VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (27)

..

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’


blz.102, hoofdstuk 27                                                                          alle hoofdstukken

 

DE APPELBOOM
Wat een ander gevoel krijg je, wanneer je in plaats van naar een linde, een wilg of de woudbomen, naar een appelboom kijkt. De appelboom is onze belangrijkste fruitboom. Het is net of je de zware vruchten in je hand voelt en de wonderbaarlijke ronding aftast. Zoals de appelboom nu in tuinen of boomgaarden staat, is hij geworden door menselijke zorg, want wanneer hij in de natuur staat, aan zichzelf overgelaten, blijft hij in een toestand waarin hij vruchten geeft die niet te eten zijn. De vruchten van de houtappel, zo wordt de wilde appel wel genoemd, zijn maar twee tot drie centimeter groot en smaken wrang en zuur.
De appelboom is een echte wonderboom, omdat hij naast de kostelijke vruchten ook nog de prachtige bloesem geeft en je kunt er een in je tuin zetten, alleen al omdat hij in de lente helemaal met bloesem bedekt is, zoals een sierboom. Wanneer hij daar in volle pracht staat, zie je duidelijk dat hij familie is van de roos, want de bloesem lijkt erg veel op die van de kleine struikroos. Ze hebben vijf enigszins rode bloemblaadjes en een vijfdelige kelk die groen is. De vijfster die de roos in zich draagt, heeft de appelboom ook nog in zijn vrucht, in het klokhuis. Je vindt hem door een appel door te snijden. Roos en appel behoren namelijk tot dezelfde familie, die van de roosachtigen. De roos geeft de bloem een bijzondere vorm; de appel de vrucht. Ook onze andere fruitbomen, zoals de peer, de kers , de pruim, de perzik, de abrikoos, de kwets en de mispel, tenslotte ook de amandel en de sleedoorn, zijn roosachtigen. Framboos en braam lijken meer op de roos, zoals je aan de bladeren al kan zien. Bovendien groeien ze als struik en hebben doornen zoals de roos.
Een belangrijk verschil tussen de roos en de appel is, dat hoewel ze heerlijk geurt, de roos geen nectar voortbrengt. De bijen bezoeken de roos alleen maar om het voedselrijke stuifmeel te halen. Bij de appelbloesem is dat anders. Deze geeft rijkelijk nectar en daaraan kun je zien, hoeveel sappiger de appelboom moet zijn, ondanks zijn roosachtige bloesem. Anders zou hij ook niet die sappige vruchten kunnen dragen. Zelfs de schors heeft iets vruchtachtigs. Dat weten de hazen bv., zij komen ‘s winters om aan de jonge stammetjs te knagen, tot verdriet van de kwekers.

De blaadjes van de roos  zijn uit verschillende deeltjes samengesteld; de blaadjes van de appelboom zijn eenvoudig. Je kunt de groene blaadjes van een edele roossoort met groot genoegen bekijken. De roos is nu eenmaal een kunstenares. De appelboom doet voor zijn blad niet zoveel moeite. Het is tegen zijn natuur om een mooie plant te worden. Hij wil liever in zijn bestaan nuttig zijn door het dragen van gezonde vruchten. De roos verkwikt de ziel; de appelboom het lichaam.
Alleen al als je zijn groeivorm bekijkt, kun je belangrijke ontdekkingen aan de appelboom doen. Hij is in zekere zin een bescheiden boom. Zijn stam is kort, zijn kruin eerder breed dan hoog. Hoe klein lijkt hij niet als je hem met de oerbomen van een bos vergelijkt: beuken, essen en abelen. Maar zo kan hij zich wel beter laten doorstromen met de levenssappen van de aarde. De kracht daarvan komt tot in de appels die daardoor groot en zwaar worden, zodat wij erin kunnen bijten dat het knapt.

De appelboom heeft twee verschillende levens. Eerst komt de bloeitijd. Het is al voldoende wanneer de lentezon op de twijgen schijnt om de bloesem tevoorschijn te toveren, want de knoppen werden al vroeger in het voorjaar gevormd. Willen de vruchten gedurende de zomer groeien, dan moet de zonnekracht veel verder doordringen en de aardekrachten aanvuren. De zon moet de vruchten natuurlijk ook zelf bestralen opdat ze rijp worden. Ze moeten rode wangen krijgen.

Natuurlijk kunnen de appelbloesems geen gewone rozen zijn wanneer ze appels moeten worden. De appelboom richt zich tot de aarde en zegt: ‘Neem deel aan het vormen van mijn bloesem.’ En de aarde begrijpt dit en geeft de appelbloesem een diepe bloembodem. Daarin zakt dan de stamper, zoals wanneer hij wat in de grond zou zakken, want de bloembodem  is eigenlijk een stukje aarde! De appelboom heeft dus een onderstandig vruchtbeginsel. Na de bevruchting door de bijen laat de aarde deze bloembodem verder uitdijen en tot vruchtvlees opzwellen; uit de stamper ontstaat het perkamentachtige klokhuis met de zaden, de pitten zijn dat. We zien dus dat het waar is, dat de appel geen gewone vrucht is, zoals een kers of een sleedoorn.

Hij is een eetbare en sappig geworden bloembodem, een schijnvrucht, zoals de botanici zeggen.

Wie een appel eet, eet eigenlijk een klein aardbolletje.

 Am Kamin

 Kennst du die hohe Wissenschaft,
Der Bäume Geist, des Holzes Kraft?
Wenn nicht, so laß uns am Kamin
Andächtig lauschend niederknien!

Das Buchenholz brennt hell und rein,
Doch muß ein Jahr verstrichen sein,
Seit man im Wald den Baum gefällt,
Zersägt und mit dem Beil gespellt.

Noch länger braucht ein Eichenscheit
An Zeit, bevor es brennbereit.
Allein der Hölzer Königin,
Gleichviel, ob trocken oder grün,
Das ist die Esche; denn ich weiß:
Sie brennt geduldig, hell und heiß.

Das Birkenholz brennt auf der Stell’,
Sein heller Geist verzehrt sich schnell,
Schnell sinkt die Flamme überm Rost
Und dunkelt hin und ist verglost.

Von der Kastanie meinen sie,
Daß sie zu höchster Glut gedieh’,
War’ nur die Zeit gehörig lang,
Seit sie im Park darniedersank

Allein der rechten Flammen Speis’,
Dem Eschenholz sei Lob und Preis!
Gleichviel, ob trocken oder grün:
Es ist der Hölzer Königin.

Das Pappelholz mit bitt’rem Rauch
Reizt deinen Hals, die Augen auch.
Wie modrig Holz die Ulme brennt,
Gehemmt von fremdem Element.
Selbst ihre Flamme phosphorhaft
Scheint taub und kalt, ohn’ Geisteskraft.

Kein Holzscheit sich vergleichen kann
Mit meiner Esche. Schau dir’s an!
Für einer Königin Gelaß
Ein festlich Feuer wäre das:
So hell, wie heiß und abendlang
Mit Flammenknacken und Gesang.

Vom Apfelbaum das kleinste Scheit,
Es füllt mit Duft die Räume weit.
Geht auch der Winter ins Gericht,
Du schließt den Blick und siehst ihn nicht.
Das Holz, vom Hagedorn beschafft,
Durchsüßt geheim des Brotes Kraft.
Backstuben duften wunderbar
In Irland, wo es Sitte war.

Allein das Eschenholz ist wert,
daß es der Flamme Großmacht nährt
Und aller Geister Herrlichkeit
Aufopfernd seine Scheiter weiht!
Es bleibt, ob trocken oder grün,
Mir Holz der Hölzer im Kamin.

                                                                               Naar een Engels volkslied

 Terug naar de inhoud

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

32-30
Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (27)

  1. Pingback: GROHMANN: LEESBOEK VOOR DE PLANTKUNDE-inhoud | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.