VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (3)

.

CARNAVAL, DRIE HELSE DAGEN

Het smalle bospaadje lijkt nog smaller geworden: de hoge struiken aan weers­kanten buigen zwaar voorover, bela­den met dik beijzelde takken en dorre bladeren. Ieder blad is bedekt met een doorzichtig glazen blad van exact de­zelfde vorm. De grond is bedekt met een harde ijslaag, vol bobbels en kui­len. Als je een tak aanraakt, geeft dat een vreemd klirrend geluid. Er is niet veel wind deze barre weken; alleen tegen de avond gaat het wel eens waaien. Dan ruist er door de toppen van de hoge beuken een wonderlijke muziek: al die beijzelde takken en twijgjes klingelen tegen elkaar. Als je er lang naar luistert, voel je een huivering langs je rug lopen, zo onheilspellend klinkt dat krakende geluid van dia­manten takken. Deze verijzing alom, deze langdurige verstarring van alle be­weging en leven is eigenlijk nauwelijks te verdragen.

Soms valt er weer sneeuw en dat brengt ontspanning. Een zachte, witte deken legt zich over die gladde, harde onderlaag. Dan kun je zelf ook weer geloven en hopen, dat niet alle levens­sappen voor altijd zijn gestold. Je kunt er weer op vertrouwen dat dit alles eens voorbij zal zijn, dat eens de zon genoeg kracht zal hebben om de ijs­korst te laten smelten, en dat de lente weer zal aanbreken.

In de maand februari beleven we een merkwaardige tijd tussen twee jaar­feesten in. Het is de maand van het carnaval, het grote verkleedfeest. Achter ons ligt de maand waarin we de drie Wijzen uit het Oosten volgden op hun tocht naar het Christuskind. Voor ons ligt de lijdenstijd. Als ik denk aan een jaarfeest, denk ik onwillekeurig allereerst aan de vreugde die bij een feest hoort. Met jonge kin­deren trachten we dan ook in de vormgeving van zo’n feest de vreugde te laten beleven. Immers, de zonnige kant, de lichtzijde is voor hen belang­rijk, en bij de meeste jaarfeesten is dat ook niet moeilijk te realiseren. Als we bij de herfst beginnen, met het Michaëlsfeest, kunnen we ervaren dat tot en met de kersttijd een stralend, moedgevend licht overheerst in de rij van jaarfeesten. Het innerlijk licht wordt sterker naarmate het licht bui­ten in de natuur afneemt. Met de overgang van het oude naar het nieuwe jaar, met het inzetten van de driekoningentijd is het echter of er zich langzaam iets donkers schuift tussen ons en het licht. Het lijkt of het licht minder sterk wordt, in tegen­stelling tot wat we waarnemen buiten: daar zien we juist het zonlicht terug­komen, de dagen worden langer. In februari gaan we dat echt al merken, en dat wordt steeds duidelijker
naar­mate we het lentepunt naderen. En dan, juist in de tijd dat we na een meer of minder barre winter vol ver­langen uitkijken naar de eerste lente­bloemen – juist dan beleven we wat de jaarfeesten betreft, de donkerste tijd van het jaar: de lijdenstijd, 6 weken volgens de traditie van de rooms-katholieke kerk, 4 weken volgens de nieuwe inzetting van de Christenge­meenschap.

Het licht dat de drie wijze koningen uit het Oosten uitstralen, konden we nog wel doorgeven aan de kinderen in de vormgeving van het feest. Maar de ontmoeting met Herodes blijkt essen­tieel te zijn. Vanaf dat moment ver­andert er iets. Allen die zoeken naar vormen om jaarfeesten te vieren, mer­ken dat de jaarfeesten die nu voor ons liggen, steeds moeilijker te hanteren zijn. Lijden, dood, opstanding, Hemel­vaart, Pinksteren – het zijn inhouden die horen bij de wereld van de volwas­senen, bij het innerlijk van de mens, bij een ‘binnen-wereld’ die een jong kind nog niet kent.

Je zou misschien zelfs kunnen zeggen, dat de uiterlijke vormgeving van de komende jaarfeesten minder belang­rijk wordt ten opzichte van wat er in­nerlijk, in de ziel van de mens aan vorm ontstaat. Voor de viering met kinderen grijpen we terug naar oude gebruiken of het lentegebeuren in de natuur. Dat bevredigt ons niet, maar het hoort wel bij de lichte ‘paradijse­lijke’ toestand van kinderen. Het ele­ment waar we als volwassenen mee te maken krijgen, is ‘na-paradijselijk’. De drie Wijzen uit het Oosten ontmoe­ten in Jeruzalem het boze, maar zij er­varen dit niet bewust. Zij zijn zo ver­vuld van lichtkracht, dat het boze hen niet raakt. Zij herkennen het zelfs niet. Een engel moet hen daarop wij­zen in de droom, en dan gaan zij langs een andere weg naar hun land terug, gehoorzaam aan dat goddelijk bevel. Het is echter de vierde koning die ‘het boze’ in al zijn vormen bewust onder ogen moet leren zien. Hij zoekt zijn weg tussen licht en duisternis. Samen met hem naderen we nu een tijd van diepste vertwijfeling, de zwartste tijd van het jaar. Maar voordat we zover zijn, ontmoeten we eerst nog dat merkwaardige feest van carnaval.

Van oudsher heeft daar dat feest ge­staan, op die plaats in het jaar. Vroe­ger heette het Vastenavond met allerlei gebruiken daaromheen. Van lieverlee is dat van naam veranderd en ook de tijdsduur is gewijzigd. Het eigenlijke carnaval duurt drie etmalen, maar het regime van de vele Prinsen beslaat en­kele maanden. Op de dag dat de
kin­deren langs de huizen trekken met lichtende lampionnen en uitgeholde knolrapen, op de dag van Sint-Martinus, de elfde van de elfde maand, begint in de streken waar carnavalsverenigingen zijn, de regering van een nieuwe Prins Carnaval. In december duiken al deze prinsen onder, maar in januari laten ze weer van zich horen. Hun macht groeit snel naar een hoogtepunt toe en eindigt dan abrupt in de nacht voor Aswoensdag. Het einde van een schim­menrijk.

Waarom staat carnaval op dit punt in het jaar? Kunnen we ergens houvast vinden om dit raadselachtige feest zin te geven, al was het alleen maar voor onszelf? Misschien vinden we aankno­pingspunten in het gebeuren zelf. Het geheel doet ons aan als een bonte ver­kleedpartij. Ieder die eraan meedoet, trekt een kostuum aan dat hij in het gewone leven niet draagt en ook nooit dragen zal! Het is of iedereen zijn eigen alledaagse persoon enige dagen wil wegstoppen, wil doen vergeten, en zich overgeeft aan andersoortige ‘per­sonae’.

Door het dragen van maskers in aller­lei vorm en kleur wordt dat element van verstoppen en vermommen nog versterkt. Voor wie of wat wil men zich verstoppen, voor wie zich verber­gen achter een masker? En wat ge­beurt er als je jezelf verliest in de roes van het carnavalsfestijn, als je meegaat in de deinende massa van carnavalsgasten? Wat raakt er ‘op drift’ als je ‘alle remmen’ los laat? Het lijkt op een bewust gezochte confrontatie met de ‘onderwereld’ in jezelf. Een averechtse wereld, waar alle nor­male, menselijke afspraken en normen niet meer gelden of in hun tegendeel verkeren. De hele maatschappij wordt voor korte tijd ‘ont-regelt’. Drie dagen lang duurt dit feest van zotten en dwazen waarbij alles op zijn kop staat. Drie dagen lang leef je in een roes van ‘hossen en dweilen’, en dan word je op een ochtend wakker op kantoor met hoofdpijn en een schorre keel.

Sneeuwwit en rozerood
In het sprookje van ‘Sneeuwwitje en Rozerood’ horen we wat er gebeurt als tegen het voorjaar ijs en sneeuw gaan smelten. Dan komen ‘de boze dwer­gen’ uit de aarde naar boven gekropen en vallen ons lastig. Zij roven onze ‘schatten’ waar ze maar kunnen. En wat ze eenmaal hebben, laten ze niet zo gemakkelijk meer los.
Wat gebeurt er als de ijskorst van het normbesef smelt? Dan breken ‘de boze dwergen’ in onszelf los. Het lijkt erop of dat gebeurt tijdens die drie helse dagen voor Aswoensdag. Maar behalve dat het misschien samenhangt met natuurlijke gebeurtenissen, kan het ons ook nog een beeld geven van iets anders, en een vermoeden waarom carnaval onverbrekelijk verbonden is met de lijdenstijd.

Er komt in het leven van ons allen een moment waarop alle aardse regels en normen van geen belang meer lijken. Dat is het moment van het sterven. In het licht van de eeuwigheid ziet al het aardse er anders uit. En in dat ster­vensuur, als de ziel van de mens voor de poort van de dood staat, – dan kan het wel gebeuren dat de ‘boze
dwer­gen’ hun kans waarnemen. Een jonge dominee vertelde over het sterven van zijn oude vader: ‘Hij zag meermalen de demonen op zich afkomen, uit alle hoeken van de kamer waar hij lag. Hij was niet een man van grote woorden of iemand die met de Christelijke waarheden te koop liep. Maar als hij hardop zei: ‘Om Christus wil, ga weg! – dan verdwenen die vreselijke gestal­ten en lieten hem met rust.’ Carnaval is niet zo onschuldig als het er uit ziet, maar wellicht is het ook minder zinloos dan de ‘stijve’ noorde­lingen denken!

Marieke Anschütz, ‘Jonas’ 9 februari 1979>
Dit artikel is waarschijnlijk niet volledig.

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

79-76

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (3)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN – Carnaval, alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.