Tagarchief: masker

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (1-2)

.

Peter v.d Linden*, schoolblad vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend
.

MASKERS
.

Het is wel eens interessant om je af te vragen hoe mensen ertoe gekomen zijn zichzelf achter een masker te verbergen, of laten wij zeggen: om een masker te gaan dragen.
In het dagelijks leven komen wij er al gauw toe bij allerlei gelegenheden onszelf achter een masker te verbergen. Dat zijn dan onzichtbare maskers. Deels zijn wellicht de maskers die wij op het toneel dragen diezelfde maskers maar dan alleen zichtbaar geworden. Bijvoorbeeld in “Macbeth” van Ionesco worden in de voorstelling die “De Appel” ** ervan geeft maskers gedragen die allemaal op elkaar lijken.
Een soort vogelachtige doodskoppen.

De emoties zijn niet zichtbaar in het masker, maar ze leven er als het ware achter. Ik denk dat je als toeschouwer voortdurend geneigd bent je nieuwsgierig af te vragen wat er onder, achter dat masker zit. Wel, er onder zit er wéér een en daar onder nóg een. Ook bij de machthebbers van onze tijd, pardon, niet van alle machthebers, vraag je je vaak af waar het masker ophoudt, in dit geval het
onmenselijke masker, en de menselijkheid begint.
Is het niet opvallend hoe weinig uitdrukking veel van die, laten wij zeggen, heersers, op hun gezicht hebben. De uitdrukking dié er is, is bij hen allen angstig gelijkvormig.

Maskers zijn al oeroud. Heel lang geleden is er een tijd geweest dat de mensen nog wisten hoe goden eruit zagen, hoe duivels eruit zagen. Wat voor “gezichten” ze hadden . “Toneelspelers” uit die dagen zullen wel gedacht hebben: “Ik kan veel, maar zulke gezichten kan ik niet trekken. Dat is veel te moeilijk” en zij gingen aan het werk met veren, hout, kralen, schelpen enz. en maakten de “gezichten” van hun goden en duivels en die zetten zij op en begonnen te dansen en te spelen. Misschien maakte de priester die maskers wel voor hen en na de voorstelling gingen alle maskers terug naar het heiligdom. Ten slotte kun je het gezicht van een god niet zomaar in een “kleedkamer” laten slingeren. Bu nog wordt er gezegd dat het laten liggen van een masker op de grond ongeluk brengt. Heel dikke boeken zijn er over maskers geschreven. Ik weet er niet zo heel veel van, maar ik heb wel veel met maskers gespeeld en heb ze kortgeleden nog gemaakt voor “De Chinesche nachtegaal” dat “De Appel”‘ samen met de “Geschiedenis van de soldaat” speelt.

Ik kan zeggen dat het spelen met een masker geheimzinnig en fascinerend is. Het masker dwingt je je lichaam op een geheel andere manier te gebruiken. Als het goed is gaat er zowel voor het publiek als voor de spelers een betoverende werking vanuit. Tegelijkertijd is het masker – zoals Eric Vos zegt- een tegenstander voor de speler, het dwingt je om bijvoorbeeld je gezichtsuitdrukking naar je benen te verplaatsen. Alleen al daarom is het goed voor een toneelspeler om met een masker gespeeld te hebben. Er zijn er genoeg die goed “bekken” kunnen trekken maar met hun armen en benen geen raad weten.

Zoals er goden en duivelsmaskers waren, zo ontstonden er maskers die de passies en hebbelijkheden en onhebbelijkheden van de mensen zichtbaar maakten. Duidelijke voorbeelden daarvan vinden we bv. in de maskers van de Comedia del Arte.
Een man die hebzuchtig was en overal zijn neus in wilde steken, had ook een wanstaltig grote neus. De Knecht die door zijn meester onderdrukt en uitgebuit werd (zoals men pleegt te zeggen) droeg een zwart masker met een dikke wipneus en een aanzet tot horentjes op zijn voorhoofd. Ook daarover is het nodige geschreven. Ikzelf heb het knechtenmasker gedragen o.a. in de Knecht van twee meesters van Goldoni). Dat masker laat je a.h.w. vanzelf bewegingen maken die van beneden naar boven gaan.
Het heeft iets dierlijks» Iets van een kat. Hij duikt iedere keer uit de aarde op en wil iets van de hemel proeven, maar dat mislukt steeds. Maar door dat onophoudelijk proberen is hij slim geworden. Hij gilt het uit van plezier als het hem is gelukt een klap of trap van zijn meester te ontlopen, maar direct daarop krijgt hij alweer een mep die hij niet zag aankomen en hij tuimelt verder over het toneel tot groot vermaak van het publiek dat zit te kijken naar iets dat in ieder van hen óók vertegenwoordigd is.
Dat laatste proberen wij als “De Appel” een beetje te verwezenlijken; niet alleen gebeurtenissen spelen die buiten ons plaatsgrijpen en waar je min of meer geïnteresseerd naar kunt kijken, maar ook zaken die zich in ieder van ons afspelen, waar ieder van ons sterk bij betrokken is.

Dit waren zomaar een paar losse gedachten over “maskers”. Er zou natuurlijk nog veel meer over te zeggen zijn. Wie weet, misschien een volgende keer.
.
*Peter van der Linden
**Toneelgezelschap De Appel.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld

.

2018

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde vdr. 6 (6-1)

.

Groen: woorden van Steiner; zwart: de vertaling daarvan; blauw: mijn woorden

Enkele gedachten bij blz. 98 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

DE KERN VAN DE MENSELIJKE ZIEL: HET ‘IK

Vanaf voordracht 6 bekijkt Steiner de mens vanuit een geestelijk standpunt. Wellicht is dat de reden dat hij nu pas langer stilstaat bij het Ik van de mens. 
Ook zijn visie op de mens vanuit het standpunt denken – voelen – willen bv. kan niet om dit Ik heen: immers: IK denk, ÍK voel en IK wil. Dat geldt eigenlijk voor elk gezichtspunt dat over onszelf gaat: het gaat mijn Ik direct aan. 

In de vorige voordrachten laat hij het vrijwel ongemoeid, maar nu gaat een groot deel van de voordracht over de positie van het Ik.

Steiner noemt het Ik hier: ‘het eigenlijke centrum’ van de mens.

Wat is er zoal te ontdekken aan ‘dit eigenlijke centrum’?

IK BEN HET, MAAR WIE BEN IK EIGENLIJK?

Spreken over denken, voelen en willen, of lichaam, ziel en geest,
is spreken over ons zelf. Het is mijn lichaam, mijn ziel, mijn geest, mijn denken,  mijn voelen, en mijn willen.
En, om bij de laatste drie te blijven: IK denk, IK voel en IK wil.
Het zou dus niet moeilijk moeten zijn alles over het Ik te kunnen zeggen: we zijn het immers zelf. Maar daar begint al een moeilijkheid: Wie ben ik eigenlijk?

En tegelijkertijd is het ook wonderlijk dat we aan ons zelf kunnen vragen wie we zijn. Dat we dat aan een ander kunnen vragen, is duidelijk, maar aan ons zelf/mij zelf?
En wat te denken van het feit dat ik ook een tweegesprek met mezelf kan houden. Iedereen houdt volgens mij wel eens een tweegesprek met zichzelf. “In zichzelf praten”, of hardop, alsof je met een tweede persoon spreekt! Met evenveel  recht van spreken kun je zeggen: “met jezelf spreken”.

Dat veronderstelt toch een soort 2-deling. Veel mensen hebben deze ervaring.
(Ook bij het etherlijf zagen we een soort twee-deling: richting fysiek lichaam en richting ziel (gewaarwordingsziel)
Maar ook bij het astraallijf: richting etherlijf en richting bewustzijn(sziel)
Op een bepaalde manier geldt dit ook voor het Ik. Dat wordt nog duidelijker in de beschouwingen verderop in de voordracht.

GEWETEN

Het blijkt ook veel voor te komen dat het ene deel a.h.w. “geraadpleegd” wordt, als het andere deel iets wil, of gedaan heeft. Alsof de “raadgever” ook weet heeft van hoe het hoort of niet. Je kunt bij jezelf te rade gaan. Zou dat het ge-weten zijn? Je blijkt ook je eigen geweten te kunnen onderzoeken. Het geweten onderzoeken van iemand anders, is in wezen onmogelijk.

PERSOON

Wanneer iemand zich aan een ander voorstelt, zegt deze vaak: “Ik ben …” en dan volgt de eigennaam.

Maar er zijn talen, waarin in dit niet gebeurt.
Wij kennen het “ik heet….”, maar het Frans en het Italiaans bv. hebben: “Ik noem mij”. 
“Hoe heet U”? wordt dan:  “Hoe noemt u zich?”
In het Hongaars vraagt men: “Hoe noemen ze u? “

Ik heet wel Jan, maar ik had ook anders kunnen heten.
Kennelijk valt ons IK niet samen met onze naam. Je kunt hem tenslotte ook veranderen; iets wat met ons zelf niet zo gemakkelijk is.

Ik zou mij als Jan, willen kwalificeren, als “persoon”. 
Als ik dit in de taaluitdrukking serieus neem, zeg ik dus eigenlijk dat ik, als ikzelf, mij manifesteer als persoon, die Jan wordt genoemd.

Ik ben er “als Jan”. Dat is mijn persoontje. Is mijn persoontje ook een persoonlijkheid?  En zo nee, zou hij dat dan kunnen worden; en zo ja, waarom is die dat dan?

En wat te denken van het woord “persoon” in zijn oorspronkelijke betekenis, als masker. Het ‘personare’ in de betekenis van ‘doorheen klinken’: je ziet het wel niet – er zit een masker voor – maar daar klinkt wel iets van mij doorheen.

En opnieuw de vraag, wie verbergt zich achter dat masker. En dan kan ik me nog anders voordoen, dan ik ben. Alsof ik een ander ben.

Steeds duikt die tweedeling op.

DENKEN, VOELEN, WILLEN

Bij denken, voelen en willen: is het mijn denken, voelen en willen.
Als ik mooie (of minder fraaie) gedachten heb, ben ik degene die ze denkt en ik weet ook dat ik ze denk. Ik ben me bewust van mijn eigen denken; bewust van wat ik zelf denk, maar ook: dat ik zelf denk: ik ben mij bewust van mij zelf: zelfbewust.
Of zoals Toon Hermans eens zei: “Goh, ik denk wel eens, wat denk ik nou weer”.

WAKKER, DROMEN, SLAPEN

Ik kan me ook bewust zijn van mijn gevoelens en van wat ik wil. Toch is er verschil met het denken: ik weet altijd dat ik denk en wat ik denk; maar ik weet lang niet altijd wat ik wil. En gevoelens kunnen verwarrend zijn, dan ‘weet je het niet echt hoe het met je zit’.

Om te denken moet je wakker zijn.  Er moet zenuw-zintuigactiviteit zijn. Als we bij de wil, die in het ledematen-stofwisselingsgebied zijn intensiefste aangrijpingspunt heeft, naar de stofwisseling kijken, dan zijn we daar, in tegenstelling tot het denken, helemaal niet wakker bij aanwezig. Van onze eigen verteringsprocessen hebben wij geen weet. Het tegenovergestelde van weten/wakker is het geval: tegenover het bewustzijn staat hier de onbewuste activiteit. T.o.v. het wakkere, kan hier zeker gesproken worden van een gebied waarvoor wij met ons kennende vermogen, slapen.

Ons gevoelsleven, staand tussen denken en willen – hier nu even genoemd wakkerheid en slaap, zou dus een soort middenpositie moeten innemen tussen wakkerheid en slaap: en dat doet het ook. Voor veel van onze gevoelens geldt dat we ze niet echt wakker beleven; maar toch wel ervaren: niet bewust, ook niet onbewust, vager: hier is de term onderbewust op zijn plaats.

Je zou het een wat dromerig beleven kunnen noemen. Soms weet je niet eens waar ze vandaan komen: je bent onderhevig aan bepaalde stemmingen; soms worden ze ineens “wakker”, vooral als je je aan iets ergert (antipathie) of wanneer je wordt overspoeld door een golf van sympathie voor iets of iemand, zo maar vanuit het niets.

SCHEMA’S

Wie ‘iets’ bestudeert, ontkomt niet aan indelingen, schema’s, onderscheid enz.
Dat is bij antroposofie niet anders.

Steiner geeft een aantal aanwijzingen voor het bestuderen van….vul maar in:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Werkelijk begrip krijgen we, wanneer we de feiten op elkaar betrekken.
GA293/119
Vertaald/116

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstellingen. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet naar de tegenstellingen in de wereld kijken.
GA 293/129
Vertaald/126

Seien Sie sich also klar darüber, daß Sie den Menschen nur dadurch erkennen können, daß Sie ihn immer von drei Gesichtspunkten aus betrachten, indem Sie seinen Geist betrachten. Aber es genügt nicht, wenn man immer nur sagt: Geist! Geist! Geist!

Bedenkt u goed dat u de mens als geesteswezen alleen kunt kennen door hem altijd van drie gezichtspunten uit te beschouwen. Maar u bent er niet wanneer u steeds maar weer ‘geest! geest! geest!’ zegt.
GA 293/138
Vertaald/134

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven
GA 293/153
Vertaald/150

Zo zijn er tot nog toe verschillende schema’s gehanteerd:

Vanuit het  lichaam gekeken: hoofd, romp en ledematen.
Daar kwam bij: zenuw/zintuigsysteem; hart/longensysteem; stofwisseling-ledematensyteem.
Hieraan werd gekoppeld: rust, ritme en beweging.

Vanuit de ziel: denken, voelen, willen

Daar is nu aan toegevoegd: vanuit de geest: wakker, dromen, slapen.

De kern in dit alles: het IK

Het hoeft niet te verbazen dat Steiner als geesteswetenschapper over ‘de geest in ons’ – ons Ik – veel heeft gezegd. En dat weer op de voor hem karakteristieke manier: door te karakteriseren vanuit verschillende standpunten:

Durch das Selbstbewuβtsein bezeichnet sich der Mensch als ein selbständiges, von allem übrigen abgeschlossenes Wesen, als „Ich“.

Door het zelfbewustzijn kan de mens zich bestempelen als een zelfstandig wezen, afgezonderd van al het overige, als een ‘Ik’.
GA 9/48
Vertaald/4?

Im „Ich“ faβt der Mensch alles zusammen, was er als leibliche und seelische Wesenheit erlebt.
Leib und Seele sind die Träger des Ich; in ihnen wirkt es.
Wie der physische Körper im Gehirn, so hat die Seele im „Ich“ ihren Mittelpunkt.

In dat woordje „Ik” omvat de mens alles wat hij als lichamelijk wezen en als zielswezen beleeft. Lichaam en ziel zijn de dragers van het „Ik”, dat in hen werkt. Zoals het fysieke lichaam ten opzichte van de hersenen, zo vindt de ziel haar middelpunt in het „Ik”.

Das „Ich“ bleibt als die eigentliche Wesenheit des Menschen ganz unsichtbar.

Het „Ik” als het eigenlijke wezen van de mens, blijft onzichtbaar. 

Mit seinem Ich ist der Mensch ganz allein.

Met zijn „Ik” staat de mens helemaal alleen. [op zichzelf gesteld]

Dieses „Ich“ ist der Mensch selbst. Das berechtigt ihn, dieses „Ich“ als seine wahre Wesenheit anzusehen.

Dit „Ik” is de mens zelf. Het geeft hem het recht om dit „Ik” als zijn ware wezen te beschouwen.

Er darf deshalb seinen Leib und seine Seele als die „Hüllen“ bezeichnen, innerhalb deren er lebt; und er darf sie als leibliche Bedingungen bezeichnen, durch die er wirkt.

Hij mag op grond daarvan zijn lichaam en zijn ziel als omhulsels zien, waarbinnen hij leeft, en hij mag ze als zijn lichamelijke voorwaarden aanduiden, waardoor hij kan werken. 

Das Wörtchen „Ich“ ist ein Name, der sich von allen anderen Namen unterscheidet.

Het woordje „Ik” is een naam die zich van alle andere namen onderscheidt.
GA 9/48
Vertaald/4?

Es kann ihn keiner anwenden zur Bezeichnung eines andern; jeder kann nur sich selbst «Ich» nennen. Niemals kann der Name «Ich» von außen an mein Ohr dringen, wenn er die Bezeichnung für mich ist. Nur von innen heraus, nur durch sich selbst kann die Seele sich als «Ich» bezeichnen. 

Het woordje ‘Ik’ kan niemand gebruiken met betrekking tot een ander; elk mens kan alleen zichzelf ‘Ik’ noemen. Nooit kan de naam ‘Ik’ van buiteneaf naar mij toe komen als men mij bedoelt. Alleen van binnenuit, alleen door zichzelf kan de ziel zich ‘Ik’ noemen.
GA 9/50
Vertaald/4.

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 6: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1953

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Carnaval (19)

.

CARNAVAL

Eindelijk winter!* Aan de vooravond van deze koude dagen stond er een prach­tige heldere maan aan de hemel. Zelfs overdag scheen hij ijzig mooi boven het naakte hout van de boomkruinen, het leek een voorbode van de strakke gladde ijsvlaktes die zouden komen. Nu zit het ritmische bewegen van het eerder nog golvende water in de benen van alle schaatsers. En na een fijne dag buiten branden we ’s avonds alle kaarsjes op van de kersttijd. Nog een moment genieten van de aanwezige kerstlichtjes, die we verder in onszelf on­zichtbaar brandende moeten houden.

De eerste schooldag na de vakantie hebben alle kinderen op school het Drie Koningenfeest gevierd.
Bij de kleuters en de laagste klassen mochten de drie kinderen die een boon in het feestbrood vonden, de rode, blauwe en groene koning zijn. Getooid met mantel, kroon en staf lopen zij rond en be­groeten Maria en het kindje.
De koningen uit de hogere klassen mogen een wens doen. Voor iedereen, tot en met de zevende klas, is het nog spannend of je dit jaar eindelijk een koning zal zijn.

Vanaf de vierde klas zien de kinderen het Drie Koningenspel, het laatste van de drie kerstspelen.

In dit spel ontmoeten zij het in alles heersende krachtenspel tussen licht en duister. Duister is de boze Koning Herodes, een gekroonde vorst op een troon. Licht is de ware Koning in een schamele stal, die werd geduid door een ster aan de hemel. Hij zal nooit een troon bestijgen, zijn enige kroon is de doornenkroon aan het eind van zijn leven.

In ieder mensenleven is het moeilijk om geen “tronen” te bestijgen, die macht geven om onmacht te verbergen. Afstand doen geeft helderheid van Geest en maakt ruimte voor vrede en rust. Alleen dan kunnen alle mensen elkaars ongelijke gelijke zijn.

Op weg naar het feest van carnaval, als inleiding van de veertig dagen du­rende lijdenstijd, hoopt ieder toch dat deze beelden uit de kerstspelen gestalte kunnen krijgen, niet alleen in onze kinderen als ze volwassen zijn, maar ook in ons en in allen die op dit moment in de gelegenheid zijn of zullen komen iets bij te dragen aan de “VREDE” op aarde.

Op de laatste dag voor de krokusvakantie vieren we carnaval. Alle leerling­en komen verkleed op school, de oudsten natuurlijk compleet met maskers. In vele culturen en ook bij de voor-Christelijke volksfeesten gaf het dragen van een masker de gelegenheid iets te laten doorklinken vanuit de wereld van het bovenaardse. Deze jaarlijks terugkerende gemaskerde volksfeesten zijn de bakermat van het hedendaagse toneel.

Aan kinderen beleven we dat het ‘verkleden’, het steeds weer veranderen van persoon, het mogelijk maakt de wereld vanuit allerlei posities en
ge­zichtspunten te bekijken en te leren kennen. Een masker hebben kleine
kin­deren nog niet nodig, hun eigen identiteit zit ze nog niet in de weg.
Bij de opvoering van de kerstspelletjes van de laagste klassen voor de kerstvakantie werd duidelijk zichtbaar dat zij het ‘heilige’ van de kerst­figuren konden doorgeven slechts omhuld door eenvoudige ‘verkleedkleren’.

Heel anders is het in de hogere klassen, zij komen verkleed en gemaskerd om zichzelf te verbergen. Los van zichzelf, losbandig!,  kunnen ze opgaan in het feestgewoel, omhuld door de identiteit van een onbekende ander, zonder valse schaamte, verlegenheid en zonder de als vreselijk ervaren eigen
ver­antwoordelijkheid voor al het kattenkwaad dat uitgehaald wordt in het leven van alle dag. Als aan het eind van de dag iedereen weer ontmaskerd is, is de feestroes voorbij en voor sommige kinderen is het net of ze er niet bij zijn geweest.

In de wereld van de volwassenen treedt na de ontmaskering bewust de
lijdenstijd in. Van oudsher een tijd van inkeer en onthouding, een oefenweg tot religie. Religie in de betekenis van weer verbonden raken, verbonden met de oorspronkelijke krachten van het leven (verbonden met de Geest). Losbandigheid en verbondenheid horen bij elkaar, maar het streven is toch verbondenheid in de ruimste zin van het woord te bereiken zonder masker!

Buiten in de natuur wordt het nu lichter en tegelijk ook warmer, de dagen worden langer en de zon komt iedere dag hoger aan de hemel. De polariteit in de jaarfeesten ondergaat een ommekeer, na de ‘licht’-feesten in de donkere wintertijd komen nu de ‘donkere’-feesten in de lichte zomertijd.
In het leven van de jongste schoolkinderen is nog geen duisternis, de volle omvang van de duisternis begint in de pubertijd binnen te treden. Daarom zal het vieren van de komende jaarfeesten verschillend zijn voor de ver­schillende leeftijdsgroepen.

Belangrijk is daarbij dat met de kinderen op school alle jaarfeesten inten­sief vanuit de ‘licht’krachten in mens en wereld gevierd worden. Want wie de macht van het licht, van het nieuwe in het leven, kent, zal het duister altijd ontmaskeren.

(Annemieke Zwart, vrijeschool Ede, nadere gegevens ontbreken)

.

Carnavalalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten

.

455-423

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (17)

.

Carnaval

Schlagers, overvolle cafés en een polonaise op veel te harde muziek: dat zijn meestal de eerste associaties bij het woord carnaval. Heeft het uitbundige feest van de vermomming ook nog iets anders te bieden? Zet iemand die zich verkleedt niet juist een masker af?

Carnaval was ooit een nieuwjaarsfeest; het nieuwe jaar begon in maart. Dat februari ooit de twaalfde maand was, valt af te leiden uit de namen van de maanden die er aan vooraf gaan. In november zit het getal negen, maar het is de elfde maand en, december betekent tiende, maar op de kalender is het de twaalfde maand. De telling is dus twee maanden verschoven en dan klopt het ook dat februari vroeger, dat wil zeggen tot 450 voor Christus, de laatste maand van het jaar was. Dat verklaart tevens waarom februari maar 28 of 29 dagen telt, want aan het eind van het jaar maakte men de telling sluitend.

De traditie om het nieuwe jaar in de lente te laten beginnen is natuurlijk niet zo vreemd. Het jaargetijde kondigt met zijn uitlopende knoppen nieuw leven en dus een nieuw begin aan. Vandaar ook dat er vruchtbaarheidsrituelen aan dit lentefeest gekoppeld werden. In oude agrarische culturen betekende de terugkeer van de zon de bevruchting van de aarde. Het symboliseerde een huwelijk tussen vader zon en moeder aarde. Om het kosmisch huwelijk en de bevruchting van de aarde tot uitdrukking te brengen, lieten sommige volken brandende wielen van heuveltoppen omlaagrollen. Zowel bij de Babyloniërs als bij de oude Egyptenaren en Grieken participeerde het volk in dit huwelijksfeest. Maar ook dichterbij, bij de Germanen kwamen soortgelijke rituele feesten voor.

Nerthus
In een boek over de Germanen beschrijft de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (55-120 na chr.)  hoe er op een bosrijk eiland in de oceaan een gewijde wagen stond in de vorm van een schip. Deze wagen  was bedekt met kleden en was het heiligdom van Nerthus, godin van de vruchtbaarheid. De enige mens die de wagen mocht aanraken, was de hoge priester en alleen hij wist wanneer de godin in haar heiligdom aanwezig was. In de vroege lente leidde de hogepriester de wagenr getrokken door vier ossen, door het land. In de tempel zou de heilige bruiloft tussen de priester en de godin worden voltrokken.

In alle plaatsen die zij met een bezoek waardig keurde, werd uitbundig feest gevierd. Nergens werd een strijd uitgevochten; het was verboden een wapen op te pakken. Om de godin te eren, die zich onder de kleden van haar wagen onzichtbaar hield, wierp men doeken over het gezicht en stak men zich in nieuwe kleren. Het verkleden en het terugtrekken van de persoonlijkheid door het gezicht te bedekken, heeft een duidelijke connectie met het huidige carnaval. Wanneer de wagen na de huwelijksvoltrekking  was teruggekeerd, werden de godin, haar kleed en haar wagen op een geheime plaats in zee gewas­sen. Ook de feestvierders wierpen dan hun doeken af en reinigden zich in zee of in een meer om ‘vernieuwd’ het nieuwe jaar te beginnen.
Van de godin zie je alleen haar voertuig: zelf is ze bedekt. Naar analogie daarvan zou je het menselijk lichaam als ‘voertuig’ kunnen zien en beroep en status als de kleden die ons goddelijke zelf bedekken. In het dagelijks leven zijn wij naar buiten gericht; we ontmoeten andere mensen en oriënteren ons op de weg die wij willen gaan. Door het bedekken van het gezicht kun je nog slechts naar binnen kijkenDaarop zou je bij dit oude lentefeest rond februari – ‘februare’ betekent reinigen-niet alleen van een fysieke, maar ook van een gees­telijke reiniging kunnen spreken. Het huidige car­naval is overigens aan Pasen gekoppeld, waardoor het soms niet in februari, maar in maart valt. Het reinigen van lichaam en geest is ook terug te vin­den in de vastentijd tussen carnaval en Pasen.

Prins carnaval
Ook in het oude Babylon werden nieuwjaarsfees­ten gevierd die veel gemeen hadden met het huidige carnaval. Uit de schriftelijke verslagen van Babylonische priester-koningen blijkt dat men ook daar bijzondere reinigingsrituelen kende, waaruit het fenomeen van prins carnaval te herleiden is. In een bonte optocht toog men rond 2600 voor Christus naar de tempel van Marduk. Rijkversierde scheepswagens op wielen maakten deel uit van de parade, zoals ook nu nog praalwagens en de bekende blauwe schuit onmisbaar zijn in een echte carnavalsoptocht. In  de parade werd een figuur meegevoerd in koninklijke gewaden. Het was een misdadiger die voor drie dagen koning speelde. Hij nam de plaats in van de koning die aan het einde van het feest gedood diende te worden. Zijn dood was een offer aan de god van de vruchtbaarheid. Door te sterven nam de ‘koning’ de zonden van het volk op zich, zodat het volk gereinigd het nieuwe jaar in kon gaan.
Tijdens de feestvreugde in Babylon mocht niemand werken. Op deze dag waren slaven aan hun meesters gelijk en kregen zij evenveel aanzien. Nog steeds gaan prinsessen en boeren, piraten en rechters, clowns en ambtenaren met carnaval hand in hand. Achter het masker is iedereen gelijk, waar geen personen te herkennen zijn, houden rang en status geen stand. Wat vanwege verschillen op de maatschappelijke ladder in het dagelijks leven verzwegen wordt, kan nu met humor worden gezegd of uitgespeeld.
Niet alleen de samen­leving houdt zichzelf een spiegel voor, ook het individu. Wie zijn persoonlijkheid bedekt met kos­tuum en masker, zal ontdekken dat achter de verstarring van het gezicht de mens beweeglijk wordt. We zijn niet wie we verbeelden. Al speel je de burgemeester, al verkleed je je als zodanig, je bent de ander niet. Net zo min drukken uiterlijkheden in het dagelijks leven uit wie we werkelijk zijn. Wij passen ons maar al te vaak aan anderen aan zonder te luisteren wat we:eigenlijk zelf willen, zonder ons af te vragen wie we zelf zijn. We zetten de rem op onze spontaniteit om alles onder controle te houden, houden het gezicht in de plooi en proberen naar de geldende codes te leven.
Wie niet oppast identificeert zich met een zorgvuldig opgebouwde buitenkant.
Wanneer we onze kleding, de buitenste huid, verwisselen en een ander gezicht aannemen door een  masker op te zetten, hoeven we plotseling niet meer te voldoen aan alle verwachtingen die bij deze uiterlijke identiteit horen. Wie blijft er over wanneer je je niet meer kunt verschuilen achter de interessante baan, prestaties en een goed verzorgd uiterlijk wanneer de status is afgelegd? Wat  komt er los als de sociale teugels worden gevierd?
De stijve hark vindt zichzelf wellicht uitbundig dansend terug, de muur­bloem blijkt het stralend middelpunt van het gezelschap en de communicatiedeskundige heeft misschien nauwelijks aanspraak. Er valt veel te ontdekken tijdens het feest van de omkering. Welke bronnen blijven in het dagelijks leven onbenut? In hoeverre ontleen je je ‘kracht’ aan je buitenkant?

Er wordt ontzettend veel gedronken tijdens het carnavalsfeest. Een traditie die al zeer oud is overigens. Tijdens de vereringsfeesten van de god Dionysos in het oude Griekenland, vloeide de wijn rijkelijk. Dionysos was dan ook de god van de wijn en de vruchtbaarheid. En de wijn deed zijn werk. In extatische toe­stand trok een stoet wilde vrouwen, bekleed  met dierenhuiden en voorzien van instru­menten, de bergen in voor hun rituelen. ”Wijn bindt het ver­stand een masker voor en schakelt een te grote nuchterheid uit”, meent T. Fransen in zijn boek Carnaval ont­maskerd? In feite ver­sterkt alcohol de werking die het masker ook al heeft; het maakt de weg vrij voor een andere laag in ons zelf. Alcohol heb je hierbij dus eigenlijk niet nodig. Toegegeven: zonder alcohol is er meer moed nodig om de veiligheid van de controle los te laten. Toch lijkt het mij een gemiste kans wanneer je beneveld en niet bewust de innerlijke omwentelingen ondergaat.

Ware zelf
Door afstand te nemen van de eigen persoon, kunnen we datgene waar we ons in het dagelijkse leven druk om maken, relativeren. Wellicht zien we zo ook wat werkelijk belangrijk voor ons is. Het is de gelegenheid om af te rekenen met alles waar­in je je onvrij hebt gevoeld, omdat je niet jezelf kon zijn. Achter het masker vallen onze eigen maskers af, met het aannemen van een andere identiteit hervinden we het ware zelf. Een bekend verschijnsel in de carnavalsoptocht is een groep jonge vrouwen die zich hebben omgetoverd in verloederde oude wijven. Misschien dat jonge vrouwen het sterkst ervaren dat er vaak niet naar hen, maar naar hun uiterlijke verschijning wordt gekeken. Zoals in Afrikaanse riten maskers gebruikt worden om kwade geesten af te schrikken, zo worden hier de mensen die slechts naar uiterlijkheden kijken afgeschrikt.
Het masker helpt om de uitdaging van carnaval aan te gaan: contact maken van mens tot mens, van wezen tot wezen. Het enige wat een masker niet bedekt, zijn de ogen. En door de ogen spreekt het wezen van de mens. Je kunt je gezicht nog in zulke rare grimassen trekken, de ogen zijn niet te manipuleren. Zo tonen wij, door een masker op te zetten, alleen dat deel dat ons ware zelf niet ver­loochent.
De schrijver Anton van Duinkerken heeft het prachtig verwoord; “Het masker is het symbool van een vervreemding, het is een afscheidsteken. Het ontkent de soevereiniteit van wat het verbergt, om niets te gedogen dan de straling der ziel, die door onthulde ogen licht.”

Patricia Wessels ´Jonas`, nadere gegevens ontbreken.

.

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

93-90

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten- carnaval (15)

.

CARNAVAL

carnaval 13

Een masker uit het Zwitserse Sankt-Gallen

Tenslotte heeft de winter lang genoeg geduurd en verliest de duisternis zijn beklemmende greep. In je buik tintelt de drang naar het nieuwe, naar nieuw leven. Het is tijd voor de lente en er kolkt iets uitbundigs in je bloed. Drank, voedsel, grappen, grollen, liederen, tromgeroffel, opwindende dansen jagen boze en kwaadaardige geesten weg uit het verdorde leven. Drie dolle dagen danst een narrenschip vol gemaskerden op de golven en staat de wereld op z’n kop. Een reis naar de ziel van Vastenavond, carnaval.
De wind buldert over het dorre,  dode  landschap. Donkere wolken tollen in zwarte nachten en verlengen met hun duistere handen de donkerte tot diep in de morgen van de dag. De bloedsomloop van de natuur ligt stil. In zulke kolkende nachten komt het ko­ninkrijk van Hades tot leven, staat de achterdeur tot zijn schimmenrijk op tocht.
Boze machten en geesten regeren in de Rauhnächte, de winternachten van het Germaanse volksgeloof. Demonen en doden domineren de Cyclus van de Twaalf Nachten en de Twaalf Dagen, het gapende gat tussen de zon- en de maancyclus rondom de jaarwisseling. Diep in dat heidense begin van onze ge­schiedenis ligt de bron van een bijna vergeten volkscultuur. Daar is het eer­ste ontwerp gemaakt van de huidige feestneus, zijn de eerste zinnen gesta­meld van de ‘paarden op de gang’ ,de ‘bloemetjes op het gordijn’ .
Oog in oog met de onberekenbaarheid van dood, magie, duiveluitdrijving en ongetemde natuurkrachten verbergen de mensen hun gezichten achter mas­kers om niet door de geesten herkend te worden. Geesten worden herkenbaar gemaakt door ze een vreselijk afschrik­wekkend masker op te zetten. Angst voor het bovennatuurlijke overwintert in de harten van de mensen.
Pas als de dagen langer worden en de nacht steeds vroeger wegvlucht voor de groeiende stralen licht, voelen de men­sen zich sterker worden. Ze verzamelen zich rond oplaaiende vuren en mét de potten zoete honingdranken groeit het vertrouwen in de eigen kracht. Er ont­waakt een drang naar nieuw leven. Opnieuw gaan de maskers op, maar nu bruist de dwaasheid in het bloed. De lente tintelt, maakt vrolijk en overmoe­dig. Met allerhande werktuig, veel ka­baal van rammelende potten en spette­rend vuur worden de boze geesten te­ruggejaagd in de dorre tuin van Hades om plaats de maken voor nieuw leven.

Toen: de vruchtbaarheidsrituelen van de Germanen, nu: de lentekolder in de kop. Drank vloeit en overmoedig achter hun masker tarten de mannen prins­heerlijk elk gezag. Niemand die weet wie achter het masker zit. De Germanen vieren het lentefeest, de Romeinen, de Grieken, de Egyptenaren, de Japanners. In alle uithoeken van de wereld tot in het diepste oerwoud en de kaalste poolvlakten trekken gemasker­de mannen ten strijde tegen de geesten. Overal is het masker aanwezig en een lange stoet vermomde mensen trekt in polonaise de volksgeschiedenis in op weg naar de drie dolle dagen van van­daag. Een geschiedenis die door nie­mand werd opgeschreven, door nie­mand werd afgebeeld: te volks.

Gelukkig ligt nog net op de grens van de vergetelheid Binche, in het Belgische Henegouwen. Zelfs de kinder­kopjes zijn er met bonte confettistrooisels afgevoegd en geven kleur aan het kamerbrede Belgische straatgrauw.
Binche, ‘Hoofdstad van het Carnaval’, staat in uitdagende letters bij de ingang tot het Waalse stadje. Pas op het einde van de lange hoofdstraat ligt het bewijs: het Internationale Museum van het Carnaval en het Masker. Een huis met 12.000 mas­kers uit de hele wereld en een biblio­theek van dik 3.000 boeken waarmee de geschiedenis van het masker op de voet kan worden gevolgd. Een tocht langs de vele gezichten van een volks­cultuur in een stad waar in 1394 en in 1397 het carnaval al gevierd werd.
In oud-Frans wordt in geschriften ver­haalt over wanorde onder de bevolking en een oproep aan de rechters om pa­raat te blijven om zo bandeloosheid en branden aan te pakken. In 1397 worden knechten erop uit gestuurd omdat er een ernstig gebrek is aan rivierwijn, waarschijnlijk bier. Ze weten in Binche nog steeds van wanten. En hoe. Zes weken voor carnaval reeds, geheel in de traditie van de Germaanse winterfeesten, slaat de kolder de inwoners van Binche in de kop. Zes zondagen achter elkaar duurt de voorbereiding op de uiteindelijke hoogtijdag: de Vette Dinsdag. Dan dansen de Gilles, de prachtig versierde mannen met hun verentooi, op het staccato van trommels door de straten om met hun korte bezems de heksen te verjagen.

carnaval 14

Zwitsers masker uit begin deze eeuw, voorstellend de te overwinnen winter

Marcel Sweertvaegher is gids in het museum en waarschijnlijk is hij ook om zijn pretogen gevraag om gasten in de geheimen van het masker in te wijden. Een machtig bronzen beeld markeert de ingang tot het museum: de Gille, de gemaskerde danser, het symbool van het carnaval in Binche, de poortwachter tot de boeiende geschiedenis van het masker. Een geschiedenis die reikt van het prachtige hout­snijwerk van eeuwen her tot aan het glimmende plastic masker van vandaag. Niet alleen het carnavalsmasker, want het masker is universeel. Overal in de wereld heeft de mens in het holst van de nacht het masker opgezet om de go­den en de natuurkrachten te tarten, om zijn kracht te onderstrepen, om de saamhorigheid te bevestigen en natuur­lijk om zich te vermaken.
Altijd als de mens in de geschiedenis ie­mand anders wil zijn, wil ontsnappen uit de werkelijkheid, gaat hij achter een masker zitten en speelt hij zijn rol in een andere werkelijkheid. Met een masker op zijn er ineens ande­re mogelijkheden: je kunt je beste vrienden en kennissen negeren zonder dat ze het in de gaten hebben, en je kunt met iemand die je helemaal niet kent een praatje beginnen, zelfs als dat in het normale dagelijks bestaan onmo­gelijk zou zijn. Je kunt de wereld op z’n kop zetten. Achter het masker kun je even makkelijk over jezelf praten alsof je het over een ander hebt.
„Pas als de roes van die krankzinnige carnavalsdagen over is en we weer met beide benen op de grond staan, komen we tot de toch wel pijnlijke ontdekking dat wij achter het masker misschien meer onszelf waren dan ooit in ons nor­male dagelijkse leven. Ja, dat wij zelfs vaak in ons gewone doen in wezen die rollen spelen die het verst van onze wa­re ik afliggen en ons achter een voor anderen ondoordringbaar masker ver­schuilen”, aldus de maskerkenner Werner Mezger.

Dat zijn gedachten die meelopen door de fascinerende maskerge­schiedenis. Honderden meters wande­len langs de etalage van de volksver­momming. En plotseling worden din­gen duidelijk. Hoe in de intimiteit van kleine gemeenschappen de maskers een hoofdrol hebben gespeeld bijvoor­beeld.

Zoals bij de stromannen, de bunzings, in de Elzas. Als een stroman verkleed bezoekt een man alle huizen in het dorp, hoort alle misère aan en uiteinde­lijk als hij alle ellende van het dorp ach­ter zijn masker heeft opgeslagen, wordt hij het bos ingejaagd. Weg ellende.
Overal proef je het diepe respect voor de traditie. Vooral in de diepe dalen van de Alpen en in de afgelegen hoeken van Europa, waar het carnaval zich afspeelt in de intieme sfeer tussen de dorpsbe­woners, zonder de vervelende aanwe­zigheid van toeschouwers die volledig buiten de traditie staan, aldus Marcel Sweertvaegher. Langzaam trekt de sprookjeswereld van kleur en vorm voorbij, getuigenissen van de geest en de bedrevenheid van een volk. En je begint je te schamen over inlegkruisjes, over hele grote bloemkolen en andere banale uitingen van vermaak. Je hoofd wordt bijna even rood als een van de vele maskers. Waar en wanneer is toch de traditie over de hoeperdepoep op de stoep uitgegleden? Waar is de rode draad gebleven die ons verbond met de woeste, kolkende Germaanse nachten?
‘Binche’ knoopt de losse delen aan el­kaar. Gooit de deuren open van de eeu­wen die achter ons liggen. Dan zie je in narrenpakken of in ‘oude wijve’-kleding gestoken dronken jongeren over het middeleeuwse platteland trekken. Spottend met elk gezag, herrie makend om de boze wintergeesten te verdrij­ven. Koebellen om de buik, dorsvlegels in de hand.

„Vrouwen moesten thuisblijven, die wa­ren te makkelijk door de geesten te beïnvloeden.” Marcel Sweertvaegher tart de vrouwenemancipatie. Heeft het over vrouwen die besmeurd werden met korrels klei. „Het was een vrucht-baarheidsgebaar, ze werden met zaad bestrooid. De kleikorrels werden in de geschiedenis uiteindelijk stukjes pa­pier: confetti, wat niets anders is dan zaad.”
En de pastoors in de dorpen keken met lede ogen toe. Maar zij konden tegen het gebral en gelal niets beginnen, de traditie zat te diep geworteld. Als je ze niet kunt verslaan, dan lijf je ze maar in. Dus werd het heidense lentefeest door de katholieke kerk gekerstend. Het nieuw-leven-verhaal werd geplakt aan de laatste dagen voor de vasten, de voorbereiding op het paasfeest.

De orgie van de middeleeuwen kreeg een stralenkrans. „Het chris­telijk carnaval is een orgie van de zege­pralende geest, die zijn gezel, het lijf, een vrolijk feest ten afscheid biedt, ver­zekerd, dat dit scheiden niet voor eeu­wig is. Het is het lentefeest van de altijd jeugdige geest, die de frisheid van nieuw bloed heeft gevoeld”, zo schreef Anton van Duinkerken, katholiek emancipator uit de eerste helft van de­ze eeuw, tientallen jaren geleden in Het Eeuwige Carnaval.

En binnen in het museum trekt de stoet van gemaskerde, vermomde, verklede mensen uit de hele wereld voorbij. De pogingen van overheid en kerk om het feest af te remmen, mislukten. De stad wordt veroverd en de burgers ontdek­ken dat ze zich drie dagen lang van hun kleinburgerlijke bestaan kunnen bevrij­den door het masker op te zetten en de wereld een slag linksom te laten draai­en. De heer die op straat durft te la­chen, de timmerman die met de vrouw van de magistraat danst. „De levende eenheid is boven alle verschil van me­ning uitgegroeid”, zo weet Van Duin­kerken er een draai aan te geven.

Nog steeds komen de maskers voorbij, tooit de hele wereld zich in kleur pracht en praal. Maar het zijn vergeten maskers, vergeten symbolen, ingehaald door mensen bij wie de wortels van de  traditie gerooid zijn en op de altaren van de moderne commercie  en haar platte humor.

Alleen een bedevaart naar Binche kan nog enige redding brengen.

carnaval 12

duivelsmasker uit Tirol

 

Hans Jacobs, Eindhovens dagblad 8 februari 1997

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

91-88

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (14)

.

CARNAVAL

Als ik aan dit stukje begin te schrijven zit ik op een luw plekje in de tuin, met de smeltende sneeuw nog om me heen. De zonnewarmte is weldadig en de vermoeidheid van een schoolweek valt geleidelijk van me af. Iets van de lente zit al in de lucht. De sfeer van de winterfeesten Advent, Kerstmis, Driekoningen is aan het vervagen.

Het eerstvolgende feest is carnaval. De naam carnaval heeft waarschijnlijk te maken met het lentefeest uit het oude Babylonië. Daar dacht men het heelal als een oceaan waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer. De weg leidde door de dierenriem en eindigde in een zwart gat, namelijk dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Hier bevond zich de ‘Zee van het dode Water”, het rijk van de dood.
Deze voorstelling vinden we ook beschreven in het Gilgamesj-epos: de held Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek – is op zoek naar onsterfelijkheid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water, om daar te sterven en uit de dood te herrijzen. Tijdens de lentefeesten werden in Babyloniê optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur, werden meegevoerd. Ook het godenbeeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over het water naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meegevoerd in de stoet langs de hoofdstraat, ten teken dat de zon uit de ‘Zee van het dode Water’ was herrezen.  (Boot op wielen – carrus navalis : carnaval.)

Bij de Grieken werd Dionysos, de god van het ontluikende leven, op dezelfde wijze in een optocht meegevoerd, vergezeld door een vrolijke saterschare. De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd, met grote maaltijden, dans en drinkgelagen. Ook hier werd gevierd dat het leven de dood overwint, zoals de lente de winter overwint.

Geleidelijk werd het aantal personages op deze ‘carrus navalis’ uitgebreid, en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling : het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over. (Vergelijk bij ons ook de praalwagens van het bloemencorso.)

Het verkleden en vermommen was aanvankelijk het naar buiten tonen van krachten die in de mens werkzaam zijn. Zo kwam men tot de uitbeelding van duivels, monsters, dieren, reuzen e.d. Hiermee hangt samen het “belang van het afleggen van het masker”: het demasqué, dit wil zeggen de mens wil niet langer een rol spelen maar met zichzelf te voorschijn komen.

De katholieken gingen het carnaval vieren voorafgaande aan de vastentijd;  een tijd die een beroep deed op zelfdiscipline, werd voorafgegaan door enkele dagen waar allerlei sociale normen werden losgelaten. Het naar buiten laten komen van een stuk van zichzelf is (was) hierbij wel aan de orde, maar de bewustwording hiervan niet of nauwelijks.

De vastentijd is bij de katholieken op de achtergrond geraakt. De bisschoppelijke vastenaktie, een geldinzameling voor allerlei goede doelen, is nog een laatste overblijfsel. Merkwaardig dat het belang van lichamelijk vasten : het zich onthouden van bepaalde spijzen en dranken, buiten de kerken weer in de belangstelling komt. Vasten krijgt hier weer de betekenis van reiniging (denk aan het gebruik van berkenthee, brandnetelthee, juist in het voorjaar). Een reiniging die van belang is om de opstandingskrachten in onszelf de volle kans te geven.
.

Uit een schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool, februari, nadere gegevens onbekend.

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

90-87

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (10)

.

CARNAVAL

Toen bij ons thuis in december de doos met kerstversieringen geopend werd, bleek tussen de dingen verdwaald een zwart-fluwelen masker te liggen. Onze kleuters pakten dat meteen en waren in een mum van tijd gehuld in allerhande lappen, kappen en franjes,  liepen blazend, sissend en brullend door het huis, en iedereen, die volgens hun inzicht iets had gedaan, dat niet in de haak was, werd naar hun “hol” gesleept “voor straf”. ’t Ging onstuimig toe onder het mom van het masker: een oer-weten bleek daar om­hoog te komen, van midwinter, van vroeger tijden in onze streken.

In Germaanse landen vierden de mensen, nog vol overgave levend in het na­tuurlijk ritme van het bestaan, midwinter en lentebegin op deze wijze: een wilde dans van maskers en schimmen, reeds aan het begin van de winter hier en daar opduikend, met een eerste bloei in de tijd tussen, winter- ­en jaarkentering (naar onze begrippen zo tussen kerstmis en nieuwjaar en op z!n hoogtepunt in de tijd van het toenemende licht en de ontwakende natuur. De dreigingen van de winternacht en de bevrijding van de winterse verstarring, ondergang en overwinning, dood en leven, dit zijn de achter­gronden van het ontstaan van gebruiken, waarin de mensen, hunkerend naar het veilig lichte, en de spanning van het donker belevend, zich ont-spanden.

In de tijd van maskers en schimmen werden voor een korte tijd de strenge sociale wetten van de groep opgeheven; vooral de ongehuwde jonge mannen, anders strikt gebonden in hun optreden, werden op vele plaatsen de dragers van deze gebruiken (zoals nu nog op sommige Waddeneilanden tijdens ’t  “Sinterom“).

Bij deze “natuurlijke” achtergrond van de feesten kwam nog een heel directe voorstelling, waardoor deze gebruiken misschien pas goed konden worte­len, dat was de dodencultus. De verering van de doden, het geloof in hun door de dood niet te breken werkzame kracht, deze gedachte vinden wij over­al op aarde aanwezig, bij alle volkeren, in alle tijdperken. En altijd is er een tegenstrijdig beleven, aan de ene kant is er de vrees, want de bo­venaardse kennis, de bovenmenselijke macht waarover de doden beschikken, is onpeilbaar voor de mens. Aan de andere kant houden de mensen van de doden: het zijn de voorouders van het eigen leven, aan wie zij alles te dan­ken hebben, en aan wie ook een toekomstig welslagen te danken zal zijn.

Als nu de geesten,  de zielen der doden, in de nachten tussen midwinter en jaarwisseling onder de hoede van vrouw Ferchta, d.i. vrouw Holle, naar het aardse terugkeren om te kijken bij de levenden, waren de mensen werkelijk bereid de berechting door de “wilde Jagd” te aanvaarden, hun straf op zich te nemen, en zo verzoend te worden en gerechtigd verdere zegeningen te ontvangen. Huis en hofstede hadden van onder tot boven in orde te zijn, luiheid werd door vrouw Holle gestraft (je kunt in Noord-Duitsland nog me­nige huisvrouw haar waslijnen voor de Kerstnacht binnen zien halen. Op je vraag hoor je dan: “dat brengt ongeluk voor t nieuwe jaar.’ Jazeker: als vrouw Holle en de haren erin verward mochten raken.) Je mocht geen nieuws­gierigheid naar het wezen buiten tonen; symbolisch vinden wij dat nog te­rug b.v. op Texel en Terschelling, waar in de winternamiddagen de straten door “Sinterklazen” en anderen worden schoongeveegd. Wie zich na bet aanbreken van de avond nog buiten vertoont, kan door de “witte midwintermannen” (gehuld in witte lakens en met een dicht net voor het  gezicht) en de afschuwelijke heks “Rix van t Oerd” op de mesthoop gedragen worden. Op uitnodiging komen deze midwintermannen en hun gevolg graag in huis voor een versnapering: het dodenoffer. (In Finland houdt men op sommige boer­derijen nog vast aan een oud jul-gebruik: in een hoek van de kamer, of in een apart vertrekje, wordt een tafel gedekt met alles wat het boerengezin tijdens dit ‘oogstfeest’ nuttigt – voor de dode zielen. En opdat niemand deze nachtelijke gasten zou horen – ‘dat is onbehoorlijk’ – wordt de kamer dik met stro uitgelegd.)

Deze kosmische en mythische voorstellingen zijn het in wezen, die tijdens deze donkere weken worden na-voltrokken met deze masker-optredingen: mas­ker: dat is het woord “masca” van de Longobarden en betekent oorspronke­lijk het net, waarmee de doden omhuld werden;  later omschreef men de terugkerende “boze” geest zelf met “masca”. Het masker vervreemdde zijn drager van de rest van de groep. Daardoor werd, wat dit maskerwezen deed en zei, des te indringender ervaren en beleefd door deze gemeenschap. (Het kon zelfs gebeuren, dat de beleving van zo’n masker als belichaming van een gestalte uit andere kosmische regionen zo sterk was, dat – nog in de 18e eeuw – iemand, die in de vermomming van het Ferchta-masker overleed, geen christelijke begrafenis kreeg.)

Maar het is niet alleen deze duister-dramatische stroming, die is geworden tot de “dolle dagen” van onze tijd. Er is nog een andere, en die heeft ons naar men aanneemt, de naam van het feest gebracht: carnaval. Een stroming van heel ver, uit het oude Babylonië.

Daar was het ’t feest van de landbouwers, de viering van de komende lente en de terugkerende zon: de zon had haar kracht ingeboet, de natuur was ge­storven – maar nu, met het stijgende licht, werd alles weer herboren. Men dacht het  heelal als een oceaan, waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer; de weg van de jaarlijkse tocht, die door de dierenriem leidde, om te eindigen in een zwart gat, nl. dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Daar was voor de Babyloniërs en Sumeriërs de “Zee van het dode Water”, het rijk van de dood. Deze voorstelling vinden wij beschreven in het Gilgamesj-epos:  de held,  Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek -is op zoek naar onsterfelijk­heid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water,  om te sterven en uit de dood te herrijzen.

Tijdens de lentevieringen werden in Babylonië optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur werden meegevoerd.  Ook het goden­beeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over t wa­ter naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meege­voerd in de stoet langs de hoofdstraat van de stad: zo werd de reis van de zonnegod over de wereldoceaan naar het dodenrijk, aan het langs de weg zich verdringende volk getoond (een eerste schouw—burg).  Boot op wielen of te wel “carrus navalis”. Carnaval.

De Grieken namen deze gebruiken over: bij hen echter was Dionysos de god van het ontluikende leven,  die op de boot werd neergezet, vergezeld door een vrolijke saterschare.  De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd met grote maaltijden,  dans en drinkgelagen. Maar ook hier was het niet  al­leen het feest van de lente,  ook hier een viering ter nagedachtenis van de doden: het leven overwint de dood,  zoals de lente de winter overwint. Ge­leidelijk aan werd het aantal personages op deze “carrus navalis” uitge­breid,  en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling: het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over.  (Onze praalwagens van het bloemencorso, in Babylonië hebben zij hun oorsprong).

Toen de Romeinen Germaans gebied introkken en de eerste steden stichtten, bv. Keulen, maakten ook de gebruiken van hun lenteviering hier hun entree. En hier begon “ons” carnaval: Germaanse schimmen en maskers met hun strak en straffend optreden versmolten, of bestonden naast het uitbundige lentevieren uit verre landen.

Carnaval is niets voor ons noorderlingen? Toch vieren wij nog een klein restje carnaval, als wij op oudejaarsavond naar Wim Kan luisteren, naar zijn schertsend of bijtend relativeren van het dagelijks gebeuren. En als wij, rond de jaarwisseling, een lijstje met goede voornemens schetsen, dan zijn wij, als onze voorvaderen, in gevecht met het boze duister, ver­langen naar licht en helderheid. Onze tijd heeft een ander licht zien ver­schijnen, dat zijn boodschap van verlossing en verzoening uitstraalt boven ons bestaan: het licht van het kerstgebeuren.

Carnaval – we mogen het best een beetje meebeleven met onze kinderen, dit heidens-heilige feest, ter nagedachtenis aan ons verleden.

(zie ook: “Carnaval”  door Boris Raptschinsky;
en “Ons eigen volk in het feestelijk jaar” van D.J. van der Ven)

 E.Eshuis-Schütt, schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool in febrauri, jaar onbekend.
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

86-83

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (8)

.

CARNAVAL

Eind februari* is het weer zo ver. Het carnavalsfeest. Het feest van de maskers, van hossen en drinken, dansen en “anders” zijn. Een zeer oud volksfeest .
Van oorsprong een nieuwjaarsfeest. Tel maar mee: september betekent ze­vende, maar is de 9e  maand, oktober betekent achtste, maar is de 10e  maand, november 9e, maar is elfde, december 10e,  maar is de twaalfde maand. Januari en februari waren tot 450 v. Chr. de elfde en de twaalfde maand. Vandaar ook dat februari 28 of 29 dagen telt om het jaar sluitend te maken. Logisch gesproken begint het nieuwe jaar toch ook met de lente.

Enerzijds is het een initiatiefeest.
Jongeren moesten drie dagen leven naar voorvaderlijke normen. Men kleed­de zich daardoor in oude kleren. Dus 3  dagen in het gareel lopen, i.p.v. eruit. Zo zou de intrede in de volwassenheid geen teleurstelling zijn.
Anderzijds is carnaval het feest van de overwinning van de zomer op de winter, van leven op de dood.

Net als het oudejaarsfeest een dodenfeest is. En omdat de gestorvenen meevierden maskeerde men zich uit angst voor hen.

In oude agrarische culturen betekende de terugkeer van de zon, de bevruch­ting van de aarde. Dit werd gezien als een heilig huwelijk. We vinden dat o.a.terug bij de Germanen. Jaarlijks werd daar het huwelijk vol­trokken tussen Godin Nerthus, de aardemoeder, en een hoge priester. Daarna reisde zij onder kleden bedekt in een schip met wielen ( de god­heid ging over water en land) door ossen getrokken door het land. Dan rustten de wapenen en de strijd en was er feest en vreugde overal. Als teken van verering der godheid werden rond het schip dwaze dansen en mas­keraden uitgevoerd. Aan het eind van het feest wordt zij op een geheime plaats in zee gewassen, evenals de feestgangers die met nieuwe verwach­ting als nieuwe mensen uit het water komen.

Dit zie je ook bij de afsluiting van het carnaval, als in de vastennacht om 24.00 uur de maskers af worden gezet en de periode van inkeer begint. Dit kosmische huwelijk werd ook op andere manieren nagebootst. Zo lieten tal van volken brandende wielen van de berg afrollen.  In Lim­burg worden nog vastenavondvuren ontstoken om boze geesten te weren, de lucht te zuiveren en het land vruchtbaar te maken onder gelui van klokken, geschreeuw en ander lawaai.

De “Noorlanders” stuurden tijdens de koude lange winternachten boten naar de bergtoppen om de zon te halen.

Nerthus’ schip vinden we nu nog in onze carnavalsoptocht terug, als de zogenaamde “Blauwe Schuit.” Van haar komt ook de naam carnaval, afkomstig van carrus navalis, het wagenschip, het narrenschip. Niet van de humo­ristische uitdrukking der oude kloostertaal “Carne en vale, vlees vaar­wel” , want dat was alleen voor de rijke kloosterlingen weggelegd. Blauw is de kleur van de zotheid.

Carnaval is een oud volksfeest, dat vroeger zelfs in heel Nederland ver­breid is geweest. De kerk heeft zich aanvankelijk tegen het feest verzet, maar daar dat niet lukte is men er vervolgens toe overgegaan dat feest ± 1250 in de kerk te integreren. Door de structuurveranderingen, de verlichting, het rationalisme e.d.  was het in de 18de eeuw met het carnaval boven de rivieren praktisch gedaan. In het zuiden en de rest van West-Europa leidde het een zieltogend bestaan.

Maar door de romantiek komt het carnaval door tal van feesten van Bour­gondische en Duitse vorsten weer terug, en nu met duidelijke sporen van antieke tradities. Zo kennen wij prins carnaval die op het raadhuis wordt ontvangen en ten teken van zijn heerschappij de stadsleutels ont­vangt. Een Babylonische Priesterkoning heeft ± 2600 v. Chr. voor ons vastgelegd dat tijdens hun nieuwjaarsfeest omtrent de lente een rolwisse­ling van meesters en slaven plaatsvindt. In een optocht met een scheepswagen wordt een misdadiger meegevoerd die enkele dagen de rol van koning mag spelen, maar aan het eind van het feest wordt geofferd voor de zonden van het volk. Zo zou men het nieuwe jaar met een schone lei kunnen begin­nen. Dit gebeuren stemde de God van de vruchtbaarheid mild. Vergelijk dit ook met het oplaten van de Schinveldse Geit, het ver­drinken van het Mooswief (Groentevrouw) in Maastricht, van Bacchus in Roermond en het begraven van Knillis in Den Bosch.

Dat vindt allemaal plaats op Vastenavond, de avond, de dag, de dagen die aan de Vasten, dus Aswoensdag voorafgaan.

Vastenavond komt van Vastelavond en vastel komt van het Duitse Faseln, wat gedijen betekent.

De periode van inkeer breekt aan. Van de “dwaasheid” naar de ernst. “Gedenk mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren”, zegt de volgende dag de priester die een askruisje op het voorhoofd zet.

De functie van de maskerade tegenwoordig is het bewerkstelligen van anonimiteit en kortstondig zijn   “wie men wenst te zijn”. Want door het jaar laat men zelden zijn eigen gezicht zien. Velen volstaan ermee te zijn, zoals anderen wensen dat ze zijn. Met het verkleden wil men uit­drukken: “Kijk, dat wat ik aanheb, dat wat jullie zien met je “gewone” ogen is niet het  belangrijkste. Probeer mijn zelf te zien”.

De carnavalsviering is een verlangen naar een gemeenschapsvorm, die al het negatieve mist.
Als carnavalist moet men geen toekijker maar “doener” zijn. Daarom probeert men iedereen in de deelname te betrekken. In de dans­zaal door polonaises, op school door kringspelletjes. Eenieder wordt daardoor opgenomen in de feestvreugde.

Als afsluiting een citaat van Goethe die in zuidelijk Rome het straatcar­naval beschreef: “Wanneer men buiten komt, meent men niet buiten en onder vreemden, maar in een zaal onder bekenden te zijn”.

Ray Kusters,  ‘Rondom’, schoolkrant van vrijeschool Brabant in februari 1982*

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

84-81

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (4)

.

CARNAVAL EEUWENOUD?.

Als we terug willen gaan naar de oorsprong van het carnaval kunnen we starten op het moment dat car­naval een plaats krijgt in het christendom en in het kerkelijk jaar, maar we kunnen ook beginnen bij de oude culturen waarvan de gebruiken door het kerkelijk gezag zo verfoeid werden.

De feesten die rond de carnavalstijd gegeven werden, hadden als kern het uitbeelden van het ster­ven en herrijzen van de natuur. In de oude culturen waren dit feesten rondom de jaarwisseling. Jaarwis­seling in februari?

De verklaring hiervoor ligt voor de hand; kijken we naar de maanden van het jaar, dan zien we dat we vooruit lopen:

september wil zeggen 7e maand en is nu de 9e.
oktober wil zeggen 8e maand en is nu de 10e.
november wil zeggen 9e maand en is nu de 11e.
december wil zeggen 10e maand en is nu de 12e.
Oorspronkelijk waren januari en februari de 11e en de 12e maand.  Het was Julius Caesar die de nieuw­jaarsdatum naar 1 januari verschoof.

Kijken we naar de oude culturen, dan spreken we dus over de feesten rondom de jaarwisseling.

Mesopotamië
Al in 2600 v .C. werd een nieuwjaars­feest gevierd, waarin iedereen gelijk was aan elkaar  en zelfs slaven voor een dag meesters waren over hun meesters.
Elk jaar werd de koning op een pronkschip op wielen door de feestende massa naar de tempel getrokken. De oergedachte van dit feest was dat de godheid zou sterven voor de zonden van het volk. De koning die de godheid uitbeeldde, moest dan ook sterven aan het einde van de dag.

Om die reden moest er elk jaar een nieuwe koning komen. Dat bleek uiteindelijk niet echt praktisch en daarom werd de plaats van de koning op deze dag ingenomen door een misdadiger, die tot koning gekroond werd. Dit ging zo ver dat hij, behalve dat hij op het einde van de dag moest sterven, ook een dag over de harem van de koning beschikken mocht.

Egypte
De legende gaat, dat Keb (de aardgod), Nut (de vrouw van de zonnegod Ra) verleidde. Ra ver­vloekte haar en zei: ‘Nog geen dag in het jaar zult gij kinderen baren!
Toth vond hier wat op en versloeg de maangodin tijdens een damspel en eiste 5 extra dagen bij het jaar op, (dat bestond toen nog uit 360 dagen.) In deze 5 dagen kon Nut kinderen baren en voor de Egyptenaren werden deze dagen er 5, waarin niet gewerkt hoefde te worden en alle serieuze zaken vergeten konden worden.

Griekenland
Tussen de winterzonnewende  (21 dec.) en de dag- en nacht- evening (21 maart.) werd er een groot wagenschip rond getrokken door de steden. Dit schip werd gevolgd door de god Dionysos. Deze optocht was bedoeld om vruchtbaarheid van de goden te vragen en de boze geesten te verjagen. Dit gebeurde met veel kabaal en angstaanjagende maskers.

Romeinse rijk
De Romeinen vierden 7 dagen feest. In deze dagen werden de slaven vrijgelaten en werd een schijnkoning benoemd. Deze schijnkoning stond hetzelfde lot te wachten als de Mesopotamische koningen.
Hij die de boon in de koek kreeg, had het geluk of de pech om tot koning gekroond te worden.
De koning werd begeleid door mensen, verkleed in wolfsvellen om ook weer al het kwade te verdrijven, zodat het nieuwe jaar “schoon” begonnen kon worden.

Germanen
De Germanen vierden het jul-of joelfeest; het feest van de geboorte van de zon. Hierbij werd een beeld van de god Frey op een schip op wielen voortgetrokken, begeleid door mannen, verkleed als vrouwen of dieren.
Op het schip werd het huwelijk tussen Frey en een priesteres nagebootst, dit als een uitnodiging voor de goden om ook deel te nemen aan het feest.

In het huidige carnaval vinden we nog veel terug van de oude gebruiken:

– Het benoemen van een prins of vorst
– De praalwagens
– Iedereen is gelijk
– Geboorte en sterven  =  Zondeschuld.

De christelijke kerk heeft lang geleden geprobeerd deze gewoonten uit te bannen, maar ondanks alle verboden en straffen, die gegeven werden voor deze feesten, ging het volk er gewoon mee door. De enige oplossing was om het feest te kerstenen.

Het woord carnaval ontstond: carrus navalis-scheepswagen.

Waarom nou een schip?

Alles is omgekeerd met carnaval: dus het schip ging niet te water, maar over land.

Rond carnaval ontstonden verenigingennarrengezel­schappen die we nu nog terug vinden in de carnavals­verenigingen.

Vooral in West-Europa werd carnaval gevierd.  Het feest heeft zich verbreid door kolonialisatie en emigratie. In Nederland vinden we het carnavalsfeest vooral terug onder de grote rivieren; dit komt door de invloed van Luther en Calvijn in het noorden van ons land, die het feest verfoeiden. Ook in Gelderland werd het feest verboden, in 1597.
Toch probeerden mensen stiekem het feest te vieren. Toen het-veel later,-door beter vervoer mogelijk was om het feest in andere plaatsen mee te vieren, kwam het carnavalsfeest enigszins terug in Gelderland. In Nijmegen is in 1948 weer een openbare viering geweest, georganiseerd door de Blauwe Schuit; een vereniging die nu nog bestaat. Deze viering was nog heel voorzichtig maar in 1952 kwam de optocht weer terug en daarmee het echte carnavalsfeest.

(Artikel uit een schoolkrant. Plaats en datum onbekend.
Jiska van Rijn. Oud-leerling,PABO-student.
Bronnen: Carnaval in Nederland en België. Alaaf,Spectrum boek.)

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

 

80-77

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (3)

.

CARNAVAL, DRIE HELSE DAGEN

Het smalle bospaadje lijkt nog smaller geworden: de hoge struiken aan weers­kanten buigen zwaar voorover, bela­den met dik beijzelde takken en dorre bladeren. Ieder blad is bedekt met een doorzichtig glazen blad van exact de­zelfde vorm. De grond is bedekt met een harde ijslaag, vol bobbels en kui­len. Als je een tak aanraakt, geeft dat een vreemd klirrend geluid. Er is niet veel wind deze barre weken; alleen tegen de avond gaat het wel eens waaien. Dan ruist er door de toppen van de hoge beuken een wonderlijke muziek: al die beijzelde takken en twijgjes klingelen tegen elkaar. Als je er lang naar luistert, voel je een huivering langs je rug lopen, zo onheilspellend klinkt dat krakende geluid van dia­manten takken. Deze verijzing alom, deze langdurige verstarring van alle be­weging en leven is eigenlijk nauwelijks te verdragen.

Soms valt er weer sneeuw en dat brengt ontspanning. Een zachte, witte deken legt zich over die gladde, harde onderlaag. Dan kun je zelf ook weer geloven en hopen, dat niet alle levens­sappen voor altijd zijn gestold. Je kunt er weer op vertrouwen dat dit alles eens voorbij zal zijn, dat eens de zon genoeg kracht zal hebben om de ijs­korst te laten smelten, en dat de lente weer zal aanbreken.

In de maand februari beleven we een merkwaardige tijd tussen twee jaar­feesten in. Het is de maand van het carnaval, het grote verkleedfeest. Achter ons ligt de maand waarin we de drie Wijzen uit het Oosten volgden op hun tocht naar het Christuskind. Voor ons ligt de lijdenstijd. Als ik denk aan een jaarfeest, denk ik onwillekeurig allereerst aan de vreugde die bij een feest hoort. Met jonge kin­deren trachten we dan ook in de vormgeving van zo’n feest de vreugde te laten beleven. Immers, de zonnige kant, de lichtzijde is voor hen belang­rijk, en bij de meeste jaarfeesten is dat ook niet moeilijk te realiseren. Als we bij de herfst beginnen, met het Michaëlsfeest, kunnen we ervaren dat tot en met de kersttijd een stralend, moedgevend licht overheerst in de rij van jaarfeesten. Het innerlijk licht wordt sterker naarmate het licht bui­ten in de natuur afneemt. Met de overgang van het oude naar het nieuwe jaar, met het inzetten van de driekoningentijd is het echter of er zich langzaam iets donkers schuift tussen ons en het licht. Het lijkt of het licht minder sterk wordt, in tegen­stelling tot wat we waarnemen buiten: daar zien we juist het zonlicht terug­komen, de dagen worden langer. In februari gaan we dat echt al merken, en dat wordt steeds duidelijker
naar­mate we het lentepunt naderen. En dan, juist in de tijd dat we na een meer of minder barre winter vol ver­langen uitkijken naar de eerste lente­bloemen – juist dan beleven we wat de jaarfeesten betreft, de donkerste tijd van het jaar: de lijdenstijd, 6 weken volgens de traditie van de rooms-katholieke kerk, 4 weken volgens de nieuwe inzetting van de Christenge­meenschap.

Het licht dat de drie wijze koningen uit het Oosten uitstralen, konden we nog wel doorgeven aan de kinderen in de vormgeving van het feest. Maar de ontmoeting met Herodes blijkt essen­tieel te zijn. Vanaf dat moment ver­andert er iets. Allen die zoeken naar vormen om jaarfeesten te vieren, mer­ken dat de jaarfeesten die nu voor ons liggen, steeds moeilijker te hanteren zijn. Lijden, dood, opstanding, Hemel­vaart, Pinksteren – het zijn inhouden die horen bij de wereld van de volwas­senen, bij het innerlijk van de mens, bij een ‘binnen-wereld’ die een jong kind nog niet kent.

Je zou misschien zelfs kunnen zeggen, dat de uiterlijke vormgeving van de komende jaarfeesten minder belang­rijk wordt ten opzichte van wat er in­nerlijk, in de ziel van de mens aan vorm ontstaat. Voor de viering met kinderen grijpen we terug naar oude gebruiken of het lentegebeuren in de natuur. Dat bevredigt ons niet, maar het hoort wel bij de lichte ‘paradijse­lijke’ toestand van kinderen. Het ele­ment waar we als volwassenen mee te maken krijgen, is ‘na-paradijselijk’. De drie Wijzen uit het Oosten ontmoe­ten in Jeruzalem het boze, maar zij er­varen dit niet bewust. Zij zijn zo ver­vuld van lichtkracht, dat het boze hen niet raakt. Zij herkennen het zelfs niet. Een engel moet hen daarop wij­zen in de droom, en dan gaan zij langs een andere weg naar hun land terug, gehoorzaam aan dat goddelijk bevel. Het is echter de vierde koning die ‘het boze’ in al zijn vormen bewust onder ogen moet leren zien. Hij zoekt zijn weg tussen licht en duisternis. Samen met hem naderen we nu een tijd van diepste vertwijfeling, de zwartste tijd van het jaar. Maar voordat we zover zijn, ontmoeten we eerst nog dat merkwaardige feest van carnaval.

Van oudsher heeft daar dat feest ge­staan, op die plaats in het jaar. Vroe­ger heette het Vastenavond met allerlei gebruiken daaromheen. Van lieverlee is dat van naam veranderd en ook de tijdsduur is gewijzigd. Het eigenlijke carnaval duurt drie etmalen, maar het regime van de vele Prinsen beslaat en­kele maanden. Op de dag dat de
kin­deren langs de huizen trekken met lichtende lampionnen en uitgeholde knolrapen, op de dag van Sint-Martinus, de elfde van de elfde maand, begint in de streken waar carnavalsverenigingen zijn, de regering van een nieuwe Prins Carnaval. In december duiken al deze prinsen onder, maar in januari laten ze weer van zich horen. Hun macht groeit snel naar een hoogtepunt toe en eindigt dan abrupt in de nacht voor Aswoensdag. Het einde van een schim­menrijk.

Waarom staat carnaval op dit punt in het jaar? Kunnen we ergens houvast vinden om dit raadselachtige feest zin te geven, al was het alleen maar voor onszelf? Misschien vinden we aankno­pingspunten in het gebeuren zelf. Het geheel doet ons aan als een bonte ver­kleedpartij. Ieder die eraan meedoet, trekt een kostuum aan dat hij in het gewone leven niet draagt en ook nooit dragen zal! Het is of iedereen zijn eigen alledaagse persoon enige dagen wil wegstoppen, wil doen vergeten, en zich overgeeft aan andersoortige ‘per­sonae’.

Door het dragen van maskers in aller­lei vorm en kleur wordt dat element van verstoppen en vermommen nog versterkt. Voor wie of wat wil men zich verstoppen, voor wie zich verber­gen achter een masker? En wat ge­beurt er als je jezelf verliest in de roes van het carnavalsfestijn, als je meegaat in de deinende massa van carnavalsgasten? Wat raakt er ‘op drift’ als je ‘alle remmen’ los laat? Het lijkt op een bewust gezochte confrontatie met de ‘onderwereld’ in jezelf. Een averechtse wereld, waar alle nor­male, menselijke afspraken en normen niet meer gelden of in hun tegendeel verkeren. De hele maatschappij wordt voor korte tijd ‘ont-regelt’. Drie dagen lang duurt dit feest van zotten en dwazen waarbij alles op zijn kop staat. Drie dagen lang leef je in een roes van ‘hossen en dweilen’, en dan word je op een ochtend wakker op kantoor met hoofdpijn en een schorre keel.

Sneeuwwit en rozerood
In het sprookje van ‘Sneeuwwitje en Rozerood’ horen we wat er gebeurt als tegen het voorjaar ijs en sneeuw gaan smelten. Dan komen ‘de boze dwer­gen’ uit de aarde naar boven gekropen en vallen ons lastig. Zij roven onze ‘schatten’ waar ze maar kunnen. En wat ze eenmaal hebben, laten ze niet zo gemakkelijk meer los.
Wat gebeurt er als de ijskorst van het normbesef smelt? Dan breken ‘de boze dwergen’ in onszelf los. Het lijkt erop of dat gebeurt tijdens die drie helse dagen voor Aswoensdag. Maar behalve dat het misschien samenhangt met natuurlijke gebeurtenissen, kan het ons ook nog een beeld geven van iets anders, en een vermoeden waarom carnaval onverbrekelijk verbonden is met de lijdenstijd.

Er komt in het leven van ons allen een moment waarop alle aardse regels en normen van geen belang meer lijken. Dat is het moment van het sterven. In het licht van de eeuwigheid ziet al het aardse er anders uit. En in dat ster­vensuur, als de ziel van de mens voor de poort van de dood staat, – dan kan het wel gebeuren dat de ‘boze
dwer­gen’ hun kans waarnemen. Een jonge dominee vertelde over het sterven van zijn oude vader: ‘Hij zag meermalen de demonen op zich afkomen, uit alle hoeken van de kamer waar hij lag. Hij was niet een man van grote woorden of iemand die met de Christelijke waarheden te koop liep. Maar als hij hardop zei: ‘Om Christus wil, ga weg! – dan verdwenen die vreselijke gestal­ten en lieten hem met rust.’ Carnaval is niet zo onschuldig als het er uit ziet, maar wellicht is het ook minder zinloos dan de ‘stijve’ noorde­lingen denken!

Marieke Anschütz, ‘Jonas’ 9 februari 1979>
Dit artikel is waarschijnlijk niet volledig.

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

79-76

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (2)

.

‘BROERTJE NEEM DIE WOLFSKOP EENS UIT DE REISTAS’

een sprookje uit de Oekraïne

In dit sprookje beschermen de bok en de ram zich met wolfsmaskers tegen de echte wolven die zij op hun reis tegenkomen.
Bij het carnavalsfeest maken wij ook graag gebruik van de karakteristieke eigenschappen van dieren.

‘Eigenlijk hullen we ons dagelijks in vermommingen,’ aldus Else Tideman ‘en carnaval kan een hulp zijn om ze te leren doorzien.’

Er waren eens een man en een vrouw, die een bok en een ram hadden. ‘Ach vrouwtje,’ zei de man op een dag, ‘wij zullen de bok en de ram wegjagen. Ze eten maar, ze eten maar, ze maken ons straatarm!’ En hij stak beide armen omhoog en schreeuwde: ‘Vooruit, maak dat je wegkomt! Ik wil jullie niet meer zien!’
De bok en de ram gingen er vandoor. Toen zij ver genoeg van de man verwijderd waren, naaiden zij een stevige reistas. En ze liepen en liepen.

Plotseling zag de ram midden in het veld een wolfskop liggen. Nu was de ram wel sterk, maar dom. En de bok was dapper, maar niet sterk. ‘Ga jij die kop eens halen, ram, jij bent zo sterk!’ ‘Ach nee, doe jij dat even, jij bent zo dapper!’ Tenslotte gingen ze er met hun beiden op af. Ze stopten de wolfskop in de reistas. En ze liepen en ze liepen. Daar zagen ze boven het struikgewas de rode gloed van een vuur. De bok zei: ‘Laten wij daarheen gaan, opdat de wolven ons niet op­eten’. En zij liepen in de richting van het vuur. Wat zagen zij daar? Boven het vuur hing een pan met pap en drie wolven zaten er omheen, geduldig te wachten tot de pap klaar was. ‘Goedendag jongens,’ zei de bok. ‘Goedendag, broertjes, jullie komen op het juiste moment. De pap is nog niet gaar, wij zullen jullie vlees erbij doen.’ Radeloos van angst drukte de ram zich tegen de bok aan. Ook de bok was hevig geschrok­ken, maar hij dacht na. ‘Broertje, neem die wolfskop eens uit de reistas.’ De ram trok de wolfskop tevoorschijn. ‘Nee, die niet, ik be­doel die grotere!’ Voor de tweede maal trok de ram de wolfskop uit de tas. ‘Nee, nee, die nog grotere bedoel ik!’ riep de bok. Toen de poot van de ram voor de derde maal in de tas verdween, werden de drie wolven bang. Hun enige wens was, zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken.

carnaval 1

Eén van de wolven zei: ‘Wat een gezellige kompanije is het hier! Onze pap staat flink te koken. Maar er is geen water om er bij te gieten.
Ik ga maar even een beetje halen’. En weg was hij. ‘Naar de duivel met jullie alle­maal,’ dacht hij. Na een poosje zei de tweede wolf: ‘Het is toch een nietsnut! Waar blijft hij toch met het water? Als hij niet vlug terug komt, brandt de pap aan! Ik ga een dikke twijg van een boom kappen en hem daarmee terugjagen als een hond’. En weg was hij. Maar toen ook hij niet terugkeerde, zei de derde wolf: ‘Ik ga hen zoeken en terug jagen’. En ook hij schoot weg. Intussen zaten de bok en de ram bij het vuur en keken begerig naar de pap. ‘Nu opgelet broertje,’ zei de bok tegen de ram, ‘eerst eten we de pap op en dan nemen we de be­nen’.
De wolven hadden elkaar in het veld teruggevonden en begonnen na te denken. En de eerste, hersteld van de schrik, vroeg ver­baasd: ‘Broeders, waarom hebben wij ons door een ram en een bok bang laten maken? Kom mee, we gaan ze verslinden, die duivels­kinderen!’ De bok en de ram echter hadden de pap opgegeten, het vuur verlaten en wa­ren het bos ingegaan. Daar vonden ze een ge­weldige eikenboom, waar ze in klommen om zich te verstoppen.
De wolven volgden hun sporen en vonden de eik. Ze gingen er onder zitten om te beraad­slagen, hoe ze de bok en de ram konden in­halen. Maar toen één van hen omhoog keek, ontdekte hij hun vijanden tussen het groen! De moedige bok was op de hoogste tak geklommen, doch de bange ram zat een eind daaronder tegen de stam gedrongen. De wolven zeiden tegen hun grootste broe­der: ‘Jij bent de oudste, jij kunt wel een mid­del verzinnen om hen naar beneden te laten komen’. De oudste wolf ging onder de eiken­boom liggen en dacht na. En daarboven zat de ram op zijn tak te bibberen van angst. Het bibberen werd steeds erger – tenslotte kon hij zich niet meer houden en viel omlaag, bovenop de wolf. Maar de bok verloor niét zijn tegenwoordigheid van geest. ‘Vlug, vlug, geef die grootste maar aan mij!’ schreeuwde hij en liet zich hals over kop op de twee andere wolven vallen. Alle drie de wolven sprongen doodsbenauwd overeind en renden weg, of de duivel hen op de hielen zat!

Carnaval
Onlangs was het carnaval, ‘het feest van ver­mommingen.’ Hoe onherkenbaarder men zich inhulde, des te groter was de verrassing wie er tevoorschijn kwam aan het eind van het feest. Carnaval – een feest van in-hullingen en ont­-hullingen. Achter dat kleine aapje, dat met zijn graaihandjes zich alles tracht toe te eige­nen, bleek een bedeesd meisje te zitten en achter het masker van die grote domme reus kwam een scherp getekend, intelligent ge­zicht tevoorschijn. Eigenlijk hullen we ons dagelijks in vermommingen en het is een le­venskunst om deze bij anderen, maar ook bij jezelf, te doorzien. Zou het carnavalsfeest een hulp zijn om dat met vreugde en humor te leren.

Het sprookje begint met het verbreken van een verbinding: de ram en de bok worden uit huis gejaagd. Hoe nu? ’t Zijn toch huisdie­ren? De man en de vrouw zien dat kennelijk niet zo, voor hen hebben deze dieren geen functie. ‘Ze eten maar…’ Ja, een bok en een ram kunnen geen melk geven en geen jongen krijgen – de wol is blijkbaar onbelangrijk. Ze willen ook best hun vrijheid; ze gaan er van­door. Maar het zijn nog prille wezens op zo’n tocht, ze zijn nog niet eerder van huis ge­weest. Ze naaien een reistas om hun ervarin­gen in te stoppen. Daar is de eerste al: een wolfskop. Kennelijk weten ze er vaag iets van, want ze herkennen het boze dier. Dat wordt een stuk reëler als daar een echte kop – het wolfsmasker – is.

Nu komen hun eigenschappen aan het licht: elk voor zich zijn ze niet veel, maar samen zijn ze sterk en dapper.Toch willen ze wel bescherming hebben voor het nachtelijk duister, dat hun belagend voorkomt. Het vuur heeft echter geen beschermingsgloed. Het is een begeertevuur dat daar brandt – uit de ogen van de wolven. De wolven hebben weliswaar een masker van onschuld opgezet – het beeld toont geduld en vredigheid, en er is pap – maar wat ze zeggen is anders! On­middellijk speelt de bok daar op in en ge­bruikt het wolvenmasker. Hij weet de ram ook zo ver te krijgen. Het is kostelijk hoe ze nu hun vraatzucht demonstreren. Maar de wolven hebben geen tegenwoordigheid van geest zoals de bok, ze vallen terug op hun andere negatieve eigenschap: lafheid. Die verbergen ze echter achter een keurig masker van overleg. Eén voor één gaan ze er met een smoes vandoor.

Voor de bok en de ram is de weg nu vrij naar de pap; die past ook beter bij deze prille rei­zigers, die de wijde wereld intrekken… Ze blijven echter de realiteit in het oog houden -na het verorberen van de pap verstoppen ze zich. Ze zoeken het ‘hoger op’, in een boom. Hoewel ze het wolvenmasker gebruiken, worden ze zelf geen wolven; ze zijn verheven boven vraatzucht en lafheid.
Deze lafheid heeft de wolven uit elkaar ge­jaagd en hun vraatzucht brengt hen tenslot­te weer bijeen, onder de boom. En nu ge­beurt het. De ram stort neer op het boze, in een mengeling van weerloosheid en kracht, die hier als zwaartekracht werkt, maar voor de wolven ‘sterkte’ betekent. Onmiddellijk weet de bok de situatie op te pakken door wéér het vervaarlijke wolvenmasker te ge­bruiken. Dat is te veel voor de wolven. Ze slaan op de vlucht. De weg is weer vrij. De ram en de bok gaan verder: ze liepen en ze liepen…

In de wereld van de dieren met hun karakte­ristieke eigenschappen zijn heel wat figuren voor een carnavalsvermomming te vinden. Het grappige van bovenstaand sprookje is dat de dieren – de ram en de bok zelf ook weer van een masker gebruik maken en nog wel van dat van hun tegenstanders, die dan telkens voor hun eigen beeld op de vlucht slaan! Het sprookje is uit ‘De Zonneroos’, sprookjes uit de Oekraine, vertaald uit het Duits, uitgegeven door Kluwer, Deventer. Na een gesprek met mevrouw M. Muntz over de oorspronkelijk Oekraïens-Russische versie van het sprookje van Petnikov (uitgave Krim, Simferopol 1966) is de tekst verder herzien.

Else Tideman,’Jonas’ 18 februari 1983

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten

 

78-75

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (1)

.

CARNAVAL ONTMASKERD

Het was in de kersttijd. Ik was in de keuken bezig de avondmaaltijd voor te bereiden. In de kamer waren de kinderen aan het knutselen met papier en karton. De afgelopen dagen hadden ze vele malen gedeelten van het kerstge­beuren gespeeld, geheel volgens eigen versie en regie. Plotseling vloog de deur open en er sprongen twee gestal­ten naar binnen. Het waren de twee oudste dochters van 9 en 10, met grijnzende duvelsmaskers. Ze dans­ten met sluipende slangbewegingen om mij heen, stootten enkele oergeluiden uit en verdwenen toen weer even geluidloos en vlug als ze gekomen waren. Ietwat verbijsterd stelde ik vast dat deze vertoning een nabootsing moest zijn van de ‘duvel van de echte-lien’ uit het Oberufer Paradijsspel, dat door de leraren van de Vrije School elk jaar voor de kinderen wordt opge­voerd. Naast alle lichte gestalten van het kerstspel wilde het donker ook zijn plaats!

Sacrale oorsprong
Wat is een masker? Het is een gezicht dat het eigen gezicht verbergt. Het is de strakke onbewogenheid van een vastgelegde gelaatsuitdrukking, die de beweeglijkheid van het levende men­sengelaat bedekt. Op mysterieplaatsen, bij rituele dansen, bij heilige handelin­gen werden, en worden in sommige culturen nog steeds, maskers gedragen. Groot en indrukwekkend, vaak angst­aanjagend met grote ogen en tanden, en een open mond waar soms een lan­ge tong uithangt. Alsof daarmee uitge­drukt wordt dat er niet met menselij­ke tong gesproken wordt door de per­soon die het masker draagt. In de tweede eeuw voor Christus be­gonnen de Romeinse toneelspelers maskers te dragen, een wijze van aan­kleding die zij, zoals zoveel, hadden overgenomen van de Griekse tragedie­spelers. Deze maskers heetten in het oude latijn ‘personae’, een woord dat afgeleid is van het werkwoord ‘per­sonare’, hetgeen betekent: erdoorheen klinken. Wat moest daar dan doorheen klinken?

Evenals in Midden-Europa het toneel ontstaan is uit de paasliturgie in de christelijke kerken, heeft ook het Griekse toneel een sacrale oorsprong, namelijk de grote Dionysosfeesten die in maart gevierd werden. In Dionysos beleefden de oude Grieken de aarde, die in de lente uit haar winterslaap wordt gewekt tot nieuw leven. De ge­zongen dialoog tussen de godheid en zijn gezelschap satyrs, het koor van bokkengezellen, werd later uitgebreid met meer personen, en ook met ge­sproken tekst. In de aankleding heeft de tragedie (het woord betekent eigen­lijk ‘bokkenlied’) nog lang het sacrale element behouden. De spelers droegen hoge toneellaarzen, een pruik en een masker van linnen. Merkwaardige mas­kers met lange, gestileerde lokken, vaak een ‘wijdingsband’ om het voorhoofd, en een wijdopen mond, zodat de stem van de speler goed hoorbaar was. Door dit alles moeten de spelers er zeer in­drukwekkend hebben uitgezien, niet naar menselijke maar naar goddelijke maat, en dat was ook de bedoeling. Zij waren middelaar, instrument, het bo­venaardse moest door hen heen klin­ken. Zoiets vraagt een opofferen van de eigen emoties, een leren beheersen van de persoonlijke gevoelens, een dienstbaar maken van jezelf aan de ho­gere machten. Ik neem aan dat de spe­lers een bepaalde oefentijd moesten doormaken die te vergelijken is met een inwijdingsweg. Voordat je in staat was de stem van de godheid door je heen te laten klinken, moest je ge­schoold zijn.

Behalve deze jaarlijks terugkerende op­voeringen waardoor de toeschouwers op bepaalde wijze naar hun ziel ge­louterd werden (de zg. catharsis), wa­ren er ook optochten, heilige omme­gangen. Op vele drinkschalen uit ± 500 voor Chr. zijn afbeeldingen te vinden van de Dionysosfeesten in Athene. Daarop zie je het beeld van de god omgeven door wijnranken, in een schip op wielen, dat rondgereden werd tij­dens de optochten. Ook in de Griekse kolonies, zoals Marseille in Zuid-Frankrijk, werden deze feesten ieder jaar in het begin van de lente gevierd, tot in de christelijke tijd toe. En van daaruit maakte de ‘scheepswagen’, de­ze ‘carrus navalis’ zijn zegetocht door Europa, en bleef bewaard tot op de huidige dag in het grote zottenfeest van carnaval.

Een oorspronkelijk godsdienstig feest werd tot volksgebruik. Bij de verbrei­ding van het Christendom heeft de kerk getracht het godsdienstige ele­ment weer toe te voegen aan de hei­dense gebruiken. In de vastennacht om 12 uur klonk de roep: ‘Maskers af!’ en dat betekende het einde van de feestroes. Vanaf Aswoensdag begon de periode van inkeer en boetedoening.
De tijd van het elkaar zinvol in even­wicht houden van carnaval en vasten­tijd is echter voorbij. Het zijn beide ‘holklinkende vaten’ geworden. De maskers zijn afbeeldingen uit de on­derwereld geworden in plaats van uit de ‘bovenwereld’! Herkennen we dan nog iets in dit verschijnsel van verkle­den en maskers, dat ons vertrouwd is? Als we naar kinderen kijken, weten we het weer. Als kind deden we dat graag, steeds weer een ander kleed om, een andere ‘persona’ opzetten. Er zijn kinderen die heel gemakkelijk van de ene rol in de andere overstappen. Bij anderen gaat dat wat moeizamer. Het is of ze proberen de wereld om hen heen vanuit een steeds wisselend gezichtspunt te bekijken, en deze daar­door leren kennen. Zodra er ook nog kleren en hoofddeksels aan te pas ko­men, wordt de overgave aan de rol groter. Vooral in de kersttijd als de kinderen zich met behulp van eenvou­dige gewaden in de gestalten van het kerstgebeuren mogen inleven, bena­dert wat je daar voor je ogen zich ziet voltrekken, de sacrale oorsprong van het toneel. Het past de volwassene om zich dan met heilige schroom ‘onzicht­baar’ te maken. Wie dat niet kan, wie zich innerlijk niet kan terughouden, zal hoogstens een uiterlijk goed verlo­pend toneelstukje zien, maar het won­der gaat aan hem voorbij.

Het masker bezield
Het masker verbergt iets dat ook ver­borgen wil of moet blijven. Jonge kin­deren hebben nog niets te verbergen. Ze hebben nog geen maskers nodig om een ander te kunnen spelen. Het hoofd kan bedekt worden met een muts of een kroon, maar het gezicht blijft open. Het kind is nog direct doorlaatbaar voor ‘andere stemmen’. Vanaf het 10e jaar verandert dat. Het eigen gevoelsle­ven gaat zich ontplooien, en dan is het fijn om je hoofd eens helemaal in een dierenkop te mogen verbergen, of je ogen die je kwetsbare ziel verraden te verstoppen achter een masker. En hoe is het met ons volwassenen? Dragen wij een masker of zijn wij ‘ons­zelf’? En wat is dan dat ‘onszelf’ en in hoeverre is het verwerpelijk om een masker te dragen? In de loop van ons leven kiezen we een bepaalde vorm van werkzaamheid, een bepaald ‘be­roep’ in de ruimste zin van het woord. Dat beroep, die werkzaamheid vereist een bepaald gedrag, en in het begin kan de poging om zich dat gedrag ei­gen te maken nogal overdreven aan­doen en zelfs enigszins komisch werken. Het nieuwe kleed past nog niet zo goed, en het gewichtige gezicht is nog zo onwennig. Het hangt dan van je ei­gen wil tot ontwikkeling af of je dat ‘masker’ dat je ook als een soort be­scherming draagt, langzamerhand kunt bezielen, van binnenuit tot leven weet te brengen. Dat is een lange weg. Het kost immers vele jaren van ons leven om de grote menselijke deugden tegen de verdrukking in te ontwikkelen. Ie­dere dag kent zijn nederlagen en over­winningen wat dat betreft. Maar dan blijkt in bijzondere levensomstandig­heden of het iemand gelukt is om zich aan het masker te ontwikkelen, al of niet bewust. Want dan pas merk je of je staande blijft, als het beschermende masker af gaat.

Marieke Anschütz,  ‘Jonas’ 8 februari 1980.
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten
.

77-74

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.