VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis ( 10)

.

DE BIJENSTAAT EN HET KERSTGEBEUREN

In de insectenwereld nemen de zoge­naamd sociaal levende insecten (bijen, hommels, wespen, mieren en termie­ten) als groep een heel bijzondere plaats in.

Elk individu vormt een deel van een samenlevingsvorm, die slechts als geheel kan bestaan. Binnen deze groep nemen de bijen wel een héél bijzondere plaats in. Hun samenleving is strikt gebonden aan een streng wetmatige drieledig­heid: een koningin, duizenden werk­sters (50 – 60.000) en enkele honderden darren.

Het bijenvolk, zoals wij het heden ten dage kennen, is de vrucht van eeuwen lange domesticering. De bijenteelt werd al 5000 jaar geleden door de Egyptenaren beoefend. Gedurende de middel­eeuwen stond zij in hoog aanzien in West-Europa.

Immers, honing was het enige zoetmiddel. Zowel de kerkelijke als de wereld­lijke heren hadden altijd meerdere im­kers in dienst, om kerkruimten en burchtzalen van kaarsen te voorzien. Heden ten dage is de imkerij als beroep nagenoeg verdwenen, maar de interesse in deze boeiende samenleving zeker niet.

Volgen we dit wonderbaarlijke bijenorganisme in zijn activiteiten door de vier jaargetijden heen, dan zien we in het vroege voorjaar, wanneer de lente de eerste lover en bloemenpracht tot ontwikkeling laat komen, een grote bedrijvigheid voor een kast of korf. De bijen zijn met hun reinigingsvlucht be­zig en brengen al de eerste stuifmeelkorrels (bijvoorbeeld van wilg, krokus) en wat nectar naar hun woning. De koningin begint, na haar winterrustperiode weer aan de vernieuwing en op­bouw van haar volk, bijgestaan door de werksters die haar de winter door trouw gebleven zijn. Eitje voor eitje wordt in de zeshoekige cellen gedepo­neerd en bij een temperatuur van 35° C opgekweekt. Na 21 dagen lopen de nieuwe werksters uit en zullen de oude gaan vervangen, die nu hun taak volbracht hebben en sterven.
Langzaam neemt de grootte, en daar­mee ook de activiteit van het volk toe. Tussen de werksters die zich vlijtig over hun raten bewegen, neemt men hier en daar ook darren waar. Deze on­beholpen, bedelende, dikke nietsnut­ten krijgen aan het begin van de zomer hun enige taak toegewezen: ze be­vruchten de jonge koninginnen, die elk voorjaar door het volk worden ge­kweekt ter vervanging van de oude. Deze oude koningin vliegt met een deel van het volk weg en zoekt een andere woning.

De nieuwe koningin zet het werk van de oude voort. Ze legt in het
hoogsei­zoen gemiddeld 2000 eieren per dag. Vlijtig vliegen de werksters in de zo­mermaanden op de zogenaamde drachtplanten en verzamelen de nectar en het stuifmeel voor broedsel en eigen ge­bruik. Gedurende deze tijd wordt te­vens een wintervoorraad aangelegd. Deze bestaat uit honing, die in een ein­deloos proces uit nectar  en kliersecreet bereid wordt.

Langzaam worden de dagen korter en koeler. De eerste najaarsstormen hui­len over de bijenbehuizing en het volk trekt zich uit de periferie (buitenwe­reld) in het centrum (behuizing) terug. De koningin legt nu bijna geen eitjes meer en het broednest verdwijnt. De darren, die hun taak gedurende de zo­mermaanden volbracht hebben wor­den nu onverbiddelijk uit het volk ge­stoten en sterven voor de kast. De eerste sneeuw daalt op aarde neer en bedekt alles met een glinsterend wit kleed. Dicht opeengedrongen, zacht pulserend gaat het bijenvolk de winter in.

Aanschouwen we het beeld van dit or­ganisme binnen de wanden van de be­huizing, dan valt het op dat de konin­gin altijd omgeven is door een aantal werksters, die haar gedienstig zijn. Het aantal is in het mooiste geval twaalf, nooit meer.

In de bedrijvige zomermaanden, wan­neer de koningin over de raten loopt, is deze hofhouding ongeordend om haar heen gegroepeerd. In het najaar neemt de activiteit van het hele bijen­organisme langzaam af en komt aan het begin van de winter tot rust. Was rond de Johannestijd het volk als totaliteit in een open, ontvangend gebaar naar de buitenwereld toe gericht, nu tegen de herfsttijd is het gebaar omhullend, van de buitenwereld afgekeerd. In het centrum van deze ronde vorm bevindt zich de koningin, die nu een regelmati­ge twaalfstralige ster van werksters om zich heen heeft staan. Het gevaar van naar buiten gericht leven in de zomer en naar binnen gekeerde rust in de winter, krijgt bij het waarnemen van dit stervormige beeld opeens meer inhoud. Men beleeft bij zichzelf niet al­leen deze zelfde beweging, maar wordt tevens bij het aanschouwen van deze twaalfstralige ster op een innerlijke houding gewezen: namelijk een hou­ding van naar binnen gekeerde rust. Een rust die nodig is om een inwen­dige ster, ontstaan door een uitwendig liefdevol benaderen van de wereld gedurende de lente-, zomer- en herfstmaanden, als een inwendige kracht in zichzelf te laten rijpen.

kerst bijen

(Gerard Copijn, Jonas 8/9, 15-12-1978)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeldKerstmis     jaartafel

.

382-360

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis ( 10)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Kerstmis – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.