VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (8)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 28, hoofdstuk 8                                                                            alle hoofdstukken

 

HOE DE PLANTEN KIEMEN
Je kunt aan het zaad niet zien wat er door de kracht van zon en aarde later uit zal groeien. Hoe zou je ook, want wat zijn de zaadjes klein in vergelijking met de latere plant! Kleurloos en verdroogd liggen ze in je hand. Sommige zijn zo klein dat je ze niet terugvindt, wanneer je ze achteloos in de aarde gestrooid hebt.

Laten we eens naar het overbekende radijsje kijken!
Het eerste wat er na het uitzaaien gebeurt is, dat de zaden het bodemvocht in zich opzuigen en zwellen. Wanneer je geluk hebt en het regent spoedig na het zaaien, dan komen de zaden sneller op. Bij droogte duurt het langer. Na een paar dagen zie je dat kleine blaadjes zich ontvouwen. Dat zijn de kiemblaadjes. Meestal zijn het er twee die tegenover elkaar staan. Trek je het stengeltje waaraan deze blaadjes vastzitten voorzichtig uit de aarde, dan zie je, dat er een worteltje in tegenovergestelde richting groeit. Dit kiemworteltje is het allereerst ontstaan.

Leg je een zaadkorreltje op vochtig vloeipapier, dan kun je het kiemproces heel goed waarnemen. Dan zie je namelijk dat er eerst een wit puntje uit het zacht geworden omhulsel komt. Langzamerhand wordt het groter en strekt zich uit tot het worteltje. Met het onderpuntje richt het zich naar de aarde en vormt een teer huidje met zeer fijne zuigworteltjes. Daarmee neemt de kiem water op en de stoffen die in de bodem opgelost zijn.

Laat je het zaad nog langer in het vocht liggen, dan kun je ook zien, hoe de kiemblaadjes tevoorschijn breken. Het bijzondere is namelijk dat deze kiemblaadjes net zo als het kiemworteltje- van begin af in het zaad zitten, weliswaar nog klein en samengebald, maar toch al kant en klaar. Ze hoeven zich alleen maar uit te strekken. Eerst zijn ze nog bleek en kleurloos, omdat ze niet door het zonlicht aangeraakt kunnen worden. Men noemt ze daarom ook wel zaadlobben, want het zijn nog geen echte blaadjes. Zo gauw ze echter boven de grond uitkomen, worden ze al snel groen. Zo wendt het kiemplantje zich bijna gelijktijdig naar zijn beide weldoeners: eerst de aarde, dan de zon.

Sommige planten, bv. de eik en de erwt, doen het iets anders. Die laten de zaadlobben onder de grond in het zaad liggen  en wat boven de grond in het licht komt, zijn al meteen de eerste echte bladeren met de stengeldeeltjes die erbij horen. Ook de kastanje doet dat zo. Haar zaden zijn de allergrootste die je bij ons kunt vinden. Wanneer je van een eikel of van een erwt of boon de harde schaal verwijdert, valt het geheel in twee helften uiteen. Dat zijn de twee zaadlobben die hier bijzonder dik en vlezig zijn. Aan één kant zitten de gespleten helften nog aan elkaar en daar zie je ook het begin van het kiemworteltje. Bij grotere zaden kun je aan de buitenkant duidelijk zien dat het kiemworteltje van binnen tegen de zaadschil aandrukt.

Maar dit is nog niet alles wat je van het zaad en het kiemplantje kan leren.

kiemplantje van  duivenkervel                     kiemplantje van nagelkruid

Zoals je aan het zaad niet kunt zien welke plant daar later uit zal groeien, zo kun je dat ook niet zien aan de kiemplantjes. Je moet er maar eens een paar vergelijken, dan zie je het wel. Al het eerste blaadje dat uit het hart van het kiemplantje ontspruit, is al heel anders dan een kiemblad. Het heeft de vorm van een ei of in de lengte als van een tong. Soms is het hartvormig, maar nooit lijkt het op het blad dat later komt en dat dikwijls uit delen bestaat, veervormig of gerond of ook wel met fijne puntjes of tandjes of insnijdingen aan de rand. Ook nerven en vaten zijn duidelijk gevormd. Wat kun je daarvan leren? Dat alle planten allereerst een heel ander en heel eenvoudig plantje vooruit moeten sturen, wanneer zij op aarde willen komen. Dat andere plantje is nou het kiemplantje. De zon heeft dat aan het oog onttrokken in de vrucht, of het zaaddoosje gevormd. Daarna valt het, in het zaad samengebald, naar de aarde .

Door het kiemworteltje wortelt het, om al spoedig zijn zaadlobben naar de zon uit te vouwen, zoals een engelwezen. Pas wanneer dit gebeurd is, kan de zon beginnen echte planten uit de kiemplantjes te vormen, stap voor stap, tot de planten klaar zijn om bloemen en vruchten te kunnen dragen. In de vruchten worden dan nieuwe zaden gevormd, die weer op de aarde vallen.

Säerspruch

Bemess den Schritt! Bemess den Schwung!

Die Erde bleibt noch lange jung!

Dort fällt ein Korn, das stirbt und ruht.

Die Ruh ist süss. Es hat es gut.

Hier eins, das durch die Scholle bricht.

Es hat es gut. Süss ist das Licht.

Und keines fällt aus dieser Welt,

Und jedes fällt,wie’s Gott gefällt

CONRAD FERDINAND MEYER

(geen vertaling gemaakt, noch kunnen vinden)

 terug naar de inhoudsopgave

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

12-10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (8)

  1. Pingback: LEESBOEK VOOR DE PLANTKUNDE-inhoud | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s