Tagarchief: amandel

VRIJESCHOOL- Grohmann – leesboek voor de plantkunde (49)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.179, hoofdstuk 49                                                                          alle hoofdstukken

 

UITHEEMSE VOEDINGSGEWASSEN

de paprika
De paprika, ook Spaanse peper genoemd [de Spaanse peper is een ander soort en is in het dagelijks spraakgebruik niet synomniem met paprika , is ons door zijn rode, scherpsmakende vruchten bekend; je kunt paprika ook gemalen als specerij kopen. De paprikaplant is nauw verwant aan de aardappel, wat je het duidelijkst aan de bloem kan zien.
De paprika komt uit het tropische Amerika, wordt echter al lang verbouwd in andere landen. Daarom heeft hij ook zulke verschillende namen. (Spaanse peper). Veel paprika groeit op het eiland waar vroeger veel Franse misdadigers werden gebracht: Cayenne, aan de oostkust van Zuid-Amerika. Daarom is er een spreekwoord: ‘Geh hin, wo der Pfeffer wächst,’ want op het eiland heerst een moordend klimaat. Hoe paprikaplanten, die tegenwoordig in Europa geteeld worden, bv. in Hongarije, eruit zien, weet ieder kind.

de pinda
Pinda’s zijn de vruchten van een vlinderbloemige met geveerde bladeren die tegenwoordig in vele warme en warmere gematigde landen op velden verbouwd worden. Het thuisland is Brazilië. De naam aardnoot komt daarvan dat de plant haar bloemstelen na de bloei geweldig in de lengte strekt, tot onder de grond namelijk. Dus de pinda is een vrucht die in de aarde rijp is geworden. Hoewel het een peulvrucht is, noemt men haar toch, wegens de harde schaal, een noot.
Pinda’s die je pellen kunt om de zaden eruit te halen, moeten eerst gebrand worden. Anders zou je ze niet kunnen eten. Aardnoten worden zowel in Amerika als in Afrika en Indonesië wegens de olie die erin zit op grote schaal verbouwd.
Waarschijnlijk zal de teelt van de olienoten alleen maar toenemen. De olie kan dienen voor de voeding, voor de bereiding van margarine, maar ook voor het maken van zeep. Natuurlijk maakt het uit of je vet of olie neemt die in de felle zon ontstaat, zoals de olijfolie of die je eerst vanonder de grond moet halen.

de olijfboom
De olijfboom die we net als de vijgenboom al uit de bijbel kennen, groeit rond de Middellandse Zee en komt daar ook vandaan. In Zuid-Frankrijk, in Italië, aan de Adriatische Zee, in Griekenland, in het Heilige Land, overal kan men in olijfboomgaarden wandelen. De olijfboom is geen grote en statige boom. Hij heeft bladeren die altijd groen zijn en aan de onderkant zilverkleurig. Je zou ze kunnen vergelijken met wilgenblaadjes en wie voor het eerst in het Middellandse Zeegebied komt en niet goed waarneemt, zou kunnen denken dat hij wilgenbomen ziet, in plaats van  olijfbomen.
Wanneer de wind de bladeren naar een kant blaast, kan de lichte onderkant overal boven komen. De bloemen zien eruit als die van de liguster. Het hout van de boom is erg hard. Dikwijls zie je oeroude olijfbomen met holle stammen en nog maar een paar takken met blad waaraan nog wat olijven-want zo heten de vruchten van de olijboom- rijpen.
Ze zien eruit als kleine pruimen. Ze kunnen de hele winter door geoogst worden, wanneer je ze nodig hebt. De olie wordt uit het vruchtvlees geperst. De kleur van de vrucht die een steenpit bevat, is bijna zwart.
De olijfboom is een ware weldoener voor de mens, in het bijzonder in die streken waar andere vetten en oliën, zoals bv. boter, door de warmte slecht bewaard kunnen worden. Bovendien kan de olijfboom zonder nadeel maanden lang droogte verdragen, ja de goede olie ontstaat pas als de zon op hem brandt. Hoezeer de olijfboom in elke tijd door de mens vereerd werd, blijkt ook uit het feit dat de olijftak al sinds onheuglijke tijden als vredesteken geldt.

de amandel
Amandelen groeien aan grote bomen die familie zijn van onze kersen- en pruimenbomen. Dus de amandelboom is een roosachtige, maar ze wordt wel veel hoger dan zijn familieleden. Hun thuisland is het Middellandse Zeegebied. Bij ons worden amandelen alleen maar onder gunstige omstandigheden rijp. De amandelboom bloeit in de eerste dagen van de lente. De vruchten behoren tot de steenvruchten, maar hier gaat het om de kern. Het vruchtvlees is leerachtig en daarom niet te eten. In plaats daarvan kunnen de zaden gegeten worden. Die zitten in de pit van de vruchten. Het zaad, de amandel natuurlijk, is dan nog omhuld door de schaal. Die kun je er gemakkelijk aftrekken, nadat je de amandel in warm water hebt gelegd. Bij de kraakamandelen is de schaal zo dun, dat je die met de hand kan breken. Sommige bomen dragen bittere amandelen waarin een gevaarlijk gif zit, waarin blauwzuur voorkomt. Daaraan kun je doodgaan en daarom moet je altijd zo weinig mogelijk  bittere amandelen eten. Wanneer je geraspte bittere amandelen kookt, bakt of roostert, verdwijnt het gif en blijft alleen de smaak over waarvoor de bittere amandel gebruikt wordt.

de vijg
Vijgen die we meestal gedroogd  aan een stuk bast geregen, bij elkaar gebonden, kopen zijn de merkwaardigste vruchten die je je kunt voorstellen. De vijgenboom is een kleine boom met grote gelobde bladeren aan breed uitgroeiende takken en twijgen. Je kunt hem al vinden in de beschutte zuidelijke alpendalen, maar vooral in Griekenland en Turkije, waar de vijgen een belangrijk fruit zijn en van waar ze naar ons komen. De vruchten die meerdere keren per jaar geoogst kunnen worden, zitten apart op korte stelen en zijn net peren. Ze bevatten veel suiker.
Een vijg is eigenlijk een vlezig geworden hele bloembodem, waarvan de kleine bloemen verkommerd zijn en naar binnen getrokken, zodat ze door het vruchtvlees omsloten worden. Daarom kun je ze ook niet zien. Wanneer je echter vijgen eet, bemerk je, dat er kleine pitjes in zitten. Wanneer je vijgen in het water weekt, dan zwellen ze en wanneer je ze dan doorsnijdt, kun je de karafachtige vorm van de vrucht herkennen. Tot het opvallende van de vijgenboom hoort ook het witte melksap dat hij bevat.

de rijst
Wat je van rijst moet weten.
Gewoonlijk weet men niet dat meer dan de helft van de totale wereldbevolking hoofdzakelijk rijst eet. Vreselijke hongersnood is het gevolg wanneer in de rijststreken van Zuidoost-Azië de regenbrengende moesonwind uitblijft, zodat de rijst verdroogt.
In het warme Azië, maar ook in Afrika en Australië, ja tegenwoordig zelfs in Spanje, Italië, Zuid-Frankrijk, Hongarije en andere landen met een mild klimaat kun je rijstvelden vinden. Ze moeten tenminste een deel van het jaar onder water gezet worden.
In China waar bijzonder veel mensen dicht opeengepakt wonen, moet het hele gezin op de rijstvelden werken, ook de kinderen; eerst om te planten, dan om te bevloeien en tenslotte om te oogsten. Rijst kan namelijk niet gelijk op het veld gezaaid worden, hij moet in bosjes worden geplant. Maar voordien moet hij op zaaibedden voorgetrokken worden. De rijstplant is een grassoort, een graan en ziet er bijna als haver uit.
In de gebieden waar rijst het hoofdvoedsel vormt, wordt hij ongepeld gegeten. Wij kopen de rijst meestal ‘glanzend’, namelijk nadat het beste, het rijstvlies, verwijderd is, opdat hij er mooier uitziet. Wie alleen van gepelde rijst zou moeten leven, krijgt een vreselijke ziekte, de beri-beriziekte waaraan men tenslotte ten gronde gaat. Het beste geneesmiddel zijn de rijstzemelen.

de rietsuiker
Rietsuiker was tot voor honderd haar, voor zich de bietsuiker in heel Europa uitbreidde, de enige suikersoort. Het land van oorsprong van het suikerriet dat er als riet uitziet en zes meter hoog wordt, is Oost-Indië. Het gedijt alleen in tropisch en subtropisch klimaat. Zeer veel suikerriet wordt tegenwoordig in India, op het eiland Cuba en op Java verbouwd. De machtig hoge riethalmen worden nog voor ze bloeien, met grote messen gekapt, fijngestampt en gekookt. Daar de plant overblijvend is, groeien er steeds weer nieuwe halmen.

De bij ons zo veel verbouwde bietsuiker is een suiker die uit een knol, dus een wortel wordt gewonnen. Rietsuiker daarentegen is een stengelsuiker, die door de tropenzon boven de aarde gevormd wordt. Tegenwoordig neemt het gebruik van rietsuiker t.o.v. bietsuiker weer toe.*

de banaan
Bananen zijn de vruchten van een plant die er bijna als een palm uitziet, maar er toch geen is. Iedereen heeft wel eens een bananenstruik op een plaatje gezien. De machtige grote bladeren die door de sorm verfomfaaid zijn, reiken tot aan de wortelstok naar beneden met hun stelen. Deze stelen die men ook bladscheden noemt, zitten om en om over elkaar heen en vormen een schijnstam. Je moet de bananenplant dus als een reusachtig kruid beschouwen.
De vruchten die je tot de bessen moet rekenen, hangen in dikwijls loodware trossen naar beneden tussen de bladeren. Ook al  worden bananen tegenwoordig in alle warme landen verbouwd, hun land van herkomst is waarschijnlijk Zuid-Azië. Zoals bij zoveel andere voedingsgewassen die de mens al sinds onheuglijke tijden cultiveert, zijn ook bij de banaan de zaden verkommert, zodat men de plant door stekken moet vermeerderen.

de ananas
Ananasvruchten zien eruit als reuze dennenappels die echter heerlijk ruiken en lekker smaken door hun sappige vruchtvlees. Maar ze groeien niet aan bomen, maar aan een kort stammetje dat maar tot kniehoogte boven de grond uitsteekt. De plant waaraan zulke merkwaardige vruchten groeien, bestaat uit een bos grote , harde, stugge bladeren die op riemen lijken. Hun thuisland is Midden-Amerika, maar ze worden tegenwoordig in veel warme landen verbouwd.
De botanici noemen een vrucht, zoals de ananas, een samengestelde vrucht, omdat deze uit vele aan elkaar gegroeide vruchtjes bestaat, net zoals de schubben van een grote dennenkegel, maar dan bovendien nog vlezig en geurig.
Boven de vrucht groeit de plant dan nog als een bladerstruik een beetje verder, een afdakje vormend. Je kunt ze afsnijden en weer wortel laten schieten.

de katoen
Toen deze nog minder bekend was, waren er plaatjes waarop je kon zien, hoe eruit de bloem van een plant een heel klein schaap tevoorschijn kwam. Wol kan, zo dachten velen, toch alleen maar van een schaap komen!
Tegenwoordig wordt katoen bijna in alle warme streken van de aarde verbouwd en iedereen heeft weleens een foto gezien waarop de witte draden door vlijtige handen worden geplukt. De oogst kan slecht machinaal gebeuren, omdat de vruchtdozen met de draden niet allemaal op dezelfde tijd openspringen. Die draden zijn de plantenharen van de zaden. Ook de katoenplant wordt in struikvorm gekweekt, zodat ze makkelijker geoogst kan worden. De bladeren zijn 5- of 6-lobbig. De bloemen zijn gele malvebloemen. De vruchten zijn doosjes ter grootte van een walnoot. De meeste katoen wordt tegenwoordig in Amerika, daarna in India en Egypte verbouwd.

*De suiker tussen oost en west [1]    [2]

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

55-53

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (27)

..

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’


blz.102, hoofdstuk 27                                                                          alle hoofdstukken

 

DE APPELBOOM
Wat een ander gevoel krijg je, wanneer je in plaats van naar een linde, een wilg of de woudbomen, naar een appelboom kijkt. De appelboom is onze belangrijkste fruitboom. Het is net of je de zware vruchten in je hand voelt en de wonderbaarlijke ronding aftast. Zoals de appelboom nu in tuinen of boomgaarden staat, is hij geworden door menselijke zorg, want wanneer hij in de natuur staat, aan zichzelf overgelaten, blijft hij in een toestand waarin hij vruchten geeft die niet te eten zijn. De vruchten van de houtappel, zo wordt de wilde appel wel genoemd, zijn maar twee tot drie centimeter groot en smaken wrang en zuur.
De appelboom is een echte wonderboom, omdat hij naast de kostelijke vruchten ook nog de prachtige bloesem geeft en je kunt er een in je tuin zetten, alleen al omdat hij in de lente helemaal met bloesem bedekt is, zoals een sierboom. Wanneer hij daar in volle pracht staat, zie je duidelijk dat hij familie is van de roos, want de bloesem lijkt erg veel op die van de kleine struikroos. Ze hebben vijf enigszins rode bloemblaadjes en een vijfdelige kelk die groen is. De vijfster die de roos in zich draagt, heeft de appelboom ook nog in zijn vrucht, in het klokhuis. Je vindt hem door een appel door te snijden. Roos en appel behoren namelijk tot dezelfde familie, die van de roosachtigen. De roos geeft de bloem een bijzondere vorm; de appel de vrucht. Ook onze andere fruitbomen, zoals de peer, de kers , de pruim, de perzik, de abrikoos, de kwets en de mispel, tenslotte ook de amandel en de sleedoorn, zijn roosachtigen. Framboos en braam lijken meer op de roos, zoals je aan de bladeren al kan zien. Bovendien groeien ze als struik en hebben doornen zoals de roos.
Een belangrijk verschil tussen de roos en de appel is, dat hoewel ze heerlijk geurt, de roos geen nectar voortbrengt. De bijen bezoeken de roos alleen maar om het voedselrijke stuifmeel te halen. Bij de appelbloesem is dat anders. Deze geeft rijkelijk nectar en daaraan kun je zien, hoeveel sappiger de appelboom moet zijn, ondanks zijn roosachtige bloesem. Anders zou hij ook niet die sappige vruchten kunnen dragen. Zelfs de schors heeft iets vruchtachtigs. Dat weten de hazen bv., zij komen ‘s winters om aan de jonge stammetjs te knagen, tot verdriet van de kwekers.

De blaadjes van de roos  zijn uit verschillende deeltjes samengesteld; de blaadjes van de appelboom zijn eenvoudig. Je kunt de groene blaadjes van een edele roossoort met groot genoegen bekijken. De roos is nu eenmaal een kunstenares. De appelboom doet voor zijn blad niet zoveel moeite. Het is tegen zijn natuur om een mooie plant te worden. Hij wil liever in zijn bestaan nuttig zijn door het dragen van gezonde vruchten. De roos verkwikt de ziel; de appelboom het lichaam.
Alleen al als je zijn groeivorm bekijkt, kun je belangrijke ontdekkingen aan de appelboom doen. Hij is in zekere zin een bescheiden boom. Zijn stam is kort, zijn kruin eerder breed dan hoog. Hoe klein lijkt hij niet als je hem met de oerbomen van een bos vergelijkt: beuken, essen en abelen. Maar zo kan hij zich wel beter laten doorstromen met de levenssappen van de aarde. De kracht daarvan komt tot in de appels die daardoor groot en zwaar worden, zodat wij erin kunnen bijten dat het knapt.

De appelboom heeft twee verschillende levens. Eerst komt de bloeitijd. Het is al voldoende wanneer de lentezon op de twijgen schijnt om de bloesem tevoorschijn te toveren, want de knoppen werden al vroeger in het voorjaar gevormd. Willen de vruchten gedurende de zomer groeien, dan moet de zonnekracht veel verder doordringen en de aardekrachten aanvuren. De zon moet de vruchten natuurlijk ook zelf bestralen opdat ze rijp worden. Ze moeten rode wangen krijgen.

Natuurlijk kunnen de appelbloesems geen gewone rozen zijn wanneer ze appels moeten worden. De appelboom richt zich tot de aarde en zegt: ‘Neem deel aan het vormen van mijn bloesem.’ En de aarde begrijpt dit en geeft de appelbloesem een diepe bloembodem. Daarin zakt dan de stamper, zoals wanneer hij wat in de grond zou zakken, want de bloembodem  is eigenlijk een stukje aarde! De appelboom heeft dus een onderstandig vruchtbeginsel. Na de bevruchting door de bijen laat de aarde deze bloembodem verder uitdijen en tot vruchtvlees opzwellen; uit de stamper ontstaat het perkamentachtige klokhuis met de zaden, de pitten zijn dat. We zien dus dat het waar is, dat de appel geen gewone vrucht is, zoals een kers of een sleedoorn.

Hij is een eetbare en sappig geworden bloembodem, een schijnvrucht, zoals de botanici zeggen.

Wie een appel eet, eet eigenlijk een klein aardbolletje.

 Am Kamin

 Kennst du die hohe Wissenschaft,
Der Bäume Geist, des Holzes Kraft?
Wenn nicht, so laß uns am Kamin
Andächtig lauschend niederknien!

Das Buchenholz brennt hell und rein,
Doch muß ein Jahr verstrichen sein,
Seit man im Wald den Baum gefällt,
Zersägt und mit dem Beil gespellt.

Noch länger braucht ein Eichenscheit
An Zeit, bevor es brennbereit.
Allein der Hölzer Königin,
Gleichviel, ob trocken oder grün,
Das ist die Esche; denn ich weiß:
Sie brennt geduldig, hell und heiß.

Das Birkenholz brennt auf der Stell’,
Sein heller Geist verzehrt sich schnell,
Schnell sinkt die Flamme überm Rost
Und dunkelt hin und ist verglost.

Von der Kastanie meinen sie,
Daß sie zu höchster Glut gedieh’,
War’ nur die Zeit gehörig lang,
Seit sie im Park darniedersank

Allein der rechten Flammen Speis’,
Dem Eschenholz sei Lob und Preis!
Gleichviel, ob trocken oder grün:
Es ist der Hölzer Königin.

Das Pappelholz mit bitt’rem Rauch
Reizt deinen Hals, die Augen auch.
Wie modrig Holz die Ulme brennt,
Gehemmt von fremdem Element.
Selbst ihre Flamme phosphorhaft
Scheint taub und kalt, ohn’ Geisteskraft.

Kein Holzscheit sich vergleichen kann
Mit meiner Esche. Schau dir’s an!
Für einer Königin Gelaß
Ein festlich Feuer wäre das:
So hell, wie heiß und abendlang
Mit Flammenknacken und Gesang.

Vom Apfelbaum das kleinste Scheit,
Es füllt mit Duft die Räume weit.
Geht auch der Winter ins Gericht,
Du schließt den Blick und siehst ihn nicht.
Das Holz, vom Hagedorn beschafft,
Durchsüßt geheim des Brotes Kraft.
Backstuben duften wunderbar
In Irland, wo es Sitte war.

Allein das Eschenholz ist wert,
daß es der Flamme Großmacht nährt
Und aller Geister Herrlichkeit
Aufopfernd seine Scheiter weiht!
Es bleibt, ob trocken oder grün,
Mir Holz der Hölzer im Kamin.

                                                                               Naar een Engels volkslied

 Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

32-30

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (7)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.27, hoofdstuk 7                                                                               alle hoofdstukken

 

HOE DE VRUCHTEN INGEDEELD WORDEN

vruchten van bloesem met bovenstandig vruchtbeginsel

openspringende droge vruchten:
ze springen open of er komen spleten in
klaproos, tulp, anjer, viooltje, wikke, erwt, boon, koolsoorten, koolzaad,
herderstasje

noten:
vrucht keihard. De pit is het zaad
hazelnoot

steenvruchten:
de steen is het binnenste vruchtlaagje. Wanneer je deze kapotmaakt, komt het zaad tevoorschijn
sleedoorn, kers, pruim, kwets, abrikoos, perzik, amandel

bessen:
sappig vruchtvlees. De pitten zijn de zaden
bosbes, vossenbes, tomaat.
Ook de citroen en de sinaasappel kunnen daartoe worden gerekend
(aardbei, framboos en braam zijn geen echte bessen)

vruchten van bloesem met onderstandig vruchtbeginsel

-pitvruchten (appelvruchten)
 de pitten zijn de zaden
appel, peer, kweepeer, mispel, lijsterbes, meelbes, meidoorn

-bessen
aalbes, kruisbes

-noten:
walnoot. Het is geen echte noot, omdat alleen de binenste vruchtlaag keihard is. Eigenlijk is het een steenvrucht

verder:
vruchten zoals: augurk, meloen en pompoen

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

11-9

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.