Tagarchief: tulp

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (45)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde

‘blz.168, hoofdstuk 45                                                                             alle hoofdstukken

 

OVER DE HERFSTTIJLOOS
Wanneer de zomer al sterk ten einde loopt en de zon alleen nog schuin op de aarde valt, omdat ze een veel kleinere baan langs de hemel bestrijkt, dan bloeien de bleek-lilagekleurde herfsttijlozen op de weiden. Je ziet het de bevallige bloemkelken aan, dat ze het laatste zijn wat de zon uit de aarde weet te lokken. Bleek en zwak als ze zijn, kunnen ze door de wind makkelijk geknikt worden.

Wil je een herfsttijloos plukken, dan trek je vaak de lange bloemenbuis, waarin de bloem naar onderen toe overgaat, er ook uit. Diep beneden in de grond zit de knol en wanneer je die uit wil graven, merk je pas, hoe diep die zit en hoe kouder de winter in een streek is, des te dieper zitten de knollen van de herfsttijloos, zodat je ze wel als thermometer voor de gemiddelde  winterkoude kan beschouwen.

Wat iemand het meest merkwaardig mag lijken is, dat je geen groene bladeren kan vinden, wanneer de herfsttijlozen bloeien. Alleen de vale bloemen flakkeren als koude vlammetjes op de herfstige weiden.

Loop je echter het volgende voorjaar over diezelfde weide, dan vind je sappige groene planten met grote bladeren die er als tulpen uitzien en vele mensen weten niet dat dit de bladeren van de herfsttijloos zijn en ze zijn verbaasd dat er zoveel tulpen op een weiland groeien. Je wordt in je vergissing nog versterkt wanneer je de sappige groene hulsels opmerkt die erg op een  tulpenknop lijken. Tevergeefs zou je echter wachten tot ze opengaan, want het zijn geen bloesemknoppen, maar de zaaddozen van de herfsttijloos, die uit de bloemen van vorig jaar ontstaan zijn en die nu rijp worden.

Bij de herfsttijloos gaat namelijk alles veel langzamer, omdat ze in een tijd bloeit, waarin de zon bijna geen kracht meer heeft.

Tussen de bloeitijd en het rijp worden van de zaden komt de winter, zodat de plant daardoor in twee helften uit elkaar wordt getrokken. Daarom heet ze ook tijloos=tijdloos.

Al wanneer je de matte herfsttijloos met de stralende crocus vergelijkt, waarop ze uiterlijk zo lijkt, kun je het verschil waarnemen. De krokus bloeit in het voorjaar, wanneer de zon krachtiger wordt; de herfsttijloos daarentegen, wanneer de zon sterk afneemt. Zo is de krokus krachtig en stralend, de herfsttijloos bleek en vemoeid.

Wanneer je de herfsttijloos met de tulp vergelijkt, kom je nog op een andere tegenstelling, die ook met de bloeitijd samenhangt. Bij de in het voorjaar bloeiende tulp gaat alles te snel, want die haast zich om in bloei te komen; bij de herfsttijloos daarentegen gaat alles veel te langzaam. Ze strekt in de herfst alleen haar langgerekte bloemkelk uit de knol de hoogte in. De bloemkelk is zesdelig, precies zoals bij de tulp en de zes meeldraden zitten binnen in de bloem aan de bloemkroontop vast.

Met de stempel van de herfsttijloos is wat merkwaardigs. Er zijn er drie. Ze hebben de vorm van een draad; ze lopen door de dunne, ondergrondse bloembuis naast elkaar omhoog en pas boven in het licht ontstaat er een vertakking. Terwijl bovenaan de bloemkroon en de meeldraden al bloeien, zit het vruchtbeginsel nog beneden in de knol, dat is in zijn ontwikkeling ver achter gebleven en pas in deze tijd ontstaat het. Daarom kan het nog niet meekomen. Je moet wel goed in de gaten houden dat het lange, bijna draadvormige gedeelte, wat de bloem boven de aarde met de knol onder de aarde verbindt, geen bloemsteel is, maar veel eerder de geweldig in de lengte getrokken en aan het ondereind vastgehouden bloembuis is.

Zo diep zit de herfsttijloos in de grond en zo lang is de bloembuis, tot deze in de knol eindigt.

Ook blad en stengel zijn tijdens de bloeitijd nog zeer onderontwikkeld. Pas na de winterrust worden ze in de hoogte gestuwd, door de zon gegrepen en volledig in de hoogte getrokken. Met hen samen komt ook het vruchtbeginsel mee omhoog, zodat dat vanaf nu tot de grote, uit de drie hulsels bestaande zaaddoos, kan uitgroeien. Bovenop deze zaaddoos zie je zelfs nog de verdroogde resten van de drie stempeldraden hangen en vaak herken je ook de resten van de bloem. Omdat het vruchtbeginsel van de herfsttijloos bovenstandig is, hangen deze natuurlijk onder de zaaddoos.

Je kunt goed begrijpen dat de herfsttijloos giftig moet zijn en het voer bederft als deze veel voorkomt. Zoals de paddenstoel laat ze zich ook te weinig door de zon doorstralen. Ze zou wel een tulp willen zijn, maar ze blijft halverwege steken, omdat alles veel te langzaam gaat.

Met de herfsttijloos eindigt het bloemenjaar. Weliswaar vind je nog asters en dahlia’s in de tuinen; op de weiden bloeit hier en daar het laatste duizendblad; op de hellingen nog wat wilde cichorei, maar de herfsttijlozen zijn toch de enige bloemen die met hun ontwikkeling pas beginnen. Daarvan kun je wel treurig worden, want spoedig zullen we geen bijen meer horen zoemen, geen vlinder die meer van bloem naar bloem dartelt. Maar de aarde heeft een goed geheugen. Het volgend jaar zal ze ons weer opnieuw blij maken en geen enkele van de talrijke schepsels vergeten zijn. In zaden, in ondergrondse wortelstokken, bollen en knollen bewaart ze onzichtbaar, wat uiterlijk verwelkt. Na de winterrust zal het de herfsttijloos weer te binnenschieten dat ze nog geen bladeren en stengels gevormd heeft en dat in het vruchtbeginsel geen zaden kunnen ontstaan, wanneer dat onafgemaakt onder de grond in de knol blijft. Haastig haalt ze alles in, waar ze in de herfst niet meer aan toegekomen is. En omdat het dan lente is, verschijnt ze op de aarde als haar zuster, de tulp.

Terug naar de inhoud

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

50-48

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (35)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.122, hoofdstuk 35                                                                            alle hoofdstukken

.

OVER DE VIOOLTJES
De viooltjes behoren ook tot de plantjes waarvan we het meest houden, hoewel ze zo klein zijn. Dat komt vast en zeker, omdat ze tot de eerste lentebloemen horen  die, na een jaargetijde zonder bloemen, de nog winterse grauwe velden sieren. Ze bloeien al in maart!

Maar de viooltjes hebben nog andere eigenschappen om van te houden. De bloemen zijn, ondanks dat ze zo klein zijn, zo krachtig van kleur, dat er zelfs een kleur naar genoemd is: vioolblauw: het violet en de geur is sterk en diep doordringend. Hoe blij worden we er niet van,wanneer we de eerste blauwpaarse kleurvlekjes buiten ontdekken! Wanneer we de viooltjes vinden, dan weten we het zeker: nu kan het lente worden.

Voordat de bloemen verschijnen, vind je de kleine, rondachtige blaadjes beneden op de grond, eerst nog als een toetertje opgerold. Dan breekt de dag aan, waarop het eerste viooltje uit de groene blaadjes naar buiten kijkt. En dat alles komt door de levenwekkende voorjaarszon.

De aarde ligt, al lang vóór er viooltjes zijn, voor zich heen te dromen. Ze verlangt naar de voorjaarshemel. Wanneer wij dromen, blijven onze dromen in ons innerlijk. Ze kunnen ons gelukkig maken, maar ook bang, al naar gelang ze zijn. Wanneer de aarde echter droomt, komen er bloemen te voorschijn. Iedere lentebloem is een andere droom van de aarde. Eerst zitten de dromen nog in de aarde, maar daarna komen ze aan de oppervlakte; en je ziet ook waarvan de aarde droomt. Ze droomt van de blauwe voorjaarshemel; van het leven in de lentezon en van de lentegeuren.

Precies dat heeft de dichter Eduard Mörike beschreven:

Früling lässt sein blaues Band
wieder flattern durch die Lüfte.
Süsse, wohlbekannte Düfte
streifen ahnungsvoll das Land.
Veilchen träumen schon,
wollen balde kommen. –
horch! von fern ein leiser Harfenton!
Dich hab ik vernommen!

Opdat er bloemen uit die verlangende dromen van de aarde kunnen komen, moet de zon meehelpen. Zij vormt daarom de groene blaadjes. Echt diep kan de zon in het voorjaar nog niet in de aarde doordringen, want ze komt in dit jaargetijde nog niet hoog aan de hemel. Maar het is wel genoeg voor die kleine ronde blaadjes en voor die dwergachtige bloempjes. Maar die dragen het wel in zich! Kleur en geur lijken op één punt samengekomen.
Heel dicht worden de viooltjes bij de aarde gehouden. Weer heel anders dan bv. bij de sneeuwklokjes, lenteklokjes of de sterhyacint die er ook blauw uitziet, want de viooltjes hebben geen bol; ze hebben alleen maar korte, ondergrondse wortelstokken. Daarom bloeien ze ook niet zo trots en prachtig als een tulp. Aan hun veernervige blaadjes zie je, dat ze niet met de tulp, maar met de roos verwant zijn. De kleine violen hebben een echte groene kelk en vijf kleurige bloemblaadjes. Een daarvan is naar achter omgestulpt en veranderd in een blad dat nectar kan bevatten. Ook de geur van het viooltje is verwant aan die van de roos. Daarom zijn ze ons zo vertrouwd.

De botanici noemen het viooltje viola, dat betekent zo veel als viool, omdat het viooltje iets te maken heeft met het luisteren en het klinken; met de viooltoon en de harpklank in het voorjaar. Dat komt eigenlijk omdat de viooltjes de kleine oren van de aarde zijn, waarmee zij dromend luistert naar wat er in de voorjaarshemel gebeurt,

Wat ze daar luisterend hoort, zie je dan de komende zomer wanneer ze een grote hoeveelheid bloemen het licht doet zien. Met iedere soort geeft ze een nieuw geheim prijs – maar alleen aan diegene die wijs genoeg is, om het te begrijpen.

Als de viooltjes uitgebloeid zijn, groeien ze nog een poosje verder, net als andere planten. Ze vormen zaden en krijgen uitlopers. Zulke vruchten als de roos kunnen ze niet vormen; daarvoor hebben ze de tijd niet. Het zusje van het viooltje is het driekleurige viooltje. Die is wel wat groter en heeft langere stengels. De kracht die bij het viooltje in het blad zit en de groene blaadjes vormt, komt bij het driekleurig viooltje tot in de bloem! Daarom zijn de driekleurige viooltjes niet alleen oortjes, maar hele gezichtjes, met een heel mooi velletje. Aan het akkerviooltje kan je de verwantschap met het viooltje ook nog zien, maar de mens heeft daaruit het tuinviooltje gekweekt met die wonderlijk fluweelachtige, bontgekleurde bloemblaadjes.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

40-38

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (33)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.119, hoofdstuk 33                                                                       alle hoofdstukken
.

DE ROOS
Wat spreidt deze haar veernervige blaadjes zorgvuldig uit en hoe ze die uit verschillende blaadjes samenstelt. Ieder blaadje heeft een apart steeltje en alle randjes zijn van tandjes voorzien. Ze neemt er dan ook de tijd voor, de roos. Voor ze haar bloemknoppen laat komen, moeten er eerst langere bladscheuten gegroeid zijn en tussen de stengelbladeren en de bloembladeren staat een groene kelk, die er heel anders uitziet dan de stengelblaadjes. Nooit kan het bij de roos voorkomen dat stengelblaadjes en bloemblaadjes door elkaar gehaald worden. Alleen al doordat de roos een houtachtig gewas is, kun je weten dat ze doortrokken is met aardekracht. De aarde helpt mee, wanneer de roos haar stekelige twijgen in bevallige bogen naar alle richtingen laat gaan. Aan het puntje neigen ze zich weer naar de aarde. En wie eens geprobeerd heeft een wilde rozenstruik uit de grond te trekken, zal gemerkt hebben, hoe stevig  ze met de aarde is verbonden door haar wortels. Onder de grond zit nog eens een boompje, maar dan omgekeerd. Blad van de heggenroos, een tuinroos en van de appelboom.

Alles wat de roos doet, doet ze samen met de aarde. Wanneer de aarde in de lente groen gaat worden, begint ook de roos uit te lopen. Wanneer de aarde overvloedig ranken en loten doet groeien, laat ook de roos haar uitlopers krachtig groeien en woekeren en als tenslotte het uitlopen overgaat in het verrukkelijke bloeien, zie je ook dat de rozenknoppen opengaan. Is dan de tijd aangebroken dat de aarde aan struiken en bomen vruchten laat rijpen, dan begint ook de roos haar vruchten, de rozenbottels, te laten rijpen. Wanneer de nachtvorst het plantenleven al verlamd heeft, zie je de rode roosvruchten nog aan de kale bladerloze takkengeraamten gloeien. Zo gaat de roos samen met de aarde. Ze heeft de hele zomer nodig, vanaf de lente tot in de late herfst, tot ze alle stadia van haar ontwikkeling doorlopen heeft. De edele roos is met de aarde verbonden; de trotse tulp zou echter het liefst een rein hemelgewas zijn. Kijk je in haar zesdelige bloembekleedsel, dan zie je zes meeldraden, die daar in een prachtige ordening staan, zoals een ster. Wanneer het erg warm is, spreiden ook de bloemblaadjes zich nog tot een ster uit. De zesster is het hemelse geheim van de tulp. Je wordt dat het duidelijkst gewaar als je naar haar kijkt; ze zou de heerlijkheid van de hemel willen verkondigen, terwijl de roos een getuige is van de schoonheid van de aarde. Zo staan ze naast elkaar, deze twee gewassen.

SAMENVATTING

                      TULP                                                                               ROOS

waterig bolgewas                                                       plant met houtige wortelstok wortelen vlezig, onvertakt                                       wortels boomachtig vertakt voorjaarsplant, komt snel in bloei                         zomerplant, vormt voor ze
bloeit eerst langere bladscheuten 

bladeren eenvoudig, parallelnervig                      bladeren veernervig en
samengesteld

bloembekleedsel enkel                                            dubbel bloembekleedsel zesster                                                                         vijfster

.

over poëzie waar bij de roos een rol speelt

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

38-36

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (31)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.114, hoofdstuk 31                                                                           alle hoofdstukken

.

OVER DE TULP
Zij is een lentebloem. Ja, je kunt haar zelfs al lang voor het buiten lente is, in de kamer tot bloei laten komen. Deze eigenschap heeft de tulp nog met andere bolgewassen gemeen, zoals bv. met de hyacint. De reden, waarom dat kan, is dat ze niet helemaal vanaf het begin moet beginnen om te kunnen bloeien, zoals het geval zou zijn, wanneer ze eerst uit het zaad zou moeten kiemen. Het eerste wat we moeten doen, is eens goed naar de tulpenbol kijken.

Aan de buitenkant zit een leerachtige bruine schil en daarbinnen zitten de witte schillen of bolrokken. Helemaal beneden echter zit de bolschijf. Zo gauw de bol uit begint te lopen, groeien daar worteltjes. Maar ook aan oude bollen die opgegraven worden omdat ze uitgebloeid zijn, kun je worteltjes zien. De bolschijf is de basis van de bol die alleen in plaats van in de lengte in de breedte gegroeid is. Het duidelijkst zie je dat natuurlijk, wanneer je een bol in de lengte doorsnijdt zoals op het tekeningetje getoond is.

Doorgesneden tulpenbol. De stengel is aan de onderkant sterk verbreed (bolschijf). Je ziet hoe de vlezige, witte rokken er als bladeren aan vast zitten. Ook zie je de jonge bol van het komende jaar al. Meestal zit er nog een tweede in.

Bovenaan de bol komt de bloemsteel naar buiten en beneden is er al een jonge bol, een dochterbol, zoals men zegt, of een bijbol of klister, gevormd, want elk jaar hernieuwd de bol zich uit zichzelf. Spoedig wordt de dochter zo groot als de moeder.

Iedere tulpenbol, zowel de oude als de nieuwe, bestaat uit rokken. Deze rokken zijn niet anders dan de ondergrondse, vlezig geworden bladeren, die niet groen worden, omdat ze niet in het licht komen. Dus een bol is niet een soort wortel; het is niets anders dan een sterk veranderde scheut met een kort stammetje en schaalvormige bladeren. De wortels zitten helemaal onderaan. Wanneer de bol uitloopt en groene bladeren en een bloem voortbrengt, komt uit de ondergrondse, veranderde plant een tweede, groene, niet veranderde plant te voorschijn. Dat is het geheim van de tulpenbol.

De tulp heeft echt veel haast, wanneer ze in de lente uit de bol schiet. Zo snel mogelijk wil ze tot bloei komen. Daarom zijn ook haar plantendelen maar eenvoudig gevormd; haar stengelbladeren hebben de vorm van tongen en ook de bloemblaadjes zijn niet veel kunstzinniger. De tulpen vormen niet eens groene kelkbladeren; daarom noemt men haar bloembekleedsels eenvoudig. Eerst lijkt het wel, in de knop namelijk, alsof de tulp een groene kelk heeft; maar dan blijkt dat het maar bloemblaadjes zijn die in ’t begin nog geen kleur hadden. Pas wanneer de tulp opengaat is er kleur gekomen. Het lijkt dan wel alsof de tulp gloeit.

Dikwijls is er een interessante vergroeiing te zien. Er zijn soms tulpen waarbij de bovenste stengelbladeren helemaal of voor de helft kleur gekregen hebben. Soms hebben ze ook wel bonte randen. Bij weer andere vergroeiingen is een bloemblad voor een deel nog groen gebleven. Aan zulke opzienbarende feiten kun je aflezen dat de tulp blad en bloemblad nog niet echt onderscheiden kan. Bij de roos zul je zulke vergissingen niet kunnen waarnemen. De roos is dan ook een meer volkomen plant dan de tulp. Laten we nu de vraag eens stellen hoe de tulp zich tot de aarde verhoudt! Zij haast zich snel naar het bloemstadium om spoedig daarna weer onder de grond te verdwijnen.

Maar er bestaat toch nog een groot verschil tussen de ondergrondse delen van de tulp en die, laten we zeggen, van de bomen. Bomen hebben onder de grond alleen hun houtachtige wortelstokken; de tulp heeft haar bladachtige bol onder de grond. Ja, ze is door en door waterig en nergens heeft ze een houtachtig deel. Ze neemt wat van het grondwater voor zich alleen en sluit het door haar taaie huid af, zodat je haar uit de grond kan nemen en bewaren. Bij een roos zou dat niet gaan. Zo spreekt de tulp: Ik wil mijn bol voor mij alleen hebben.

Als ze dan uit de aarde omhoog geschoten is en gebloeid heeft, zou ze toch eigenlijk een vrucht moeten vormen, zoals de roos de rozenbottel. Dat speelt ze echter niet klaar. Ze omhult haar zaden snel met een droog zaadkapsel en stuurt dat, wat vruchtachtig is, naar haar bol, tot die sterk en vlezig wordt. Zo is de bol ook gelijktijdig een vrucht die in plaats van in de bloem, in de grond zit. Wanneer de tulp in het voorjaar dan weer kiemt, verteert ze het voedsel dat ze zelf in de bol opgeslagen had, terwijl toch de echte vruchten voor de andere schepsels van de aarde zijn, voor dier en mens en niet voor de plant zelf. Zo beschouwd is een bol geen echte vrucht.

Wanneer je een rijpe tulpenbol in de lengte doorsnijdt en het binnenste met een vergrootglas bekijkt, dan kun je iets merkwaardigs zien. In het hart van de bol zit als kiem al de bloem van het komende jaar, en heel klein en samengetrokken ook de stengelbladeren. Ook al zijn alle delen er slechts in aanleg: de bloemblaadjes zonder kleur, meeldraden en stamper nog vaag, ze zijn er toch maar. De stengel hoeft zich alleen maar te strekken, de delen groter te worden en de bloem kan zich ontvouwen, want heel de winter al sluimert ze opgesloten in de vlezige bolrokken. De tulp hoeft niet eerst te wachten zoals de roos, tot ze lange bladscheuten gevormd heeft om te kunnen bloeien. Dat is een groot verschil tussen beide planten.

De tulp is geen inlandse plant. Ze stamt uit het steppengebied van het oosten. Bij ons komt wel een in het wild groeiende, zeer mooie slanke en geelbloeiende tulpensoort voor: de bostulp, maar waarschijnlijk is zij ook een, zij het lang geleden, verwilderde uitheemse soort.

In de jaren 1634 tot 1640 heeft zich in de Hollandse stad Haarlem een ware rage op het gebied van tulpenliefhebberij ontwikkeld. In boeken werden meer dan 500 verschillende soorten opgetekend, die ook op tulpenbeurzen verhandeld werden. Voor de zeldzaamste soorten werden duizelingwekkend hoge prijzen betaald en niet alleen geld, maar ook paard en wagen, huizen, ja grote en waardevolle schepen werden voor één enkele zeldzame tulpenbol geboden en gegeven. De hoogste prijs die toen voor een enkele tulpenbol betaald werd bedroeg niet minder dan 13000 Hollandse guldens. Toen die tulpenwaanzin zo gevaarlijk geworden was, dat ze al veel ongeluk aangericht had, moest de handel tenslotte verboden worden met dreiging van hoge straffen.

Al komt ons de dwaasheid wegens een bol die je niet eens kunt eten en alleen maar een mooie bloem voortbrengt, tegenwoordig toch wel onbegrijpelijk voor, dan is die wel een bewijs voor de plant in kwestie dat ze een schoonheid is.

 

De afkomst van het woord tulp gaat via het Frans ‘tulipa(n)’ terug op het Turkse woord tulband, op welk hoofddeksel tulpen zouden lijken als ze in bloei staan.
(bron Trouw)

 

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

36-34

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (7)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.27, hoofdstuk 7                                                                               alle hoofdstukken

 

HOE DE VRUCHTEN INGEDEELD WORDEN

vruchten van bloesem met bovenstandig vruchtbeginsel

openspringende droge vruchten:
ze springen open of er komen spleten in
klaproos, tulp, anjer, viooltje, wikke, erwt, boon, koolsoorten, koolzaad,
herderstasje

noten:
vrucht keihard. De pit is het zaad
hazelnoot

steenvruchten:
de steen is het binnenste vruchtlaagje. Wanneer je deze kapotmaakt, komt het zaad tevoorschijn
sleedoorn, kers, pruim, kwets, abrikoos, perzik, amandel

bessen:
sappig vruchtvlees. De pitten zijn de zaden
bosbes, vossenbes, tomaat.
Ook de citroen en de sinaasappel kunnen daartoe worden gerekend
(aardbei, framboos en braam zijn geen echte bessen)

vruchten van bloesem met onderstandig vruchtbeginsel

-pitvruchten (appelvruchten)
 de pitten zijn de zaden
appel, peer, kweepeer, mispel, lijsterbes, meelbes, meidoorn

-bessen
aalbes, kruisbes

-noten:
walnoot. Het is geen echte noot, omdat alleen de binenste vruchtlaag keihard is. Eigenlijk is het een steenvrucht

verder:
vruchten zoals: augurk, meloen en pompoen

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

11-9

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.