Tagarchief: verkleden

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (18)

.

Carnaval

DE DIERENFAMILIE IN DE SLAAPZAK

Carnaval vieren is niet voor iedereen een even vanzelfsprekende zaak. Of het een feest is waar je je helemaal in thuisvoelt of dat je het als een vreemd massaal gebeuren van buitenaf bekijkt, hangt sterk samen met de geografische plek waar je opgroeit. Voor kinderen is – onder of boven de grote rivieren – vooral het ver­kleden een aantrekkelijk aspect van het carnavalsfeest.

Hannelie Glasl beschrijft hoe zij in de carnavalstijd aan de hand van een Russisch sprookje deze verkleedpartij een bijzondere vorm gaf. Iedereen krijgt hierbij -met heel eenvoudige middelen – de gelegenheid om even helemaal een ander te zijn.

Vol verwachting kijken mij drie paar kinder­ogen aan. Wij zitten in een kring op de grond en ik begin te vertellen. Het wordt een Rus­sisch wintersprookje dat wij straks met z’n allen gaan spelen.

Midden in de winter liep er eens een oude man door het bos en zijn hondje liep achter hem aan. En terwijl die twee daar zo wandel­den, viel er een want in de sneeuw.
Een muis­je tripte er naar toe, glipte vlug naar binnen en riep: ‘Dit is een prachtig huis voor mij!’
Al heel gauw stond er een kikker voor de deur, die vroeg: ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel! En wie ben jij?’ ‘Ik ben de kikker Hippelbeen! Mag ik bij je komen?’
‘Dat is goed. Klim maar naar binnen!’ Zo zaten de muis en de kikker heel gezellig met z’n tweeën in de want.
Na een poosje kwam er een haasje voorbij. Die bleef voor de want staan en vroeg: ‘Wie woont er in de­ze want?’
‘Het muisje Haastje-snel en de kikker Hippel­been En wie ben jij?’ ‘Ik ben het haasje Vlugtervoet en ik zou heel graag bij jullie in de want komen wonen!’ ‘Dat is goed, kom maar binnen!’
Nu woonden ze met z’n drieën in de want en hadden het er lekker warm. Toen kwam er een vosje aanstappen. ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel, de kikker Hippel­been en het haasje Vlugtervoet en wie ben
jij?
‘Ik ben het vosje Guldenvel. Laat mij ook binnenkomen’
Nu zaten ze met z’n vieren in de want en ke­ken vandaar de wereld in. Plotseling kwam er een wolf aanzetten. Hij stond stil voor de want en vroeg: ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel, kikker Hippelbeen, het haasje Vlugtervoet en het vosje Gulden­vel. En wie ben jij?’
‘Ik ben de wolf Nimmerzat. Laat mij er ook in!’ ‘Nou vooruit, dat moet dan maar!’
De wolf klom bij ze in de wanten toen wa­ren ze met z’n vijven. Maar toen kwam er uit het midden van het bos een everzwijn!
‘Wie woont er in deze want?’ knorde hij. ‘Het muisje Haastje-snel, de kikker Hippel­been, het haasje Vlugtervoet, het vosje Gul­denvel en de wolf Nimmerzat! En wie ben jij?’
‘Ik ben het everzwijn Platneus, ik zou hier ook graag wonen!’

Ja ze wilden graag allemaal warm en gezellig in de want zitten.

‘O, je bent veel te dik! Je kunt er vast niet in!’
Ach wel ja! Ik zal mijn best wel doen, vind het nou maar goed!’
‘Probeer het dan maar. Wij willen je niet bui­ten laten staan!’

En toen zaten ze met zijn zessen in de want en hadden het heel benauwd. Zij konden zich helemaal niet bewegen. Maar daar kraak­te het in de takken en met lompe stappen kwam er een beer tevoorschijn. Luid, zodat men het door het bos hoorde schallen, brul­de hij: ‘Wie woont er in deze want?’ ‘Het muisje Haastje-snel, de kikker Hippel­been, het haasje Vlugtervoet, het vosje Gul­denvel, de wolf Nimmerzat en het everzwijn Platneus. En wie ben jij?’ ‘Boeh, boeh, boeh… dat zijn er een heleboel. Ik ben de beer, Meester Logvoet. Laat mij er in.’

‘Wij kunnen je niet binnen laten, wij hebben geen plaats!’

‘Ga dan een beetje dichter bij elkaar zitten.’ ‘Goed, maar maak jij je dan een beetje klein!’ En warempel, de beer perste zich ook nog naar binnen. Nu waren ze met z’n zevenen in de want. En de want kraakte aan alle kanten, omdat hij zo vol was.

Intussen had de oude man gemerkt dat hij zijn want had verloren. Hij keerde zich om en begon hem te zoeken. Zijn hondje liep vooruit en snuffelde overal rond. En plotse­ling ontdekte het de want. Zij lag in de sneeuw en bewoog alsof zij levend was. Het hondje begon te blaffen. ‘Waf,-waf-waf!’ De zeven dieren in de want schrokken, sprongen vlug naar buiten en gingen er in het bos vandoor. Toen kwam de oude man en raapte de want op.

Nu is het even sturen welk kind er welk dier gaat maken. Maar als ze horen dat iedereen elk dier eens zal mogen spelen is alles goed. Wij moeten immers alles een keer proberen! Nu aan het werk met karton, schaar en lijm. Hoe zien de verschillende dieren er eigenlijk uit? Wat voor eigenaardigheden hebben ze en hoe kun je die het beste tot uitdrukking la­ten komen? Er volgt een levendige discussie en het is verrassend hoe snel de maskers klaar zijn en hoe treffend ze er uit zien!
Na het werk worden de maskers opgezet en een laatste hand gelegd aan de kleding. Men vindt dat de muis nog een staart nodig heeft. Zelfs onze elfjarige kruipt tevreden knorrend onder de tafel rond.

Onze tweede klasser sluipt als slimme vos door de kamer, terwijl de kleuter piepend verschrikt weg roetscht uit angst verschalkt te worden. Vader loopt met grote stappen met een slaapzak onder de arm en laat af en toe een luid gekef horen. Dan valt de ‘want’ en gniffelend wordt de woning door de muis betrokken. Uiterst gespannen wacht ieder zijn zijn beurt af.

Uiteindelijk zit dan, nadat iedereen zijn plek­je veroverd heeft, de hele dierenfamilie opge­propt in de slaapzak – die als want dient -totdat de hond van de oude man ons alle kanten op doet stuiven.

Wat heeft mij er eigenlijk toe gebracht om juist dit sprookje te kiezen voor onze carnavalsviering?
Kinderen vinden het heerlijk om zich te verkleden, om in de ‘huid’ van het nieuwsgierige, watervlugge, scharreldiertje de muis te kruipen. Om helemaal de sluwe vos te zijn of de langzame logge beer, het ever­zwijn dat overal in wroet. Hebben zij niet al die dieren in zich?

Wat een ontdekking is het om elkaar in de verschillende gestalten bezig te zien en tóch te beleven wie die ander eigenlijk is, ondanks zijn vermomming. Een belevenis is het om waar te nemen, dat ze een stuk van het dier in zichzelf overwinnen om dan geheel nieuw weer tevoorschijn te komen. Zo hebben wij gezamenlijk geprobeerd gestal­te te geven aan dit heel specifieke jaarfeest. En wanneer het een beetje lukt, is het een geschenk voor ieder van ons.

Aan de slag:
Benodigdheden:
etalagekarton (niet te dik), in de kleuren rood, grijs, bruin, groen;
crêpepapier in de­zelfde kleuren;
schaar, velpon en een nietapparaat.

Bij het maken gaan we uit van een grondpatroon, een mutsje waarop de snuit, de ogen en de oren zijn aangebracht.

Knip een reep karton van 7 cm breed en zo lang als de omtrek van het hoofd. Plak er een reep crêpepa­pier op van circa 30 cm. Doe dit ruim met enige plooien (fig. 1). Plak letter a en b op elkaar. Bind het crêpepapier met een touwtje aan elkaar, zoals een kaboutermuts. Trek vervolgens de muts bin­nenstebuiten (fig. 2 richting pijl trekken). Zo ont­staat er een mutsje (flg. 3). Bij alle dierfiguren wordt er op dit grondpatroon voortgeborduurd. Al­tijd met dit mutsje beginnen.

Muisje:
Grijs mutsje of lichtblauw. Oortjes eventueel rose. Spitse snuit zoals ik bij het vosje beschrijf. Ronde oortjes en eventueel een lange staart. Snorharen lang en ook de haren boven de kraaloog­jes niet vergeten.

Vosje:
Rood mutsje, gele ogen en snorren. Snuit: Cirkel van rood karton met een straal van 13 cm. Er omheen nog een cirkel met een straal van 14 cm. Het gearceerde gedeelte wegknippen, (fig. 4). Plak a en b (fig. 5).
De snuit in het midden van de mutsband plakken (fig. 6).
Twee spitse oren knippen, bovenkant rafelen, dat wil zeggen knipjes in geven en met de schaar er langs trekken, zodat ze wat gebogen komen te staan (zoals je een krul in een lintje maakt op een pakje).
Uit de onderkant van het oor een driehoekje knip­pen, breng beide punten naar elkaar toe, het oor wordt luisterend gevormd (fig. 7). Geef hem sluwe scheve gele ogen, links en rechts van de snuit op de band. Snorren op de snuit, punt­je van de neus zwart maken en haartjes boven de ogen zoals bij het muisje.

Haasje:
Bruin mutsje met twee lange oren, links en rechts aan de band.

Beer:
Bruin mutsje, snuit met plakstrook waar men a op b moet plakken (fig. 9); c inknippen en later naar buiten buigen. Dan naar binnen buigen. Daar moet de zwarte neus overheen geplakt worden (fig. 10, 11 en 12). Ronde oren.

Everzwijn:
Bruin of grijs mutsje. Snuit botter dan bij de beer en met het bekende ‘stopkontact’. Slagtanden er op aanbrengen (fig. 13). Kleine oogjes en vrij spitse oren.

Kikker:
Groene muts. Ogen bol bovenop de band (fig. 14) Eventueel kartonnen zwemvliezen aan de handen met touwtjes vastmaken.

U ziet dat het er bij het maken niet om gaat dat alles precies volgens voorbeeld gedaan wordt. Het zijn slechts richtlijnen die hier gegeven zijn. Fanta­sie en een beetje handigheid! Veel plezier er mee!

carnaval 15

Hannelie Glasl ‘Jonas’ 20 februari 1981

 

Kan ik er ook nog bij?

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

94-91
Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (17)

.

Carnaval

Schlagers, overvolle cafés en een polonaise op veel te harde muziek: dat zijn meestal de eerste associaties bij het woord carnaval. Heeft het uitbundige feest van de vermomming ook nog iets anders te bieden? Zet iemand die zich verkleedt niet juist een masker af?

Carnaval was ooit een nieuwjaarsfeest; het nieuwe jaar begon in maart. Dat februari ooit de twaalfde maand was, valt af te leiden uit de namen van de maanden die er aan vooraf gaan. In november zit het getal negen, maar het is de elfde maand en, december betekent tiende, maar op de kalender is het de twaalfde maand. De telling is dus twee maanden verschoven en dan klopt het ook dat februari vroeger, dat wil zeggen tot 450 voor Christus, de laatste maand van het jaar was. Dat verklaart tevens waarom februari maar 28 of 29 dagen telt, want aan het eind van het jaar maakte men de telling sluitend.

De traditie om het nieuwe jaar in de lente te laten beginnen is natuurlijk niet zo vreemd. Het jaargetijde kondigt met zijn uitlopende knoppen nieuw leven en dus een nieuw begin aan. Vandaar ook dat er vruchtbaarheidsrituelen aan dit lentefeest gekoppeld werden. In oude agrarische culturen betekende de terugkeer van de zon de bevruchting van de aarde. Het symboliseerde een huwelijk tussen vader zon en moeder aarde. Om het kosmisch huwelijk en de bevruchting van de aarde tot uitdrukking te brengen, lieten sommige volken brandende wielen van heuveltoppen omlaagrollen. Zowel bij de Babyloniërs als bij de oude Egyptenaren en Grieken participeerde het volk in dit huwelijksfeest. Maar ook dichterbij, bij de Germanen kwamen soortgelijke rituele feesten voor.

Nerthus
In een boek over de Germanen beschrijft de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (55-120 na chr.)  hoe er op een bosrijk eiland in de oceaan een gewijde wagen stond in de vorm van een schip. Deze wagen  was bedekt met kleden en was het heiligdom van Nerthus, godin van de vruchtbaarheid. De enige mens die de wagen mocht aanraken, was de hoge priester en alleen hij wist wanneer de godin in haar heiligdom aanwezig was. In de vroege lente leidde de hogepriester de wagenr getrokken door vier ossen, door het land. In de tempel zou de heilige bruiloft tussen de priester en de godin worden voltrokken.

In alle plaatsen die zij met een bezoek waardig keurde, werd uitbundig feest gevierd. Nergens werd een strijd uitgevochten; het was verboden een wapen op te pakken. Om de godin te eren, die zich onder de kleden van haar wagen onzichtbaar hield, wierp men doeken over het gezicht en stak men zich in nieuwe kleren. Het verkleden en het terugtrekken van de persoonlijkheid door het gezicht te bedekken, heeft een duidelijke connectie met het huidige carnaval. Wanneer de wagen na de huwelijksvoltrekking  was teruggekeerd, werden de godin, haar kleed en haar wagen op een geheime plaats in zee gewas­sen. Ook de feestvierders wierpen dan hun doeken af en reinigden zich in zee of in een meer om ‘vernieuwd’ het nieuwe jaar te beginnen.
Van de godin zie je alleen haar voertuig: zelf is ze bedekt. Naar analogie daarvan zou je het menselijk lichaam als ‘voertuig’ kunnen zien en beroep en status als de kleden die ons goddelijke zelf bedekken. In het dagelijks leven zijn wij naar buiten gericht; we ontmoeten andere mensen en oriënteren ons op de weg die wij willen gaan. Door het bedekken van het gezicht kun je nog slechts naar binnen kijkenDaarop zou je bij dit oude lentefeest rond februari – ‘februare’ betekent reinigen-niet alleen van een fysieke, maar ook van een gees­telijke reiniging kunnen spreken. Het huidige car­naval is overigens aan Pasen gekoppeld, waardoor het soms niet in februari, maar in maart valt. Het reinigen van lichaam en geest is ook terug te vin­den in de vastentijd tussen carnaval en Pasen.

Prins carnaval
Ook in het oude Babylon werden nieuwjaarsfees­ten gevierd die veel gemeen hadden met het huidige carnaval. Uit de schriftelijke verslagen van Babylonische priester-koningen blijkt dat men ook daar bijzondere reinigingsrituelen kende, waaruit het fenomeen van prins carnaval te herleiden is. In een bonte optocht toog men rond 2600 voor Christus naar de tempel van Marduk. Rijkversierde scheepswagens op wielen maakten deel uit van de parade, zoals ook nu nog praalwagens en de bekende blauwe schuit onmisbaar zijn in een echte carnavalsoptocht. In  de parade werd een figuur meegevoerd in koninklijke gewaden. Het was een misdadiger die voor drie dagen koning speelde. Hij nam de plaats in van de koning die aan het einde van het feest gedood diende te worden. Zijn dood was een offer aan de god van de vruchtbaarheid. Door te sterven nam de ‘koning’ de zonden van het volk op zich, zodat het volk gereinigd het nieuwe jaar in kon gaan.
Tijdens de feestvreugde in Babylon mocht niemand werken. Op deze dag waren slaven aan hun meesters gelijk en kregen zij evenveel aanzien. Nog steeds gaan prinsessen en boeren, piraten en rechters, clowns en ambtenaren met carnaval hand in hand. Achter het masker is iedereen gelijk, waar geen personen te herkennen zijn, houden rang en status geen stand. Wat vanwege verschillen op de maatschappelijke ladder in het dagelijks leven verzwegen wordt, kan nu met humor worden gezegd of uitgespeeld.
Niet alleen de samen­leving houdt zichzelf een spiegel voor, ook het individu. Wie zijn persoonlijkheid bedekt met kos­tuum en masker, zal ontdekken dat achter de verstarring van het gezicht de mens beweeglijk wordt. We zijn niet wie we verbeelden. Al speel je de burgemeester, al verkleed je je als zodanig, je bent de ander niet. Net zo min drukken uiterlijkheden in het dagelijks leven uit wie we werkelijk zijn. Wij passen ons maar al te vaak aan anderen aan zonder te luisteren wat we:eigenlijk zelf willen, zonder ons af te vragen wie we zelf zijn. We zetten de rem op onze spontaniteit om alles onder controle te houden, houden het gezicht in de plooi en proberen naar de geldende codes te leven.
Wie niet oppast identificeert zich met een zorgvuldig opgebouwde buitenkant.
Wanneer we onze kleding, de buitenste huid, verwisselen en een ander gezicht aannemen door een  masker op te zetten, hoeven we plotseling niet meer te voldoen aan alle verwachtingen die bij deze uiterlijke identiteit horen. Wie blijft er over wanneer je je niet meer kunt verschuilen achter de interessante baan, prestaties en een goed verzorgd uiterlijk wanneer de status is afgelegd? Wat  komt er los als de sociale teugels worden gevierd?
De stijve hark vindt zichzelf wellicht uitbundig dansend terug, de muur­bloem blijkt het stralend middelpunt van het gezelschap en de communicatiedeskundige heeft misschien nauwelijks aanspraak. Er valt veel te ontdekken tijdens het feest van de omkering. Welke bronnen blijven in het dagelijks leven onbenut? In hoeverre ontleen je je ‘kracht’ aan je buitenkant?

Er wordt ontzettend veel gedronken tijdens het carnavalsfeest. Een traditie die al zeer oud is overigens. Tijdens de vereringsfeesten van de god Dionysos in het oude Griekenland, vloeide de wijn rijkelijk. Dionysos was dan ook de god van de wijn en de vruchtbaarheid. En de wijn deed zijn werk. In extatische toe­stand trok een stoet wilde vrouwen, bekleed  met dierenhuiden en voorzien van instru­menten, de bergen in voor hun rituelen. ”Wijn bindt het ver­stand een masker voor en schakelt een te grote nuchterheid uit”, meent T. Fransen in zijn boek Carnaval ont­maskerd? In feite ver­sterkt alcohol de werking die het masker ook al heeft; het maakt de weg vrij voor een andere laag in ons zelf. Alcohol heb je hierbij dus eigenlijk niet nodig. Toegegeven: zonder alcohol is er meer moed nodig om de veiligheid van de controle los te laten. Toch lijkt het mij een gemiste kans wanneer je beneveld en niet bewust de innerlijke omwentelingen ondergaat.

Ware zelf
Door afstand te nemen van de eigen persoon, kunnen we datgene waar we ons in het dagelijkse leven druk om maken, relativeren. Wellicht zien we zo ook wat werkelijk belangrijk voor ons is. Het is de gelegenheid om af te rekenen met alles waar­in je je onvrij hebt gevoeld, omdat je niet jezelf kon zijn. Achter het masker vallen onze eigen maskers af, met het aannemen van een andere identiteit hervinden we het ware zelf. Een bekend verschijnsel in de carnavalsoptocht is een groep jonge vrouwen die zich hebben omgetoverd in verloederde oude wijven. Misschien dat jonge vrouwen het sterkst ervaren dat er vaak niet naar hen, maar naar hun uiterlijke verschijning wordt gekeken. Zoals in Afrikaanse riten maskers gebruikt worden om kwade geesten af te schrikken, zo worden hier de mensen die slechts naar uiterlijkheden kijken afgeschrikt.
Het masker helpt om de uitdaging van carnaval aan te gaan: contact maken van mens tot mens, van wezen tot wezen. Het enige wat een masker niet bedekt, zijn de ogen. En door de ogen spreekt het wezen van de mens. Je kunt je gezicht nog in zulke rare grimassen trekken, de ogen zijn niet te manipuleren. Zo tonen wij, door een masker op te zetten, alleen dat deel dat ons ware zelf niet ver­loochent.
De schrijver Anton van Duinkerken heeft het prachtig verwoord; “Het masker is het symbool van een vervreemding, het is een afscheidsteken. Het ontkent de soevereiniteit van wat het verbergt, om niets te gedogen dan de straling der ziel, die door onthulde ogen licht.”

Patricia Wessels ´Jonas`, nadere gegevens ontbreken.

.

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

93-90

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.