Tagarchief: 7e klas voedingsleer

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (2-5/2)

.

In het artikel over de methoden om voedselproducten te kweken, werd verwezen naar onderstaand artikel.
Hoewel dit niet meteen stof is voor klas 7, plaats ik het artikel wel, als leerkracht kun je eigenlijk nooit over te veel achtergrondinformatie beschikken.

.
Bruno Busse, apotheker, WeledaBerichten, 150, september 1990

.

KWALITEITSVORMING BIJ HET KWEKEN VAN GENEESPLANTEN

.

De harmonische verbinding van de aardse en kosmische krachten, die in de elementenparen aarde/water en licht/warmte wordt weerspiegeld, is een belangrijke doelstelling van het biologisch-dynamisch verbouwen van geneesplanten.
In het hierna volgende zal aan de hand van enkele voorbeelden worden beschreven, hoe de hantering van het vaste-vloeibare aan de Ene kant en het licht-warmte-element aan de andere kant ertoe bijdraagt, geneesplanten al naar gelang van hun geaardheid te activeren. In onze in hoge mate geciviliseerde streken bestaat de zogenaamde vrije natuur alleen nog maar in kleine reservaten, zodat de mogelijkheid om geneesplanten op hun natuurlijke standplaats te oogsten, steeds meer is beperkt. Reeds in 1924 geeft Rudolf Steiner in zijn land-bouwcursus aanwijzingen*, hoe met verantwoording zonder het milieu te beschadigen planten kunnen worden gekweekt. Deze aanwijzingen culmineren in de vijf vaste en twee vloeibare compostpreparaten. Hieronder zullen de preparaten hoornmest en hoornkiezel in hun relatie met de elementen besproken worden. Deze bemestingspreparaten zijn in de akkerbouw en bij het verbouwen van geneesplanten onontbeerlijk gebleken.

*Geesteswetenschappelijke grondslagen voor een vruchtbare ontwikkeling van de landbouw”. [GA 327]

De omgang met de krachten van de aarde en het water

In tegenstelling tot de conventionele manier van verbouwen, waarbij met de snel-oplossende kunstmestsoorten meer een vegetatieve kwantiteitsvermeerdering wordt bereikt, gaat de biologisch-dynamische landbouw in de eerste plaats uit van het levend maken van aarde en water. Daarom heet het vaktijdschrift van de biologisch-dynamische landbouwmethode “Vruchtbare Aarde” om duidelijk te maken, dat de levenskrachten die onontbeerlijk zijn voor de planten, in de bodem moeten worden geleid, wil men gezonde voedings- en geneeskrachtige planten oogsten. Het levend maken van de grond lukt in ons vochtige klimaat het beste met dierlijke mest, die – opgezet in composthopen – gaandeweg moet verrotten en na de rijping als vaste mest op de akker wordt gebracht. Deze rijpe compostgrond versterkt en bevordert de groei- en voortplantingskrachten, dat wil zeggen eenvoudigweg de levenskrachten van het gewas. Vele geneesplanten hebben om te gedijen een hogere humusspiegel nodig. Planten zoals engelwortel, lavas of goudsbloem hebben door hun geaardheid regelmatig bemesting nodig om levenskrachten op te kunnen nemen. Behalve dierlijke mest zijn andere bestanddelen gunstig voor het composteren. Uit die veelheid ontstaan dan de stabiele leemhumuscomplexen, die de vruchtbaarheid van de grond bepalen.
Substanties uit drie natuurrijken zijn beproefd gebleken bij het verbouwen van geneesplanten:

mineralenrijk:                             plantenrijk:                                    dierenrijk:

basaltmeel                                    gras                                                  paardenmest[1]
koraalkalkmeel                            blad, stro                                        koemest
lavameel                                        plantenresten                                schapenmest

Toevoegingen uit het mineralenrijk zoals basaltmeel verwarmen vochtig-koude grond, omdat basalt wordt gewonnen uit diepliggend gesteente en een intensieve relatie heeft met het vuur. Het vaste-vloeibare wordt hier met de licht-warmtepool doordrongen. De gemalen koraalkalk die uit de Grote Oceaan dat wil zeggen uit het waterelement stamt, dient voornamelijk voor het neutraliseren van de zure plantenresten.

Kalk heeft – rechtstreeks op de bodem gestrooid – altijd de eigenschap voedingsstoffen te mobiliseren. Hij maakt “rijke vaders en arme zonen”, moet dus met kennis van zaken zoveel mogelijk het composteren vergezellen.
Het dierenrijk wordt bij de bemesting het meest evenwichtig door de koemest, “het goud van de landbouwer” vertegenwoordigd.
Paardenmest heeft ten gevolge van het temperament van het paard eerder vurige eigenschappen en wekt door zijn meestal hoog gehalte aan stro in de composthoop warmte op.
Het plantaardig materiaal moet, al zoveel mogelijk tot rotting gebracht en goed composteerbaar zijn.

In de eerdergenoemde landbouwcursus wordt erop aangedrongen, dat de landbouwer duidelijk een “persoonlijke relatie” ontwikkelt met de mest. Daarmee is ook bedoeld, dat hij zich met de levenskrachten in de grond en het water bezig houdt. Net als het minerale stoffen bevattende stromende water is humusrijke grond doortrokken van levenskrachten. Gedegenereerde grond is dood, evenals opgevangen, gekanaliseerd water zonder contact met de aarde levenloos wordt.
Bij een persoonlijke relatie met deze elementen beleeft men bij het bemesten en bevloeien de juistheid van die aanwijzing.
De levens- en doodskrachten in de natuur blijken duidelijker. De verbinding van de aarde en de kosmische krachten worden bij het composteren versterkt door de toepassing van de compostpreparaten, die het biologisch verbouwen pas tot de biologisch-dynamische landbouw maken. Het gaat hier om de preparaten hoornmest en hoornkiezel. Het hoornmestpreparaat wordt van koemest met optimale kwaliteit in een koehoorn bereid; deze wordt gedurende de winter in de grond begraven, waar de inhoud aan een verrottingsproces wordt blootgesteld. Omdat op onze breedtegraad de krachten van de aarde en het water in de winter overheersen – onze grond wordt ’s winters nauwelijks droog – kunnen die in de vochtig-koude maanden in het hoornmestpreparaat worden opgevangen. De gerijpte koemest wordt na het opgraven een uur lang in lauw water geroerd. Door het roeren wordt de werking van deze mest eerst op het water en daarna op de akkers en weiden overgebracht.

Dit winterpreparaat is uiterst geschikt voor het kweken van geneesplanten. De meeste hiervan moeten eerst met veel moeite worden opgekweekt eer ze kunnen worden verspeend. Hoornmest vóór het zaaien op de akker of op de zaailingen gespoten, bevordert de wortelvorming. De jonge plantjes kunnen daardoor beter wortel schieten. De kiemkracht van het zaad wordt versterkt, wat vooral bij gekocht zaaigoed van belang is. Een schema kan vooreerst de polariteit van beide preparaten verduidelijken:

Hoornkoemest

Aarde-/waterkrachten
aards
(vanuit het centrum)
Vitalisering (bijvoorbeeld wortelvorming)
Kalkprocessen

Hoornkiezelmest

Licht-/warmtekrachten kosmisch
(vanuit de omtrek)
Ontvitalisering (bijvoorbeeld blad- en bloemvorming)
Kiezelprocessen.

Het omgaan met de licht- en warmtekrachten

Pas het elkaar doordringen van beide polen, het met elkaar verbinden van de kosmische en aardse elementen laat de plantenwereld ontstaan. Uitgestrekte landschappen zoals bijvoorbeeld in de Oekraïne met haar zwarte aarde kunnen ons doen herinneren aan de vruchtbaarheid van de koehoornmest. Hier lijkt het aardse in het landschap te overheersen. Extreem dorre steppegebieden met kwartshoudende zandgronden laten ons daarentegen denken aan de licht-warmtekwaliteiten van het koehoornkiezelpreparaat. Het kosmische lijkt hier sterker te stralen. In Zuid-Afrika zijn zulke steppen in de kleine en grote Karroo. Sneeuwwitte kwartsaders komen in de woestijn te voorschijn en breken uit elkaar in grote en kleine brokken. Het zijn kwartsvelden, die in het landschap al van verre zichtbaar worden. Hier zijn talloze middagbloemgewassen die bij deze overvloed van licht en warmte behoren. Als antwoord op het licht scheppen zij exotisch stralende bloemen. Omdat het heel zelden regent ontbreekt het water in de omgeving. De middagbloemen vergaren het water in hun saprijke weefsel; zij creëren hun eigen vochtig omhulsel in hun verschijning. De vruchtbaarheid van de grond aldaar kan alleen maar in verbinding met het water worden gemobiliseerd, zodat karigheid het landschapsbeeld bepaalt. De altijd heldere lucht, de overvloed van licht en intense warmte laten zien, wat de koehoornkiezel aan de plant moet geven. Op die manier staat met de licht-warmteverhoudingen in het bijzonder de keus van een geschikte plaats voor het verbouwen van geneesplanten in verband. Veel geneesplanten hebben een warme, lichte standplaats nodig. Ezelsdistel, st.-janskruid, wijnruit of muurpeper behoeven tijdens hun bloei licht en warmte. Niet in de eerste plaats door bemesting, maar door een toegift van zand is het mogelijk, de kwaliteit van kwarts aan de bodem toe te voegen. Dan kan het water, dat de andere pool vertegenwoordigt, beter afvloeien en de warmte dringt sterker de grond binnen. Omdat aarde en water de levenspool vertegenwoordigen, wordt nu ook de warmte in de grond actiever. Na deze eenvoudige verbetering van de grond hoeven de rijkelijk bloeiende kussens muurpeper alleen nog maar uit het zand te worden getrokken. De verbinding met de aarde is losjes, maar bij het verwerken van de geoogste planten verraadt een bijtende scherpe geur het vurige karakter van deze saprijke geneesplant. En dat vuur kan in de genezende werking op de mens worden overgebracht.

Dat dus door besproeien met hoornkiezelpreparaat bij het kweken van muurpeper de medicinale werking ervan verhoogd wordt, blijkt uit het boven beschreven schema van de beide landbouwpreparaten. Voor de vervaardiging van hoornkiezel wordt kwarts tot meel of zoutkorrelgrootte verpulverd. Een pap hiervan wordt in een koehoorn gegoten en deze laat men gedurende de zomer op een lichte, zonnige plek van het voorjaar tot de herfst staan.
Bij de toepassing ervan moet men de substantie ook weer een uur lang in lauw water stevig roeren. Het kiezelpreparaat wordt dan heel fijn verdund uitgesproeid om vooral het blad van de groene planten te kunnen bereiken.
Beide preparaten in een zinrijke combinatie kunnen aan onze cultuurplanten datgene geven, wat hun eventueel door eenzijdige verbouwingsmethoden ontbreekt. Dat zijn de fasen van het verbouwen van biologisch-dynamische geneesplanten, als de basis ervan een gezonde compostering is.

Wat ik zelf nog zou willen weten is hoe men aan koraal komt, nu dat in deze tijd ook te lijden heeft van allerlei, meest door de mens gecreëerde negatieve groei-omstandigheden.

[1] De enige aanwijzing van Steiner voor het tuinbouwonderwijs heb ik gevonden in GA 300C, waar het vooral gaat over mest, waarbij paardenmest wordt afgeraden:

Es werden Fragen vorgebracht, die den Schulgarten betreffen, und wie man ihn für den botanischen Unterricht benutzen kann.

Er worden vragen gesteld over de schooltuin en hoe je die kan gebruiken bij het tuinbouwonderwijs.

Dr. Steiner: Rinderdung! Pferdedung ist nicht gut. Man muß das rationell durchführen, so gut man es finanziell kann. Zum Schluß ist es so für ein begrenzbares Gebiet, daß der ganze Zusammenklang nicht herauskommt, wenn nicht eine bestimmte Anzahl von Rind­vieh da ist auf der Bodenfläche und eine bestimmte Pflanzenmenge. Dieses Rindvieh gibt dann den Dung, und wenn mehr Pflanzen da sind, als das Rindvieh Dung gibt, so sind es ungesunde Verhält­nisse. Man kann nicht ein Spätprodukt wie Torf verwenden. Das ist unge­sund. Mit Torf kann man nicht vermehren. Es kommt darauf an, wozu Sie die Pflanzen verwenden. Bei Pflanzen zum Anschauen wird die Sache nicht stark in Betracht kommen.

Dr. Steiner: Koemest! Paardenmest is niet goed. Je moet er rationeel mee omgaan, afhankelijk van je financiën. Uiteindelijk gaat het om een begrensd gebied, waarbij de harmonie niet bereikt wordt wanneer er niet een bepaald aantal koeien is voor die oppervlakte en een bepaalde hoeveelheid planten. De koeien geven dan de mens en wanneer er meer planten zijn dan het rundvee aan mest geeft, is dat een ongezonde verhouding. 
Turf, als jongste voortbrengsel, kan je niet gebruiken. Dat is ongezond. Met turf kan je niet vermeerderen. Het gaat erom waarvoor je de planten nodig hebt. Voor sierbloemen is dat niet zo belangrijk.

Wenn Sie mit Torf Nah­rungspflanzen vermehren, so ist das nur scheinbar. Sie vermehren doch nicht den Nährwert dadurch. Versuchen Sie darauf zu kom­men, wie Sie den Nährwert beeinträchtigen, wenn Sie Stecklinge in Torf ziehen.
Man muß durch Beimischung von soviel Humuserde den Boden bearbeitbar zu machen suchen. Da ist es noch besser, wenn Sie Maier­schen Dünger verwenden, von Alfred Maier, Hornabfälle. Da wird die Erde schon etwas weicher. Er verwendet die Hornabfälle. Das ist wirklich homöopathischer Dünger für den botanischen Garten, fet­tiger Boden. Im Schulgarten kann man die Pflanzen so nach Ordnun­gen und Arten pflanzen, wie man sie durchnehmen will. – Die Systematik der Pflanzen in zwölf Klassen, das kann ich einmal geben.

Wanneer je voedingsplanten wil kweken  met turf, is dat maar schijn. Je verhoogt de voedingswaarde daardoor niet. Probeer te ontdekken hoe je de voedingswaarde van planten wil beïnvloeden, wanneer je stekjes in turf kweekt. Dan moet je door bijmenging van zoveel humusaarde de bodem bewerkbaar proberen te maken. Dan is het nog beter wanneer je de mest van Maier gebruikt, van Alfred Maier, hoornafval. Dan wordt de aarde wat losser. Hij gebruikt hoornafval. Dat is echt homeopathische mest voor de botanische tuin, vettige bodem. In de schooltuin kan je de planten naar orde en soort planten, hoe je ze zou willen behandelen. De systematiek van de planten in 12 klassen kan ik nog wel een keer geven.
GA 300C/130
Niet vertaald

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2667

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-2/1)

Als de leerlingen in klas 6 tuinbouw hebben gehad, hebben ze al wat ervaren van de manier waarop je voedingsplanten kweken kan.
In de 7e klas kan daarop worden teruggekomen en nu het in deze tijd zo actueel is hoe wij onze voedingsproducten verkrijgen, is het zeker niet verkeerd om over de ‘biologische’, maar ook over de ‘biologisch-dynamische’ kweekmethode te spreken. 
Dat moet niet verward worden met ‘antroposofie in het onderwijs’. De B.D-methode bestaat en waarom zouden leerlingen daarmee geen kennis maken.
Opmerkelijk is dat het artikel uit 1990 hier reeds duidt op wat we nu als ‘stikstofprobleem’ kennen.

Wolfgang Schmid, WeledaBerichten nr. 151 september 1990
.

WAT IS BIOLOGISCH-DYNAMISCHE LANDBOUW?

.

Doordat in de loop van de geschiedenis de mens, die leefde van de jacht en het plukken en bereiden van kruiden, ten slotte werd tot wat we tegenwoordig agrariër noemen, onderging ook het landschap een grote verandering. Het natuurlijke landschap werd door de mens veranderd in cultuurlandschap. Om die ontwikkeling te begrijpen is het nodig om te zien wat kenmerkend is voor een natuur- en een cultuurlandschap.

Het natuurlandschap

Dit wordt gekenmerkt door natuurlijke plantengroeperingen, die ontstaan door bepaalde omstandigheden van bodem en klimaat. Zij kunnen door plaatselijke klimatologische omstandigheden heel verschillend zijn en ook in de loop van de tijd veranderen. Binnen die groeperingen is er geen “onkruid” en zijn er geen “schadelijke insecten” naar ons begrip, want de veelvuldige onderlinge relaties tussen planten en dieren (vanaf de micro-organismen tot aan de grote dieren) scheppen een evenwicht. De kringloopprocessen van substanties en energieën zijn principieel gesloten. Daardoor zijn er ook geen problemen door het verlies van stoffen (bijvoorbeeld het uitspoelen van nitraten).

Het cultuurlandschap

Hier is de mens niet meer slechts een deel van de natuur maar hij geeft daaraan in belangrijke mate vorm. Bossen worden gerooid, de grond wordt bewerkt. Cultuurplanten worden verbouwd op allerlei manieren. De gevarieerdheid van de plantenfamilies vermindert, de productie van de land- en tuinbouw wordt vergroot. Daardoor wordt het mogelijk de veestapel te vermeerderen. Het bestand aan dieren in een cultuurlandschap kan 100 keer zo groot zijn als het bestand aan in het wild levende dieren van een natuurlandschap. Door de bewerking van de grond gaat er lucht in doordringen, humus wordt zeer snel omgezet. De kringloopprocessen van de substanties worden bespoedigd – maar ook kwantitatief op een belangrijk hoger niveau gebracht – omdat het kweken van groenvoer (klaver, luzerne enz.) een grotere veestapel mogelijk maakt. Daardoor komt er meer mest, er ontstaan grotere opbrengsten maar ook grotere hoeveelheden overblijfselen na de oogst. Echter: ook het gevaar dat substanties uit de kringloop worden losgelaten wordt groter (uitspoelen van nitraten, kali en ook van subtiele bodemdeeltjes).

Moderne landbouw

Tegenwoordig wordt de landbouw in hoge mate beïnvloed door het materialistisch georiënteerde denken. Nadat de scheikunde werd toegepast in de landbouw, ging men natuurprocessen steeds meer tot chemische reacties reduceren. Met behulp van de bedrijfswetenschappen konden de verschillende gebieden van de landbouw afzonderlijk op hun rentabiliteit worden getoetst. Dientengevolge kon een differentiatie van de algemene landbouw in koeien- en varkensmesterijen, bedrijven zonder vee enz. tot stand komen. Intensivering was dus ook door specialisering mogelijk. Veel landbouwers zijn tegenwoordig genoodzaakt industrieel vervaardigde of toebereide stikstof-, fosfor- en kalikunstmest te kopen. Door de daarmee gepaard gaande vermindering van de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem en de aantasting van de gezondheid van het gewas is de toepassing van synthetisch-chemische bestrijdingsmiddelen onontkoombaar. Ten gevolge van die ontwikkeling zijn thans vele agrariërs genoodzaakt ten dele alleen nog maar op beschadigingen (schimmelziekten, insecten) en op tekorten van de voedselverzorging van de planten te reageren. De specialisering in de landbouw werd echter ook in hele landschappen zichtbaar: zo zijn er tegenwoordig streken, waarin bijvoorbeeld de runderen werden afgeschaft. Daardoor verdween ook de verbouw van groenvoer in de gedaante van klaver- en luzernegras uit het landschap. Aan de andere kant wordt regionaal de veestapel (dikwijls varkens) zo enorm geconcentreerd, dat men met de ontstane hoeveelheden mest geen raad meer weet. Het gevolg is, dat dierlijke mest, eens een waardevol product, tot een afvalprobleem, uiteindelijk een milieuvraagstuk wordt waar men zich het hoofd over breekt.

Vragen over de kwaliteit

Men moet zich afvragen, welke kwaliteiten via op die manier gekweekte producten aan de voeding van de mens worden toegevoegd. Want wij zien kunstmatige voeding van de planten door middel van minerale synthetische kunstmest, profylactische en therapeutische toepassing van chemische pesticiden bij de bestrijding van ziekten en ongedierte, dikwijls ook massale fokkerijen waar de regelmatige toepassing van antibiotica onontbeerlijk is geworden. Hoe staat het met de vitaliteit van deze voedingsmiddelen (chemische resten), met de inpassing in het milieu van zulke producten. Is zulk voedsel geschikt om niet alleen de maag van de consument te vullen, maar ook om voor zijn geestelijke en psychische ontwikkeling een basis te bieden?

De biologisch-dynamische landbouwmethode

Reeds in het begin van de jaren twintig beseften enkele antroposofisch georiënteerde landbouwers de problemen die een uitsluitend materialistisch bedreven landbouw zou veroorzaken. Op hun verzoek hield Rudolf Steiner in 1924 in Koberwitz bij Breslau acht voordrachten met de titelGeesteswetenschappelijke grondslagen voor een vruchtbare ontwikkeling van de landbouw”. [GA 327] Deze zogenaamde “landbouwcursus” is de basis voor de biologisch-dynamische landbouwmethode.

Een belangrijk principe hiervan is, dat de landbouwer zijn bedrijf als een organisme ziet en het dienovereenkomstig opbouwt. In een organisme werken verschillende organen harmonisch samen; zij hebben gedifferentieerde functies en houden het organisme in leven en vruchtbaar. De geestelijke ordening van een organisme moet door de landbouwer tot het vormgevend principe van zijn bedrijf worden verheven. Om dit te bereiken moeten eerst de natuurlijke voorwaarden en de mogelijkheid van het bedrijf worden onderkend: het klimaat, de jaarlijkse hoeveelheid neerslag, het landschap enz. Op grond daarvan kan dan de opbouw van het bedrijf beginnen: welke diersoorten heeft de boerderij nodig, hoe groot kan de veestapel zijn, welk teeltplan maakt de grond vruchtbaar en verschaft aan het bedrijf het nodige economische succes?

Deze soort van landbouw heeft niet de chemie als basis, maar allereerst het waarnemen van wetmatigheden van het levende, ook van hetgeen in het psychisch-geestelijke gebied van landbouw werkzaam is. Het voornaamste streven in een biologisch bedrijf is het levend-maken van de bodem.

Verzorging van de bodem en de mest

Voedings- en werkzame substanties worden hier niet geleverd door de chemische industrie, maar zijn afkomstig van overblijfselen van de oogst, van het verbouwen van stikstof aantrekkende planten, peulvruchten, dierlijke mest, de mineralen in de bodem en van humus. De overdracht daarvan naar de planten vindt plaats door een geweldig aantal micro-organismen (schimmels, bacteriën, algen enz.) en ook grotere dieren (wormen, mijten enz.) in de grond. Dit reusachtige leger van levende wezens, het zogenaamde bodemleven, moet worden gecultiveerd. Daardoor is voor de biologisch-dynamische landbouwer de humus bereidende en leven stimulerende rotting van dierlijke meststoffen een hoogst belangrijke zaak. De mest wordt, voordat hij wordt uitgestrooid, met behulp van de biologisch-dynamische compostpreparaten, die in kleine hoeveelheden worden toegevoegd, gedurende korte of langere tijd gecomposteerd. Deze preparaten bestaan uit op een bepaalde manier bereide geneeskrachtige planten (duizendblad, kamille, brandnetel, eikenschors, paardenbloem en valeriaan) en beïnvloeden de rotting van de mest in hoge mate. De op zo’n manier bereide mest activeert het leven en de processen in de bodem, het afbreken van de organische substanties, het produceren van voedingsstoffen, de opbouw van humus en daardoor ook de bescherming tegen plantenziekten.

Over de preparaten koehoornmest en koehoornkiezel geeft het artikel van Bruno Busse  uitsluitsel.

Kwaliteit

Ten gevolge van de bijzondere mestverzorging, de zorgvuldige bedrijfsvoering en de toepassing van de biologisch-dynamische preparaten is de plant in staat, zich harmonisch tussen kosmos en aarde te ontwikkelen. Langs die weg kan zij bijzonder vitale substanties vormen als grondslag voor een gezonde voeding. Deze levensmiddelen komen onder de benaming “Biodijn” [naam niet meer in gebruik] (voor producten uit landbouwbedrijven die bezig zijn, om te schakelen naar de biologisch-dynamische landbouwmethode) en “Demeter” (voor producten van totaal omgeschakelde bedrijven) op de markt.

Milieubeheer door biologisch-dynamische landbouw

Naast alle beschreven maatregelen kent het biologisch-dynamische bedrijf aan de vormgeving van het landschap ter wille van het behoud van de vruchtbaarheid en het gezond houden van het bedrijfsorganisme een grote betekenis toe. Het planten van bessenstruiken, het aanleggen van heggen of het in stand houden van oeverweiden vergroot niet alleen de schoonheid van een landschap, maar vergroot ook de veelzijdigheid van de flora en fauna en bevordert zo het in stand houden van een evenwicht tussen schadelijk en nuttig gedierte.

Zo bezien is de biologisch-dynamische landbouwmethode niet alleen een richting die ons optimale en gezonde levensmiddelen verschaft, maar door haar wordt ook een cultuurlandschap ontwikkeld, waarin de mens weer op zijn verhaal kan komen en waarin de levens- en zielenkrachten van de natuur kunnen regenereren.

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2666

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-1)

.

Wanneer er in klas 7 over voeding wordt gesproken, komt – met name in onze tijd steeds meer – de kwaliteit van de grond in de belangstelling te staan.

Al in 1924 gaf Rudolf Steiner voor een goede grondkwaliteit allerlei aanwijzingen, die nu gebruikt worden in de bio-dynamische landbouw.
Daarover moeten ook 7e-klasser iets te horen krijgen.
In 1977 verschenen er over voeding en wat ermee samenhangt artikeltjes in het blad Weledaberichten.
.

Schaumann, Weledaberichten, april 1968, nr. 77

.
LEVENDE GROND VOOR GEZONDE VOEDING
.

Het streven naar een omvattend inzicht in de natuur brengt de mens ertoe, het materiaal van de natuur uit elkaar te halen, de stoffen te meten, te wegen en te tellen. Dan maakt hij zich een beeld van de wereld, waaruit alles uit stoffen is samengesteld en door stoffen veroorzaakt schijnt te zijn. Het begrip voor het wezen van de planten, dieren en mensen wordt van onderaf, vanuit de levenloze materie opgebouwd. Dat is tegenwoordig de weg en het doel van alle natuurwetenschappelijke vorming en onderzoek. Maar in de mens leeft daarentegen ook het gevoel van de vrijheid, die van de stoffen onafhankelijk is. Een zorgvuldige waarneming van het eigen wezen kan dit gevoel tot een vast omlijnd inzicht leiden.

Dat is echter niet mogelijk zonder het fysieke lichaam. Gezondheid bestaat juist hierin, dat dit lichaam zich door het bewustzijn laat leiden, dat het de geest van de mens volgt. De stoffen zijn dienaren, niet alleen van de materie, maar ze zijn ook materiaal voor de krachten van ziel en geest. Ook van die zijde, vanuit de ervaring bekeken, is het mogelijk een veelomvattend begrip voor de natuur te ontwikkelen. Daarbij blijkt, dat de bouw van het menselijke lichaam gericht is op de denkende geest, in tegenstelling tot die van het dier, dat op gewaarwordingen en driften gericht is. Ook de plant blijkt niet alleen van buiten af bepaald te zijn, zoals processen in de anorganische natuur, maar door een inwonend geestelijk principe, n.l. dat van het leven.

Wanneer men alleen de stoffen bestudeert en zich in de landbouw alleen richt naar de wetten van die stoffen, dan gebruikt men tenslotte slechts kunstmatig materiaal. Dat is tegenwoordig algemeen gebruikelijk. Men krijgt dan weliswaar grote opbrengsten, maar de moeilijkheden die optreden laten zien, dat de opbouwende, regelende krachten te zwak worden, om de opeenhoping van dode stoffen te beheersen. Er treden disharmonieën op in de opbouw van de planten die ons tot voedsel dienen. Daardoor worden de levende wezens, die op de cultuurlanden leven, gestimuleerd om zich op overmatige wijze te vermeerderen; ze worden schadelijk. Wanneer ze de overhand krijgen, vernietigen ze onze voedingsplanten. We zijn dan tenslotte gedwongen, ze met vergif uit te roeien. Wanneer we echter verder niets aan de levensvoorwaarden veranderen en dus de eenzijdigheid in de plant blijft bestaan, dan blijft de oorzaak van de vermeerdering van de schadelijke levende wezens bestaan. De voorwaarden voor een nieuwe massa-aanval zijn geschapen. Er bestaan schadelijke levende wezens, die zelfs resistent zijn tegen z.g. middelen ter bescherming van de planten. Dat is het dilemma, waarvoor de landbouw staat. Infectieziekten zijn het gevolg van een omgang met de planten, waarbij niet rekening wordt gehouden met het wezen ervan.

Verder blijkt, dat ook de grond op den duur de stijgende hoeveelheden van zoutvormige plantenvoedingsstoffen, zoals de middelen tegen onkruid en ongedierte en die ter bevordering van de groei, slecht verdraagt. Hij verliest zijn structuur: oplosbare stoffen worden uitgewassen en maken het grondwater onbruikbaar (door nitraten). De erosie door de regen voert de beste bestanddelen van de bodem (klei, fosfaat) naar de rivieren, wat aanleiding geeft voor de gevreesde verarming van de meren, die daardoor hun vermogen om zichzelf te reinigen verliezen. Ze worden eerst als bronnen voor het drinkwater, later ook zelfs voor het baden ondeugdelijk. De grond zakt in, verliest zijn vermogen om te ademen en verarmt als basis voor de plantenwortels. Dat geeft dan weer aanleiding voor een verhoging van het gebruik van de bovengenoemde middelen! Een echte vicieuze cirkel.

De mens is erop aangewezen dat zijn voedsel door de plant op de juiste wijze wordt toebereid. Een moderne landbouw zal moeten trachten, de bodem door middel van mest levend te maken, want de werkelijk vruchtbare akker dankt zijn innerlijke opbouw, zijn fysieke en chemische geaardheid aan een grote hoeveelheid van kleine levende organismen. De cultuurland is organisch verbonden met de levende bodem. Speciaal toebereide z.g. dynamische middelen zijn in staat om dit proces te stimuleren en bevruchten het samenleven van de grond en de plant. Cultuurgewassen en huisdieren vormen, met andere talrijke levende wezens, op basis van een zinrijke voortdurende arbeid van de mens, een intensief productieve, gecompliceerde levensgemeenschap.

De economische toestanden maken het tegenwoordig wel zeer moeilijk, te verwezenlijken, wat als het juiste gezien wordt. De mens heeft echter voedsel nodig, dat zijn lichaam gezond houdt. Dat kan het echter alleen zijn, als de geestelijk-levende ordening van de natuur volledig gerealiseerd kan worden, ondanks de noodzakelijke hoge producties.

.

7e klas voedingsleer: alle artikelen

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 7e klassterrenkundetekenen  (arceren)

.

2555

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (4)

.
Wie in een 7e klas de periode menskunde: voeding geeft, zal er niet aan ontkomen over ‘kwaliteit’ te spreken.
Er is momenteel veel te doen over ons voedsel en hoe dat o.a. verbouwd wordt. 
Alle perikelen daaromtrent – pesticiden, insecticiden, zullen de 7e-klassers niet ontgaan en erover willen spreken.
Voor de leerkracht betekent dit m.n. feitenkennis, gezichtspunten e.d. – niet direct om de leerlingen te beïnvloeden, maar om standpunten te belichten. 
In onderstaand artikel wordt daarover bericht.

.
Dr. B. Endlich, We;edaberichten nr. 77 april 1968
.

KWALITEIT EN KWANTITEIT
.

Ten gevolge van het feit, dat alle levensgebieden doordrongen zijn van
natuurwetenschappelijk-technische invloeden, is het tegenwoordig vanzelfsprekend geworden, alles volgens maat, getal en gewicht te beoordelen.

Wanneer bv. het fruit op de markt de hoogste prijzen moet opbrengen, dan moet het een bepaalde minimale grootte hebben en er aantrekkelijk uitzien. Zelfs onschuldige vlekjes worden niet geduld. Zo’n indeling volgens de handelsklasse zegt echter niets over de al of niet deugdelijkheid of de waarde voor de gezondheid van voedingsmiddelen. Groente van topklasse A kan bv. ontoelaatbare hoge residuen van zwaar vergiftige insecticiden bevatten of zelfs, vanuit het standpunt van de biologische waarde bekeken — minderwaardig zijn. Juist degene die zich voornamelijk met plantaardige kost voedt, kan niet zonder meer vertrouwen schenken aan de leus: „Eet meer fruit en groente en U blijft gezond”. De gebruikelijke handelsproducten zien er weliswaar mooi uit en zijn groter dan  enkele tientallen jaren geleden, maar de smaak en de waarde laten vaak veel te wensen over. Kwantiteit domineert over kwaliteit. De uiterlijke schijn dringt de vraag naar de echte waarde op de achtergrond.

De levende natuur als voorbeeld?

Iedereen weet hoe een klein kind met smaak in een roodglanzende appel bijt. Het hele sappen- en klierenorganisme wordt gewekt en daardoor voltrekt zich het verteren van het voedsel als een opbouwend, gezond proces, terwijl de zintuigen er op levendige wijze bij betrokken zijn. De volwassene heeft deze onmiddellijke verhouding van de zintuigen tot de omgevende wereld reeds in hoge mate ingeboet. Alleen mensen in bijzondere beroepen, zoals boter-, wijn-, koffie- en theeproevers hebben de zintuigelijke vermogens, de smaak- en
reukorganen door oefening verder ontwikkeld en zijn daardoor in staat een oordeel omtrent de kwaliteit van de hun voorgelegde monsters te geven.

Alle dieren, die overwegend georiënteerd zijn op de smaak en de reuk, die ,,een goede neus” bezitten, zijn wél in staat te onderscheiden welk voedsel hun het best bekomt.

Koeien bv. vermijden het overvloedig groeiende gras op plaatsen waar ze hun mest gedeponeerd hebben. Hooi van natuurlijke grond, waartussen nog kruiden zitten, wordt daarentegen graag genuttigd en ondersteunt de gezondheid en de vruchtbaarheid van de dieren.
Dieren uit het bos komen graag grazen op biologisch-dynamisch bewerkte weiden.

De mens en de natuur moeten zich tegenwoordig vele tegennatuurlijke maatregelen, die vanuit zuiver kwantitatieve productiegezichtspunten genomen worden, laten welgevallen. De gevolgen van de miskenning van de echte levenswetten is, dat steeds meer ziekteverwekkers opduiken. Wat kan men doen tegenover dergelijke vernietigingsprocessen?

Dat kan in de eerste plaats gebeuren door een volwaardig kwalitatief voedsel, waardoor het menselijke organisme de gelegenheid krijgt, zijn zintuigen op de juiste manier te gebruiken. De lichamelijke functies van de mens hebben voortdurend een stimulans door voedsel nodig, dat de substantiële kwaliteiten bevat van de in dat voedsel werkzame levende vormkrachten.

In vruchten die op een harmonische manier rijp zijn geworden, zijn licht- en warmtekrachten werkzaam, die via de voeding in onze lichamelijke organisatie de daaraan adequate kwaliteiten oproepen. Dit feit is al lang bekend, maar het uitrafelende kwantitatieve intellect zoekt stoffen, waaraan het deze krachtenwerking kan toeschrijven en noemt die „vitamine”. Aan volkomen uitgemalen meel, margarine en vele andere producten die dagelijks nodig zijn, worden zulke — meestal synthetisch samengestelde — vitamines weer toegevoegd. Vanuit een juiste voedingspsychologie is dit onverstandig, maar het wordt gedaan, omdat het met de huidige denkgewoonten, die op de stof gericht zijn, overeenstemt: kwaliteit moet vervangen worden door kwantiteit, al is die ook nog zozeer van secundair belang.

Onze zintuigen leven in de kwaliteit van de waarneming; het verstand echter neigt naar uitrafelen, naar abstraheren. Wij vormen ons dan voorstellingen, maar deze moeten in overeenstemming met de werkelijkheid zijn. De tegenwoordige gebruikelijke methodes van onderzoek zijn ontwikkeld om de dode natuur te onderzoeken. Ze analyseren, wat in hoeveelheden uitgedrukt kan worden. Wil men werkelijk kwaliteit doorzien en zichtbaar maken, dan moeten daarvoor adequate vermogens en methodes ontwikkeld worden.

Onderzoeksmethoden vanuit de antroposofie

Bij de methode van de gevoelige kristallisatie wordt een zout (koperchloride) in water opgelost en weer tot kristalliseren gebracht. Daarbij ontstaan karakteristieke kristallen van het zout. Wanneer nu aan zo’n zoutoplossing vloeistof uit de levende natuur wordt toegevoegd, bv. bloed, lymfe, plantensap e.d. dan wordt de anorganische kristalvorming door een rangschikking van hoger orde gegrepen: er ontstaan biokristallisaties. Hetzelfde geldt voor de capillair-dynamische methode, waarbij zoutoplossingen en biologische vloeistoffen in filtreerpapier met elkaar in reactie worden gebracht. De levende chemie van de sappen wordt daarbij in een in de tijd verlopend en in de ruimte zich uitbreidend proces in beeld gebracht. De beoordeling van deze beelden vereist veel ervaring.

In de oude wijsheid werd de mens beschouwd als „de maatstaf van alle dingen”. Zonder zelfoverschatting stemmen wij hiermee in. De natuur is gericht op de mens. Hij ontvangt voedsel en geneesmiddelen uit alle rijken van de natuur. Maar daardoor draagt de mens op zijn beurt de verantwoording voor alle schepselen. Hij heeft de opdracht, te werken met de krachten van de wordende natuur en zich niet alleen — zoals dit tegenwoordig noodgedwongen bijna steeds gebeurt — op de geworden natuur te richten. De mens is in staat het wezen der dingen te onderkennen. Op die manier vindt hij niet alleen de door de scheppende machten in hem gelegde maat van alle dingen: hijzelf is — volgens een woord van Rudolf Steiner — de reagens voor kwaliteit. Daarom kan kwaliteit alleen vanuit dat gezichtspunt begrepen worden.

.

7e klas:  alle artikelen  (w.o. voedingsleer)

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

2545

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer – suiker (3-2/3)

.

In de 7e klas wordt in een periode over de samenhang mens-voeding gesproken.
Daarbij komen ook de zgn. voedings- en genotsmiddelen aan de beurt.
Daaronder valt de suiker.
Suiker speelt in de voedings- en genotmiddeleninustrie een grote rol.
Eb is ook van grote invloed op onze gezondheid.
Telkens worden er weer nieuwe gezichtspunten ontwikkeld. Een van de laatste is de samenhang met de koolhydraten en diabetes 2. 
Veel kinderen blijken te dik te zijn. Ook vanuit dit hygiënische standpunt zal er in de periode aandacht aan moeten worden besteed.

Voor de leerkracht is ook de ‘geschiedenis’ van de suiker interessant.
In het tijdschrift ‘Vrije Opvoedkunst’ staan daarover artikelen van A.C.Henny.
Deze schreef er ook over in het blad Jonas:

A.C.Henny, Jonas 06-07-1973
.

suiker tussen oost en west

Werner Sombart, een bekende geleerde in de dertiger jaren van de vorige eeuw, op het gebied van de economische en sociale geschiedenis, heeft de algemene mensheidsgeschiedenis in drie grote tijdperken onderscheiden die hij kwalificeerde als volgt:

1. Het magische tijdperk.

2. Het politieke tijdperk.

3. Het economische tijdperk.

Het eerste tijdperk omvat die culturen waarin het sociale leven op aarde nog geheel in dienst stond van het religieuze leven, waarbij religio kan worden gezien als verbinding tussen de mens en de in de kosmos werkende goddelijke moraliteit.

In het tweede tijdperk, het politieke tijdperk, verliest de structuur van het sociale leven langzamerhand zijn samenhang met de kosmos. In dit tijdperk valt de geboorte van de moderne staat — in Griekenland en in Rome —, die zich pas in de na-christelijke tijd tot een volledig zelfstandig organisme begint te ontwikkelen en als zodanig zijn meest absolute vorm aanneemt na de ontdekking van Amerika. In dit tijdperk staat het economisch leven nog geheel in dienst van de staat. Naarmate echter het staatsleven meer en meer zijn religieuze verbondenheid met de kosmos gaat verliezen, ontwikkelt zich ook in het economisch leven een tendens tot verzelfstandiging.

Na de Frans revolutie — dus na de grote crisis van de absolute monarchie— voltrekt zich dit emancipatieproces van het economisch leven in snel tempo.

Daarmee is het derde tijdperk, het economisch tijdperk aangebroken. Het economisch leven is zelfstandig geworden, zelfs in die mate, dat economische belangen meer en meer politiek en cultuur gaan overheersen.

Deze visie vertoont in vele opzichten een overeenstemming met de visie van Rudolf Steiner op de geschiedenis, die vanaf de Egyptisch-Babylonische cultuur eveneens drie grote tijdperken, als ontwikkelingsfasen van het menselijk bewustzijn onderscheidt: het tijdperk van de gewaarwordingsziel, het tijdperk van de verstandsziel en het tijdperk van de bewustzijnsziel. Daarbij is sprake van een geleidelijk sterkere verbinding van de mensenziel met de aarde, een afdalingsproces van de kosmos. De aarde wordt daarbij niet gezien als een klomp materie, of als een onnoemelijk klein stofje in de ruimte van het heelal, maar als een levenskiem in een evolutieproces. Overal waar de mens, via zijn wilsleven zich met deze aarde verbindt, schept hij vanuit zijn eigen vrijheid, mee aan de aarde-ontwikkeling, die door het offer van Christus op Golgotha een nieuwe bestemming heeft gekregen.

Het is duidelijk, dat vanuit deze visie van de mensheidsontwikkeling, het economisch leven een andere functie krijgt dan vanuit de gangbare
materialischtische evolutievoorstellingen.

Ook voor ons onderwerp — de suiker tussen West cn Oost – is een dergelijke onderscheiding van belang. Veranderingen van voedingsgewoonten worden niet slechts door economische en politieke factoren bepaald. Wanneer men de geschiedenis van voedingsmiddelen — en speciaal die van de genotsmiddelen, zoals suiker, koffie, thee, tabak — bestudeert, krijgt men te maken met veranderingen die niet alleen kunnen worden verklaard door veranderingen in allerlei machtsverhoudingen, zoals de opkomst en ondergang van handelssteden — Venetië, Antwerpen, Amsterdam, London. Speciaal bij de geschiedenis van de suiker ‘tussen West en Oost’ gaat men ontdekken dat er een merkwaardige samenhang bestaat tussen het gebruik van honing, rietsuiker en bietsuiker, en de drie, zoëven vermelde bewustzijnsfasen van de mensheid.

Wij zagen reeds dat tijdens de Oudheid slechts het gebruik van honing bekend was. Door de Arabieren werd de rietsuiker als genotmiddel naar Europa gebracht. De behoefte hiernaar breidt zich uit, naarmate het denken van de mens zich zelfstandiger gaat ontwikkelen, naarmate de mens zichzelf meer en meer als individu gaat beleven, en naarmate de maatschappijstructuur daar steeds meer door wordt beïnvloed.

In dit opzicht is het interessant, dat tijdens de z.g. industriële revolutie in de 18e en 19e eeuw de overgang plaatsvindt van rietsuiker naar bietsuiker, van genotmiddel naar voedingsmiddel. Vanaf 1847 nam de productie toe van 1 miljoen ton tot 67 miljoen ton (1969).

Deze veranderingen voltrekken zich in drie verschillende fasen:

1. de honing.
2 de rietsuiker.
3. de bietsuiker.

Een geleidelijk afdalingsproces naar de aarde! Want de honing is een product van de bloem van de plant, de rietsuiker is een product van de stengel en de bietsuiker een product van de wortel.
Met dit afdalingsproces voltrekken zich tevens de grote metamorfosen van het menselijk bewustzijn.

De behoefte aan suiker is toegenomen, naarmate in de loop der geschiedenis het menselijk bewustzijn zich sterker met de aarde gaat verbinden. Met zulk een diep ingrijpende kracht in alle aardse verhoudingen heeft dit afdalingsproces tot de aarde plaats gehad, dat zowel in de kwantiteit als in de kwaliteit der voedingsmiddelen dit proces zijn sporen heeft achtergelaten. De toenemende behoefte aan suiker is een der begeleidende verschijnselen van onze nerveuze, intellectualistische tijd. Merkwaardig is, dat in de steden deze behoefte sterker is dan op het platteland, en dat is niet alleen een aangelegenheid van meerder of mindere koopkracht. Zij die de gehele dag op hun bureau of in de fabriek min of meer mechanische arbeid verrichten, daarbij ’s avonds ‘relaxen’ aan het schaakbord, de bridgetafel, of de kruiswoordpuzzel, hebben een sterkere behoefte aan suiker dan zij, die, nog natuurlijker verbonden met de grote kosmische ritmen van de dag, van de maand, van het jaargetijde, op het platteland hun werk verrichten. Deze tegenstelling tussen stad en platteland is aan de hand van het suikerverbruik o.a. zichtbaar te maken aan de volgende statistische gegevens uit de tijd — 1929/30 — waarin Rusland nog voor een groot deel agrarisch gestructureerd was:

Suikerverbruik per hoofd van de bevolking in 1929-30

Rusland 7.1 kg
Duitsland 25.3 kg
Engeland 43.6 kg
Ver.Staten 51.7 kg

Vanuit hygiënisch gezichtspunt zou daarbij nog de volgende vraag kunnen worden gesteld:

Welk verschil maakt het uit voor de lichamelijke en geestelijke constitutie van de mens of rietsuiker of bietsuiker als voedingsmiddel wordt gebruikt? Gaat men van een Goetheanistische visie op mens en natuur uit, dan kan men aannemelijk maken dat er een samenhang bestaat tussen mens en plant. Dan wordt duidelijk, dat de wortel als voedingsmiddel een andere uitwerking heeft op het organisme van de mens dan de bloem.
De wortel werkt sterk op die processen die in het hoofd van de mens werkzaam zijn: de zenuwzintuigprocessen; de bloem en de vrucht van de plant werken daarentegen meer op de stofwisselingsprocessen.

Van dit gezichtspunt uit wordt duidelijk, dat iedere eenzijdigheid op het gebied van de voeding — in dit geval het gebruik van de wortel of de wortelproducten als voedingsmiddel — een bepaalde eenzijdige werking in het menselijke organisme oproept — in dit geval een eenzijdige beïnvloeding van het zenuw-zintuigstelsel. Daarmee krijgt de keuze tussen riet en biet nog een ander aspect dan het sociale en het politieke aspect.

Sociaal is deze keuze van belang voor het lot van de Derde Wereld. Vandaar de verschillende acties die gevoerd worden vanuit de wereldwinkels, om hiervoor bewustzijn te wekken: consumentenbewustzijn voortgekomen uit verantwoordelijkheid ten opzichte van de ontwikkelingslanden (zie deel 1)

Politiek is deze keuze beslissend ten opzichte van de vraag: moeten nationale belangen prioriteit hebben ten opzichte van mondiale belangen? Zijn wij, ter wille van deze prioriteit, bereid hiervoor een hoge prijs te betalen?

Hygiënisch krijgt deze keuze een meer individualistisch aspect: wat hebben wij ervoor over om tot een minder eenzijdige voeding te komen als consumenten van riet of biet?

Deze laatste vraag wordt op het ogenblik nog nauwelijks gesteld. Stelt U zich eens voor, dat dit het geval zou zijn bij de a.s. onderhandelingen te Brussel tussen de E.E.G. en de 19 Britse Gemenebestlanden (zie JONAS no.21).

Of bij de overwegingen die tot een fusie moeten leiden tussen de Suiker Unie en de Centrale Suiker Maatschappij in o n s land?

.

deel 1    deel 2 

Over voedingsleer in de 7e klas: 7e klas alle artikelen onder voeding

.

Artikelen van A.C.Henny, o.a. de koffie, de thee tussen Oost en West in het archief van V.O.K.

.

1886

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer – suiker (3-2/2)

.

In de 7e klas wordt in een periode over de samenhang mens-voeding gesproken.
Daarbij komen ook de zgn. voedings- en genotsmiddelen aan de beurt.
Daaronder valt de suiker.
Suiker speelt in de voedings- en genotmiddeleninustrie een grote rol.
Eb is ook van grote invloed op onze gezondheid.
Telkens worden er weer nieuwe gezichtspunten ontwikkeld. Een van de laatste is de samenhang met de koolhydraten en diabetes 2. 
Veel kinderen blijken te dik te zijn. Ook vanuit dit hygiënische standpunt zal er in de periode aandacht aan moeten worden besteed.

Voor de leerkracht is ook de ‘geschiedenis’ van de suiker interessant.
In het tijdschrift ‘Vrije Opvoedkunst’ staan daarover artikelen van A.C.Henny.
Deze schreef er ook over in het blad Jonas:

A.C.Henny, Jonas 06-07-1973
.

SUIKER TUSSEN OOST EN WEST 

Nu het conflict tussen ‘riet en biet’ continentale afmetingen gaat aannemen (zie suiker 3-2/1) in verband met de a.s. besprekingen te Brussel willen wij een korte historische beschouwing inlassen over de suiker tussen West en Oost. Daarbij gaan wij ervan uit dat veranderingen van voedingsgewoonten zoals dit het geval is geweest bij de overschakeling van rietsuiker naar bietsuiker — een cultuurhistorische achtergrond hebben, en niet alleen zijn te verklaren vanuit economische en politieke gezichtspunten. Voor het vormen van een Europees consumentenbewustzijn is dit wel van belang.

Europa is dankzij de Arabieren met de rietsuiker in aanraking gekomen.
Dat blijkt al uit het woord ‘suiker’ dat van Arabische oorsprong is. In de tijd waarin in Europa de mens zich tevreden moest stellen met honing – de vroege Middeleeuwen – werden te Bagdad aan het hof van de kaliefen feestgelagen gehouden, waarbij banketbakkerskunst voor steeds nieuwe verrassingen zorgde: dieren, vruchten, bloemen, gehele kastelen van suikerwerk.

De Arabieren haalden de rietsuiker uit het Oosten. Waarschijnlijk zijn zij door Griekse geschriften erop op merkzaam geworden. Want reeds Alexander de Grote trof bij zijn tochten het suikerriet aan. Door zijn veldheren Nearchos en Onesikritos wordt het eerst de suiker vermeld: ‘in Indië moet een rietsoort honing vóórtbrengen zonder de hulp van bijen’. Niettegenstaande deze vermelding duurde het nog duizend jaar voordat Europa voor het eerst de suiker leerde kennen. Onder het bleke schijnsel van de halve maan werd zij door de Arabieren naar het Westen gebracht, met nog zoveel andere zegeningen van de Arabische cultuur: Griekse natuurfilosofie tot natuurwetenschap omgevormd en bruikbaar gemaakt ten behoeve van meer confort en zelfs technische perfectie. Wie de beschrijvingen leest van de Arabische steden in Spanje — omstreeks de negende en tiende eeuw — waant zich niet meer in de duistere middeleeuwen maar in de eigentijdse welvaartsstaat, met haar collectieve voorzieningen betreffende studie aan de universiteiten en medische verzorging in de ziekenhuizen.

Tijdens en na de kruistochten wordt Venetië de belangrijkste suikermarkt van Europa. Van hieruit werd de Arabische suiker in geraffineerde vorm als handelswaar geëxporteerd naar Noord- en West-Europa. Een volgende stap voor de verbreiding van de suiker in de wereld is de ontdekking van Amerika. Reeds bij zijn eerste reis nam Columbus suiker mee van de Canarische eilanden en plantte deze in San Domingo. Van hieruit verbreidde zij zich in snel tempo naar Mexico, Brazilië, Peru, Paraguay, Argentinië, Cuba en de Antillen.

Sinds door Karel V aan de Vlaamse kooplieden het privilege gegeven was Afrikaanse slaven naar Amerika te verkopen, ontstond een levendig
driehoeksverkeer tussen Europa, Afrika en Amerika. Vanuit de Zuid-Nederlandse handelssteden voeren de schepen eerst naar Afrika om slaven te halen. Deze werden afgezet op de West-Indische plantages. Van hier keerden de schepen terug naar Europa, volgeladen met de tropische producten.

Na de val van Antwerpen in 1585 werd Amsterdam een belangrijke suikermarkt. Met de oprichting van de Oost-Indische Compagnie werd nu ook de Oost- Indische suiker hier verhandeld, hoewel gedurende de gehele 17e en 18e eeuw de betekenis hiervan niet in de schaduw kon staan van die van de West-Indische suiker.

Ondertussen was de Europese beschaving onder invloed gekomen van het suikergenot. In Venetië — dat nu uit Portugal zijn suiker ging invoeren – bood in de eerste helft van de 16e eeuw ieder feestmaal dezelfde overdaad aan versuikerde pronk als de feesten van de kaliefen te Bagdad: suiker werd verwerkt in de vis, in het vlees, in de eieren; men dronk suiker in het water en in de wijn.

Evenzo in Frankrijk: in 1560 constateerde de lijfarts van Frans 1 „dat de zeden zodanig zijn geworden, dat suiker onontbeerlijk is, omdat lieden van enigszins culturele verfijning niets meer nuttigden, wanneer het niet met suikerpoeder bestrooid is”.

En over koningin Elisabeth van Engeland schreef een tijdgenoot: „haar handen zijn zwart, een gebrek, waaraan vele Engelsen schijnen te lijden omdat zij te veel suiker eten.” Zelfs haar voorliefde voor de klassieken liet deze koningin blijken door de keuze harer koks en pastijbakkers, die iedere plumpudding of cake wisten te herscheppen in een kunstwerk, gewijd aan de verwoesting van Troje of de liefde van Amor en Cupido.

Het genot van rietsuiker werd daarmee een verfijnd genoegen dat dikwijls gepaard ging met de studie van de ‘onsterfelijke’ klassieken en hoofdzakelijk Brazilië de grote suikerlanden geworden, in het Oosten de Philippijnen en Java.

Dan verschijnt — in 1747 – in de Berliner Akademie der Wissenschaft een geleerde verhandeling waarin wordt vastgesteld dat in een bepaalde knolsoort suiker aanwezig is, die volkomen gelijk is aan de suiker die uit het suikerriet wordt getrokken, zodat dit ‘zoete zout’ even goed uit onze planten te maken is als uit uitheems suikerriet.

De schrijver van dit stuk, Andreas Sigismund Marggraf, heeft nooit beseft welke revoluties niet alleen op economisch gebied maar ook op politiek gebied – dit geschrift eens zou teweeg brengen. Hij kon dit ook niet vermoeden, want bij zijn dood reeds was het geschrift in de veilige hoede van een Pruisisch archief aan de menselijke vergetelheid prijsgegeven.

Pas 42 jaar later, 1789 – het jaar van de Franse revolutie — worden door Achard, die een leerling was van Marggraf, de eerste proeven genomen die de beweringen van Marggraf bevestigden, en die in 1802 hebben geleid tot de eerste oogst van de bietsuiker. Wij zagen reeds – (zie suiker 1-1) – hoe Napoleon deze uitvinding gebruikt heeft om hiermee Frankrijk onafhankelijk te maken van de overzeese import en daarmee – d.m.v. het Continentaal Stelsel — Engeland economisch te verzwakken.

In 1847 werd door de nieuwe proeven van Valmorin betreffende de verbetering van het suikergehalte in de bietwortel, de economische grondslag gelegd van de ontwikkeling van de bietsuikerindustrie.

De wereldproductie van suiker is sindsdien — 1847 — gestegen van 1 miljoen ton tot 67 miljoen ton (1969).(2018: 195 miljoen ton)  Daarvan (1969) is thans 54 procent rietsuiker en 46 procent bietsuiker. Vóór wereldoorlog II — 1938 — was de wereldproduktie 27 miljoen ton, waarvan 63 procent rietsuiker en 37 procent bietsuiker. In de laatste 125 jaar is dus de productie van de bietsuiker sterk toegenomen in verhouding tot die van de bietsuiker. Daar hebben de protectionistische maatregelen van het ‘continent’ Europa aanzienlijk toe bijgedragen.

deel 1       deel 3

Over voedingsleer in de 7e klas: 7e klas alle artikelen onder voeding

.

Artikelen van A.C.Henny, o.a. de koffie, de thee tussen Oost en West in het archief van V.O.K.

.

1885

.

VRIJESCHOOL – Voeding

.

In de 7e klas (1e klas middelbaar onderwijs) staat een periode voedingsleer in het leerplan. 
Over ‘voeding’ is oneindig veel geschreven. 
Voor de leerkracht is het belangrijk om de uiteenlopende opvattingen te kennen. Het gaat er in de periode niet om een of andere opvatting aan de leerlingen op te dringen. Wel om te onderzoeken wat voedsel ‘zo al doet’.

Ook Rudolf Steiner heeft het nodige over voeding gezegd. En op basis van zijn gezichtspunten schrijven anderen dan weer nieuwe artikelen.

voeding

Een levensbelangrijke ontmoeting 

Als u deze* zomer het geluk gehad hebt met uw kinderen te logeren op een boerderij, hebt u gewandeld langs de gloed van de gouden tarwevelden; u hebt misschien gestaan in de rust van een blauw-paars lavendelveld en geroken aan de hoog boven de bladeren zich verheffende bloementrosjes; u wreef de blaadjes kruizemunt tussen uw vingers fijn en berook ze; u trok een peentje uit de grond en beet erin; in de nazomer plukt u een goudreinet en proeft hem. U hebt dan een ontmoeting met een rijk geschakeerde wereld van kwaliteiten, waarin je je thuisvoelt, die je beleeft als een wereld waar je een innerlijke relatie mee hebt, die ons niet alleen maar begeerlijk voorkomt, maar die ons ook iets toe fluistert van een boodschap, die ons iets wil openbaren.

Deze boodschap, die ons kan bereiken op grond van de verborgen relatie tussen mens en plant, is niet een romantische versiering van ons leven: met haar woorden wordt aan de dragende grond van ons bestaan gebouwd.

Laten we daar tegenover eens het beeld in onze herinnering halen van een autoloze zondag in winter 1974, in de wereld van steen, waar de meesten van ons het grootste deel van het jaar doorbrengen en laten we dan eerst kijken naar een groep oude huizen die aan hun lot worden overgelaten omdat ze moeten wijken voor de metro: dan worden we geconfronteerd met de wetten van de dode natuur: hout verrot, daken komen naar beneden zetten. Alles gehoorzaamt aan de wet van de zwaartekracht; gecompliceerde structuren gaan over in steeds eenvoudiger structuren.

Een derde grondwet in de dode natuur is, dat energierijke verbindingen ertoe neigen over te gaan in verbindingen, die minder energierijk zijn. Zo neigt bijvoorbeeld ongebluste kalk ertoe over te gaan in gebluste kalk, waarbij warmte vrijkomt, deze was tevoren als het ware opgespaard in de ongebluste kalk en is na de overgang in de gebluste kalk niet meer beschikbaar. Op zo’n autoloze zondag werd ons hele volk met kracht aan de eindigheid van onze energievoorraad en daarmee aan het bestaan van deze derde grondwet van de dode natuur herinnerd.

Op onze zomerse wandeling langs akkers en velden ontmoeten we een heel andere wereld waarin volkomen tegengestelde krachten werken: de halmen van de tarwe rijzen omhoog alsof de wet van de zwaartekracht niet bestaat; in zijn aren zwellen de korrels aan tot een steeds grotere concentratie van wat in ons dagelijks brood onze energiebron is; de gecompliceerde gestalte van lavendel of kruizemunt met hun heel eigen kwaliteit van aroma ontwikkelt zich uit eenvoudige zaadkorrels.

Heel andere krachten dan die van de dode natuur werken hier, vormende krachten bouwen vanuit een onzichtbaar bouwplan de substanties van aarde, water en lucht met behulp van uit de kosmos instralende krachten waarvan wij met die van de zon het meest vertrouwd zijn, op tot de gestalte van een plant, zoals die zich door een jaar of door jaren heen ontplooit.

Achter de zichtbare verschijning van elke plant staat een heel eigen samenstel van vormende krachten die zozeer één geheel vormen, dat we het een organisme of een lichaam, een “vormkrachtenlichaam” kunnen noemen.

Op onze zomerse wandeling ontmoeten wij kwaliteiten van plantenwezens die zich door de gestalte van de planten aan ons openbaren. Na zo’n wandeling kunnen we door deze ontmoeting een gevoel van intense bevrediging, verzadiging, beleven.

Maar om onze wandeling te kunnen voortzetten, om als mens vol tegenwoordig te kunnen zijn op aarde, is toch nog een andere wijze van ontmoeten met deze wereld van kwaliteiten nodig: de intense wijze van ontmoeten, die het kleine kind ons voordoet, die alles in zijn mond stopt.

Iedereen weet, dat je als je een tijd lang niet gegeten hebt, flauw, geeuwerig, zweterig, duizelig wordt, en dat je dan zelfs het bewustzijn kunt verliezen. Je dreigt als het ware uit je lichaam te vliegen, Het eten van voedsel vormt het plechtanker, waarmee we ons weer stevig kunnen verankeren in de aardse werkelijkheid.

Om de betekenis van het eten duidelijk te maken, gebruikte Rudolf Steiner eens het volgende beeld:

Een man ziet als hij opstaat een berg aarde voor zijn huis liggen. Hij gaat scheppen om de berg weg te krijgen. Als het avond wordt is dat gelukt. Als hij ‘s-morgens weer opstaat, ligt er weer zo’n berg aarde voor de deur. Blijkbaar heeft een onbekende ‘s-nachts weer aarde voor zijn deur opgehoopt. En de man is de hele dag weer aan het scheppen. Zo gaat het elke dag door, tot op een dag de berg aarde er niet meer ligt: dan is het met de man gedaan en hij sterft.

Hier wordt in een beeld aangeduid, wat Rudolf Steiner ergens anders in de volgende woorden uitdrukt: °Wij eten niet om dit of dat voedsel binnen te krijgen, maar om de krachten te ontwikkelen, die dit of dat voedsel, gerecht, overwint. We eten om weerstand te bieden tegen de krachten van de aarde, we kunnen op aarde alleen leven, doordat we weerstand bieden’.

Ook achter de fysieke lichamelijkheid van de mens staan vormkrachten, die onderling zozeer één geheel vormen, dat we ze kunnen aanduiden als een “vormkrachtenlichaam” waardoor ons stoffelijk lichaam opgedouwd wordt. Maar dit vormkrachtenlichaam kan niet in afzondering van de rest van de wereld functioneren.

We weten allen uit ervaring, dat de mens als sociaal wezen niet op zichzelf “los van de andere mensen”, kan leven: hij heeft de stimulans nodig van de ontmoeting met de andere mens, in vriendschap, of ook in een uiteenzetting met een tegenstander.

Meer aan ons bewustzijn onttrokken, maar daarom niet minder belangrijk, is de geestelijke verkwikking, die een goede nachtrust ons brengt. Als je die een paar nachten moet ontberen, verdwijnt alle geestelijke creativiteit: je kunt dan alleen nog maar vanuit een soort automatisme handelen, vanuit je ruggenmerg: je sleept je als een soort robot door de dag heen.

Alleen als de afzondering van het ik, waarin de mens als individueel wezen overdag leeft, elke nacht onderbroken wordt door een andere bewustzijnstoestand, waarin de mens gelaafd wordt aan de bron van geestelijke creativiteit, kan een mens überhaupt als creatief geestelijk wezen bestaan.

Deze zelfde wetmatigheid geldt voor de mens als geestelijk wezen: onze vormkrachten, ons “vormkrachtenlichaam” moet steeds versterkt worden, “gevoed”, met de vormkrachten, die de plantaardige en eventueel dierlijke voeding ons tegemoet brengen uit de grote wereld om ons heen, en die we moeten overwinnen.

Dit inzicht vinden we al bij Aristoteles, die schreef: “niet de voeding voedt, maar de ziel”.

Het gaat dus niet, of althans niet alleen om het naarbinnen werken van de benodigde hoeveelheid koolhydraten, eiwitten en vetten enzovoorts: het gaat erom, dat de mens het voedsel overwint.

Wat is dat: overwinnen? We kunnen dat het beste begrijpen, als we kijken naar een geval, waarbij dat overwinnen niet geheel gelukt: b.v. een kind eet een aardbei, en krijgt erna een uitslag van galbulten: het gaat eruit zien als een aardbei, het heeft de aardbei niet overwonnen maar de aardbei wint het: hij drukt zijn stempel op de mens. De ontmoeting met de aardbei begint al als u een schaaltje aardbeien krijgt voorgezet: dan loopt je bij het zien en ruiken al het water in de mond. Als u gaat kauwen en proeven, wordt er in de mond nog meer speeksel afgescheiden, en mits u goed proeft, worden ook verderop in de darmen de nodige spijsverteringssappen afgescheiden. Ook maag en lever doen later aan dit proeven mee. Door het kauwen wordt de aardbei in kleine stukjes verdeeld, en door de spijsverteringssappen wordt hij verder ontleed en of we nu aardbeien, brood of vlees eten, door het spijsverteringsproces worden alle eigen vormen vernietigd, en de substantie in de chaos gevoerd.
Pas als het voedsel van al zijn plantaardige en dierlijke eigenschappen is ontdaan, kan het via de darmwand worden opgenomen en tot menselijke substantie worden opgebouwd. Ook al eet de mens nog zoveel aardbeien of rundvlees, hij wordt, als het hem lukt om het aardbeiïge of runderige te overwinnen, geen aardbei en geen rund.

Het belangrijkste, wat de mens in de ontmoeting met het voedingsmiddel aan voedingswaarde opdoet, is niet het gehalte aan koolhydraten, eiwitten of vetten, maar de mogelijkheid, die een voedingsmiddel hem biedt om kracht te ontwikkelen aan het overwinnen van dit voedingsmiddel.

Dat chemisch min of meer gelijkwaardige voedingsmiddelen in voedingswaarde sterk kunnen verschillen b.v. ten gevolge van bepaalde conserveringsmethoden, en welke vérstrekkende gevolgen dit kan hebben, wil ik met een voorbeeld illustreren.

Men heeft gedurende 10 jaren 4 groepen katten (die qua erfelijkheid dezelfde eigenschappen bezaten) met melk gevoerd. De eerste groep kreeg rauwe melk, de tweede groep gepasteuriseerde melk, de derde groep kreeg melk uit melkpoeder bereid en de vierde groep kreeg melk uit gecondenseerde melk bereid.

De eerste groep bleef gezond; de met gepasteuriseerde melk gevoede katten kregen na enige generaties in toenemende mate miskramen, botmisvormingen en andere degeneratieve ziekten; de met melk uit melkpoeder gevoerds katten kregen dit in nog ergere mate; het slechtste verging het de met gecondenseerde melk gevoerde katten.

Wat blijkt hieruit? Dat een gezonde ontwikkeling niet gewaarborgd is door voldoende toevoer van voedingsbestanddelen, maar dat nog iets anders nodig is, wat de rauwe melk wel geeft, maar de gepasteuriseerde en de op andere wijze geconserveerde melksoorten niet of in onvoldoende mate geeft.

Wat is dit andere? Met een bepaalde onderzoekmethode, de koperkristallisatie-methode kan men het verschil in kwaliteit zichtbaar maken: De rauwe melk geeft een krachtig, doorvormd levendig beeld, terwijl de gecondenseerde melk een doods beeld vertoont.
Wat hier tot een zichtbare afdruk komt, zijn de vormende krachten, die werkzaam zijn in de vorming van de gestalte van de plant, maar ook in het dierlijk organisme, en ook in de melk werken.

Alleen een voeding, die een zodanige kwaliteit heeft, dat ze ons deze krachten toevoert, kan onze levende lichamelijkheid goed doen functioneren. Maar het belang hiervan reikt nog verder.

Ehrenfried Pfeiffer, pionier op het gebied van de biologisch-dynamische landbouwmethode, vroeg eens aan Rudolf Steiner, hoe het komt, dat ondanks alle inspirerende inzichten en raadgevingen, die hij heeft gegeven, om als mens een innerlijke ontwikkeling en rijping door te maken, de weg van het inzien van de juistheid en vruchtbaarheid van een idee naar het verwerkelijken in de praktijk brengen ervan, zo moeilijk is. Rudolf Steiners verrassende antwoord was: “Dit is een voedingsprobleem. Onze huidige voeding geeft de mens niet meer de kracht, om het geestelijke in het fysieke, aardse te verwerkelijken, om de brug van het denken tot handelen te slaan’.

Als factoren van de kwaliteitsvermindering kunnen we o.a. denken aan bederf van de akkerbodem door eenzijdige, vanuit chemische gezichtspunten met kunstmest en insectenbestrijdingsmiddelen bedreven landbouw, en aan conserveringsmethoden, die vormkrachten tot een minimum of totaal reduceren.

Zonder een kwalitatief goede voeding blijft het geestelijk streven van de mens zonder uitwerking in de aardse werkelijkheid; en bouwt een pedagogie, die het kind wil helpen, een wezenlijke relatie aan te gaan met de wereld om hem heen, met dat wat als geestelijke werkelijkheid erachter staat, en om dat wat als geestelijke mogelijkheid in hem leeft, te verwezenlijken, op drijfzand.

Dit is de reden, dat vanuit de vrijeschool gegeven opvoedingsadviezen vaak gepaard gaan met voedingsadviezen als belangrijke ondersteuning.

.

J.S. van Dam, schoolarts, vrijeschool Rotterdam, *datum onbekend (najaar 1972?)

.

7e klas: alle artikelen

Over verschillende voedingsplanten: Grohmann o.a. 41, 42

Eetproblemen bij kinderen: opvoedingsvragen

.

1544

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer – tabak (3-1)

.

In de 7e-klasperiode voedingsleer komen ook de in één adem genoemde ‘genotmiddelen’ aan bod, o.a. alcohol, tabak, koffie e.d.
Daar is de laatste twintig jaar de categorie van de drugs nog bij gekomen. Als leerkracht moet je goed weten waarover je het hebt en  vele gezichtspunten kunnen tot weloverwogen uitspraken leiden.

Hier iets over tabak, bedoeld als achtergrond voor de leerkracht.
.

HET ROKEN VAN TABAK
.

Eerst enige gegevens over de tabak: het hoofdbestanddeel nicotine is een der snelstwerkende dodelijke vergiffen: 2-3 druppels doden een volwassene op slag!

De economische waarde van tabakscultuur – fabricage en handel overtreft die van elk genotmiddel. Het is overbekend, dat het gebruik van tabak vele ziekten veroorzaakt of bevordert, zoals longkanker, chronische bronchitis, hartinfarct, afsluiting van de beenslagaderen, en het leven bekort.

Desalniettemin blijft ’t het aantrekkelijkste genotmiddel, maar waarom? – dat is wetenschappelijk allerminst opgelost.

De tabak is een nachtschadegewas, lid van een familie, die vele giftige soorten omvat, o.a. wolfskers, bilzenkruid, doornappel, die een roes met visionaire beelden en hallucinaties kunnen veroorzaken. De tabak doet dit niet. Zijn gif, de nicotine, doortrekt de hele plant en verdampt via het blad, zodat een gifsfeer om de plant hangt (en een wolk over een tabaksveld). De plant zelf is heel harmonisch gebouwd met mooie, vaak witte bloemen en wordt ook als sierplant gekweekt. Zoals vele gifplanten is hij gepotentiëerd (homeopathisch) een krachtig geneesmiddel.

De tabak komt uit Amerika. Van de Indianen leerden wij het roken, tabak kauwen en snuiven. Het wezenlijke gebruik was daar echter cultisch. Na psychische voorbereidingen werd de inwijdeling door het drinken van een tabaksaftreksel dicht bij de dood gebracht. Ziel en geest lieten het levende lichaam al enigszins los en daardoor kon de betrokkene een blik in de wereld na de dood, de geestelijke wereld, slaan. Men kwam in verbinding met de geesten der voorvaderen.

De tabak werkt zó alleen maar bij een bepaalde constitutie en na de nodige voorbereiding.

Dit zoekt de roker van vandaag niet.

Wat dan wel?

Wij ontdekten de tabak “gaande van het Oosten naar het Westen”. Vanuit het Oosten kwamen vroeger geestelijke impulsen; “ex orienta lux” (lux = licht). Rond de ontdekkingsreizen wendden wij ons steeds meer “van het Oosten naar het Westen”, naar de materiële aardse wereld – ontdekten en veroverden haar, doorgrondden haar wetten en krachten, werden steeds materialistischer en daardoor psychisch en spiritueel armer.

Uit het Westen haalden we de tabak. Wellicht willen wij, door ons in rookwolken te hullen, de gevolgen van deze weg een tijdje verbergen voor onszelf en onze medemens.

Velen van ons voelen zich weinig aangesproken door de doelstellingen van onze samenleving. Het verstand en de zintuigen alleen worden gestimuleerd, maar onze ziel in haar diepten niet.

Wellicht zoeken wij door het roken een stimulans. Het roken versnelt de polsslag zonder de ademhaling te versnellen – het gezonde 4 op 1 ritme wordt verstoord. Psychologisch kunnen wij in bloed en circulatie nog iets van de diepere lagen van onze existentie beleven. De volksmond bijvoorbeeld zegt: het bloed stolde in mijn aderen, mijn hart stond stil, mijn hart klopte in de keel, enz., alles bij psychisch dramatische situaties.

Via het surrogaat roken zoeken wij een stimulatie van deze diepere lagen van ons zijn. Niet via eigen bewuste krachtsinspanning, die wij zouden moeten opbrengen, als wij ons bewust willen worden van onze eigen spirituele kern. Als ons dit wel lukt, behoeven we niet meer de stimulans van de tabak te zoeken, noch ons in rookwolken te hullen. Rookwolken, die ons bovendien, al roken we samen, in wezen van onze medemens afsnijden. Rookwolken, die fysisch de grootste luchtverontreiniging zijn, waaraan we zijn blootgesteld.

Voor kinderen geldt; hoe vroeger begonnen, hoe sneller de krachten gewonnen.

Voor ouders en leraren geldt bovendien; goed voorbeeld ……. enz.!
.

H.J.Ogilvie, Geert Grooteschool A’dam, nadere gegevens onbekend, wrsch. dec.1975 of jan. 1976
.

De tabakslobby doet er veel aan om de omvang van het sigarettengebruik groot te houden.
Deze reportages doen een paar verontrustende onthullingen.

7e klas voedingsleer  [1]    [2]

V.O.K.-archief: tabak

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

.

1401

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – Menskunde – voedingsleer (2)

.

Uit een brochure van de Geert Grooteschool, Amsterdam, blz. 88 t/m  97, nadere gegevens ontbreken
.

Over voedings- en gezondheidsleer In de zevende klas

Een van de doelen van het biologie-onderwijs op de vrijeschool is dat het kind ontdekt dat alles wat in de dierenwereld in het groot te vinden is, in de mens in het klein geconcentreerd aanwezig is. De werking van de maag bijvoorbeeld wordt het meest indrukwekkend geïllustreerd door de maag van een koe.[1]

Deze ontdekking zou ” een groots moment” in het kinderleven kunnen zijn. Van de zevende tot en met de tiende klas komt in elke biologieperiode een bepaald menskundig orgaansysteem of stelsel aan bod. [2]

Voedings en gezondheidsleer

In de eerste lagereschooljaren is het kind zich nog niet bewust van zijn lichaam, zoals pubers en volwassenen. Tegelijk heeft het, als het tenminste niet verwend is, net als de dieren nog een gezond “instinct” voor wat goede voeding voor hem is en wat niet. Wanneer de puberteit naderbij komt, gaan andere dingen in plaats van het natuurlijke gevoel een rol spelen in verband met de voeding: overdreven eigen voorkeuren, reclame, groepsgedrag. Wat tot nu toe door het instinct op een goede wijze werd geregeld, dreigt nu in een sfeer van egoïsme te komen. Daarom kunnen in de zevende klas, nog net op de valreep, de natuurlijke voedings- en gezondheidsinstincten worden aangesproken. In een later stadium zouden de kinderen door de gezondheidsleer te sterk op zichzelf gericht worden.

Leg nu de klas drie voedingsmiddelen voor: één substantie die in hoofdzaak uit zetmeel of suiker bestaat, één die in hoofdzaak vet is en één die voor het grootste deel eiwit bevat. Natuurlijk kennen de kinderen deze voedingsmiddelen, maar ze weten nog niet dat het functioneren van het menselijk organisme voornamelijk afhankelijk is van deze drie stoffen. Hiervan uitgaande komt men tot de
“geheimen” van de voedingsleer. Eiwitten, zouten, koolhydraten en vetten: zonder deze stoffen kan de mens niet leven. Welke betekenis heeft nu elk van deze stoffen voor onze gezondheid?

Het eiwit is verbonden met de oorsprong van het leven.
In het Finse epos Kalevala [3] ontstaat de wereld uit een ei en een Oud-Indische sage vertelt dat Brahma, de vader aller wezens, hemel en aarde uit het Wereldei vormt.
Vóór het menselijke of dierlijke embryo ontstaat, is er in het ei al eiwit aanwezig. Uit het eiwit moet alles aan het lichaam gevormd worden. Is het lichaam eenmaal gevormd, dan nog is er voortdurend eiwit nodig dat in granen, groenten, melkproducten en uiteraard in eieren te vinden is.

Zout is een buitengewoon belangrijk voedingsmiddel. Niet alleen omdat het de smaak van het voedsel pittiger maakt, maar ook vanwege de werking op het denkvermogen. Zonder een minerale basis kunnen de hersenen hun werk niet verrichten, mist de geest het aangrijpingspunt. Het zout wordt door de mond, maag en darmen uiterst fijn opgelost en heeft via de vloeistofcirculatie invloed op de hersenen. Wanneer het zout in maag of darmen blijft steken en niet bij de voorste hersenen kan komen, heeft dit geestelijke “dofheid” tot gevolg, het vermogen om scherp te denken ontbreekt dan. Wanneer we het over zouten hebben, bedoelen we niet alleen het keukenzout dat we tijdens het koken toevoegen, maar ook de zouten die van nature in de voedingsmiddelen aanwezig zijn.

De koolhydraten verschaffen het lichaam kracht. Allerlei misvormingen treden op wanneer wij koolhydraten moeten missen. Wanneer er helemaal geen koolhydraten bij de hersenen komen, wordt de mens zo zwak, dat hij zijn lichaam niet meer overeind kan houden en in elkaar zakt.
Zou je koolhydraten de beeldhouwers van onze lichamelijke gestalte noemen, dan behoren de vetten tot de materialen waarmee deze werken. Wanneer wij wakker zijn, wordt het vet voortdurend verbruikt, maar wanneer wij slapen, wordt het opgeslagen en vormt het een beschermende laag onder de huid die ons op temperatuur houdt. Vetten ontwikkelen warmte in ons organisme. Wanneer we een tekort aan vetten hebben, onttrekt het organisme de warmte die het nodig heeft aan de organen zelf, zodat ziektes het gevolg kunnen zijn, Wie zoveel vet eet als hij verbruikt, leeft gezond. Wie echter veel vet eet en weinig beweegt, wordt dik. Uiteraard mag de voedings- en gezondheidsleer zich niet tot de biologielessen beperken. Ook bij vakken als natuurkunde, scheikunde, aardrijkskunde en geschiedenis gaat men in op vragen over de voeding en de gezondheid.

Een periode voedings-en gezondheidsleer in de zevende klas

De periode bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte die elkaar om de dag afwisselen. Tijdens het praktische gedeelte krijgen de kinderen kookles.

Eerst over de theorie:
Hoewel de leerstof waarmee de lerares begint, erg moeilijk is voor een zevende klas, wil zij het toch proberen. Voor zij begint te vertellen, vraagt zij de kinderen alleen goed te luisteren en geen aantekeningen te maken.
Je zou de plant [4] kunnen vergelijken met de mens. Niet met de bloem omhoog gericht, zoals je zou verwachten, maar juist omgekeerd. De wortel komt dan overeen met het hoofd, het blad met de borst en de bloem of vrucht met de stofwisselings- en voortplantingsorganen en de ledematen. Een tekening op het bord laat deze hoogst eigenaardige vergelijking zien.

voedingsleer 1

We zullen nu dieper op elk der delen ingaan.
Ritme [4] is het kenmerk van de bladeren van de plant: de afwisselende ademhaling van dag en nacht. Bij de mens is het ritme niet alleen in de ademhaling te vinden, maar ook in de hartslag. Ook rangschikking van de bladeren is te vergelijken met de ritmische opbouw van de borstkas.

Na het inspannende luisteren verdienen de kinderen even een adempauze. Zij zoeken voorbeelden voor stengel- en bladgroenten: spinazie, sla, andijvie, kool, tuinkers, rabarber, prei, asperges, raapsteeltjes en witlof- Zij vinden het geen gek idee dat deze groenten het hart en de longen ondersteunen.

De wortelen van een plant tasten in de aarde af waar zouten en mineralen in het water zijn opgelost. Je zou kunnen zeggen dat ze net als ons hoofd zintuigorganen hebben waarmee ze kunnen waarnemen. De wortelprocessen worden bepaald door het zoutachtige, de processen in het zenuw- zintuigstelsel van de mens gaan ook gepaard met zoutprocessen. Er zijn niet alleen overeenkomsten, maar ook tegenstellingen tussen plantenwortel en mensenhoofd. Bij de wortel wordt het dode in het levende opgenomen; de wortel is het meest vitale deel van de plant. Wie ooit geraniums in een donker hoekje heeft laten overwinteren en in de zomer hun glorieuze bloei heeft meegemaakt, zal weinig moeite hebben dit te beamen. Hersenbeschadigingen daarentegen zijn ongeneeslijk: de zenuwen hebben weinig regeneratievermogen en levenskracht.

Met veel aandacht, maar met soms gefronste voorhoofden van het denken, hebben de kinderen geluisterd. Ze zijn blij als ze weer bij het dagelijkse terug zijn. Wortelgewassen stimuleren het denken. Terwijl zij naar voorbeelden zoeken, zijn de grapjes over wortelen eten (als je veel wortelen eet, hoef je niet meer naar school!) niet van de lucht.
Zij noemen: worteltjes, winterpeen, radijs, rode bieten, uien, aardappels, schorseneren en mierikswortel.

De bloem en de vrucht van de plant komen op drie gebieden overeen met ons stofwisselingstelsel: de omzetting van stoffen ( zetmeel in suiker ), de afscheidingsprocessen en de voortplanting. Dit zijn warmteprocessen.
Ter illustratie: bij buikpijn helpen warme compressen.

Behalve alle gewone vruchten noemen de kinderen ook die vruchten, die meer als groenten worden gegeten: komkommers, tomaten, doperwten, paprika’s en bonen. De vruchten stimuleren de lever; de bloesem ondersteunt de nieren en de zweetvorming in de huid. Keukenkruiden brengen de stofwisselingsorganen op gang.
Wanneer de lerares de kinderen de volgende dag vraagt wat ze hebben onthouden van dit verhaal, blijken ze er samen wel uit te komen ( ieder vertelt wat hij nog weet ), maar niet alleen. Om ze behulpzaam te zijn, maakt de lerares een schema op het bord waarin zij weer de drie delen naast elkaar zet en schrijft daarin de trefwoorden die de kinderen noemen. Nu hebben zij een kapstok waaraan zij een logisch verhaal kunnen hangen. De meeste geven aan dat ze het nu wel snappen, maar zij krijgen pas een dag later de opdracht om een verslag te schrijven. Bij het nalezen van de teksten blijkt, dat iedereen deze ingewikkelde vergelijking heeft begrepen.

Elk van de plantendelen wordt ondersteund door de aarde, het water, de lucht (licht) of vuur (warmte). De aarde ondersteunt de wortels, het water de bladeren – bij gebrek aan water gaan de bladeren slap hangen – , het licht de bloemen – kijk maar naar de madeliefjes, die gaan open wanneer de zon opkomt en sluiten zich bij zonsondergang – en de warmte helpt bij de rijping van de vrucht.

De kinderen moeten vier tekeningen maken waarin zij proberen de verhouding tussen elk van de elementen en de plantendelen met behulp van kleurgebruik te laten zien. Onder elke tekening schrijven zij een verduidelijkende tekst.
Het is jammer dat de tekening niet in kleur kon worden afgedrukt.

voedingsleer 2

Hoe gaat de boer met de vier elementen om? We zoeken het antwoord op deze vraag in theorie in de biologisch-dynamische landbouwmethode. Voor de praktijk gaan de kinderen meteen na deze periode op werkweek naar een biologisch-dynamische boerderij waar zij zullen helpen de stallen uit te mesten, te hooien en te wieden.
De boer is voortdurend bezig voorwaarden te scheppen om de grond levend te houden. Hij gebruikt daarvoor organische mest. Plantenafval, onkruid, gras en keukenafval worden het hele jaar door op de composthoop gegooid. In het najaar brengt de boer de compost naar zijn land en hij ploegt de aarde. Gedurende de winter kan de aarde hier nieuwe krachten uit putten. De afgestorven planten moeten met behulp van schimmels en bacteriën weer bodemsubstanties worden. Door regenwormen worden deze stoffen, zand en klei opgenomen en deze componenten samengevoegd. Onder toevoeging van kalk en slijm wordt het geheel als “stabiele humus” uitgescheiden. Deze humus is een eiwitrijke substantie die een lichte vorm van leven in zich heeft. De organische mest zorgt ervoor dat de regenworm zich optimaal ontwikkelt. Torren en wormen woelen de aarde om en maken deze luchtig. Wanneer sneeuw en ijs verdwenen zijn, staat de boer te popelen om aan het werk te gaan: de grond moet voorbereid worden om het zaad zo goed mogelijk in zich op te nemen. Voor het zaaien spuit de boer koemestpreparaat over de aarde, hij ploegt en hij spit. Het koemestpreparaat ondersteunt de ontwikkeling van het zaad en de plant in de aarde. In het voorjaar is behalve de aarde vooral de vochtvoorziening voor de plant van belang. In de zomer moet de boer ervoor zorgen dat er genoeg lucht in de aarde kan komen en dat voldoende vocht wordt vastgehouden. Hij schoffelt de aarde en hij wiedt het onkruid. Wanneer het groen zijn hoogste punt bereikt, gaan de bloemknoppen onder invloed van het licht open. De kleur van de plant verandert van donkergroen naar lichtgroen naar geel. De warmte van de zon laat ten slotte de vrucht rijpen.
De boer strooit nu een kiezelpreparaat over zijn land dat de afronding van het rijpingsproces ondersteunt. Door het bergkristal wordt de lichtwerking voor honderd procent benut.

Wanneer de kinderen een dag later deze leerstof hebben teruggehaald, krijgen zij de keuze uit twee opdrachten: het verhaal schriftelijk verwoorden of in een reeks kleine tekeningen het werk van de boer, de weersinvloeden en de verschillende groeistadia te laten zien.

voedingsleer 3

Kort komt ook de gangbare landbouwmethode aan de orde. Veel boeren analyseren welke voedingsstoffen een plant nodig heeft en hoeveel er in de bodem zit. Zij voegen dan die elementen toe die ontbreken, bijvoorbeeld fosfor, kalium of magnesium. De plant krijgt dan in één keer net zoveel kunstmest toegediend als hij voor zijn hele ontwikkeling nodig heeft. Daardoor schiet de plant vooral in de beginfase erg uit. De boer kan dan wel een groter aantal kilogrammen oogsten, maar met vooral “lente”-kwaliteit, dus met veel vocht. Het gewas heeft weinig tijd gehad om af te rijpen, waardoor de smaak, die juist door licht en warmte verstrekt wordt, minder is. Afgerijpte producten bederven ook minder snel dan de producten die midden in hun ontwikkeling geoogst worden. Een “voordeel” van kunstmest is dat dit het werk minder arbeidsintensief maakt.

Van de planten keert de klas weer terug naar het menselijk lichaam Op het bord staat een grote kleurige tekening van het spijsverteringskanaal
De kleuren van de organen hebben betrekking op de mate van activiteit, het zijn dus niet de natuurlijke kleuren.

Ernstig luisteren de kinderen naar de weg die ons voedsel moet gaan. Zij zijn nieuwsgierig naar het binnenste van hun lichaam. Sommige vinden dit pas echt leren.

De laatste theoriedag nemen de kinderen verpakkingen van pudding, snoepjes, chocoladekoeken, margarine en dergelijke mee naar school om een klein onderzoekje te doen naar moderne toevoegingen zoals conserveringsmiddelen, emulgeerstoffen, stabilisatoren en smaak—, reuk- en kleurstoffen.
Op verzoek van de scheikundelerares werd niet ingegaan op eiwitten, koolhydraten en vetten omdat deze lichaamssubstanties van de plant later ruimschoots in de scheikundeles aan bod zouden komen.

De dagen waarop de kinderen kookten waren zonder uitzondering de hoogtepunten van deze periode. Van te voren hebben zij zelf vaste groepjes van vier gevormd. De conciërge installeerde met behulp van een paar leerlingen acht gastoestellen in het handwerklokaal, zodat elke groep twee gaspitten tot zijn beschikking kreeg. De kinderen leerden specifieke gerechten koken van enkele Europese volkeren waarover ze in de aardrijkskundeperiode geleerd hadden: Russische bietensoep, Griekse salade met geitenkaas en olijven, Italiaanse spaghetti, Zweeds smorgasbord en ook luchtige kwarktoetjes en een stevig Zwitsers müsli-ontbijt.

Een kookles

Wanner de kinderen het lokaal binnenkomen, zetten zij hun tas op de tafel en halen er allerlei keukengerei uit: een pan, een snijplank, een aardappelschilmesje, een rasp een koekenpan, een soepkom en een lepel. Een enkeling heeft ook een theedoek en een tafellaken meegebracht. Op het bord staat het recept van Russische bietensoep. De doos met boodschappen, die al op een tafel staat, wordt aan diverse nieuwsgierige blikken onderworpen. Als de les begint, worden er eerst kranten uitgedeeld. Hierin moeten straks de schillen komen. De uien, de wortelen, de bieten, de tomaten, de kool en de bouillonblokjes worden onder de groepjes verdeeld. De kruiden moeten de kinderen tijdens het koken zelf pakken.
In de meeste groepen slaat iedereen tegelijk aan het schillen en snijden. In een groep heeft slechts één jongen een plankje en een mes meegebracht, zodat de anderen toekijken hoe hij uien snijdt. Hij is niet zo handig, dus hij krijgt heel wat commentaar en ” goede raad ” te verduren. Wanneer hij klaar is met zijn uien, mag een ander laten zien hoe hij schillen kan. Zo wordt het werk toch eerlijk verdeeld, al gaat het erg langzaam. De koekenpannen gaan op het vuur en even later stijgt de uiengeur op. Niet alleen het lokaal, maar het hele schoolgebouw wordt in dampen gehuld. Het is een en al bedrijvigheid rondom de pannen. Kletterende deksels op de granieten vloer veroorzaken nu en dan een lawaai van jewelste. De pollepels staan niet stil, natuurlijk moet er steeds geproefd worden: een schepje zout erbij, een beetje peper, nog wat havervlokken toevoegen. Terwijl de een in de soep staat te roeren, houdt de ander nauwlettend de gaspit in de gaten en draait het gas op alle standen tussen hoog en laag, de derde loopt luidkeels naar de tomatenpuree te zoeken en de vierde ruimt alvast de rommel op om de tafel te kunnen dekken. Hoewel het pas kwart voor tien is, eten de meeste kinderen hun soep met smaak. Een enkeling vindt het “niet te eten”, maar uit solidariteit met de groep eet hij toch mee. Wanneer de pannen leeg op de tafel staan, is het tijd voor de afwas en de schoonmaak.
Per groep hebben de kinderen taken afgesproken. Rondom enkele grote wasteilen met sop – er is slechts één gootsteentje in het lokaal – staan kinderen met afwas op hun beurt te wachten. Anderen vegen de verdwaalde schillen van de grond. Hoewel de ramen wagenwijd openstaan om de luchtjes te verdrijven, komt de handwerklerares na de pauze haar lokaal binnen met opgetrokken neus.

Het koude buffet

De kinderen hadden gevraagd of zij een keer een eigen recept mochten koken. Afgesproken werd dat de laatste kookles Smörgasbord zou worden gemaakt. Iedere groep kreeg hetzelfde bedrag tot zijn beschikking en moest daarmee zijn eigen boodschappen betalen.
Die ochtend komt een van de jongens op school met achterop zijn bagagedrager een sinaasappelkistje vol met groenten.
Uit zijn tas haalt hij het dikke kookboek, waarmee hij al een paar dagen de andere groepsleden probeerde over te halen om een Amerikaanse selderijsalade te maken. Uiteindelijk is hem dat gelukt. Tijdens de les neemt hij, die anders zo verlegen is, de leiding op zich. Een groepje meisjes is naar de Albert Cuypmarkt gegaan en heeft daar allerlei soorten fruit gekocht. Twee jongens zijn te rade gegaan bij de visboer en rollen die ochtend een krant open waarin twee vette makrelen liggen te glanzen. Wanneer de schotels aanlokkelijk zijn opgemaakt, worden ze zorgvuldig verspreid op een lange tafel. De kinderen staan er watertandend omheen. “Kunnen we beginnen?”, roept een meisje ongeduldig. Zij gaat alvast haar bord pakken. Even later staan de kinderen net als bij echt smörgasbord met hun borden in de rij om van elke schotel een schep te nemen. Het menu bestaat uit: gevulde eieren, Amerikaanse salade, vruchtensalade in meloen, gevulde tomaten, makreelsalade en augurkensalade. Spontaan worden recepten uitgewisseld.

Tijdens de werkweek zullen alle kinderen een goed verzorgde maaltijd voor elkaar kunnen klaarmaken.

voetnoten van mij:

[1] Het rund
[
2] Of dit in 2016 nog mogelijk is i.v.m. inspectie-eisen?
[3] Kalevala
[4] De plant
[5] Ritme

7e klas voedingsleer [1]   tabak

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 7e klas: sterrenkunde; tekenen  (arceren)

1048

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – Menskunde – voedingsleer (1)

.

F.H.v.d. Hoek, nadere gegevens ontbreken
.

Mens en voeding: periode uit de 7e klas

Een van de periodes die in een zevende klas wordt gegeven is de combinatie menskunde – voedingsleer.
Het is in het kader van de vrijeschoolpedagogiek een logisch vervolg op de periodes uit de 4e, 5e en 6e klas, nl. dier- en plantkunde en mineralogie.

In de 7e klas komt dan de mens aan de orde en ook hier is het evenals in de lagere klassen de bedoeling het kind in de aanbieding van de leerstof in zijn denken, gevoels~ en wilsleven aan te spreken. Vandaar dat er niet wordt uitgegaan van het “doodse” element, de botten, het geraamte met de bekende vragen die wij als volwassenen uit onze biologieles wel herinneren: ‘Wat is het doel van het geraamte? Het geraamte dient ter versteviging van ons lichaam, het geraamte dient als aanhechtingsplaatsen voor- pezen en spieren….. enz.”

Uiteraard kunnen dergelijke zaken wel aan de orde komen, maar dan toch wel meer met betrekking tot bepaalde processen die zich in ons lichaam afspelen. Vandaar dat er – ik meen dat dit typerend is voor het gehele vrijeschoolonderwijs – veel meer van kwaliteiten dan van kwantiteiten wordt uitgegaan.

Bij het 12/13-jarige kind gaat het verstandelijke leven een steeds grotere plaats innemen. De drang om bepaalde processen te willen ontdekken ontwaakt. Dit speelt dan ook in de behandeling van de menskunde duidelijk een rol. Het gevoelsleven van het kind speelt hier echter nog steeds heel duidelijk op in, (op een manier van: “Wat doet deze kennis met mij”, kan het kind bepaalde processen die zich in de menskunde, dus ook – en misschien wel juist – in zich zelf voordoen, trachten te verwerken.

Vandaar ook dat het element – voedingsleer – in het kader van de menskunde zo’n buitengewone invloed kan hebben op het gevoel van kwaliteit, dat de kinderen juist op deze leeftijd kunnen ontwikkelen.

Vanaf de eerste dag in deze periode proberen we het “mens-zijn” zoveel
mogelijk op onszelf te betrekken. Een eenvoudige vraag als “Hoe blijven wij als mens in leven” is nl. lang zo eenvoudig niet, als op het eerste gezicht misschien wel lijkt, ja, een klassengesprek kan zelfs een filosofisch tintje krijgen, naarmate je je meer met dat “mens-zijn” bezig houdt. Natuurlijk komt men in zo’n gesprek al snel op begrippen als voeding en ademhaling. In de loop van deze periode zullen deze begrippen dan ook uitvoerig behandeld worden.

Boeiend was het ook om gezamenlijk in de klas te zoeken naar eigenschappen of kwaliteiten, die wij als typisch menselijk zouden kunnen betitelen. Al gauw werd het duidelijk dat de mens door middel van zijn zintuigen de buitenwereld in zich kan opnemen en daar binnen in zijn “Ik” iets mee kan doen, vooral als het vermogen on te leren hierop inspeelt.

Behalve de “aardevoeding” (het voedsel dat via de mond tot ons komt) werd in deze periode eveneens het begrip “kosmische voeding” geïntroduceerd. Het is namelijk die veelheid van indrukken, zoals die via onze zintuigen tot ons komt (bijv. ogen, gehoor, reuk, tastzin e.d.) die voor de mens onontbeerlijk is en die voor hem eveneens een soort voedsel vormt dat, als dit niet zou plaatsvinden, het typisch menselijke van dit wezen niet tot stand zou laten komen.

Hoewel het verleidelijk is om hier een heel betoog over deze kosmische en aardse voeding op te zetten, zou ik omwille van de ruimte in dit verband willen verwijzen naar het boekje van H.Hoogewerff “Voeding en Voedingsgewassen.” [1]

Hierna zijn wij in de zevende klas vrij uitvoerig ingegaan op de stofwisseling. De weg van het voedsel en van de lucht, de organen met betrekking tot die stofwisseling, de harmonische processen van ademhaling en bloedsomloop, de betekenis van de huid voor ons lichaam.

Steeds weer kwam nadrukkelijk de vraag naar voren.” Wat voor invloed heeft de voeding op ons lichamelijk en geestelijk welzijn? Een vraag waar je je erg theoretisch, maar ook erg praktisch mee kunt bezighouden. Vooral met kinderen is de laatste methode de meest werkbare.

Tijdens dit deel van de periode kregen de kinderen uitvoerig praktisch onderricht van mevr. C.Heppener, die niet zo heel lang geleden nog de scepter zwaaide in het vegetarisch eethuisje Sattvika in Naarden, maar momenteel voedingscursussen aan volwassenen geeft. Het was eigenlijk steeds een ‘heel knus’ geheel, acht kinderen die ’s morgens in alle vroegte in de prachtige bossen van het Theosofisch Centrum liepen te zoeken naar brandnetels om er even later soep van te maken.

Een ander moment zitten ze bij elkaar. Zo luisteren hoe uiteengezet wordt hoe de seizoenen van het jaar zo hun eigen specifieke werking op de natuur hebben, zodat de sapstroom vermindert en vermeerdert. Verbanden worden gelegd tussen deze menskunde/voedingsperiode en de sterrenkundeperiode, die zij hiervoor hadden. [2]

Voor sommige kinderen is het wel even wennen. Zaken als “wat de boer niet kent…” moeten soms wel overwonnen worden. Het is een hele gewaarwording als je verwacht dat “dit toch wel niets zal worden” en dat het uiteindelijk toch heel lekker blijkt te zijn! Ook in de gesprekken aan tafel wordt hier uitvoerig bij stil gestaan. De tendens is toch duidelijk voelbaar na een paar dagen: ook de wat gereserveerdere kinderen worden steeds enthousiaster. Aanvankelijk is er misschien nog even het “vreemde”, wat echter al snel plaats maakt voor het “lekkere”, het “leuke” en het “zelf doen” en gevolgd zelfs door “het bezig zijn met gezond voedsel”. Zelf heb ik deze periode uiterst vruchtbaar gevonden, te meer omdat wellicht enkele vooroordelen (gek, vies) ten aanzien van wat wij in deze periode hebben leren kennen als “goed voedsel”, weggenomen konden worden, terwijl van deze kinderen verwacht mag worden, dat zij daarnaast ook wat kritischer zijn geworden ten aanzien van het “voedsel”, dat ons vaak via de massamedia wordt opgedrongen.

Bijzonder leuk was dat een aantal kinderen, die thuis nog nooit gekookt hadden, enkele van de dingen die zij tijdens deze kleine “cursus” leerden ook daadwerkelijk thuis in praktijk brachten. Het feit dat zoiets dan ook nog lekker werd gevonden was dan natuurlijk een geweldige stimulans. Een logisch vervolg op deze periode zal plaats vinden in de week van 25 juni a.s. .De zevende klas zal dan samen met de zesde een werkkamp hebben op het bedrijf van Loverendale in Zeeland, bekend vanwege het brood uit de reformwinkels.

Ongetwijfeld zullen we in een van de volgende “maandberichten” op dit kamp
terugkomen.

7e klas voedingsleer [2]   tabak

[1] H.Hoogewerff: Voeding en voedingsgewassen
[
2] Sterrenkundeperiode

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas: sterrenkunde; tekenen  (arceren)

1043

.