Tagarchief: Dionysos

VRIJESCHOOL – 11e klas – kunstgeschiedenis

.

Hieronder weer een artikel ‘uit de oude doos’. (1931)

Kunstgeschiedenis in klas 11. 
Tevens vele namen van Griekse goden en godinnen die ook de 5e-klasleraar gebruikt in zijn verhalen Griekse mytholgie. 
In zijn artikel ‘Het leerplan is de mens‘ beschrijft Willem Veltman o.a. de spiegeling van van de klassen met hun leerplan. Zo is de 11e klas in zekere zin een spiegeling van de 5e! Voor plantkunde beschrijft Paul Veltman deze spiegeling.

Of er nu nog gewerkt wordt met deze gezichtspunten weet ik niet. De exameneisen hebben veel veranderingen teweeggebracht. 

In de oorspronkelijke spelling:

WELKE BETEEKENIS KAN HET OUDE GRIEKENDOM VOOR ONZEN TIJD HEBBEN?

Toen Kallimachos, de groote Grieksche beeldhouwer, die leefde en werkte gedurende het laatste deel der 5de eeuw vóór Chr,, langs het graf van een pas gestorven meisje ging, zag hij daar onverwacht het aetherische wezen dezer jonkvrouw boven het graf zweven en zich vereenigen met wat als zonnekrachten uit den kosmos de aarde tegemoetstraalde. De innerlijke ontroering, die Kallimachos aangreep bij het zien van die verschijning, inspireerde hem tot de schepping van het Korinthisch zuilenkapiteel.
Vitruvius, de groote Romeinsche bouwmeester, die omstreeks den aanvang onzer jaartelling werkte onder Julius Caesar en Augustus, vermeldt in zijn groote werk over de architectuur der oudheid het bovenstaande als anecdote, spreekt echter niet over de aetherische verschijning, maar zegt, dat het Korinthisch zuilenkapiteel van Kallimachos dc nabootsing is van een korfje, dat omwonden met akanthusbladercn, stond op het graf van de overleden jonkvrouw.

Deze „korf”hypothese heeft zich voortgezet tot op onze dagen, zoodat algemeen nog aangenomen wordt, dat het Korinthisch zuilenkapiteel een werkelijke nabootsing is van de op deze wijze samengebonden akanthusbladercn. Dit moge een kleine vingerwijzing zijn, hoe „Romeinsch” de moderne mensch vaak nog denkt en hoe weinig hij werkelijk toegang kan vinden tot het wezen van het Griekendom.

De tegenstelling Kallimachos-Vitruvius kan leerrijk worden tot het verkrijgen van inzicht in de verhoudingen van het Romeinsche tot het Grieksche volk. De oude Griek had nog een beeldend, aanschouwend denken, waarbij hem de gedachten op een onmiddellijk waarneembare wijze uit de dingen der wereld zelf tegemoetstroomden, zooals dit bij den modernen mensch nog gebeurt met de waarneming van kleuren en tonen door oog en oor, in het kort door het zintuiglijk waarnemen. De Griek bewoog zich nog in de levend-waargenomen gedachte. —- De Romenin denkt nuchter, abstract, heeft eigenlijk een bewustzijn, dat in wezen overeenkomt met dat van den modernen mensch. Voor den Romein is het bovenzinnelijke nog slechts in de abstractie te beleven, niet in de onmiddellijke waarneming.

Het levend-onmiddellijk waargenomen denken der Grieken spiegelt zich in hun geheele beschavingsleven, in hun kunst, hun philosophie, niet het minst echter in hun grandioos-uitgebeelde mythologie. Hun theogonie en kosmogonie schildert het ontstaan van goden en werelden op aanschouwbare wijze. Eroos, de scheppende almacht der liefde, speelt hierin een groote rol. Door zijn toedoen wordt uit Gaea, de Almoeder der aarde, Oeranos, de Alvader van den Hemel geboren. Uit de latere verbinding van Gaea en Oeranos ontstaan de groote goden-generaties. Kronos (Saturnus), de drager van het warmte-element ontneemt zijn vader Oeranos de heerschappij. Het zonnestelsel ontstaat. Op zijn beurt wordt Kronos verdrongen door een uit het huwelijk met Rhea ontsprongen zoon Zeus (Jupiter), den drager van het door den aether doordrongen lucht-element. Zeus, ofschoon gehuwd met de koele, jaloersche Hera, de draagster van het reine lucht-element, verbindt zich bovendien met vele andere goddelijke en sterfelijke vrouwen, waaruit de verdere ontwikkeling van mensch en wereld te voorschijn komt.

Verwarrend kan het voor het moderne intellectualistische denken zijn, wanneer in de Grieksche mythen sprake is van verschillende aardegoden en -godinnen (Gaea, Hades, Demeter, Dionysos, Tartaros). Voor de Grieken echter was de aarde niet het doode, uitsluitend materiëele lichaam, zooals zij voor den modernen mensch geworden is. Voor de Grieken was de aarde tevens een levend, een bezield en een geestelijk wezen, Gaea, de oer-moeder der aarde, vertegenwoordigt het lichaam, Hades (Pluto) het leven, dat de aarde doorstroomt, Demeter (Ceres) is de ziel der aarde, waarin het algemeene bewustzijn leeft, dat omspannend en omvattend is en waaruit Persephone, het menschelijk bewustzijn, geboren kan worden. Maar nog is dit alles niet doordrongen van een centralen geest, die het mogelijk maakt, dat het algemeene bewustzijnsleven geconcentreerd wordt tot een zelfbewustzijn. Dezen centralen geest vereeren de Grieken in Dionysos, die eerst als Dionysos Zagreus (de oudere) de aarde omzweeft, daarna verbrokkelt en in enkele menschen als zelfbewustzijn wedergeboren wordt en zich in den jongeren Dionysos als de met de aarde zelf verbonden geest openbaart. De Tartaros eindelijk is het binnenste der aarde, waarin de duistere tegenkrachten, de donkere Titanen heerschen en zelfs het leven op aarde kunnen bedreigen.

Bij de Grieken is nog een levende samenhang tusschen mensch en wereld en deze samenhang was doordrongen van wezenachtigheid. Het menschelijk lichaam, dat drager van het leven is, werd geschonken door Hades (Pluto), den geest, die ook de aarde met leven doordringt. De menschelijke wilskracht is hieraan gebonden. Poseidoon (Neptunus), de god van het water, der zeeën en stroomen, schonk ook in den mensch den levensstroom met het daaraan verbonden gevoelsleven. Zeus (Jupiter), de god der aetherische luchten, gaf den mensch de levende ziel met het daaraan verbonden denk-vermogen. Dionysos als drager van de aldoordringende warmte, maakt het den menschen mogelijk hun zielefuncties van denken, voelen en willen door de kracht der liefde op te voeren tot hoogere eenheid en harmonie.

De ontwikkelingsgang van het menschenwezen zelf schildert het Griekendom in zijn groote, zelf-ontworpen of overgeleverde mythen. In machtige beelden geven deze mythen gebeurtenissen weer, die zich in een bovenzinnelijke werkelijkheid hebben afgespeeid.

In de mythe van Prometheus wordt geschilderd, hoe deze, zelf een zoon uit het geslacht der Titanen, in opstand komt tegen Zeus, omdat deze het overmoedig geworden menschengeslacht wil verderven. Prometheus wordt hun redder, doordat hij hun beschaving in kunsten en wetenschappen, maar vooral het gebruik van het vuur leert kennen, dat hij uit den hemel steelt en in een hollen koker op aarde brengt. Langs een omweg tracht Zeus nu zijn doel te bereiken: hij zendt een door Hephaistos ( Vulcanus) gesmede vrouwenfiguur, die hij zelf het leven heeft ingeblazen, tot Prometheus. Deze vrouw, Pandora geheeten, omdat alle goden haar hun gaven geschonken hebben, moet met Prometheus huwen. Deze echter (de „voor’ denker) loopt niet in den val, maar zijn broeder Epimetheus’ (de „na” denker) neemt haar tot vrouw. Zij opent een haar door de goden geschonken doos, waaruit nu alle plagen en kwalen over het geleisterde menschdom komen. Door snel de doos te sluiten, voorkomt Pandora erger, alleen de hoop blijft op den bodem achter. Prometheus wordt door Zeus aan een rots van den Kaukasus geboeid met door Hephaistos geklonken ketens en iederen dag knaagt een adelaar hem den lever af, die ’s nachts weer aangroeit. Herakles komt op een zijner tochten langs den Kaukasus en doodt met zijn pijlen den adelaar, nadat eerst de Kentaur Chiron zich geofferd heeft, door zich in de plaats van Prometheus aan de rots te laten kluisteren. Zeus was het er om te doen, een geheim dat Prometheus kende aan dezen te ontlokken: n.l. dat eenmaal de macht van Zeus overwonnen zou worden door een uit een sterfelijke jonkvrouw geboren godheid.
— Niet moeilijk is het, den dieperen zin dezer mythe te vatten: In Prometheus is uitgedrukt de door de wilskracht der Titanen aan het stoffelijke lichaam gekluisterde ziel, die alle smarten moet leeren kennen van het gebonden zijn aan de vergankelijkheid der materie, en waarvan het hoogere zijn door de lagere hartstochten voortdurend wordt afgeknaagd, om in het nachtleven opnieuw aan te groeien. Het nuchtere verstand (Epimetheus) brengt plagen en lasten, omdat het geen inzicht meer heeft in het eeuwige en alleen de hoop overblijft, dat eenmaal dit inzicht kan terugkeeren. Dit kan geschieden, als het lagere in den mensch door het hoogere overwonnen is en de materie geen oppermacht over de menschen meer kan uitoefenen,

In de mythe van Amor en Psyche wordt ons verteld, hoe Psyche, de jongste van drie koningsdochters, niet kan huwen, omdat ieder voor haar buitengewone schoonheid terugdeinst. Haar vader, de koning, raadpleegt het orakel, dat hem aanraadt, Psyche te voeren op een hoogen berg en haar daar uit te huwen aan een draak. In een groote processie wordt Psyche, gehuld in een doodskleed, op den top van den berg geleid, maar daar wordt zij door Zephyros, den westenwind, ontvoerd en gebracht in het rijk van Eroos (Amor) voor wien Psyche een hevige liefde had opgevat. Amor echter wilde haar treffen met zijn pijlen, opdat zij liefde voor den draak zou gevoelen, verwondt zich echter zelf, zoodat wederliefde voor Psyche in hem zelf daalt. Door Zephyros worden zij dan vereenigd, maar nooit mag Psyche naar Amor’s afkomst vragen, daar deze haar dan zal moeten verlaten. Opgestookt door haar jaloersche zusters, die haar bezoeken en wijsmaken, dat Amor een monster moet zijn, omdat hij zich steeds (ook in den nacht) voor Psyche verbergt, beloert zij Amor ’s nachts bij het schijnsel van een lamp en aanschouwt nu den goddelijk-schoonen Eroos. Door een druppel olie, die hem op den schouder valt, gewekt, ziet Amor de over hem gebogen Psyche, die met opgeheven dolk hem had wilen treffen en hij verlaat haar. Psyche, aan vertwijfeling ten prooi, doolt rond en stort zich in den vloed, om zich het leven te benemen. De golven voeren haar echter naar den anderen oever, waar de natuurgod Pan zich over haar ontfermt. Zij smeekt Aphrodite (Venus) haar weer met Amor te vereenigen. Aphrodite legt haar vele beproevingen op, die zij alle glansrijk doorstaat, op één na, waardoor zij in een doodelijke bedwelming vervalt, uit welke zij door Amor gered wordt, die haar omhoog draagt in den Olympos. Haar beide boosaardige zusters, die ook den berg bestegen hebben, in de hoop eveneens door Zephyros ontvoerd te worden, storten in den afgrond en vallen ten prooi aan den draak.
De mythe van Amor en Psyche spreekt ons van de ontsterfelijkheid der ziel, die slechts verkregen kan worden door de verbinding met Eroos, de goddelijke almacht der liefde, nadat zij eerst door een dwaling deze verloren, maar na loutering door scheiding en smart, opnieuw had teruggewonnen. De lagere eigenschappen der ziel, die niet omgezet kunnen worden, vervallen aan de duistere machten.

In de mythe van Persephone wordt ons geschetst, hoe deze, spelende met haar vriendinnen op een bloeiende weide, plotseling geroofd wordt door den uit de diepte opstijgenden Hades (Pluto), den gocl der onderwereld. Haar moeder Demeter, doolt weeklagend rond, komt in Eleusis bij koning Keleus, wiens zoon zij de onsterfelijkheid wil verleenen, hetgeen door de onbedachtzaamheid der moeder mislukt. Opnieuw doolt Demeter rond, doet onvruchtbaarheid over de aarde komen en brengt daardoor de goden tot wanhoop. Zeus sluit eindelijk een verdrag met Hades, om Persephone weer aan de bovenwereld uit te leveren. Hades geeft haar echter een pit van den granaatappel te eten, waardoor zij steeds naar zijn rijk moet terugkeeren. Afwisselend leeft Persephone sindsdien een gedeelte van het jaar in de lichte bovenwereld en in het rijk der schaduwen. —
In de mythe van Persephone schetst de Griek het lot der menschelijke ziel, die afwisselend moet leven in de duistere onderwereld, gekluisterd aan een stoffelijk lichaam, en in de lichte bovenwereld, door den dood van het lichaam bevrijd. Op zinrijke wijze onthult zich in deze mythe het door vele aardlevens heen voortschrijdende mysterie van de wedergeboorte.

In de mythen van Dionysos eindelijk wordt ons meegedeeld, hoe Dionysos Zagreus (de oudere), de zoon van Zeus en Persephone, reeds vóór zijn geboorte door de jaloezie van Hera wordt achtervolgd, die de Titanen tegen het kind opzet, zoodat deze het in stukken scheuren en verslinden. Alleen het nog kloppende hart wordt door Athena gered en daaruit wordt Dionysos Zagreus voor de tweede maal geboren, nadat het aan Zeus was teruggebracht. De jongere Dionysos is een zoon van Zeus en Semele, een sterfelijke vrouw en ook hij wordt door Hera vervolgd, die zijn moeder Semele aanspoort, Zeus te verzoeken, zich in zijn ware gedaante aan haar te vertoonen. Dit geschiedt en door den vreeselijken aanblik daarvan wordt Semele verbrand en gedood. Zeus redt het kind Dionysos, door het in zijn heup te verbergen, waaruit het dan later eveneens voor de tweede maal geboren wordt. Dionysos wordt opgevoed door de nimfen in de grot van Nysa en eenmaal volwassen, plant hij den wijnstok en brengt den menschen de zegeningen der beschaving. Hij maakt een geweldigen tocht door de wereld, vergezeld door wonderlijke wezens, een tocht, die in voorhistorische tijden door Alexander den Grooten herhaald is. In de talrijke mythen van Dionysos leefde voor de Grieken op, hoe het goddelijke in de wereld was uitgebreid, maar door verbrokkeling door verdeeling ingedaald was in de enkele menschenzielen, om daar te ontsteken het individueele zelfbewustzijn. De wijndienst, de cultus van den wijngeest, dreef het zieleleven in extase naar buiten, waardoor het goddelijke ik kon worden opgenomen. In onzen tijd, nu het zelfbewustzijn verkregen is, heeft de alcohol zijn beteekenis verloren, daar deze hoogstens het eenmaal veroverde zelfbewustzijn weer uit de menschenziel kan verdrijven en voor een vreemden geest doen plaatsmaken. Dionysos zelf, die als geest eerst de aarde omzweefde, is als jongere Dionysos in de aarde zelf afgedaald, is geest der aarde geworden.

Maar de profetie, waarvan Promotheus kennis droeg, en welke Zeus hem wilde ontlokken, werd bij Dionysos vervuld door het intreden van het mysterie van Golgatha, dat te midden van het Grieksche tijdperk plaats vond. Jezus, geboren uit een sterfelijke moeder, nam door den Jordaandoop Christus den zonnegeest in zich op en verleende dezen als eenmalige gebeurtenis op aarde gedurende drie jren een verblijfplaats in een menschelijk lichaam. Bij den kruisdood verlaat Christus de zonnegeest dit lichaam en trekt binnen in het aarde-lichaam, wordt aarde-geest. Dionysos wordt uit de aarde verdreven, stijgt op als kosmisch wezen, dat sindsdien van buitenaf op de menschheid inwerkt. Prometheus, de strevende wilsmensch, kan in de toekomst verlost worden.
Gelukt het den menschen in dezen tijd, binnen te dringen in het ware wezen van het Griekendom, dan kan een ondergang van de tegenwoordige samenleving verhinderd worden. De huidige mensch denkt en gevoelt niet meer direct zooals de Grieken: het denken is abstract en nuchter geworden als bij de Romeinen. Veel van de maatregelen, die in de laatste tijden genomen worden op finantiëel en politiek gebied komen voort uit een denkwijze, die nog geërfd is van de Romeinen. Aan het Romeinsche denken dreigt de moderne samenleving te gronde te gaan. Nieuw leven zou zij kunnen verkrijgen door een dieper begrijpen van wat eenmaal in werkelijkheid zich in het Grieksche zieleleven heeft geopenbaard. Niet een opwarmen van oude Grieksche beschavingsvormen, niet een wederinstelling-van naar den geest toch niet meer begrepen Olympische spelen kan een vernieuwing brengen in het civilisatieleven, maar alleen een denkwijze, een wereldbeschouwing, die aan het levend-Grieksche geschoold is en de samenleving der toekomst zal kunnen doordringen met datgene, waaraan zij het meeste behoefte heeft: met levenden geest.

(Het hier behandelde is ontnomen uit de Kunstgeschiedenis der 11de klasse.)
.

Henri Zagwijn, vrijeschool Den Haag, Ostara 21/22. dec. 1931
.

11e klas: Parzival

5e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas geschiedenis

.

1270

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (14)

.

CARNAVAL

Als ik aan dit stukje begin te schrijven zit ik op een luw plekje in de tuin, met de smeltende sneeuw nog om me heen. De zonnewarmte is weldadig en de vermoeidheid van een schoolweek valt geleidelijk van me af. Iets van de lente zit al in de lucht. De sfeer van de winterfeesten Advent, Kerstmis, Driekoningen is aan het vervagen.

Het eerstvolgende feest is carnaval. De naam carnaval heeft waarschijnlijk te maken met het lentefeest uit het oude Babylonië. Daar dacht men het heelal als een oceaan waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer. De weg leidde door de dierenriem en eindigde in een zwart gat, namelijk dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Hier bevond zich de ‘Zee van het dode Water”, het rijk van de dood.
Deze voorstelling vinden we ook beschreven in het Gilgamesj-epos: de held Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek – is op zoek naar onsterfelijkheid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water, om daar te sterven en uit de dood te herrijzen. Tijdens de lentefeesten werden in Babyloniê optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur, werden meegevoerd. Ook het godenbeeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over het water naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meegevoerd in de stoet langs de hoofdstraat, ten teken dat de zon uit de ‘Zee van het dode Water’ was herrezen.  (Boot op wielen – carrus navalis : carnaval.)

Bij de Grieken werd Dionysos, de god van het ontluikende leven, op dezelfde wijze in een optocht meegevoerd, vergezeld door een vrolijke saterschare. De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd, met grote maaltijden, dans en drinkgelagen. Ook hier werd gevierd dat het leven de dood overwint, zoals de lente de winter overwint.

Geleidelijk werd het aantal personages op deze ‘carrus navalis’ uitgebreid, en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling : het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over. (Vergelijk bij ons ook de praalwagens van het bloemencorso.)

Het verkleden en vermommen was aanvankelijk het naar buiten tonen van krachten die in de mens werkzaam zijn. Zo kwam men tot de uitbeelding van duivels, monsters, dieren, reuzen e.d. Hiermee hangt samen het “belang van het afleggen van het masker”: het demasqué, dit wil zeggen de mens wil niet langer een rol spelen maar met zichzelf te voorschijn komen.

De katholieken gingen het carnaval vieren voorafgaande aan de vastentijd;  een tijd die een beroep deed op zelfdiscipline, werd voorafgegaan door enkele dagen waar allerlei sociale normen werden losgelaten. Het naar buiten laten komen van een stuk van zichzelf is (was) hierbij wel aan de orde, maar de bewustwording hiervan niet of nauwelijks.

De vastentijd is bij de katholieken op de achtergrond geraakt. De bisschoppelijke vastenaktie, een geldinzameling voor allerlei goede doelen, is nog een laatste overblijfsel. Merkwaardig dat het belang van lichamelijk vasten : het zich onthouden van bepaalde spijzen en dranken, buiten de kerken weer in de belangstelling komt. Vasten krijgt hier weer de betekenis van reiniging (denk aan het gebruik van berkenthee, brandnetelthee, juist in het voorjaar). Een reiniging die van belang is om de opstandingskrachten in onszelf de volle kans te geven.
.

Uit een schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool, februari, nadere gegevens onbekend.

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

90-87

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (4)

.

CARNAVAL EEUWENOUD?.

Als we terug willen gaan naar de oorsprong van het carnaval kunnen we starten op het moment dat car­naval een plaats krijgt in het christendom en in het kerkelijk jaar, maar we kunnen ook beginnen bij de oude culturen waarvan de gebruiken door het kerkelijk gezag zo verfoeid werden.

De feesten die rond de carnavalstijd gegeven werden, hadden als kern het uitbeelden van het ster­ven en herrijzen van de natuur. In de oude culturen waren dit feesten rondom de jaarwisseling. Jaarwis­seling in februari?

De verklaring hiervoor ligt voor de hand; kijken we naar de maanden van het jaar, dan zien we dat we vooruit lopen:

september wil zeggen 7e maand en is nu de 9e.
oktober wil zeggen 8e maand en is nu de 10e.
november wil zeggen 9e maand en is nu de 11e.
december wil zeggen 10e maand en is nu de 12e.
Oorspronkelijk waren januari en februari de 11e en de 12e maand.  Het was Julius Caesar die de nieuw­jaarsdatum naar 1 januari verschoof.

Kijken we naar de oude culturen, dan spreken we dus over de feesten rondom de jaarwisseling.

Mesopotamië
Al in 2600 v .C. werd een nieuwjaars­feest gevierd, waarin iedereen gelijk was aan elkaar  en zelfs slaven voor een dag meesters waren over hun meesters.
Elk jaar werd de koning op een pronkschip op wielen door de feestende massa naar de tempel getrokken. De oergedachte van dit feest was dat de godheid zou sterven voor de zonden van het volk. De koning die de godheid uitbeeldde, moest dan ook sterven aan het einde van de dag.

Om die reden moest er elk jaar een nieuwe koning komen. Dat bleek uiteindelijk niet echt praktisch en daarom werd de plaats van de koning op deze dag ingenomen door een misdadiger, die tot koning gekroond werd. Dit ging zo ver dat hij, behalve dat hij op het einde van de dag moest sterven, ook een dag over de harem van de koning beschikken mocht.

Egypte
De legende gaat, dat Keb (de aardgod), Nut (de vrouw van de zonnegod Ra) verleidde. Ra ver­vloekte haar en zei: ‘Nog geen dag in het jaar zult gij kinderen baren!
Toth vond hier wat op en versloeg de maangodin tijdens een damspel en eiste 5 extra dagen bij het jaar op, (dat bestond toen nog uit 360 dagen.) In deze 5 dagen kon Nut kinderen baren en voor de Egyptenaren werden deze dagen er 5, waarin niet gewerkt hoefde te worden en alle serieuze zaken vergeten konden worden.

Griekenland
Tussen de winterzonnewende  (21 dec.) en de dag- en nacht- evening (21 maart.) werd er een groot wagenschip rond getrokken door de steden. Dit schip werd gevolgd door de god Dionysos. Deze optocht was bedoeld om vruchtbaarheid van de goden te vragen en de boze geesten te verjagen. Dit gebeurde met veel kabaal en angstaanjagende maskers.

Romeinse rijk
De Romeinen vierden 7 dagen feest. In deze dagen werden de slaven vrijgelaten en werd een schijnkoning benoemd. Deze schijnkoning stond hetzelfde lot te wachten als de Mesopotamische koningen.
Hij die de boon in de koek kreeg, had het geluk of de pech om tot koning gekroond te worden.
De koning werd begeleid door mensen, verkleed in wolfsvellen om ook weer al het kwade te verdrijven, zodat het nieuwe jaar “schoon” begonnen kon worden.

Germanen
De Germanen vierden het jul-of joelfeest; het feest van de geboorte van de zon. Hierbij werd een beeld van de god Frey op een schip op wielen voortgetrokken, begeleid door mannen, verkleed als vrouwen of dieren.
Op het schip werd het huwelijk tussen Frey en een priesteres nagebootst, dit als een uitnodiging voor de goden om ook deel te nemen aan het feest.

In het huidige carnaval vinden we nog veel terug van de oude gebruiken:

– Het benoemen van een prins of vorst
– De praalwagens
– Iedereen is gelijk
– Geboorte en sterven  =  Zondeschuld.

De christelijke kerk heeft lang geleden geprobeerd deze gewoonten uit te bannen, maar ondanks alle verboden en straffen, die gegeven werden voor deze feesten, ging het volk er gewoon mee door. De enige oplossing was om het feest te kerstenen.

Het woord carnaval ontstond: carrus navalis-scheepswagen.

Waarom nou een schip?

Alles is omgekeerd met carnaval: dus het schip ging niet te water, maar over land.

Rond carnaval ontstonden verenigingennarrengezel­schappen die we nu nog terug vinden in de carnavals­verenigingen.

Vooral in West-Europa werd carnaval gevierd.  Het feest heeft zich verbreid door kolonialisatie en emigratie. In Nederland vinden we het carnavalsfeest vooral terug onder de grote rivieren; dit komt door de invloed van Luther en Calvijn in het noorden van ons land, die het feest verfoeiden. Ook in Gelderland werd het feest verboden, in 1597.
Toch probeerden mensen stiekem het feest te vieren. Toen het-veel later,-door beter vervoer mogelijk was om het feest in andere plaatsen mee te vieren, kwam het carnavalsfeest enigszins terug in Gelderland. In Nijmegen is in 1948 weer een openbare viering geweest, georganiseerd door de Blauwe Schuit; een vereniging die nu nog bestaat. Deze viering was nog heel voorzichtig maar in 1952 kwam de optocht weer terug en daarmee het echte carnavalsfeest.

(Artikel uit een schoolkrant. Plaats en datum onbekend.
Jiska van Rijn. Oud-leerling,PABO-student.
Bronnen: Carnaval in Nederland en België. Alaaf,Spectrum boek.)

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

 

80-77

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (1)

.

CARNAVAL ONTMASKERD

Het was in de kersttijd. Ik was in de keuken bezig de avondmaaltijd voor te bereiden. In de kamer waren de kinderen aan het knutselen met papier en karton. De afgelopen dagen hadden ze vele malen gedeelten van het kerstge­beuren gespeeld, geheel volgens eigen versie en regie. Plotseling vloog de deur open en er sprongen twee gestal­ten naar binnen. Het waren de twee oudste dochters van 9 en 10, met grijnzende duvelsmaskers. Ze dans­ten met sluipende slangbewegingen om mij heen, stootten enkele oergeluiden uit en verdwenen toen weer even geluidloos en vlug als ze gekomen waren. Ietwat verbijsterd stelde ik vast dat deze vertoning een nabootsing moest zijn van de ‘duvel van de echte-lien’ uit het Oberufer Paradijsspel, dat door de leraren van de Vrije School elk jaar voor de kinderen wordt opge­voerd. Naast alle lichte gestalten van het kerstspel wilde het donker ook zijn plaats!

Sacrale oorsprong
Wat is een masker? Het is een gezicht dat het eigen gezicht verbergt. Het is de strakke onbewogenheid van een vastgelegde gelaatsuitdrukking, die de beweeglijkheid van het levende men­sengelaat bedekt. Op mysterieplaatsen, bij rituele dansen, bij heilige handelin­gen werden, en worden in sommige culturen nog steeds, maskers gedragen. Groot en indrukwekkend, vaak angst­aanjagend met grote ogen en tanden, en een open mond waar soms een lan­ge tong uithangt. Alsof daarmee uitge­drukt wordt dat er niet met menselij­ke tong gesproken wordt door de per­soon die het masker draagt. In de tweede eeuw voor Christus be­gonnen de Romeinse toneelspelers maskers te dragen, een wijze van aan­kleding die zij, zoals zoveel, hadden overgenomen van de Griekse tragedie­spelers. Deze maskers heetten in het oude latijn ‘personae’, een woord dat afgeleid is van het werkwoord ‘per­sonare’, hetgeen betekent: erdoorheen klinken. Wat moest daar dan doorheen klinken?

Evenals in Midden-Europa het toneel ontstaan is uit de paasliturgie in de christelijke kerken, heeft ook het Griekse toneel een sacrale oorsprong, namelijk de grote Dionysosfeesten die in maart gevierd werden. In Dionysos beleefden de oude Grieken de aarde, die in de lente uit haar winterslaap wordt gewekt tot nieuw leven. De ge­zongen dialoog tussen de godheid en zijn gezelschap satyrs, het koor van bokkengezellen, werd later uitgebreid met meer personen, en ook met ge­sproken tekst. In de aankleding heeft de tragedie (het woord betekent eigen­lijk ‘bokkenlied’) nog lang het sacrale element behouden. De spelers droegen hoge toneellaarzen, een pruik en een masker van linnen. Merkwaardige mas­kers met lange, gestileerde lokken, vaak een ‘wijdingsband’ om het voorhoofd, en een wijdopen mond, zodat de stem van de speler goed hoorbaar was. Door dit alles moeten de spelers er zeer in­drukwekkend hebben uitgezien, niet naar menselijke maar naar goddelijke maat, en dat was ook de bedoeling. Zij waren middelaar, instrument, het bo­venaardse moest door hen heen klin­ken. Zoiets vraagt een opofferen van de eigen emoties, een leren beheersen van de persoonlijke gevoelens, een dienstbaar maken van jezelf aan de ho­gere machten. Ik neem aan dat de spe­lers een bepaalde oefentijd moesten doormaken die te vergelijken is met een inwijdingsweg. Voordat je in staat was de stem van de godheid door je heen te laten klinken, moest je ge­schoold zijn.

Behalve deze jaarlijks terugkerende op­voeringen waardoor de toeschouwers op bepaalde wijze naar hun ziel ge­louterd werden (de zg. catharsis), wa­ren er ook optochten, heilige omme­gangen. Op vele drinkschalen uit ± 500 voor Chr. zijn afbeeldingen te vinden van de Dionysosfeesten in Athene. Daarop zie je het beeld van de god omgeven door wijnranken, in een schip op wielen, dat rondgereden werd tij­dens de optochten. Ook in de Griekse kolonies, zoals Marseille in Zuid-Frankrijk, werden deze feesten ieder jaar in het begin van de lente gevierd, tot in de christelijke tijd toe. En van daaruit maakte de ‘scheepswagen’, de­ze ‘carrus navalis’ zijn zegetocht door Europa, en bleef bewaard tot op de huidige dag in het grote zottenfeest van carnaval.

Een oorspronkelijk godsdienstig feest werd tot volksgebruik. Bij de verbrei­ding van het Christendom heeft de kerk getracht het godsdienstige ele­ment weer toe te voegen aan de hei­dense gebruiken. In de vastennacht om 12 uur klonk de roep: ‘Maskers af!’ en dat betekende het einde van de feestroes. Vanaf Aswoensdag begon de periode van inkeer en boetedoening.
De tijd van het elkaar zinvol in even­wicht houden van carnaval en vasten­tijd is echter voorbij. Het zijn beide ‘holklinkende vaten’ geworden. De maskers zijn afbeeldingen uit de on­derwereld geworden in plaats van uit de ‘bovenwereld’! Herkennen we dan nog iets in dit verschijnsel van verkle­den en maskers, dat ons vertrouwd is? Als we naar kinderen kijken, weten we het weer. Als kind deden we dat graag, steeds weer een ander kleed om, een andere ‘persona’ opzetten. Er zijn kinderen die heel gemakkelijk van de ene rol in de andere overstappen. Bij anderen gaat dat wat moeizamer. Het is of ze proberen de wereld om hen heen vanuit een steeds wisselend gezichtspunt te bekijken, en deze daar­door leren kennen. Zodra er ook nog kleren en hoofddeksels aan te pas ko­men, wordt de overgave aan de rol groter. Vooral in de kersttijd als de kinderen zich met behulp van eenvou­dige gewaden in de gestalten van het kerstgebeuren mogen inleven, bena­dert wat je daar voor je ogen zich ziet voltrekken, de sacrale oorsprong van het toneel. Het past de volwassene om zich dan met heilige schroom ‘onzicht­baar’ te maken. Wie dat niet kan, wie zich innerlijk niet kan terughouden, zal hoogstens een uiterlijk goed verlo­pend toneelstukje zien, maar het won­der gaat aan hem voorbij.

Het masker bezield
Het masker verbergt iets dat ook ver­borgen wil of moet blijven. Jonge kin­deren hebben nog niets te verbergen. Ze hebben nog geen maskers nodig om een ander te kunnen spelen. Het hoofd kan bedekt worden met een muts of een kroon, maar het gezicht blijft open. Het kind is nog direct doorlaatbaar voor ‘andere stemmen’. Vanaf het 10e jaar verandert dat. Het eigen gevoelsle­ven gaat zich ontplooien, en dan is het fijn om je hoofd eens helemaal in een dierenkop te mogen verbergen, of je ogen die je kwetsbare ziel verraden te verstoppen achter een masker. En hoe is het met ons volwassenen? Dragen wij een masker of zijn wij ‘ons­zelf’? En wat is dan dat ‘onszelf’ en in hoeverre is het verwerpelijk om een masker te dragen? In de loop van ons leven kiezen we een bepaalde vorm van werkzaamheid, een bepaald ‘be­roep’ in de ruimste zin van het woord. Dat beroep, die werkzaamheid vereist een bepaald gedrag, en in het begin kan de poging om zich dat gedrag ei­gen te maken nogal overdreven aan­doen en zelfs enigszins komisch werken. Het nieuwe kleed past nog niet zo goed, en het gewichtige gezicht is nog zo onwennig. Het hangt dan van je ei­gen wil tot ontwikkeling af of je dat ‘masker’ dat je ook als een soort be­scherming draagt, langzamerhand kunt bezielen, van binnenuit tot leven weet te brengen. Dat is een lange weg. Het kost immers vele jaren van ons leven om de grote menselijke deugden tegen de verdrukking in te ontwikkelen. Ie­dere dag kent zijn nederlagen en over­winningen wat dat betreft. Maar dan blijkt in bijzondere levensomstandig­heden of het iemand gelukt is om zich aan het masker te ontwikkelen, al of niet bewust. Want dan pas merk je of je staande blijft, als het beschermende masker af gaat.

Marieke Anschütz,  ‘Jonas’ 8 februari 1980.
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten
.

77-74

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.