Tagarchief: warmte

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-2-3)

.

Er is op deze blog veel verschenen  over warmte.
We weten allen uit eigen ervaring hoe belangrijk warmte is voor ons fysieke welzijn, maar ook voor het mentale en psychische.
De tegenhanger is de kou, en die kan je, (maar ook jou) vatten.

.

Ineke van der Duijn Schouten en George Massain, huisarts, Weledaberichten nr.170 najaar 1996

.

Vat op kou
.

Verkoudheid: wc kennen de verschijnselen allemaal. Je bent rillerig, je neus zit verstopt of je snuit de ene na de andere zakdoek vol, je hebt een duf hoofd en hoewel je je niet echt ziek voelt, zou je het liefst onder de wol kruipen. De dokter haal je er meestal niet bij, want je weet dat het op de een of andere manier vanzelf weer over gaat. Er zijn ook mensen die bijna niet weten wat het is om verkouden te zijn. Zij lijken er immuun voor, terwijl anderen met een zekere regelmaat snipverkouden op de bank hangen, met een stapel zakdoeken binnen handbereik. Wat is zoiets alledaags als verkoudheid eigenlijk? Waarom krijgt de een het wel en de ander niet en wat kun je er aan doen?

Warmtemantel 

Het woord verkouden komt van het Middelnederlandse woord couden, wat ‘afkoelen’ betekent. Als je verkouden bent, ben je dus afgekoeld. Je kunt ook zeggen: je bent een en al kou. Dat klopt met het gevoel dat je hebt als de verkoudheid begint. Hoe hoog de verwarming ook staat, je hebt het ijskoud en je wordt niet warm. Dat komt doordat er iets aan de hand is met de ‘warmtemantel’. Zo’n warmtemantel hebben we allemaal. Hij beschermt ons tegen de kou, net zoals een gewone mantel dat doet. Zien kun je hem niet, maar je kunt hem wel voelen. Als iemand anders zijn arm op tafel legt en je houdt je hand er een paar centimeter boven, dan voel je na enkele ogenblikken een warmtestroom. Die warmtestroom kun je over het hele lichaam waarnemen. Een arts kan bij een lichamelijk onderzoek vaak heel goed aftasten op welke plek sprake is van een stoornis in die warmtestroom. Die plek straalt dan geen warmte uit. Er zit als het ware een gat in de warmtemantel, waardoor de kou van buiten naar binnen kan stromen en de eigen warmte ‘weglekt’.

Onbewoond

Waardoor kan zo’n gat in de warmtemantel ontstaan? Allereerst moet je je deze warmtemantel niet voorstellen als iets dat een vaste vorm heeft, maar als iets beweeglijks, iets dynamisch. Hij beweegt min of meer met ons mee en reageert op wat wij meemaken. Hij is nauw verbonden met ons ‘ik’, het deel van ons wezen waarmee we zelfsturend optreden en richting aan ons leven geven. Als je stevig in het zadel zit, de dingen die je doet overziet en je je fysiek ook goed voelt, kan de warmtemantel je van top tot teen omhullen. Maar als je voor je ogen een ongeluk ziet gebeuren en je schrikt je wild, dan trekt je ‘ik’ zich even terug: je bent er even niet meer bij. Tegelijkertijd ‘krimpt’ dan de warmtemantel, waardoor deze het lichaam niet meer volledig kan omsluiten.

Op zo’n moment kan de kou van buiten vat op je krijgen. De een reageert met een stijve nek of spit, een ander wordt verkouden. Wat gebeurt er in het laatste geval? Dan gaat de stofwisseling op volle toeren werken om het tekort aan warmte aan te vullen en het gat te dichten. Ook in de spieren vindt een verhoogde stofwisseling plaats: rillen of klappertanden is een extra activiteit van de spieren om warmte op te wekken. Van alle kanten worden er in het lichaam vuurtjes gestookt om het snel warm te maken. De verhoogde activiteit van de stofwisseling heeft tot gevolg dat ook de afscheidingsproducten toenemen. Met name via de slijmvliezen worden veel uitscheidingsproducten weggewerkt. Dat je neus vol zit met slijm als je verkouden bent is dus het gevolg van verkouden zijn en niet de oorzaak, zoals we meestal geneigd zijn te denken.

We noemden zojuist een hevige schrik als mogelijke aanleiding voor het ‘ik’ om zich terug te trekken. Veel vaker echter is de oorzaak minder heftig en komt hij van binnenuit. Oververmoeidheid of stress bijvoorbeeld kunnen maken dat het ‘ik’ geen heer en meester meer is over het hele lichaam. Bepaalde gedeeltes raken dan ‘onbewoond’ en worden koud. Vaak zijn dat de uiteinden van het lichaam, dus de handen en vooral de voeten. Ook als je buiten jezelf raakt van woede kan de warmtehuishouding worden verstoord.

Grens

Hoe kun je voorkomen dat je verkouden wordt? Uit het bovenstaande is duidelijk geworden dat zaken als stress en jezelf kwijt raken raken van invloed zijn op de warmtehuishouding. Het is dus belangrijk ervoor te zorgen dat je niet uitgeput raakt. Wanneer die grens bereikt is, is voor iedereen verschillend.
Bij de een kan dat al zijn na een paar drukkere dagen dan normaal, bij een ander kan het weken duren voor het lichaam ho roept door verkouden te worden. Wie uitgerust is, heeft ook meer weerstand bij omstandigheden die van buiten komen, zoals een flinke regenbui.

Daarnaast kun je je warmtemantel van buitenaf verzorgen. Let er bijvoorbeeld eens op of je voeten goed warm zijn. Heel veel mensen hebben chronisch last van koude voeten, vaak zonder dat ze er erg in hebben. Een voetenbad met Rozemarijn Badmelk verwarmt het lichaam door en door en kan soms net een opkomende verkoudheid tegenhouden. Als je het snel koud hebt, helpt dagelijks inwrijven van buik, benen en voeten met Arnica Massage-olie. Verder kun je in de winter zorgen voor een ‘tweede huid’ door wollen of zijden hemden te dragen. Wol heeft als voordeel boven katoen dat de vezels warmte kunnen doorlaten én vasthouden. Bij wollen hemden denk je misschien direct aan kriebelende, onooglijke hobbezakken, maar die tijden liggen gelukkig achter ons.

Achter een simpel iets als verkoudheid blijkt veel meer schuil te gaan dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. Het heeft alles te maken met onszelf en met onze eigen grenzen. Dit inzicht zal ons in de toekomst waarschijnlijk niet meteen vrijwaren van kouvatten. Het is echter een hoopvol perspectief dal het wel mogelijk is val te krijgen op kou.

.
In het artikel stond deze illustratie:

Mantelzorg: Peter van Aarnhem.
Meer werk van Peter van Aarnhem

.
Ik heb in sommige artikelen waarin producten van Weleda werden genoemd, mijn zeer positieve ervaringen hiermee doorgegeven.
Dat staat niet gelijk met ‘de’ vrijeschool maakt reclame voor Weleda. IK maak er reclame voor – overigens zonder dat Weleda daarin betrokken is.
Tijdens mijn verkoudheden waren en zijn nog – hoewel ik, nadat het vrijeschoolwerk stopte – veel  minder verkouden was dan toen ik nog lesgaf – onderstaande middelen een goede hulp gebleken.
Genezen doen ze niet – je moet een griep gewoon ‘uitzieken’, maar ze ondersteunen en verlichten. Het geeft mij een goed gevoel middelen te gebruiken van een firma die al meer dan honderd jaar ‘mens en natuur als eenheid’ zien.
.

De R is weer in de maand:

INFLUDO

Als je verkouden bent en je hebt het druk, dan is de verleiding groot om net te doen alsof er niets aan de hand is. Een enkele keer lukt het misschien om dan toch van een verkoudheid af te komen. Meestal echter moet je maatregelen nemen, wil je niet na een week sukkelen alsnog ziek worden. Zo’n maatregel is Infludo.
Infludo is samengesteld uit antroposofische en homeopathische middelen die allemaal de eigenschap hebben om de symptomen die bij een griep horen, op te wekken. Dat klinkt op het eerste gezicht wat eigenaardig. Je wilt immers van een verkoudheid of opkomende griep af, en dan zou je die juist gaan opwekken? Hoe zit dat in elkaar?

Infludo is erop gericht om de natuurlijke lichamelijke afweer te stimuleren. Je onderdrukt zodoende niet het ziekteproces, maar je helpt juist dit te overwinnen. Met andere woorden: met Infludo wek je de symptomen van griep op en vervolgens gaat het lichaam aan de slag om de ziekte de baas te worden. Laten we als voorbeeld Aconitum nemen, het hoofdbestanddeel van Infludo. De Nederlandse naam voor Aconitum is monnikskap, een giftige plant die je een acute koortsaanval zou kunnen bezorgen. Daarbij voel je je dan hondsberoerd en kunnen er gevoelens van angst optreden. Deze verschijnselen doen zich ook bij griep voor, maar dan in veel mindere mate. Door Aconitum in een sterk verdunde vorm in te nemen, worden de afweerkrachten opgewekt. Van Aconitum bestaan overigens allerlei variaties die de arts voor verschillende situaties kan voorschrijven.

Infludo bevat verder Bryonia (heggerank), eucalyptus, Eupatorium Perfoliatum (waterhennep), Sabadilla (luiszaad) en fosfor. Zou je fosfor onverdund nemen, dan zou je rillerig en koortsig worden: dat zijn de symptomen van verkoudheid. In verdunde vorm immiteert fosfor de koorts en activeert zo de warmtehuishouding.

Infludo is zonder recept te koop bij de apotheek en bij veel drogisten. Bij griep en verkoudheid neem je elke twee uur 5 à 8 druppels.

De ziekte wordt hierdoor dus niet onderdrukt, maar je hebt er wel beduidend minder last van. Infludo kan ook gebruikt worden om griep en verkoudheid te voorkomen. Neem dan als de R in de maand is iedere dag 7 druppels bij het ontbijt. Als je veel last hebt van onrust kun je in plaats van Infludo, Ferrum phosphoricum comp* gebruiken. Ook bij kinderen werkt dit middel rustgevender dan Infludo.

Beperk de hoeveelheid eiwitten in je voeding drastisch zolang de verkoudheid duurt. Je lichaam probeert zich via het slijm juist van eiwitten te ontdoen. Van nog meer eiwit (melk, kaas, vlees) zou de slijmproductie alleen maar toenemen. Neem in plaats daarvan regelmatig een mengsel van citroen-, grapefruit- en sinaasappelsap met warm water en een lepel honing. Deze lekkere grog brengt vorm in de ongebreidelde stofwisselingsactiviteit.

Naast deze basismiddelen die de griep of verkoudheid als geheel aanpakken, zijn er verschillende middelen die je kunt gebruiken bij andere vervelende bijkomstigheden van griep en verkoudheid:

Hoest

Weleda Hoestelixer.

Droge hoest

Om het slijm los te maken: Lichenes comp*. In deze siroop zijn verschillende korstmossen met honing en anijsolie tot een smakelijke siroop verwerkt.

Hoesten met veel slijmvorming

Doron druppels.

Keelpijn

4 maal daags 1 tablet Pyriet/Zinnober* gecombineerd met Bolus Eucalypti comp* (1 theelepel op een glas water, ieder uur gorgelen en de laatste slok doorslikken).

Keelpijn en opgezette klieren

De hals inwrijven met Archangelica comp zalf*.

Verstopte neus

Weleda Neusspray 

Een stoombad met Eucalyptus olie (Oleum Aethereum Eucalypti 10%*) helpt ook goed om weer door de neus te kunnen ademen. Doe een dopje olie in een schaal kokend water en houd je hoofd een minuut of tien in de stoom. Bedek het hoofd met een handdoek, zodat de stoom niet kan ontsnappen. Belangrijk: was je gezicht en hals daarna heel goed met lauw water om weer op normale temperatuur te komen en blijf minstens een uur binnen. Je kunt je anders letterlijk opnieuw een verkoudheid op de hals halen.

Zware ademhaling

De borst dun inwrijven met Oleum Aethereum Salviae 10%*. Dit is een vluchtige olie uit salieblad die erop is gericht om de huid goed te doorbloeden en te doorwarmen. Hierdoor kun je weer ruimer ademen.

Om weerstand op te bouwen kun je preventief een Duindoornelixerkuur doen (3 maal daags een dopje, gedurende 10 dagen). Duindoornelixer verhoogt het weerstandsvermogen en geeft extra energie. Het heeft een opvallend hoog gehalte aan vitamine C, vitamine E en carotine (dat zorgt voor de aanmaak van vitamine A). Is de verkoudheid of griep eenmaal daar, dan helpt een Vlierelixer-kuur (3 maal daags een dopje, gedurende 10 dagen). Vlierelixer reguleert de vochthuishouding en intensiveert de warmteprocessen in het lichaam.

* verkrijgbaar bij de apotheek, vaak alleen in Duitsland en soms moet een recept worden meegestuurd.

.

Menskunde- en pedagogie:  [11] warmte

Antroposofisch leven: warmte

Opvoedingsvragen: [12] verkouden

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2729

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer(6-4/1)

.
Evenals andere artikelen in de reeks ‘7e klas voedingsleer’ gaat dit niet direct over de periode. Er zal soms over ‘de elementen’ gesproken (moeten) worden.
Daarom zijn de artikelen daarover hier bij elkaar gehouden, al zouden ze ook elders geplaatst kunnen worden.

.

Joop van Dam, Weledaberichten nr. 166 najaar 1995
.

Over de aarde

.

Toen het door de ruimtevaart mogelijk werd om de aarde op grotere afstand te bekijken, zagen de astronauten tot hun verrassing een blauwige druppel met rondom witte, beweeglijke velden. Niet de vaste aarde werd waargenomen maar de vochtige luchtsfeer eromheen.

Vanuit het heelal afdalend komt men in de atmosfeer die eerst een warmteomhulling is en dan een luchtsfeer. Hierin stijgen de wolken uit de aardse watermassa’s op. Zo passeer je eerst de elementen vuur, lucht en vloeistof, om daarna op aarde te belanden.

Deze gang door de elementen maakt ook elk kind dat ‘op aarde’ komt. Het lichaam wordt in warmte geconcipieerd. Hierdoor komt de verharding van het lichaam met de vorming van botten en tanden pas op het laatst in de embryonale ontwikkeling tot stand. Gebeurt dit te laat, dan blijft het kind te veel in het vloeistofelement hangen. De botten blijven dan te week en buigen bij het gaan staan door. (Het effect is O- of X-benen).

Bij de oudere mens dreigt het aarde-element de overhand te krijgen: verhardingen treden op waar dit niet hoort, bijvoorbeeld in de lens van het oog (staar) of in de bloedvaten (aderverkalking).

Ook in de loop van de mensheidsgeschiedenis is de mens steeds dichterbij de aarde gekomen. Zagen mensen vroeger nog wezens in de natuur (Wodan in de donder, elfen, kabouters), na de Middeleeuwen verdween dat vermogen. Toen zag de mens pas echt de aarde: hij begon de bergen te beklimmen en ging op ontdekkingsreis. Toen werd ook duidelijk wat het aarde-element ons kan brengen: in het water- en luchtelement gaan de dingen in elkaar over, de aarde-dingen daarentegen zijn goed van elkaar te onderscheiden en te tellen. Ze liggen vast, zijn onveranderlijk en gehoorzamen aan aardse wetten.

Na de Middeleeuwen werd de natuurwetenschap ontwikkeld, die alles wat tastbaar (vast), weegbaar (zwaartekracht) en telbaar is, onderzoekt. We danken er een helder, controleerbaar en exact bewustzijn aan. Met die wetenschap kun je ook werken en afspraken maken. Dit geeft zekerheid en vastigheid. Als je niet wakker bent, word je door de aardse werkelijkheid gecorrigeerd. Het aarde-element heeft helderheid, exactheid en daardoor zelfstandigheid ten opzichte van de wereld gebracht.

Toch zijn we niet uitsluitend aan deze aardse realiteit gebonden. Het feit dat de mens rechtop gaat staan, laat zien dat er iets in hem leeft wat zich boven de aardse zwaartekracht verheffen kan. Andere elementen worden dan werkzaam. Daarover volgende keer.*

*water [6-4/2]  lucht [6-4/3]   warmte

7e klas voedingsleeralle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2715

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (6-3/3)

.

Peer de Smit, WeledaBerichten nr. 154, september 1991

.

WARMTE: KONINGIN VAN DE WERELD DER ELEMENTEN

.

Na de bijdragen over het water over de lucht volgt nu als derde essay over de klassieke vier elementen een bijdrage over de warmte. Misschien is het verwonderlijk dat dit element bij de herfst wordt ingedeeld en niet – wat meer voor de hand zou liggen – bij de zomer. Het omsmelten en bewerken van het harde minerale erts in het smidsvuur, is een oerbeeld dat nauw verbonden is met de herfst- en Michaëlstijd.

Overal waar warmte werkzaam is, komt de wereld in beweging: wat in rust is, komt van zijn plaats; vaste vormen verliezen hun stabiliteit en substanties moeten van toestand veranderen. IJsblokken, smeltwater en waterdamp laten stadia zien van een veranderingsproces dat door warmte op gang wordt gebracht. Weer en wind, groei en bloei, de wording van de wereld: overal waar er ook maar iets ontstaat of wil veranderen, zijn warmte en vuur de stuwende krachten. Anders dan de drie grovere elementen, die minder verwant zijn met de warmte naarmate ze een vastere structuur hebben, onderscheidt de warmte zich door haar zuivere, opofferende werking. In tegenstelling tot haar tegenpool de koude, ontplooit ze haar wereldscheppende dynamiek. Bij de gebeurtenissen rondom de geboorte vormt de warmte een beschermende omhulling, waar aan de grens met de bovenzinnelijke wereld een geestelijk wezen zich stoffelijk wil vormen. In het Bijbelse scheppingsverhaal ligt over de nog niet gescheiden, ongevormde aardmassa’s een broeiende warmte die is doordrongen van Goddelijke scheppingskracht. Afkoeling, verstarring en verdichting bepalen de evolutie van de in het begin nog vormbare warmte-aarde en geven haar uiteindelijk een vaste en zichtbare vorm. Omgekeerd metamorfoseren vuurkrachten de gevormde dingen zó, dat deze terugkeren naar het rijk van het vormloze, het niet geschapene en lossen zij de wereld der dingen op in een niets; een niets dat tegelijkertijd alles is, omdat het alle mogelijkheden van aardse vormgeving in zich heeft. In het oervuur van de goddelijke Logos zag de Griekse filosoof Heraclitus de oorsprong van alle zich eeuwig vernieuwende dingen. Verheven boven de ruimte en onzichtbaar ontsluit de warmte een overgangsgebied tussen de materiële en de immateriële werkelijkheid, waar het stoffelijke vergaat en ontstaat. In de herfst, als de bossen als het ware in vlam staan en het vegetatieve leven verdorrend afsterft, trekt de plant zich in een onzichtbare wereld terug. Aan de drempel van de dood vormt zij echter in het zaad een micro-organisme van samengebalde warmtekracht, van waaruit ze in staat is om zich geheel te vernieuwen. Van oudsher heeft men in het vuur een zinnebeeld gezien voor loutering van de ziel en wedergeboorte van de geest. Herboren stijgt de vogel Phoenix op uit de as: een vuurmetamorfose, die door de dood voert en verbonden is met de radicale vernietiging van een oude levensvorm. Polair aan de steeds door het verleden bepaalde verschijningsvorm van de vaste materie is in het vuur een toekomstgericht en verjongend principe werkzaam. Warmtekrachten en vuurkrachten zijn zuiver krachten van de vooruitgang. Prometheus, de vooruit denkende – zo vertelt ons de Griekse mythe – heeft het hemelse vuur op aarde gebracht om de mensen te bevrijden van de leiding door de goden en hun ik-bewustzijn te ontsteken. In vuur gesmolten ijzer, gesmeed tot gereedschap of wapen, maakte de mens tot heerser over de natuurrijken. Hoogovens, stoommachines en verbrandingsmotoren legden de. basis voor de technisch-industriële revolutie van de moderne tijd.
Warmteproductie en energiecentrales zijn middelpunt geworden in onze naar energie hunkerende beschaving. Maar ook de warmte die in onze stofwisseling ontstaat, het wilsvuur van onze ziel, gedachteflitsen en vurig enthousiasme behoren tot de krachten die voortdurend aan de toekomst van ons aardse leven werken.

Van alle elementen is de warmte het meest ongrijpbare en toch staat het ons wezen het meeste na. Niet alleen aan onze buitenkant, maar ook innerlijk kunnen we warmte en koude ervaren. Omdat de warmte overal doorheen dringt en elke fysieke scheiding opheft, worden we door de warmte één met onszelf en één met de wereld. Dat maakt dit element tot het eigenlijke medium en voorbeeld van een sociaal organisme, dat vrije individualiteiten vormt. Nergens verenigen wij ons sterker met de geestelijke wereld dan waar wij in vuur en vlam staan voor haar grote mensheidsidealen. Alleen in onszelf en door het menselijke ik kan de kosmische gave van de warmte zich omvormen tot de morele kracht van de liefde die bergen verzet. We leven in een tijd die vaak uitzichtloos kan lijken. Egoïstische koude overheerst. Er is moed voor nodig om toch voor de medemens en de toekomst van mens en aarde warm te lopen. Het is deze moed die Rudolf Steiner met zijn levenswerk steeds opnieuw in de mensen wilde laten ontvlammen:

”lk zou graag ieder mens uit de kosmische Geest laten ontbranden, zodat hij wordt als een vlam en vurig de kern van zijn wezen ontplooit.”

(”lch möchte jeden Menschen / Aus des Kosmos Geist entzünden / Dass er Flamme werde / Und feurig seines Wesens / Wesen entfalte”).

.

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2675

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-5)

.
Dr.med. Olaf Koob, Weledaberichten nr. 134 december 1984

.

WARMTE EN LEVEN
.

Iedereen weet dat warmte iets met leven en koude iets met dood te maken heeft. Een wezen dat warm is, d.w.z. goed met bloed doorstroomd, is levend; een wezen daarentegen dat koud is geworden, beleven wij als dood. In de jaargetijden staan zomer en winter diametraal tegenover elkaar. In de warmte van de zomer voelen wij ons prettig, één met onze omgeving, wij vloeien a.h.w. lichamelijk uit door de transpiratie en psychisch, doordat wij vreugde beleven aan de in het zonlicht opengaande wereld. Wij leven zelf in deze tijd meer in de buitenwereld dan in ons innerlijk.
Het tegenovergestelde gebeurt in de winter: uit de koud geworden wereld waarin het plantenleven zich heeft teruggetrokken, trekken wij ons ook meer in onszelf terug; wij beschermen ons door warme kleding tegen de verkoelende invloeden van buitenaf, wij zoeken de warme haard en de gezelligheid samen met andere mensen.

Wat is er met de warmte, dat wij die zo graag opzoeken en dat wij tot in de taal positieve gedachten én gevoelens daaraan vastknopen? Wij hebben het over hartewarmte, warme gevoelens en – verhevigd – gloeiende geestdrift. In ’t algemeen wordt ook het gevoel van liefde met warmte en met de actieve kleur rood vergeleken. Haat en afgunst daarentegen beleven wij als koud en a.h.w. groengelig van kleur. Daardoor komen wij erop, dat uitgaande boven het meetbaar-fysieke ervan, de warmte haar oorsprong heeft in het psychische en geestelijke gebied. Dat ervaren wij vooral in de Kersttijd in de grote tegenstelling tussen koude, eenzaamheid en duisternis buiten en de zielsverwarmende gebeurtenis van de geboorte van het Kerstkind, van toekomst en verlossing in een wereld waarin verkilling van het gevoel, ongeïnteresseerdheid en haat de overhand willen krijgen. 

Gedachten over het ontstaan van warmte 

Als wij nagaan waardoor er warmte in de wereld ontstaat dan vinden wij dat daaraan altijd een verbrandingsproces ten grondslag ligt. Dit betekent dat materie wordt vernietigd, wordt opgelost, in zeker opzicht zichzelf offert of wordt geofferd om iets wat daarin verborgen is, eigen substantie aan de omgeving te schenken. Uit een kwantiteit wordt door een geheimzinnig proces een kwaliteit, nl. warmte.

Wij zeggen dan ook, dat een wezen warmte geeft. In dit geven is een offer besloten. Er wordt iets aan de wereld of aan een ander geschonken; zoals wij dat ook bij de ware liefde kunnen ervaren. Warmte, offer, liefde en leven behoren bij elkaar.

In de kosmos vindt dit proces plaats door de zon, die met haar licht en warmte de ziel verkwikt, de planten laat gedijen en de mens dichter bij de natuur brengt. De zon moet wel een oneindige warmtebron zijn.

Bij de lichaamswarmte van de mens zien wij dat deze, uitgaande van het geestelijke en psychische wezen, ook door verbrandingsprocessen wordt gedragen. Voedingssubstantie wordt geofferd om in de mens levensprocessen in stand te houden.

Bij de stoffen zijn het vooral de vetten en oliën die bij de mens een grote invloed hebben op het tot stand komen van warmte. Bij de voeding en ook uitwendig toegepast maken zij bij de mens een verlies aan warmte ongedaan en heffen zij storingen in de warmtehuishouding op.
Hier komen wij op een belangrijk terrein: de verstoring van de lichaamswarmte. Steeds meer klaagt men over koude handen en voeten, blijken organen een te lage temperatuur te hebben, treedt het zogenoemde kouvatten op. Het lijkt alsof de warmtekrachten van het menselijke organisme niet meer toereikend zijn om tegen temperatuurverschillen van buitenaf bestand te zijn. Wij moeten hier wijzen op een uiterst belangrijke factor van gezondheid en ziekte: het zogenoemde ”warmte-organisme” van de mens. Dit is een in zich zelf gesloten geheel, kan gemeten worden op verschillende plaatsen van de huid en reageert zeer gevoelig op psychische veranderingen. Angst, shock, remmingen, maar ook koude van het gevoel kunnen rechtstreeks worden afgelezen aan de warmtehuishouding.

Warmte en gemoed

Als iemand moeite heeft zijn lot te aanvaarden, niet “met beide benen op de grond staat” kan het gevolg daarvan zijn dat hij chronisch last heeft van koude voeten. Als de mens zich in zichzelf terugtrekt, of als zijn gevoelens moeilijk naar buiten komen, dan lijdt hij aan chronische koude handen. De basis voor een gezonde lichaamstemperatuur zijn nl. het bloed en het hart, die immers bij alle emoties betrokken zijn. Beide zijn de lichamelijk-organische manifestatie van de ziel en de geest.

Als ervan iemand veel liefde, belangstelling, goedheid, welwillendheid uitgaat, d.w.z. als hij iets van zijn wezen aan de wereld geeft, dan noemen we hem een gevoelswarm mens; hij beschikt over een zielenkracht, die wezenlijk met de warmte te maken heeft: het gemoed. De krachten van het gemoed ontspruiten uit het hart. Mensen van dit type zijn goed doorbloed, ze hebben iets wat rond en sterk aandoet.

Warmte als kracht in het fysieke, het psychische en het geestelijke gebied

Wij bespraken de warmte in haar fysieke en psychische verschijningsvorm en wij zagen het samenspel ervan. Als iets zich offert, er iets van de eigen substantie uitstroomt, dan ontstaat er warmte die positief werkt op de omgeving en in het psychische gebied als liefde wordt gevoeld.

Kinderen hebben absoluut een liefdevolle omgeving nodig, de zogenoemde ”nestwarmte”, opdat zij lichamelijk en psychisch kunnen gedijen. De liefde, die ons omringt, bevestigt ons in ons bestaan, laat ons merken dat wij op de aarde worden geaccepteerd, zodat wij van onze kant de wereld kunnen aanvaarden. Door het kleine kind, dat zich aan alles wat het tegemoet komt vol vertrouwen overgeeft, stroomt nog iets heen van de kosmische liefde waarop in ’t bijzonder op Kerstavond onze blik kan zijn gericht.

Juist in onze tijd, waar de gedachte van het offer zo sterk op de achtergrond is geraakt, waaraan de ene kant in het psychische, dikwijls egoïsme, verkilling van het gevoel, haat en apathie heersen en aan de andere kant in het lichamelijke gebied, tumoren, verhardingen en verslappingen optreden, blijkt het nodig om zich met het vraagstuk van de warmte bezig te houden. Niet in de laatste plaats is de warmte in het geestelijke gebied waar a.h.w. haar oorsprong ligt, van wezenlijke betekenis. Wij beleven de warmte hier bijv. wanneer een idee, die eerst met het koele verstand, in het hoofd, wordt begrepen, een verbinding aangaat met het hart en tot daad wordt, d.w.z. als een idee met de warmte van het hart en de kracht van de wil wordt doordrongen en tot een ideaal wordt. De ware idealist wordt immers gekenmerkt doordat hij zelfs zijn leven voor een idee, die hij tot een ideaal heeft gemaakt, opoffert. Ook dit beschrijven wij in de taal als een warmteproces: men loopt warm voor iets. Bij zo iemand kunnen wij ons geborgen voelen; wij vermoeden dat het leven pas dan verder kan gaan als mensen hun ideeën weer tot idealen verheffen.

In het fysieke, psychische en geestelijke gebied is de warmte een kracht, die van de mens naar de wereld stroomt, die leven opwekt en in stand houdt. Voor de koude is typisch, dat iets zich samentrekt, gaat verharden, tot egoïsme wordt en de dood in zich bergt.

Juist in de Kersttijd, als de natuur als gestorven rust en de aarde bedekt is met sneeuw, werd in de geschiedenis van de mensheid een impuls zichtbaar die ieder aangaat: de geboorte van het Kerstkind die in een stal plaatsvond. Deze gebeurtenis brengt ons tot de vraag, waar vandaan de warmte en het leven eigenlijk komen. In het licht van de Kerstgeschiedenis moeten wij zeggen, dat zij uit geestelijke werelden stammen. Daar vandaan stroomt de liefde en het offer, die eens leven hebben verwekt en nog steeds leven in stand houden. De geboorte met Kerstmis herinnert ons elk jaar aan die hemelse oorsprong van het leven en wekt ons op, ons niet alleen aan het stoffelijke vast te klampen, maar het geestelijke van die gebeurtenis in de warmte van het gemoed te koesteren opdat wij weer de weg tot onszelf en tot de medemens vinden. Een spreuk van Rudolf Steiner moge deze beschouwing afsluiten:

Den Stoff sich verschreiben,
Heisst Seelen zerreiben.
lm Geiste sich finden,
Heisst Menschen verbinden,
Im Menschen sich schauen,
Heisst Welten erbauen.

Duisternis, licht, liefde

In de ban van de stof raken
is: – zielen stukmaken.
In de geest zichzelf vinden
is: – mensen verbinden.
In de mens zichzelf schouwen
is: – werelden bouwen.

Vertaling Wijnand Mees in: Rudolf Steiner ‘Gedichten, spreuken, meditaties’  (blz. 104)

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

Zintuigen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2643

.

Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-4-1)

.

Enige opmerkingen bij blz. 181 – 184  vertaling

.
ALGEMENE MENSKUNDE – VOORDRACHT 12

.
Op blz.182/183 – vert. 183  zegt Steiner:

Wenn der Krankheitsprozeß über das bloß Vegetative hinausgeht, das heißt, wenn der Körper die Tendenz hat, nicht nur das Pflanzliche in sich beginnen zu lassen, sondern auch den mineralischen Kristallisationsprozeß, dann ist eine höhere, sehr zerstörerische Form von Krankheit vorhanden, zum Beispiel Zuckerkrankheit. Dann ist der menschliche Leib nicht in der Lage, aus der Kraft seiner Gliedmaßen heraus, die er von der Welt aufnimmt, das Mineral, das er fortwährend auflösen soll, wirklich aufzulösen. Und wenn heute die Menschen gerade jener Krankheitsformen, die vielfach von krankhaftem Mineralisieren im Menschenleibe herrühren, nicht Herr werden können, so rührt das vielfach davon her, daß wir nicht genügend anwenden können die Gegenmittel gegen diese Erkrankungsform, ( ).

Wanneer een ziekteproces niet slechts plantaardig is, wanneer het lichaam de neiging heeft niet alleen het plantaardige in zich te laten ontstaan, maar ook het kristallisatieproces van de mineralen, dan is er sprake van een ernstiger, zeer vernietigende vorm van ziekte, bijvoorbeeld suikerziekte.0 Dan is het menselijk lichaam niet in staat om door de kracht van de ledematen – die het uit de wereld opneemt – het mineraal dat het zou moeten oplossen, ook werkelijk op te lossen. En wanneer mensen tegenwoordig juist die vormen van ziekten, die dikwijls ontstaan door een ziekelijke vorm van mineraliseren in het lichaam, niet de baas kunnen worden, dan komt dat doordat we niet voldoende gebruik kunnen maken van het middel dat deze ziekten tegengaat.

In Steiners opvattingen over ‘genezen’ komen we tegen dat bv. planten dodelijk voor ons kunnen zijn, maar ook dat ze – in een veranderde hoedanigheid – de mens juist ook genezing kunnen brengen.
Dat geldt ook voor de mineralen.
In onderstaand artikel wordt daarover iets duidelijk gemaakt.

E.Cloos, Weledaberichten nr.84, 12-1969
.

MINERALE GENEESMIDDELEN

.
De mens is een wezen dat men niet zo zonder meer „natuurlijk” kan noemen. Weliswaar heeft hij kalk en fosfor in zijn beenderen, kiezelzuren in zijn bindweefsel en haren; hij groeit als een plant, ondervindt lust en onlust als de dieren — maar dit alles wordt — door het feit dat hij als mens een „ik” heeft — opgeheven in een sfeer, die boven de natuur ligt. Vanuit deze sfeer wordt ook in de onderbewuste gebieden van de stofwisseling en groei, van de droomachtige gevoelens van lust en onlust iets omgevormd, wat zozeer bij de mens als bewust geestelijk wezen behoort, dat datgene wat hij gemeen heeft met de andere natuurrijken in hem opgeheven wordt in het menselijke. De levensprocessen in de opbouw en afbraak worden zo gevormd, dat de mens niet slapend als een plant, niet alleen maar dromend als een dier leeft, maar in zijn denkende bewustzijn in staat is, zichzelf en de wereld te doorgronden. Het menszijn wordt bepaald, doordat de natuur in de mens wordt overwonnen. Dat is de reden, waarom de mens niet — zoals een door een kruisspin vergiftigde merel — naar een bilzenkruidplant kan gaan, om een blaadje daarvan als tegengif te nuttigen. De merel is een natuurwezen; hij vindt het geneesmiddel voor de vergiftiging in de natuur door zijn instinct, d.w.z. door het feit dat hij in de natuur zelf leeft. De mens heeft zichzelf — door zich te verheffen boven de natuur — de basis voor zijn zelfbewustzijn en denkvermogen geschapen, maar heeft daardoor het instinct meer en meer verloren.

Het gevolg daarvan is, dat de geneesmiddelen voor de mens toebereid moeten worden en wel zodanig, dat men steeds in het oog moet houden, hoe de natuursubstantie zo omgevormd moet worden, dat ze in staat is, de mens — als een boven de natuur levend ik-wezen — te genezen.

Dit ik-wezen van de mens beleeft zichzelf aan het feit, dat het in het organisme afbraakprocessen veroorzaakt: een werkelijk doden van stoffen in organen. Er ontstaat iets min of meer mineraalachtigs. Dat mag natuurlijk niet lang zo blijven: het moet weer uitgescheiden worden. Maar in dat vormen en uitscheiden van het minerale „leeft” eigenlijk het ik-wezen van de mens. Daarbij speelt de warmte in zijn verschillende stadia in het organisme een grote rol. De beenderen en de hersenen zijn koel. Men heeft een koel hoofd nodig om goed te kunnen leven. De lever en het hart moeten zeer warm zijn. Een „warm hart” is altijd goed in het leven; vaak ook een gloeiende wil.

Waar het koel wordt in het organisme, vormt zich dode of minerale substantie, zoals bv. in de beenderen. Waar de organen warm zijn, wordt het minerale weer opgelost. Hieruit blijkt, hoe belangrijk minerale stoffen voor het leven van de mens zijn.

Wanneer het er nu om gaat, minerale geneesmiddelen voor de mens te bereiden dan moet men zich afvragen: hoe is de betreffende substantie als zodanig in de mens voorhanden (bv. ijzer in het bloed), of hoe is ze in de fijnste vorm in een of ander orgaan werkzaam (bv. tin in de lever of in de gewrichten). Men zal erop bedacht moeten zijn, dit ijzer of tin zo te bereiden, dat het het organisme ertoe aanzet, zelf de metaalsubstantie sterker op te nemen, of — zoals bij tin — het metaal in zijn functies op te voeren.

Daartoe bestaan verschillende mogelijkheden, al naar gelang van de bedoelingen van de arts. Men kan het ijzer als erts uit de natuur halen, het tot een soort mest verwerken en het in fijne hoeveelheden toevoegen aan grond, waarin brandnetels of spinazie groeien, planten die het bijzondere vermogen hebben, met het ijzer om te gaan. Ze verwerken het ijzer zo, dat het, wanneer men het brandnetel- of spinaziesap als geneesmiddel gebruikt, het organisme stimuleert, zich sterker met het opnemen van het ijzer bezig te houden.

Er worden dus geen hoeveelheden ijzer aan het lichaam toegevoegd, maar het organisme wordt in staat gesteld, zich bezig te houden met de vorming van ijzer. Op die manier bestaan voor alle belangrijke metalen die als geneesmiddelen gebezigd worden, overeenkomstige planten, die het vermogen hebben, met bepaalde metalen om te gaan.

Bij het proces van bemesting van planten met metalen werkt men geheel en al in overeenstemming met de wordende natuur, omdat de plant in zijn levensfuncties iets overneemt, wat men natuurlijk ook „mechanisch” door het homeopathisch potentiëren kan voltrekken. Want de plant brengt inderdaad (vooropgesteld, dat de mest goed bereid en in de juiste dosering wordt gebruikt) een potentiëring van het metaal tot stand. Het is daarentegen in geen geval mogelijk, een verhoogde opname van het betreffende metaal vast te stellen. De therapeutische werking bij de patiënt laat zien, dat het plantensap gepotentieerde metaliteit bevat. Wanneer men de metalen vanuit een ander gebied tot werkzaamheid wil brengen, dan is het nodig ze op een geheel andere manier te bereiden. Dit proces is gebaseerd op iets uit de ontwikkelingsgeschiedenis van de metalen.

Deze waren in vroegere aardperiodes nog in de omgeving van de aarde als wolken verdeeld. In die tijd vertoonden de metalen in deze toestand nog een intensieve kleurigheid. Resten van die kleurigheid van de metalen vinden we tegenwoordig nog terug in de getintheid van de doorzichtige edelstenen. Uit die wolkentoestand, die ook door moderne onderzoekers aangenomen wordt, hebben de metalen zich verdicht tot een vloeibare toestand en zijn op die manier van buitenaf in de aarde binnengedrongen. Daardoor komen de metalen ook in de diepere lagen van de aarde niet meer voor.

Door ze sterk te verhitten kan men alle metalen weer in die damp- of wolkentoestand terugbrengen. Wanneer men die damp op een koud oppervlak opvangt, dan krijgt men het metaal in een eigenaardige toestand, die niet meer kristallijn is, zoals bij de natuurlijke metalen en ertsen. In die vorm vertonen de metalen een andere werkzaamheid dan de door planten gepotentieerde metalen, wanneer men deze aansluitend nog „mechanisch” potentieert.

Ook hier heeft men nu op een zuiver fysiek vlak een proces voltrokken, dat afgeluisterd is van de natuurlijke ontwikkelingsgang van de metalen. Men maakt alleen de metaalsubstantie zeer sterk los uit de aardse krachtwerkingen van het kristalliseren en verandert daardoor de richting waarin ze in de mens werken.

Een nog verdergaande weg, die evenals het hierboven beschreven proces, berust op aanwijzingen van Rudolf Steiner, leidt tot volkomen nieuwe geneesmiddelen van minerale aard. Het is een eigenaardigheid van alle planten, dat ze zeer bepaalde minerale stoffen opnemen en in de organische substantie van wortels, stengel, bladeren, bloesems en zaden opnemen. Wanneer men de plant verbrandt, dan vindt men deze minerale substanties in de as. Het betreft meestal kalk, kiezel, kalium, natrium, magnesium, ijzer, mangaan, fosfor en zwavel om de belangrijkste te noemen. De verhouding van deze asstoffen tot elkaar is bij alle planten verschillend. De as van de akkerpaardenstaart heeft steeds een andere samenstelling dan de as van kamille. Wat betreft het groen van de bladeren, zijn alle planten, bij wijze van spreken, gelijk. Maar bij het invoegen van de minerale stoffen, worden het uitgesproken individualisten.

Nu is op zichzelf reeds bekend, dat het ijzer van de brandnetel, de kiezelzuren van de akkerpaardenstaart, of de zwavel van de ui belangrijke bestanddelen zijn voor de genezende werking van de betreffende planten.
Dit principe is nog in hoge mate uit te breiden. De geneeskracht van zeer vele planten berust juist op een bepaalde verhouding van minerale stoffen.

In dit verband is het nodig, de wetmatigheden van de asvorming bij afzonderlijke planten te onderzoeken en zich er voorstellingen over te maken, hoe de plant het klaarspeelt, nu juist die stoffen en in die verhouding op te nemen. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk, zeer nauwkeurige analyses van de plant te maken. Wanneer men de verhoudingen van de verschillende minerale stoffen heeft vastgesteld, dan moet men nagaan, hoe de plant het tot stand brengt om deze of gene stof in zich op te nemen of te vormen. Wanneer ons dit — na rijpelijk overleg — gelukt is, dan moet men trachten dat, wat de plant doet, in een laboratorium-proces scheikundig of natuurkundig na te bootsen. Men verkrijgt dan een stofcombinatie die, wat de getallen betreft, met de mineraal-stofverhoudingen van de betreffende plant die men zich tot voorbeeld heeft genomen, overeenstemt. Men gaat hierbij a.h.w. bij de natuur in de leer, doordat men bepaalde levensprocessen van de groeiende plant tot model neemt, waarnaar men in het laboratorium zijn werkwijze ontwikkelt.

Wanneer men nu — zoals hierboven werd geschetst — bepaalde plantenprocessen in het organisch-minerale overgebracht heeft, dan verkrijgt men therapeutische werkingen, die op die van de modelplant lijken, maar die aanzienlijk duurzamer en sterker zijn. Deze preparaten stimuleren — zoals alle minerale preparaten — vooral ook het ik-wezen van de mens, wiens samenhang met het vormen en oplossen van het minerale hierboven geschetst werd.

Aan deze enkele voorbeelden, die maar een klein gedeelte van onze werkwijze op dit gebied uitmaken, hopen we de buitengewone betekenis van de minerale geneesmiddelen duidelijk te hebben gemaakt. Rudolf Steiner heeft eens uitgesproken, dat men de mens eert, wanneer men tracht hem met minerale geneesmiddelen te helpen.

.

Algemene menskundevoordracht 12– alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2562

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-3)

.

GROEI EN WARMTE – EEN ONAFSCHEIDELIJK DUO

Warme kleren, liefst laagje over laagje, en muts op. Dat is het advies van de antroposofische consultatiebureau-artsen meestal geven aan ouders van baby’s en kleine kinderen.
Overdreven gedoe? Of kan je niet voorzichtig genoeg zijn als het om de warmtehuishouding van je kind gaat?
Noor Prent legt uit hoe het eigenlijk zit met dat ‘warmtezintuig’.

Maurits van tweeëneenhalf heeft waterpokken gehad met flinke koorts. Nu gaat het weer goed met hem. Heel goed zelfs, vertelt zijn moeder Marianne. ‘Ik heb het idee dat hij na de waterpokken een sprong heeft gemaakt in zijn ontwikkeling. Hij straalt, hij speelt goed en begint ook in het contact met
andere kinderen een beetje zijn mannetje te staan.’

Maurits is een open kind dat gevoelig reageert op alles wat er om hem heen gebeurt. Hij heeft een ‘dunne huid’ en kan slecht zijn warmte vast houden. Daarom adviseerde ik Marianne om vooral zijn benen en voeten warm te houden en hem regelmatig met olie in te wrijven. Ze vertelt dat ze dat nog steeds drie keer per week doet. Ook trekt ze hem nog altijd een majo aan onder zijn broek met een paar sokken er overheen.
Marianne: ‘Ik weet dat Maurits dat allemaal nodig heeft, hij zit nu eenmaal zo in elkaar dat hij snel warmte verliest. Ik zie dat hij zich er lekker bij voelt. En toch twijfel ik soms aan wat ik doe. Er zijn nogal wat mensen in mijn omgeving die dat allemaal zó overdreven vinden, dat gedoe met laagjes onderkleding van wol. Ik moet dan echt weer even heel goed mijn gesprek met jou in herinnering roepen over het belang van het verzorgen van het warmte-organisme van kleine kinderen, vooral als ze zo open zijn als Maurits. Daarna kan ik die opmerkingen weer wat beter verteren en mijn eigen lijn blijven volgen’.

Warmteverlies

Die onzekerheid van Marianne klinkt wel vaker op het spreekuur van de antroposofische ouder- en kindzorg als het gaat over de verzorging van het warmte-organisme van kleine kinderen. Daarom is het belangrijk dat je als ouder precies weet waarom je daar zo’n aandacht aan schenkt.
In de baarmoeder ontwikkelt een baby zich bij een constante temperatuur. Na de geboorte is zijn warmtezintuig – dat wil zeggen het organisme dat reageert op temperatuurswisselingen van buiten of van binnen – nog niet ontwikkeld. De baby moet warm worden gehouden. Langzaam traint de warmtezin zich in het waarnemen van temperatuursverschillen en leert het de reacties daarop te regelen. Na een aantal weken kunnen de meeste baby’s hun lichaamstemperatuur stabiel houden. Maar dat betekent nog niet dat ze geen hulp van gepaste kleren en warmte van buiten af meer nodig hebben.
De babyhuid is nog dun en laat veel warmte door. Bovendien is de oppervlakte van de huid bij een baby relatief groot ten op zichte van de inhoud. Daardoor is het warmteverlies bij hem groter dan bij oudere kinderen en volwassenen. Een baby verliest zijn warmte vooral via het hoofd, in totaal 60% van zijn lichamelijke warmte-uitstraling. Als je je hand op het hoofdje van je baby legt zul je dat kunnen voelen. In plaats van die warmte-energie via het hoofd verloren te laten gaan, kun je hem met een dun mutsje heel eenvoudig wat terugleiden naar zijn lichaam waar het kan worden gebruikt voor de opbouwprocessen en de groei. Bij premature baby’s geeft een schapenvachtje vaak een positief resultaat op de groei omdat de eigen warmte-huishouding dan wat economischer verloopt.

Luchtlaagje tussen huid en kleren

In de eerste drie levensjaren van een kind wordt zijn zenuwstelsel nog voortdurend verfijnd en uitgebouwd. In het hoofd, het centrum van het zenuwstelsel, is dan sprake van een intensieve stofwisseling. Daar is energie en warmte voor nodig is.
Behalve het warm houden van het hoofd, adviseer ik ouders daarom hun kinderen gedurende die eerste jaren ‘in laagjes’ te kleden: direct op de
huid een liefst wollen hemdje met lange mouwen, een majo en een muts en daar overheen de gewone kleren. Zo kan zich tussen de huid en de eerste laag kleren een dun, stilstaand luchtlaagje vormen. Dit laagje isoleert en vormt een buffer in de uitwisseling van warmte tussen binnen en buiten.
De huid produceert zelf een olielaagje (talg) dat ook warmte isoleert en bovendien bacterieafstotend is.
Dit olielaagje lost gedeeltelijk op in warm water en nog meer bij het gebruik van zeep. Behalve als je kind vuile handen en voeten heeft, kun je zeep dan ook maar het beste vermijden.
Breng na het bad op de huid van zijn hele lijfje dunnetjes een natuurlijke, dus huidverwante,  baby-olie zoals Weleda verzorgende olie aan. Zo geef je als het ware weer terug wat je eraf hebt gehaald. Het masseren van zijn huid is een weldaad voor je kind en tegelijkertijd voelt hij daardoor hoe zijn huid zijn lijfje begrenst. Dat helpt hem bij het opbouwen van een gezond zelfgevoel.

Kruipbroek

Als je kind gaat kruipen, vraagt dat weer wat extra aandacht voor de warmtehuishouding. Over de grond stroomt altijd koude lucht. Ga zelf maar eens een poosje op de grond liggen en je zult merken hoe je dan afkoelt. Die kou kan optrekken tot in de buik en lichte stofwisselingverstoringen veroorzaken. Als je een beetje handig bent kun je voor die fase een kruipbroek maken.
Neem daarvoor een broek die over de andere kleren kan worden gedragen en zet er kniestukken op van leer of stroeve stof, zodat dan de kou niet kan optrekken via de knieen naar boven.
Als je kind eenmaal loopt, kan hij zichzelf door de spierarbeid (die warmte produceert) al beter warm houden, maar ook dan blijft het goed om hem in laagjes te kleden. Als je kind in zijn nek transpireert, dan heeft hij het te warm. Trek dan liever een vest of trui uit dan dat je een laagje van zijn beentjes afhaalt. Zijn voetjes moeten altijd aangenaam warm en droog aanvoelen.
Ook grotere kinderen geven meestal niet aan dat ze koude voeten hebben. Dat moet je dus zelf blijven controleren. Pas als een kind een jaar of acht is, kun je de regie over de verzorging van het warmte-organisme aan het kind zelf beginnen over te laten.

Weerstand

In de babyleeftijd vormt je kind zijn warmtezintuig vooral door het omgaan met temperatuurswisselingen via de huid van gezicht en handen. Je baby kan de activiteit van dat zintuig oefenen als je hem – adequaat aangekleed – mee naar buiten neemt bij allerlei verschillende weersomstandigheden. Alleen bij een ferme noord-oostenwind zou ik liever binnen blijven. Zo’n wind brengt altijd te heet, te koud, te fel of te droog weer met zich mee. En wanneer het kouder is dan – 4 graden heeft een baby onevenredig veel moeite om op temperatuur te blijven.
Vanaf een maand of tien kan je de warmtezin iets extra’s te doen geven door na een warm bad of douche een beetje koel water met kopjes tegelijk over het kind heen te gieten. Gebruik geen koud water en maak er met een rijmpje of een liedje een spelletje van. Want het is niet de bedoeling om hem te laten schrikken, maar om hem op een plezierige manier wakker te maken voor temperatuurverschillen.
Zoals een getrainde spier meer arbeid kan verrichten, zo kan ook een geoefend warmteorganisme sneller en beter reageren. Je kind zal minder worden overrompeld door temperatuurs- en weersveranderingen en minder kouvatten omdat hij een betere weerstand heeft kunnen opbouwen.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda lente 2004 (13)
(met toestemming van de auteur)

.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Michaela Glockler en Tomas GoebelKinderspreekuur  

Edmond Schoorel over warmte.

Menskunde en pedagogie: warmte (nr.11)

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen       zie ook [1-5]

Opvoedingsvragenalle artikelen
.

1538

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-4)

.

OVER DE WARMTE

Overal waar mensen een initiatief nemen, kan dat alleen vanuit een
warmtekracht: het vuur van het enthousiasme voor een bepaald ideaal, dat mensen samenbrengt; ook de warme hartekracht, waarmee mensen door alle aanvechtingen van verwarring en twijfels heen, een genomen besluit doordragen en verder laten groeien. Deze warmte is een geestelijke warmte.

De mens, die in de warmte van het enthousiasme, in de liefde voor een ander mens handelt, beleeft daarin de verwerkelijking van de hoogste mogelijkheid van het mens-zijn. Hij voelt zich op zo’n moment het meest mens. De warmte is het levenselement van het Ik, van de menselijke geest.

Wanneer wij ergens warm voor lopen, voelen wij ons doortrokken van een vuurgloed: we worden ook in de fysieke lichamelijkheid verwarmd. Geestelijke warmte en fysieke warmte kunnen in elkaar overgaan.

Daar raken wij aan een groot geheim: de warmte is de brug tussen de geest en het lichamelijke van de mens; het is een punt, waar de geest in het lichamelijke ingrijpt.

Warmte staat aan het begin van alles, wat nieuw is in de wereld.

De lichamelijkheid van elke mens is geheel nieuw te midden van de hem omgevende wereld, planten en dieren.
De voeding wordt in het spijsverteringsproces van zijn plantaardige of dierlijke eigenschappen ontdaan en een volkomen nieuwe menselijke ontstaat, met substantie, die tot in alle uithoeken van het lichaam het stempel van de individualiteit draagt en die een helder instrument voor het Ik, voor de menselijke geest moet zijn.
Dit is alleen mogelijk, wanneer het Ik (met het geheel van vormende krachten, dat de “ik-organisatie” genoemd wordt) op gezonde wijze vanuit zijn warmtesfeer via de lichamelijke warmte kan inwerken op de fysieke lichamelijkheid.

Deze warmte van de menselijke lichamelijkheid heeft een heel bepaalde structuur. In de stofwisselingsorganen, geconcentreerd in de buik, alsook in de ledematen met hun spieren wordt de meeste warmte geproduceerd. Deze warmte stijgt op via de longen, waar een afkoeling plaats vindt en via het hart, dat we als het centrum van onze innerlijke warmte beleven, naar het hoofd.

Daar straalt de mens het meest intens warmte uit en daar treedt hij ook met zijn Ik in verschijning.

De warmte van de mens moeten we ons voorstellen als een zeer gedifferentieerd geheel van warmtestromingen die samen een organisme vormen, dat we de “warmte—mens” kunnen noemen.

Het menselijke organisme heeft voor het handhaven van de warmte op het voor hem passende niveau verschillende mogelijkheden tot zijn beschikking: vermeerdering of vermindering van de warmte-afgifte via de huid door de verwijding of vernauwing van de bloedvaten in de huid; verandering van het aantal ademhalingen per minuut; transpiratie, waarbij de warmte gebruikt wordt voor het verdampen van het zweet; verlangzaming of versnelling van de verbrandingsprocessen van de stofwisseling.
In tijden van hongersnood wordt niet alleen vetweefsel, maar ook spierweefsel en klierweefsel opgebrand.

Hieraan kunnen we aflezen, hoe alles ondergeschikt wordt gemaakt als aangrijpingsmogelijkheid voor de geest.

Het bevorderen van een gezonde ontwikkeling van de warmte-mens is één van de hoofdmotieven van de opvoeding. Dit verdient in onze tijd bijzondere aandacht, omdat de warmte-mens tegenwoordig vaak verkommerd is. Terwijl de temperatuur tussen de tenen van volwassen vrouwen vroeger over het algemeen ongeveer 30° bedroeg, is die tegenwoordig niet hoger dan 20°.

Welke gevolgen de verwaarlozing van de zorg voor de warmteomhulling van een opgroeiend wezen kan hebben, wil ik door twee voorbeelden laten zien.

Koelt een vogelei dat bebroed moet worden, te sterk af, dan kan een misvorming van het hart optreden (bij de mens het centrale orgaan voor het warmte-organisme en het Ik).

Wanneer een pasgeborene in zijn eerste levensuren sterk afkoelt, dan kan dit het ontstaan bevorderen van “autisme”, een verregaande contactstoornis, waarbij het kind opgesloten in zijn eigen wereldje leeft en de warmte van gevoel, die de brug slaat naar andere mensen, lijkt te ontbreken.

De lichamelijke nestwarmte is dus blijkbaar erg belangrijk als fundament voor de verwerkelijking van een innerlijke warmte, die zich kan richten op een ander mens.

Daarnaast is natuurlijk de stemming en de innerlijke levenshouding, die in het ouderlijk huis heersen, erg belangrijk.

Zij vormen het niet fysiek meetbare, maar daarom niet minder belangrijke deel van de “nest-warmte”. De warmte waarmee de ouders trachten hun eigen intuïtie, hun innerlijke richting te volgen, hun levenstaak op te nemen en vol te houden; de warmte waarmee zij zich tot andere mensen richten, over andere mensen spreken of denken, vormt er ook een belangrijk bestanddeel van. Wie een ander mens positief benadert, die, met vertrouwen in diens ontwikkelingsmogelijkheden, ruimte gevend aan diens intenties en warmtekracht, brengt tegelijkertijd iets aan innerlijke warmte bij zijn kind tot ontwikkeling. Wie een ander mens benadert op een kille manier, hem afkraakt of uitschakelt door een vernietigende kritiek, die schaadt daarmee ook iets in de warmtegevoelens van zijn kind.

Innerlijke en uiterlijke warmte zijn onmisbaar voor de groei van levensvertrouwen en levensmoed bij het kind, van waaruit hij initiatieven durft te nemen.

Wie zijn kind wil helpen om datgene tot ontplooiing te brengen, wat het als geestelijk wezen aan mogelijkheden heeft meegenomen bij de geboorte, heeft als een van de voornaamste zorgen het behoeden van deze innerlijke en uiterlijke warmte.

Het kind moet, evenals trouwens de volwassene, voortdurend een “warmte-mantel” dragen om zich als geestelijk wezen te kunnen ontwikkelen.

Wie zou het een stuurman aan willen doen om hem een schip te laten besturen, waarvan de stuurpen met boter is ingesmeerd? Deze stuurman zou geen vat op de besturing krijgen en hij zou de koers niet kunnen varen, die hij op goede gronden had uitgekozen.

In een vergelijkbare situatie bevindt zich het kind, dat misschien via het onderwijs met rijke en zinvolle inhouden in aanraking komt, maar geen goede warmtemantel heeft, zodat zijn Ik ze niet kan opnemen en er zich zo mee kan verbinden, dat zij richtinggevend voor zijn leven kunnen worden.

Warme kleding is eigenlijk voorwaarde voor het zinvol deelnemen aan het
vrijeschoolonderwijs.

Goede kleding heeft het vermogen om warmte vast te houden, afvoer van door het lichaam afgescheiden zweet mogelijk te maken en een voldoende beluchtingsmogelijkheid voor het lichaamsoppervlak over te laten.

Synthetische stoffen voldoen meestal niet aan de eerste twee voorwaarden, door de nauwsluitende mode is ook de beluchting dikwijls onvoldoende mogelijk.

Een voortreffelijk materiaal voor kleding is wol, die de warmte goed vasthoudt, dankzij het grote luchtgehalte – bij dichte kamgarens nog 60 volumeprocent. Daarbij kan wol eenderde van zijn droge gewicht aan waterdamp opnemen, zonder dat de wol nat aanvoelt. Het huidje van wolhaar stoot waterdruppels af. Voorts krijgt men een koel gevoel op de huid doordat er slechts een minimale aanraking is tussen huid en krullend woloppervlak.

Katoen houdt – in tegenstelling tot wol – slecht de warmte vast en neemt matig vocht op, altijd nog veel beter dan kunststof. Het verdient aanbeveling om wol als eerste laag op de huid (ondergoed en kousen) te dragen.

In de eerste negen jaren en vooral in de babytijd is het warm houden van het hoofd extra belangrijk, omdat de ontwikkelingsimpulsen in die tijd van het hoofd uitgaan. Hoe beter de warmte is, des te meer kan de ontwikkeling de specifieke impulsen van de individualiteit volgen. Ik wil niet beweren dat een mens helemaal niet aan de koude blootgesteld zou mogen worden.

Bij sommige kinderen is afwassing van hoofd en borst met water van kamertemperatuur zelfs een belangrijke therapeutische maatregel. Maar toepassing van koel water, zoals voor het “harden” van kinderen wordt aanbevolen, heeft alleen zin op een warme huid en in het algemeen wanneer het warmte-organisme het vermogen heeft om op koude te reageren met warmte.

Zo kan b.v. een korte, koude afwassing na een warm bad voor een niet te jong kind zinvol zijn om zijn warmte-organisatie te leren hierop te reageren.

Wij leven in een koude-cultuur, waarin het dragen van weinig kleding “in” is en waarin de koude van de twijfel, de angst en de heerszucht grote invloed uitoefent.

Wil de gezondmakende impuls, die de vrijeschoolpedagogie tracht te geven, werkelijk vormend kunnen inwerken op de opgroeiende jeugd, dan is een extra behoeden van de warmte, de uiterlijke en de innerlijke, broodnodig!

Dan kan de lichamelijkheid van het kind worden tot een helder klinkend instrument voor het Ik; dan kan het kind positieve relaties met andere mensen aangaan; dan kan het ook initiatieven leren nemen vanuit levensvertrouwen en moed.

.
Joop van Dam, arts †   Informatieblad Ionacentrum Eindhoven, nadere gegevens onbekend
.

Meer over autisme

 

Menskunde en pedagogiek: over warmte nr. 11

.

1522

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e, 7e klas – natuurkunde – overzicht

.

Hieronder volgt een schematisch overzicht van de onderwerpen van het vak natuurkunde in klas 6 en 7. Het is gemaakt in de tijd dat klas 7 nog bij de basisschool hoorde. Nu dat niet meer zo is, lijkt het verstandig dat de leerkrachten van klas 6 en 7 – de laatste zal naar alle waarschijnlijkheid op een andere locatie werken – de stof goed op elkaar afstemmen.

Dit verslag is ontstaan n.a.v. diverse werkbijeenkomsten om het leerplan natuurkunde concreter uit te werken.

In de artikelen die een onderwerp behandelen, kan het zijn dat er een verschil is van aanbieding per leerjaar.

NATUURKUNDE

 

Aandachtspunten die van belang kunnen zijn bij het voorbereiden van de periode natuurkunde in de benedenbouw:

– Welke bijdrage kan dit vak leveren aan de ontwikkelingsweg die de kinderen doormaken? (Het vak is een middel en geen doel op zich).

– Waar haal ik de motivatie vandaan om voor dit vak enthousiast te worden. De initiatiefkracht van de opvoeder is doorslaggevend.

– Ontwikkelingsfase: (een zeer beknopte schets, met een trefwoord:
breuken   biologie   natuurkunde   scheikunde   perspectief   humor
klas                4                5                    6                       7                    8                   9
godenschemering              natuurkunde      stofverandering              innerlijk
………………………………….leven                                                         ruimtelijk

klas 4/5     belevingen                       en fenomenen
warmte                                brandglas
licht                                      verrekijker
in deze klassen is er nog geen sprake van een gerichte natuurkundeles, maar de kinderen ervaren wel al allerlei natuurkundige verschijnselen

klas 6:
De kinderen leven nog in de volheid van hun ziel (spieren).
Benaderen van de wereld vanuit de beleving die doorzien gaat worden (begrijpen).

Klas 7
De kinderen incarneren tot in hun botten.
Het mechanische wordt van binnenuit ervaarbaar. Het causale analytische denken wordt actueel.

Klas 8-
Innerlijk dringen de kinderen door tot in het kristallijne. Getalsverhoudingen en eenheden.

Klas 9
lk-inslag. In de ziel ontstaat een polariteit. De twee hoofdthema’s zijn
warmte  ↔  elektriciteit

Mogelijke jaarplanning periodes:

HERFST                                                                                                            ZOMER rekenen                                              biologie                                                meetkunde algebra                                            natuurkunde
scheikunde

Duur van de periode:

6e klas                                           7e klas                                                   8e t.m. 12e klas
4 weken                                     4 weken of                                                       4 weken                                                              3+    2 weken mechanica

Thema’s
6e klas
: volgorde van behandeling:
licht
warmte
elektriciteit
magnetisme

 7e klas
licht
akoestiek →  geluid in klas 6
warmte
elektriciteit
magnetisme
mechanica

8e klas
ook alle thema’s behandelen met een accent op hydraulica en 
aerodynamica   

Duur:
Minimaal 3 è 4 dagen voor één onderwerp.
Ieder thema exemplarisch behandel. (In de bovenbouw sterker thematisch)

Aanpak:
=Het allerbelangrijkste is om bij de kinderen ‘interesse’ en een ‘vraagstelling’ die vanuit de ‘verwondering’ ontstaa,t wakker te roepen.

= Zo met verschijnselen omgaan dat in directe bewoordingen uitgesproken wordt wat de waarneming en de beleving biedt, (waarnemingsoordelen).

=Vervolgens je verstand gebruiken om inieuwe proefopstellingen, waarnemingsmogelijkheden te creëren.

=Verwante fenomenen zoeken en die ernaast plaatsen (vergelijkende methode).

Eenzijdige wegen:
=veel vertellen, weinig proeven
=alsmaar (spectaculaire) proeven doen.

Zoek een afwisseling en evenwicht tussen de sympathie-(waarnemen) en antipathiekrachten (voorstellen, herinneren, begrijpen).

In het waarnemen trek je de kinderen naar buiten, gericht op de natuur, waarnemend verbind je je met de natuur.
In het voorstellen en begrijpen verbindt het kind zich met het goddelijk-scheppende in de wereld.
Het grote gevaar in de huidige tijd is om je in je eigen ziel op te sluiten, waardoor het ervaringsgebied ingedamd wordt.
Waarnemen en voorstellen, beide zijn de poorten waardoor de mens zich met de wereld kan verbinden.

– Doe alle proeven vooral zelf
– Voer de proeven niet te klein uit
– Laat de kinderen ook zelf proeven doen
– Klasseproeven: let op de afstand!
– Ieder thema heeft ook een specifieke behandelingswijze.

magnetisme
elektriciteit
mechanica                zijn wat wezensvreemd; je moet (ermee) doen, direct ervaren

warmte
licht                           zijn wezensverwant; ook beeld; beleving sterk

klank zit er tussenin

Pas op voor: model- en analogievoorstellingen e.d.

Bijvoorbeeld:
=elektrisch neutraal wil zeggen evenveel + en – .
= er loopt een stroom
=inleidingen geven over het vakgebied (beter is het achteraf samenvattingen te geven
=de toon komt uit de stemvrok
=alle kleuren in het licht
=definities – zoals warmte is beweging van deeltjes; mechanica is……..

een begrip verwijst naar een fenomeen, niet naar een voorstelling of model.

Het leren kennen van de wereld gebeurt niet door definities maar door inleving en karakterisering van fenomenen.

=wanneer de samenhangen van een proefversie doorzien wordt, kun je niet meer vragen ‘waarom is dit zo’.

LEERPLAN
Naast een korte karakterisering van het thema volgt een lijst met proeven die in aanmerking komen voor de betreffende klas.

Algemeen:
De thema’s zo aanzetten dat het kind er vanuit zijn ervarings- en belevingswereld bij kan aansluiten.
Voor het laatst is er bij de 6 klassers de vanzelfsprekende houding mens en wereld is een eenheid.
Daarom in de 6e klas vanuit grote samenhangen en totaliteiten naar de afzonderlijke fenomenen afdalen. Beeldend vertellen. Beleefbaar, ruimtelijk.

Voor de 7e klassen is de wereld reeds koud en leeg, het eigen innerlijk maakt zich definitief los uit de omhullende wijsheidsvolle licht- en liefdevolle warmtewereld.
Daarom in de 7″ klas uitgaan van de afzonderlijke fenomenen. De dingen zelf worden bij het vraagstellingsproces betrokken. Het waarneembare krijgt een centralere plaats ten opzichte van het beleefbare.

6″ klas
klank:
sferenharmonie
orkest zingen instrumenten lichaam toonladder interval
7e klas
klank:
stemvork toon beweging vibratie

Waarnemen (het ware ervan nemen, het uiterlijke eraf schillen; innerlijk nabootsen, meekklinken.

6e klas
licht:
(zwemmen)
kleur: harmonie in de mens
donker (zuigen)

7e klas
licht:
spiegelbeeld
schaduwbeeld
beeldvorming (camera obscura, camera lucida

6e klas
warmte:
holistisch
samenhang zon-aarde
mens-natuur (ademhaling)
atmosfeer
straling/warmte-uitbreiding
koken- zout strooien
kaars

7e klas
warmte:
‘aarde’|
isoleren
waarnemen van de warmte
eigen warmte-organisme
uitzetting

6e klas
elektriciteit:
elektrisch veld
‘de wil om te verdwijen
egoísme

7e klas
elektriciteit:
elektrische gesloten kring
‘verzet’
chemische activiteit ↔ spanning
spanning ↔ materiële kring

6e klas
magnetisme:
aardmagnetisme
kompas
veldbeeld van 1 magneet

7e klas
magnetisme:
een magneet breken
veldbeelden van meerdere magneten

6e klas
geen mechanica

7e klas
mechanica:
balans
krachten
katrol/takels
mechanismen

E.e.a. werd opgetekend uit:
Peter Landweer: leerplan beschrijving natuurkunde (6e en 7e klas)
Uitgave Geert Grooteschool Amsterdam
M.von Mackensen: Klang, Helligkeit und Wärme (6-8 Klasse)
R.van Romunde: Warmte, materie en ruimte deel 2

PROEVEN
7e klas
licht:
-kleurenleer: verduisteren/oplichten (met folies of cuvetten =kleurenfilter)

groen                    geel
rood                      blauw (cyaan)
violet                    purpur

psychische werking van kleuren

-prisma: subjectieve proeven kort herhalen
objectieve proefopstelling

heffing/breking met een lichtbundel
spiegel-beeld/ruimte:
=wat zie je wel/niet
= hoe gaan staan om iets te zien in de spiegelruimte
spiegel en glasplaat:
=1 leerling voor én achter de spiegel, wat ziet ieder  (niet) – gezichtsveld
=beeldpositie is onafhankelijk van de waarnemer
=grote spiegel bestrooien met zand/beslaan met condens
=hoe groot moet een spiegel minimaal zijn om je er helemaal in te kunnen zien
=een kaars in een glas water
= kaars (schaduwen) (gekleurde schaduw)
De spiegel kijkt voor mij.
De spiegel verspert mij de weg om mijn blik vrij in de wereld te werpen, ik moet in zijn beeldruimte kijken.
=schrijven in een spiegelruimte
=symmetrische vorm tekening
=links/rechts opdracht voor een spiegel
Spiegelpracticum’ (spiegeltje, papier, potloden)
=trek de kijklijn-richting
=2 spiegels onder een hoek (graden verdeling)
=2 spiegels evenwijdig.

 

 

 

 

– Spiegeling aan het water, hand, glasplaat.
– Schaduwbeelden:
=in het zonlicht
=gloeilamp (doorzichtig, mat
vorm, grens (onscherp
=oplichten (kleur) ↔ schaduw (duister)
= spiegeling (bespiegelen, fantasie, illusie

 

schijnen en oplichten van de wereld

 

schaduw (duister, algemeen

– Beeldvorming – een ruimte verduisteren → 1gaatje (transparant scherm)
Dit is zeer verrassend en onvergetelijk.
=let op de kleur
= door het gaatje kijken/iemand buiten
=gaatje groter en kleiner

– Een objectieve proef opstelling:
= cam.obscura →lichtbeeld in het donker
= cam. lucida → donkerbeeld in het licht

– Zelf maken van een camera obscura
+ de afbeelding van een kaars onderzoeken
+ afstand variëren

– Lenzen:
=samendrukken of oprekken van de lichtruimte
=bril

AKOESTIEK (Akous’t ikos: – het gehoor betreffende)

7e klas
– Herhaling van het orkest, zingen en spreken
– Chladni (de beweging van de plaat)
– de stemvork:
=aanslaan
(met lange benen) – in water, neus, hoofd, tafel, bord, glas, fietsbel,ping-pongbal- Serie stemvorken (toon/afmetingen) toon – beleefbaar

vibratie -waarneembaar

– Klankkast:
=resonantiepijpje
=iedere toon zijn eigen ruimte waarin hij kan klinken
=resonantie met 2 stemvorken/2 snaren/zingen(6e )

– Trillend voorwerp:
=Chladni, lineaal. zaagblad, klepper, tandrad
= gespannen koord (proef Melde)
spanning variëren
of de frequentie variëren (frequentie en golfverdubbeling, octaaf)
=luidspreker

 

– Timbre ( meeklinken van bepaalde boventonen)
– Draad telefoon
– Hoorn met naald (draaitafel)
– Oog — oor                            oogbeweging-wereldvibratie (oog) (oor)

 

WARMTE 7e klas
De temperatuurvariaties op enige meters diepte zijn max. 1º C. Op ± 30m diepte is er een constante temp. van 8 à 10ºC. De temp.stijging in oergesteente is ± 1ºC/100m.

– Aardewarmte (mijnen, grotten, vulkanen,geisers)
– Atmosfeer: bliksem, regengoog, poollicht
– Isoleren :5 grote conservenblikken, 5 kleine potjes/blikken

=met de hand de temperatuursverschillen voelen
=dubbel glas, dons dekbed, harige trui, thermosfles, koelkast, spouwmuur, wolkendek.
=C.V., geiser (isolatie/opwarmen/afkoelen).

-Warmtewaarneming: de 3 emmerproef:
=warmte verschillen
=éénworden met de warmtewereld
=beleving te warm/te koud
=koorts/ijlen (ervaringen, dokter)
=mens (buik-hoofd)(organen) (warmtekwaliteiten)

– Uitzetting:
=lucht (handen, in water)
=water
=vaste voorwerpen (pijpjes/staven van  1½  m.)
=ring van ‘ s Gravesande
=2 scheermesjes met een munt. Spijker in een conservenblik slaan.
=rails, bruggen
=als meter gebruiken voor de warmte-toestand, dagverloop, koelkast(olie)
=vergelijken met de kwikthermometer

=ijsvorming in de natuur (isoleren, uitzetten)
glazen pot met deksel in het vriesvak
=kaars/branden:vlamonderzoek (een schaduwbeeld maken).

ELEKTRICITEIT
Schijnwerper /batterijaccu

-Batterij openmaken (zink, koolstof, zwarte pasta)
-De tong als batterij (waar het ’t hardst prikkelt is volgens afspraal -(min)
=zink en koolstof
=andere materialen (schoonschuren)
welke prikkelt: allumium, zink (-), ijzer, tin, lood, koper, zilver, goud (+) koolstof (+)

– In een glazen pot:
=batterij onderdelen (salmiak= amoniumchloride, mangaanoxide of waterstof-peroxide)
chemisch aantasten van de plaat (—)

– In serie schakelen van zink- koperplaatjes via de tong
– 2 metalen platen (zink, koper) met een vloeipapier ertussen (doordrenkt met een zuur) (5% zwavelzuur)
– Voltazuil (koper/papier/zinkplaatjes)
– Gesloten kring proeven met een accu/batterij
=draad gloeien (lengte variëren, lampje)
=schakelaar + lampje
=magnetisme

Warmte en magnetisme hangen samen met de chemische activiteit van de accu.
De spanning is niet meer direct waarneembaar of beleefbaar.
Batterij 1,5 volt, 4,5 vol,t accu 12 volt.
De sterkte van het magnetische effect (⊥ op de draad) is een maat voor de intensiteit van het chemische en warmte-effect.
(In het dagelijks taalgebruik wordt dit stroom genoemd – een begrip dat naar een modelmatige voorstelling verwijst.)

– Maak een electro-magneet (koperdraad op een spijker(s)) (batterij 4,5V)
– Een magneto-meter

— onderzoeken van het chemisch actieve (-) en passieve (+) metaal
– Korte, dikke draden → grote warmte, magn. en chem. activiteit
=welke stoffen/vloeistoffen bevorderen of remmen het kring-effeet. (Kunststoffen, metalen, vloeistoffen),
– Gloeilampje zelf maken (in een glazen potje hangen)

– Smeltveiligheid. (Een dun draadje dat doorbrandt wanneer de warmte-intensiteit te hoog is).
– Volta en Edison (lamp) biografie/geschiedkundige ontwikkelingen.
-spel

MAGNETISME

– Aansluiten bij de electro-magneet
– 6 klas afronden en herhalen
– Veldbeeld opbouwen (onzichtbaar werkzaam in de ruimte, magisch werkend op het ijzer, nikkel en cobalt).
Onderzoek ook het menselijk bewustzijnsveld in de ruimte, (waarnemend, voorstellend, herinnering, denken).
=kompas rondom een magneet en spoel : ijzervijlsel
=veldbeelden van 2 magneten : veldbeeld van de kop van de magneet

-Een staaf magnetiseren en in stukken knippen
(idem magneten aan elkaar schakelen)

– Hoeveel keren kan een magneet zijn eigen gewicht dragen.

-Uitspraak:
Het sterke en volhardend ijzer wordt gegrepen en door de magneet in beweging gebracht en daarna gevangen gehouden in zijn krachtige armen.
Een magneet toont overeenkomst met de hemel, hij heeft ook twee vaste punten, ze liggen alleen lager.

In 1950 ontdekking van een legering die sterk magnetisch gemaakt kan worden, 43% ijzer, 33% cobalt, 18% nikkel, 6% aluminium (zeer langdurig experimenteel onderzoek) Alnico magneten

MECHANICA
– Evenwicht
=maak een grote wip, (de kinderen niet vooraf wegen. Wegen is vergelijken.
De eenheid volgt later.)
=evenwichtsbalk (je),( met een lange stang in de hand.)
=reuzenbalans, beide zijden 1 kind/meerdere kinderen
=balans in de klas  (verhaal uit het Egyptische dodenboek) .

=maatlat op een potlood (wegen – vergelijken)
=lange stok op 2 vingers (naar binnen bewegen)
=het evenwichtspunt zoeken van voorwerpen, leerlingen, (over een wip gaan liggen). (Ophangen of kantelen).
=een mobile, evenwichtskunstenaar maken.

 

=meetlat op een potlood (pepermuntjes)
halveren van de arm, dan verdubbelen van het gewicht
=koevoet, breekijzer. (Het effect van de kracht is groter naarmate de arm groter is). Boomstam als hefboom, auto optillen.

Guldenregel: wat aan kracht gewonnen wordt, gaat aan weg/arm verloren.

voorbeeld:

1. we constateren er is evenwicht
2. getalsmatig komt dit evenwicht nogmaals tot uitdrukking 2 x 1 = 5 x 4

=windas
=gereedschap, kruiwagen

Krachten:
=Touwtrekken (2 partijen, 3 partijen, spel)
=touwtrekken – 2 personen, touw om een boom, paal, katrol.
= vast katrol (elkaar ophijsen)
=los katrol (kracht halvering)
= takelblok ( aantal meters touw en stijghoogte)
=met garenklosjes ijzerdraad en koord een hijs-inrichting maken.

Mechanismen;
=Slagroomklopper, fietsbel, brievenweger, kettingoverbrenging (fiets), molen

.

Dit verslag werd gemaakt door Jan van Gils, nadere gegevens onbekend

Dit verslag zal wellicht niet overal even duidelijk zijn. In de loop van de tijd zal geprobeerd worden met verwijzingen naar artikelen eventuele onduidelijkheden te verhelderen.
.

12-jarige kind

Natuurkunde: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-3)

.

MAAN, ZON EN DIERENRIEM

‘Siehst du den Mond dort stehen?
Er ist nur halb zu sehen
Und ist doch rund und schön.
So sind gar manche Sachen
Die wir getrost belachen,
Weil uns’re Augen sie nicht sehen.

Een poging tot vertaling:

Zie je de maan daar staan?
’t Is maar een halve maan
Die was toch rond voordien.
Zo zijn er vele zaken
Die wij belachelijk maken
Omdat onze ogen ze niet zien. ’

3e couplet van een gedicht van Matthias Claudius

Vijfenveertig jaar geleden liep ik met iemand, op weg naar een lezing die hij moest houden, door Amsterdam. We zagen de volle maan boven de huizen staan. Hij zei: ‘De maan staat in de Leeuw.’ Ik was zo geïmponeerd, dat ik niets zei, want ik wist toen niets over maan en sterren. Ik had geleerd, dat de maan ‘schijngestalten’ heeft en dat maan en planeten een baan langs de dierenriem beschrijven. Ook, dat we dit de zon zien doen, gedurende een heel jaar. En dat die dierenriem uit twaalf sterrenbeelden bestaat, in elk waarvan de zon ongeveer een maand lang ‘staat’, afhankelijk van de grootte van het sterrenbeeld.

Maar hoe beleefden de mensen vroeger deze verschijnselen aan de hemel en hoe doen wij dat nu?

In de zestiende eeuw kende men deze gang van de zon langs de dierenriem zeer goed. Getuige daarvan zijn onder andere de zogenaamde ‘getijdenboeken’, al of niet met een kalender, waarop men zijn aantekeningen kon maken. Twaalf miniaturen beeldden de meest voorkomende werkzaamheden uit, die in de opeenvolgende maanden aan de orde waren: snoeien van vruchtbomen en wijnstokken, sprokkelen, ploegen, zaaien, hooien, maaien van koren, oogsten van wijndruiven, hoeden van zwijnen in eikenbossen, ter jacht rijden.

Sommige miniaturen toonden de behaaglijkheid binnenshuis in januari, het genot van een wandeling met zijn tweeën in het voorjaar, of een rit te paard (ook met zijn tweeën en op één paard!) in de wonderschone meimaand.

sterrenkunde-7

Uit: ‘Les très riches heures du Duc de Berry’

Boven de schildering van elk tafreel is uitgebeeld, in welk dierenriemteken de zon in die maand staat.

Er is zo’n getijdenboekje bewaard gebleven, getiteld: ‘Meister des Dresdener Gebetsbuch’, dat vervaardigd is door Friedrich Winklers, tussen 1470 en 1500 in Brugge. Ook is bewaard gebleven ‘Les très riches heures du Duc de Berry‘ (die leefde van 1340 – 1416) Daar hoort een geïllustreerde kalender bij, geschilderd door de gebroeders Van Limburg. Men ziet daar, boven elke schildering van de maand, de zonnewagen langs de hemelboog trekken met de dierenriemafbeeldingen. Gedeeltelijk zijn deze miniaturen als prentbriefkaarten in de handel.

sterrenkunde-8

Uit: ‘Les très riches heures du Duc de Berry’

De namen van de dierenriemtekens stammen uit een veel oudere tijd, uit een mythologisch tijdperk, dat aan het historische vooraf ging. In die tijd hadden de mensen het verstandelijk denken nog niet zo ontwikkeld als tegenwoordig. Zij beschikten over een soort beeld-bewustzijn. Zij namen gestalten van goden en andere wezens waar, die scheppend werkzaam waren in de natuur.
Elisabeth Mulder beschreef in het boekje ‘Zon, Aarde en Mens’, hoe we ons een voorstelling kunnen maken van de bewustzijnstoestand van bijvoorbeeld de oud-Perzische cultuur, zoals die blijkt uit documenten als de ‘Zendhvesta’.

De oud-Perzische mensheid aanbad een goddelijk lichtwezen: ‘Ormudz (of Ahura Mazdao) dat als tegenspeler de god van de duisternis had: Angromanyu (of Ahriman). Een citaat uit genoemd boekje:

‘Ahriman maakt het moeilijk voor de mens, het volle licht van Ormudz te verdragen en trekt als een gordijn het blauw van de hemel voor het licht van Ormudz. Maar de twaalf Amshaspands maken na elkaar twaalf openingen in dat blauw en zo kan de mens toch het volle licht van Ormudz deelachtig worden…’

‘De twaalf sterrebeelden werden beleefd als machtige engelwezens, die ieder een deel van de lichtkosmos openbaarden. Ahura Mazdao (betekent grote aura of grote wijsheid) was de gehele kosmos, door hemzelf geschapen en zijn kleed werd gevormd door lichtwezens, die tevens zijn eigen schepping waren’.

De vroegere mensheid nam aan de hemel die lichtwezens waar, verschillend van kwaliteit en karakter. De machtige invloed, die van hen uitging, herkende men op aarde in bepaalde dieren, maar dan afgezwakt zoals bijvoorbeeld in leeuw, ram en stier.

Een dergelijk waarnemingsvermogen is totaal verloren gegaan in ruil voor ons individuele verstand. Om de oude mythologische wijsheid te benaderen zou een ontwikkeling van een nieuw beeldbewustzijn nodig zijn.

Drs.F.H. Julius wijst een weg in deze richting in zijn boek: ‘De Beeldentaal van de dierenriem’. Hij beschrijft onder andere het voorkomen van die bepaalde dieren in de natuur, die ‘model staan’ voor het dierenriembeeld. Hij schildert de levensomstandigheden, het milieu, de gestalte, de levenswijze en speciale karakteristiek, en vele andere zaken. Het is een zeer waardevolle hulp om enig begrip te krijgen voor de scheppende machten van de kosmos.

Terwijl de zon een heel jaar nodig heeft om de baan langs de dierenriem te doorlopen voor onze waarneming, legt de maan die weg af in ruim 27 dagen, dit wordt de siderische maand genoemd. Als de maan dan op dezelfde plaats is aangekomen, is ondertussen de zon in een volgend sterrenbeeld te zien, want die staat ongeveer een maand in hetzelfde beeld om de zon in te halen, bijvoorbeeld van volle maan tot volle maan, duurt 2 dagen langer. De zogenaamde synodische maand duurt 29 1/2 dag.

Dat aarde, zon en maan met elkaar te maken hebben is genoegzaam bekend. De invloed van de maan op eb en vloed is daar een voorbeeld van. Van welke aard de maaninvloed op het plantenleven is, wordt op vele plaatsen onderzocht. Van biologisch-dynamische en antroposofische zijde zijn Dr.L. Kolisko en Maria Thun bekende onderzoeksters. Zij vermoedden, dat de kosmische invloed voornamelijk werkzaam was vóór en in het beginstadium van de ontwikkeling van de plant. Dus bij zaaien en planten, ja, zelfs bij grondbewerkingen vóór het zaaien!

Jarenlang is er op proefvelden dagelijks gezaaid en tenslotte vond Maria Thun, dat vier verschillende typen van plantenvormen bij eenzelfde plantensoort elkaar regelmatig afwisselden. Zij raadpleegde een sterrenkalender waarin onder andere de maanstand ten opzichte van de dierenriem was opgetekend.

Daar de maan in ruim 27 dagen langs 12 sterrenbeelden gaat – duurt de stand in één beeld soms 2, hoogstens 4 dagen, afhankelijk van de grootte van het dierenriembeeld. Nu viel te constateren, dat bij de overgang van de maan van het ene sterrenbeeld in het andere, de tijdens die periode gezaaide planten van type veranderden. Duidelijk onderscheidden zich 4 typen, waarbij telkens één speciaal element overheerste – ongeacht de plantensoort. Dit verschil uitte zich in:
a. een krachtige wortelontwikkeling
b. een goede ontwikkeling van stengel en blad
c. een overheersing van de bloei
d. een rijke vrucht- en zaadvorming

Voor Maria Thun begon er toen een klok te luiden: er bestaat een relatie tussen deze symptomen en de ‘elementenleer van de Grieken.’ Zij noemden de verschijningsvormen, waarin de aardse stoffen voor kunnen komen geen aggregatietoestanden: vast, vloeibaar, gasvormig. Zij noemden echter alles wat vast is: ‘aarde’, al het vloeibare: ‘water’, al het gasvormige: ‘licht’. Zij voegden daar nog een 4e toestand aan toe: de warmte, als overgang van de stoffelijke vorm naar de onstoffelijke.

Als bij de plant de wortelontwikkeling domineert wijst dit op een speciale
activiteit van de minerale en organische toestand van de grond, het ‘element aarde’.
Een goede blad- en stengelontwikkeling is het gevolg van de hoedanigheid van de sapstromen, het vervoer van de voedzame stoffen van de wortel naar de bovengrondse plantendelen en omgekeerd, door het element water.
Een rijke bloei wordt bevorderd door het toetreden van veel licht, door het element lucht.
En tenslotte komt een goede vrucht-en zaadvorming tot stand, als er voldoende warmte beschikbaar is.

De doordringing van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur brengen leven tot stand.

Als in de winter warmte en licht voor een deel verdwijnen, het water tot ijs wordt, de aarde verstart, is het uiterlijke leven ook verdwenen. Tot in het voorjaar weer licht en warmte de aarde toestromen, het water en de aarde op de juiste temperatuur brengen, zodat nieuw leven begint.

De klok luidt – maar waar hangt de klepel?

De vier ‘elementen’, aarde, water, lucht en warmte zijn dragers van een onzichtbare activiteit, van het leven Het leven verschijnt in een aardse gestalte en verlaat die na verloop van tijd weer. De aardse gestalte is tijdelijk, maar het ‘wezen’ is blijvend, nu eens zichtbaar, dan onzichtbaar. Het ‘wezen’ achter die gestalte is echter primair. De oorsprong van al het zichtbare is van geestelijke aard. Van geestelijke aard zijn ook de werkingen uit de kosmos, de zon is levenscheppend, de maan vooral groei bevorderend en de planeten veroorzaken onder andere de veelvuldigheid van verschijningsvormen.

Een oude overlevering deelt de 12 dierenriembeelden in 4 groepen van 3, die te maken hebben met warmte, lucht, water en aarde.

Zo heeft de leeuw een affiniteit tot warmte, de weegschaal tot lucht, de vissen tot water en de stier tot aarde. We kunnen met behulp van sterrenkalenders en sterrenkaarten door de jaren heen waarnemingen doen en ervaringen verzamelen. De gang van maan en zon aan de hemel volgen, dan is het niet zo onwaarschijnlijk, dat je bijvoorbeeld in augustus aanvoelt, hoe de kwaliteit van de leeuw samen met de zonnestralen de aarde bereikt, zodat onder andere granen en vruchten rijpen kunnen. Hoe de schorpioenzon in het najaar de natuur doet kwijnen en afsterven. Hoe in april en mei de ram- en stierzon het leven weer stuwkracht geeft.

Al deze dingen kunnen wij denkend benaderen en proberen ze te begrijpen. Met de praktische ervaringen op het gebied van land- en tuinbouw kunnen we werken. Ook een gevoelsmatige benadering is te verkrijgen, door zoveel mogelijk de sterrenhemel waar te nemen.

Waarom verheugen we ons iedere keer weer, als na nieuwe maan het smalle sikkeltje te zien is aan de westelijke avondhemel? Waarom volgen we
gefascineerd het wassen tot volle maan en vervult ons de steeds verder afnemende maan met een wat spijtig gevoel?

We horen al het luiden van de klok. Beseffen we dan, dat in de onzichtbare wereld de klepel hangt?

Mienke de Boer, Jonas 11, 26-01-1979

.

E.Mulder: ‘Zon, aarde en mens’

F.H.Julius ‘De beeldentaal van de dierenriem’

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

plantkunde: alle artikelen

1171

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-3)

.

Joop van Dam, arts, Weledaberichten 165, Pasen 1995)
.

OVER DE WARMTE

In de oude culturen sprak men van de ele­menten aarde, water, lucht en vuur. In de mythologische verhalen wordt uit deze vier substanties de aarde geschapen en ook in de eerste filosofische verhandelingen gaat men van deze vierheid uit. Als in de 16e eeuw de nieuwe natuurwetenschap ont­staat, verdwijnt het element van de warmte van het toneel. De redenering daarachter is dat er maar drie agregatietoestanden zijn van de aardse stof: vast, vloeibaar en gasvormig. Warmte kan alleen invloed uitoefenen op de overgang van de ene naar de andere aardse toestand.

De mens heeft een bijzondere relatie met de warmte. Alleen de mens kan met het vuur omgaan: waar vuurresten gevonden worden is menselijke cultuur geweest. Ook heeft de mens, evenals de warmbloedige dieren, het vermogen om zelfstandig een constante lichaamstemperatuur te bewaren.

De warmte kan, in tegenstelling tot de andere elementen, alles doordringen. Bij ziekten met koorts (zogenoemde warme ziekten) zie je dat: het hele organisme wordt van top tot teen in de smeltkroes van het vuur ondergedompeld. Waar het li­chaam zijn gezonde samenhang dreigt te verliezen, treedt vaak de koorts op. Door verhoging van de temperatuur worden de zelfgenezingskrachten aangevuurd om weer een nieuw geheel te vormen. Na afloop van de ziekte is de mens dan beter (dan hij tevoren was). Naast deze vormkracht hebben de warme ziekten ook een vorm in de tijd, waardoor ze zichzelf begrenzen. Een longontsteking bijvoorbeeld heeft haar hoogtepunt bij de 7e of 9e dag: daarna neemt zij af. Daarom wordt koorts, in de vorm van thermotherapie, toegepast bij bepaalde koude ziekten (ziek­ten waarbij zich geen koorts voordoet, bijvoorbeeld kanker).

Het is terecht, dat de warmte ten opzichte van de drie elementen lucht, water en aarde een aparte plaats heeft gekregen, want het heeft niet alleen een aardse, maar ook een geestelijke kwaliteit. De warmte vormt de brug tussen de menselijke geest en zijn lijfelijke behuizing. Als men ergens innerlijk enthousiast (vurig) over raakt, is dat tot in de lichamelijke warmte merkbaar. Ook blijkt dat de innerlijke houding die iemand ten opzichte van een ziekte kan veroveren, zich uitdrukt tot in het lichame­lijke (bijvoorbeeld in de hoeveelheid van bepaalde afweereiwitten).

Bij de bereiding van stoffen tot geneesmiddelen worden vaak warmteprocessen ge­bruikt. Er zijn verschillende warmteprocessen, zoals een koud uittreksel (extract) maken, verwarmen tot 37 graden of destilleren. Deze verschillende warmteproces­sen sluiten elk aan bij een bepaald gebied of een bepaalde functie in het lichaam. Op deze manier krijgt de warmte de plaats weer terug, die zij verdient te hebben.

Bovenstaand artikel hoort bij een serie over:

aarde [6-4/1]  water [6-4/2]  lucht [6-4/2]

warmte  [1]   [2]
.

antroposofisch leven: warmte

798

VRIJESCHOOL – menskunde en pedagogie – warmte (11-2)

.

DE WARMTE ALS BASIS VAN AL HET LEVEN

De mens is in steeds toenemende mate onafhankelijk, in tegenstelling tot de planten en dieren die op deze aarde op een zodanige wijze thuis zijn, dat ze altijd aan een bepaald klimaat aangepast zijn. Hij kan bijna overal leven, van de equator tot aan de pool, vanaf de laagvlakte tot in het hooggebergte. Hij kan zelfs afwisselend aan verschillende zones wennen en voor korte tijd de grenzen van de levensmogelijkheden overschrijden, die anders gesteld zijn. De dieren zijn in bepaalde elementen ware meesters: b.v. de mol en het varken in de aarde, de vissen in het water, de vogels in de lucht. Alleen in het element van het vuur is geen enkel dier thuis: slechts de mens kan het vuur han­teren — in ’t bijzonder het innerlijke vuur. De warmte is dus zijn eigenlijk „te­huis”. Daarin leeft het Ik. (F. Nietsche: „Flamme bin ich sicherlich!”). In het lichaam moet de temperatuur op een kunstige wijze tegen de verschil­lende storingen van buiten of van binnen uit in evenwicht gehouden worden. IJskoude ademlucht, hete of koele dranken, vooral echter de bezigheid van de mens (beweging) beïnvloeden voortdurend de temperatuur. Dat alles wordt ver­werkt en op 37°C. in evenwicht gebracht. Aan de voeten zou 30 tot 33°C. bereikt moeten worden. Het in evenwicht brengen van deze temperatuur geschiedt heel precies. Het stromende bloed schept hier voortdurend evenwicht. Dit hele ruimtelijk-tijdelijke proces kan gezien worden als zelfstandig warmte-organisme. In de dagelijkse beoefening van de omgang met de warmte schept het organisme een warmtecurve die — zoals bekend — ’s avonds iets hoger ligt dan ’s morgens. De meest verbazingwekkende prestatie van deze geheimzinnige autonomie is het omvormen van koude in warmte. ’s Winters kunnen we leren, de grootste uiterlijke koudeprikkelingen met een des te groter intensievere warmte te beantwoorden en op een dergelijke manier wordt ook de zomerwarmte ,,verteerd”. Dat is een eigenschap van ons warmte-organisme, vooral van onze huid en wanneer dit vermogen niet voldoende functioneert, ontstaan er verkoud­heden. Zo wordt begrijpelijk, dat ook bij grote hitte vaak verkoudheden optre­den en verder meestal bij temperatuursovergangen. Een voortdurend optreden van een eenzijdige onvoldoende aanpassing geeft aanleiding tot typische ge­voeligheden: er zijn mensen, die het nooit warm genoeg hebben en die zich pas in een zuidelijk klimaat helemaal goed voelen; anderen vinden warmte ondragelijk. Moeilijker wordt het, wanneer dit elkaar overlapt — b.v. wanneer het hoofd koelte verlangt, terwijl de reumatische ledematen warmte nodig hebben. Bij dergelijke mensen blijkt dat het uitwijken in een verdraaglijker temperatuur niet de enige oplossing is, maar dat de menselijke grondeigenschappen om alles te kunnen overwinnen, versterkt moet worden. Hoe doet men dat? Men spreekt vaak over „harden”, wat maar al te vaak uit­sluitend in de toepassing van kou wordt gezocht. Maar zelfs de oude Kneipp (1821-1897) was daar zeer voorzichtig mee en gebruikte kou alleen als doel om warmte op te wekken. Wanneer dat door kou niet alleen te bereiken was, schreef hij b.v. een waterbehandeling met wisselende temperatuur voor, of in een zak met vochtig warm hooi. De huidige mens, die vaak al van kindsbeen af in zijn warmteregulatie gestoord is, moet nog veel meer letten op zijn door stress verminderd reactie-vermogen dan de mens van de vorige eeuw. Een be­langrijk symptoom voor de warmtehuishouding is de temperatuur van de voe­ten (tussen de tenen te meten): is die onder 30 graden, dan moet door verwar­mende maatregelen, vooral door beweging, dit tekort aangevuld worden. Veel kan op dit gebied ook gedaan worden door een gezond verwarmende kleding. De huidige mode schrijft vooral de vrouwen een manier van kleden voor, waar­bij meestal aan de voeten slechts 20 graden bereikt wordt. De moderne synthetische stoffen hebben uitmuntende technische eigenschap­pen, maar voor de gezondheid van de mens zijn ze van geen waarde. Wol on zijde daarentegen zijn als natuurlijke stoffen goed voor de mens. Ook dons (een natuurstof) — want de vogel waarvan ze afkomstig zijn, heeft voor zijn broedsel een sterke warmte-ophoping nodig. Daarom zijn donzen dekbedden uitstekend voor mensen, die overdag veel in de buitenlucht werken en ’s nachts zo lekker „broeien” willen. Wie geestelijk werk verricht, zal hier zeker aan wol de voorkeur geven. Wanneer we bij de verwarming van onze huizen de terugkeer van het oude houtvuur als het beste ervaren, dan worden we weliswaar „romantisch” ge­noemd, maar het stijgende aantal open haarden bewijst toch, dat steeds meer mensen tenminste voor de feestdagen het levendige spel van de vlammen als aangenaam ervaren en daarin de ontmoeting vinden met een warmte-kwaliteit die verloren is gegaan. De warmte-kwaliteit speelt ook voor de voedingsmiddelen een rol, die tegen­woordig nog niet genoeg in het oog gevat wordt. Het is bekend, wat voor in­vloed te lang koken heeft. Maar wat voor ingreep in de structuur van de voe­ding betekent het diepvriezen of een langdurige afkoeling in de ijskast? Waar de voedings- en gezondheidswaarde juist op dergelijke fijnheden berust, wordt het begrijpelijk, dat de gebruikelijke massale aflevering van levens­middelen op grond van de huidige techniek zo weinig bevrediging geeft. Dat geldt vooral in hoge mate voor alle maatregeling bij de genezing. Hierbij zou de electrisch geproduceerde warmte tot noodgevallen beperkt moeten worden, inplaats van een electrisch kussen zou de kruik of nog liever zand of een hooizak gebruikt moeten worden. Ook het electrisch verwarmen van b.v. de sauna verschaft niet dezelfde genezende atmosfeer, die bij vlammenwarmte (gas enz.) mogelijk is. Men komt door nauwkeurige waarneming onherroepelijk tot het begrip van de warmte-kwaliteit, dat men zich thans opnieuw moet veroveren. Slechts weinig mensen zijn in staat hiervoor de in dit opzicht gunstige levensomstandigheden te scheppen; meestal is het voldoende tenminste dat te doen, wat mogelijk is. Wanneer men eenmaal moedig een begin heeft gemaakt, dan openen zich vaak poorten, die gesloten leken. Want het doen op zichzelf is al een warmte-beleven! Iemand die het koud heeft kan moeilijk tot een besluit komen, een hand die koud is kan niet veel doen en is tenslotte niet meer in staat zich te bewegen. Maar waar moet het begin vandaan komen, wanneer de startwarmte ontbreekt? Wat we tot dusver beschreven, heeft het oogmerk gericht op de fysiek meetbare warmte, die de mens omgeeft. Er zijn echter nog onzichtbare warmtebronnen in de diepte van de menselijke ziel, waaruit het innerlijke vuur stamt. Men kan zich bv. in de „warme stem” uiten — of verborgen blijven en slechts waarneembaar voor een ander hart. Het hart is immers oorsprong en doel van de warmte. Men is „vuur en vlam” voor een aangelegenheid die het hart betreft. De vraag of er in een mensengemeenschap een harmonische stemming of een anonieme onverschilligheid heerst, is afhankelijk van de mate van hartelijke omgang. Vooral voor de kinderen (of voor degenen die van ons afhankelijk zijn) is dit van groot belang, want ook hun lichamelijke warmte kan zich niet ten volle ontwikkelen zonder deze diepere warmtebron. Even noodzakelijk is een dergelijk „geneesklimaat” voor alle therapeutische maatregelen – alle uiterlijke factoren kunnen dit niet vervangen. En omdat het genezen tot de kunsten behoort, zijn alle andere kunsten ermee verwant en bevorderen dit. We kunnen tegenwoordig voor een hartinfarct nog geen definitief lichamelijk voorteken aanwijzen; een mens kan erdoor overvallen worden, ook dan, wan­neer hij zojuist „zonder aanwijsbare symptomen” uit het ziekenhuis komt. Misschien zal men eens het zielenvuur geheel objectief en niet alleen „poëtisch”, als een wezenlijk criterium bij de diagnose betrekken en op die manier dit geheim van een „hoger standpunt” uit kunnen beschouwen. Hetzelfde geldt ook voor de steeds groter wordende groep van ziekten, die lichamelijk noch herkenbaar — noch te genezen zijn. Al het praten over de ziel blijft irreëel — wanneer men die niet in haar verschijningsvormen duidelijk kan herkennen. Virchow (1821-1902) moet gezegd hebben dat hij bij ontelbare secties op lijken geen spoor van een ziel heeft kunnen vinden. Daartegen kan men inbrengen dat de ziel alleen bij levende mensen gezocht moet worden. Voor de warmte betekent dat: uit de innerlijke zielenwarmte ontstaat de lichamelijke warmte en hernieuwt zich bij gezondheid en ziekte daaruit steeds opnieuw. Het raadsel van de schijnbaar alleen maar lichamelijke warmte heeft, wanneer men het zo beschouwt, een nieuw aspect. Wanneer heeft bv. iemand koude voeten en als gevolg daarvan hoofdpijn of moeite met het denken? — Zijn ziel is nog te weinig op aarde aangekomen en kan de harde feiten niet met een warm hart tegemoettreden en krachtig aanpakken. Men kan bij het intreden van de genezing inzien dat dit niet alleen maar met symboliek geladen beelden zijn, want beide kanten verbeteren in gelijke mate. Het „psychosomatische” onderzoek kent talloze van dergelijke voorbeelden. Maar vanwaar komt dat vuur van de ziel? Hier moet ons een beeld helpen: de stromen dragen het levenwekkende vocht door het land; op een dergelijke ma­nier doet de warmte dit in het lichaam. De rivieren halen het water uit het gebergte met hun bijna onuitputtelijke gletsjers en die hebben het weer uit de sneeuw, die jarenlang is gevallen, d.w.z. uit hemelse hoogten. Op een dergelijke manier heeft de „zielenwarmte” haar „hemel” in het vuur van de geest, waaruit ze gevoed wordt. Terwijl de ziel het meest intieme van een wezen omsluit, opent de geest zich voor het universum. (Toen Schubert de muziek voor de Erlkönig schiep, vonden zijn vrienden hem in een „vlammend enthousiasme”). Daarmee is de edele herkomst van de warmte enigszins aangestipt — als vuur van de ziel wil ze de menselijke samenleving haar gaven ter beschikking stellen. Wohltatig ist des Feuers Macht, wenn…..” Wee echter, wanneer ze — teruggestuwd en op drift geslagen — vernietigend uitbreekt als onbeteugelde hartstocht! Alleen de terugkeer tot het louterende geestesvuur is in staat nog ge­nezing en harmonie te herstellen. In het warmte-orgaan van het hart leeft immers ook de stem van het geweten, die de weg kan wijzen. Wanneer de mens die hem geschonken warmtestromen op een juiste manier kan hanteren, ont­staat er een stralende omvorming in de ouderdom. Deze op een goede manier gewonnen kracht, deelt zich aan de gehele omgeving mee. Behalve de mede­mensen treft ze daarbij de wereld van de planten, de dieren, de elementen. Ze kan in een achteloos egoïsme deze rijken verzieken, zoals dat tegenwoordig in de allergrootste mate het geval is. Maar ze kan ook, wanneer ze tot zelfbe­zinning is gekomen, de gehele omgevende wereld eens opheffen in een mens­waardige toestand. Het gelouterde begrip van de warmte als hemelsgeschenk, betekent het begin van een gezondmaking van de levende aarde.

(Dr. S. Pressel, Weledaberichten 95, dec.1972)
.

warmte [1]   [3]
.

antroposofisch leven: warmte]
.

797

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie- warmte (11-1)

ORGANISCHE EIGENWARMTE ALS ONTWIKKELINGSGANG

De warmte bij mens en dier
Wij mensen zijn van nature warmtewezens. De warmte geeft ons zonder meer een gevoel van welzijn, dat ons zo doordringt en doorstroomt, dat we nauwe­lijks kunnen onderscheiden, waar het een vermogen van het lichaam en waar een vermogen van de ziel is. Wanneer men spreekt over de warmte van een medemens, dan bedoelt niemand diens lichaamstemperatuur, maar iets dat niet lichamelijk is en dat niet beter omschreven kan worden dan met het woord warmte. En toch is het merkwaardige daaraan, dat beide kanten van de warmte nauwelijks te scheiden zijn. De ,,nestwarmte”, die ieder kind nodig heeft, be­staat even goed uit warm voedsel, kleding en woning, als in de psychische
ge­borgenheid van de atmosfeer in het gezin. De zuigeling ondergaat beide
on­gescheiden in de armen van de moeder; ja zelfs zijn in iedere omarming van een geliefd mens zielenwarmte en levenswarmte één.

warmte 1

het kind heeft ‘nestwarmte’ nodig, d.w.z. levens- en zielenwarmte inéén

We kunnen dit geheim van de menselijke warmte tegenwoordig ook langs natuurwetenschappelijke weg naderbij komen. Daartoe willen we in het hierna volgende iets over de veelvuldige wijze waarop leven en warmte verbonden zijn, beschrijven. Daarbij kan een eenvoudige uiteenzetting reeds veelzeggend zijn, omdat de natuur tegenwoordig toch openligt voor onze blik.

Leven is mogelijk, waar een afgewogen maat aan warmte aanwezig is. Waarom is dit juist op aarde zo? Omdat ze zelf al een eigen warmte-omhulling heeft. Waar — zoals op de maan — de straling van de zon onmiddellijk op de naakte bodem kaatst, zijn er alleen uiterst hete (+ 150°C) en — wanneer de zon afge­keerd is — bijkans op slag uiterst lage temperaturen (— 150°C). Op de aarde worden door lucht- en wateromhulling, de atmo- en hydrosfeer, de tegenstel­lingen minder scherp. Reeds in de bovenste luchtlagen worden de hoogte- en ultraviolette stralen, die voor het leven te rijk aan energie zijn, voor het grootste deel opgevangen en in warmte omgevormd. In de onderste atmosfeer is het het weer dat onophoudelijk voor een evenwicht tussen de dag- en nachttemperaturen, zomerhitte en winterkou, tussen land en zee en alle klimaatzones zorgt. Het is vooral het water, dat in de wisseling van zijn toestand voortdurend een teveel aan warmte opzamelt en hier of daar weer vrijmaakt, waar het landschap teveel afkoelt. De geweldige watermassa’s van al het zoet- en zout water zijn de grootste warmtestabilisatoren, omdat het water een bijzonder hoog vermo­gen heeft om warmte vast te houden (specifieke warmte). De oceanen b.v. slokken overal waar de zon schijnt, geweldige hoeveelheden warmte op, en bewaren die nog lang, ook gedurende de koude jaargetijden en in de buurt van de polen — een onvervangbare hulp voor het leven op de aarde. Ontelbare zee-organismen leven zo in een omgeving met een verbazingwek­kend gelijkblijvend temperatuur. Voor 90 procent daarvan daalt de tempera­tuur nooit onder 9°C. en komt nooit boven 19°C. Deze toestand wordt klaar­blijkelijk niet door de levensprocessen van deze zeedieren zelf tot stand ge­bracht maar komt hun eenvoudig tegemoet vanuit de omgevende warmte. Hun warmte-organisme is identiek met dat van de zee.

Nu hoort het tot de merkwaardigste feiten van de evolutie, dat vele dieren de geborgenheid in de warmte-omhulling van het water verlaten hebben en nu op het land in vergelijking daarmee aan veel grotere temperatuurschommelingen zijn blootgesteld. Dergelijke dieren met wisselende warmte, zoals b.v. een sprinkhaan of een vlinder, kunnen slechts bij een hogere warmtegraad actief zijn; bij een lagere geraken ze in een verstijving door de koude en moeten alle eigen activiteit opgeven.

Maar we hebben hier reeds te maken met het eerste vermogen van een eigen actief evenwicht: vele insecten zoeken door een passende verandering van omgeving de voor hen verdragelijke temperatuur op. Een kever kruipt bij een te hete zon weg in koele aardspleten en zoekt bij grotere afkoeling weer war­mere plaatsen op. De sociaal levende insecten gedragen zich zelfstandiger. Ze kunnen weliswaar nog niet de warmteverhoudingen in hun kleine lichamen beïnvloeden, maar wel die in hun onmiddellijke omgeving. Vele termieten in tropische landen bouwen in een Noord-Zuid richting staande kompasnesten, die dus bij de gloeiende zon in de middag op de smalste kant beschenen worden, waardoor ze de kleinste bestralingsvlakte aan de zon blootstellen, ’s Morgens en ’s avonds, bij de lagere zoninstraling van Oosten en Westen neemt de brede kant van het nest de geringere warmte ten volle op. Onze rode bosmier regelt de warmte in haar grote naaldhopen zo, dat bij overmatige hitte de ingangen verwijd worden om meer verdamping en daarmee meer verdampingskoude tot stand te brengen; bij afkoeling worden ze gesloten. Zo wordt op een diepte van 15 tot 50 cm de hele zomer door steeds een temperatuur tussen 23 en 29°C aangehouden. Alleen in de winter raken al onze mieren in een verstarring, diep in de aarde in vorstvrije bijzondere overwinteringsnesten. Maar zelfs tegen de vorst vinden we onder de insecten reeds een eerste regu­leringsmogelijkheid, en wel bij de honingbij. Wanneer de warmte in de bijen­korf onder 13°C. zakt, dan klitten alle inwoners samen tot een nauw aaneen­gesloten „wintervolk”. Op die manier hebben de meest binnenin zittende bijen het nog het warmst. Zakt de temperatuur nog lager, dan worden de bijen aan de oppervlakte onrustig, trachten in het binnenste van de tros door te dringen en brengen het bijenvolk zodanig in rep en roer, dat de bijen zich nu allemaal bewegen, met de vleugels slaan en honing opnemen, die door de be­weging tot warmte verbrand wordt. Op die manier stijgt de temperatuur van de korf tot 25°C. en wordt dan weer langzaam lager, totdat de zelfverwarming van de aan de oppervlakte zittende bijen weer wordt opgewekt. Gedurende de zo­mer wordt de nesttemperatuur binnen nog engere grenzen geregeld, nl. tussen 34 en 36° C. Bij koel weer kruipen de werkbijen op de broedcellen dicht bijeen en verwarmen deze. Dreigt het weer te warm te worden, dan wordt er veel frisse lucht naar binnen gewaaierd. Dan staan er een paar dieren aan de korfopening en ventileren met snorrende vleugels en omhooggeheven achter­lichaam; daarbij wordt er ook water naar binnen gebracht, over de honingraten uitgespuwd, zeer dun uitgebreid en tot verdamping gebracht. Al het werk ver­loopt zonder dat ze het geleerd hebben, op een instinctief en harmonisch op elkaar afgestemde manier. De honingbij beschikt dus over de meest volkomen zelf-functionerende warmteregulatie onder de ongewervelde lagere dieren.
In het rijk van de hogere, de gewervelde dieren, herhaalt zich de hele ontwik­kelingsweg van de warmte van buitenaf tot aan de eigen warmte nogmaals, zij het ook met nieuwe accenten. De vissen zijn nog zonder hun toedoen door het water beschermd tegen sterke temperatuurdaling of -stijging. De padden die aan land komen, kunnen weliswaar het vochtige milieu nog niet missen, maar stellen zich toch meer bloot aan de uiterlijke en daarmee aan de eigenwarmte­wisseling; maar vele van onze kikvorsen overwinteren nog op de grond van hun vijver. Zeer wisselend van warmte zijn dan de kruipende dieren zoals de hage­dissen, slangen en schildpadden. Zij kunnen slechts door geringe wisseling van omgeving in bescheiden omvang temperatuurtegenstellingen compenseren. B.v. zijn onze hagedissen in de hitte hoogst bewegelijk, ze worden echter reeds in de avondkoelte, bij regenweer en pas goed bij winterse koude traag en
on­onbewegelijk. Alleen de grootste slangen, de tropische reuzenslangen, verto­nen eerste kenmerken van eigen warmte: de wijfjes leggen hun lange lichaam in dichte kronkels om de perkamentachtige eieren en maken ze warmer dan de temperatuur van de omgeving.
Het zijn pas de vogels die in staat zijn het eigen organisme zodanig te reguleren wat temperatuur betreft, dat ze voortdurend de eigen warmte vormen en onbeïnvloed door de schommelingen van het milieu, de eigen lichaamstemperatuur relatief goed in stand kunnen houden. Kleine vogels (winterkoninkje 41,8°C.) zijn meestal warmer dan de grote (struisvogel 37,4°C).

De hoogst ontwikkelde dieren, de zoogdieren, beschikken meestal ook over een zichzelf regulerend, eigen warmte-organisme. Ze herhalen echter binnen de eigen soort nog een derde keer de gehele ontwikkelingsgang op hun ma­nier. Het primitiefste levende zoogdier is het vogelbekdier in Australië; het legt nog eieren met een schaal, maar zoogt reeds de daaruit komende jongen. Zijn warmtehuishouden is nog niet volledig gestabiliseerd. Het leeft in nauw ver­band met het water, waarin het ook zijn voedsel zoekt en bouwt ook holen in de aarde van de oever, waarin evenwichtige temperaturen heersen. De hun na staande snavelegels zijn echte landdieren, die in het koude jaargetijde van Zud-Australië nog bijna als kruipende dieren in de afkoelende winterverstarring vervallen. Op een dergelijke manier zijn alle vleermuizen wisselend van warm­te. Ze koelen in de winterslaap zonder dat dit hun schaadt tot aan het vriespunt af. Warm worden ze door de warmte van de omgeving en door de eigen be­weging, vooral bij het vliegen; in rust daalt hun lichaamswarmte onmiddellijk. Ze kennen geen echte warmteregulering. Een paar andere kleine zoogdieren, zoals de egel, de zevenslaper en de hazelmuis zijn ook in het winterhalfjaar wisselend van warmte en koelen tijdens de winterslaap sterk af; ze kunnen echter gedurende de zomer de eigen warmte reeds regelen. De meeste zoog­dieren echter, vooral alle hoger staande, bereiken opnieuw de volle zelfstan­digheid van de warmtehuishouding, die dan tot een autonoom, van de omge­ving volledig onafhankelijk geworden warmte-organisme wordt. Het meest stabiel wat betreft de temperatuur zijn de roofdieren, het paard en de mens.

We trachten hierbij niet anders te doen dan in de dierenwereld waar te nemen, hoe leven en warmte samen horen en zien dan hoe de ontwikkeling tot een organische eigen warmte in drie etappes plaatsvindt, die telkens de levens­processen iets meer van de toestand in de omgeving emanciperen.

Voltrekt dit proces van het zich emanciperen zich echter niet bij de ontwikkeling van iedere mens steeds weer opnieuw? Voor de geboorte is het wordende menselijke lichaam nog geheel doordrongen met de gelijkmatige omgevende warmte van het vruchtwater. Bij de geboorte wordt dan de koelte van de atmosferische lucht ervaren. Bij kinderen die te vroeg geboren worden is de eigen warmtevorming en -regulatie weliswaar reeds aanwezig, maar nog niet geheel en al werkzaam: de huid is nog te rijk aan water, dampt teveel uit en is nog niet genoeg voorzien van een vetlaag. Ook het normaal geboren kind is nog zeer labiel wat de temperatuur betreft, maar de regulering komt in een paar weken snel tot stand. Bij het eenjarige kind bedraagt de dagelijkse variatie van temperatuur nog bijna 2 graden en wordt pas in de loop van het tweede levensjaar verminderd tot op de uiteindelijke waarde van 1,4 graden bij het mannelijke en 1,2 graden bij het vrouwelijke geslacht. Ons zo bijzonder gestabiliseerde warmteproces verhindert afkoeling door bibberen (warmtevorming!) en bewegings­beperking. Onze uiterste temperatuurgrenzen liggen bij 24-26 en 44-45°C. Daaronder en daarboven is geen menselijk leven mogelijk.

We hebben een grote hoeveelheid feiten uit de natuur opgesomd. Het was daarbij steeds de vraag, hoe leven en warmte bij dier en mens met elkander samenhangen. En op een viervoudige wijze kregen we steeds hetzelfde ant­woord: bezielde wezens hebben een bepaalde graad van min of meer sta­biele warmte nodig. Eerst wordt hun dit evenwicht eenvoudig als een geschenk tot beschikking gesteld. In de geborgenheid van de omgevende warmte-omhulling gedijt de aanvang van al het leven, dat zich eenmaal zelfstandig zal maken.
Bij de volgende schrede wordt deze omhulling doorbroken en achtergelaten en nu moeten de drastisch werkende onregelmatigheden van de omgevende wereld verwerkt en trap voor trap in evenwicht gebracht worden. Dan echter wordt tenslotte weer een nieuw warmte-evenwicht bereikt. Deze warmte wordt niet meer van buitenaf betrokken, maar moet voortdurend zelf gevormd en gereguleerd worden tegenover de invloeden van de omgeving. Afhankelijk­heid van de omgeving ging telkens weer door „crises” over in zelfstandigheid. Bijen, vogels, de hogere zoogdieren en de mens verwerkelijkten steeds beter deze biologische emancipatie tegenover de dwang van de uiterlijke wisselin­gen.

De mens kan zich — door de traditie van de cultuur en door de techniek — van het natuurlijk gegevene in zoverre van de warmte bevrijden, dat hij zelfs op de maan kan rondlopen. En staat niet reeds de biologische emancipatie van zijn warmte-organisme in een reële samenhang met de grootste behoefte van de moderne mens aan zelfbeschikking?

Is niet de drang vanuit de z i e l naar vrijheid, zelfverwerkelijking en autonomie ten opzichte van elke manipulatie iets dergelijks als de ontwikkelingen, die dit proces reeds op het biologische lichamelijke gebied doorliep? Door het feit dat we zelfwerkzame warmbloedige mensen zijn, kunnen wij ook wezens worden, die zich steeds meer op geestelijk gebied zouden kunnen bevrijden.
.

Wolfgang Schad (bioloog), Weledaberichten 95, dec.1972)
.

warmte:  [2]   [3]

Menskunde- en pedagogie: alle artikelen

antroposofisch leven: warmte

761