werksters om zich heen heeft staan. Het gevaar van naar buiten gericht leven in de zomer en naar binnen gekeerde rust in de winter, krijgt bij het waarnemen van dit stervormige beeld opeens meer inhoud. Men beleeft bij zichzelf niet al­leen deze zelfde beweging, maar wordt tevens bij het aanschouwen van deze twaalfstralige ster op een innerlijke houding gewezen: namelijk een hou­ding van naar binnen gekeerde rust. Een rust die nodig is om een inwen­dige ster, ontstaan door een uitwendig liefdevol benaderen van de wereld gedurende de lente-, zomer- en herfstmaanden, als een inwendige kracht in zichzelf te laten rijpen.

kerst bijen

(Gerard Copijn, Jonas 8/9, 15-12-1978)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

382-360

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.