VRIJESCHOOL – Steiner: ‘Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven’ (20)

.

Dit artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
.

Zie ‘voorwoord‘.

Dit is het laatste artikel uit het boekje ‘Lebenskunde muss aller Unterricht geben’

De auteur bespreekt een geschiedenis van de kunst; gaat in op het ontbreken van kunst in het onderwijs en de gevolgen daarvan op de ontwikkeling van het (gevoels)leven van de jeugd. 

.

Siegfried Pütz, Ottersberg
.

De maatschappelijke impact van kunst
.

Tot aan de middeleeuwen – en nog lang daarna van invloed – vormden de domeinen van ambacht, kunst en technologie (begrippen die we tegenwoordig als gescheiden beschouwen) een samenhangend geheel, waarbij elk element op het andere was gericht en door hun invloed werd gevormd. Bovendien vormde dit verenigde domein voor de creatieve mens – en binnen de context waarin de creatie zelf plaatsvond – één geheel met wetenschap en religie.

Zelfs Albrecht Dürer beschouwde zichzelf als ambachtsman; bovendien werden, tot ver in de zestiende eeuw, ook de technische en ambachtelijke vaardigheden die gepaard gingen met het opkomende beroep van ‘mechanicus’ gevormd door dezelfde mentaliteit die destijds creatieve activiteit mogelijk maakte op het gebied dat wij nu als kunst bestempelen.
Het verschijnsel van de ‘kunstenaar-ingenieurs’ uit de renaissance illustreert hoe nauw de sferen van ambacht en kunst verbonden en verweven waren met wat destijds bekendstond als mechanische technologie. Evenzo getuigen de vormen, verhoudingen en het wezenlijke karakter van het gereedschap en de gebruiksvoorwerpen uit die tijd van de gedeelde mentaliteit waaruit ze voortkwamen. Vorm, materiaalgebruik en ontwerp vormden – naast functionele geschiktheid en technisch nut – een onafscheidelijk geheel. Om het beeld compleet te maken, hoeft men slechts op te merken dat deze zelfde eenheid ten grondslag lag aan de totstandkoming van alles wat mensen in hun dagelijks leven omringde, en elk voorwerp zijn eigen, kenmerkende karakter verleende.

Men kan stellen dat wat wij vandaag de dag kunst noemen – en wat tot uiting komt in ware spiritualiteit binnen architectuur, beeldende kunst, poëzie, enzovoort – ook het ontwerp verrijkte van de voorwerpen die mensen in hun dagelijks leven omringden.

De opvallend wijdverbreide wens van tegenwoordig om ‘authentieke, oude’ voorwerpen in de eigen leefomgeving op te nemen, is onder meer een symptoom van zowel een ervaren gemis als een verlangen naar vormkwaliteiten die verder reiken dan louter functioneel nut en objectieve bruikbaarheid. Dit verschijnsel blijkt zelfs uit de huidige trend om winst te maken met reproducties van oude modellen – waarvan sommige het toppunt van kitsch vormen. De menselijke zintuigen – die tegenwoordig vaak louter functioneel worden benaderd – hunkeren naar een vorm van voeding uit de zintuiglijke wereld om hen heen die hen voedt en verheft; een voeding die voortkomt uit een veel diepere en ingrijpendere oorsprong dan louter utilitair nut. Er is inderdaad steeds meer aandacht voor deze fundamentele spirituele en psychologische behoeften van de mens, wat de weg kan vrijmaken voor nieuwe benaderingen.

Men zal tot essentiële conclusies komen voor het voortbestaan van de gezonde zintuiglijke activiteit van de mens, wanneer men uitgaat van het besef dat de moderne techniek, die het leven steeds meer bepaalt — in tegenstelling tot die vroegere „techniek” die verbonden was met kunst en ambacht – voor de mens een aanvulling nodig heeft die hem helpt het door techniek gedomineerde dagelijks leven het hoofd te bieden zonder zijn ware menselijkheid in gevaar te brengen.

Het is namelijk een fundamentele misvatting, die tot veel verkeerde oordelen leidt, te geloven dat de moderne techniek voortkomt uit een voortdurende verdere ontwikkeling van vroegere en allereerste stadia van technische omgang met het bestaan. Tot aan de ontplooiing van de natuurwetenschap, die voortkwam uit de ontdekkingen van Copernicus, Kepler en Galileo, waren ambacht en techniek geen gescheiden domeinen. Beide waren verbonden met de kunst als hun inspirerende bron. Het was de kunst die voor ambacht en techniek de menselijke maatstaf vaststelde. Uit deze verbondenheid vond alle techniek haar dienende taak en een uitdrukkingsvorm die het bijbehorende karakter droeg.

Pas met de intredende verandering in het wereldbeeld en met de opkomst van het natuurwetenschappelijke denken traden geleidelijk aan die zelfstandigheden op die we vandaag de dag kennen. De eenheid van wetenschap, kunst en religie viel uiteen, en naarmate de natuurwetenschap het menselijk denken en handelen meer ging bepalen, nam ook de scheiding tussen kunst, ambacht en techniek steeds verder toe. Vooral sinds de uitvinding van de stoommachine werd de techniek door de natuurwetenschap in haar greep genomen en versmolt zij nu met deze.

Zo is de geboorte van de natuurwetenschap tegelijkertijd de oorzaak van het ontstaan van wat als moderne techniek moet worden beschouwd. En in dit feit ligt zowel de essentie van de moderne techniek verankerd als haar eenzijdige werking.

Zo leeft de mens steeds sterker in een situatie die enerzijds wordt bepaald door het abstracte rationele denken en die anderzijds een wereld vormt waarvan de onrust en rusteloosheid hem in toenemende mate tot een motorisch bewegingsmens vormen. Noch in de beroepswereld, die door de technische omstandigheden noodzakelijkerwijs is verobjectiveerd, noch in alles wat de mens als buitenwereld omringt en hem – steeds nieuwe reacties uitlokkend – in zijn greep houdt in een voortdurend groeiende en voortdurend veranderende beweging, is er ruimte of voeding voor zijn persoonlijke wezenlijke kern. Zijn individuele behoeften en verlangens blijven daarin onbesproken, kwijnen weg of worden verdrongen. Noch de hoogtechnologische arbeidswereld, noch het veelzijdige bewegingsleven van het dagelijks leven zijn een behoefte aan of bieden mogelijkheden voor het emotionele aspect van de mens.

Het lijkt erop dat het huidige leven geen behoefte heeft aan het menselijke midden, de ‘hartmens’. Wie op zakelijke functies van technische samenhangen met gevoelens reageert, is ongeschikt als technicus; wie zich bijvoorbeeld emotioneel gedraagt achter het stuur van een auto, brengt zijn medemensen in gevaar.

Toch blijkt juist uit de huidige stand van de wetenschappelijke techniek dat de ingewikkelde en subtiele eisen ervan steeds grotere aanspraken stellen aan de persoonlijkheidskrachten en de karaktereigenschappen van de mens. Evenzo wordt bijvoorbeeld ook het aanpakken van de toenemende verkeersproblematiek steeds meer een kwestie van karakter en van menselijk sociaal gedrag.

Zonder een reële en even nuchtere als praktische opvoeding tot menselijke evenwichtigheid loopt de mens van vandaag, meer dan ooit tevoren, het gevaar zich zowel in interpersoonlijke relaties als in de sociale context van de samenleving te laten leiden door asociale motieven. Het feit dat talloze van deze antisociale driften in verlegde vorm voorkomen of in hun perverse vorm zelfs als gerechtvaardigd worden beschouwd, maakt dit hele vraagstuk alleen maar ernstiger.

De veelgehoorde geruststelling dat we ‘nu eenmaal in een pragmatische wereld leven’, is nauwelijks geestrijker of verantwoordelijker dan het ‘na ons de zondvloed’. Vraag je eens af wat er uiteindelijk onvermijdelijk in een niet zo verre toekomst het einde van het algemeen heersende pragmatisme zal betekenen, als er geen daadwerkelijk effectieve factoren worden ingezet tegen de daaruit voortkomende en voortdurend toenemende bedreiging voor de mens.

Wetenschap, techniek en economie bepalen het leven en, in toenemende mate, ook het gehele onderwijsstelsel. Geen van deze gebieden kan op eigen kracht de menselijke zielsvermogens vormen of bevorderen die enerzijds de zelfstandige persoonlijkheid de innerlijke vrijheid verschaffen en anderzijds leiden tot een sociaal bewustzijn als een bewuste wilshouding.

Tegenwoordig wordt er uitsluitend via het hoofd opgeleid en gevormd, en daarnaast hooguit nog via de ledematen. Maar dat ook het gehele gevoelsleven van de mens opvoeding, passende voeding en een harmoniserende ontplooiing behoeft om zich te kunnen ontwikkelen tot een gezonde heelheid van de mens, wordt ondanks ons overigens zo vooruitstrevende denken in een mate veronachtzaamd die bijna onbegrijpelijk is. Voor de ontwikkeling van het hoofd en ook voor de opvoeding van de ledematen worden de bijbehorende disciplines, evenals methodiek en didactiek, als onmisbaar beschouwd. Daarentegen laat men het gehele gevoelsleven min of meer aan zijn lot over.

Uit deze minachting of de volstrekt ondergeschikte waardering van dit gebied vloeien bijna alle betreurde tijdverschijnselen voort. Want uit het veronachtzamen van de hier aanwezige noodzaak ontstaan illusoire sentimenten en ondoordachte emotionele reacties, en blijven de deuren wijd openstaan voor gevoelsverharding, gevoelsverwildering en emotionele betrokkenheid bij pseudo-vervullingen.

Van oudsher was het de taak van de kunst om die voor de gezondheid van de hele mens onmisbare gevoelsvorming teweeg te brengen. Hier volstaat het te vermelden hoe de middeleeuwse mens – in overeenstemming met de toenmalige bewustzijnshouding – de noodzakelijke voeding en vorming van zijn gevoel ervoer, bijvoorbeeld door het betreden en aanschouwen van de domkerken, kathedralen en hun beeldhouwwerken. In een wereld die in de eerste plaats werd gekenmerkt door de directe aanschouwelijkheid van de essentie van kunst, wetenschap en religie, ontstonden uit deze indrukken en de vorming van het gevoelsleven ook de sociale drijfveren die bij die tijd pasten. En de kunst had hier nog een vanzelfsprekende en even verstrekkende als veelomvattende sociale taak.

Tegenwoordig aarzelt men vaak om kunst in een maatschappelijke context te plaatsen en denkt men dat er een doel aan de kunst wordt toegekend wanneer er sprake is van haar maatschappelijke invloed. Men ziet daarbij over het hoofd dat ook vandaag de dag de kunst zich alleen kan voeden uit dezelfde bronnen als sinds het begin van haar bestaan. Alleen onze huidige, zo contextloze manier van denken over de kunst – die kan leiden tot de volledige sociale isolatie van een van het leven losstaand l‘art pour l’art’-standpunt – is een novum in het kunstbewustzijn en in wezen volstrekt ongeschikt voor de kunst.

Dit is pas ontstaan sinds de tijd dat de kunst, door de Verlichting, het positivisme van de materialistische natuurwetenschap en de opkomst van het technische tijdperk, uiteindelijk uit het algemene leven werd verdrongen en in de huidige sociale isolatie terechtkwam. De kunst als een ‘l’art pour l’art’ beschouwen is in feite niet alleen helemaal niet modern, maar ook een herhaling van het in veel opzichten illusoire denken uit de tweede helft van de 19e eeuw.

Als men de kunstgeschiedenis sinds haar ontstaan niet vanuit het perspectief van een geïntellectualiseerd esthetisme bestudeert, maar fenomenologisch, dan komt haar sociale missie, die door de millennia heen standhoudt, vanzelf naar voren. De esthetiserende houding ten opzichte van de kunst, die is voortgekomen uit oppervlakkige principes en criteria, is nieuw; de sociale werking die immanent verweven is met alle kunst is echter even oud als de kunst zelf.

Juist vanuit een houding die het sociale aspect van de kunst ontkent, zou men vandaag de dag een perverse sociale invloed van het artistieke kunnen vaststellen. Hiervoor kan niet alleen veel worden aangevoerd dat voortkomt uit contextloze en nadrukkelijk willekeurige opvattingen over kunst, maar dit zou ook nog eens moeten worden aangetoond voor de zogenaamde toegepaste kunst op het gebied van de reclame. Bovendien moet hier nog het feit worden genoemd dat politieke agitatoren en dictaturen niet zelden vanuit een perverse drang de kunst zelfs bij voorkeur tot een prostituee maken voor hun machtsdoelen.

Vanuit een ver vooruitziend voorgevoel van wat zich nu in onze tijd steeds duidelijker en dreigender manifesteert, schreef Schiller zijn Esthetische Brieven. Ze maken deel uit van de erfenis van het Duitse idealisme, die nu – met name in onze hoogtechnologische wereld – eindelijk en dringend moet worden omarmd. Een onbevooroordeelde beschouwing van de situatie van de hedendaagse mens maakt duidelijk dat de invloeden die hij onophoudelijk ondervindt van de natuurwetenschappen en de techniek, moeten worden aangevuld met die van de kunst.

In de veranderde bewustzijnstoestand kan dit niet worden bereikt via de passieve, gemoedelijke beleving van pure beeldendheid, zoals die in de middeleeuwen gebruikelijk was. De mens van onze tijd wil en moet zijn verhouding tot de kunst door eigen activiteit verwerven. En de talrijke ervaringen die voorhanden zijn, tonen aan hoe uit een procesmatige beleving van de elementen van de kunst zowel een individueel bewuste verhouding tot de kunst in het algemeen ontluikt, als dat er een gebied in de mens zelf tot leven komt waarin hij zichzelf als individualiteit ervaart en waarneemt en waarin hij tot een werkelijke bevrediging van zijn behoefte aan vrijheid kan komen.

Aan het begin van de 20e eeuw was het de jeugdbeweging die in opstand kwam tegen een leven dat evenzeer werd gekenmerkt door achterhaalde tradities als door de illusie dat alleen de verworvenheden van de uiterlijke vooruitgang een menswaardig bestaan konden garanderen. Deze jeugdbeweging vond haar kern in de behoefte om zin en waarde te geven aan de gevoelswereld van de jonge mens. De jeugd voelde de vastgeroeste aard van de burgerlijke beschaving en verzette zich ertegen haar gevoelens te binden aan postulaten die twijfelachtig waren geworden en aan inhoudsloze sentimentaliteiten. Wat destijds vanuit de jeugd opkwam als protest tegen een wereld die alleen door uiterlijkheden werd gekenmerkt en de wezenlijke vragen negeerde, had met name voor het gehele onderwijsstelsel voldoende reden kunnen zijn om op zoek te gaan naar essentiële ideeën voor fundamentele hervormingen.

Hoewel men in Midden-Europa, naast vele andere zaken, ook Schillers Esthetische Brieven als een van de belangrijkste leidende ideeën op dit gebied beschouwde, vond het onderwijsstelsel, dat deels in de meest bekrompen tradities bleef steken, hierop geen antwoord. De kiemen en aanzetten van die jeugdbeweging werden uiteindelijk echter verstikt in de waanzin van bloed en ijzer van de Eerste Wereldoorlog.

Na deze ramp richtte Rudolf Steiner de Waldorfschool op. In de pedagogiek die hij daarmee in de praktijk bracht, hebben de ideeën die Schiller in zijn Esthetische Brieven uiteenzette hun eigentijdse invulling gevonden. Sindsdien is het mogelijk om ook op het gebied van het schoolonderwijs weer te spreken van een maatschappelijke werking van de kunst die aansluit bij de tijd.

In het algemeen onderwijs werd echter — ondanks de mogelijkheden die er in de eerste naoorlogse jaren bestonden — een echte hervorming opnieuw met succes verhinderd door de conservatieve krachten. Dit feit moet in direct verband worden gebracht met het succes dat Hitler vervolgens met name bij de jeugd had. Het nationaalsocialisme wist dat vacuüm in het midden op uiterst bekwame wijze op te vullen met de bijbehorende nationale en volksgerichte pseudowaarden.

Inmiddels is het laatste derde deel van de 20e eeuw* aangebroken en nog steeds is er, ondanks de discussie die hierover al vele jaren gaande is, noch de neiging noch een gegrond vooruitzicht op een fundamentele hervorming van het onderwijs. En naast het feit dat het onderwijs in West-Duitsland** in vergelijking met andere cultuurstaten in het algemeen achterop raakte, werden hier bijvoorbeeld zelfs de lesuren voor het zogenaamde kunstonderwijs aanzienlijk ingekort.

Vanuit een pedagogisch standpunt dat dit opportuun acht, past het natuurlijk ook om de cybernetica toegang te verlenen tot het onderwijs. Maar al in 1954 waarschuwde Portmann, naast anderen, voor het voortzetten van de toenmalige opvoedingsmethoden en pleitte hij voor de school als een instelling voor kunst en cultuur, omdat anders de mens onvermijdelijk zou veranderen in een robot, in een cybernetisch monster.
Welke gevolgen cybernetische leermethoden zullen hebben, is waarschijnlijk relatief eenvoudig voor te stellen voor iemand die in de mens meer ziet dan bepaalde positivistische biologen. Deze gevolgen zullen echter ongetwijfeld van een nog veel ingrijpender aard zijn dan die welke we vandaag de dag concreet voor ogen hebben als gevolg van de eerdere nalatigheden en tekortkomingen van het onderwijsstelsel.

Een van deze gevolgen is ongetwijfeld ook die honger die de jeugd van vandaag in toenemende mate in haar algehele geesteshouding laat zien. In onze wetenschappelijk geobjectiveerde wereld is er echter niets voorhanden waarmee deze honger zou kunnen worden gestild. Aangezien ook de school nalaat om de nodige vaardigheden te ontwikkelen waarmee jongeren zich geestelijk verder kunnen ontwikkelen zonder aan deze honger te lijden, zoekt de jeugd zelf naar voeding. Dat gebeurt met een deels schokkende toewijding aan zaken die haar door zakelijk ingestelde, gewetenloze kringen worden aangeboden in de vorm van een beroep op oerwoudinstincten. Hieronder vallen de jazzfan, de Beatle, de verschillende verslavingen die in kelderbars, seksfeestjes en dergelijke bevrediging zoeken, en nog veel meer, tot aan de zwerver toe. Deze laatste is in zekere zin nog als een positief verschijnsel te beschouwen, in zoverre dat hij zich, in eerste instantie, door de vorm van zijn protest probeert te onttrekken aan elke beïnvloeding en sturing.

Bij dit alles moet in feite worden gesproken van een soort moderne vervangende jeugdbeweging. Deze ontstaat in plaats van een opstand voor echte idealen en vindt haar werkelijke oorzaak in de verwaarloosde en ongeschoolde middenklasse. Een ander kenmerk is de hectische, koortsachtige opwinding die tot extase kan leiden, en hier hoort ook het feit bij dat deze veelzijdige en massapsychotisch optredende verschijnselen worden gestuurd door een onverantwoordelijk commercieel management.

Wat verder opvalt aan deze jeugdige onstuimigheid en haar kenmerkt, is het plotselinge einde ervan in het individuele levensverloop. Van die, hoe extatische roes ook, blijft natuurlijk niets over, en aan het einde van het inhoudsloze intermezzo staat uiteindelijk de vaak ronduit armzalige burger. Een kleinburgerlijkheid die met name wordt gekenmerkt door het feit dat zij nu, na deze zinloze verspilling van echte krachten in die roesperiode, vervalt in het flagrante en mateloze opportunisme, dat zijn steeds verder uithollende bevrediging vindt in het consumentisme en in het zogenaamde succesprestige. Alleen een denkwijze die voortkomt uit een bewustzijn dat door het geïndustrialiseerde pluralisme is gemanipuleerd, kan menen in al deze feiten geen brandende vragen te hoeven zien die aanleiding geven tot diepe bezorgdheid.

Zolang men voorbijgaat aan de noodzaak en eisen van het mensbeeld die op veelzijdige wijze door de tijdverschijnselen aan het licht zijn gekomen, zullen alle opvoedkundige en sociaal-pedagogische theorieën onvruchtbare ideologieën blijken te zijn. Ze dragen in latente vorm de bijbehorende asociale effecten in zich en belemmeren een door de mens gevormde toekomst met alleen maar toenemende complexiteit.
Waar men zich bij alle wezenlijke levensvragen vanuit een deterministisch-causaal denken beperkt tot het hoofd en de ledematen, kan het niet anders dan dat het menselijke centrum een speelterrein wordt voor het emotionele en ondoorgrondelijke dierlijke in de mens. In plaats van werkelijk menselijke sociale drijfveren wordt ons leven daarom doordrongen door sociale voorstellingen en sociale motieven die voortkomen uit een perverse dierlijke kant in de mens. Ideologieën van de pluralisten over een termietenmaatschappij, het brute uitleven van machtsinstincten in politiek en economie en de primitieve erotisering van het culturele leven zijn hiervoor slechts enkele opvallende voorbeelden uit de uitgebreide feitenlijst.

Wat nu de kunst zelf betreft, zo is zowel haar sociale isolatie als haar veelvuldig waarneembare asociale effect juist het gevolg van het feit dat zij — ondanks en juist vanwege haar ‘l’art pour l’art’ — midden in de draaikolk van de genoemde verschijnselen is terechtgekomen. Enerzijds worden elektronisch gegenereerde geluiden net zo goed als mogelijkheden voor muziek besproken, terwijl puur technisch geconstrueerde prullaria tot de beeldende kunst worden gerekend. Anderzijds worden de weergave van subliminale abstrusiteiten [betekent dat iets erg moeilijk te begrijpen, duister of ingewikkeld is] en het willekeurig benadrukken van resultaten van een ongebreidelde emotionaliteit beschouwd als gerechtvaardigde artistieke vrijheid.

Het is veelzeggend dat een van de veelbesproken boeken over moderne kunst uit het midden van de twintigste eeuw de titel *Loss of the Center* (Sedlmayr) draagt. Dit wijst tevens op een cruciaal inzicht in de wijze waarop kunst haar maatschappelijke impact werkelijk kan verwezenlijken: niet door een van buitenaf opgelegd doel te dienen, maar door haar eigen, wezenlijke bestemming te vervullen. Bovendien ligt de vrijheid van de kunstenaar noch in het willekeurig toegeven aan onderbewuste, persoonlijke impulsen, noch in het verwerpen van de eisen die de tijdgeest aan hem stelt.

Juist voor de kunstenaar is het essentieel om te beseffen ‘waarvan’ hij zich moet bevrijden en ‘waartoe’ hij die vrijheid moet verwerven. Pas dan kan er sprake zijn van een artistieke houding die werkelijk in overeenstemming is met de tijd. Vanuit dit perspectief openen zich als vanzelf de authentiek individuele wegen van de maatschappelijk werkzame, creatieve geest.

De aan tekorten gerelateerde kwalen van de moderne mensheid – die steeds duidelijker zichtbaar worden in de zogenaamde ‘welvaartsmaatschappij’ – tonen onmiskenbaar aan dat de werkelijke sociale kwestie niet, zoals pragmatici ten onrechte aannemen, van rationele aard is en louter met materiële middelen kan worden opgelost. Het is veeleer een spirituele kwestie die in de eerste plaats moet worden opgelost door de ‘krachten van het midden’ te activeren – krachten die momenteel zozeer worden veronachtzaamd of slechts als marginaal worden beschouwd. Deze opgave betreft bovenal de kunst en de kunstenaar die vanuit een sociale impuls handelt. Hieruit komt op dit moment een dringende uitdaging voor de toekomst voort: de volgende generatie kunstenaars zo op te leiden en toe te rusten dat zij de eisen van de tijd kunnen herkennen en daaraan het hoofd kunnen bieden.

Hier kan nog een laatste punt aan worden toegevoegd. De tijd vraagt ​​om de ontbrekende maatschappelijke impact van kunst. De omvang en de aard van de daarmee gepaard gaande opgaven zijn zodanig dat ze zeker niet door de kunstenaar alleen kunnen worden opgelost. Het noodzakelijke inzicht bij degenen die op prominente posities maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen, moet gepaard gaan met een daarmee corresponderende bereidheid tot handelen, om te kunnen realiseren wat vereist is.

Hoewel het leven in deze eeuw in beslissende mate door de economie wordt gevormd, wordt zelden onderkend dat de eenzijdige invloed die de mens ondergaat door het samengaan van economie, wetenschap en technologie, een tegenwicht vanuit de kunst vereist. Vanuit een oppervlakkige, utilitaire optiek mag dit wellicht slechts als een abstract uitgangspunt worden beschouwd; bedrijfsleiders die hun verantwoordelijkheid voor bredere maatschappelijke vraagstukken serieus nemen, zouden echter moeten inzien dat de maatschappelijke rol van kunst van fundamenteel belang is. Deze noodzakelijke invloed kan echter alleen worden gerealiseerd als bedrijfsleiders – in samenwerking met kunstenaars die daartoe in staat zijn – de vereiste maatregelen omzetten in de praktijk, en dat met dezelfde nuchtere, pragmatische gedrevenheid die zij doorgaans aan de dag leggen voor de specifieke behoeften van het bedrijfsleven zelf.

*het artikel is van vóór of in 1971
**in die tijd bestond ook Oost-Duitsland nog

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3580-3373

.

.

.

.

 

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.