Tagarchief: katoen

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-4)

.

OVER DE WARMTE

Overal waar mensen een initiatief nemen, kan dat alleen vanuit een
warmtekracht: het vuur van het enthousiasme voor een bepaald ideaal, dat mensen samenbrengt; ook de warme hartekracht, waarmee mensen door alle aanvechtingen van verwarring en twijfels heen, een genomen besluit doordragen en verder laten groeien. Deze warmte is een geestelijke warmte.

De mens, die in de warmte van het enthousiasme, in de liefde voor een ander mens handelt, beleeft daarin de verwerkelijking van de hoogste mogelijkheid van het mens-zijn. Hij voelt zich op zo’n moment het meest mens. De warmte is het levenselement van het Ik, van de menselijke geest.

Wanneer wij ergens warm voor lopen, voelen wij ons doortrokken van een vuurgloed: we worden ook in de fysieke lichamelijkheid verwarmd. Geestelijke warmte en fysieke warmte kunnen in elkaar overgaan.

Daar raken wij aan een groot geheim: de warmte is de brug tussen de geest en het lichamelijke van de mens; het is een punt, waar de geest in het lichamelijke ingrijpt.

Warmte staat aan het begin van alles, wat nieuw is in de wereld.

De lichamelijkheid van elke mens is geheel nieuw te midden van de hem omgevende wereld, planten en dieren.
De voeding wordt in het spijsverteringsproces van zijn plantaardige of dierlijke eigenschappen ontdaan en een volkomen nieuwe menselijke ontstaat, met substantie, die tot in alle uithoeken van het lichaam het stempel van de individualiteit draagt en die een helder instrument voor het Ik, voor de menselijke geest moet zijn.
Dit is alleen mogelijk, wanneer het Ik (met het geheel van vormende krachten, dat de “ik-organisatie” genoemd wordt) op gezonde wijze vanuit zijn warmtesfeer via de lichamelijke warmte kan inwerken op de fysieke lichamelijkheid.

Deze warmte van de menselijke lichamelijkheid heeft een heel bepaalde structuur. In de stofwisselingsorganen, geconcentreerd in de buik, alsook in de ledematen met hun spieren wordt de meeste warmte geproduceerd. Deze warmte stijgt op via de longen, waar een afkoeling plaats vindt en via het hart, dat we als het centrum van onze innerlijke warmte beleven, naar het hoofd.

Daar straalt de mens het meest intens warmte uit en daar treedt hij ook met zijn Ik in verschijning.

De warmte van de mens moeten we ons voorstellen als een zeer gedifferentieerd geheel van warmtestromingen die samen een organisme vormen, dat we de “warmte—mens” kunnen noemen.

Het menselijke organisme heeft voor het handhaven van de warmte op het voor hem passende niveau verschillende mogelijkheden tot zijn beschikking: vermeerdering of vermindering van de warmte-afgifte via de huid door de verwijding of vernauwing van de bloedvaten in de huid; verandering van het aantal ademhalingen per minuut; transpiratie, waarbij de warmte gebruikt wordt voor het verdampen van het zweet; verlangzaming of versnelling van de verbrandingsprocessen van de stofwisseling.
In tijden van hongersnood wordt niet alleen vetweefsel, maar ook spierweefsel en klierweefsel opgebrand.

Hieraan kunnen we aflezen, hoe alles ondergeschikt wordt gemaakt als aangrijpingsmogelijkheid voor de geest.

Het bevorderen van een gezonde ontwikkeling van de warmte-mens is één van de hoofdmotieven van de opvoeding. Dit verdient in onze tijd bijzondere aandacht, omdat de warmte-mens tegenwoordig vaak verkommerd is. Terwijl de temperatuur tussen de tenen van volwassen vrouwen vroeger over het algemeen ongeveer 30° bedroeg, is die tegenwoordig niet hoger dan 20°.

Welke gevolgen de verwaarlozing van de zorg voor de warmteomhulling van een opgroeiend wezen kan hebben, wil ik door twee voorbeelden laten zien.

Koelt een vogelei dat bebroed moet worden, te sterk af, dan kan een misvorming van het hart optreden (bij de mens het centrale orgaan voor het warmte-organisme en het Ik).

Wanneer een pasgeborene in zijn eerste levensuren sterk afkoelt, dan kan dit het ontstaan bevorderen van “autisme”, een verregaande contactstoornis, waarbij het kind opgesloten in zijn eigen wereldje leeft en de warmte van gevoel, die de brug slaat naar andere mensen, lijkt te ontbreken.

De lichamelijke nestwarmte is dus blijkbaar erg belangrijk als fundament voor de verwerkelijking van een innerlijke warmte, die zich kan richten op een ander mens.

Daarnaast is natuurlijk de stemming en de innerlijke levenshouding, die in het ouderlijk huis heersen, erg belangrijk.

Zij vormen het niet fysiek meetbare, maar daarom niet minder belangrijke deel van de “nest-warmte”. De warmte waarmee de ouders trachten hun eigen intuïtie, hun innerlijke richting te volgen, hun levenstaak op te nemen en vol te houden; de warmte waarmee zij zich tot andere mensen richten, over andere mensen spreken of denken, vormt er ook een belangrijk bestanddeel van. Wie een ander mens positief benadert, die, met vertrouwen in diens ontwikkelingsmogelijkheden, ruimte gevend aan diens intenties en warmtekracht, brengt tegelijkertijd iets aan innerlijke warmte bij zijn kind tot ontwikkeling. Wie een ander mens benadert op een kille manier, hem afkraakt of uitschakelt door een vernietigende kritiek, die schaadt daarmee ook iets in de warmtegevoelens van zijn kind.

Innerlijke en uiterlijke warmte zijn onmisbaar voor de groei van levensvertrouwen en levensmoed bij het kind, van waaruit hij initiatieven durft te nemen.

Wie zijn kind wil helpen om datgene tot ontplooiing te brengen, wat het als geestelijk wezen aan mogelijkheden heeft meegenomen bij de geboorte, heeft als een van de voornaamste zorgen het behoeden van deze innerlijke en uiterlijke warmte.

Het kind moet, evenals trouwens de volwassene, voortdurend een “warmte-mantel” dragen om zich als geestelijk wezen te kunnen ontwikkelen.

Wie zou het een stuurman aan willen doen om hem een schip te laten besturen, waarvan de stuurpen met boter is ingesmeerd? Deze stuurman zou geen vat op de besturing krijgen en hij zou de koers niet kunnen varen, die hij op goede gronden had uitgekozen.

In een vergelijkbare situatie bevindt zich het kind, dat misschien via het onderwijs met rijke en zinvolle inhouden in aanraking komt, maar geen goede warmtemantel heeft, zodat zijn Ik ze niet kan opnemen en er zich zo mee kan verbinden, dat zij richtinggevend voor zijn leven kunnen worden.

Warme kleding is eigenlijk voorwaarde voor het zinvol deelnemen aan het
vrijeschoolonderwijs.

Goede kleding heeft het vermogen om warmte vast te houden, afvoer van door het lichaam afgescheiden zweet mogelijk te maken en een voldoende beluchtingsmogelijkheid voor het lichaamsoppervlak over te laten.

Synthetische stoffen voldoen meestal niet aan de eerste twee voorwaarden, door de nauwsluitende mode is ook de beluchting dikwijls onvoldoende mogelijk.

Een voortreffelijk materiaal voor kleding is wol, die de warmte goed vasthoudt, dankzij het grote luchtgehalte – bij dichte kamgarens nog 60 volumeprocent. Daarbij kan wol eenderde van zijn droge gewicht aan waterdamp opnemen, zonder dat de wol nat aanvoelt. Het huidje van wolhaar stoot waterdruppels af. Voorts krijgt men een koel gevoel op de huid doordat er slechts een minimale aanraking is tussen huid en krullend woloppervlak.

Katoen houdt – in tegenstelling tot wol – slecht de warmte vast en neemt matig vocht op, altijd nog veel beter dan kunststof. Het verdient aanbeveling om wol als eerste laag op de huid (ondergoed en kousen) te dragen.

In de eerste negen jaren en vooral in de babytijd is het warm houden van het hoofd extra belangrijk, omdat de ontwikkelingsimpulsen in die tijd van het hoofd uitgaan. Hoe beter de warmte is, des te meer kan de ontwikkeling de specifieke impulsen van de individualiteit volgen. Ik wil niet beweren dat een mens helemaal niet aan de koude blootgesteld zou mogen worden.

Bij sommige kinderen is afwassing van hoofd en borst met water van kamertemperatuur zelfs een belangrijke therapeutische maatregel. Maar toepassing van koel water, zoals voor het “harden” van kinderen wordt aanbevolen, heeft alleen zin op een warme huid en in het algemeen wanneer het warmte-organisme het vermogen heeft om op koude te reageren met warmte.

Zo kan b.v. een korte, koude afwassing na een warm bad voor een niet te jong kind zinvol zijn om zijn warmte-organisatie te leren hierop te reageren.

Wij leven in een koude-cultuur, waarin het dragen van weinig kleding “in” is en waarin de koude van de twijfel, de angst en de heerszucht grote invloed uitoefent.

Wil de gezondmakende impuls, die de vrijeschoolpedagogie tracht te geven, werkelijk vormend kunnen inwerken op de opgroeiende jeugd, dan is een extra behoeden van de warmte, de uiterlijke en de innerlijke, broodnodig!

Dan kan de lichamelijkheid van het kind worden tot een helder klinkend instrument voor het Ik; dan kan het kind positieve relaties met andere mensen aangaan; dan kan het ook initiatieven leren nemen vanuit levensvertrouwen en moed.

.
Joop van Dam, arts †   Informatieblad Ionacentrum Eindhoven, nadere gegevens onbekend
.

Meer over autisme

 

Menskunde en pedagogiek: over warmte nr. 11

.

1522

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL- Grohmann – leesboek voor de plantkunde (49)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.179, hoofdstuk 49                                                                          alle hoofdstukken

 

UITHEEMSE VOEDINGSGEWASSEN

de paprika
De paprika, ook Spaanse peper genoemd [de Spaanse peper is een ander soort en is in het dagelijks spraakgebruik niet synomniem met paprika , is ons door zijn rode, scherpsmakende vruchten bekend; je kunt paprika ook gemalen als specerij kopen. De paprikaplant is nauw verwant aan de aardappel, wat je het duidelijkst aan de bloem kan zien.
De paprika komt uit het tropische Amerika, wordt echter al lang verbouwd in andere landen. Daarom heeft hij ook zulke verschillende namen. (Spaanse peper). Veel paprika groeit op het eiland waar vroeger veel Franse misdadigers werden gebracht: Cayenne, aan de oostkust van Zuid-Amerika. Daarom is er een spreekwoord: ‘Geh hin, wo der Pfeffer wächst,’ want op het eiland heerst een moordend klimaat. Hoe paprikaplanten, die tegenwoordig in Europa geteeld worden, bv. in Hongarije, eruit zien, weet ieder kind.

de pinda
Pinda’s zijn de vruchten van een vlinderbloemige met geveerde bladeren die tegenwoordig in vele warme en warmere gematigde landen op velden verbouwd worden. Het thuisland is Brazilië. De naam aardnoot komt daarvan dat de plant haar bloemstelen na de bloei geweldig in de lengte strekt, tot onder de grond namelijk. Dus de pinda is een vrucht die in de aarde rijp is geworden. Hoewel het een peulvrucht is, noemt men haar toch, wegens de harde schaal, een noot.
Pinda’s die je pellen kunt om de zaden eruit te halen, moeten eerst gebrand worden. Anders zou je ze niet kunnen eten. Aardnoten worden zowel in Amerika als in Afrika en Indonesië wegens de olie die erin zit op grote schaal verbouwd.
Waarschijnlijk zal de teelt van de olienoten alleen maar toenemen. De olie kan dienen voor de voeding, voor de bereiding van margarine, maar ook voor het maken van zeep. Natuurlijk maakt het uit of je vet of olie neemt die in de felle zon ontstaat, zoals de olijfolie of die je eerst vanonder de grond moet halen.

de olijfboom
De olijfboom die we net als de vijgenboom al uit de bijbel kennen, groeit rond de Middellandse Zee en komt daar ook vandaan. In Zuid-Frankrijk, in Italië, aan de Adriatische Zee, in Griekenland, in het Heilige Land, overal kan men in olijfboomgaarden wandelen. De olijfboom is geen grote en statige boom. Hij heeft bladeren die altijd groen zijn en aan de onderkant zilverkleurig. Je zou ze kunnen vergelijken met wilgenblaadjes en wie voor het eerst in het Middellandse Zeegebied komt en niet goed waarneemt, zou kunnen denken dat hij wilgenbomen ziet, in plaats van  olijfbomen.
Wanneer de wind de bladeren naar een kant blaast, kan de lichte onderkant overal boven komen. De bloemen zien eruit als die van de liguster. Het hout van de boom is erg hard. Dikwijls zie je oeroude olijfbomen met holle stammen en nog maar een paar takken met blad waaraan nog wat olijven-want zo heten de vruchten van de olijboom- rijpen.
Ze zien eruit als kleine pruimen. Ze kunnen de hele winter door geoogst worden, wanneer je ze nodig hebt. De olie wordt uit het vruchtvlees geperst. De kleur van de vrucht die een steenpit bevat, is bijna zwart.
De olijfboom is een ware weldoener voor de mens, in het bijzonder in die streken waar andere vetten en oliën, zoals bv. boter, door de warmte slecht bewaard kunnen worden. Bovendien kan de olijfboom zonder nadeel maanden lang droogte verdragen, ja de goede olie ontstaat pas als de zon op hem brandt. Hoezeer de olijfboom in elke tijd door de mens vereerd werd, blijkt ook uit het feit dat de olijftak al sinds onheuglijke tijden als vredesteken geldt.

de amandel
Amandelen groeien aan grote bomen die familie zijn van onze kersen- en pruimenbomen. Dus de amandelboom is een roosachtige, maar ze wordt wel veel hoger dan zijn familieleden. Hun thuisland is het Middellandse Zeegebied. Bij ons worden amandelen alleen maar onder gunstige omstandigheden rijp. De amandelboom bloeit in de eerste dagen van de lente. De vruchten behoren tot de steenvruchten, maar hier gaat het om de kern. Het vruchtvlees is leerachtig en daarom niet te eten. In plaats daarvan kunnen de zaden gegeten worden. Die zitten in de pit van de vruchten. Het zaad, de amandel natuurlijk, is dan nog omhuld door de schaal. Die kun je er gemakkelijk aftrekken, nadat je de amandel in warm water hebt gelegd. Bij de kraakamandelen is de schaal zo dun, dat je die met de hand kan breken. Sommige bomen dragen bittere amandelen waarin een gevaarlijk gif zit, waarin blauwzuur voorkomt. Daaraan kun je doodgaan en daarom moet je altijd zo weinig mogelijk  bittere amandelen eten. Wanneer je geraspte bittere amandelen kookt, bakt of roostert, verdwijnt het gif en blijft alleen de smaak over waarvoor de bittere amandel gebruikt wordt.

de vijg
Vijgen die we meestal gedroogd  aan een stuk bast geregen, bij elkaar gebonden, kopen zijn de merkwaardigste vruchten die je je kunt voorstellen. De vijgenboom is een kleine boom met grote gelobde bladeren aan breed uitgroeiende takken en twijgen. Je kunt hem al vinden in de beschutte zuidelijke alpendalen, maar vooral in Griekenland en Turkije, waar de vijgen een belangrijk fruit zijn en van waar ze naar ons komen. De vruchten die meerdere keren per jaar geoogst kunnen worden, zitten apart op korte stelen en zijn net peren. Ze bevatten veel suiker.
Een vijg is eigenlijk een vlezig geworden hele bloembodem, waarvan de kleine bloemen verkommerd zijn en naar binnen getrokken, zodat ze door het vruchtvlees omsloten worden. Daarom kun je ze ook niet zien. Wanneer je echter vijgen eet, bemerk je, dat er kleine pitjes in zitten. Wanneer je vijgen in het water weekt, dan zwellen ze en wanneer je ze dan doorsnijdt, kun je de karafachtige vorm van de vrucht herkennen. Tot het opvallende van de vijgenboom hoort ook het witte melksap dat hij bevat.

de rijst
Wat je van rijst moet weten.
Gewoonlijk weet men niet dat meer dan de helft van de totale wereldbevolking hoofdzakelijk rijst eet. Vreselijke hongersnood is het gevolg wanneer in de rijststreken van Zuidoost-Azië de regenbrengende moesonwind uitblijft, zodat de rijst verdroogt.
In het warme Azië, maar ook in Afrika en Australië, ja tegenwoordig zelfs in Spanje, Italië, Zuid-Frankrijk, Hongarije en andere landen met een mild klimaat kun je rijstvelden vinden. Ze moeten tenminste een deel van het jaar onder water gezet worden.
In China waar bijzonder veel mensen dicht opeengepakt wonen, moet het hele gezin op de rijstvelden werken, ook de kinderen; eerst om te planten, dan om te bevloeien en tenslotte om te oogsten. Rijst kan namelijk niet gelijk op het veld gezaaid worden, hij moet in bosjes worden geplant. Maar voordien moet hij op zaaibedden voorgetrokken worden. De rijstplant is een grassoort, een graan en ziet er bijna als haver uit.
In de gebieden waar rijst het hoofdvoedsel vormt, wordt hij ongepeld gegeten. Wij kopen de rijst meestal ‘glanzend’, namelijk nadat het beste, het rijstvlies, verwijderd is, opdat hij er mooier uitziet. Wie alleen van gepelde rijst zou moeten leven, krijgt een vreselijke ziekte, de beri-beriziekte waaraan men tenslotte ten gronde gaat. Het beste geneesmiddel zijn de rijstzemelen.

de rietsuiker
Rietsuiker was tot voor honderd haar, voor zich de bietsuiker in heel Europa uitbreidde, de enige suikersoort. Het land van oorsprong van het suikerriet dat er als riet uitziet en zes meter hoog wordt, is Oost-Indië. Het gedijt alleen in tropisch en subtropisch klimaat. Zeer veel suikerriet wordt tegenwoordig in India, op het eiland Cuba en op Java verbouwd. De machtig hoge riethalmen worden nog voor ze bloeien, met grote messen gekapt, fijngestampt en gekookt. Daar de plant overblijvend is, groeien er steeds weer nieuwe halmen.

De bij ons zo veel verbouwde bietsuiker is een suiker die uit een knol, dus een wortel wordt gewonnen. Rietsuiker daarentegen is een stengelsuiker, die door de tropenzon boven de aarde gevormd wordt. Tegenwoordig neemt het gebruik van rietsuiker t.o.v. bietsuiker weer toe.*

de banaan
Bananen zijn de vruchten van een plant die er bijna als een palm uitziet, maar er toch geen is. Iedereen heeft wel eens een bananenstruik op een plaatje gezien. De machtige grote bladeren die door de sorm verfomfaaid zijn, reiken tot aan de wortelstok naar beneden met hun stelen. Deze stelen die men ook bladscheden noemt, zitten om en om over elkaar heen en vormen een schijnstam. Je moet de bananenplant dus als een reusachtig kruid beschouwen.
De vruchten die je tot de bessen moet rekenen, hangen in dikwijls loodware trossen naar beneden tussen de bladeren. Ook al  worden bananen tegenwoordig in alle warme landen verbouwd, hun land van herkomst is waarschijnlijk Zuid-Azië. Zoals bij zoveel andere voedingsgewassen die de mens al sinds onheuglijke tijden cultiveert, zijn ook bij de banaan de zaden verkommert, zodat men de plant door stekken moet vermeerderen.

de ananas
Ananasvruchten zien eruit als reuze dennenappels die echter heerlijk ruiken en lekker smaken door hun sappige vruchtvlees. Maar ze groeien niet aan bomen, maar aan een kort stammetje dat maar tot kniehoogte boven de grond uitsteekt. De plant waaraan zulke merkwaardige vruchten groeien, bestaat uit een bos grote , harde, stugge bladeren die op riemen lijken. Hun thuisland is Midden-Amerika, maar ze worden tegenwoordig in veel warme landen verbouwd.
De botanici noemen een vrucht, zoals de ananas, een samengestelde vrucht, omdat deze uit vele aan elkaar gegroeide vruchtjes bestaat, net zoals de schubben van een grote dennenkegel, maar dan bovendien nog vlezig en geurig.
Boven de vrucht groeit de plant dan nog als een bladerstruik een beetje verder, een afdakje vormend. Je kunt ze afsnijden en weer wortel laten schieten.

de katoen
Toen deze nog minder bekend was, waren er plaatjes waarop je kon zien, hoe eruit de bloem van een plant een heel klein schaap tevoorschijn kwam. Wol kan, zo dachten velen, toch alleen maar van een schaap komen!
Tegenwoordig wordt katoen bijna in alle warme streken van de aarde verbouwd en iedereen heeft weleens een foto gezien waarop de witte draden door vlijtige handen worden geplukt. De oogst kan slecht machinaal gebeuren, omdat de vruchtdozen met de draden niet allemaal op dezelfde tijd openspringen. Die draden zijn de plantenharen van de zaden. Ook de katoenplant wordt in struikvorm gekweekt, zodat ze makkelijker geoogst kan worden. De bladeren zijn 5- of 6-lobbig. De bloemen zijn gele malvebloemen. De vruchten zijn doosjes ter grootte van een walnoot. De meeste katoen wordt tegenwoordig in Amerika, daarna in India en Egypte verbouwd.

*De suiker tussen oost en west [1]    [2]

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

55-53

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.