Tagarchief: klas 5 vertelstof

VRIJESCHOOL – 11e klas – kunstgeschiedenis

.

Hieronder weer een artikel ‘uit de oude doos’. (1931)

Kunstgeschiedenis in klas 11. 
Tevens vele namen van Griekse goden en godinnen die ook de 5e-klasleraar gebruikt in zijn verhalen Griekse mytholgie. 
In zijn artikel ‘Het leerplan is de mens‘ beschrijft Willem Veltman o.a. de spiegeling van van de klassen met hun leerplan. Zo is de 11e klas in zekere zin een spiegeling van de 5e! Voor plantkunde beschrijft Paul Veltman deze spiegeling.

Of er nu nog gewerkt wordt met deze gezichtspunten weet ik niet. De exameneisen hebben veel veranderingen teweeggebracht. 

In de oorspronkelijke spelling:

WELKE BETEEKENIS KAN HET OUDE GRIEKENDOM VOOR ONZEN TIJD HEBBEN?

Toen Kallimachos, de groote Grieksche beeldhouwer, die leefde en werkte gedurende het laatste deel der 5de eeuw vóór Chr,, langs het graf van een pas gestorven meisje ging, zag hij daar onverwacht het aetherische wezen dezer jonkvrouw boven het graf zweven en zich vereenigen met wat als zonnekrachten uit den kosmos de aarde tegemoetstraalde. De innerlijke ontroering, die Kallimachos aangreep bij het zien van die verschijning, inspireerde hem tot de schepping van het Korinthisch zuilenkapiteel.
Vitruvius, de groote Romeinsche bouwmeester, die omstreeks den aanvang onzer jaartelling werkte onder Julius Caesar en Augustus, vermeldt in zijn groote werk over de architectuur der oudheid het bovenstaande als anecdote, spreekt echter niet over de aetherische verschijning, maar zegt, dat het Korinthisch zuilenkapiteel van Kallimachos dc nabootsing is van een korfje, dat omwonden met akanthusbladercn, stond op het graf van de overleden jonkvrouw.

Deze „korf”hypothese heeft zich voortgezet tot op onze dagen, zoodat algemeen nog aangenomen wordt, dat het Korinthisch zuilenkapiteel een werkelijke nabootsing is van de op deze wijze samengebonden akanthusbladercn. Dit moge een kleine vingerwijzing zijn, hoe „Romeinsch” de moderne mensch vaak nog denkt en hoe weinig hij werkelijk toegang kan vinden tot het wezen van het Griekendom.

De tegenstelling Kallimachos-Vitruvius kan leerrijk worden tot het verkrijgen van inzicht in de verhoudingen van het Romeinsche tot het Grieksche volk. De oude Griek had nog een beeldend, aanschouwend denken, waarbij hem de gedachten op een onmiddellijk waarneembare wijze uit de dingen der wereld zelf tegemoetstroomden, zooals dit bij den modernen mensch nog gebeurt met de waarneming van kleuren en tonen door oog en oor, in het kort door het zintuiglijk waarnemen. De Griek bewoog zich nog in de levend-waargenomen gedachte. —- De Romein denkt nuchter, abstract, heeft eigenlijk een bewustzijn, dat in wezen overeenkomt met dat van den modernen mensch. Voor den Romein is het bovenzinnelijke nog slechts in de abstractie te beleven, niet in de onmiddellijke waarneming.

Het levend-onmiddellijk waargenomen denken der Grieken spiegelt zich in hun geheele beschavingsleven, in hun kunst, hun philosophie, niet het minst echter in hun grandioos-uitgebeelde mythologie. Hun theogonie en kosmogonie schildert het ontstaan van goden en werelden op aanschouwbare wijze. Eroos, de scheppende almacht der liefde, speelt hierin een groote rol. Door zijn toedoen wordt uit Gaea, de Almoeder der aarde, Oeranos, de Alvader van den Hemel geboren. Uit de latere verbinding van Gaea en Oeranos ontstaan de groote goden-generaties. Kronos (Saturnus), de drager van het warmte-element ontneemt zijn vader Oeranos de heerschappij. Het zonnestelsel ontstaat. Op zijn beurt wordt Kronos verdrongen door een uit het huwelijk met Rhea ontsprongen zoon Zeus (Jupiter), den drager van het door den aether doordrongen lucht-element. Zeus, ofschoon gehuwd met de koele, jaloersche Hera, de draagster van het reine lucht-element, verbindt zich bovendien met vele andere goddelijke en sterfelijke vrouwen, waaruit de verdere ontwikkeling van mensch en wereld te voorschijn komt.

Verwarrend kan het voor het moderne intellectualistische denken zijn, wanneer in de Grieksche mythen sprake is van verschillende aardegoden en -godinnen (Gaea, Hades, Demeter, Dionysos, Tartaros). Voor de Grieken echter was de aarde niet het doode, uitsluitend materiëele lichaam, zooals zij voor den modernen mensch geworden is. Voor de Grieken was de aarde tevens een levend, een bezield en een geestelijk wezen, Gaea, de oer-moeder der aarde, vertegenwoordigt het lichaam, Hades (Pluto) het leven, dat de aarde doorstroomt, Demeter (Ceres) is de ziel der aarde, waarin het algemeene bewustzijn leeft, dat omspannend en omvattend is en waaruit Persephone, het menschelijk bewustzijn, geboren kan worden. Maar nog is dit alles niet doordrongen van een centralen geest, die het mogelijk maakt, dat het algemeene bewustzijnsleven geconcentreerd wordt tot een zelfbewustzijn. Dezen centralen geest vereeren de Grieken in Dionysos, die eerst als Dionysos Zagreus (de oudere) de aarde omzweeft, daarna verbrokkelt en in enkele menschen als zelfbewustzijn wedergeboren wordt en zich in den jongeren Dionysos als de met de aarde zelf verbonden geest openbaart. De Tartaros eindelijk is het binnenste der aarde, waarin de duistere tegenkrachten, de donkere Titanen heerschen en zelfs het leven op aarde kunnen bedreigen.

Bij de Grieken is nog een levende samenhang tusschen mensch en wereld en deze samenhang was doordrongen van wezenachtigheid. Het menschelijk lichaam, dat drager van het leven is, werd geschonken door Hades (Pluto), den geest, die ook de aarde met leven doordringt. De menschelijke wilskracht is hieraan gebonden. Poseidoon (Neptunus), de god van het water, der zeeën en stroomen, schonk ook in den mensch den levensstroom met het daaraan verbonden gevoelsleven. Zeus (Jupiter), de god der aetherische luchten, gaf den mensch de levende ziel met het daaraan verbonden denk-vermogen. Dionysos als drager van de aldoordringende warmte, maakt het den menschen mogelijk hun zielefuncties van denken, voelen en willen door de kracht der liefde op te voeren tot hoogere eenheid en harmonie.

De ontwikkelingsgang van het menschenwezen zelf schildert het Griekendom in zijn groote, zelf-ontworpen of overgeleverde mythen. In machtige beelden geven deze mythen gebeurtenissen weer, die zich in een bovenzinnelijke werkelijkheid hebben afgespeeid.

In de mythe van Prometheus wordt geschilderd, hoe deze, zelf een zoon uit het geslacht der Titanen, in opstand komt tegen Zeus, omdat deze het overmoedig geworden menschengeslacht wil verderven. Prometheus wordt hun redder, doordat hij hun beschaving in kunsten en wetenschappen, maar vooral het gebruik van het vuur leert kennen, dat hij uit den hemel steelt en in een hollen koker op aarde brengt. Langs een omweg tracht Zeus nu zijn doel te bereiken: hij zendt een door Hephaistos ( Vulcanus) gesmede vrouwenfiguur, die hij zelf het leven heeft ingeblazen, tot Prometheus. Deze vrouw, Pandora geheeten, omdat alle goden haar hun gaven geschonken hebben, moet met Prometheus huwen. Deze echter (de „voor’ denker) loopt niet in den val, maar zijn broeder Epimetheus’ (de „na” denker) neemt haar tot vrouw. Zij opent een haar door de goden geschonken doos, waaruit nu alle plagen en kwalen over het geleisterde menschdom komen. Door snel de doos te sluiten, voorkomt Pandora erger, alleen de hoop blijft op den bodem achter. Prometheus wordt door Zeus aan een rots van den Kaukasus geboeid met door Hephaistos geklonken ketens en iederen dag knaagt een adelaar hem den lever af, die ’s nachts weer aangroeit. Herakles komt op een zijner tochten langs den Kaukasus en doodt met zijn pijlen den adelaar, nadat eerst de Kentaur Chiron zich geofferd heeft, door zich in de plaats van Prometheus aan de rots te laten kluisteren. Zeus was het er om te doen, een geheim dat Prometheus kende aan dezen te ontlokken: n.l. dat eenmaal de macht van Zeus overwonnen zou worden door een uit een sterfelijke jonkvrouw geboren godheid.
— Niet moeilijk is het, den dieperen zin dezer mythe te vatten: In Prometheus is uitgedrukt de door de wilskracht der Titanen aan het stoffelijke lichaam gekluisterde ziel, die alle smarten moet leeren kennen van het gebonden zijn aan de vergankelijkheid der materie, en waarvan het hoogere zijn door de lagere hartstochten voortdurend wordt afgeknaagd, om in het nachtleven opnieuw aan te groeien. Het nuchtere verstand (Epimetheus) brengt plagen en lasten, omdat het geen inzicht meer heeft in het eeuwige en alleen de hoop overblijft, dat eenmaal dit inzicht kan terugkeeren. Dit kan geschieden, als het lagere in den mensch door het hoogere overwonnen is en de materie geen oppermacht over de menschen meer kan uitoefenen,

In de mythe van Amor en Psyche wordt ons verteld, hoe Psyche, de jongste van drie koningsdochters, niet kan huwen, omdat ieder voor haar buitengewone schoonheid terugdeinst. Haar vader, de koning, raadpleegt het orakel, dat hem aanraadt, Psyche te voeren op een hoogen berg en haar daar uit te huwen aan een draak. In een groote processie wordt Psyche, gehuld in een doodskleed, op den top van den berg geleid, maar daar wordt zij door Zephyros, den westenwind, ontvoerd en gebracht in het rijk van Eroos (Amor) voor wien Psyche een hevige liefde had opgevat. Amor echter wilde haar treffen met zijn pijlen, opdat zij liefde voor den draak zou gevoelen, verwondt zich echter zelf, zoodat wederliefde voor Psyche in hem zelf daalt. Door Zephyros worden zij dan vereenigd, maar nooit mag Psyche naar Amor’s afkomst vragen, daar deze haar dan zal moeten verlaten. Opgestookt door haar jaloersche zusters, die haar bezoeken en wijsmaken, dat Amor een monster moet zijn, omdat hij zich steeds (ook in den nacht) voor Psyche verbergt, beloert zij Amor ’s nachts bij het schijnsel van een lamp en aanschouwt nu den goddelijk-schoonen Eroos. Door een druppel olie, die hem op den schouder valt, gewekt, ziet Amor de over hem gebogen Psyche, die met opgeheven dolk hem had wilen treffen en hij verlaat haar. Psyche, aan vertwijfeling ten prooi, doolt rond en stort zich in den vloed, om zich het leven te benemen. De golven voeren haar echter naar den anderen oever, waar de natuurgod Pan zich over haar ontfermt. Zij smeekt Aphrodite (Venus) haar weer met Amor te vereenigen. Aphrodite legt haar vele beproevingen op, die zij alle glansrijk doorstaat, op één na, waardoor zij in een doodelijke bedwelming vervalt, uit welke zij door Amor gered wordt, die haar omhoog draagt in den Olympos. Haar beide boosaardige zusters, die ook den berg bestegen hebben, in de hoop eveneens door Zephyros ontvoerd te worden, storten in den afgrond en vallen ten prooi aan den draak.
De mythe van Amor en Psyche spreekt ons van de ontsterfelijkheid der ziel, die slechts verkregen kan worden door de verbinding met Eroos, de goddelijke almacht der liefde, nadat zij eerst door een dwaling deze verloren, maar na loutering door scheiding en smart, opnieuw had teruggewonnen. De lagere eigenschappen der ziel, die niet omgezet kunnen worden, vervallen aan de duistere machten.

In de mythe van Persephone wordt ons geschetst, hoe deze, spelende met haar vriendinnen op een bloeiende weide, plotseling geroofd wordt door den uit de diepte opstijgenden Hades (Pluto), den gocl der onderwereld. Haar moeder Demeter, doolt weeklagend rond, komt in Eleusis bij koning Keleus, wiens zoon zij de onsterfelijkheid wil verleenen, hetgeen door de onbedachtzaamheid der moeder mislukt. Opnieuw doolt Demeter rond, doet onvruchtbaarheid over de aarde komen en brengt daardoor de goden tot wanhoop. Zeus sluit eindelijk een verdrag met Hades, om Persephone weer aan de bovenwereld uit te leveren. Hades geeft haar echter een pit van den granaatappel te eten, waardoor zij steeds naar zijn rijk moet terugkeeren. Afwisselend leeft Persephone sindsdien een gedeelte van het jaar in de lichte bovenwereld en in het rijk der schaduwen. —
In de mythe van Persephone schetst de Griek het lot der menschelijke ziel, die afwisselend moet leven in de duistere onderwereld, gekluisterd aan een stoffelijk lichaam, en in de lichte bovenwereld, door den dood van het lichaam bevrijd. Op zinrijke wijze onthult zich in deze mythe het door vele aardlevens heen voortschrijdende mysterie van de wedergeboorte.

In de mythen van Dionysos eindelijk wordt ons meegedeeld, hoe Dionysos Zagreus (de oudere), de zoon van Zeus en Persephone, reeds vóór zijn geboorte door de jaloezie van Hera wordt achtervolgd, die de Titanen tegen het kind opzet, zoodat deze het in stukken scheuren en verslinden. Alleen het nog kloppende hart wordt door Athena gered en daaruit wordt Dionysos Zagreus voor de tweede maal geboren, nadat het aan Zeus was teruggebracht. De jongere Dionysos is een zoon van Zeus en Semele, een sterfelijke vrouw en ook hij wordt door Hera vervolgd, die zijn moeder Semele aanspoort, Zeus te verzoeken, zich in zijn ware gedaante aan haar te vertoonen. Dit geschiedt en door den vreeselijken aanblik daarvan wordt Semele verbrand en gedood. Zeus redt het kind Dionysos, door het in zijn heup te verbergen, waaruit het dan later eveneens voor de tweede maal geboren wordt. Dionysos wordt opgevoed door de nimfen in de grot van Nysa en eenmaal volwassen, plant hij den wijnstok en brengt den menschen de zegeningen der beschaving. Hij maakt een geweldigen tocht door de wereld, vergezeld door wonderlijke wezens, een tocht, die in voorhistorische tijden door Alexander den Grooten herhaald is. In de talrijke mythen van Dionysos leefde voor de Grieken op, hoe het goddelijke in de wereld was uitgebreid, maar door verbrokkeling door verdeeling ingedaald was in de enkele menschenzielen, om daar te ontsteken het individueele zelfbewustzijn. De wijndienst, de cultus van den wijngeest, dreef het zieleleven in extase naar buiten, waardoor het goddelijke ik kon worden opgenomen. In onzen tijd, nu het zelfbewustzijn verkregen is, heeft de alcohol zijn beteekenis verloren, daar deze hoogstens het eenmaal veroverde zelfbewustzijn weer uit de menschenziel kan verdrijven en voor een vreemden geest doen plaatsmaken. Dionysos zelf, die als geest eerst de aarde omzweefde, is als jongere Dionysos in de aarde zelf afgedaald, is geest der aarde geworden.

Maar de profetie, waarvan Promotheus kennis droeg, en welke Zeus hem wilde ontlokken, werd bij Dionysos vervuld door het intreden van het mysterie van Golgatha, dat te midden van het Grieksche tijdperk plaats vond. Jezus, geboren uit een sterfelijke moeder, nam door den Jordaandoop Christus den zonnegeest in zich op en verleende dezen als eenmalige gebeurtenis op aarde gedurende drie jren een verblijfplaats in een menschelijk lichaam. Bij den kruisdood verlaat Christus de zonnegeest dit lichaam en trekt binnen in het aarde-lichaam, wordt aarde-geest. Dionysos wordt uit de aarde verdreven, stijgt op als kosmisch wezen, dat sindsdien van buitenaf op de menschheid inwerkt. Prometheus, de strevende wilsmensch, kan in de toekomst verlost worden.
Gelukt het den menschen in dezen tijd, binnen te dringen in het ware wezen van het Griekendom, dan kan een ondergang van de tegenwoordige samenleving verhinderd worden. De huidige mensch denkt en gevoelt niet meer direct zooals de Grieken: het denken is abstract en nuchter geworden als bij de Romeinen. Veel van de maatregelen, die in de laatste tijden genomen worden op finantiëel en politiek gebied komen voort uit een denkwijze, die nog geërfd is van de Romeinen. Aan het Romeinsche denken dreigt de moderne samenleving te gronde te gaan. Nieuw leven zou zij kunnen verkrijgen door een dieper begrijpen van wat eenmaal in werkelijkheid zich in het Grieksche zieleleven heeft geopenbaard. Niet een opwarmen van oude Grieksche beschavingsvormen, niet een wederinstelling-van naar den geest toch niet meer begrepen Olympische spelen kan een vernieuwing brengen in het civilisatieleven, maar alleen een denkwijze, een wereldbeschouwing, die aan het levend-Grieksche geschoold is en de samenleving der toekomst zal kunnen doordringen met datgene, waaraan zij het meeste behoefte heeft: met levenden geest.

(Het hier behandelde is ontnomen uit de Kunstgeschiedenis der 11de klasse.)
.

Henri Zagwijn, vrijeschool Den Haag, Ostara 21/22. dec. 1931
.

11e klas: Parzival

5e klas: vertelstof

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas geschiedenis

.

1270

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 5e klas – vertelstof – Odysseus

.

De zwerftocht van Odysseus

Polyfemus, de éénogige reuzencycloop, was eindelijk in slaap gevallen na een uitgebreide maaltijd bestaande uit mensenvlees. Dit was het ogenblik waarop de gevangen Grieken hadden gewacht. De scherpe stam van een olijfboom was in het vuur gloeiend heet gemaakt. Met vereende krachten stootten de gevangenen de stam door het oog van de reus. Waanzinnig van pijn en woede brulde de cycloop: ‘Broeders, help…, help me toch…!’De cyclopen in de omgeving hoorden het hulpgeroep van Polyfemus en snelden naar zijn hol in de rotsen. Ze konden echter z’n hol niet binnen, want Polyfemus had een groot rotsblok voor de ingang gerold. Alleen Polyfemus had de kracht het rotsblok te verplaatsen. ‘Wat is er aan de hand?’ schreeuwden de toegesnelde reuzen. ’Niemand maakt mij dood…!’ antwoordde Polyfemus vanuit de grot. Verbaasd keken de cyclopen elkaar aan. ’Als niemand je dood maakt, dan heb je zeker een nachtmerrie. Moge Poseidon je daarvan bevrijden.’ Met die woorden draaiden de cyclopen zich om en gingen terug naar hun eigen holen.

De gevangen Grieken konden elkaar opgelucht aankijken. De kans dat ze uit handen van de reus zouden blijven was groter geworden. De list van hun aanvoerder was geslaagd. De cycloop had geloofd dat deze ’Niemand’ heette. Wie was die ’Niemand’? Het was Odysseus, één van de beroemdste helden uit de Griekse mythologie.

De blinde dichter Homerus
In het Oude Griekenland waren tal van verhalen over Odysseus in omloop. De Ilias en de Odyssee zijn de belangrijkste werken die de Griekse dichter Homerus heeft geschreven. Maar wie was eigenlijk Homerus? Waar leefde hij? De geschiedenis van het Oude Griekenland laat deze vragen onbeantwoord. Er wordt verteld dat Homerus blind was. Verschillende steden in Griekenland eisen de eer op dat Homerus op hun grond werd geboren. Sommige deskundigen menen dat de verhalen rond Odysseus van geslacht op geslacht zijn doorverteld. De verhalen werden steeds mooier, spannender en uitgebreider. In de 8e eeuw voor Chr. zou Homerus tenslotte deze verhalen op schrift hebben gesteld als de Ilias en Odyssee.

De held Odysseus
Homerus beschrijft in zijn heldendicht Ilias de avonturen, die Odysseus beleefde na de inname van de stad Troje. Deze stad werd tien jaar lang door de Grieken belegerd. Odysseus veroverde de stad tenslotte door een houten paard, met daarin Griekse soldaten verstopt, de stad binnen te brengen. Dankzij deze list kon Troje worden veroverd. De Griekse koningen keerden met schepen vol buitgemaakte goederen terug. Ook Odysseus en zijn mannen lichtten het anker en voeren terug naar het eiland Ithaca, waar Odysseus koning was. De god van de zee – Poseidon – was Odysseus echter niet gunstig gezind. Poseidon stuurde een verschrikkelijke storm, die de schepen van Odysseus naar vreemde en angstaanjagende stranden dreef. Odysseus was vastbesloten om naar zijn vrouw en zoon op Ithaca terug te keren. Dat gaf hem steeds weer de kracht om alle gevaren het hoofd te bieden, zoals we hierboven kunnen lezen in het avontuur met de cyclopen.

Na een zwerftocht van tien jaar keerde Odysseus eindelijk weer terug naar zijn vaderland. Het werd geen prettige thuiskomst. De edelen hadden van de afwezigheid van hun koning gebruik gemaakt om zijn paleis te bezetten. Eén van hen had zelfs het plan opgevat om met Odysseus’ vrouw Penelope te trouwen. De wraak van Odysseus was verschrikkelijk. Vermomd drong hij zijn eigen woning binnen en doodde alle edellieden. Na een zwerftocht van tien jaar was de held van Troje eindelijk weer heerser over Ithaca.

Een Franse geleerde, Victor Bérard, heeft getracht de reis van Odysseus in kaart te brengen.

Odysseus 1

Homerus heeft vele van de plaatsen die in de ‘Odysseus’ voorkomen, zó nauwkeurig beschreven, dat sommigen menen dat hij er zelf moet zijn geweest. Toch is het waarschijnlijker dat Homerus zijn inlichtingen heeft gekregen uit de verhalen van de zeelieden. Bérard heeft aan de hand van het boek “Odysseus’ het gehele Middellandse Zeegebied afgereisd om de vermelde plaatsen aandachtig te bestuderen. Hieronder zijn gereconstrueerde route.

 

 

Odysseus 2

1. Troje, de stad van Klein Azië, waar de zwerftochten van Odyssees begonnen.

2. Het land van de Kikonen, waar een aantal vrienden van Odyssees na een overvloedige maaltijd werd gedood.

3. Het land van de Lotuseters, het huidige Jerba in Tunesië (Noord-Afrika). Wie van de kostelijke lotusvrucht at, verloor alle herinnu ringen aan z’n vaderland.

4. Het land der cyclopen. Door een list slaagde Odysseus aan de mensetende reuzen te ontspannen.

5. Het rijk van Eolus, de god van de wind. Hier werd Odysseus vriendelijk ontvangen. De slimme Eolus gaf hem echter een zak vol storm als geschenk mee. Odysseus’ metgezellen, die dachten dat de zak kostbaarheden bevatte openden deze en een vliegende storm dreef de schepen in de richting van Sardinië.

6. Land der Laistrygonen. Zij waren mensetende reuzen. Een overhaaste vlucht onder een regen van rotsblokken bracht slechts enkelen redding. Alleen het schip van Odysseus bleef gespaard.

7. Het eiland van de tovenares Kirke. Kirke veranderde Odysseus’ kameraden in zwijnen. Gelukkig werd de betovering op aandrang van Odysseus verbroken.

8. De betoverende zangkust van de Sirenen kon worden weerstaan, omdat Odysseus zichzelf aan de mast vastbond en de oren van zijn mannen volstopte met was.

9. Twee verschrikkelijke monsters wachtten Odysseus op in de Straat van Messina. Skylla verzwolg matrozen van schepen die Charybdis in draaikolken schipbreuk liet lijden.

10. De overgebleven mannen van Odysseus werden in een woeste storm gedood, omdat zij zich hadden vergrepen aan de heilige runderen van de zonnegod Helios. Alleen Odysseus bleef gespaard.

11. Het eiland van de nimf Calypso. Negen dagen achtereen dreef Odysseus op zee en klemde zich vast aan een stuk wrakhout. De tiende dag spoelde hij aan op het eiland van de nimf Calypso. Hij zou er zeven jaar blijven.

12. Odysseus vergat zijn land niet. De goden droegen de nimf Calypso op Odysseus te laten vertrekken. Een vlot zou hem naar Ithaca voeren, maar door een storm verging zijn vlot. Zwemmend bereikte hij de kust van het eiland der Faïaken, waar hij door de koningsdochter Nausicaä werd ontvangen. De koning van de Faïaken zorgde ervoor dat Odysseus een schip kreeg. Eindelijk kon hij naar zijn vaderland terugkeren.

13.Vermomd drong Odysseus zijn paleis binnen, waar de edelen de macht over hadden genomen. Penelope, Odysseus’ vrouw, moest zelfs met één van hen trouwen. De pijlen van Odysseus tenslotte doodden alle edelen. Vanaf dat moment waren zijn zwerftochten ten einde. Odysseus was weer koning van Ithaca.

 

Odysseus 3

De sage van Odysseus
Zoals alle mythen, heeft het verhaal van Odysseus een diepere bedoeling. Met de dappere, ondernemende en slimme Odysseus wordt de ‘mens’ bedoeld. Net zoals de held uit het verhaal verlangt ieder mens ernaar het geheimzinnige te ervaren en te ontdekken. Door het verstand onderscheidt de mens zich van het dier en juist die eigenschap stelt hem in staat om moeilijkheden te overwinnen.

Drie dichters uit verschillende tijdvakken hebben de avonturen van Odysseus beschreven. In de allereerste plaats was dat natuurlijk Homerus, die de mondelinge overlevering op schrift heeft gesteld. Later beschreef de Romein Vergilius hoe Odysseus een houten paard, met daarin soldaten verstopt, gebruikte om de stad Troje te veroveren. Ten slotte beschreef de Italiaanse dichter Dante de reis van Odysseus.

Maar Dante nam de vrijheid de avonturen van Odysseus een ander eind te geven.

Een eind Odysseus waardig: Volgens Dante voer Odysseus tenslotte door de Zuilen van Hercules – de Straat van Gibraltar – om nieuwe werelden te ontdekken in onbekende oceanen. Voordat de grijze Odysseus vertrok, vermaande hij zijn reisgenoten: ‘Vergeet niet dat de mensen niet zijn bestemd om als dieren te leven, maar dat zij dienen te zoeken naar deugd en erkenning…

 

5e klas: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas: alle beelden

 

960

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – Nederlandse taal (2)

.

HET NEDERLANDSE TAALONDERWIJS


Nu het lichaam van de taal enigszins verkend is in de drie leerjaren van klas I, II en III, nu komt eigenlijk de ware ziel in de taal te voorschijn. Een ‘gewaarwordingsziel’, die als hoogste ontwikkelingsmogelijkheid de schoonheid heeft. Schoonheid is de grote leermeesteres van de nog primitieve gewaarwordingsziel!

Weer kan men denken aan de middeleeuwse zeven vrije kunsten. De middelste van de eerste drie (het trivium) is de retorica, het schone spreken, de Taal als kunstzinnig beleefbare activiteit, nadat de structuur en de elementaire vormleer (grammatica) zijn behandeld en geoefend.

Natuurlijk wordt ook de grammatica verder gestructureerd en behandeld. Want nu pas kan het kind door zijn ik-beleving een nieuwe afstand en mogelijke verhouding tot de dingen krijgen, dus ook tot de eigen taal. Ook krijgt het kind een verhouding tot de tijd, het krijgt nu pas een perspectief-achtige mogelijkheid tot tijdsbeleving (wat was vóór, wat is na, wat is gelijktijdig). Ook een verhouding tot het persoonlijke (wat is het verschil tussen een ik-zelf, de naaste en de andere in de verte).

Het is nodig, dat het kind ook het poëtische gaat hanteren, zowel in de gesproken, als in de geschreven taal. Het hoofddoel van de klassen IV en V is in deze leeftijdsfase derhalve het mooie spreken en het verzorgde schrijven.

Leer- en ontwikkelingsdoelen
—  Het gebruiken van de grammatica als on-egoïstische ik-ontwikkeling: zekerheid en zelfbewustzijn in en door de taal.
—  Mooi spreken, vertellen, navertellen (met honorering van de temperamenten).—  Bevordering van sociale vaardigheid: met en tegen elkaar spreken, goed luisteren.
—  Juiste en mooie uitspraak.
—  Verzorgd schrijven, wat vorm en inhoud betreft.
—  Mooi lezen, goede toon, voordracht.
—  Het maken en verstaan van eenvoudige poëzie; allitererend, rijmend en metrisch.
—  Het declameren en reciteren van allitererende en metrische poëzie, juiste toon, tempo, maat, ritme, frasering. Mooi en zakelijk schrijven, verbinding van schoonheid, grammaticale juistheid en sociale vaardigheid.

a.  vertelstof:
De vertelstof wordt voornamelijk gekozen uit de sagen van de Klassieke Oudheid. De eerste geschiedenisperioden met de cultuurhistorie van de Oosterse, theocratische volken en de Grieken maken ook mogelijk de literaire bronnen en de schat van mythen en sagen van Hindoes, Perzen, Egypte, Babylon, als vertelstof te nemen. Behalve de verrijking en verinnerlijking van de ziel geven deze verhalen grote thema’s die ook voor later van belang zijn. Bhagavat Gita, Avesta, Gilgamesj-epos behoren tot de ontwikkeling van de gehele mensheid. Op deze leeftijd is het kind zeer ontvankelijk voor de lotgevallen van de Griekse helden.
Het kind wordt voorbereid op de tweede metamorfose van het denken (van beeldend denken naar abstractie) waaraan het toe zal zijn op het 12e jaar.
De Griekse cultuur maakt dezelfde stap door van zijn mythen (beeldbewustzijn) tot filosofie (abstract bewustzijn).

b.  spreken:
Declamatie, alliteratie, stafrijm.

c.  schrijven:
De oefeningen worden voortgezet. Alles wat wordt opgeschreven, moet een mooie* afwerking hebben, duidelijk en ook als ornament bruikbaar zijn.

lezen:
Sagen van de klassieke oudheid.**

e. spelling en interpunctie:
Vervolmaking van spelling van werkwoordsvormen.

f. grammatica:
Het is van belang, dat het kind bij de werkwoordsvormen van de 4e klas nu ook leert hoe verschillend het is, of men zal eten of dat men gegeten zal worden. De bedrijvende en lijdende vorm van het werkwoord worden behandeld en grondig mondeling en schriftelijk geoefend.

Het kind kan nu de taal redelijk mondeling en schriftelijk hanteren. Het is echter alles nog vrij onpersoonlijk. Het gehoorde en gelezene moet het kind op deze leeftijd niet alleen vrij weer kunnen geven maar het moet een orgaan ontwikkelen om te onderscheiden wat het verschil is, tussen eigen mening, of die van een ander. En wanneer er iets medegedeeld wordt, wat het kind zelf denkt, gezien of gehoord heeft, is dat iets heel anders dan wanneer hij dat alles van anderen gehoord heeft. In verband daarmee zal het kind leren zich uitdrukken in indirecte of in directe rede. Daarom zal het ook nodig worden de leestekens als hulpmiddel hierbij, goed te leren plaatsen.***

g. opstel en brieven:
Het opstel krijgt meer en meer reliëf als vertelling, of als verslag, als verhandeling, naar gelang een verhaal, een beschrijving van iets dat gebeurd is, of een verhandeling over een onderwerp van meer abstracte aard wordt gehouden. Het schrijven van brieven wordt voortgezet en er wordt vooral gekeken naar de structuur en de inhoud in verband met het doel en de geadresseerde personen.

Griekse cultuur
De mythologische beelden van de Griekse cultuur werken verder aan de verinnerlijking van het kind, dat in zijn elfde levensjaar is gekomen.

In plaats van de heldhaftige stampende stafrijmen komen thans de ritmisch-vloeiende, door het lierspel begeleide hexameters (zesvoetige ritmen) en pentameters (vijfvoetige ritmen). Zij schilderen een ander soort heldhaftig leven, dat echter evenwichtig en ook schoon moet zijn.

De hexameters: lang — kort — kort en dit zes maal met een cesuur of insnijdende adempauze, vertellen de grootse avonturen, daden en belevingen op harmonieus-rustige wijze.

Het evenwichtig ritme 1 ademtocht op 4 polsslagen is in deze hexameter als oerbeeld te vinden. De kinderen lopen op dit ritme.

Ook korte spreuken worden in een distichon (1 hexameter met 1 pentameter) uitgedrukt en de kinderen moeten ook zelf proberen zich zo uit te drukken.

Het boeiende van de hexameter is, dat één niet-betoonde lange aan het eind van de versvoet kan worden vervangen door twee korte en omgekeerd.

klas 5 taal hexameter

 

Deze versmaat kan ook pedagogisch gebruikt worden:

Zó als een zwïjg-za-me héld//zich vóor-be-reidt om te strij-den
Zó maakt-de zwij-gen-de klas// zich op om krach-tig te wér-ken.

In de Griekse gedichten moet men in tegenstellingen leven. Sympathie en antipathie, majeur en mineur, uitbreiding en samentrekking, het wisselt elkaar steeds af, evenals het kind evenwicht moet zoeken tussen de oude, met nieuwe ogen geziene wereld buiten en de nieuwe, als eigen beleefde wereld van binnen.

Actief en passief
Bij die tegenstellingen behoort ook die tussen actief en passief. Filosofisch gezien begint de Griekse cultuur daarmee. Wie verinnerlijkt, kan zich ook gaan voorstellen wat het is om de handeling van jezelf door toedoen van een ander te ondergaan.

In de bekende tien categorieën van Aristoteles zijn de negende en tiende categorie die van ‘doen’ en ‘ondergaan’. De mens heeft deel aan beide. Hij kan doen, hem kan ook iets gedaan worden.

Men kan leren zich in de ander te verplaatsen. Een historisch voorbeeld was de (nu nog) goed bekende tragedie van de Perzen. Griekenland sloeg de Perzische vijand af, maar de dichter Aeschylus wekte medegevoel en medelijden voor de verslagen vijand, een volkomen nieuw iets, dat ook veel waardering bij de Atheners vond.

Het kind moet af van de verkeerde voorstelling, dat het passief iets negatiefs en verwerpelijks zou zijn.

Wie werd er niet ter wereld gebracht, werd gevoed, gewassen, gekleed? Werd beschermd, geknuffeld, geleid, opgevoed?

Een actief- en passief spel kan er als volgt uitzien:

Drie hoofdtijden en drie samengestelde tijden vormen een mooie zeshoek. Elke hoek wordt bezet door een of meer kinderen. Zij hebben elk een ‘spiegelbeeld’ naar binnen. De binnenkinderen geven om beurten de passieve tijden van hetzelfde werkwoord:

Ik word gevoed, ik ben gevoed, ik werd gevoed, ik was gevoed, ik zal gevoed worden, ik zal gevoed zijn. Dit wordt met luide stem geroepen.

Nu komen de buitenkinderen: eerst roepen zij op hun beurt: Ik voed, ik heb gevoed, ik voedde, ik had gevoed, ik zal voeden, ik zal gevoed worden.

Dan telkens een passieve tegenover een actieve — ‘Ik voed!’ ‘Ik word gevoed’ en zo verder. Daarbij worden uitstralende, of invouwende bewegingen met de armen gemaakt.

Directe en indirecte rede
Het verschil tussen directe en indirecte rede?

Spelend ontstaan twee toneelgroepen, die hun teksten in directe en indirecte reden zeggen. Bij voorbeeld: de eerste groep luid en krijgshaftig: ‘Daar komt de vijand! Grijpt uw wapenen!’

De tweede groep (rustig): Zij zeiden, dat de vijand aankwam en dat zij hun wapenen moesten grijpen (als registrerend).
Een heel leuk spel: indirecte rede omzetten in directe rede. Twee aan twee tegenover elkaar.
Indirect: De kapitein brulde, dat de matrozen onmiddellijk de zeilen moesten reven.
Direct: De kapitein brulde: ‘Matrozen, reeft de zeilen! Onmiddellijk!’

Maar de oefeningen behelzen een nieuwigheid op taalgebied van subtiele aard. De kinderen moeten zich, zoals elke toneelspeler, in een ander verplaatsen.

Daarbij moet onderscheiden worden tussen de eigen mening van de spreker (schrijver) en die van een ander: Hoe voert een kind een historische figuur ten tonele? Hij stelt hem voor en spreekt iets, wat de historische figuur in werkelijkheid gezegd zou kunnen hebben. Een goede oefening in fantasie-ontplooiing bovendien.

Naamvallen
Een derde grammaticale nieuwigheid is het gaan leren van de naamvallen. Alle woordsoorten worden gekend en nu wordt het zaak in de zin bewust te gaan onderscheiden, welke woorden in groepen bij elkaar horen om de structuur van een zin te vormen.

Er zijn in het Nederlands vier gevallen, waarin woorden in een zin kunnen voorkomen.

Het eerste geval:
Een woord of een groep woorden geeft aan waarover de zin eigenlijk gaat. Meestal is dit woord (of deze groep) drager van de handeling (actief of passief) en via die handeling een andere groep woorden (of woord) daarbij betrekkend. Is dat woord een woord, dat die handeling ondergaat noemt men dat volgens traditie een vierde geval.

Het vierde geval:
Eerste en vierde geval zijn door het handelingswoord nauw verbonden. Als eerste geval gelden óók die woorden die via een zijns (toestands)-woord met de handelende in het eerste geval verbonden zijn: ‘gekoppeld’, vandaar de term koppelwerkwoord. Het koppelwerkwoord verbindt twee woorden (of woordgroepen) in het eerste geval.

Het derde geval:
geeft aan waarheen iets ten gevolge van de handeling van het eerste geval gaat.

Het tweede geval:
geeft aan waar vandaan iets al of niet door de handeling van het eerste geval (of vierde geval) komt.

Die vier gevallen zijn als het ware huizen, waarin elk woord kan wonen. De gevallen veranderen niet, wel de woorden die onder het geval vallen of uit de voordeur van het huis te voorschijn komen.

De moeilijkheid met tweede en derde geval is, dat zij met voorzetsels worden omschreven (tweede geval ‘van’), (derde geval ‘aan’).

Technisch behoort in het Nederlands na ieder voorzetsel (praktisch) een vierde naamval te staan.

Onder een tweede geval kan een woord in een vierde naamval komen te staan.

De kinderen knippen vier gestalten uit een vel karton. Vier gaten ontstaan. Een zin wordt in woordgroepen vertoond voor de bijpassende gaten (gevallen).

De kinderen zien dat bijna ieder woord in het eerste geval kan staan. Het is een soort omgekeerd schimmenspel.

Het vervolgens opschrijven van de zinnen maakt een vastlegging mogelijk, waarbij het nummer van het geval boven het woord komt te staan.

klas 5 taal

[aan de hoed is meewvw. dus 3]

Het leren van naamvallen is een omstreden onderwerp. Zij, de naamvallen, zijn niet te zien. Dus bestaan zij niet? Het is bovendien niet waar. Bij de voornaamwoorden ziet men wel degelijk naamvallen. Het is voor kinderen beter de algemeenheid te horen en te beschouwen dan een stel onbegrijpelijke uitzonderingen te leren.

Bovendien leren de kinderen talen, die duidelijk zichtbare naamvallen hebben (Duits 4, Russisch 6, Pools 7, Fins 11, Latijn 6, Grieks 5) nu of later.

Men vergeet ook, dat het spelend beoefenen van de gevallen en naamvallen in de zin nog met het gemoed, dus veel blijvender wordt opgenomen in de 5e klasse.

Het is van groot belang geen zinsontleding in brokjes te beginnen, voordat de naamvallenleer goed is opgenomen in het gemoedsleven én in het bewustzijn.

De gevallen zijn primair, niet het benoemen van de zinsdelen. Maar de zo moeilijk gevonden zinsontleding heeft eigenlijk pas zin en verloopt gemakkelijker als de naamvallen bekend zijn.

Toneel
Het aantal toneelspelen is groot, dat de onderwerpen uit de Griekse mythologie bewerkt en aanbiedt. Bijvoorbeeld:

1.De schaking van Persefone
2.De daden van Herakles
3.De toorn van Achilles
4.Prometheus geboeid
5.Odysseus en Kirke

Uit het laatste spel een klein citaat.

Odysseus is met zijn makkers geland op Aeaea, het tovereiland van de schone tovenares en zuster van de zon Kirke, heerseres over levenskrachten en vormveranderingen. Odyseus’ makkers zijn door de vrouw Kirke in zwijnen veranderd. Odysseus gaat zijn makkers zoeken. Hij ontmoet Hermes, de bode der goden. Hermes geeft Odysseus een kruid, dat zijn mensenkracht (ik-kracht) versterkt.

Kirke:
Treed binnen, gij vreemd’ling
ei, wees toch mijn gast.

Odysseus:
Zeer gaarne, o schone,
geniet ik het gastrecht,
door U aan een vreemd’ling
zo minzaam geboden.

Kirke:
Hier! neem van deez’ spijs
Het bekome U wel
Een teug van deez’ wijn
En… word een zwijn!

Odysseus:
Neen! Kirke. Een Mens blijf ik!

Kirke:
Wie zijt gij? O, wee
Mijn macht is weerstaan!

Odysseus:
Ja, Kirke, en meer nog
Ik wreek nu mijn makkers.
U treft nu mijn zwaard!

Kirke:
O, neen, edele held
Ik doe al wat gij wenst.

Odysseus:
Bevrijd dan mijn makkers
Die gij hebt betoverd.

Kirke:
Kom volg mij dan spoedig
Zij zijn in de stal…

Koor:
Dus komen zij aan in der zwijnen verblijfplaats
De held ziet zijn makkers als borst’lige zwijnen
Zij wroeten met snoeten in vunzige modder.
Zij grommen en knorren en vuil is hun huid!

Odysseus:
O makkers. Welk leed!
Hoe moet ik U weerzien!

Kirke:
Gij die daar rondwroet,
Herneemt Uw gestalte,
Wordt nu weer mens!

Koor:
Zo richten zij zich
Langzaam weer op
En krijgen terug
hun mensengestalte.

Alle makkers:
O vrijheid, o geestkracht!
Een mens ben ik weer!
Heb dank, Odysseus.
Wij danken U zeer!

Odysseus:
Alleen aan de goden
past onze dank!

Kirke:
Komt nu in mijn paleis
Ik zal U onthalen op vorst’lijke wijs!

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

*Steiner over het ‘schoon’schrijven
** niet uitsluitend – bv. zouden er – enkele maanden na de plankundeperiode- hoofdstukken gelezen kunnen worden uit Grohmann: ‘Leesboek voor de plantkunde’.
***zie voor de plaats van de aanhalingstekens
****toneelstukken

5e klasalle artikelen

Nederlands bij Luc Cielen

hexameter op de blog van Joep Eikenboom

 

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: alle beelden

.

504-466

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.