VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (2)

.

‘Broertje, neem die wolfskop eens uit de reistas’

een sprookje uit de Oekraïne

In dit sprookje beschermen de bok en de ram zich met wolfsmaskers tegen de echte wolven die zij op hun reis tegenkomen.
Bij het carnavalsfeest maken wij ook graag gebruik van de karakteristieke eigenschappen van dieren.

‘Eigenlijk hullen we ons dagelijks in vermommingen,’ aldus Else Tideman ‘en carnaval kan een hulp zijn om ze te leren doorzien.’

Er waren eens een man en een vrouw, die een bok en een ram hadden. ‘Ach vrouwtje,’ zei de man op een dag, ‘wij zullen de bok en de ram wegjagen. Ze eten maar, ze eten maar, ze maken ons straatarm!’ En hij stak beide armen omhoog en schreeuwde: ‘Vooruit, maak dat je wegkomt! Ik wil jullie niet meer zien!’
De bok en de ram gingen er vandoor. Toen zij ver genoeg van de man verwijderd waren, naaiden zij een stevige reistas. En ze liepen en liepen.

Plotseling zag de ram midden in het veld een wolfskop liggen. Nu was de ram wel sterk, maar dom. En de bok was dapper, maar niet sterk. ‘Ga jij die kop eens halen, ram, jij bent zo sterk!’ ‘Ach nee, doe jij dat even, jij bent zo dapper!’ Tenslotte gingen ze er met hun beiden op af. Ze stopten de wolfskop in de reistas. En ze liepen en ze liepen. Daar zagen ze boven het struikgewas de rode gloed van een vuur. De bok zei: ‘Laten wij daarheen gaan, opdat de wolven ons niet op­eten’. En zij liepen in de richting van het vuur. Wat zagen zij daar? Boven het vuur hing een pan met pap en drie wolven zaten er omheen, geduldig te wachten tot de pap klaar was. ‘Goedendag jongens,’ zei de bok. ‘Goedendag, broertjes, jullie komen op het juiste moment. De pap is nog niet gaar, wij zullen jullie vlees erbij doen.’ Radeloos van angst drukte de ram zich tegen de bok aan. Ook de bok was hevig geschrok­ken, maar hij dacht na. ‘Broertje, neem die wolfskop eens uit de reistas.’ De ram trok de wolfskop tevoorschijn. ‘Nee, die niet, ik be­doel die grotere!’ Voor de tweede maal trok de ram de wolfskop uit de tas. ‘Nee, nee, die nog grotere bedoel ik!’ riep de bok. Toen de poot van de ram voor de derde maal in de tas verdween, werden de drie wolven bang. Hun enige wens was, zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken.

carnaval 1

Eén van de wolven zei: ‘Wat een gezellige kompanije is het hier! Onze pap staat flink te koken. Maar er is geen water om er bij te gieten.
Ik ga maar even een beetje halen’. En weg was hij. ‘Naar de duivel met jullie alle­maal,’ dacht hij. Na een poosje zei de tweede wolf: ‘Het is toch een nietsnut! Waar blijft hij toch met het water? Als hij niet vlug terug komt, brandt de pap aan! Ik ga een dikke twijg van een boom kappen en hem daarmee terugjagen als een hond’. En weg was hij. Maar toen ook hij niet terugkeerde, zei de derde wolf: ‘Ik ga hen zoeken en terug jagen’. En ook hij schoot weg. Intussen zaten de bok en de ram bij het vuur en keken begerig naar de pap. ‘Nu opgelet broertje,’ zei de bok tegen de ram, ‘eerst eten we de pap op en dan nemen we de be­nen’.
De wolven hadden elkaar in het veld teruggevonden en begonnen na te denken. En de eerste, hersteld van de schrik, vroeg ver­baasd: ‘Broeders, waarom hebben wij ons door een ram en een bok bang laten maken? Kom mee, we gaan ze verslinden, die duivels­kinderen!’ De bok en de ram echter hadden de pap opgegeten, het vuur verlaten en wa­ren het bos ingegaan. Daar vonden ze een ge­weldige eikenboom, waar ze in klommen om zich te verstoppen.
De wolven volgden hun sporen en vonden de eik. Ze gingen er onder zitten om te beraad­slagen, hoe ze de bok en de ram konden in­halen. Maar toen één van hen omhoog keek, ontdekte hij hun vijanden tussen het groen! De moedige bok was op de hoogste tak geklommen, doch de bange ram zat een eind daaronder tegen de stam gedrongen. De wolven zeiden tegen hun grootste broe­der: ‘Jij bent de oudste, jij kunt wel een mid­del verzinnen om hen naar beneden te laten komen’. De oudste wolf ging onder de eiken­boom liggen en dacht na. En daarboven zat de ram op zijn tak te bibberen van angst. Het bibberen werd steeds erger – tenslotte kon hij zich niet meer houden en viel omlaag, bovenop de wolf. Maar de bok verloor niét zijn tegenwoordigheid van geest. ‘Vlug, vlug, geef die grootste maar aan mij!’ schreeuwde hij en liet zich hals over kop op de twee andere wolven vallen. Alle drie de wolven sprongen doodsbenauwd overeind en renden weg, of de duivel hen op de hielen zat!

Carnaval
Onlangs was het carnaval, ‘het feest van ver­mommingen.’ Hoe onherkenbaarder men zich inhulde, des te groter was de verrassing wie er tevoorschijn kwam aan het eind van het feest. Carnaval – een feest van in-hullingen en ont­-hullingen. Achter dat kleine aapje, dat met zijn graaihandjes zich alles tracht toe te eige­nen, bleek een bedeesd meisje te zitten en achter het masker van die grote domme reus kwam een scherp getekend, intelligent ge­zicht tevoorschijn. Eigenlijk hullen we ons dagelijks in vermommingen en het is een le­venskunst om deze bij anderen, maar ook bij jezelf, te doorzien. Zou het carnavalsfeest een hulp zijn om dat met vreugde en humor te leren.

Het sprookje begint met het verbreken van een verbinding: de ram en de bok worden uit huis gejaagd. Hoe nu? ’t Zijn toch huisdie­ren? De man en de vrouw zien dat kennelijk niet zo, voor hen hebben deze dieren geen functie. ‘Ze eten maar…’ Ja, een bok en een ram kunnen geen melk geven en geen jongen krijgen – de wol is blijkbaar onbelangrijk. Ze willen ook best hun vrijheid; ze gaan er van­door. Maar het zijn nog prille wezens op zo’n tocht, ze zijn nog niet eerder van huis ge­weest. Ze naaien een reistas om hun ervarin­gen in te stoppen. Daar is de eerste al: een wolfskop. Kennelijk weten ze er vaag iets van, want ze herkennen het boze dier. Dat wordt een stuk reëler als daar een echte kop – het wolfsmasker – is.

Nu komen hun eigenschappen aan het licht: elk voor zich zijn ze niet veel, maar samen zijn ze sterk en dapper.Toch willen ze wel bescherming hebben voor het nachtelijk duister, dat hun belagend voorkomt. Het vuur heeft echter geen beschermingsgloed. Het is een begeertevuur dat daar brandt – uit de ogen van de wolven. De wolven hebben weliswaar een masker van onschuld opgezet – het beeld toont geduld en vredigheid, en er is pap – maar wat ze zeggen is anders! On­middellijk speelt de bok daar op in en ge­bruikt het wolvenmasker. Hij weet de ram ook zo ver te krijgen. Het is kostelijk hoe ze nu hun vraatzucht demonstreren. Maar de wolven hebben geen tegenwoordigheid van geest zoals de bok, ze vallen terug op hun andere negatieve eigenschap: lafheid. Die verbergen ze echter achter een keurig masker van overleg. Eén voor één gaan ze er met een smoes vandoor.

Voor de bok en de ram is de weg nu vrij naar de pap; die past ook beter bij deze prille rei­zigers, die de wijde wereld intrekken… Ze blijven echter de realiteit in het oog houden -na het verorberen van de pap verstoppen ze zich. Ze zoeken het ‘hoger op’, in een boom. Hoewel ze het wolvenmasker gebruiken, worden ze zelf geen wolven; ze zijn verheven boven vraatzucht en lafheid.
Deze lafheid heeft de wolven uit elkaar ge­jaagd en hun vraatzucht brengt hen tenslot­te weer bijeen, onder de boom. En nu ge­beurt het. De ram stort neer op het boze, in een mengeling van weerloosheid en kracht, die hier als zwaartekracht werkt, maar voor de wolven ‘sterkte’ betekent. Onmiddellijk weet de bok de situatie op te pakken door wéér het vervaarlijke wolvenmasker te ge­bruiken. Dat is te veel voor de wolven. Ze slaan op de vlucht. De weg is weer vrij. De ram en de bok gaan verder: ze liepen en ze liepen…

In de wereld van de dieren met hun karakte­ristieke eigenschappen zijn heel wat figuren voor een carnavalsvermomming te vinden. Het grappige van bovenstaand sprookje is dat de dieren – de ram en de bok zelf ook weer van een masker gebruik maken en nog wel van dat van hun tegenstanders, die dan telkens voor hun eigen beeld op de vlucht slaan! Het sprookje is uit ‘De Zonneroos’, sprookjes uit de Oekraine, vertaald uit het Duits, uitgegeven door Kluwer, Deventer. Na een gesprek met mevrouw M. Muntz over de oorspronkelijk Oekraïens-Russische versie van het sprookje van Petnikov (uitgave Krim, Simferopol 1966) is de tekst verder herzien.

Else Tideman,’Jonas’ 18 februari 1983

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

78-75

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (2)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-4) | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Carnaval, alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s