Tagarchief: scheepswagen

VRIJESCHOOL – Spel (6)

.

Henk Sweers, Jonas 16, *16-04-1978
.

Kinderspel als opvoedingsmiddel

Dat zoveel mensen die kinderen moe­ten opvoeden, ouders en
kleuterleid­sters, onderwijzeressen, onderwijzers en pedagogen, nog steeds niet het echte kinderspel- en lied hebben ont­dekt, is een verwonderlijke zaak. Maar het is nog wel te begrijpen, wanneer men bedenkt, dat wij allemaal de erfe­nis dragen van de intellectverheerlijking der vorige eeuw [20e]. Dit verhindert ons om de imaginatieve beelden uit een buitenstoffelijke wereld, waarin het kind nog onbewust leeft, maar van waaruit het nog wel inspiraties ontvan­gen kan, te zien. Ons materialistische, schabloonachtige denken sluit voor ons, volwassenen, die wereld nog maar al te dikwijls af. Onbegrijpelijk echter is het, dat vele dicht(st)ers en letter­kundigen de schoonheid en de poëzie in het echte kinderlied niet kunnen ontdekken. En hoeveel van die dames en heren hebben zich niet geroepen gevoeld om zelf kinderversjes en -lied­jes te maken? Het blijven vrijwel al­tijd ‘liedjes-vóór-het-kind’. Echte
kin­derspelen, liederen-van-het-kind, worden het maar hoogst zelden. De volwassene ziet niet, wat het kind ziet. De volwassene kan alleen in vage
her­inneringsmomenten misschien nog iets beleven van wat het kind voelt. Het is, zoals wijlen Jop Pollmann, de grote propagandist voor het echte kinderlied, heeft gezegd, ‘veel gemakkelijker een goede opera te componeren dan een goed kinderliedje’. Deze neerlandicus-musicoloog wees herhaaldelijk op de natuurlijke, meest­al vijftonige, stemomvang van het kleine kind, op de binding aan de beweging van het spel, op het oertraditionele in het echte kinderspel en de enorme vormende waarde ervan voor het ritmische en melodische gevoel. Hij noemde het ook de allereerste grondslag voor een litterair gezonde smaak.

Dit alles mag conservatief lijken, maar welk kind is niet conservatief? Voor het kind is op aarde alles nieuw. Een nieuw licht schijnt over alle dingen, die voor ons meestal ouwe koek zijn geworden. Is dat nieuwe licht niet de ware creativiteit?

Treffend is het feit, dat de kinderspe­len in Vlaanderen en Noord-Duitsland vrijwel hetzelfde zijn als bij ons in Ne­derland, behoudens enkele varianten die er het eigen karakter aan geven. Hieruit blijkt hun oeroude afkomst. Ook bij de Boerenbevolking in Zuid-Afrika vindt men dezelfde spelen met slechts enkele idiomatische afwijkin­gen. Onze kinderspelen zijn dus zeker sinds de 17e eeuw weinig veranderd. Met iets grotere verschillen treft men ze aan in alle Germaanse taalgebieden en zelfs in die van de Romaanse en Slavi­sche talen. Dit wijst duidelijk op het zeer traditionele karakter van het kin­derspel, op iets boven-nationaals. dat er de bron van is en iets vóór-natio­naals, namelijk de oudheid, waaruit vele kinderspelen stammen.

Laten we eens proberen om met onze ‘volwassen’ ogen een kinderspelletje te bekijken en te zien wat wij, grote mensen, daarin kunnen ontdekken: Een kringspelletje, in deze versie opge­tekend te Delft:

Krui. kruiwagentje
krui maar voort.
Ik heb zo’n aardig wagentje,
dat mij toebehoort.
Waar zal ik het zoeken?
Hier in alle hoeken,
hier en daar
en ik weet niet waar.
‘K heb het al gevonden,
‘K ben het alweer kwijt:
Kom hier, mijn lieve Lammetje,
kom achter mij.

De kinderen staan in een kring. Eén loopt buiten om de kring heen, tegen de zon in. De kring loopt hand in hand met de zon mee, dus naar links. Bij ‘achter mij’ tikt het kind dat buitenom loopt, de drie kinderen aan waar hij of zij op dat moment langs loopt. Bij de derde blijft hij staan. Dit kind sluit achter de eerste aan en geeft hem een hand. (In Delft legt hij 2 handen in de handen van het eerste kind die ze op z’n rug houdt. De volgenden leggen dan hun handen op de heupen van de voorgaande.) Het lied en het spel beginnen opnieuw, nu met 2 kinderen buitenom. Zo gaat het verder ( tot tenslotte de hele eerste kring tegen de zon inloopt en nog maar één kind in het midden is. Dit kind treedt buiten de kring en gaat tegen de zon in lopen. De kring wordt gesloten en loopt nu weer de andere kant op, met de zon mee. Het spel begint opnieuw. Zo kan het eindeloos doorgaan…

In het liedje valt ons allereerst het levendige ritme op. De versregels zijn kort met afwisselend 4 en 3 heffingen. Deze korte regels zijn een kenmerk van de oudste volkspoëzie, van skaldenliederen en toverspreuken. Dan treft ons het gemak en de nonchalance waarmee gerijmd wordt. (In vele steden zingt men in plaats van ‘Ik ben het alweer kwijt’: ‘O wat ben ik blij’ waardoor het volle rijm op ‘mij’ wordt hersteld.)

De melodie is half pentatonisch (5-tonig, zonder grondtoon), – in maat 1 t/m 4, 9 t/m 14, 17 en 18, dat zijn 12 van de 24 maten – half diatonisch.
R. Steiner heeft erop gewezen, dat de toonaard die bij de kleuterleeftijd hoort, de pentatonische is. Deze toonaard vindt men dan ook in de zogenaamde kleuterdreunen (bijvoorbeeld  g,g,a,a,g,g,e enz.) en in sommige kinderspelen. Vele kinderspelen vertonen echter reeds een mengeling van de pentatoniek en onze majeur-toonaard. Zo ook dit spel.

Dit spel is waarschijnlijk een oeroud Vastenavond- of Carnavalsspel, dat reeds lang vergeten is, maar dat in de middeleeuwen nog door volwassenen in ongeveer dezelfde vorm werd ge­speeld. Het ‘kruiwagentje’ van de kin­deren is dan oorspronkelijk de ‘scheepswagen’, de ‘blauwe schuit’, die rond reed en waarin de kringgenoten, de ‘schuitevaarders’ een voor een wer­den opgenomen.

De scheepswagen is het beeld van ons aardse lichaam, het voertuig van ons IK. Het is bij het kind nog maar een ‘kruiwagentje’! Het lammetje is het beeld voor het IK zelf. Denkt u maar aan het beeld van het ‘Lam Gods’ uit het boek der Openbaringen en het woord van Christus: ‘Weid mijn lammeren’, (Luc. 21:15). De voort­durende wisseling in het spel zou dan kunnen wijzen op het afwisselen van een leven tussen dood en geboorte met een leven op aarde tussen geboor­te en dood.

Het kind moet hier op aarde zijn persona, zijn uiterlijk wezen opbouwen. Het zoekt zichzelf, zijn aardse zelf. Waar zal het kind dat zoeken? Hier, in alle hoeken, maar ook daar, het weet niet waar. En hoe dikwijls, wanneer hij het gevoel heeft Zichzelf in zich­zelf gevonden te hebben, is hij het al weer kwijt? Maar zijn ‘lammetje’, zijn hogere IK gaat leidend en besturend achter hem voort… Eigenlijk gebeurt in dit spel ongeveer het volgende: De eenling beweegt zich tegenover de gemeenschap, maar door deze eenling ontstaat een nieuwe ge­meenschap, samengesteld uit dezelfde individualiteiten: Een vernieuwing, een metamorfose van een groep. Het eenzame ik, dat in liefde de anderen in zich opneemt, groeit met de anderen tot een werkelijke gemeenschap
tesamen.

Wat de eeuwen en de cultuurveran­deringen niet vermochten uit te roei­en, dreigt nu door mechanisatie, door overbevolking en door televisie en radio te verdwijnen. Daarmee zou een sterk opvoedingsmiddel te gronde gaan. Het is te hopen, dat iedereen die met kinderen te maken heeft, er alles aan doet om te zorgen, dat het oude en steeds nieuwe, echte kinder­spel behouden blijft.

.

Spel: alle artikelen

.

606-556

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (17)

.

Carnaval

Schlagers, overvolle cafés en een polonaise op veel te harde muziek: dat zijn meestal de eerste associaties bij het woord carnaval. Heeft het uitbundige feest van de vermomming ook nog iets anders te bieden? Zet iemand die zich verkleedt niet juist een masker af?

Carnaval was ooit een nieuwjaarsfeest; het nieuwe jaar begon in maart. Dat februari ooit de twaalfde maand was, valt af te leiden uit de namen van de maanden die er aan vooraf gaan. In november zit het getal negen, maar het is de elfde maand en, december betekent tiende, maar op de kalender is het de twaalfde maand. De telling is dus twee maanden verschoven en dan klopt het ook dat februari vroeger, dat wil zeggen tot 450 voor Christus, de laatste maand van het jaar was. Dat verklaart tevens waarom februari maar 28 of 29 dagen telt, want aan het eind van het jaar maakte men de telling sluitend.

De traditie om het nieuwe jaar in de lente te laten beginnen is natuurlijk niet zo vreemd. Het jaargetijde kondigt met zijn uitlopende knoppen nieuw leven en dus een nieuw begin aan. Vandaar ook dat er vruchtbaarheidsrituelen aan dit lentefeest gekoppeld werden. In oude agrarische culturen betekende de terugkeer van de zon de bevruchting van de aarde. Het symboliseerde een huwelijk tussen vader zon en moeder aarde. Om het kosmisch huwelijk en de bevruchting van de aarde tot uitdrukking te brengen, lieten sommige volken brandende wielen van heuveltoppen omlaagrollen. Zowel bij de Babyloniërs als bij de oude Egyptenaren en Grieken participeerde het volk in dit huwelijksfeest. Maar ook dichterbij, bij de Germanen kwamen soortgelijke rituele feesten voor.

Nerthus
In een boek over de Germanen beschrijft de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (55-120 na chr.)  hoe er op een bosrijk eiland in de oceaan een gewijde wagen stond in de vorm van een schip. Deze wagen  was bedekt met kleden en was het heiligdom van Nerthus, godin van de vruchtbaarheid. De enige mens die de wagen mocht aanraken, was de hoge priester en alleen hij wist wanneer de godin in haar heiligdom aanwezig was. In de vroege lente leidde de hogepriester de wagenr getrokken door vier ossen, door het land. In de tempel zou de heilige bruiloft tussen de priester en de godin worden voltrokken.

In alle plaatsen die zij met een bezoek waardig keurde, werd uitbundig feest gevierd. Nergens werd een strijd uitgevochten; het was verboden een wapen op te pakken. Om de godin te eren, die zich onder de kleden van haar wagen onzichtbaar hield, wierp men doeken over het gezicht en stak men zich in nieuwe kleren. Het verkleden en het terugtrekken van de persoonlijkheid door het gezicht te bedekken, heeft een duidelijke connectie met het huidige carnaval. Wanneer de wagen na de huwelijksvoltrekking  was teruggekeerd, werden de godin, haar kleed en haar wagen op een geheime plaats in zee gewas­sen. Ook de feestvierders wierpen dan hun doeken af en reinigden zich in zee of in een meer om ‘vernieuwd’ het nieuwe jaar te beginnen.
Van de godin zie je alleen haar voertuig: zelf is ze bedekt. Naar analogie daarvan zou je het menselijk lichaam als ‘voertuig’ kunnen zien en beroep en status als de kleden die ons goddelijke zelf bedekken. In het dagelijks leven zijn wij naar buiten gericht; we ontmoeten andere mensen en oriënteren ons op de weg die wij willen gaan. Door het bedekken van het gezicht kun je nog slechts naar binnen kijkenDaarop zou je bij dit oude lentefeest rond februari – ‘februare’ betekent reinigen-niet alleen van een fysieke, maar ook van een gees­telijke reiniging kunnen spreken. Het huidige car­naval is overigens aan Pasen gekoppeld, waardoor het soms niet in februari, maar in maart valt. Het reinigen van lichaam en geest is ook terug te vin­den in de vastentijd tussen carnaval en Pasen.

Prins carnaval
Ook in het oude Babylon werden nieuwjaarsfees­ten gevierd die veel gemeen hadden met het huidige carnaval. Uit de schriftelijke verslagen van Babylonische priester-koningen blijkt dat men ook daar bijzondere reinigingsrituelen kende, waaruit het fenomeen van prins carnaval te herleiden is. In een bonte optocht toog men rond 2600 voor Christus naar de tempel van Marduk. Rijkversierde scheepswagens op wielen maakten deel uit van de parade, zoals ook nu nog praalwagens en de bekende blauwe schuit onmisbaar zijn in een echte carnavalsoptocht. In  de parade werd een figuur meegevoerd in koninklijke gewaden. Het was een misdadiger die voor drie dagen koning speelde. Hij nam de plaats in van de koning die aan het einde van het feest gedood diende te worden. Zijn dood was een offer aan de god van de vruchtbaarheid. Door te sterven nam de ‘koning’ de zonden van het volk op zich, zodat het volk gereinigd het nieuwe jaar in kon gaan.
Tijdens de feestvreugde in Babylon mocht niemand werken. Op deze dag waren slaven aan hun meesters gelijk en kregen zij evenveel aanzien. Nog steeds gaan prinsessen en boeren, piraten en rechters, clowns en ambtenaren met carnaval hand in hand. Achter het masker is iedereen gelijk, waar geen personen te herkennen zijn, houden rang en status geen stand. Wat vanwege verschillen op de maatschappelijke ladder in het dagelijks leven verzwegen wordt, kan nu met humor worden gezegd of uitgespeeld.
Niet alleen de samen­leving houdt zichzelf een spiegel voor, ook het individu. Wie zijn persoonlijkheid bedekt met kos­tuum en masker, zal ontdekken dat achter de verstarring van het gezicht de mens beweeglijk wordt. We zijn niet wie we verbeelden. Al speel je de burgemeester, al verkleed je je als zodanig, je bent de ander niet. Net zo min drukken uiterlijkheden in het dagelijks leven uit wie we werkelijk zijn. Wij passen ons maar al te vaak aan anderen aan zonder te luisteren wat we:eigenlijk zelf willen, zonder ons af te vragen wie we zelf zijn. We zetten de rem op onze spontaniteit om alles onder controle te houden, houden het gezicht in de plooi en proberen naar de geldende codes te leven.
Wie niet oppast identificeert zich met een zorgvuldig opgebouwde buitenkant.
Wanneer we onze kleding, de buitenste huid, verwisselen en een ander gezicht aannemen door een  masker op te zetten, hoeven we plotseling niet meer te voldoen aan alle verwachtingen die bij deze uiterlijke identiteit horen. Wie blijft er over wanneer je je niet meer kunt verschuilen achter de interessante baan, prestaties en een goed verzorgd uiterlijk wanneer de status is afgelegd? Wat  komt er los als de sociale teugels worden gevierd?
De stijve hark vindt zichzelf wellicht uitbundig dansend terug, de muur­bloem blijkt het stralend middelpunt van het gezelschap en de communicatiedeskundige heeft misschien nauwelijks aanspraak. Er valt veel te ontdekken tijdens het feest van de omkering. Welke bronnen blijven in het dagelijks leven onbenut? In hoeverre ontleen je je ‘kracht’ aan je buitenkant?

Er wordt ontzettend veel gedronken tijdens het carnavalsfeest. Een traditie die al zeer oud is overigens. Tijdens de vereringsfeesten van de god Dionysos in het oude Griekenland, vloeide de wijn rijkelijk. Dionysos was dan ook de god van de wijn en de vruchtbaarheid. En de wijn deed zijn werk. In extatische toe­stand trok een stoet wilde vrouwen, bekleed  met dierenhuiden en voorzien van instru­menten, de bergen in voor hun rituelen. ”Wijn bindt het ver­stand een masker voor en schakelt een te grote nuchterheid uit”, meent T. Fransen in zijn boek Carnaval ont­maskerd? In feite ver­sterkt alcohol de werking die het masker ook al heeft; het maakt de weg vrij voor een andere laag in ons zelf. Alcohol heb je hierbij dus eigenlijk niet nodig. Toegegeven: zonder alcohol is er meer moed nodig om de veiligheid van de controle los te laten. Toch lijkt het mij een gemiste kans wanneer je beneveld en niet bewust de innerlijke omwentelingen ondergaat.

Ware zelf
Door afstand te nemen van de eigen persoon, kunnen we datgene waar we ons in het dagelijkse leven druk om maken, relativeren. Wellicht zien we zo ook wat werkelijk belangrijk voor ons is. Het is de gelegenheid om af te rekenen met alles waar­in je je onvrij hebt gevoeld, omdat je niet jezelf kon zijn. Achter het masker vallen onze eigen maskers af, met het aannemen van een andere identiteit hervinden we het ware zelf. Een bekend verschijnsel in de carnavalsoptocht is een groep jonge vrouwen die zich hebben omgetoverd in verloederde oude wijven. Misschien dat jonge vrouwen het sterkst ervaren dat er vaak niet naar hen, maar naar hun uiterlijke verschijning wordt gekeken. Zoals in Afrikaanse riten maskers gebruikt worden om kwade geesten af te schrikken, zo worden hier de mensen die slechts naar uiterlijkheden kijken afgeschrikt.
Het masker helpt om de uitdaging van carnaval aan te gaan: contact maken van mens tot mens, van wezen tot wezen. Het enige wat een masker niet bedekt, zijn de ogen. En door de ogen spreekt het wezen van de mens. Je kunt je gezicht nog in zulke rare grimassen trekken, de ogen zijn niet te manipuleren. Zo tonen wij, door een masker op te zetten, alleen dat deel dat ons ware zelf niet ver­loochent.
De schrijver Anton van Duinkerken heeft het prachtig verwoord; “Het masker is het symbool van een vervreemding, het is een afscheidsteken. Het ontkent de soevereiniteit van wat het verbergt, om niets te gedogen dan de straling der ziel, die door onthulde ogen licht.”

Patricia Wessels ´Jonas`, nadere gegevens ontbreken.

.

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

93-90

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (5)

.

Door tijdelijke ontkenning van de orde is de rest van het jaar draaglijk

CARNAVAL; FEEST VAN OMGEKEERDE WERELD

Carnaval kent diverse rituelen en gebruiken. Een zoektocht naar de oorsprong en de ver­schijningsvormen van dit volksfeest.

Officieel begint het op de elf­de dag van de elfde maand en is het ten einde op Aswoens­dag. Maar carnaval barst over de hele wereld pas echt in al­le hevigheid los vlak voor de sombere veertigdaagse vas­tentijd die aan Pasen vooraf­gaat. Als een soort schade­loosstelling op voorhand? Of om door de tijdelijke ontken­ning van orde en gezag de rest van het jaar draaglijk te maken?

Onder deskundigen lopen de meningen over de oorsprong van carnaval uiteen. Vast staat wel dat door de eeuwen heen al feesten gehouden werden die overeenkomsten hadden met ons huidige car­naval. Theo Fransen en Gerrit Gommans beschrijven in hun boek ‘Alaaf’ dat in Mesopotamië, de bakermat van onze beschaving, op bepaalde da­gen niet mocht worden ge­werkt. Dan was de slavin ge­lijk aan haar meesteres en mocht de slaaf naast zijn meester lopen. Even heerste er een ‘omgekeerde wereld’.

Scheepswagen
Tijdens de Babylonische lente­feesten is er ook sprake van een rolwisseling. In optocht werd op een scheepswagen een misdadiger meegevoerd, men noemde hem Zoganes. Hij werd voor even tot koning gebombardeerd. Op de laatste dag scheurde men hem de ko­ninklijke mantel van het lijf, kreeg hij zweepslagen en werd publiekelijk terechtge­steld.

Volgens Frans Micklinghoff, die onderzoek deed naar de oorsprong van carnaval, was het een zuiveringsrite: de lei­der diende te sterven voor de zonden van zijn onderdanen zodat het volk het nieuwe jaar met een schone lei kon beginnen.
In onze streken kende men een zonnewende- of vruchtbaarheidsfeest. De Germanen vierden in het vroege voorjaar de wedergeboorte van de zon en de Kelten lieten brandende wielen van de berghellingen rollen. Het symboliseerde het begraven van de zon in de ak­ker, om zo verzekerd te zijn van een vruchtbare oogst. In Friesland speelde men in de 15de eeuw het verdrijven van koning Winter en zijn neef Baljuw van Sneeuw. De kwade demonen werden ver­jaagd met vuren, midwinter­blazen en luid geschreeuw. In Frankrijk werden in de Mid­deleeuwen narrenfeesten ge­houden met rondtrekkende societés joyeuses, gekkengezelschappen die schaamteloze voorstellingen gaven en met smerige liedjes en obscene ge­baren de lachlust van de toe­schouwers opwekten.

Boetedoening
Na de kerstening van Europa trok de kerk van leer tegen de heidense gebruiken rond vruchtbaarheids- en zonnego­den. De kerk verklaarde in het jaar 742: ‘Degene die in februari door allerlei minder oirbare handelingen de winter probeert uit te drijven, is geen Christen maar een hei­den’.
Anders dan het hele­maal uit te willen bannen, ei­gende de kerk zich bepaalde elementen toe. De feesten kregen het karakter van een grote schoonmaak, het aan de kaak stellen van zonden en overtredingen. In 1091 stelde de synode van Benevento dat het oeroude lentefeest voortaan gevolgd zou worden door veertig dagen van boete­doening en versterving. In die periode mocht men bepaalde dingen niet eten, onder ande­re vlees.

carnaval 2

Een scene uit de Commedia del’arte. Ook dit opvoeren van de boertige scènes waarbij het dagelijks leven werd bespot, wordt genoemd als voorloper van ons huidige carnaval. In Venetië wordt carnaval nog steeds op deze wijze gevierd. Daar zie je dezer dagen figuren als op de illustratie rondlopen

Talrijk zijn de etymologische verklaringen van het woord carnaval. Er wordt door des­kundigen al jaren met veel animo over gesteggeld. Het woord zou afgeleid zijn van de term ‘carne levare’ (wat vrij vertaald het wegnemen van vlees betekent) die in 1195 voor het eerst in Frank­rijk gebruikt werd. Of van ‘carne vale’ (= vlees vaarwel) Ook wordt er beweerd dat het woord carnaval wel eens te maken kan hebben met de ‘carrus navalis’ = scheepskar. Volgens oude berichten wer­den in de klassieke oudheid al narrenschepen door de stra­ten voortgetrokken en ook in de  Middeleeuwen gebeurde dat.

 Riet Taal,  Brabants Dagblad  2 maart 2003

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

.

81-78

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.