Tagarchief: Demeter

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (5-2/1)

Als de leerlingen in klas 6 tuinbouw hebben gehad, hebben ze al wat ervaren van de manier waarop je voedingsplanten kweken kan.
In de 7e klas kan daarop worden teruggekomen en nu het in deze tijd zo actueel is hoe wij onze voedingsproducten verkrijgen, is het zeker niet verkeerd om over de ‘biologische’, maar ook over de ‘biologisch-dynamische’ kweekmethode te spreken. 
Dat moet niet verward worden met ‘antroposofie in het onderwijs’. De B.D-methode bestaat en waarom zouden leerlingen daarmee geen kennis maken.
Opmerkelijk is dat het artikel uit 1990 hier reeds duidt op wat we nu als ‘stikstofprobleem’ kennen.

Wolfgang Schmid, WeledaBerichten nr. 151 september 1990
.

WAT IS BIOLOGISCH-DYNAMISCHE LANDBOUW?

.

Doordat in de loop van de geschiedenis de mens, die leefde van de jacht en het plukken en bereiden van kruiden, ten slotte werd tot wat we tegenwoordig agrariër noemen, onderging ook het landschap een grote verandering. Het natuurlijke landschap werd door de mens veranderd in cultuurlandschap. Om die ontwikkeling te begrijpen is het nodig om te zien wat kenmerkend is voor een natuur- en een cultuurlandschap.

Het natuurlandschap

Dit wordt gekenmerkt door natuurlijke plantengroeperingen, die ontstaan door bepaalde omstandigheden van bodem en klimaat. Zij kunnen door plaatselijke klimatologische omstandigheden heel verschillend zijn en ook in de loop van de tijd veranderen. Binnen die groeperingen is er geen “onkruid” en zijn er geen “schadelijke insecten” naar ons begrip, want de veelvuldige onderlinge relaties tussen planten en dieren (vanaf de micro-organismen tot aan de grote dieren) scheppen een evenwicht. De kringloopprocessen van substanties en energieën zijn principieel gesloten. Daardoor zijn er ook geen problemen door het verlies van stoffen (bijvoorbeeld het uitspoelen van nitraten).

Het cultuurlandschap

Hier is de mens niet meer slechts een deel van de natuur maar hij geeft daaraan in belangrijke mate vorm. Bossen worden gerooid, de grond wordt bewerkt. Cultuurplanten worden verbouwd op allerlei manieren. De gevarieerdheid van de plantenfamilies vermindert, de productie van de land- en tuinbouw wordt vergroot. Daardoor wordt het mogelijk de veestapel te vermeerderen. Het bestand aan dieren in een cultuurlandschap kan 100 keer zo groot zijn als het bestand aan in het wild levende dieren van een natuurlandschap. Door de bewerking van de grond gaat er lucht in doordringen, humus wordt zeer snel omgezet. De kringloopprocessen van de substanties worden bespoedigd – maar ook kwantitatief op een belangrijk hoger niveau gebracht – omdat het kweken van groenvoer (klaver, luzerne enz.) een grotere veestapel mogelijk maakt. Daardoor komt er meer mest, er ontstaan grotere opbrengsten maar ook grotere hoeveelheden overblijfselen na de oogst. Echter: ook het gevaar dat substanties uit de kringloop worden losgelaten wordt groter (uitspoelen van nitraten, kali en ook van subtiele bodemdeeltjes).

Moderne landbouw

Tegenwoordig wordt de landbouw in hoge mate beïnvloed door het materialistisch georiënteerde denken. Nadat de scheikunde werd toegepast in de landbouw, ging men natuurprocessen steeds meer tot chemische reacties reduceren. Met behulp van de bedrijfswetenschappen konden de verschillende gebieden van de landbouw afzonderlijk op hun rentabiliteit worden getoetst. Dientengevolge kon een differentiatie van de algemene landbouw in koeien- en varkensmesterijen, bedrijven zonder vee enz. tot stand komen. Intensivering was dus ook door specialisering mogelijk. Veel landbouwers zijn tegenwoordig genoodzaakt industrieel vervaardigde of toebereide stikstof-, fosfor- en kalikunstmest te kopen. Door de daarmee gepaard gaande vermindering van de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem en de aantasting van de gezondheid van het gewas is de toepassing van synthetisch-chemische bestrijdingsmiddelen onontkoombaar. Ten gevolge van die ontwikkeling zijn thans vele agrariërs genoodzaakt ten dele alleen nog maar op beschadigingen (schimmelziekten, insecten) en op tekorten van de voedselverzorging van de planten te reageren. De specialisering in de landbouw werd echter ook in hele landschappen zichtbaar: zo zijn er tegenwoordig streken, waarin bijvoorbeeld de runderen werden afgeschaft. Daardoor verdween ook de verbouw van groenvoer in de gedaante van klaver- en luzernegras uit het landschap. Aan de andere kant wordt regionaal de veestapel (dikwijls varkens) zo enorm geconcentreerd, dat men met de ontstane hoeveelheden mest geen raad meer weet. Het gevolg is, dat dierlijke mest, eens een waardevol product, tot een afvalprobleem, uiteindelijk een milieuvraagstuk wordt waar men zich het hoofd over breekt.

Vragen over de kwaliteit

Men moet zich afvragen, welke kwaliteiten via op die manier gekweekte producten aan de voeding van de mens worden toegevoegd. Want wij zien kunstmatige voeding van de planten door middel van minerale synthetische kunstmest, profylactische en therapeutische toepassing van chemische pesticiden bij de bestrijding van ziekten en ongedierte, dikwijls ook massale fokkerijen waar de regelmatige toepassing van antibiotica onontbeerlijk is geworden. Hoe staat het met de vitaliteit van deze voedingsmiddelen (chemische resten), met de inpassing in het milieu van zulke producten. Is zulk voedsel geschikt om niet alleen de maag van de consument te vullen, maar ook om voor zijn geestelijke en psychische ontwikkeling een basis te bieden?

De biologisch-dynamische landbouwmethode

Reeds in het begin van de jaren twintig beseften enkele antroposofisch georiënteerde landbouwers de problemen die een uitsluitend materialistisch bedreven landbouw zou veroorzaken. Op hun verzoek hield Rudolf Steiner in 1924 in Koberwitz bij Breslau acht voordrachten met de titelGeesteswetenschappelijke grondslagen voor een vruchtbare ontwikkeling van de landbouw”. [GA 327] Deze zogenaamde “landbouwcursus” is de basis voor de biologisch-dynamische landbouwmethode.

Een belangrijk principe hiervan is, dat de landbouwer zijn bedrijf als een organisme ziet en het dienovereenkomstig opbouwt. In een organisme werken verschillende organen harmonisch samen; zij hebben gedifferentieerde functies en houden het organisme in leven en vruchtbaar. De geestelijke ordening van een organisme moet door de landbouwer tot het vormgevend principe van zijn bedrijf worden verheven. Om dit te bereiken moeten eerst de natuurlijke voorwaarden en de mogelijkheid van het bedrijf worden onderkend: het klimaat, de jaarlijkse hoeveelheid neerslag, het landschap enz. Op grond daarvan kan dan de opbouw van het bedrijf beginnen: welke diersoorten heeft de boerderij nodig, hoe groot kan de veestapel zijn, welk teeltplan maakt de grond vruchtbaar en verschaft aan het bedrijf het nodige economische succes?

Deze soort van landbouw heeft niet de chemie als basis, maar allereerst het waarnemen van wetmatigheden van het levende, ook van hetgeen in het psychisch-geestelijke gebied van landbouw werkzaam is. Het voornaamste streven in een biologisch bedrijf is het levend-maken van de bodem.

Verzorging van de bodem en de mest

Voedings- en werkzame substanties worden hier niet geleverd door de chemische industrie, maar zijn afkomstig van overblijfselen van de oogst, van het verbouwen van stikstof aantrekkende planten, peulvruchten, dierlijke mest, de mineralen in de bodem en van humus. De overdracht daarvan naar de planten vindt plaats door een geweldig aantal micro-organismen (schimmels, bacteriën, algen enz.) en ook grotere dieren (wormen, mijten enz.) in de grond. Dit reusachtige leger van levende wezens, het zogenaamde bodemleven, moet worden gecultiveerd. Daardoor is voor de biologisch-dynamische landbouwer de humus bereidende en leven stimulerende rotting van dierlijke meststoffen een hoogst belangrijke zaak. De mest wordt, voordat hij wordt uitgestrooid, met behulp van de biologisch-dynamische compostpreparaten, die in kleine hoeveelheden worden toegevoegd, gedurende korte of langere tijd gecomposteerd. Deze preparaten bestaan uit op een bepaalde manier bereide geneeskrachtige planten (duizendblad, kamille, brandnetel, eikenschors, paardenbloem en valeriaan) en beïnvloeden de rotting van de mest in hoge mate. De op zo’n manier bereide mest activeert het leven en de processen in de bodem, het afbreken van de organische substanties, het produceren van voedingsstoffen, de opbouw van humus en daardoor ook de bescherming tegen plantenziekten.

Over de preparaten koehoornmest en koehoornkiezel geeft het artikel van Bruno Busse  uitsluitsel.

Kwaliteit

Ten gevolge van de bijzondere mestverzorging, de zorgvuldige bedrijfsvoering en de toepassing van de biologisch-dynamische preparaten is de plant in staat, zich harmonisch tussen kosmos en aarde te ontwikkelen. Langs die weg kan zij bijzonder vitale substanties vormen als grondslag voor een gezonde voeding. Deze levensmiddelen komen onder de benaming “Biodijn” [naam niet meer in gebruik] (voor producten uit landbouwbedrijven die bezig zijn, om te schakelen naar de biologisch-dynamische landbouwmethode) en “Demeter” (voor producten van totaal omgeschakelde bedrijven) op de markt.

Milieubeheer door biologisch-dynamische landbouw

Naast alle beschreven maatregelen kent het biologisch-dynamische bedrijf aan de vormgeving van het landschap ter wille van het behoud van de vruchtbaarheid en het gezond houden van het bedrijfsorganisme een grote betekenis toe. Het planten van bessenstruiken, het aanleggen van heggen of het in stand houden van oeverweiden vergroot niet alleen de schoonheid van een landschap, maar vergroot ook de veelzijdigheid van de flora en fauna en bevordert zo het in stand houden van een evenwicht tussen schadelijk en nuttig gedierte.

Zo bezien is de biologisch-dynamische landbouwmethode niet alleen een richting die ons optimale en gezonde levensmiddelen verschaft, maar door haar wordt ook een cultuurlandschap ontwikkeld, waarin de mens weer op zijn verhaal kan komen en waarin de levens- en zielenkrachten van de natuur kunnen regenereren.

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2666

.

Advertentie

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-1/27)

.

MAAGD

Dit sterrenbeeld van de dierenriem is een van de geheimzinnigste. De Babyloniërs noemden het simpelweg ‘korenaren’ en zo heet de belangrijkste ster ervan tot op heden, Spica = korenaren. 
Bij de oude Grieken was het ook altijd een jonkvrouw. In de oudste tijd werd zij ‘Kore’ = het meisje, genoemd. Men zag in haar de hemelse Persephone, de dochter van de grote godin Demeter. Hoe Pluto, de god van de onderwereld, haar roofde en waardoor zij weer werd bevrijd, wordt hier in de oudste overlevering, die van Homerus, ‘Hymne aan Demeter’, verteld.

Eens was de prille jonkvrouw Persephone met Athena, Aphrodite en andere hemelse jonkvrouwen op een weide aan het dansen, toen deze plotseling overtrokken werd met een toverachtige bloemenpracht. Vreugdevol over deze schoonheid liepen de meisjes hierheen, daarheen en plukten de mooiste bloemen. Alleen Persephone bleef staan. Voor haar was een wondermooie narcis uit de grond gegroeid en het leek wel of de toverbloem haar wilde aankijken. Haar tere, witte kroon glansde in het zonnelicht en vanuit het gouden hartje steeg een bedwelmende geur op waaraan Persephone zich overgaf. Ze plukte de wonderschone bloem en merkte helemaal niet hoe op dat ogenblik de aarde naast haar openbarstte. Uit de aardekloof kwam Pluto, heerser in het schaduwrijk, op een wagen, getrokken door zwarte paarden, omhoog gereden. Hij greep Persephone beet en trok de tegenstribbelende jonkvrouw bij hem in de wagen. Die daalde weer in de aarde af, de kloof sloot weer en vanuit de diepte klonk nog de roep van het geroofde meisje: ‘Help mij, moeder, moeder!!!’

Haar moeder Demeter had op de top van de Olympus de hulpkreet van haar dochter gehoord. Maar toen ze zich ter aarde stortte, kon zij geen spoor ontdekken van de haar zo beminde dochter die in de aardbodem verdwenen was. Met verlichte fakkels dwaalde ze tevergeefs over de wereld rond. Niemand kon of wilde haar de gruwelijke waarheid vertellen, tot zij Hekate ontmoette die met een fakkel zwaaide en zij leidde haar naar de zonnegod Helios. Van hem die alles weet, vernam Demeter nu dat Pluto haar dochter met goedvinden van de machtige Zeus geroofd had en dat ze nu als zijn gemalin de heerseres van het dodenrijk was.
Een wilde woede maakte zich meester van de vertwijfelde moeder. Ze ging niet terug naar de Olympos en ze meed de hemelse bewoners en ze ging in de gedaante van een arme, oude vrouw naar het huis van de heerser Keleos van Eleusis.
Daar nam ze de opvoeding op zich van de jonge Triptolemos, de zoon van de koning. Toen zij hem op een dag in het goddelijke vuur louteren wilde, zodat hij onsterfelijk zou worden, kwam de ontstelde moeder eraan en verstoorde het ritueel. 
Nu maakte Demeter zich bekend en sprak: ‘O, jullie verblinde mensen, jullie dwazen! Of jullie een goed lot of een slecht lot beschoren zijn, kunnen jullie niet weten.’
Toen gaf ze het bevel dat er op een overhangende rots boven een bron te harer ere een tempel zou worden gebouwd en dat gebeurde.
Voortaan woonde Demeter in die tempel en zij werd door de mensen zeer vereerd en zij koesterde wrok jegens de andere goden. Ze bekommerde zich niet meer om de groei en bloei van de gewassen die de aarde voortbracht. Mislukte oogsten, armoede en honger bedreigden de mensen en de goden ontvingen geen offers meer. 
Toen zond Zeus Iris met de gouden vleugels naar de om haar dochter treurende Demeter. Maar zij bleef onvermurwbaar en eiste eerst de vrijheid van haar kind..
En dus werd de godenboodschapper Hermes naar de Hades gestuurd om Persephone weer te halen. Pluto liet het toe, want omdat het meisje in zijn rijk van een granaatappel had geproefd, hoorde ze voor altijd bij hem. Zeus kon aan de treurende Demeter daardoor alleen verkondigen dat haar dochter voortaan een derde deel van het jaar in het schemerig duister van de aarde moest verblijven, maar tweederde deel mocht zij bij haar moeder zijn, samen met de andere goden.
Hermes bracht het godenkind vanuit de duisternis in het licht terug. Nu gaf Demeter gehoor aan de oproep van de godenvader en zij liet op aarde weer de bladeren ontluiken en de planten ontspruiten en de vruchten rijpen. 
Triptolemos echter, de zoon van de heerser van Eleusis die door Demeter was opgevoed, werd door de godin ingewijd in de geheimen van het verbouwen van granen. En nu vierden de mensen in Eleusis  ‘de opstanding van Kore’, meer dan duizend jaar lang.
In latere tijden zagen de Oude Grieken in het sterrenbeeld van de Maagd ook de goddelijke sterrenjonkvrouw Astrea, ‘de redelijkheid’ of ook wel Dike, ‘de gepersonifieerde ‘gerechtigheid’.
Volgens een oude legende  verbleef Dike vroeger onder de mensen. Dat was in de tijd toen het Gouden Geslacht op aarde woonde. Toen daarna het Zilveren Geslacht op aarde leefde, trok Dike zich in de bergen terug en verscheen alleen nog bij bijzondere gebeurtenissen om de mensen voor hen slechtheid te berispen. Toen hierna het IJzeren Geslacht op aarde leefde, vloog Dike uit teleurstelling over de heersende ongerechtigheid naar de hemel, waaraan ze sindsdien de mensen als het sterrenbeeld Maagd alleen ’s nachts nog verschijnt. 

ZO                                                               Z                                                   ZW
Mr.   1  2°°u                                        apr.  1    1°°u                             mei  1  23°°u*
15  1°°u                                                15  24°°u                                    15 22°°u*
*zomertijd

Het overzichtsbeeld laat het sterrenbeeld Maagd twee uur na het opgaan zien. Je kan het midden maart om 23°°u en midden april om 22°°u (zomertijd) zien tussen het oosten en het zuidoosten, dan komt het op.
Je kan het ook zo vinden: verbind je de drie staartsterren van de Grote Beer in gedachten door een lijn en volg je die verder, dan kom je eerst bij de ster Arcturus in Boötes en dan bij Spica, de hoofdster in het sterrenbeeld Maagd.

De namen van de sterren betekenen:

Spica (Latijn) = korenaren
Vindemiatrix (Latijn) = afgeleid van ‘vindemiator’= wijnboer

Meer feiten

Sterrenkundealle artikelen

7e klasalle artikelen

.

2488

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – kunstgeschiedenis

.

Hieronder weer een artikel ‘uit de oude doos’. (1931)

Kunstgeschiedenis in klas 11. 
Tevens vele namen van Griekse goden en godinnen die ook de 5e-klasleraar gebruikt in zijn verhalen Griekse mytholgie. 
In zijn artikel ‘Het leerplan is de mens‘ beschrijft Willem Veltman o.a. de spiegeling van van de klassen met hun leerplan. Zo is de 11e klas in zekere zin een spiegeling van de 5e! Voor plantkunde beschrijft Paul Veltman deze spiegeling.

Of er nu nog gewerkt wordt met deze gezichtspunten weet ik niet. De exameneisen hebben veel veranderingen teweeggebracht. 

In de oorspronkelijke spelling:

WELKE BETEEKENIS KAN HET OUDE GRIEKENDOM VOOR ONZEN TIJD HEBBEN?

Toen Kallimachos, de groote Grieksche beeldhouwer, die leefde en werkte gedurende het laatste deel der 5de eeuw vóór Chr,, langs het graf van een pas gestorven meisje ging, zag hij daar onverwacht het aetherische wezen dezer jonkvrouw boven het graf zweven en zich vereenigen met wat als zonnekrachten uit den kosmos de aarde tegemoetstraalde. De innerlijke ontroering, die Kallimachos aangreep bij het zien van die verschijning, inspireerde hem tot de schepping van het Korinthisch zuilenkapiteel.
Vitruvius, de groote Romeinsche bouwmeester, die omstreeks den aanvang onzer jaartelling werkte onder Julius Caesar en Augustus, vermeldt in zijn groote werk over de architectuur der oudheid het bovenstaande als anecdote, spreekt echter niet over de aetherische verschijning, maar zegt, dat het Korinthisch zuilenkapiteel van Kallimachos dc nabootsing is van een korfje, dat omwonden met akanthusbladercn, stond op het graf van de overleden jonkvrouw.

Deze „korf”hypothese heeft zich voortgezet tot op onze dagen, zoodat algemeen nog aangenomen wordt, dat het Korinthisch zuilenkapiteel een werkelijke nabootsing is van de op deze wijze samengebonden akanthusbladercn. Dit moge een kleine vingerwijzing zijn, hoe „Romeinsch” de moderne mensch vaak nog denkt en hoe weinig hij werkelijk toegang kan vinden tot het wezen van het Griekendom.

De tegenstelling Kallimachos-Vitruvius kan leerrijk worden tot het verkrijgen van inzicht in de verhoudingen van het Romeinsche tot het Grieksche volk. De oude Griek had nog een beeldend, aanschouwend denken, waarbij hem de gedachten op een onmiddellijk waarneembare wijze uit de dingen der wereld zelf tegemoetstroomden, zooals dit bij den modernen mensch nog gebeurt met de waarneming van kleuren en tonen door oog en oor, in het kort door het zintuiglijk waarnemen. De Griek bewoog zich nog in de levend-waargenomen gedachte. —- De Romein denkt nuchter, abstract, heeft eigenlijk een bewustzijn, dat in wezen overeenkomt met dat van den modernen mensch. Voor den Romein is het bovenzinnelijke nog slechts in de abstractie te beleven, niet in de onmiddellijke waarneming.

Het levend-onmiddellijk waargenomen denken der Grieken spiegelt zich in hun geheele beschavingsleven, in hun kunst, hun philosophie, niet het minst echter in hun grandioos-uitgebeelde mythologie. Hun theogonie en kosmogonie schildert het ontstaan van goden en werelden op aanschouwbare wijze. Eroos, de scheppende almacht der liefde, speelt hierin een groote rol. Door zijn toedoen wordt uit Gaea, de Almoeder der aarde, Oeranos, de Alvader van den Hemel geboren. Uit de latere verbinding van Gaea en Oeranos ontstaan de groote goden-generaties. Kronos (Saturnus), de drager van het warmte-element ontneemt zijn vader Oeranos de heerschappij. Het zonnestelsel ontstaat. Op zijn beurt wordt Kronos verdrongen door een uit het huwelijk met Rhea ontsprongen zoon Zeus (Jupiter), den drager van het door den aether doordrongen lucht-element. Zeus, ofschoon gehuwd met de koele, jaloersche Hera, de draagster van het reine lucht-element, verbindt zich bovendien met vele andere goddelijke en sterfelijke vrouwen, waaruit de verdere ontwikkeling van mensch en wereld te voorschijn komt.

Verwarrend kan het voor het moderne intellectualistische denken zijn, wanneer in de Grieksche mythen sprake is van verschillende aardegoden en -godinnen (Gaea, Hades, Demeter, Dionysos, Tartaros). Voor de Grieken echter was de aarde niet het doode, uitsluitend materiëele lichaam, zooals zij voor den modernen mensch geworden is. Voor de Grieken was de aarde tevens een levend, een bezield en een geestelijk wezen, Gaea, de oer-moeder der aarde, vertegenwoordigt het lichaam, Hades (Pluto) het leven, dat de aarde doorstroomt, Demeter (Ceres) is de ziel der aarde, waarin het algemeene bewustzijn leeft, dat omspannend en omvattend is en waaruit Persephone, het menschelijk bewustzijn, geboren kan worden. Maar nog is dit alles niet doordrongen van een centralen geest, die het mogelijk maakt, dat het algemeene bewustzijnsleven geconcentreerd wordt tot een zelfbewustzijn. Dezen centralen geest vereeren de Grieken in Dionysos, die eerst als Dionysos Zagreus (de oudere) de aarde omzweeft, daarna verbrokkelt en in enkele menschen als zelfbewustzijn wedergeboren wordt en zich in den jongeren Dionysos als de met de aarde zelf verbonden geest openbaart. De Tartaros eindelijk is het binnenste der aarde, waarin de duistere tegenkrachten, de donkere Titanen heerschen en zelfs het leven op aarde kunnen bedreigen.

Bij de Grieken is nog een levende samenhang tusschen mensch en wereld en deze samenhang was doordrongen van wezenachtigheid. Het menschelijk lichaam, dat drager van het leven is, werd geschonken door Hades (Pluto), den geest, die ook de aarde met leven doordringt. De menschelijke wilskracht is hieraan gebonden. Poseidoon (Neptunus), de god van het water, der zeeën en stroomen, schonk ook in den mensch den levensstroom met het daaraan verbonden gevoelsleven. Zeus (Jupiter), de god der aetherische luchten, gaf den mensch de levende ziel met het daaraan verbonden denk-vermogen. Dionysos als drager van de aldoordringende warmte, maakt het den menschen mogelijk hun zielefuncties van denken, voelen en willen door de kracht der liefde op te voeren tot hoogere eenheid en harmonie.

De ontwikkelingsgang van het menschenwezen zelf schildert het Griekendom in zijn groote, zelf-ontworpen of overgeleverde mythen. In machtige beelden geven deze mythen gebeurtenissen weer, die zich in een bovenzinnelijke werkelijkheid hebben afgespeeid.

In de mythe van Prometheus wordt geschilderd, hoe deze, zelf een zoon uit het geslacht der Titanen, in opstand komt tegen Zeus, omdat deze het overmoedig geworden menschengeslacht wil verderven. Prometheus wordt hun redder, doordat hij hun beschaving in kunsten en wetenschappen, maar vooral het gebruik van het vuur leert kennen, dat hij uit den hemel steelt en in een hollen koker op aarde brengt. Langs een omweg tracht Zeus nu zijn doel te bereiken: hij zendt een door Hephaistos ( Vulcanus) gesmede vrouwenfiguur, die hij zelf het leven heeft ingeblazen, tot Prometheus. Deze vrouw, Pandora geheeten, omdat alle goden haar hun gaven geschonken hebben, moet met Prometheus huwen. Deze echter (de „voor’ denker) loopt niet in den val, maar zijn broeder Epimetheus’ (de „na” denker) neemt haar tot vrouw. Zij opent een haar door de goden geschonken doos, waaruit nu alle plagen en kwalen over het geleisterde menschdom komen. Door snel de doos te sluiten, voorkomt Pandora erger, alleen de hoop blijft op den bodem achter. Prometheus wordt door Zeus aan een rots van den Kaukasus geboeid met door Hephaistos geklonken ketens en iederen dag knaagt een adelaar hem den lever af, die ’s nachts weer aangroeit. Herakles komt op een zijner tochten langs den Kaukasus en doodt met zijn pijlen den adelaar, nadat eerst de Kentaur Chiron zich geofferd heeft, door zich in de plaats van Prometheus aan de rots te laten kluisteren. Zeus was het er om te doen, een geheim dat Prometheus kende aan dezen te ontlokken: n.l. dat eenmaal de macht van Zeus overwonnen zou worden door een uit een sterfelijke jonkvrouw geboren godheid.
— Niet moeilijk is het, den dieperen zin dezer mythe te vatten: In Prometheus is uitgedrukt de door de wilskracht der Titanen aan het stoffelijke lichaam gekluisterde ziel, die alle smarten moet leeren kennen van het gebonden zijn aan de vergankelijkheid der materie, en waarvan het hoogere zijn door de lagere hartstochten voortdurend wordt afgeknaagd, om in het nachtleven opnieuw aan te groeien. Het nuchtere verstand (Epimetheus) brengt plagen en lasten, omdat het geen inzicht meer heeft in het eeuwige en alleen de hoop overblijft, dat eenmaal dit inzicht kan terugkeeren. Dit kan geschieden, als het lagere in den mensch door het hoogere overwonnen is en de materie geen oppermacht over de menschen meer kan uitoefenen,

In de mythe van Amor en Psyche wordt ons verteld, hoe Psyche, de jongste van drie koningsdochters, niet kan huwen, omdat ieder voor haar buitengewone schoonheid terugdeinst. Haar vader, de koning, raadpleegt het orakel, dat hem aanraadt, Psyche te voeren op een hoogen berg en haar daar uit te huwen aan een draak. In een groote processie wordt Psyche, gehuld in een doodskleed, op den top van den berg geleid, maar daar wordt zij door Zephyros, den westenwind, ontvoerd en gebracht in het rijk van Eroos (Amor) voor wien Psyche een hevige liefde had opgevat. Amor echter wilde haar treffen met zijn pijlen, opdat zij liefde voor den draak zou gevoelen, verwondt zich echter zelf, zoodat wederliefde voor Psyche in hem zelf daalt. Door Zephyros worden zij dan vereenigd, maar nooit mag Psyche naar Amor’s afkomst vragen, daar deze haar dan zal moeten verlaten. Opgestookt door haar jaloersche zusters, die haar bezoeken en wijsmaken, dat Amor een monster moet zijn, omdat hij zich steeds (ook in den nacht) voor Psyche verbergt, beloert zij Amor ’s nachts bij het schijnsel van een lamp en aanschouwt nu den goddelijk-schoonen Eroos. Door een druppel olie, die hem op den schouder valt, gewekt, ziet Amor de over hem gebogen Psyche, die met opgeheven dolk hem had wilen treffen en hij verlaat haar. Psyche, aan vertwijfeling ten prooi, doolt rond en stort zich in den vloed, om zich het leven te benemen. De golven voeren haar echter naar den anderen oever, waar de natuurgod Pan zich over haar ontfermt. Zij smeekt Aphrodite (Venus) haar weer met Amor te vereenigen. Aphrodite legt haar vele beproevingen op, die zij alle glansrijk doorstaat, op één na, waardoor zij in een doodelijke bedwelming vervalt, uit welke zij door Amor gered wordt, die haar omhoog draagt in den Olympos. Haar beide boosaardige zusters, die ook den berg bestegen hebben, in de hoop eveneens door Zephyros ontvoerd te worden, storten in den afgrond en vallen ten prooi aan den draak.
De mythe van Amor en Psyche spreekt ons van de ontsterfelijkheid der ziel, die slechts verkregen kan worden door de verbinding met Eroos, de goddelijke almacht der liefde, nadat zij eerst door een dwaling deze verloren, maar na loutering door scheiding en smart, opnieuw had teruggewonnen. De lagere eigenschappen der ziel, die niet omgezet kunnen worden, vervallen aan de duistere machten.

In de mythe van Persephone wordt ons geschetst, hoe deze, spelende met haar vriendinnen op een bloeiende weide, plotseling geroofd wordt door den uit de diepte opstijgenden Hades (Pluto), den gocl der onderwereld. Haar moeder Demeter, doolt weeklagend rond, komt in Eleusis bij koning Keleus, wiens zoon zij de onsterfelijkheid wil verleenen, hetgeen door de onbedachtzaamheid der moeder mislukt. Opnieuw doolt Demeter rond, doet onvruchtbaarheid over de aarde komen en brengt daardoor de goden tot wanhoop. Zeus sluit eindelijk een verdrag met Hades, om Persephone weer aan de bovenwereld uit te leveren. Hades geeft haar echter een pit van den granaatappel te eten, waardoor zij steeds naar zijn rijk moet terugkeeren. Afwisselend leeft Persephone sindsdien een gedeelte van het jaar in de lichte bovenwereld en in het rijk der schaduwen. —
In de mythe van Persephone schetst de Griek het lot der menschelijke ziel, die afwisselend moet leven in de duistere onderwereld, gekluisterd aan een stoffelijk lichaam, en in de lichte bovenwereld, door den dood van het lichaam bevrijd. Op zinrijke wijze onthult zich in deze mythe het door vele aardlevens heen voortschrijdende mysterie van de wedergeboorte.

In de mythen van Dionysos eindelijk wordt ons meegedeeld, hoe Dionysos Zagreus (de oudere), de zoon van Zeus en Persephone, reeds vóór zijn geboorte door de jaloezie van Hera wordt achtervolgd, die de Titanen tegen het kind opzet, zoodat deze het in stukken scheuren en verslinden. Alleen het nog kloppende hart wordt door Athena gered en daaruit wordt Dionysos Zagreus voor de tweede maal geboren, nadat het aan Zeus was teruggebracht. De jongere Dionysos is een zoon van Zeus en Semele, een sterfelijke vrouw en ook hij wordt door Hera vervolgd, die zijn moeder Semele aanspoort, Zeus te verzoeken, zich in zijn ware gedaante aan haar te vertoonen. Dit geschiedt en door den vreeselijken aanblik daarvan wordt Semele verbrand en gedood. Zeus redt het kind Dionysos, door het in zijn heup te verbergen, waaruit het dan later eveneens voor de tweede maal geboren wordt. Dionysos wordt opgevoed door de nimfen in de grot van Nysa en eenmaal volwassen, plant hij den wijnstok en brengt den menschen de zegeningen der beschaving. Hij maakt een geweldigen tocht door de wereld, vergezeld door wonderlijke wezens, een tocht, die in voorhistorische tijden door Alexander den Grooten herhaald is. In de talrijke mythen van Dionysos leefde voor de Grieken op, hoe het goddelijke in de wereld was uitgebreid, maar door verbrokkeling door verdeeling ingedaald was in de enkele menschenzielen, om daar te ontsteken het individueele zelfbewustzijn. De wijndienst, de cultus van den wijngeest, dreef het zieleleven in extase naar buiten, waardoor het goddelijke ik kon worden opgenomen. In onzen tijd, nu het zelfbewustzijn verkregen is, heeft de alcohol zijn beteekenis verloren, daar deze hoogstens het eenmaal veroverde zelfbewustzijn weer uit de menschenziel kan verdrijven en voor een vreemden geest doen plaatsmaken. Dionysos zelf, die als geest eerst de aarde omzweefde, is als jongere Dionysos in de aarde zelf afgedaald, is geest der aarde geworden.

Maar de profetie, waarvan Promotheus kennis droeg, en welke Zeus hem wilde ontlokken, werd bij Dionysos vervuld door het intreden van het mysterie van Golgatha, dat te midden van het Grieksche tijdperk plaats vond. Jezus, geboren uit een sterfelijke moeder, nam door den Jordaandoop Christus den zonnegeest in zich op en verleende dezen als eenmalige gebeurtenis op aarde gedurende drie jren een verblijfplaats in een menschelijk lichaam. Bij den kruisdood verlaat Christus de zonnegeest dit lichaam en trekt binnen in het aarde-lichaam, wordt aarde-geest. Dionysos wordt uit de aarde verdreven, stijgt op als kosmisch wezen, dat sindsdien van buitenaf op de menschheid inwerkt. Prometheus, de strevende wilsmensch, kan in de toekomst verlost worden.
Gelukt het den menschen in dezen tijd, binnen te dringen in het ware wezen van het Griekendom, dan kan een ondergang van de tegenwoordige samenleving verhinderd worden. De huidige mensch denkt en gevoelt niet meer direct zooals de Grieken: het denken is abstract en nuchter geworden als bij de Romeinen. Veel van de maatregelen, die in de laatste tijden genomen worden op finantiëel en politiek gebied komen voort uit een denkwijze, die nog geërfd is van de Romeinen. Aan het Romeinsche denken dreigt de moderne samenleving te gronde te gaan. Nieuw leven zou zij kunnen verkrijgen door een dieper begrijpen van wat eenmaal in werkelijkheid zich in het Grieksche zieleleven heeft geopenbaard. Niet een opwarmen van oude Grieksche beschavingsvormen, niet een wederinstelling-van naar den geest toch niet meer begrepen Olympische spelen kan een vernieuwing brengen in het civilisatieleven, maar alleen een denkwijze, een wereldbeschouwing, die aan het levend-Grieksche geschoold is en de samenleving der toekomst zal kunnen doordringen met datgene, waaraan zij het meeste behoefte heeft: met levenden geest.

(Het hier behandelde is ontnomen uit de Kunstgeschiedenis der 11de klasse.)
.

Henri Zagwijn, vrijeschool Den Haag, Ostara 21/22. dec. 1931
.

11e klas: Parzival

5e klas: vertelstof

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas geschiedenis

.

1270

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (2)

.

MARIA-LICHTMIS

Alle grote feesten van het jaar hebben een voorbereidingstijd. Zij duren ook na hun hoogtepunt nog voort en klinken nog lang na. De dag waarop de kersttijd definitief wordt afgesloten is van oudsher een feestdag. Het is Maria-Lichtmis, 2 februari.
Zoals bij zeer veel feesten is dit een oud feest, dat verchristelijkt is. Paus Innocentius III (paus van 1198-1216) zegt in een preek: ‘De heidenen hadden de maand februari toegewijd aan de goden der onderwereld, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin van deze maand Proserpina door Pluto geroofd was. Men geloofde, dat haar moeder Ceres haar heel de nacht had gezocht met brandende fakkels. Ter nagedachtenis hieraan hielden zij in het begin dezer maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd het feest Amburbate (Stadsrondgang) genoemd. Maar omdat onze heilige voorouders deze gewoonte niet helemaal konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter ere van de H.Maagd brandende kaar­sen dragen zou…’
Februari was oorspronke­lijk de laatste maand van het jaar. De naam komt van het Latijnse Februa, dat ‘reinigingsfeest’ betekent. Het was tevens een
verzoeningsfeest.
Lang vóór Christus’ geboorte werd omstreeks deze tijd het feest gevierd van de Aarde-Moeder. Bij de Grieken was dit Dè-Mèter (God-Moeder). Haar functie werd bij de Romeinen overgenomen door Ceres, wier dienst een van de oudste erediensten was die in Rome werden ingevoerd. Ceres was de Italische, vóór-romeinse godin van land- en graanbouw, van beschaving en vruchtbaarheid en van het huwelijk. Zij werd aanbeden als de Moeder der goden, de Magna Mater (Grote Moeder). Zij was de Moeder Aarde, moeder en maagd tegelijk, die zelf geen moeder had gehad en die naast Zeus (Jupiter, God-Vader) zetelde op zijn troon. Vesta (Grieks: Hestia), de godin van de hui­selijke haard, was een van haar aspecten. Haar ronde tempel, waarin door de Vestaalse Maagden het vuur altijd brandend werd gehouden, staat nog aan de voet van de Palatijnse heuvel in Rome. Na de laatste februa­ridag, op 1 maart, mocht het vuur even uit­gaan en vernieuwd worden. De Grote Moeder droeg ook de erenaam Libera (Vrije). En deze naam is identiek aan die van de Germaanse godin van aardekracht en vruchtbaarheid: Freia – het is Vrouw Holle uit de sprookjes. Het is een der drie Moedergodheden der Kelten. Soms een hoge, lichte gestalte, dan weer een oude vrouw, is zij de verbinding tussen aarde en hemel. In het land Hessen zijn zeer veel verhalen, sprookjes en sagen over haar bewaard ge­bleven. Zij is Moeder Aarde. Zij verschijnt in verschillende gedaanten aan de mensen. Zij heerst over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, ontbloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt in haar onderaardse rijk de nog on­geboren zielen. Zij geleidt de gestorvenen vlak na de dood. Zij beloont op strikt recht­vaardige wijze het goede en straft het kwaad.
Het is begrijpelijk, dat Maria, de moeder van Jezus, bij de Christenen de plaats ging inne­men van deze Grote Moeder-Maagd. De gehe­le intense Mariaverering is een verinner­lijking en een realisatie van de verering van deze Moeder van God en Moeder van het Aardeleven, deze Draagster van de Levens­krachten. Sprak niet Christus op het kruis tot haar: ‘Vrouw, ziedaar Uw zoon’? Daarbij duidend op de eerste ingewijde Christen, door Christus zelf ingewijd: de apostel Joannes. En tot Joannes: ‘Ziedaar Uw Moeder’. Vanaf dat ogenblik neemt de wetende Chris­ten Maria als Moeder bij zich op. (Joh. 19:26-27).

Volgens de joodse wet moest een vrouw die gebaard had, 40 dagen na de bevalling een reinigingsoffer brengen in de tempel. Een mannelijke eerstgeborene moest dan aan God worden aangeboden. Dit deden ook, zoals Lukas ons verhaalt (Luk. 2:22-39), Josef en Maria. Zij ontmoetten in de tempel de heilige grijsaard Simeon en de profetes Anna, die spraken en profeteerden over het kind. Nu is 40 dagen na Jezus’ geboorte (25 dec.) de 2de februari, de Amburbate-dag, het begin der reinigingsmaand bij de Romeinen. Zo was deze dag reeds door het lot aangewe­zen om de feestdag van ‘Maria-Zuivering’ te worden.

Op deze dag worden, vóór de Mis, de kaarsen gewijd. Dan volgt een processie (omme­gang), waarbij allen, priesters en gelovigen, een brandende kaars in de hand dragen en ook gedurende de Mis in de hand blijven houden. Vandaar de naam lichtmis. Tijdens de ommegang wordt een prachtig, zeer oud lied gezongen, waarschijnlijk afkomstig uit de oosterse kerk: ‘Adorna…’
De woorden zijn: ‘Versier Uw bruidsvertrek, Sion, en ont­vang Koning Christus. Omvat Maria, die de Deur des Hemels is. Want zij draagt de Koning der openbaring van het Nieuwe Licht. Zij blijft Maagd, aanbrengend met haar handen de Zoon, verwekt vóór Lucifer, waarvan Simeon, Hem ontvangend in zijn ar­men, predikte tot de volkeren, dat Hij de Heer is van leven en dood en de Redder der wereld.’

Een passender metamorfose van een vóór­christelijk feest is nauwelijks denkbaar. En als wij nu weten, dat ook het Germaanse Joelfeest in het begin van februari werd afge­sloten met een feest ter ere van Freia, dan beseffen wij, hoe dit Maria-Lichtfeest zowel de gehele westerse en noordse cultuur­kring als ook de christelijke eredienst omvat.
In vele streken (o.a. Oostenrijk en Noorwe­gen) blijft de kerstboom, de Levensboom, de Lichtboom, volgens traditie tot 2 februari staan. Deze dag heette in onze streken (b.v. in Amsterdam) ‘Vrouwendag’. Op die dag verlieten of wisselden de dienstboden haar dienst. Dit was een der oorzaken van de losbandigheden en verkwistingen, die dan plaats vonden. Daardoor kreeg het werk­woord ‘lichtmissen’ (eig. Lichtmis vieren) de betekenis van uitspatten, losbandig zijn en zo kon een nieuw woord ‘lichtmis’ ontstaan in de betekenis van ‘losbol’. Hierop wijst misschien ook de West-Vlaamse benaming: ‘O.L.Vrouwe-Schud-de-panne.’ Of is dat Vrouw Holle, die de donsdeken uitschudt?
Nu begon ook de tijd van volksspelen en -vermaak. En ook in de volksweerkunde is dit feest vermaard. ‘Op Lichtmis, kun je het licht (kunstlicht) missen.’ ‘Lichtmis donker: de boer een jonker. Lichtmis helder: de boer naar de kelder.’ enz. enz. De dagen zijn merkbaar aan het lengen. De eerste lenteboden kondigen het naderend voorjaar aan. De aarde ontwaakt. Het licht komt terug. Met St.-Maarten, het begin van de voorbereiding op het Kerstfeest, droegen wij ons hartelicht in een knolraap of wortel. In de kerstboom, de Mensen-levens-boom, schitterden al onze lichtjes als één groot Christuslicht te samen. Nu dragen wij de kaars van ons leven, dat zich verteert in de lichtende vlam van ons hart weer opnieuw de wereld in.
Een oud gebruik is het ook, om op deze dag alle kaarsresten brandend op een grote, platte schaal met water te laten drijven. Het water is het symbool van de aardse levenskracht. In de tempel van ons lichaam wordt Christus, het Licht der wereld, binnengedra­gen door de Moeder-Maagd, die de levensziel der aarde is. De aarde is voor ons de Poort des Hemels. Moeder Aarde, die het Nieuwe Licht draagt, het aanbiedt aan God en er door gereinigd wordt, ons lichaam als drager van onze geest, onze ziel als drager van de Christus, de Verlosser der wereld, dat zijn de motieven van dit oeroude feest. Het is de moeite waard, om te midden van alle leugen en bedrog, geweld en losbandigheid in deze schijnbaar tot zinloosheid gedoemde wereld, deze beelden van Moeder Maria, van ver­zoening, reiniging en Licht ons opnieuw voor ogen te stellen en nu, wetend en bewust, aan het eind van de kersttijd te trachten dit feest te vieren. Het zou voor ons en voor onze kinderen een weldaad zijn.

(Henk Sweers, Jonas 11, 28-01-1977)
.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle jaarfeesten

 

.
444-413

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.