Tagarchief: vrouw Holle

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/19)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

VROUW HOLLE

Een weduwe had twee dochters; de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. 

Vrouwelijke gestalten zijn een beeld voor de ziel en voor de wiskrachten van de ziel. Wanneer de levende verbinding met het geestelijk-mannelijke ontbreekt en de ziel op zichzelf is aangewezen, is sprake van een ‘weduwe’. Wanneer deze ‘stief’moeder wordt – het Duitse ‘stiefe’ is ook ‘stijf’, betekent dit dat zij niet meer beschikt over de levende geest, maar materialistisch is geworden. Ze let alleen nog op de zintuiglijke wereld.
Maar iedere ziel is veelzijdig. Uit het oude ontstaan nieuwe wezenlijke krachten, ontwikkelen zich en hebben een doel voor ogen: het zijn de ‘dochters’. 
De ene is meer verwant aan het ‘geest-vaderlijke’: actief, scheppend; de andere, dochter van de stiefmoeder, is passief en lui. En daarom staan ze open voor het edele – schoonheid en voor het onedele – de lelijkheid.

Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vingers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar beneden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het ongeluk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen.

Spinnen is een heel oud beeldwoord voor het denken. Tegenwoordig hebben we het in negatieve zin over bijv. gedachtespinsels; het Duits heeft ‘ausspintisieren’ voor ‘iets denkend zitten uit te broeden’. We hebben het bij iets logisch over ‘het vasthouden van de draad’. En op straat zitten en spinnen betekent het niet meer in een afgesloten plaats de gedachten in stilte koesteren, maar openlijk, in het openbaar op de zintuigwereld richten. Maar daar bevindt zich ook de scheppende diepte, het geheimzinnig opborrelende beleven van de ziel: de bron.
Waar zo intensief gedacht wordt – ‘tot bloedens toe’, moet het gedachtegoed ondergedompeld worden in de ‘reinigende bron’ (de spoel schoonwassen). Maar uiteindelijk is de mens geen meester meer over zijn gedachten, ze vallen weg. 
Want het denken en de inhoud van de gedachten van de ijverige dochter zijn van geestelijke aard en de geest wil ‘de diepte’ in: de spoel zinkt in de bron. 
De stiefmoeder, de vertegenwoordigster van de stoffelijke zintuigwereld, kan niet helpen – in tegendeel – haar hardheid is de aanzet tot nog meer verdieping: de sprong in de diepte moet gewaagd worden. Maar daar geldt wat daarvoor gedacht werd, niet meer: de spoel is verdwenen. Op een ander niveau volgt een nieuw ontwaken.

Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood; het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar.’ Toen ging zij er naar toe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit.

Voor het innerlijke schouwen is ‘de andere kant’ een groen en bloeiend vlakte. Vanuit de ‘ding’wereld van zintuigen is het meisje nu aangekomen in de sfeer waar voortdurende groei is en levende ontwikkeling. Nu worden er eisen aan haar gesteld en wordt ze op de proef gesteld. In de stoffelijke wereld is het brood wel een van de belangrijkste voedingsstoffen voor het lichaam; in de andere wezenlijke wereld gaat het om de belangrijkste voeding voor de ziel en dat is het kennen van de geest. Een christelijke leerregel is: wij zijn op aarde om God te leren kennen. Kennis van de geest is ‘het brood’ voor de ziel.
Haard, oven, bakoven geven in huis warmte. Het warmtepunt in het huis van het lichaam is het hart, in de droom en het sprookje verschijnt dit vaak in hert beeld van de oven. Daar, wil het sprookje zeggen, in het centrum van de innerlijke hartenwarmte heb je dat geest-kennen verkregen, terwijl er aan de andere kant je wezen werd gedacht, gesponnen. Maar nu moet je actief zijn, je wil gebruiken om het weer aan het licht te brengen; 

Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder.

De oude helderziendheid waaruit de sprookjes stammen, zag in de mens het omhooggroeiende ruggenmerg-zenuwsysteem dat op een boom lijkt dit als symbool. Ook daar wordt kennis vergaard, maar andere dan bij het hart. De vrucht van de boom, de appel, is het symbool van de zondeval geworden als de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Die moet nu geplukt worden.

Tenslotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang, kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen, zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’

Zonder twijfel was vrouw Holle ooit een van drie grote moeder-godinnen die sinds het oudste Keltendom vereerd werden. Wellicht is zij de aarde-moeder. In sommige streken zag men haar als een laatste herinnering aan de lieftallige Freia, de schoonste godendochter uit het geslacht van de Wanen, de stralende goden uit de vroege tijd die als vrouw Hulda waakt over de zegeningen van de velden en over de boom die in het rijk staat, die goud en zilver schenkt wanneer je hem schudt.
Later beschouwde men haar als de brengster van het spinnen. Bij de oudere mens ging de activiteit van de hand samen met die van het hoofd, zoals de taal nog toont. Ze werd de beschermster van het spinnen, loofde de ijverigen en strafte de luien.
En toen men haar niet meer zegen brengend door het land zag gaan, zag men haar toch in haar rijk dat wel verduisterd werd voor de blik tot een geheimzinnige grot (Duits Höhle) en men noemde haar vrouw Holle. Wie de drempel overgaat van het nu naar het hiernamaals – en dat gebeurde in oudere tijden vaak – beleefde deze macht van de lotspelingen.

Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen; in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heimwee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Tenslotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje eronder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent geweest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daarop werd de poort gesloten en het meisje bevond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku,
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aankwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het Duits heeft een uitdrukking: ‘Het weer is, zoals de mensen zijn’.
Dat wordt nog wel gebruikt.
Ik ken in het Nederlands geen equivalent. In deze tijd is het vooral opmerkelijk dat mens en klimaat – en dus ook het weer – met elkaar in verband worden gebracht: de mens als veroorzaker van de opwarming van de aarde.
Volgens een oude zienswijze, aldus Lenz, zag men vroeger dat er een direct verband bestond tussen de zielenwereld van de mens en de elementaire processen in de natuur. De zielen die hun lotsopdracht op de juiste manier vervullen en hun beproevingen doorstaan, zoals onze vlijtige dochter, verstoren de harmonie van de natuur niet, maar ze schikken zich erin en werken mee aan het scheppende proces.
Naar het beeld van het sneeuwen kan je nog op andere manier kijken: de zuivere sneeuwkristallen met hun ontelbare sterrenvormen, van boven komend en de aarde met een helder wit kleed bedekkend, kunnen toch wel gezien worden als een gelijkenis voor de edele, zuivere krachten van een hogere wereld? Zeer zeker wil het sprookje er ook op wijzen dat een ziel die de draden van het leven altijd goed spint en voldoende goede gedachten gevormd heeft, meewerkt aan die werkelijkheid. Het woord van vrouw Holle: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt’, laat ons zien dat zij tot de goede machten behoort die zich ontwikkelen. Want het leven op aarde is een scholingsweg voor de hogere wereld, en wat ‘aan de andere kant’ afgerond wordt, werkt door in het leven op aarde. In de overgang van de geestwereld naar de stoffelijke – de jonkvrouw staat onder de poort – wordt haar de rijkdom van de spirituele ervaring en verandering geschonken: het goud van de wijsheid valt op haar neer en dat is wijsheid die je3 niet kan verliezen. Vrouw Holle geeft haar de spoel terug, die met bloed bedekt in de bron was gevallen: met een gereinigd nieuw denken kan nu worden begonnen. Ze wordt bij terugkeer goed ontvangen, want alles van haar komt ten goede aan hem die niet veranderd zijn.
De luie dochter legt zichzelf op wat de ijverige mens in het denken verwerft. Kennis van de geest kan zij niet verkrijgen (geen brood), noch vanuit 
hartekracht die nooit in haar aanwezig waren, noch dat ze goed leert onderscheiden tussen goed en kwaad (geen appels), want zij kende het goede niet. Zij kan zich niet schikken in de orde van de bovenzintuiglijke wereld, want door haar luiheid kon ze dat ook al niet in de stoffelijke wereld. De heerseres van de bovenzintuiglijke wereld moet haar wegsturen. Haar loon is pek. De spoel krijgt ze niet terug. Wie niet gelouterd, niet veranderd het goud van de wijsheid wil afdwingen, maakt zijn wezen duister, verliest de blik op het licht, ze wordt armer dan ze daarvoor was. En deze duisternis blijft.

Het meisje vertelde alles wat haar overkomen was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag hetzelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervolgens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelfde pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde echter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen,’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van Vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had gehoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s ochtends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoorde, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten,’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er, zo lang zij leefde, niet meer af.

Is hier de kraaiende haan die beiden begroet, de verkondiger van de dag en was dit een nachtbeleven? Deze wereld waar onder en boven gelijk zijn, kent ruimte noch tijd; dat beleven we in de droom. Er zijn heel wat verhalen bekend van mensen die meegemaakt hebben dat ze in een elementaire wereld terechtkwamen. Ze zeggen dat ze jarenlang bij de dwergen in dienst waren of zalig genoten bij de elfen en bij wonderbaarlijke woudvrouwen of bij vrouw Holle en voor hun omgeving ging het maar om een paar uur of een dag. Ook dat zou in dit sprookje kunnen.
Maar de mens is én een deel van de mensheid en van de wereld en dan kunnen zich daarin nog veel diepere lotsbeschikkingen spiegelen, lotsbeschikkingen die buiten de tijdspanne van een leven op aarde uitgaan. 
Het binnengaan van een bovenzintuiglijke wereld waarin de ziel de ervaringen opgedaan in het aardse leven duidelijk te zien krijgt en met een soort afrekening te maken krijgt en uiteindelijk een terugkeer naar de zintuigwereld, gezegend met de gevolgen van het afgerekend zijn als zegen of belasting, duiden evenzeer op de reïncarnatie van de mens. 
De kennis van de reïncarnatie van de mens was bij de Keltisch-Germaanse stammen algemeen bekend; Julius Caesar, Diodorus van Sicilië maken er melding van. De Edda, de Germaanse godenleer, spreekt ervan in de Karaliederen. Het weten ervan is niet decadent geworden zoals in het Oosten, waar de reïncarnatie geworden is tot slechts een ‘zielenverhuizing’.
In het Avondland is de gedachte van de reïncarnatie een tijd lang verdwenen, de mens moest zich met al zijn kracht richten op de materiële wereld. In een paar sprookjes zijn er nog echo’s van dit oude weten hoorbaar.
Als we op deze manier naar ons Holle-sprookje kijken, dan verschijnt de haan niet alleen om de dag te verkondigen, hij wordt veel meer nog tot het symbool van het instinctieve Ik. Zijn roep duidt dan voor dit leven op dat dit nieuw ontwaakte Ik en op de voorbestemming van het lot: een met wijsheid begaafde mens te zijn of een pechvogel.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2408

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertentie

VRIJESCHOOL – Vormtekenen – spiraal

.

Het vak vormtekenen is er o.a. om bij de kinderen – meteen in de 1e klas – het gevoel voor ‘oer’vormen verder te ontwikkelen.
In het allereerste uur dat ze in de eerste klas zijn, maken ze kennis met de ‘rechte en de ronde’, vormen waarvan Kepler zei: ‘recht en rond, dat is God’.

Er zijn meer van deze geometrische figuren: cirkel, rechthoek, driehoek enz. die we – volgens Steiner – ‘in ons dragen’.
Ze worden in het vormtekenen meer tot bewustzijn gebracht. Als pure vorm, niet naar analogie van wat er in de uiterlijke wereld op lijkt – of nog anders gezegd – een beeld van is: het gaat om de spiraal op zich, maar in de wereld zie je die o.a. als ‘spiralig’ huis van een slak.

Er is vanuit verschillende invalshoeken over de spiraal gedacht en geschreven.
.

Melly Uyldert:
.

DE SPIRAALGANG van DE ZIEL

Het oerlevens- en wereldbeeld is universeel, het wordt over de gehele wereld, bij alle volken, gevonden. Het ligt op de bodem van elke godsdienst. En het is geen geschiedenis, het is ook heden, al ligt het bij de moderne mens van het westen diep in het onderbewustzijn, van waaruit het soms opstijgt in droombeelden, en in tekeningen, die men zo maakt zonder er bij te denken. Het leeft ook voort in de patronen der kantwerksters en pottenbakkers, het verschijnt op moderne schilderijen, en in de moderne psychologie als archetypen. Want wij leven in een tijd, waarin het bedrieglijke vernis van de beschaving is afgeschilferd en men eeuwen lang gehuichelde denkbeelden heeft laten vallen, om weer eindelijk, naakt en eerlijk, zichzelf te zijn. Van alles ontdaan in oorlog en kampellende is de mens op zijn oergrond teruggevallen en herkent in het leven en in de natuur om zich heen de wetten en ritmen, waaruit ook hij zelf leeft. De emigrant, die de stad uitvlucht en in de wildernis zijn huis bouwt van stammen uit het oerwoud, hervindt daar het ritme van het leven, dat met de seizoenen golft en met de zon op en af gaat en herkent er zijn eigen ritme in van werk en bezinning, geboorte en dood, als een golfslag van levens aan de ene en aan de andere zijde. In de herkenning van de eeuwige waarden staat hij naast zijn voorouders en naast zijn nakomeling in de grote kring en zijn oog gaat open voor de eeuwige waarheid, die men overal ziet opblinken uit het puin van het vergankelijke.

Lang voordat het materialisme zich meester maakte van de westerse mensheid en haar aandacht afsloot voor al wat buiten de jacht naar stoffelijke welvaart en lichamelijk genot ligt – en zelfs vóór de kerstening te vuur en te zwaard in Europa het bewustzijn der mensen afsloot met de muren van kerkelijke dogma’s – beseften onze voorouders hun lot en hun taak als schakel in de eeuwig wentelende samenhang van hemel en aarde. In zielsgerustheid leefden en stierven zij, wetend dat hun ziel op het eiland der schimmen vergaderd zou worden tot die van het voorgeslacht, om eens in de stam terug te keren, als hun dienst daar nodig zou zijn. Wel zou hun ziel na de dood in de onderwereld door Vrouw Holle worden beproefd en loon naar werken van haar ontvangen, maar vandaar uit zou zij het tijdstip afwachten, waarop zij met nieuwe kansen een nieuw leven op aarde zou kunnen beginnen. Men wist, dat dit verblijf in de schimmenwereld de achter-ommegang, de nachtzijde, van een spiraal-boog was, vanwaar de ziel, naar gelang van het nut, uit de levensles getrokken, op een hoger of een lager ommegang weer aan de dag-zijde van de spiraal zou verschijnen.

Deze spiraalgang van de ziel, analoog met de schijnbare spiraalgang der zon, met de beweging van het water in een bergstroom, en met de spiraal die in het slakkenhuis en in het mensenoor door kosmische spiralende trilling ontstaat, beeldde men uit in een lange rij mensen, die om een heuvel heen spiraalgewijs en zingende opklom, op midzomer: de hoogtijdag van de zon! Die heuvels heetten draaibergen of tri-bergen (de naam Driebergen is daar waarschijnlijk van over). Wat bleef daarvan? Het spel: De boom wordt hoe langer hoe dikker! Een lange rij kinderen draait daarbij om de laatste, die stilstaat, heen en wikkelt zo een spiraal om de kern, onder het zingen van: De boom wordt hoe langer hoe dikker! – Daarna wordt de spiraal weer afgewonden, al zingend: De boom wordt hoe langer hoe dunner!

Ook vinden wij die spiraal in de spiraalvormige hinkelbanen, die nog in sommige streken in zwang zijn, en die weer de plattegrond heten te zijn van de oude trojaburchten: dit troja zou samenhangen met troje, troyes en tri, en zo’n burcht werd oudtijds bewoond door wijze mannen of vrouwen, die astrologen, magiërs en in de praktijk geneeskundigen waren. De spiraal was in vertrekken verdeeld (zoals de hinkelbaan in hokken) en de dikke muren maakten de burcht tegen vijandelijke aanvallen bestand. Erom heen liep nog een gracht. Men heeft in Scandinavië de fundamenten van zulke burchten gevonden.

Bij het hinkelspel wordt een scherf in een hok geworpen, telkens één hok verder, door een kind dat vóór het eerste hok, aan de buitenkant, staat. Daarna moet dat kind, van hok tot hok hinkend, de scherf gaan terughalen, zonder op strepen te trappen, want dan is men ’af’ en moet de opgave overdoen, als men weer aan de beurt is, Wat stelt dit voor? Het is de reïncarnatie van de ziel, haar terugkeer in telkens een ander stoffelijk lichaam of ’hok’. Want dit denkbeeld van de zielsverhuizing was bij onze heidense voorouders een vanzelfsprekend weten (het werd door de R.-K. kerk in de vijfde eeuw van de christelijke jaartelling officieel afgeschaft!). Elke keer dat de ziel in de spiraalgang terugkeert, brengt zij haar verworvenheden mee uit het vorige leven, en zo gaat zij voort naar de volmaking. Wie veel wijsheid verworven heeft, valt reeds als kind op, en wordt de gekozen leider van de levenden. Zijn wezen brengt zijn stam heil, omdat hij reeds meer dan de anderen de kern van de spiraal: het geestelijk einddoel, de godstaat, genaderd is! Zo voelde de oer-Europeaan zijn bestemming: van elk leven lerend, toe te nemen in daadkracht en wijsheid, moed en volharding, trouw aan zichzelf en de stamgemeenschap, wier wezen door de enkeling sprak en vervuld werd. Men stierf tevreden: ’t was immers nooit te vroeg of te laat. Eens zou de begeleidende engel (dat hemelse wezen, dat Oerd heette of Anne, en dat werd gezien als een zwaan, ooievaar of eend) de ziel komen afhalen en over de wateren terugvoeren naar diezelfde gemeenschap op aarde, waar hij velen begroeten zou die hij herkende. Om, steeds heen en weer gaande met de zwaan, uiteindelijk het geluk te bereiken, en het verblijf der volkomen vrijen: het einddoel van de ontwikkelingsgang van de ziel.

In het hinkelspel is het hinkelende kind die engel of geleide-vogel, die behoort tot de wereld van de eenheid en daarom op één been zich beweegt! Deze brengt de ziel in haar nieuwe lichaams-tehuis: de scherf in het hok. En dan gaat zij de ziel terughalen bij het sterven, als Skoeld, Holle of Holda, de engel van de stervenden. Het is de eend, die Goudkindje over het water draagt, en Hans en Grietje; het zijn de witte zwanen, die de ziel naar engel-land varen!

Zo zag de oudste bewoner van Europa de weg van de mensen als een spiraal, waarlangs de ziel opklimt naar haar doel, beurtelings onderduikend in de grove materie van de aarde en ontwijkend naar het etherische maan-rijk of de onderwereld van Vrouw Holle, beurtelings in en uit een stoffelijk lichaam, bijgestaan door een on-aardse macht. Hij had geen haast en geen angst – evenmin als de natuur haast kent of angst. Er is enkel ritme en wet. Angst kreeg de mens pas, toen hij gaan moest door het dal van de verduistering: toen zijn vertrouwd een-zijn met de natuur hem ontnomen werd. Toen die eenheid verbroken werd door een tweeledig stelsel van Goed en Kwaad, en zijn gemoed werd benard door de vele plichten jegens de middelaars die men hem aanwees: de kerk en haar heiligen, de geestelijke overheid, die de verschieten van het heelal voor hem afsloot met haar gewichtig middelaarschap, en de ziel in de weg trad, waar zij nog de verbinding zocht met de bevriende natuurwezens en de stemmen van de overzijde. ’Honderd jaren’ moest de mensenziel slapen, als Doornroosje, vereenzaamd binnen de doornhaag van verstandelijke begrippen, terwijl oeroude zeden, gebruiken en spelen de gekristalliseerde zielenwijsheid van de oudheid bewaarden, hardnekkig door kinderen aan kinderen overgegeven, door eeuwen en eeuwen. Ofschoon vaak iets van die oude rijkdom verloren ging, ontglipten ook steeds weer onschuldig uitziende vormen van vermaak en spel aan de algemene verkettering, spot en kritiek. Al golden ze als zinloos of bijgelovig, het onderbewuste gebied van de ziel bleef ze trouw, ook waar het beperkte verstand aan de wanen van de dag moest toegeven. Men voelde: in die zinnebeelden, wier zin voor ons verduisterd is, is ook ons leven en lot vervat; het behoort bij ons, al zien wij niet waarom. En nu is de tijd van de herkenning gekomen, de eenheid van mens en natuur gaat zich herstellen. Doornroosje, de ziel, is ontwaakt en herkent haar bruidegom: de zo lang bewaarde oerwijsheid, die uit het onderbewustzijn is opgestaan en de troon van het denken bestijgen zal.

Behalve in de spiraaldans van de boom, en in het hinkelspel, herkent men de spiraalgang van het menselijk leven in het ganzenbord, waarin de gans weer de geleidevogel der ziel is!

.

Hinkelen

De boom die wordt

Ganzenbord

Kinderspel en jaargetijde

Vormtekenen: alle artikelen

.

2127

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

OP ZOEK NAAR VROUW HOLLES RIJK

Vrouw Holle is een zeer bijzondere vrouw.

Stralend mooi kan zij als “ de hoge witte vrouw” aan de mensen verschijnen, maar ook afschrikkend lelijk; grauw, oud en krom. Haar gestalte kan de ganse hemel vullen, maar ook verschijnt zij in het kleinste hutje op de hei. Zij voedt en laaft de ongeboren kinderen, beschermt de dieren, zegent het gewas en waar haar voet de aarde raakt, bloeien in de zomer de liefelijkste bloemen.
In haar liefde voor de mensen kan zij vol genade schenkend of wijs straffend zijn; het lot  in een mensen leven loopt als een draad door haar hand.
Haar rijk strekt zich eigenlijk over de gehele aarde uit. In Midden-Europa is zij echter het meest door de mensen ervaren; hier zijn de sagen en sprookjes over Vrouw Holle het talrijkst.

Tussen het Harzgebergte in het noorden en het Thuringer woud in het zuiden, in de streek Hessen, verheft zich de Meiszner, de berg  waar Vrouw Holle het liefst verblijft. Hier rust zij uit van haar tochten over de aarde, baadt zij zich in haar vijver, die toegang geeft tot haar onderaardse rijk, waar zij de moeder is van de ongeboren kinderen.

Deze zomer zijn wij op zoek gegaan naar de Meiszner. Het was heet en ver voor een oude Lelijke Eend, volgeladen met kinderen, tent en kampeergerei. Vanuit het groene, vlakke Holland reden wij de heuvels en bergen van Duitsland in, het Westerwoud, kwamen in Marburg, de oude universiteitsstad, waar wij alleen verkoeling vonden in de Elizabethskathedraal. Verder moesten we; met spanning keek ik uit naar de Meiszner en eindelijk op een zondagmiddag zagen wij haar opdoemen, maar hoe anders was ze dan ik mij had voorgesteld! Langgerekt en afgeplat, het hoogste punt wel 750 m hoog; een geweldig heuvelmassief, niet zoals je je in Holland een berg voorstelt. De bergen, voor Zwitsers zullen het heuvels zijn lijkt mij, daar tussen de rivieren de Fulda en de Werra en zuid- oostelijk van Kassel zijn langgerekt en donker.

Ze doemen tegen de horizon op zoals in Holland, tegen de avond langgerekte wolken zich formeren, donker en samen met de aarde, terwijl de lucht daarboven nog licht is. En de grootste van alle is de Meiszner, Vrouw Holles uitverkoren berg.

We reden er langzaam naar boven; het was er druk met zondagsmensen, die kwistig hun ijspapiertjes en lege limonadebekertjes rond strooiden en we merkten dat zondag geen geschikte dag was om de Meiszner te bezoeken.

‘S nachts kwam er een geweldig onweer, dat tussen al die bergen heen en weer gegooid werd en daardoor uren duurde; Vrouw Holles verontwaardiging over al die zondagsdrukte?

Maar gelukkig vonden wij de volgende dag de Blaue Kuppe, een  hoog oprijzende heuvel, middenin een groot breed golvend akkerland. Daar was het stil, daar bloeiden de prachtigste bloemen, daar flitste een salamandertje tussen de stenen en daar vonden we plotseling een alleenstaande kruisbessenstruik, waarvan de takken diep door bogen onder het gewicht van de ontelbare vruchten; had Vrouw Holle die daar neergezet om onze dorst te lessen ?

De Blaue Kuppe is een bijzondere heuvel. Zij is begroeid met naald- en loofbomen; je klimt omhoog en dan opeens sta je aan de rand van een diepte, een geweldige wijde ronde kom en daarin ligt een blok rots, puntig omhoog wijzend, hoger dan een huis. De kinderen renden er om heen en probeerden er tegenop te klauteren.

Lang geleden, zo gaat het verhaal, was Vrouw Holle thuis gekomen van een lange tocht over de aarde. Zij was vermoeid en stoffig van de reis bij de Meiszner aan gekomen en een stekende pijn in haar voet zei haar dat zij een steentje in haar schoen had gekregen.
Zij schreed over de rivier de Werra en zag bij het stadje Eschwege een heuvel, die haar goed als voetenbank kon dienen.
Zij bukte zich, gespte haar gouden schoen los en keerde hem om. Met donderend geweld sloeg daar een rotsblok in de grond. Het ligt er heden ten dage nog en is wijd en zijd bekend als de Blaue Kuppe; het steentje uit vrouw Holle haar schoen.

Ons zoeken naar Vrouw Holles rijk werd in dat zelfde stadje Eschwege bekroond: ik vond daar in een boekwinkeltje het boek wat ik al tijden zocht. “Volkssagen en Sprookjes over Vrouw Holle” van Karl Paetov.  Deze Duitse uitgave is jaren later in het Nederlands vertaald en uitgegeven, naar ik meen, bij Christofoor. Vast nog wel 2e hands te krijgen.

Ybel Pronk – Sluyter, door de auteur op 21-03-2017 aan deze blog ter beschikking gesteld.

 

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1202

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Hier in Nederland kennen wij onder de sprookjes van de ge­broeders Grimm bijna allemaal het verhaal van Vrouw Holle. De oude vrouw, die goedheid en deugd beloont met goud, en onwil en luiheid met zwarte pek bestraft.

In het sprookje wordt zij zeer summier aangeduid – zij had zulke grote tanden dat het meisje er bang van werd. Zij is oud en lelijk, maar als het meisje haar vriendelijke stem hoort, is haar angst verdwenen en inderdaad blijkt Vrouw Holle een zeer goed en rechtvaardig wezen te zijn.
Dit sprookje komt uit Hessen, de streek in midden-Duitsland, ongeveer tussen Frankfurt en Kassel en nu blijkt, dat juist in die streek er veel meer dan dit ene sprookje over Vrouw Holle verteld werd en misschien nog verteld wordt.

In al die sprookjes en sagen,  die door Karl Paetow verza­meld zijn en uitgegeven bij de Bärenreiter Verlag in Kassel, komt Vrouw Holles wezen en gestalte duidelijk naar voren. Langzamerhand gaan wij haar voor ons zien,  een hoge lichte vrouw, die telkens weer op een nieuwe wijze (soms inderdaad ook oud en lelijk) aan de mensen verschijnt, hun deugd belo­nend, hun ondeugd bestraffend. Ook is zij Moeder Aarde,  de heerseres over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid, waar zij uitrust zullen de mooiste bloemen bloeien. Zij hoedt in haar onderaardse rijk de ongeboren zielen en tot haar komen de gestorvenen.
Ook haar naam is wisselend:  Frau Holle of Holda,  Frau Berchta, Frau Frigg.

De tijd waarin zij vooral het mensenland bezoekt is de tijd van de twaalf heilige nachten; dit zijn de nachten te be­ginnen met de kerstnacht tot aan Driekoningen op 6 januari. Driekoningenavond heette zelfs toendertijd in Hessen Berchtesabend.

In deze stille tijd wanneer het oude jaar door deze heilige nachten heen zich vernieuwt tot het volgende jaar, heeft de natuur zich helemaal teruggetrokken, zich verinnerlijkt en ontvangt nieuwe kiemkracht voor de komende lente.
De grote moeder komt en zegent land, boom en dier en de mensen, die van goede wille zijn.

Hier volgt een kleine sage uit het boek van Paetow: ‘Vrouw Holle en de Vlierboom’. In het Duits heet de vlier Holunder Strauch of Hollerbusch, in het Nederlandse woord gaat de overeenkomst van Frau Holle met Holler of Holunder helaas verloren.

 Vrouw Holle en de Vlier

Lang, lang geleden toen Vrouw Holle zich, zoals ieder jaar, op weg begaf om het land van de mensen te bezoeken, gebeur­de het dat zij over een uitgestrekte met sneeuw bedekte heide kwam.

Het was Kerstmis overal,  de tijd van de twaalf heilige nach­ten en  zij luisterde naar het gezoem van de bijen in de holle boom, naar de rustige ademhaling van de dieren,  die hun winterslaap deden. Zij beluisterde de zachte fluisteringen der stenen en het stromen van de sappen in boom en struik. Al het verlangen van de bloemen, die nog in de donkere aar­de sliepen, naar het komende voorjaar, klonk in haar oor. Op die heide stond ook een kale eenzame struik; zijn twijgen kraakten meelijwekkend in de ijzige wind.
Vrouw Holle gaf gehoor aan zijn treurige bede en zij vroeg de struik: “Waarom weeklaag jij zo?”
“O,  grote moeder”, klonk het, “al uw kinderen hebt ge een zin voor hun bestaan meegegeven. De mensen voeden zich met de noten van de hazelaar, zij gebruiken de taaie wilgentenen en zelfs de ruige brem binden zij  ’s winters tot hun bezem. Het vlas hebt ge zijn sterke vezel gegeven en het kleedje van iedere bloem is een lust voor het oog van elke mens. Alleen mij hebt ge glans noch zin meegegeven en zelfs de armste mensen kunnen mijn dorre hout in hun kachel niet sto­ken.”

Deze klacht beroerde het hart van vrouw Holle en zij ant­woordde glimlachend: “Nu dan, omdat jij de mensen zo goed ge­zind bent, wil ik jou zelf je naam geven,  vlierboom (Hollerbusch)  zul je van nu af aan in de mensenmond heten. Daartoe verleen ik je edele eigenschappen, die jou waardevol maken boven alle andere struiken.”

En zij schonk zijn bast genezende kracht, zij sierde hem met sneeuwwitte bloesem en vulde zijn ontelbare bessen met gezondmakend donkerrood sap.

In moeilijke tijden als de mensen bezocht werden door ziekte en nood ontdekten zij spoedig de genezende kracht van de vlierstruik. De struik,  die eens tot niets diende werd ge­plant in tuin en op erf en zijn witte bloesemtrossen sierden in het voorjaar de dorpen en boerderijen.  In de herfst ver­zamelde men zijn bessen en de gebrekkigen werden verlicht door het gezonde sap.

Dit was Vrouw Holles eerste kerstgeschenk aan alle mensen en spoedig ging het gezegde van mond tot mond:

 “Holunder tut Wunder”

Y. Pronk-Sluyter, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken
.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1200

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (1)

.
bron onkekend
.

MARIA-LICHTMIS
.

Achtergronden
De meeste bijzonderheden omtrent Maria worden ons aangereikt in het Lucasevangelie. Daarin wordt verhaald hoe de engel Gabriël haar van Godswege begroet als de begenadigde en haar boodschapt dat zij op maagdelijke wijze moeder zal worden van de Messias, de zoon van de Allerhoogste en de Verlosser van het mensdom. Wanneer Maria de 40ste dag na de geboorte van haar zoon het kind Jezus opdraagt in de tempel, voorspelt Simeon haar dat een zwaard haar ziel zal doorboren. Jozef moet vervolgens met moeder en kind vluchten naar Egypte en vestigt zich nadien weer in Nazareth. Maria vindt haar 12-jarige zoon, die zij verloren had, in de tempel terug.

Tijdens het openbare leven van Jezus verschijnt Maria zelden ten tonele, maar zij staat bij het kruis op Golgotha, waar de stervende Jezus haar aan Johannes toevertrouwt, die haar bij zich opneemt. Zij is bij de apostelen aanwezig wanneer de Heilige Geest over hen neerdaalt.

Beeldende kunst
.
De oudste voorstelling van Maria is te vinden in de catacombe van Priscilla in Rome (2de eeuw). De profeet Jesaja staat voor haar en wijst op een ster. Van de 6de eeuw af wordt Maria steeds met een nimbus (wolkje) afgebeeld. In de romaanse en vroeg-gotische periode wordt Maria voorgesteld als Zetel der Wijsheid. In de latere middeleeuwen overheerst het menselijke beeld van Moeder en Kind. In de late 13de en de hele 14de eeuw heerst een voorkeur voor de kroning van Maria door Christus: de hereniging van de mystieke bruidegom Christus met zijn bruid de Kerk.

7b catacombs nursing

Jonger is het motief van de Piëta of Nood Gods, waarbij Maria het lichaam van de van het kruis afgenomen Christus op haar schoot draagt. Tijdens de contra-reformatie gaat men Maria steeds meer zien als de Vrouw uit de Openbaring, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en met sterren gekroond, die de helse draak, voorgesteld als slang, vertreedt.

Maria wordt in verband gebracht met het Oude Verbond als zij wordt aangeduid als de nieuwe Eva, naast Christus als de nieuwe Adam. Het brandende braambos, Gideons vacht, de gesloten poort, waardoor geen man naar binnen gaat en de bloeiende staf van Aäron gelden als typologieën van haar vrijdom van de erfzonde en haar goddelijke moederschap.

De eenhoorn die zijn toevlucht zoekt in de schoot van een maagd is het beeld van de menswording van Christus in Maria. In samenhang met de rozenkransdevotie ontstaat ook de viering van de zeven vreugden en de zeven smarten van Maria, een motief dat door de kunst wordt overgenomen. Maria is ook de omhullende figuur, bij wie de ongelukkigen troost vinden en beschutting onder haar opengespreide mantel.

Maria-Lichtmis

Maria-Lichtmis wordt gevierd op 2 februari en heet ook wel Opdracht van de Heer in de tempel en ook wel Hypapante: de ontmoeting van Maria en Jezus met Simeon in de tempel.

De naam Lichtmis heeft betrekking op de processie met brandende kaarsen die op die dag gehouden wordt.

Legenden

Over de figuur Maria gaan vele legenden en veel wonderlijke gebeurtenissen worden aan haar voorspraak toegeschreven. De meeste verhalen dateren uit de middeleeuwen. Overbekend is de Beatrijslegende en de legende van Theophilus, die een verbond met de duivel had, maar door Maria werd gered.
Jacob van Maerlant heeft een serie Mariamirakelen gebundeld en zo ook de Fransman Gautier de Coinci in de middeleeuwen en in de 20ste eeuw Gabriël Smit, die zeven Marialegenden publiceerde in versvorm.

Maria-Lichtmis en de vrijeschool

Volgens de Joodse wet moest een vrouw die gebaard had, 40 dagen na de bevalling een reinigingsoffer brengen in de tempel. Ook Jozef en Maria deden dat op 2 februari, 40 dagen na Kerstmis.

Tijdens de plechtigheid in de kerk dragen priester en gelovigen een brandende kaars. In de kringloop gaat de aarde weer ontwaken. Het licht laat zich weer zien, De dagen worden langer en de eerste lenteboden kondigen zich aan. Na een tijd van bezinning en naar binnen gekeerd zijn breekt de tijd aan dat we weer langzaam naar buiten komen. Gereinigd en vol licht gaan we weer op weg. De kersttijd is afgesloten.

Bij de Grieken werd omstreeks dezelfde tijd het feest gevierd van de Aardemoeder: Demeter (Grieks: Godsmoeder).
De Romeinen kenden daar de naam Ceres aan toe. Ceres was de godin van de vruchtbaarheid.
De Germanen noemden deze godin Freia. Het is de Vrouw Holle uit de sprookjes, een van de drie moeder-godheden der Kelten. Soms een lichte, hoge gestalte, dan weer een oude vrouw, is zij de verbinding tussen aarde en hemel. Veel sprookjes, verhalen en sagen zijn over haar bewaard gebleven. Zij is Moeder Aarde en verschijnt in verschillende vormen aan de mensen. Zij heerst over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, ontbloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt in haar onderaardse rijk de nog ongeboren zielen.

Het is begrijpelijk dat Maria, de moeder van Jezus, bij de Christenen de plaats gaat innemen van deze grote Moeder-Maagd.

De gehele, intense Mariaverering is een verinnerlijking en een realisatie van de verering van deze moeder van God en de moeder van het aardeleven, de draagster van levenskrachten.

Een liedje
De vlokken dwarrelen zachtjes neer,
En buiten bloeit de kerstbloem teer,
Vrouw Holle gaat daar heen en weer,
Snorre wieltje, snorre.

De maan gluurt over de wolkenrand,
Wijst haar de weg in het witte land,
Zij kijkt waar nog een lichtje brandt,
Snorre wieltje, snorre.

.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle jaarfeesten

.

443-412

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (2)

.

MARIA-LICHTMIS

Alle grote feesten van het jaar hebben een voorbereidingstijd. Zij duren ook na hun hoogtepunt nog voort en klinken nog lang na. De dag waarop de kersttijd definitief wordt afgesloten is van oudsher een feestdag. Het is Maria-Lichtmis, 2 februari.
Zoals bij zeer veel feesten is dit een oud feest, dat verchristelijkt is. Paus Innocentius III (paus van 1198-1216) zegt in een preek: ‘De heidenen hadden de maand februari toegewijd aan de goden der onderwereld, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin van deze maand Proserpina door Pluto geroofd was. Men geloofde, dat haar moeder Ceres haar heel de nacht had gezocht met brandende fakkels. Ter nagedachtenis hieraan hielden zij in het begin dezer maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd het feest Amburbate (Stadsrondgang) genoemd. Maar omdat onze heilige voorouders deze gewoonte niet helemaal konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter ere van de H.Maagd brandende kaar­sen dragen zou…’
Februari was oorspronke­lijk de laatste maand van het jaar. De naam komt van het Latijnse Februa, dat ‘reinigingsfeest’ betekent. Het was tevens een
verzoeningsfeest.
Lang vóór Christus’ geboorte werd omstreeks deze tijd het feest gevierd van de Aarde-Moeder. Bij de Grieken was dit Dè-Mèter (God-Moeder). Haar functie werd bij de Romeinen overgenomen door Ceres, wier dienst een van de oudste erediensten was die in Rome werden ingevoerd. Ceres was de Italische, vóór-romeinse godin van land- en graanbouw, van beschaving en vruchtbaarheid en van het huwelijk. Zij werd aanbeden als de Moeder der goden, de Magna Mater (Grote Moeder). Zij was de Moeder Aarde, moeder en maagd tegelijk, die zelf geen moeder had gehad en die naast Zeus (Jupiter, God-Vader) zetelde op zijn troon. Vesta (Grieks: Hestia), de godin van de hui­selijke haard, was een van haar aspecten. Haar ronde tempel, waarin door de Vestaalse Maagden het vuur altijd brandend werd gehouden, staat nog aan de voet van de Palatijnse heuvel in Rome. Na de laatste februa­ridag, op 1 maart, mocht het vuur even uit­gaan en vernieuwd worden. De Grote Moeder droeg ook de erenaam Libera (Vrije). En deze naam is identiek aan die van de Germaanse godin van aardekracht en vruchtbaarheid: Freia – het is Vrouw Holle uit de sprookjes. Het is een der drie Moedergodheden der Kelten. Soms een hoge, lichte gestalte, dan weer een oude vrouw, is zij de verbinding tussen aarde en hemel. In het land Hessen zijn zeer veel verhalen, sprookjes en sagen over haar bewaard ge­bleven. Zij is Moeder Aarde. Zij verschijnt in verschillende gedaanten aan de mensen. Zij heerst over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid. Waar zij uitrust, ontbloeien de mooiste bloemen. Zij behoedt in haar onderaardse rijk de nog on­geboren zielen. Zij geleidt de gestorvenen vlak na de dood. Zij beloont op strikt recht­vaardige wijze het goede en straft het kwaad.
Het is begrijpelijk, dat Maria, de moeder van Jezus, bij de Christenen de plaats ging inne­men van deze Grote Moeder-Maagd. De gehe­le intense Mariaverering is een verinner­lijking en een realisatie van de verering van deze Moeder van God en Moeder van het Aardeleven, deze Draagster van de Levens­krachten. Sprak niet Christus op het kruis tot haar: ‘Vrouw, ziedaar Uw zoon’? Daarbij duidend op de eerste ingewijde Christen, door Christus zelf ingewijd: de apostel Joannes. En tot Joannes: ‘Ziedaar Uw Moeder’. Vanaf dat ogenblik neemt de wetende Chris­ten Maria als Moeder bij zich op. (Joh. 19:26-27).

Volgens de joodse wet moest een vrouw die gebaard had, 40 dagen na de bevalling een reinigingsoffer brengen in de tempel. Een mannelijke eerstgeborene moest dan aan God worden aangeboden. Dit deden ook, zoals Lukas ons verhaalt (Luk. 2:22-39), Josef en Maria. Zij ontmoetten in de tempel de heilige grijsaard Simeon en de profetes Anna, die spraken en profeteerden over het kind. Nu is 40 dagen na Jezus’ geboorte (25 dec.) de 2de februari, de Amburbate-dag, het begin der reinigingsmaand bij de Romeinen. Zo was deze dag reeds door het lot aangewe­zen om de feestdag van ‘Maria-Zuivering’ te worden.

Op deze dag worden, vóór de Mis, de kaarsen gewijd. Dan volgt een processie (omme­gang), waarbij allen, priesters en gelovigen, een brandende kaars in de hand dragen en ook gedurende de Mis in de hand blijven houden. Vandaar de naam lichtmis. Tijdens de ommegang wordt een prachtig, zeer oud lied gezongen, waarschijnlijk afkomstig uit de oosterse kerk: ‘Adorna…’
De woorden zijn: ‘Versier Uw bruidsvertrek, Sion, en ont­vang Koning Christus. Omvat Maria, die de Deur des Hemels is. Want zij draagt de Koning der openbaring van het Nieuwe Licht. Zij blijft Maagd, aanbrengend met haar handen de Zoon, verwekt vóór Lucifer, waarvan Simeon, Hem ontvangend in zijn ar­men, predikte tot de volkeren, dat Hij de Heer is van leven en dood en de Redder der wereld.’

Een passender metamorfose van een vóór­christelijk feest is nauwelijks denkbaar. En als wij nu weten, dat ook het Germaanse Joelfeest in het begin van februari werd afge­sloten met een feest ter ere van Freia, dan beseffen wij, hoe dit Maria-Lichtfeest zowel de gehele westerse en noordse cultuur­kring als ook de christelijke eredienst omvat.
In vele streken (o.a. Oostenrijk en Noorwe­gen) blijft de kerstboom, de Levensboom, de Lichtboom, volgens traditie tot 2 februari staan. Deze dag heette in onze streken (b.v. in Amsterdam) ‘Vrouwendag’. Op die dag verlieten of wisselden de dienstboden haar dienst. Dit was een der oorzaken van de losbandigheden en verkwistingen, die dan plaats vonden. Daardoor kreeg het werk­woord ‘lichtmissen’ (eig. Lichtmis vieren) de betekenis van uitspatten, losbandig zijn en zo kon een nieuw woord ‘lichtmis’ ontstaan in de betekenis van ‘losbol’. Hierop wijst misschien ook de West-Vlaamse benaming: ‘O.L.Vrouwe-Schud-de-panne.’ Of is dat Vrouw Holle, die de donsdeken uitschudt?
Nu begon ook de tijd van volksspelen en -vermaak. En ook in de volksweerkunde is dit feest vermaard. ‘Op Lichtmis, kun je het licht (kunstlicht) missen.’ ‘Lichtmis donker: de boer een jonker. Lichtmis helder: de boer naar de kelder.’ enz. enz. De dagen zijn merkbaar aan het lengen. De eerste lenteboden kondigen het naderend voorjaar aan. De aarde ontwaakt. Het licht komt terug. Met St.-Maarten, het begin van de voorbereiding op het Kerstfeest, droegen wij ons hartelicht in een knolraap of wortel. In de kerstboom, de Mensen-levens-boom, schitterden al onze lichtjes als één groot Christuslicht te samen. Nu dragen wij de kaars van ons leven, dat zich verteert in de lichtende vlam van ons hart weer opnieuw de wereld in.
Een oud gebruik is het ook, om op deze dag alle kaarsresten brandend op een grote, platte schaal met water te laten drijven. Het water is het symbool van de aardse levenskracht. In de tempel van ons lichaam wordt Christus, het Licht der wereld, binnengedra­gen door de Moeder-Maagd, die de levensziel der aarde is. De aarde is voor ons de Poort des Hemels. Moeder Aarde, die het Nieuwe Licht draagt, het aanbiedt aan God en er door gereinigd wordt, ons lichaam als drager van onze geest, onze ziel als drager van de Christus, de Verlosser der wereld, dat zijn de motieven van dit oeroude feest. Het is de moeite waard, om te midden van alle leugen en bedrog, geweld en losbandigheid in deze schijnbaar tot zinloosheid gedoemde wereld, deze beelden van Moeder Maria, van ver­zoening, reiniging en Licht ons opnieuw voor ogen te stellen en nu, wetend en bewust, aan het eind van de kersttijd te trachten dit feest te vieren. Het zou voor ons en voor onze kinderen een weldaad zijn.

(Henk Sweers, Jonas 11, 28-01-1977)
.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle jaarfeesten

 

.
444-413

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-1/1)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Een weduwe had twee dochters: de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vin­gers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar be­neden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het onge­luk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen. Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood: het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar’. Toen ging zij ernaartoe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit. Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn alle­maal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder. Ten­ slotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang. kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen. zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’
Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen: in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heim­wee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Ten slotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw ge­diend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje er­onder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent ge­weest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daar­op werd de poort gesloten en het meisje be­vond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku.
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aan­kwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het meisje vertelde alles wat haar overko­men was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag het­zelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken, prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervol­gens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelf­de pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn ap­pels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde ech­ter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had ge­hoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s och­tends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoor­de, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten.’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er zo lang zij leefde, niet meer af.

Vrouw Holle
In de sprookjesbundel van de gebroe­ders Grimm, komt een sprookje voor met de titel Vrouw Holle. Het begint als volgt: ‘Een weduwe had twee doch­ters; de ene was mooi en vlijtig, de an­dere lelijk en lui. Maar zij hield veel meer van de lelijke en luie, omdat die haar eigen dochter was en de andere moest al het werk in huis doen…’

Het sprookje vertelt verder hoe het mooie meisje elke dag aan de weg moet zitten spinnen, zóveel, dat het bloed uit haar vingers springt en ook hoe zij de spoel van bloed wil schoon wassen en hem in de put verliest. Wan­neer zij dit huilend komt vertellen aan haar stiefmoeder, zegt deze onbarm­hartig: ‘Als jij je spoel in de put hebt laten vallen, moet je hem er weer uit­halen ook!’
In haar angst springt het meisje in de put en verliest haar bewustzijn. Wan­neer zij ontwaakt en tot zichzelf komt, is zij in een weide waar de zon schijnt en duizenden bloemen bloeien. Zij gaat op weg en vindt enkele taken op haar pad: een oven met gaar brood en een appelboom met appels. Zij haalt het brood uit de oven en plukt de ap­pels van de boom. Na verloop van tijd komt zij bij het huisje van Vrouw Hol­le.

Nu kan men zich afvragen waar zich dit gebied van Vrouw Holle bevindt. Is het een onderaards rijk, waarin zij te­recht is gekomen? Het meisje is naar beneden gesprongen, de put in en juist als zij in de grootste benauwenis ver­keert en denkt dat er geen uitweg meer is, blijkt er een toegangspoort tot een weide te zijn. De put wordt een poort. Alleen weet het meisje niet hóe zij door de poort gaat, want zij verliest het bewustzijn en wordt ergens anders wakker. Vrouw Holle wordt beschreven als een oude vrouw met grote tanden. Aanvan­kelijk is het meisje bang voor haar, maar zij overwint haar vrees en treedt bij Vrouw Holle in dienst. Zij moet hard werken om het huisje schoon te houden en de dekbedden flink schud­den, zodat de veren in het rond vlie­gen: ‘dan sneeuwt het in de wereld.’
Nu moeten wij wel bewegelijk en soe­pel worden in onze gedachtegang: het rijk dat eerst onderaards leek te zijn, blijkt nu een oord te zijn waar de sneeuwvlokken vandaan komen, die op aarde neerdalen. Het meisje heeft het goed bij Vrouw Holle, maar na een tijdje krijgt zij heimwee en wil zij weer naar huis. Vrouw Holle brengt haar zelf ‘naar boven’, naar een poort en wanneer zij daar doorheen gaat, stroomt er goud over haar heen, dat aan haar blijft kle­ven. Ook krijgt zij van Vrouw Holle haar spoel terug. Zij komt weer op aarde, vlak bij haar eigen huis, bij de put waar nu de haan op de rand zit en haar welkom heet: ‘Kukeleku, onze gouden jonkvrouw zien we nu!’

Dan krijgen we dit hele avontuur nog eens, maar allemaal een beetje anders. Het stiefzusje wordt er nu op uit ge­stuurd om met goud thuis te komen. Zij komt ook bij Vrouw Holle, maar zonder te werken. Je zou kunnen zeg­gen dat zij vals speelt. Zij spint niet, maar prikt zich in de vingers en smeert het bloed aan de spoel. Zij laat de ta­ken van brood en appels ongedaan. Zij kan het niet laten sneeuwen. Toen zij nog bij haar moeder was heeft zij niet gewerkt en bij Vrouw Holle kan ze het niet meer leren. Ten slotte komt ze met pek bedekt weer thuis. In dit deel van het verhaal heerst een onwerkelijke stemming. Alles speelt zich veel sneller af dan de eerste keer, omdat de blik van het meisje steeds gericht is op het resultaat van haar verblijf bij Vrouw Holle. Je zou haar kunnen beschouwen als de schaduw van de eerste tocht, zoals je haar kunt beschouwen als de schaduw van het lichte, gouden meisje. Wij moeten niet denken dat deze zusjes twee verschillende personages zijn. Veeleer zijn zij twee aspecten van de mensenziel, waartoe ook de moeder en de haan behoren.

Maar wie is nu Vrouw Holle? Nu zij wij gelukkig niet alleen op dit sprookje aangewezen om een antwoord te vinden op deze vraag. Er bestaat een bundel sprookjes en sagen, geheel aan Vrouw Holle gewijd en verzameld door Karl Paetow*, waaruit wij een duidelijk beeld kunnen krijgen. Hierin komen wij Vrouw Holle tegen onder verschillende namen, in verschillende gedaanten en werkzaamheden.

(Margreet van der Heijden in ‘Jonas’ nr.11, 25-01-1980)

.

Sprookje nr. 24 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.
Beschrijving van het sprookje in deze uitgave:

24.Vrouw Holle
Frau Holle
Uit Westfalen en Hessen
Grimm geeft in zijn commentaren een hele rij sprookjes die op Vrouw Holle lijken, maar andere avonturen geven vqn het leven onder de bron, één zelfs verwant met Hans en Grietje in het broodhuisje.
Dr. W.C. de Graaf: ‘Geneeskunde door de eeuwen heen’ geeft van de vlier (Du. Hollunder) andere namen: holderterre, holluntaar. Hij noemt het een boom die gewijd is aan Vrouw Holle, godin van de aarde en van leven en dood.
Zij gaf haar naam aan de onderwereld (hel). Haar feest werd gevierd op 2 februari, later Maria Lichtmis.
Door sommigen wordt dit sprookje in verband gebracht met de reïncarnatiegedachte. Vrouw Holle speelt haar rol tussen dood en geboorte, de stiefmoeder heeft de hoofdrol tussen geboorte en dood. Als het sneeuwt zeggen de mensen in Hessen nog: ‘Frau Holle macht ihr Bett.’
Dit sprookje komt voor in de Elzas, Italië (Pentamerone) en Noorwegen.

*Vrouw Holle;  De koningin van de Rosentuin

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

209-198

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (10)

.

CARNAVAL

Toen bij ons thuis in december de doos met kerstversieringen geopend werd, bleek tussen de dingen verdwaald een zwart-fluwelen masker te liggen. Onze kleuters pakten dat meteen en waren in een mum van tijd gehuld in allerhande lappen, kappen en franjes,  liepen blazend, sissend en brullend door het huis, en iedereen, die volgens hun inzicht iets had gedaan, dat niet in de haak was, werd naar hun “hol” gesleept “voor straf”. ’t Ging onstuimig toe onder het mom van het masker: een oer-weten bleek daar om­hoog te komen, van midwinter, van vroeger tijden in onze streken.

In Germaanse landen vierden de mensen, nog vol overgave levend in het na­tuurlijk ritme van het bestaan, midwinter en lentebegin op deze wijze: een wilde dans van maskers en schimmen, reeds aan het begin van de winter hier en daar opduikend, met een eerste bloei in de tijd tussen, winter- ­en jaarkentering (naar onze begrippen zo tussen kerstmis en nieuwjaar en op z!n hoogtepunt in de tijd van het toenemende licht en de ontwakende natuur. De dreigingen van de winternacht en de bevrijding van de winterse verstarring, ondergang en overwinning, dood en leven, dit zijn de achter­gronden van het ontstaan van gebruiken, waarin de mensen, hunkerend naar het veilig lichte, en de spanning van het donker belevend, zich ont-spanden.

In de tijd van maskers en schimmen werden voor een korte tijd de strenge sociale wetten van de groep opgeheven; vooral de ongehuwde jonge mannen, anders strikt gebonden in hun optreden, werden op vele plaatsen de dragers van deze gebruiken (zoals nu nog op sommige Waddeneilanden tijdens ’t  “Sinterom“).

Bij deze “natuurlijke” achtergrond van de feesten kwam nog een heel directe voorstelling, waardoor deze gebruiken misschien pas goed konden worte­len, dat was de dodencultus. De verering van de doden, het geloof in hun door de dood niet te breken werkzame kracht, deze gedachte vinden wij over­al op aarde aanwezig, bij alle volkeren, in alle tijdperken. En altijd is er een tegenstrijdig beleven, aan de ene kant is er de vrees, want de bo­venaardse kennis, de bovenmenselijke macht waarover de doden beschikken, is onpeilbaar voor de mens. Aan de andere kant houden de mensen van de doden: het zijn de voorouders van het eigen leven, aan wie zij alles te dan­ken hebben, en aan wie ook een toekomstig welslagen te danken zal zijn.

Als nu de geesten,  de zielen der doden, in de nachten tussen midwinter en jaarwisseling onder de hoede van vrouw Ferchta, d.i. vrouw Holle, naar het aardse terugkeren om te kijken bij de levenden, waren de mensen werkelijk bereid de berechting door de “wilde Jagd” te aanvaarden, hun straf op zich te nemen, en zo verzoend te worden en gerechtigd verdere zegeningen te ontvangen. Huis en hofstede hadden van onder tot boven in orde te zijn, luiheid werd door vrouw Holle gestraft (je kunt in Noord-Duitsland nog me­nige huisvrouw haar waslijnen voor de Kerstnacht binnen zien halen. Op je vraag hoor je dan: “dat brengt ongeluk voor t nieuwe jaar.’ Jazeker: als vrouw Holle en de haren erin verward mochten raken.) Je mocht geen nieuws­gierigheid naar het wezen buiten tonen; symbolisch vinden wij dat nog te­rug b.v. op Texel en Terschelling, waar in de winternamiddagen de straten door “Sinterklazen” en anderen worden schoongeveegd. Wie zich na bet aanbreken van de avond nog buiten vertoont, kan door de “witte midwintermannen” (gehuld in witte lakens en met een dicht net voor het  gezicht) en de afschuwelijke heks “Rix van t Oerd” op de mesthoop gedragen worden. Op uitnodiging komen deze midwintermannen en hun gevolg graag in huis voor een versnapering: het dodenoffer. (In Finland houdt men op sommige boer­derijen nog vast aan een oud jul-gebruik: in een hoek van de kamer, of in een apart vertrekje, wordt een tafel gedekt met alles wat het boerengezin tijdens dit ‘oogstfeest’ nuttigt – voor de dode zielen. En opdat niemand deze nachtelijke gasten zou horen – ‘dat is onbehoorlijk’ – wordt de kamer dik met stro uitgelegd.)

Deze kosmische en mythische voorstellingen zijn het in wezen, die tijdens deze donkere weken worden na-voltrokken met deze masker-optredingen: mas­ker: dat is het woord “masca” van de Longobarden en betekent oorspronke­lijk het net, waarmee de doden omhuld werden;  later omschreef men de terugkerende “boze” geest zelf met “masca”. Het masker vervreemdde zijn drager van de rest van de groep. Daardoor werd, wat dit maskerwezen deed en zei, des te indringender ervaren en beleefd door deze gemeenschap. (Het kon zelfs gebeuren, dat de beleving van zo’n masker als belichaming van een gestalte uit andere kosmische regionen zo sterk was, dat – nog in de 18e eeuw – iemand, die in de vermomming van het Ferchta-masker overleed, geen christelijke begrafenis kreeg.)

Maar het is niet alleen deze duister-dramatische stroming, die is geworden tot de “dolle dagen” van onze tijd. Er is nog een andere, en die heeft ons naar men aanneemt, de naam van het feest gebracht: carnaval. Een stroming van heel ver, uit het oude Babylonië.

Daar was het ’t feest van de landbouwers, de viering van de komende lente en de terugkerende zon: de zon had haar kracht ingeboet, de natuur was ge­storven – maar nu, met het stijgende licht, werd alles weer herboren. Men dacht het  heelal als een oceaan, waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer; de weg van de jaarlijkse tocht, die door de dierenriem leidde, om te eindigen in een zwart gat, nl. dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Daar was voor de Babyloniërs en Sumeriërs de “Zee van het dode Water”, het rijk van de dood. Deze voorstelling vinden wij beschreven in het Gilgamesj-epos:  de held,  Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek -is op zoek naar onsterfelijk­heid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water,  om te sterven en uit de dood te herrijzen.

Tijdens de lentevieringen werden in Babylonië optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur werden meegevoerd.  Ook het goden­beeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over t wa­ter naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meege­voerd in de stoet langs de hoofdstraat van de stad: zo werd de reis van de zonnegod over de wereldoceaan naar het dodenrijk, aan het langs de weg zich verdringende volk getoond (een eerste schouw—burg).  Boot op wielen of te wel “carrus navalis”. Carnaval.

De Grieken namen deze gebruiken over: bij hen echter was Dionysos de god van het ontluikende leven,  die op de boot werd neergezet, vergezeld door een vrolijke saterschare.  De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd met grote maaltijden,  dans en drinkgelagen. Maar ook hier was het niet  al­leen het feest van de lente,  ook hier een viering ter nagedachtenis van de doden: het leven overwint de dood,  zoals de lente de winter overwint. Ge­leidelijk aan werd het aantal personages op deze “carrus navalis” uitge­breid,  en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling: het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over.  (Onze praalwagens van het bloemencorso, in Babylonië hebben zij hun oorsprong).

Toen de Romeinen Germaans gebied introkken en de eerste steden stichtten, bv. Keulen, maakten ook de gebruiken van hun lenteviering hier hun entree. En hier begon “ons” carnaval: Germaanse schimmen en maskers met hun strak en straffend optreden versmolten, of bestonden naast het uitbundige lentevieren uit verre landen.

Carnaval is niets voor ons noorderlingen? Toch vieren wij nog een klein restje carnaval, als wij op oudejaarsavond naar Wim Kan luisteren, naar zijn schertsend of bijtend relativeren van het dagelijks gebeuren. En als wij, rond de jaarwisseling, een lijstje met goede voornemens schetsen, dan zijn wij, als onze voorvaderen, in gevecht met het boze duister, ver­langen naar licht en helderheid. Onze tijd heeft een ander licht zien ver­schijnen, dat zijn boodschap van verlossing en verzoening uitstraalt boven ons bestaan: het licht van het kerstgebeuren.

Carnaval – we mogen het best een beetje meebeleven met onze kinderen, dit heidens-heilige feest, ter nagedachtenis aan ons verleden.

(zie ook: “Carnaval”  door Boris Raptschinsky;
en “Ons eigen volk in het feestelijk jaar” van D.J. van der Ven)

 E.Eshuis-Schütt, schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool in febrauri, jaar onbekend.
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

86-83

.