Tagarchief: erwt

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (40)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.140, hoofdstuk 40                                                                    alle hoofdstukken

 

OVER DE VOGELWIKKE
Wikken zijn planten die een steun nodig hebben waaraan ze zich kunnen vastklampen. Groeien ze bv. op een graanveld, waar ze dikwijls als onkruid voorkomen, dan grijpen ze met hun spiraalranken weldra de ene na de andere halm. Ze grijpen om zich heen als iemand die in zijn slaap, half dromend naar iets tast. Zouden ze geen steun vinden, dan moesten ze zich wel heel beklagenswaardig op de grond neerleggen. Dus de vogelwikke groeit in de lucht, tussen ander planten in. Ze is geen windeplant, zoals de boon, want die klampt zich niet met haar stengels aan de steun vast, maar wikkelt er ranken  omheen die vrij zweven.

Haar wikkelranken zijn haar handen, waarmee ze haar luchtige bestaan zeker stelt. Als ze het zou kunnen, zou ze lachen, want het is echt een vrolijke vogel. Beweeglijkheid en handigheid heeft ze van de lucht gekregen. Hoe anders zou ze er uitzien, als ze vast op de aarde zou moeten blijven en daar zou moeten staan met een harde stengel. Dat zou je je eens goed moeten voorstellen!

De spiraalranken zijn in werkelijkheid niet anders dan omgevormde bladdelen. Je komt erop wanneer je eens zo’n veervormig wikkelblaadje voor je legt. Zelfs de middennerf loopt in een rank uit en vandaaruit komen naar links en naar rechts de zijranken, net zoals onder de zijblaadjes. Eerst nog zijn de ranken lang naar voren gestrekt, maar zo gauw ze wat aanraken, merkt de plant dat en rolt deze op en wikkelt ze om de steun. Wanneer ze geen steun vinden, worden ze op den duur gewoon als een slakkenhuis opgerold.

De gewone planten merken het licht op en ze draaien zich daar naartoe, zoals je aan kamerplanten die in de vensterbank staan, dikwijls kan zien; rankenplanten echter merken ook nog wanneer ze tegen iets aankomen.

Wanneer ze bloeien hangen ze hun blauwviolette bloempjes als een aar met aan één kant bloempjes, op. Als een kleine zwerm diertjes ziet zo’n aar van de vogelwikke eruit. De aparte bloempjes gaan niet naar boven open, maar naar opzij, zoals een vogeltje zijn kopje wel eens houdt. Ieder bloemblad heeft een andere naam gekregen en deze namen zijn gekozen naar voorwerpen die in de lucht kunnen bewegen. Het grootste is naar boven omgeslagen. Het vormt a.h.w. het gezicht van de bloem en heet vlag.  Een vlag kan in de wind wapperen. Links en rechts daarvan splitsen zich twee kleinere bloemblaadjes af vleugels genoemd worden. Het zijn de vleugels die de vogels door de lucht dragen. De beide onderste bloemblaadjes zijn vergroeid en hebben een bootvorm,  het schuitje.*

Een vogelwikke. Wie dit blad ziet, zal zeggen dat zo’n plant niet zelfstandig kan staan. Zij moet zich vasthouden. Daarom laat ze uit de middennerven van haar veerbladeren ranken uitlopen; zelfs vormt ze de laatste veerblaadjes in wikkelranken om, zoals je duidelijk ziet. Zoveel ranken heeft ze, dat ze overal wel heen zou willen tasten.

Wanneer de bloeitijd voorbij is, vallen de bloemblaadjes niet als rozenblaadjes naar beneden; ze verwelken eenvoudig en veranderen van kleur, alsof het vogeltje dood is.

Al aan het vijftal bloemblaadjes kun je zien dat de wikke aan de kant van de roosachtigen staat; bij de veernervigen hoort. Ze heeft ook een vijfdelige groene kelk. Verder wijzen de geveerde bladeren van de wikke ook nog op de roos. Maar het verschil tussen een roos en een wikke is nog erg groot. De roos is zelfstandig; de wikke moet steun zoeken bij een ander. Dat komt omdat de roos uit de vaste grond omhooggroeit en dat de stengel van de aarde de kracht ontvangt zich op te richten. Weliswaar wortelt de wikke ook in de aarde, maar dan geeft ze zich helemaal aan de lucht over en laat zich door deze doordringen als geen andere plant. Zo wordt ze wel licht en beweeglijk, maar tegelijkertijd verliest ze de kracht zich op te richten.

Men noemt de planten die aan de vogelwikke verwant zijn en die met hun bloemen en bladeren op haar lijken, peulvruchten of vlinderbloemen. Erwten, bonen, lupine, klaver, brem en de valse acacia behoren tot de plantenfamilie van de vlinderbloemige, net als de linze.

De mens moest maar niet zoals een vogelwikke worden, want ook al is het nog zo leuk zo’n leven te leiden, dan is het toch niet goed, wanneer je een steuntje nodig hebt om overeind te blijven.

 

 

*In het Duits worden hier woorden gebruikt die in het Nederlands  anders zijn.   Het woord ‘Fahne’  (vlag) wordt in dit geval wel vertaald met ‘zwaard’ (zoals ze aan een boot zitten om omslaan te voorkomen.

 

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

45-43

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (8)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 28, hoofdstuk 8                                                                            alle hoofdstukken

 

HOE DE PLANTEN KIEMEN
Je kunt aan het zaad niet zien wat er door de kracht van zon en aarde later uit zal groeien. Hoe zou je ook, want wat zijn de zaadjes klein in vergelijking met de latere plant! Kleurloos en verdroogd liggen ze in je hand. Sommige zijn zo klein dat je ze niet terugvindt, wanneer je ze achteloos in de aarde gestrooid hebt.

Laten we eens naar het overbekende radijsje kijken!
Het eerste wat er na het uitzaaien gebeurt is, dat de zaden het bodemvocht in zich opzuigen en zwellen. Wanneer je geluk hebt en het regent spoedig na het zaaien, dan komen de zaden sneller op. Bij droogte duurt het langer. Na een paar dagen zie je dat kleine blaadjes zich ontvouwen. Dat zijn de kiemblaadjes. Meestal zijn het er twee die tegenover elkaar staan. Trek je het stengeltje waaraan deze blaadjes vastzitten voorzichtig uit de aarde, dan zie je, dat er een worteltje in tegenovergestelde richting groeit. Dit kiemworteltje is het allereerst ontstaan.

Leg je een zaadkorreltje op vochtig vloeipapier, dan kun je het kiemproces heel goed waarnemen. Dan zie je namelijk dat er eerst een wit puntje uit het zacht geworden omhulsel komt. Langzamerhand wordt het groter en strekt zich uit tot het worteltje. Met het onderpuntje richt het zich naar de aarde en vormt een teer huidje met zeer fijne zuigworteltjes. Daarmee neemt de kiem water op en de stoffen die in de bodem opgelost zijn.

Laat je het zaad nog langer in het vocht liggen, dan kun je ook zien, hoe de kiemblaadjes tevoorschijn breken. Het bijzondere is namelijk dat deze kiemblaadjes net zo als het kiemworteltje- van begin af in het zaad zitten, weliswaar nog klein en samengebald, maar toch al kant en klaar. Ze hoeven zich alleen maar uit te strekken. Eerst zijn ze nog bleek en kleurloos, omdat ze niet door het zonlicht aangeraakt kunnen worden. Men noemt ze daarom ook wel zaadlobben, want het zijn nog geen echte blaadjes. Zo gauw ze echter boven de grond uitkomen, worden ze al snel groen. Zo wendt het kiemplantje zich bijna gelijktijdig naar zijn beide weldoeners: eerst de aarde, dan de zon.

Sommige planten, bv. de eik en de erwt, doen het iets anders. Die laten de zaadlobben onder de grond in het zaad liggen  en wat boven de grond in het licht komt, zijn al meteen de eerste echte bladeren met de stengeldeeltjes die erbij horen. Ook de kastanje doet dat zo. Haar zaden zijn de allergrootste die je bij ons kunt vinden. Wanneer je van een eikel of van een erwt of boon de harde schaal verwijdert, valt het geheel in twee helften uiteen. Dat zijn de twee zaadlobben die hier bijzonder dik en vlezig zijn. Aan één kant zitten de gespleten helften nog aan elkaar en daar zie je ook het begin van het kiemworteltje. Bij grotere zaden kun je aan de buitenkant duidelijk zien dat het kiemworteltje van binnen tegen de zaadschil aandrukt.

Maar dit is nog niet alles wat je van het zaad en het kiemplantje kan leren.

kiemplantje van  duivenkervel                     kiemplantje van nagelkruid

Zoals je aan het zaad niet kunt zien welke plant daar later uit zal groeien, zo kun je dat ook niet zien aan de kiemplantjes. Je moet er maar eens een paar vergelijken, dan zie je het wel. Al het eerste blaadje dat uit het hart van het kiemplantje ontspruit, is al heel anders dan een kiemblad. Het heeft de vorm van een ei of in de lengte als van een tong. Soms is het hartvormig, maar nooit lijkt het op het blad dat later komt en dat dikwijls uit delen bestaat, veervormig of gerond of ook wel met fijne puntjes of tandjes of insnijdingen aan de rand. Ook nerven en vaten zijn duidelijk gevormd. Wat kun je daarvan leren? Dat alle planten allereerst een heel ander en heel eenvoudig plantje vooruit moeten sturen, wanneer zij op aarde willen komen. Dat andere plantje is nou het kiemplantje. De zon heeft dat aan het oog onttrokken in de vrucht, of het zaaddoosje gevormd. Daarna valt het, in het zaad samengebald, naar de aarde .

Door het kiemworteltje wortelt het, om al spoedig zijn zaadlobben naar de zon uit te vouwen, zoals een engelwezen. Pas wanneer dit gebeurd is, kan de zon beginnen echte planten uit de kiemplantjes te vormen, stap voor stap, tot de planten klaar zijn om bloemen en vruchten te kunnen dragen. In de vruchten worden dan nieuwe zaden gevormd, die weer op de aarde vallen.

Säerspruch

Bemess den Schritt! Bemess den Schwung!

Die Erde bleibt noch lange jung!

Dort fällt ein Korn, das stirbt und ruht.

Die Ruh ist süss. Es hat es gut.

Hier eins, das durch die Scholle bricht.

Es hat es gut. Süss ist das Licht.

Und keines fällt aus dieser Welt,

Und jedes fällt,wie’s Gott gefällt

CONRAD FERDINAND MEYER

(geen vertaling gemaakt, noch kunnen vinden)

 terug naar de inhoudsopgave

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

12-10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (7)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.27, hoofdstuk 7                                                                               alle hoofdstukken

 

HOE DE VRUCHTEN INGEDEELD WORDEN

vruchten van bloesem met bovenstandig vruchtbeginsel

openspringende droge vruchten:
ze springen open of er komen spleten in
klaproos, tulp, anjer, viooltje, wikke, erwt, boon, koolsoorten, koolzaad,
herderstasje

noten:
vrucht keihard. De pit is het zaad
hazelnoot

steenvruchten:
de steen is het binnenste vruchtlaagje. Wanneer je deze kapotmaakt, komt het zaad tevoorschijn
sleedoorn, kers, pruim, kwets, abrikoos, perzik, amandel

bessen:
sappig vruchtvlees. De pitten zijn de zaden
bosbes, vossenbes, tomaat.
Ook de citroen en de sinaasappel kunnen daartoe worden gerekend
(aardbei, framboos en braam zijn geen echte bessen)

vruchten van bloesem met onderstandig vruchtbeginsel

-pitvruchten (appelvruchten)
 de pitten zijn de zaden
appel, peer, kweepeer, mispel, lijsterbes, meelbes, meidoorn

-bessen
aalbes, kruisbes

-noten:
walnoot. Het is geen echte noot, omdat alleen de binenste vruchtlaag keihard is. Eigenlijk is het een steenvrucht

verder:
vruchten zoals: augurk, meloen en pompoen

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

11-9

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.