Tagarchief: radijs

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (42)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.149, hoofdstuk 42                                                                  alle hoofdstukken

OVER DE KOOL EN DE PLANTENFAMILIE VAN DE KRUISBLOEMIGEN
De kool moet toch wel een merkwaardige plant zijn die zich zo kan veranderen, dat ze ons in zoveel verschillende gedaanten tegemoet kan treden. De mens heeft met zijn kunnen, haar ertoe gebracht dat ze dan eens dit deel, dan dat weer uitbundig vorm geeft, want uit zichzelf zou de koolplant niet die gedaante aannemen die je op het land of in de tuin aantreft. Maar aan de andere kant zou de mens met zijn pogingen tot telen geen succes hebben gehad, wanneer de kool niet de aanleg om te kunnen veranderen al in zich droeg.

Ze laat zich vet mesten, die koolplant. Als ze een zekere grootte bereikt heeft, groeit ze plots niet meer zo verder als een gewone plant.

Bij de koolrabi, bv.wordt de groei opgestuwd tot in de stengel, zodat deze zwelt tot een kogel, i.p.v., zoals het eigenlijk hoort, lang te worden. Weliswaar komt het ook bij andere planten voor, dat ze dik en rond worden, bv. bij de pompoen, wanneer echter een plant het klaarspeelt op alle mogelijke plaatsen dik te worden, maar niet daar, waar je het verwachten zou, namelijk in de vrucht, dan moet je dat toch al als een hoogst merkwaardige zaak beschouwen.

Je hoeft alleen maar op te sommen, welke plantendelen er zijn en dan eens na te denken wat voor plant het wel worden moet, wanneer de groeikracht daarheen gestuurd wordt; dan krijg je steeds een andere koolsoort. Het is dus een echte duivelskunstenaar, deze kool. Wanneer de penwortel groot en machtig wordt, ontstaat de koolraap; wordt de stengel dikker, dan krijg je de koddige koolrabi, waaraan blaadjes zitten, precies zoals aan een steel, ja, je herkent zelfs dat ze in een spiraalvorm geordend zijn. Gaat de woekerende kracht in de bladeren zitten, zodat deze zich krullen, omdat het gladde, rechte oppervlak niet meer voldoende is, dan ontstaat de boerenkool, waarover eerst de vorst gegaan moet zijn, wil ze lekker smaken. Ontwikkelt de knop aan het eind van de stengel zich tot geweldige grootte, dan wordt die tot kool: de witte of rodekool of tot savooiekool. Maar daarmee zijn alle mogelijkheden nog niet uitgeput. De koolplant heeft in de oksels van het stengelblad ogen, waaruit weer zijscheuten spruiten, wanneer de plant die wil vormen. Deze ogen kunnen groot en overdadig worden, als roosjes. Daar hebben we dan de spruitjes. Nu denk je misschien dat er geen verdere mogelijkheid tot verandering is, maar je kunt er nog een noemen: de bloemkool.
Die ontstaat wanneer de bloeiwijze dik en vlezig wordt, i.p.v. zich te strekken. Breek je stukjes van de bloemkool af, dan zie je de vertakkingen, en ook de ontelbare bloemknopjes zijn aan de oppervlakte duidelijk te herkennen. Wanneer de bloemkool niet op tijd afgesneden wordt, dan kan het gebeuren dat hij in de hoogte schiet, in het licht komt en zich omvormt tot een bloemstruik die op een bezem lijkt. Om dit te voorkomen, moet men de groene koolbladen naar binnen buigen, zodat deze de bloemkool toedekken en geen zonneschijn doorlaten. Zo blijft hij wit en vlezig.

In ieder deel van de koolplant kan de groeikracht zich stuwen. Iedere keer komt er een andere koolsoort uit tevoorschijn en dan kun je geen andere mogelijkheid meer bedenken.

bloeiwijze                                                                 bloemkool
stengel                                                                       koolrabi
bladeren                                                                   boerenkool
ogen                                                                           spruitjes
stengelknoppen                                                    rode, witte, savooiekool
penwortel                                                                koolraap

In tuinen bij boerderijen waar ze voor de zaadvorming blijven doorgroeien, kun je de koolplanten, bv. de koolrabi, dikwijls bloeiend aantreffen, want in het tweede jaar breekt de bloemsteel door. Die draagt zwavelgele kruisbloemen. En aan de bloemen en ook aan de typische bloeiwijze kun je de kool en zijn bijna ontelbare familieleden makkelijk herkennen. Men noemt deze plantenfamilie de kruisbloemigen, want ze hebben alle, vier in een kruis staande bloemblaadjes, bovendien een kelk van vier blaadjes en een eenvoudig bovenstandig vruchtbeginsel. Wie de bloeiwijze en de stand van de vrucht van een koolplant eens goed heeft bekeken, die zal ook gemakkelijk andere kruisbloemigen aan de manier waarop ze bloeien herkennen, want ze zijn allemaal gelijk. Ze bloeien van boven verder, terwijl eronder de vruchten, de peulen namelijk, al rijp worden. Ze komen naar alle kanten te staan, zoals de kaarsen op een luchter. Of ze nu lang en als een rolletje gevormd zijn, zoals bij de kool of bladvormig, zoals bij de judaspenning of klein en hartvormig zoals bij het herderstasje, de plaatsing bij deze manier van bloeien is steeds dezelfde. Een volgroeide stengel is er vanonder tot boven mee bezet. Wanneer je nu bedenkt dat in iedere peul heel veel zaden zitten, dan kun je wel uitrekenen, hoe ontzettend veel zaden een enkele plant kan voortbrengen. Sommige kruisbloemigen vormen zaden als zand aan de zee. Zo is bv. van het herderstasje uitgerekend, dat één plant wel 60.000 zaden kan voortbrengen. Daarom kunnen de kruisbloemigen zich zo geweldig uitbreiden en als akkeronkruid zo lastig worden, zoals bv. de knopherik en de herik.

Grohmann 151 kruisbloemige

Links bloei en vruchten zoals ze bij veel kruisbloemigen voorkomen. De stengel bloeit boven door, terwijl onder de vruchten al rijp worden. Rechts de vruchtjes van het herderstasje; daaronder van de witte krodde.

Vlezige vruchten vormen de kruisbloemigen in hun bloemen niet. De kool wordt al eerder vrucht, in de stengel, in het blad, in de wortel of in de onontwikkelde bloeiwijze. Daardoor wordt hij groente. Al naar gelang over welke koolsoort het gaat, is de plaats waar het tot vruchtvorming komt, een andere.

Ook al zijn nu alle koolsoorten opgenoemd dan zijn daarom lang niet alle nuttige planten uit de familie van de kruisbloemigen met name genoemd. We zouden de rammenas en het radijsje als broertjes van de koolraap ten tonele kunnen voeren; want zoals bij de koolraap, is ook bij deze de penwortel verdikt. Je proeft gelijk dat ze iets met de kool hebben te maken, want die wat bijtende, scherpe smaak, kennen we, zij het veel zwakker, ook van de koolbladeren. Dezelfde scherpte hebben ook de bladeren van de waterkers, die eveneens tot de kruisbloemigen behoort. Bij andere kruisbloemigen is het de mens om de olie te doen; zo wordt het koolzaad verbouwd omdat er in zijn zaden een waardevolle olie zit. Ook het mosterdplantje levert ons waardevolle zaden. We stellen ze op prijs wegens de scherpe smaak, niet wegens de vette olie.

Het is de kracht van de zwavel die aan veel kruisbloemigen de scherpe smaak geeft, al komt deze bij de rammenas dus het meest in de wortel tevoorschijn of zoals bij de waterkers in de blaadjes of bij de mosterd in het zaad. De chemici hebben aangetoond dat in alle scherp smakende kruisbloemstoffen zwavel zit. Bij het koolzaad komt het zwavelachtige heel zuiver en prachtig licht in het zwavelgele bloeien te voorschijn, terwijl de rammenas en het radijsje wat witachtig bloeien, omdat deze alle zwavelkracht samengebald hebben in de penwortel. Bij de plomp woekerende, waterige koolplant is de kracht van de zwavel alleen zwak aanwezig. Het is net of je gloeiend ijzer in koud water dompelt. Dan brandt het niet meer. Toch kun je de zwavelstof steeds wel proeven en je neemt het altijd waar wanneer je kool kookt. Wanneer er kool in de kelder ligt te vergaan, zodat die begint te rotten, kan er zo’n stank ontstaan dat je die bijna niet verdragen kan. Ook deze stank komt alleen door de zwavel die de koolbladeren bevat.

Een paar kruisbloemigen tenslotte, doen het toch weer anders dan de hier genoemde voedingsgewassen. Zij willen i.p.v. de naar binnen werkende zwavelkracht liever lekker ruikende bloemen hebben. Zo behoren de muurbloem en de violier, twee van onze mooiste sierplanten, tot de familie van de kruisbloemigen. Geen mens die het niet van tevoren al weet, zou op het idee komen dat ze familie van de kool en de rammenas zijn, als je ze niet aan de bouw van de bloem of aan de plaats van de vrucht zou herkennen. Zo heeft iedere plant haar eigenaard en haar bijzondere voordelen.De een wil die van de buitenkant laten zien, de ander laat die in haar stoffen werkzaam worden; maar geen van tweeën is daarom minder dan de ander, omdat die het niet precies zoals die ander doet.

Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

47-45

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (8)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz. 28, hoofdstuk 8                                                                            alle hoofdstukken

 

HOE DE PLANTEN KIEMEN
Je kunt aan het zaad niet zien wat er door de kracht van zon en aarde later uit zal groeien. Hoe zou je ook, want wat zijn de zaadjes klein in vergelijking met de latere plant! Kleurloos en verdroogd liggen ze in je hand. Sommige zijn zo klein dat je ze niet terugvindt, wanneer je ze achteloos in de aarde gestrooid hebt.

Laten we eens naar het overbekende radijsje kijken!
Het eerste wat er na het uitzaaien gebeurt is, dat de zaden het bodemvocht in zich opzuigen en zwellen. Wanneer je geluk hebt en het regent spoedig na het zaaien, dan komen de zaden sneller op. Bij droogte duurt het langer. Na een paar dagen zie je dat kleine blaadjes zich ontvouwen. Dat zijn de kiemblaadjes. Meestal zijn het er twee die tegenover elkaar staan. Trek je het stengeltje waaraan deze blaadjes vastzitten voorzichtig uit de aarde, dan zie je, dat er een worteltje in tegenovergestelde richting groeit. Dit kiemworteltje is het allereerst ontstaan.

Leg je een zaadkorreltje op vochtig vloeipapier, dan kun je het kiemproces heel goed waarnemen. Dan zie je namelijk dat er eerst een wit puntje uit het zacht geworden omhulsel komt. Langzamerhand wordt het groter en strekt zich uit tot het worteltje. Met het onderpuntje richt het zich naar de aarde en vormt een teer huidje met zeer fijne zuigworteltjes. Daarmee neemt de kiem water op en de stoffen die in de bodem opgelost zijn.

Laat je het zaad nog langer in het vocht liggen, dan kun je ook zien, hoe de kiemblaadjes tevoorschijn breken. Het bijzondere is namelijk dat deze kiemblaadjes net zo als het kiemworteltje- van begin af in het zaad zitten, weliswaar nog klein en samengebald, maar toch al kant en klaar. Ze hoeven zich alleen maar uit te strekken. Eerst zijn ze nog bleek en kleurloos, omdat ze niet door het zonlicht aangeraakt kunnen worden. Men noemt ze daarom ook wel zaadlobben, want het zijn nog geen echte blaadjes. Zo gauw ze echter boven de grond uitkomen, worden ze al snel groen. Zo wendt het kiemplantje zich bijna gelijktijdig naar zijn beide weldoeners: eerst de aarde, dan de zon.

Sommige planten, bv. de eik en de erwt, doen het iets anders. Die laten de zaadlobben onder de grond in het zaad liggen  en wat boven de grond in het licht komt, zijn al meteen de eerste echte bladeren met de stengeldeeltjes die erbij horen. Ook de kastanje doet dat zo. Haar zaden zijn de allergrootste die je bij ons kunt vinden. Wanneer je van een eikel of van een erwt of boon de harde schaal verwijdert, valt het geheel in twee helften uiteen. Dat zijn de twee zaadlobben die hier bijzonder dik en vlezig zijn. Aan één kant zitten de gespleten helften nog aan elkaar en daar zie je ook het begin van het kiemworteltje. Bij grotere zaden kun je aan de buitenkant duidelijk zien dat het kiemworteltje van binnen tegen de zaadschil aandrukt.

Maar dit is nog niet alles wat je van het zaad en het kiemplantje kan leren.

kiemplantje van  duivenkervel                     kiemplantje van nagelkruid

Zoals je aan het zaad niet kunt zien welke plant daar later uit zal groeien, zo kun je dat ook niet zien aan de kiemplantjes. Je moet er maar eens een paar vergelijken, dan zie je het wel. Al het eerste blaadje dat uit het hart van het kiemplantje ontspruit, is al heel anders dan een kiemblad. Het heeft de vorm van een ei of in de lengte als van een tong. Soms is het hartvormig, maar nooit lijkt het op het blad dat later komt en dat dikwijls uit delen bestaat, veervormig of gerond of ook wel met fijne puntjes of tandjes of insnijdingen aan de rand. Ook nerven en vaten zijn duidelijk gevormd. Wat kun je daarvan leren? Dat alle planten allereerst een heel ander en heel eenvoudig plantje vooruit moeten sturen, wanneer zij op aarde willen komen. Dat andere plantje is nou het kiemplantje. De zon heeft dat aan het oog onttrokken in de vrucht, of het zaaddoosje gevormd. Daarna valt het, in het zaad samengebald, naar de aarde .

Door het kiemworteltje wortelt het, om al spoedig zijn zaadlobben naar de zon uit te vouwen, zoals een engelwezen. Pas wanneer dit gebeurd is, kan de zon beginnen echte planten uit de kiemplantjes te vormen, stap voor stap, tot de planten klaar zijn om bloemen en vruchten te kunnen dragen. In de vruchten worden dan nieuwe zaden gevormd, die weer op de aarde vallen.

Säerspruch

Bemess den Schritt! Bemess den Schwung!

Die Erde bleibt noch lange jung!

Dort fällt ein Korn, das stirbt und ruht.

Die Ruh ist süss. Es hat es gut.

Hier eins, das durch die Scholle bricht.

Es hat es gut. Süss ist das Licht.

Und keines fällt aus dieser Welt,

Und jedes fällt,wie’s Gott gefällt

CONRAD FERDINAND MEYER

(geen vertaling gemaakt, noch kunnen vinden)

 terug naar de inhoudsopgave

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

12-10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.