Tagarchief: vrouw Holle

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

OP ZOEK NAAR VROUW HOLLES RIJK

Vrouw Holle is een zeer bijzondere vrouw.

Stralend mooi kan zij als “ de hoge witte vrouw” aan de mensen verschijnen, maar ook afschrikkend lelijk; grauw, oud en krom. Haar gestalte kan de ganse hemel vullen, maar ook verschijnt zij in het kleinste hutje op de hei. Zij voedt en laaft de ongeboren kinderen, beschermt de dieren, zegent het gewas en waar haar voet de aarde raakt, bloeien in de zomer de liefelijkste bloemen.
In haar liefde voor de mensen kan zij vol genade schenkend of wijs straffend zijn; het lot  in een mensen leven loopt als een draad door haar hand.
Haar rijk strekt zich eigenlijk over de gehele aarde uit. In Midden-Europa is zij echter het meest door de mensen ervaren; hier zijn de sagen en sprookjes over Vrouw Holle het talrijkst.

Tussen het Harzgebergte in het noorden en het Thuringer woud in het zuiden, in de streek Hessen, verheft zich de Meiszner, de berg  waar Vrouw Holle het liefst verblijft. Hier rust zij uit van haar tochten over de aarde, baadt zij zich in haar vijver, die toegang geeft tot haar onderaardse rijk, waar zij de moeder is van de ongeboren kinderen.

Deze zomer zijn wij op zoek gegaan naar de Meiszner. Het was heet en ver voor een oude Lelijke Eend, volgeladen met kinderen, tent en kampeergerei. Vanuit het groene, vlakke Holland reden wij de heuvels en bergen van Duitsland in, het Westerwoud, kwamen in Marburg, de oude universiteitsstad, waar wij alleen verkoeling vonden in de Elizabethskathedraal. Verder moesten we; met spanning keek ik uit naar de Meiszner en eindelijk op een zondagmiddag zagen wij haar opdoemen, maar hoe anders was ze dan ik mij had voorgesteld! Langgerekt en afgeplat, het hoogste punt wel 750 m hoog; een geweldig heuvelmassief, niet zoals je je in Holland een berg voorstelt. De bergen, voor Zwitsers zullen het heuvels zijn lijkt mij, daar tussen de rivieren de Fulda en de Werra en zuid- oostelijk van Kassel zijn langgerekt en donker.

Ze doemen tegen de horizon op zoals in Holland, tegen de avond langgerekte wolken zich formeren, donker en samen met de aarde, terwijl de lucht daarboven nog licht is. En de grootste van alle is de Meiszner, Vrouw Holles uitverkoren berg.

We reden er langzaam naar boven; het was er druk met zondagsmensen, die kwistig hun ijspapiertjes en lege limonadebekertjes rond strooiden en we merkten dat zondag geen geschikte dag was om de Meiszner te bezoeken.

‘S nachts kwam er een geweldig onweer, dat tussen al die bergen heen en weer gegooid werd en daardoor uren duurde; Vrouw Holles verontwaardiging over al die zondagsdrukte?

Maar gelukkig vonden wij de volgende dag de Blaue Kuppe, een  hoog oprijzende heuvel, middenin een groot breed golvend akkerland. Daar was het stil, daar bloeiden de prachtigste bloemen, daar flitste een salamandertje tussen de stenen en daar vonden we plotseling een alleenstaande kruisbessenstruik, waarvan de takken diep door bogen onder het gewicht van de ontelbare vruchten; had Vrouw Holle die daar neergezet om onze dorst te lessen ?

De Blaue Kuppe is een bijzondere heuvel. Zij is begroeid met naald- en loofbomen; je klimt omhoog en dan opeens sta je aan de rand van een diepte, een geweldige wijde ronde kom en daarin ligt een blok rots, puntig omhoog wijzend, hoger dan een huis. De kinderen renden er om heen en probeerden er tegenop te klauteren.

Lang geleden, zo gaat het verhaal, was Vrouw Holle thuis gekomen van een lange tocht over de aarde. Zij was vermoeid en stoffig van de reis bij de Meiszner aan gekomen en een stekende pijn in haar voet zei haar dat zij een steentje in haar schoen had gekregen.
Zij schreed over de rivier de Werra en zag bij het stadje Eschwege een heuvel, die haar goed als voetenbank kon dienen.
Zij bukte zich, gespte haar gouden schoen los en keerde hem om. Met donderend geweld sloeg daar een rotsblok in de grond. Het ligt er heden ten dage nog en is wijd en zijd bekend als de Blaue Kuppe; het steentje uit vrouw Holle haar schoen.

Ons zoeken naar Vrouw Holles rijk werd in dat zelfde stadje Eschwege bekroond: ik vond daar in een boekwinkeltje het boek wat ik al tijden zocht. “Volkssagen en Sprookjes over Vrouw Holle” van Karl Paetov.  Deze Duitse uitgave is jaren later in het Nederlands vertaald en uitgegeven, naar ik meen, bij Christofoor. Vast nog wel 2e hands te krijgen.

Ybel Pronk – Sluyter, door de auteur op 21-03-2017 aan deze blog ter beschikking gesteld.

 

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1202

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Hier in Nederland kennen wij onder de sprookjes van de ge­broeders Grimm bijna allemaal het verhaal van Vrouw Holle. De oude vrouw, die goedheid en deugd beloont met goud, en onwil en luiheid met zwarte pek bestraft.

In het sprookje wordt zij zeer summier aangeduid – zij had zulke grote tanden dat het meisje er bang van werd. Zij is oud en lelijk, maar als het meisje haar vriendelijke stem hoort, is haar angst verdwenen en inderdaad blijkt Vrouw Holle een zeer goed en rechtvaardig wezen te zijn.
Dit sprookje komt uit Hessen, de streek in midden-Duitsland, ongeveer tussen Frankfurt en Kassel en nu blijkt, dat juist in die streek er veel meer dan dit ene sprookje over Vrouw Holle verteld werd en misschien nog verteld wordt.

In al die sprookjes en sagen,  die door Karl Paetow verza­meld zijn en uitgegeven bij de Bärenreiter Verlag in Kassel, komt Vrouw Holles wezen en gestalte duidelijk naar voren. Langzamerhand gaan wij haar voor ons zien,  een hoge lichte vrouw, die telkens weer op een nieuwe wijze (soms inderdaad ook oud en lelijk) aan de mensen verschijnt, hun deugd belo­nend, hun ondeugd bestraffend. Ook is zij Moeder Aarde,  de heerseres over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid, waar zij uitrust zullen de mooiste bloemen bloeien. Zij hoedt in haar onderaardse rijk de ongeboren zielen en tot haar komen de gestorvenen.
Ook haar naam is wisselend:  Frau Holle of Holda,  Frau Berchta, Frau Frigg.

De tijd waarin zij vooral het mensenland bezoekt is de tijd van de twaalf heilige nachten; dit zijn de nachten te be­ginnen met de kerstnacht tot aan Driekoningen op 6 januari. Driekoningenavond heette zelfs toendertijd in Hessen Berchtesabend.

In deze stille tijd wanneer het oude jaar door deze heilige nachten heen zich vernieuwt tot het volgende jaar, heeft de natuur zich helemaal teruggetrokken, zich verinnerlijkt en ontvangt nieuwe kiemkracht voor de komende lente.
De grote moeder komt en zegent land, boom en dier en de mensen, die van goede wille zijn.

Hier volgt een kleine sage uit het boek van Paetow: ‘Vrouw Holle en de Vlierboom’. In het Duits heet de vlier Holunder Strauch of Hollerbusch, in het Nederlandse woord gaat de overeenkomst van Frau Holle met Holler of Holunder helaas verloren.

 Vrouw Holle en de Vlier

Lang, lang geleden toen Vrouw Holle zich, zoals ieder jaar, op weg begaf om het land van de mensen te bezoeken, gebeur­de het dat zij over een uitgestrekte met sneeuw bedekte heide kwam.

Het was Kerstmis overal,  de tijd van de twaalf heilige nach­ten en  zij luisterde naar het gezoem van de bijen in de holle boom, naar de rustige ademhaling van de dieren,  die hun winterslaap deden. Zij beluisterde de zachte fluisteringen der stenen en het stromen van de sappen in boom en struik. Al het verlangen van de bloemen, die nog in de donkere aar­de sliepen, naar het komende voorjaar, klonk in haar oor. Op die heide stond ook een kale eenzame struik; zijn twijgen kraakten meelijwekkend in de ijzige wind.
Vrouw Holle gaf gehoor aan zijn treurige bede en zij vroeg de struik: “Waarom weeklaag jij zo?”
“O,  grote moeder”, klonk het, “al uw kinderen hebt ge een zin voor hun bestaan meegegeven. De mensen voeden zich met de noten van de hazelaar, zij gebruiken de taaie wilgentenen en zelfs de ruige brem binden zij  ’s winters tot hun bezem. Het vlas hebt ge zijn sterke vezel gegeven en het kleedje van iedere bloem is een lust voor het oog van elke mens. Alleen mij hebt ge glans noch zin meegegeven en zelfs de armste mensen kunnen mijn dorre hout in hun kachel niet sto­ken.”

Deze klacht beroerde het hart van vrouw Holle en zij ant­woordde glimlachend: “Nu dan, omdat jij de mensen zo goed ge­zind bent, wil ik jou zelf je naam geven,  vlierboom (Hollerbusch)  zul je van nu af aan in de mensenmond heten. Daartoe verleen ik je edele eigenschappen, die jou waardevol maken boven alle andere struiken.”

En zij schonk zijn bast genezende kracht, zij sierde hem met sneeuwwitte bloesem en vulde zijn ontelbare bessen met gezondmakend donkerrood sap.

In moeilijke tijden als de mensen bezocht werden door ziekte en nood ontdekten zij spoedig de genezende kracht van de vlierstruik. De struik,  die eens tot niets diende werd ge­plant in tuin en op erf en zijn witte bloesemtrossen sierden in het voorjaar de dorpen en boerderijen.  In de herfst ver­zamelde men zijn bessen en de gebrekkigen werden verlicht door het gezonde sap.

Dit was Vrouw Holles eerste kerstgeschenk aan alle mensen en spoedig ging het gezegde van mond tot mond:

 “Holunder tut Wunder”

Y. Pronk-Sluyter, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken
.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1200

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-1/1)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Een weduwe had twee dochters: de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vin­gers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar be­neden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het onge­luk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen. Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood: het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar’. Toen ging zij ernaartoe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit. Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn alle­maal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder. Ten­ slotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang. kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen. zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’
Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen: in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heim­wee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Ten slotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw ge­diend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje er­onder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent ge­weest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daar­op werd de poort gesloten en het meisje be­vond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku.
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aan­kwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het meisje vertelde alles wat haar overko­men was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag het­zelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken, prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervol­gens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelf­de pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn ap­pels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde ech­ter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had ge­hoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s och­tends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoor­de, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten.’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er zo lang zij leefde, niet meer af.

Vrouw Holle
In de sprookjesbundel van de gebroe­ders Grimm, komt een sprookje voor met de titel Vrouw Holle. Het begint als volgt: ‘Een weduwe had twee doch­ters; de ene was mooi en vlijtig, de an­dere lelijk en lui. Maar zij hield veel meer van de lelijke en luie, omdat die haar eigen dochter was en de andere moest al het werk in huis doen…’

Het sprookje vertelt verder hoe het mooie meisje elke dag aan de weg moet zitten spinnen, zóveel, dat het bloed uit haar vingers springt en ook hoe zij de spoel van bloed wil schoon wassen en hem in de put verliest. Wan­neer zij dit huilend komt vertellen aan haar stiefmoeder, zegt deze onbarm­hartig: ‘Als jij je spoel in de put hebt laten vallen, moet je hem er weer uit­halen ook!’
In haar angst springt het meisje in de put en verliest haar bewustzijn. Wan­neer zij ontwaakt en tot zichzelf komt, is zij in een weide waar de zon schijnt en duizenden bloemen bloeien. Zij gaat op weg en vindt enkele taken op haar pad: een oven met gaar brood en een appelboom met appels. Zij haalt het brood uit de oven en plukt de ap­pels van de boom. Na verloop van tijd komt zij bij het huisje van Vrouw Hol­le.

Nu kan men zich afvragen waar zich dit gebied van Vrouw Holle bevindt. Is het een onderaards rijk, waarin zij te­recht is gekomen? Het meisje is naar beneden gesprongen, de put in en juist als zij in de grootste benauwenis ver­keert en denkt dat er geen uitweg meer is, blijkt er een toegangspoort tot een weide te zijn. De put wordt een poort. Alleen weet het meisje niet hóe zij door de poort gaat, want zij verliest het bewustzijn en wordt ergens anders wakker. Vrouw Holle wordt beschreven als een oude vrouw met grote tanden. Aanvan­kelijk is het meisje bang voor haar, maar zij overwint haar vrees en treedt bij Vrouw Holle in dienst. Zij moet hard werken om het huisje schoon te houden en de dekbedden flink schud­den, zodat de veren in het rond vlie­gen: ‘dan sneeuwt het in de wereld.’
Nu moeten wij wel bewegelijk en soe­pel worden in onze gedachtegang: het rijk dat eerst onderaards leek te zijn, blijkt nu een oord te zijn waar de sneeuwvlokken vandaan komen, die op aarde neerdalen. Het meisje heeft het goed bij Vrouw Holle, maar na een tijdje krijgt zij heimwee en wil zij weer naar huis. Vrouw Holle brengt haar zelf ‘naar boven’, naar een poort en wanneer zij daar doorheen gaat, stroomt er goud over haar heen, dat aan haar blijft kle­ven. Ook krijgt zij van Vrouw Holle haar spoel terug. Zij komt weer op aarde, vlak bij haar eigen huis, bij de put waar nu de haan op de rand zit en haar welkom heet: ‘Kukeleku, onze gouden jonkvrouw zien we nu!’

Dan krijgen we dit hele avontuur nog eens, maar allemaal een beetje anders. Het stiefzusje wordt er nu op uit ge­stuurd om met goud thuis te komen. Zij komt ook bij Vrouw Holle, maar zonder te werken. Je zou kunnen zeg­gen dat zij vals speelt. Zij spint niet, maar prikt zich in de vingers en smeert het bloed aan de spoel. Zij laat de ta­ken van brood en appels ongedaan. Zij kan het niet laten sneeuwen. Toen zij nog bij haar moeder was heeft zij niet gewerkt en bij Vrouw Holle kan ze het niet meer leren. Ten slotte komt ze met pek bedekt weer thuis. In dit deel van het verhaal heerst een onwerkelijke stemming. Alles speelt zich veel sneller af dan de eerste keer, omdat de blik van het meisje steeds gericht is op het resultaat van haar verblijf bij Vrouw Holle. Je zou haar kunnen beschouwen als de schaduw van de eerste tocht, zoals je haar kunt beschouwen als de schaduw van het lichte, gouden meisje. Wij moeten niet denken dat deze zusjes twee verschillende personages zijn. Veeleer zijn zij twee aspecten van de mensenziel, waartoe ook de moeder en de haan behoren.

Maar wie is nu Vrouw Holle? Nu zij wij gelukkig niet alleen op dit sprookje aangewezen om een antwoord te vinden op deze vraag. Er bestaat een bundel sprookjes en sagen, geheel aan Vrouw Holle gewijd en verzameld door Karl Paetow*, waaruit wij een duidelijk beeld kunnen krijgen. Hierin komen wij Vrouw Holle tegen onder verschillende namen, in verschillende gedaanten en werkzaamheden.

(Margreet van der Heijden in ‘Jonas’ nr.11, 25-01-1980)

.

Sprookje nr. 24 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.
Beschrijving van het sprookje in deze uitgave:

24.Vrouw Holle
Frau Holle
Uit Westfalen en Hessen
Grimm geeft in zijn commentaren een hele rij sprookjes die op Vrouw Holle lijken, maar andere avonturen geven vqn het leven onder de bron, één zelfs verwant met Hans en Grietje in het broodhuisje.
Dr. W.C. de Graaf: ‘Geneeskunde door de eeuwen heen’ geeft van de vlier (Du. Hollunder) andere namen: holderterre, holluntaar. Hij noemt het een boom die gewijd is aan Vrouw Holle, godin van de aarde en van leven en dood.
Zij gaf haar naam aan de onderwereld (hel). Haar feest werd gevierd op 2 februari, later Maria Lichtmis.
Door sommigen wordt dit sprookje in verband gebracht met de reïncarnatiegedachte. Vrouw Holle speelt haar rol tussen dood en geboorte, de stiefmoeder heeft de hoofdrol tussen geboorte en dood. Als het sneeuwt zeggen de mensen in Hessen nog: ‘Frau Holle macht ihr Bett.’
Dit sprookje komt voor in de Elzas, Italië (Pentamerone) en Noorwegen.

*Vrouw Holle;  De koningin van de Rosentuin

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

209-198

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (10)

.

Carnaval

Toen bij ons thuis in december de doos met kerstversieringen geopend werd, bleek tussen de dingen verdwaald een zwart-fluwelen masker te liggen. Onze kleuters pakten dat meteen en waren in een mum van tijd gehuld in allerhande lappen, kappen en franjes,  liepen blazend, sissend en brullend door het huis, en iedereen, die volgens hun inzicht iets had gedaan, dat niet in de haak was, werd naar hun “hol” gesleept “voor straf”. ’t Ging onstuimig toe onder het mom van het masker: een oer-weten bleek daar om­hoog te komen, van midwinter, van vroeger tijden in onze streken.

In Germaanse landen vierden de mensen, nog vol overgave levend in het na­tuurlijk ritme van het bestaan, midwinter en lentebegin op deze wijze: een wilde dans van maskers en schimmen, reeds aan het begin van de winter hier en daar opduikend, met een eerste bloei in de tijd tussen, winter- ­en jaarkentering (naar onze begrippen zo tussen kerstmis en nieuwjaar en op z!n hoogtepunt in de tijd van het toenemende licht en de ontwakende natuur. De dreigingen van de winternacht en de bevrijding van de winterse verstarring, ondergang en overwinning, dood en leven, dit zijn de achter­gronden van het ontstaan van gebruiken, waarin de mensen, hunkerend naar het veilig lichte, en de spanning van het donker belevend, zich ont-spanden.

In de tijd van maskers en schimmen werden voor een korte tijd de strenge sociale wetten van de groep opgeheven; vooral de ongehuwde jonge mannen, anders strikt gebonden in hun optreden, werden op vele plaatsen de dragers van deze gebruiken (zoals nu nog op sommige Waddeneilanden tijdens ’t  “Sinterom“).

Bij deze “natuurlijke” achtergrond van de feesten kwam nog een heel directe voorstelling, waardoor deze gebruiken misschien pas goed konden worte­len, dat was de dodencultus. De verering van de doden, het geloof in hun door de dood niet te breken werkzame kracht, deze gedachte vinden wij over­al op aarde aanwezig, bij alle volkeren, in alle tijdperken. En altijd is er een tegenstrijdig beleven, aan de ene kant is er de vrees, want de bo­venaardse kennis, de bovenmenselijke macht waarover de doden beschikken, is onpeilbaar voor de mens. Aan de andere kant houden de mensen van de doden: het zijn de voorouders van het eigen leven, aan wie zij alles te dan­ken hebben, en aan wie ook een toekomstig welslagen te danken zal zijn.

Als nu de geesten,  de zielen der doden, in de nachten tussen midwinter en jaarwisseling onder de hoede van vrouw Ferchta, d.i. vrouw Holle, naar het aardse terugkeren om te kijken bij de levenden, waren de mensen werkelijk bereid de berechting door de “wilde Jagd” te aanvaarden, hun straf op zich te nemen, en zo verzoend te worden en gerechtigd verdere zegeningen te ontvangen. Huis en hofstede hadden van onder tot boven in orde te zijn, luiheid werd door vrouw Holle gestraft (je kunt in Noord-Duitsland nog me­nige huisvrouw haar waslijnen voor de Kerstnacht binnen zien halen. Op je vraag hoor je dan: “dat brengt ongeluk voor t nieuwe jaar.’ Jazeker: als vrouw Holle en de haren erin verward mochten raken.) Je mocht geen nieuws­gierigheid naar het wezen buiten tonen; symbolisch vinden wij dat nog te­rug b.v. op Texel en Terschelling, waar in de winternamiddagen de straten door “Sinterklazen” en anderen worden schoongeveegd. Wie zich na bet aanbreken van de avond nog buiten vertoont, kan door de “witte midwintermannen” (gehuld in witte lakens en met een dicht net voor het  gezicht) en de afschuwelijke heks “Rix van t Oerd” op de mesthoop gedragen worden. Op uitnodiging komen deze midwintermannen en hun gevolg graag in huis voor een versnapering: het dodenoffer. (In Finland houdt men op sommige boer­derijen nog vast aan een oud jul-gebruik: in een hoek van de kamer, of in een apart vertrekje, wordt een tafel gedekt met alles wat het boerengezin tijdens dit ‘oogstfeest’ nuttigt – voor de dode zielen. En opdat niemand deze nachtelijke gasten zou horen – ‘dat is onbehoorlijk’ – wordt de kamer dik met stro uitgelegd.)

Deze kosmische en mythische voorstellingen zijn het in wezen, die tijdens deze donkere weken worden na-voltrokken met deze masker-optredingen: mas­ker: dat is het woord “masca” van de Longobarden en betekent oorspronke­lijk het net, waarmee de doden omhuld werden;  later omschreef men de terugkerende “boze” geest zelf met “masca”. Het masker vervreemdde zijn drager van de rest van de groep. Daardoor werd, wat dit maskerwezen deed en zei, des te indringender ervaren en beleefd door deze gemeenschap. (Het kon zelfs gebeuren, dat de beleving van zo’n masker als belichaming van een gestalte uit andere kosmische regionen zo sterk was, dat – nog in de 18e eeuw – iemand, die in de vermomming van het Ferchta-masker overleed, geen christelijke begrafenis kreeg.)

Maar het is niet alleen deze duister-dramatische stroming, die is geworden tot de “dolle dagen” van onze tijd. Er is nog een andere, en die heeft ons naar men aanneemt, de naam van het feest gebracht: carnaval. Een stroming van heel ver, uit het oude Babylonië.

Daar was het ’t feest van de landbouwers, de viering van de komende lente en de terugkerende zon: de zon had haar kracht ingeboet, de natuur was ge­storven – maar nu, met het stijgende licht, werd alles weer herboren. Men dacht het  heelal als een oceaan, waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer; de weg van de jaarlijkse tocht, die door de dierenriem leidde, om te eindigen in een zwart gat, nl. dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Daar was voor de Babyloniërs en Sumeriërs de “Zee van het dode Water”, het rijk van de dood. Deze voorstelling vinden wij beschreven in het Gilgamesj-epos:  de held,  Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek -is op zoek naar onsterfelijk­heid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water,  om te sterven en uit de dood te herrijzen.

Tijdens de lentevieringen werden in Babylonië optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur werden meegevoerd.  Ook het goden­beeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over t wa­ter naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meege­voerd in de stoet langs de hoofdstraat van de stad: zo werd de reis van de zonnegod over de wereldoceaan naar het dodenrijk, aan het langs de weg zich verdringende volk getoond (een eerste schouw—burg).  Boot op wielen of te wel “carrus navalis”. Carnaval.

De Grieken namen deze gebruiken over: bij hen echter was Dionysos de god van het ontluikende leven,  die op de boot werd neergezet, vergezeld door een vrolijke saterschare.  De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd met grote maaltijden,  dans en drinkgelagen. Maar ook hier was het niet  al­leen het feest van de lente,  ook hier een viering ter nagedachtenis van de doden: het leven overwint de dood,  zoals de lente de winter overwint. Ge­leidelijk aan werd het aantal personages op deze “carrus navalis” uitge­breid,  en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling: het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over.  (Onze praalwagens van het bloemencorso, in Babylonië hebben zij hun oorsprong).

Toen de Romeinen Germaans gebied introkken en de eerste steden stichtten, bv. Keulen, maakten ook de gebruiken van hun lenteviering hier hun entree. En hier begon “ons” carnaval: Germaanse schimmen en maskers met hun strak en straffend optreden versmolten, of bestonden naast het uitbundige lentevieren uit verre landen.

Carnaval is niets voor ons noorderlingen? Toch vieren wij nog een klein restje carnaval, als wij op oudejaarsavond naar Wim Kan luisteren, naar zijn schertsend of bijtend relativeren van het dagelijks gebeuren. En als wij, rond de jaarwisseling, een lijstje met goede voornemens schetsen, dan zijn wij, als onze voorvaderen, in gevecht met het boze duister, ver­langen naar licht en helderheid. Onze tijd heeft een ander licht zien ver­schijnen, dat zijn boodschap van verlossing en verzoening uitstraalt boven ons bestaan: het licht van het kerstgebeuren.

Carnaval – we mogen het best een beetje meebeleven met onze kinderen, dit heidens-heilige feest, ter nagedachtenis aan ons verleden.

(zie ook: “Carnaval”  door Boris Raptschinsky;
en “Ons eigen volk in het feestelijk jaar” van D.J. van der Ven)

 E.Eshuis-Schütt, schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool in febrauri, jaar onbekend.
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

86-83

.