Tagarchief: Doornroosje

VRIJESCHOOL – Vertelstof -sprookjes (1-6)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van sprookje.
De beeldentaal.
Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

 

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

DOORNROOSJE

Heel lang geleden waren er eens een koning en een koningin, die iedere dag zeiden: ‘Ach, hadden wij toch maar een kindje!’ en zij kregen er steeds maar geen. Toen gebeurde het, dat toen de koningin eens aan het baden was, er een kikker uit het water aan land kroop, die tot haar sprak: ‘Uw wens zal vervuld worden; eer er een jaar voorbij is, zult ge een dochter ter wereld brengen.

Lang geleden, zo begint het sprookje, en dat moet je heel letterlijk nemen: vóór onze historisch te vatten tijd, in de mythologische tijd toen ieder mens een gekroonde koning was, voorzien van een volmacht, iemand die iets kon. En zijn ziel was een koningin. Voor de mens vormde de zintuiglijke wereld nog een eenheid met de geestelijke wereld. Wat Novalis bedoelt met ‘de wereld was nog in de wereld’. De dag was vol ware beelden, imaginaties. In deze beelden laten de natuur en de wereld zich aan de mensen zien, het uiterlijke dingbewustzijn van de zintuigwereld bevond zich nog op de achtergrond. Het was in een toestand van de natuur helderziend te kunnen waarnemen, een bewustzijn dat volkomen tegengesteld is aan het dingbewustzijn van ons. De mens stond nog in verbinding met geestelijke wezens.

De mens van het mythologisch tijdperk verlangt met zijn ziel (de koningin) dat er een verandering van bewustzijn komt. Een ander soort ziel moet in het leven verschijnen. Het gouden tijdperk van de mensheid waarover de Griekse geschiedschrijver Hesiodes bericht en de Romeinse dichter Ovidius, moet ten einde gaan; want in de mensheid heerst de wet van de bewustzijnsverandering.

Een instinct geeft aan dat er een nieuw soort ziel – een dochter – zal komen. Het beeld voor dit instinct is de kikker die ‘vanuit het water aan land kruipt.’
En zoals de levende zielenwereld met de diepten en ondiepten, met het opkomen en verdwijnen van gevoelens en beelden op het water lijkt – en alle mythen gebruiken daarvoor het beeldwoord water, zo het land als de vaste bodem van de feiten. Men ging de zintuiglijke wereld zien. Het vaste, het stoffelijke kwam in de plaats van het beweeglijke, het constante in de plaats van het stromende. Vergelijk de droom die voor ieder subtiel innerlijk krachtenspel weer nieuwe beelden vindt, met ons huidig bewustzijn van de dingen die geteld, gemeten en gewogen worden, waar we met zekere resultaten rekening houden – en dan begrijp je de beelden ‘water’ en ‘land’.
De kikker die in het water en op het land leeft, verandert in langere metamorfoses van kieuwademhaling naar luchtademhaling. Hij is uiterst gevoelig voor de weersomstandigheden, vandaar dat hij als weervoorspeller beschouwd wordt. Hij staat voor de mogelijkheid een geestelijke atmosfeer te verstaan, dus weervoorspeller in overdrachtelijke zin te zijn.
Ook duit het symbool op het labiele van dit innerlijke dubbele bewustzijn.

Wat de kikvors gezegd had, gebeurde en de koningin baarde een meisje, dat zó mooi was dat de koning buiten zichzelf was van vreugde en een groot feest aanrichtte. Hij nodigde niet alleen zijn familie, vrienden en kennissen uit, maar ook de wijze vrouwen, opdat deze zijn kind genegen en gunstig gezind zouden zijn. Er waren er dertien in zijn rijk, maar omdat hij maar twaalf gouden borden had, waarvan zij moesten eten, moest een van hen thuis blijven.

Nog wist de mens zich gedragen en geborgen door de kosmos. Macrokosmische krachten ontving hij uit de twaalfheid van de dierenriem en hij beschikte over zoveel wijsheid dat hij deze in zich kon opnemen en zich daarmee kon voeden: hij had twaalf gouden bordjes. De krachten die er tussen de kosmos en de aarde bestaan, verschijnen in de ziel beleefd, als het beeld van de wijze vrouwen of feeën. Goethe verwijst heel duidelijk naar dergelijke krachten wanneer hij in het studeervertrek Faust laat zeggen: ‘Wanneer hemelkrachten op en naar gaan en elkaar de gouden emmer geven.’
Ons sprookje zegt dat er dertien vrouwen in zijn rijk waren.
Wie was deze dertiende in zijn rijk?
Ook de raad van de goden was bij onze voorouders een twaalfheid, met een dertiende, die daar in zekere zin tegenover stond: Loki of Lodur, de be-eindiger, de Noordse Lucifer. Ook aan de sterrenhemel bestaat er naast de twaalfheid van de dierenriem nog een dertiende macht, de zon. Zij maakt de mens tot een dagmens, zodat hij wakker wordt voor zintuiglijke wereld. Maar in het mythologische tijdperk had de nacht nog de overhand, want dat was de tijd van een andere manier van wakker-zijn, het wakker-zijn van het beeldend kunnen schouwen. Zoals Novalis in zijn Hymnen de nacht noemt: ‘de vruchtbare schoot die openbaart’.
Ook tegenwoordig hebben we het nog over het belang van de nachtelijke ervaring: in het Engels ‘a senight’ (seven nights), ‘a fortnight’ (veertien nachten), resp. zeven of veertien ‘dagen’. Nog lang werd de tijd berekend in maanfasen.
Werkt de twaalfheid van de dierenriem in het beeld van de twaalf uitgenodigde wijze vrouwen op ieder mens, dan tekent zich nu op de achtergrond al deze dertiende kosmische kracht af.
Onze voorouders wisten, met Loki, de dertiende van de Asen, ontstaat er een nieuw bewustzijn. Men maakte zich los van een innerlijk beleefde wereld aan gindse zijde en richtte zich op de uiterlijk zintuiglijke wereld.
Ook het scheppingsverhaal beschrijft deze bewustzijnsverandering. Lucifer is de gevallen engel. Hij inspireert de mens tot een zelfstandigheid en een lijken op God en plaatst hem daardoor tegenover het goddelijke en zo onderkent hij goed en kwaad. In de micro-kosmische mens ontwaakt het Ik, de dertiende kracht.
Maar deze dertiende kracht kan men nog niet plaatsen, kan men nog niet bevatten ener is te weinig wijsheid om het te begrijpen. Er is geen gouden bordje. Tot op de dag van vandaag is het getal dertien voor sommige mensen een ongeluksgetal.
Nog steeds komt als een herinnering uit het onderbewuste die oeroude onzekerheid naar boven van het Ik in zijn ontwikkeling naar vrijheid.
Zo komt de dertiende fee dan eerst als vertegenwoordigster van het kwaad – zolang zij niet begrepen wordt als vertegenwoordigster van een nieuw bewustzijn.

Het feest werd met grote luister gevierd en aan het einde ervan schonken de wijze vrouwen aan het kind hun wondergaven: de ene deugdzaamheid, de andere schoonheid, de derde rijkdom, kortom alles wat er op de wereld te wensen is. Net toen er elf hun zegenwens hadden uitgesproken, trad plotseling de dertiende binnen. Zij wilde wraak nemen, omdat zij niet was uitgenodigd en zonder iemand te groeten of zelfs maar aan te kijken, riep zij met luider stem: ‘De koningsdochter zal zich op haar vijftiende jaar aan een spintol prikken en dood neervallen.’ En zonder verder een woord te zeggen keerde zij zich om en verliet de zaal. Iedereen schrok; maar daar trad de twaalfde naar voren wier wens nog niet was uitgesproken en daar zij de boze voorspelling niet teniet kon doen, maar deze alleen kon verzachten, zei zij: ‘De koningsdochter zal niet dood gaan, maar honderd jaar slapen.’

De dertiende vrouw wordt niet uitgenodigd bij het geboortefeest. Men weet haar geen plaats te geven, men bevindt zich nog in de kosmische gebondenheid van de vroege tijd. Men weet zich geborgen bijv. in het sterrenbeeld van de waterman, de vissen, de weegschaal enz. en ervaart hun invloed; maar voor de dertiende kracht, de wordende persoonlijkheid heeft men nog geen gevoel.
Zij benadert de dochter met de vloek: dood door een prik aan de spintol.
In plaats van de dood, wordt het een 100-jarige slaap.
Spinnen en denken zijn oerverwant. In de taal is het beeld blijven bestaan: ‘de draag kwijtraken, de draad vasthouden, hersenspinsel.’ Zoals de draad uit de wol of uit het vlas tevoorschijn komt, zo ontwikkelt de ene gedachte zich uit de andere en wordt tot een gedachtedraad, een logisch weefsel.
Denken brengt de dood van de ziel dichterbij als de koningsdochter rijper wordt, want dat gebeurt als je vijftien jaar oud wordt.

De koning hoopt het noodlot van de bezwering te kunnen afwenden. Maar wanneer het denken ook een lange tijd teruggehouden wordt (de spintollen worden verbrand), wanneer nog steeds het droomachtige helderzien de boventoon voert en ook blijft eten van de gouden bordjes, dan gaat toch dit gouden tijdperk een keer ten onder. De mensheid ontwikkelt zich vanuit het kindstadium verder naar de volwassenheid.
Wat hier in de mensheid gebeurt, vindt ook plaats in ieder individu; want de enkeling herhaalt de lotgevallen van de soort. Het kind-zijn van de mensheid en het volwassen stadium weerspiegelen zich in de kindertijd en in het volwassen worden van de persoonlijkheid.

De koning, die zijn geliefde kind graag voor het ongeluk wilde behoeden, vaardigde het bevel uit, dat alle spintollen in het hele koninkrijk verbrand moesten worden. Alle wensen, die het meisje van de wijze vrouwen had ontvangen, gingen echter in vervulling, want zij was mooi, deugdzaam, lief en verstandig, zodat ieder die haar zag wel van haar moest houden. Toen geschiedde het, dat precies op de dag, dat zij vijftien jaar oud werd, de koning en de koningin niet thuis waren en het meisje helemaal alleen in het slot achterbleef. Toen liep zij overal rond, bekeek grote en kleine kamers, net zoals haar hart haar ingaf, en kwam tenslotte ook bij een oude toren. Zij klom de nauwe wenteltrap op en kwam bij een klein deurtje. In het slot stak een roestige sleutel en toen zij die omdraaide, sprong de deur open en daar zat in een klein kamertje een oude vrouw met haar spin tol en spon ijverig haar vlas. ‘Goedendag oud moedertje,’ sprak de koningsdochter, ‘wat doet u daar?’ – ‘Ik spin,’ zei het oudje en knikte met het hoofd. ‘Wat is dat voor een ding, dat zo vrolijk rondspringt?’ sprak het meisje, nam het spintolletje en wilde ook spinnen. Nauwelijks echter had zij de spintol aangeraakt, of de toverspreuk ging in vervulling en zij prikte zich in haar vinger.

Als de koningsdochter vijftien jaar wordt, zijn de koning en koningin niet thuis.
De vader-Godwereld en de moeder-zielenwereld werken nu niet meer. De jonge persoonlijkheid staat alleen. Het huis van het lichaam, in de kindertijd nog onbekend, in een verregaande droomachtige toestand en als een oneindig groot slot, wordt nu met een hang naar kennis, onderzocht. In het doordronden en bewuster beleven wordt het steeds kleiner. De begrenzing ervan wordt bewust. Het wordt een toren. Maar de toren is niet alleen het beeld van dit begrensder worden dat de mens meer bij zichzelf brengt. Het is ook het beeld van de zelf-standigheid, de op zichzelf staande stevigte. In de toren van het lichaam gaat de koningsdochter ‘naar boven, het torenkamertje in’. Daar zit de oude vrouw die spint. Onbewust ging het kinderlijke droomleven voortdurend samen met een verborgen denken. Maar nu pakt de koningsdochter de spintol: het zelf bewust denken begint. Maar het verlangen naar dit zelfstandige denken, staat onder invloed van de vloek van de dertiende. Het is het door Loki, door Lucifer beïnvloede denken dat egocentrisch is. 
Zoals Loki tegenover de twaalf Asen staat en een oude wereldorde afsluit, zo gaat ook in de mensheid van het Avondland een wereld ten einde. Het droomachtig zich richten op de kosmos verdwijnt, de eigenwereld van het Ik ontwaakt, de Godenschemering begint. De mens plaatst zich buiten de wereld van de wezens die boven hem regelend werkzaam zijn en wordt burger van de aardse wereld van de voorwerpen die hij met zijn denken voor zich winnen moet. 
Wakker worden in de wereld van nu, betekent echter inslapen voor de andere, de geestelijke wereld.
De oudste heldensagen vertellen ons over de godendochter Brünhilde die door een slaapdoorn geprikt is en in slaap valt, tot degene komt die haar wekt.
In de vijftienjarige mens betekent dit proces een verhoogd ik-beleven. Alleen wat ik zelf denkend aankan, is voor mij de norm. Alleen mijn eigen wereldbeeld zegt me iets. De jonge mens die dit proces doormaakt, sluit zich in zichzelf op. Terwijl hij bezig is met zijn eigen wereldbeeld, is hij naar buiten afwerend, vaak kwetsend, maar eenzaam in zijn binnenste. 
Het sprookje zegt: rondom de toren groeien en woekeren de doorns. Alle vormende, levende kracht doet niets meer. (Vader en moeder, de hofhouding, het personeel, alles slaapt in). De betovering kwam vanuit de bovenkamer.

Maar op hetzelfde ogenblik dat zij zich prikte, viel zij neer op het bed dat daar stond en was meteen in een diepe slaap verzonken. En deze slaap breidde zich over het hele slot uit: de koning en de koningin die waren thuisgekomen en de zaal waren binnengegaan, vielen in slaap, en de hele hofhouding met hen. Ook de paarden in de stal sliepen, de honden op de binnenplaats, de duiven op het dak, de vliegen op de muur, zelfs het vuur dat in de haard flakkerde werd stil en sliep in en het gebraad hield op te pruttelen en de kok die het koksmaatje bij zijn haren wilde pakken omdat hij iets verkeerd had gedaan, liet hem los en viel in slaap. En de wind ging liggen en aan de bomen voor het slot bewoog geen blaadje meer.
Rondom het slot echter begon een doornhaag te groeien die elk jaar hoger werd en tenslotte het hele slot omgaf en er bovenuit groeide, zodat er niets meer van te zien was, zelfs de vlag op het dak niet meer. In het land ging echter het verhaal rond van het mooie slapende Doornroosje – want zo werd de koningsdochter genoemd – zodat er van tijd tot tijd koningszonen kwamen die door de haag heen het slot wilden binnendringen. Het was hun echter niet mogelijk, want de doornen, bleven – alsof ze handen hadden – vast met elkaar verbonden, en de jongelingen bleven er in hangen, konden niet meer loskomen en stierven een jammerlijke dood. Na lange, lange jaren kwam er weer eens een koningszoon in het land die hoorde hoe een oude man van de doornhaag vertelde; daarachter moest een slot liggen waarin een wonderschone koningsdochter, Doornroosje genaamd, al sinds honderd jaar sliep en mét haar sliepen de koning en de koningin en de hele hofhouding. Hij wist ook van zijn grootvader, dat er reeds vele koningszonen gekomen waren om te proberen door de doornhaag heen te dringen, maar zij waren er in blijven hangen en een trieste dood gestorven. Toen sprak de jongeling: ‘Ik ben niet bang, ik wil erheen om het mooie Doornroosje te zien.’ En al raadde de goede grijsaard het hem nog zo af, hij sloeg geen acht op diens woorden.

De tijd waarin de mens zichzelf een vreemde vindt, in zichzelf opgesloten, een goed contact met de buitenwereld vaak niet kan vinden, is bij het individu en in de mensheid toch tijdelijk. Er waren altijd helden van de geest, die de Brünhildes, de Doornroosjes wilden wekken, maar die honderd jaar moeten eerst voorbij zijn, 
Wanneer de tijd vervuld is, komt degene die wakker maakt.
In ons sprookje verschijnt hij in de naam van de roos en hij wekt op door een kus – door liefde. Daarvoor moeten we eens kijken naar het wezenlijke symbool van de roos uit de Middeleeuwen.

De roos wortelt diep in de aarde. Vanuit het houtige en de doornen groeit de mooie bloem met die altijd weer welriekende geur en het intensieve rood. Hemel en aarde hebben in de vrucht een gelijk aandeel. Daardoor is ze het symbool van het evenwichtige midden. Aan de bloem ligt de vijfster ten grondslag.  Het getal vijf is een belangrijk teken.
De mens werd lange tijd beschouwd als een vierledig wezen dat bestaat uit lichaam, leven, ziel en geest. Daar komt het Ik nog bij dat als hoger, liefhebbend Ik tot ontwikkeling moet komen. Vandaar het symbool vijf. Wie ja kan zeggen tegen het leven en er stevig in kan wortelen, wie de moeilijkheden neemt om er sterker door te worden en als een roos al het verhardende, het verwondende overwint, wie onzelfzuchtige liefde als bloem van zijn bestaan ontvouwt en de natuur van zijn bloed reinigt van hartstocht zodat het onschuldig wordt, net als een plant, die kan als symbool de roos nemen. 
Er waren stromingen die een christelijk leven wilden leiden die zich vonden in het teken van de roos. 
Waar in gotische domkerken de dragende balken bij elkaar komen, zie je de roos met vijf bladeren vaak als sluitsteen.
Ook schilders van Madonnafiguren wisten wellicht waarom zij naast de jonkvrouwelijke goddelijke moeder de roos afbeeldden of haar met rozen omringden.  

Nu waren echter juist de honderd jaren om en de dag was aangebroken, waarop Doornroosje weer zou ontwaken. Toen de koningszoon de doornhaag naderde, waren het louter mooie, grote bloemen die vanzelf uiteen weken en hem ongehinderd doorlieten en achter hem sloten zij zich weer tot een haag aaneen. Op het slotplein zag hij de paarden en de gevlekte jachthonden liggen slapen; op het dak zaten de duiven met hun kopje onder hun vleugel. En toen hij in het huis kwam, sliepen de vliegen op de muur, de kok in de keuken hield zijn hand nog nèt zo alsof hij de jongen wilde beetpakken en het keukenmeisje zat voor de zwarte kip die geplukt moest worden. Toen ging hij verder en zag in de zaal de hele hofhouding liggen en bovenaan bij de troon lagen de koning en de koningin te slapen. Toen ging hij nog verder en alles was zo stil, dat men zijn eigen ademhaling kon horen en eindelijk kwam hij bij de toren en opende de deur van het kamertje waar Doornroosje sliep. Daar lag zij en was zó mooi, dat hij zijn ogen niet van haar kon afwenden en hij bukte zich en gaf haar een kus. Toen hij haar met zijn lippen beroerd had, sloeg Doornroosje haar ogen op, ontwaakte en keek hem heel vriendelijk aan. Toen gingen zij samen naar beneden en de koning ontwaakte en de koningin en de hele hofhouding, en zij keken elkaar met grote ogen aan. En de paarden op het plein stonden op en schudden zich, de jachthonden sprongen op en kwispelden met hun staart, de duiven op het dak trokken hun kopje onder hun vleugel vandaan, keken rond en vlogen weg naar het vrije veld, de vliegen op de muren kropen verder, het vuur in de keuken begon weer te branden, flakkerde en bracht het eten aan de kook, het gebraad begon weer te pruttelen, en de kok gaf de jongen zo’n draai om z’n oren, dat hij het uitschreeuwde, en de meid ging verder met het plukken van de kip. En toen werd de-bruiloft van de koningszoon met Doornroosje in alle luister gevierd en zij leefden gelukkig tot het einde hunner dagen.

Het sprookje vertelt niet waar de koningszoon vandaan komt. Hij is het zinnebeeld van het hogere christelijke Ik.
Met het beeld van de heidense jonkvrouw die haar opwekker verwacht, begon het sprookje. Met het christelijke symbool van de bruidegom die in het teken van de roos komt, wordt het afgesloten.

Doornroosje is een sprookje over het lot. Zonder individuele schuld wordt de mens vervlochten met het lot van de mensheid, maar ook zonder persoonlijke verdienste, uit genade, begint de verlossing.

50-grimm-doornroosje-2

.

Sprookjes alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas – sprookjes

.

2195

VRIJESCHOOL – Zintuigen (9-9)

.

De zintuigen

De gaven van Doornroosje

In de nieuwe* onderwijswet vraagt artikel 10 onder meer ‘zintuiglijke oefening’ in samenhang met de rest van het onderwijs.

Het kleine kind is één en al zintuig in de eerste zevenjarige levensfase, volgens een bekende uitspraak van Rudolf Steiner. Reden te over om geen pedagogie voor de geïntegreerde kleuter- en lagere school te behandelen zonder grote aandacht aan de zintuigen te besteden.

Een korte beschouwing over Rudolf Steiners zintuigenleer en de pedagogische waarde ervan mag hier niet ontbreken.
Wat zijn zintuigen? Naar het uiterlijk te oordelen, heeft de mens er enige, die een opvallend orgaan bezitten. Denkt u zich een mens in zonder ogen, neus, mond en oren! Van het hoofd vooral zou weinig herkenbaars overblijven. Ogen worden ‘spiegels der ziel’ genoemd; oren zijn zo individueel, dat men de mens aan zijn oren kan identificeren.
Gogolj wil ons in zijn satirische verhaal ‘de neus’ doen geloven, dat de neus meer individualiteit bezit dan de gehele verdere mens. Laat ons even stil blijven staan bij het oog.

Dit oog is zonder twijfel het belangrijkste zintuig voor de westerse mens, ook al kunnen wij niet verhelen, dat de blinde met zijn kwalitatief sterk ontwikkelde gehoor sociaal sterker in het leven staat dan de dove. Aan het oog kan men het wezen van het zintuiglijke goed demonstreren.

Het is een instrument, dat ons een gezichtswaarneming van de wereld-buiten-ons mogelijk kan maken. Let wel, ook ons eigen lichaam behoort tot die buitenwereld! Het oog is een poort, waardoor indrukken van buiten tot de ziel komen en verinnerlijkt worden.

De meeste van deze ‘poorten’ zijn in ons hoofd gelokaliseerd: ogen, oren, mond, neus. Later leerde men ook andere, meer verborgen poorten kennen: evenwichtszin, warmte- of temperatuurzin, tastzin. In het geheel zijn er twaalf. De beste systematiek vindt men bij Rudolf Steiner, Révesz en Lievegoed.

Twaalf is een mooi getal.

Laten we de zintuigen eens beschouwen vanuit het sprookje. In ‘Doornroosje’ vinden we bijzonder mooi gekarakteriseerd wat de zintuigen zijn. De twaalf feeën brachten elk hun gave aan het prinsesje. Maar er ging iets mis met die gaven. Doornroosje werd door de scherpe spoel van de oude vrouw in de toren getroffen. Zij viel in slaap en haar gehele wereld ook.

Dit sprookje is geen verzinsel, maar, zoals alle sprookjes, een beeld, een in aardse beelden geklede, spirituele werkelijkheid. Met onze zintuigen is er ook iets merkwaardigs aan de hand. Doornroosje had in het geheel niets meer aan al haar gaven, zolang zij sliep, dat wil zeggen: zo lang haar het normale waakbewustzijn ontbrak. Hoe staat het echter met ons bewustzijn met betrekking tot onze zintuiglijke waarneming? Keren wij terug tot het oog.

Ziet het oog als zodanig iets? Ziet dit fysieke orgaan met zijn oogbol, lens, iris, netvlies, oogspiertjes, oogzenuwen en bloedvaatjes iets? Het antwoord is neen. Het oog van een gestorvene ziet niets. Wordt het echter getransplanteerd bij een ander mens, dan ziet het oog nog niets, maar de andere mens kan zijn gezichtswaarnemingen door middel van dit oog weer doen. De mens zelf kijkt immers en niet zijn oog. Er zijn echter in het leven ook ogenblikken, waarin de levende mens, wakker en met open ogen toch niets ziet. Dat is een merkwaardige zaak. Is ‘zien’ dan niet alleen een passieve aangelegenheid?

De gehele natuurwetenschap is opgebouwd uit mathematica en experiment en men wil daardoor slechts laten meetellen wat telbaar, weegbaar en meetbaar is. Dat sluit geestelijke factoren uit, waardoor het kwantitatieve gaat overheersen. De waarde van de kwalitatieve dingen is grotendeels verdwenen. De menselijke ziel viel daardoor ‘in slaap’.

De boze fee uit het sprookje is ons abstracte, intellectuele bewustzijn. Deze fee bracht de gereduceerde wetenschap tot stand, de materialistische natuurwetenschap, die zoals bekend, dood en vernietiging kan brengen. Ook de rijkdom van het door onze zintuigen waarneembare gebied is ernstig aangetast door de boze fee. Deze rijkdom moet weer ontsloten worden.

Onze waarnemingstheorie is namelijk onjuist. Rudolf Steiner heeft al in 1894 overtuigend aangetoond, dat men inconsequent is, wanneer men meent, dat het oog géén werkelijkheid kan waarnemen. Er is een denkfout in het spel… Want wanneer de wereld voor de mens slechts voorstelling is, zijn ook ‘het oog’ en ‘de hand’ voorstellingen en geen werkelijkheid. Het z.g. veroordeelde ‘naïeve realisme’ moet dan óók voor oog en hand gelden.

Wanneer ik als denkend subject een begrip op een object betrek, dan is deze betrekking niet louter subjectief. Welnee. Immers niet het subject als zodanig brengt die betrekking tot stand, maar het denken. Een conducteur denkt niet, omdat hij conducteur is, maar hij is conducteur, omdat hij in staat is om te denken.

Rudolf Steiner heeft dit probleem van de waarneming en de zintuigen tot onderwerp van zijn proefschrift gemaakt. Later werkte hij dit proefschrift uit tot een groter boek ‘Die Philosophie der Freiheit’.
De opstanding van het ware denken uit de slaap van het intellectuele bewustzijn is de prins uit het sprookje van Doornroosje. Hierdoor kunnen de twaalf goede feeën alias de twaalf zintuigen weer beginnen te werken. Men mag ervan uitgaan, dat ons oog evenzeer indrukken van de werkelijkheid geeft als de mathematisch te meten resultaten van druk, afmeting, toestand, snelheid, die in wezen evengoed met zintuigen samenhangen, nl. met tastzin, bewegingszin en evenwichtszin.

De zintuigen moeten opnieuw in hun totaliteitsaspect worden bekeken. Als zodanig zijn zij oefenbaar en voor de pedagogie uiterst nuttig en vruchtbaar.

Door de waarneming via mijn oog, pakt mijn ik de wereld. Dan komt er pas een gewaarwording in mijn ziel. Waarneming en denken zijn de pijlers, waartussen het bewustzijn tot stand komt. Ik zie en ik weet wat ik zie.

Of ik weet niet, wat ik zie, maar ik tracht het te weten te komen door vergelijking met dat, wat ik al gezien had. De zintuigen zijn er aan toe wederom als kenbronnen voor het weten van de mens in ere te worden hersteld.

De honderd jaar slaap van Doornroosje zijn voorbij. Nu is het de tijd om wakker te worden. Vooral in de pedagogie. In de mens is het de wilsmatige kern van het zielenwezen, die de bij de zintuiglijke waarneming behorende processen zinvol opvat, en innerlijke activiteit ontplooit, die als het ware naar buiten straalt. Er gaat dus niet alleen iets door de zintuigen naar binnen, maar er bestaat een spirituele stroom, die als een ‘tegenstroom’ van de ziel door de zintuigen naar buiten gaat.

Zoals gezegd is, beschreef Rudolf Steiner het kind als een wezen, dat één en al zintuig is. Maar een zintuig, zegt hij, waarin bij elke schrede de wil gewerkt heeft.

Een zintuig, waarin de wil werkt? ‘Ja’, zegt Rudolf Steiner. ‘het is ook bij het oog zo, dat het wilsmatige het innerlijke beeld tot stand brengt. In ieder zintuig schept het wilsmatige het innerlijke beeld. Het zintuig zelf heeft natuurlijk de passieve kant: het heeft eerst de taak zich (en de mens) bloot te stellen aan de buitenwereld, maar in elk zintuig vindt een innerlijke activiteit plaats en die is van wilsmatige aard. En dit wilsmatige werkt bij het kind intensief door het gehele lichaam tot de tandwisseling.’

Deze wilsmatigheid werkt zelfs nog door tot het negende levensjaar. Wat betekent dat voor pedagogie en heilpedagogie? Wat komt alleen goed over op deze wilsmatige activiteit van de zintuigen? Wat doet het innerlijke beeld slechts tot stand komen bij het kind?

Nu, alleen datgene, wat uit innerlijke activiteit van de leerkracht is voortgekomen: op een menselijk-beeldende wijze moet gesproken worden over alle dingen van natuur en mens. Dat betekent: kunstzinnig onderwijs.

Een creatieve, een kunstzinnige activiteit weet innerlijk vorm te geven en alles antropomorf, menselijk-beeldend te maken in alle onderwerpen, die door het kind met de zintuigen kunnen worden opgenomen.

Daar is het spelelement in de zin van Schiller aanwezig!

Voor een kind tot negen jaar is het belangrijk, wat de roos tegen het viooltje zegt. of het broodmes tegen het broodje. Het spelelement helpt om het beeldkarakter te vormen. Beeldkarakter draagt niet alleen bij tot het leven, maar ook tot latere, gezonde begripsvorming.

Men denke weer aan de beelden uit ‘Doornroosje’.

In de spirituele wereld aan het hof van de koning was de dertiende fee niet uitgenodigd. Men had geen bord om haar voor te zetten. Want de waarheden van het intellect zijn bespottelijk voor een geestwereld — ‘dwaasheid bij God’ heet dat later — en het intellect wreekt zich: Doornroosje moet sterven. De laatste fee zet de dood om in een slaap. Zij is de enige macht die de dood kan veranderen in opstandingskracht. Doornroosje valt in slaap om haar opstanding mogelijk te maken.

5.4.2 De indeling van de zintuigen
De zintuigen, onze twaalf feeën, worden in drie groepen van vier ingedeeld: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin is de eerste groep; reukzin, smaakzin, gezichtszin en warmtezin is de tweede groep; gehoorzin, woordzin, begripszin, ik-zin is de derde groep. De drie groepen spiegelen de drieledigheid van het menselijke zielenleven: willen, voelen en denken.

Rudolf Steiner noemt de eerstgenoemde groep ‘wilszintuigen’, de tweede groep ‘gevoelszintuigen’ en de derde groep ‘denkzintuigen’.

Prof Lievegoed geeft in aansluiting op Prof. Révesz een iets andere terminologie. Elke groep wordt genoemd naar het meest kenmerkende van zijn zintuigen, die dan ook ‘haptische zintuigen’ (hapto = ik tast. Gr.) worden genoemd. Voor de tweede groep is het kenmerkende zintuig het oog, dus wordt de groep gevoelszintuigen ‘optische zintuigen’ genoemd. Het gehoor is het kenmerkende zintuig voor de derde groep. ‘Akoestische zintuigen’ (akou-o = ik luister. Gr.) worden die genoemd.

Laten we eerst de middelste groep bekijken en hun relatie tot het gevoelsleven vaststellen. Die staan, zoals gezegd, bekend als ‘optische’ zintuigen. Deze zintuigen geven de mens een objectief-subjectieve informatie over de omgeving, de natuur, en de natuurlijke wezens.

Onder de andere zintuigen springt deze groep met grotendeels herkenbare organen, als een flinke neus in het gezicht, naar voren.

We verplaatsen ons als reizigers in gedachten naar Agrigento op Sicilië in de voorzomer. Wij ervaren heerlijke warmte van de zon en koele schaduwplekken. Wij genieten van de geuren die de aromatische plantenwereld schenkt: rosmarijn, thijm, marjolein cn munt. Wij proeven een paar vroege bramen, ze zijn warm en zoet. Wij genieten van dc kleuren: stralend-blauwe lucht, diepblauwe zee en goud-kleurige, edel gevormde tempels.

Onze gewaarwordingen zijn in hoofdzaak afkomstig van respectievelijk warmtezin, reukzin, smaakzin en gezichtszin. Huid, neus, tong en ogen genieten. Die zintuigen wekken gevoelens, zij zijn zintuigen in de gevoelssfeer, hebben een sterke uitbreiding naar het psychische.

Juist vanwege de gevoelens is dit viertal gewantrouwd.

Ten onrechte, zoals uit de inleiding blijkt.

De gevoelsmatigheid van het viertal wordt in onze taal zeer duidelijk geaccentueerd. Sterke gevoelens spreken in uitdrukkingen als: ‘Wat een fijne, warme persoonlijkheid!’ Dat is een kille tante!’ ‘Ik kan haar niet luchten of zien!’ ‘Hij staal in de reuk van heiligheid.’ ‘Dat huis is met smaak ingericht.’ ‘Wat een bittere ervaring!’  Ook de vier elementen komen er aan te pas: men proeft pas als iets vloeibaar gemaakt is, men ruikt als iets gasvormig wordt, men ziet pas, als het licht er op valt en de kleuren zich manifesteren. Water, lucht, warmte cn aarde zijn er bij betrokken. Waarom zou men dit viertal niet evenzo in beeld brengen als de middeleeuwse Universiteit de zeven jonkvrouwen van de vrije kunsten? Nu, we noemen de zintuigen de ‘duodecim deae sensoriae’ waarvan we nu de gezichtszin: fee Omma. de reukzin: fee Naseia, de smaakzin: fee Gusta en de warmtezin: fee Caloria, genoemd hebben als onderdeel van een twaalfvoudige zintuigenkring.

Het volgende viertal bestaat uit minder duidelijk aanwijsbare zintuigen. Slechts één ervan heeft een bijzonder orgaan, maar om het te vinden, moet men de schedel open maken: de z.g. drie halfcirkelvormige kanalen van de evenwichtszin in het oor. De andere zintuigen zijn overal verspreid. Wat nemen deze zintuigen waar? De waarnemingen zijn wilsprocessen, die zich bijna in het onbewuste afspelen.
Rudolf Steiner noemt dit viertal ‘onderste’ of ‘wilszintuigen’, de ook wel gebruikte term ‘haptische’ zintuigen hangt samen met het Griekse werkwoord ‘hapto’, dat ‘tasten’ betekent.

Stellen we ons voor, dat wij gedurende een reis in een grot terecht komen, die plotseling door een puinstorting achter ons wordt afgesloten. Het is pikdonker. We hebben geen zaklantaarn of lucifers. We tasten moeizaam voorwaarts, met voelen en handen. We voelen soms iets van steen, hout of ijzer. We moeten wankelend steeds ons evenwicht bewaren. We voelen ons onbehagelijk, hebben hoofdpijn of koorts.

Deze haptische zintuigen helpen ons iets van onszelf waar te nemen. Zij zijn naar binnen toe gericht, in ons lichaam spelen zich drukprocessen af bij het tasten. Levensprocessen worden waargenomen, wanneer zij niet goed functioneren. Anders is er een vaag gevoel van welbehagen. Wij voelen onze bewegingen en ook, of we in evenwicht zijn.

De mens neemt met deze vier zintuigen op subjectieve wijze naar binnen toe waar, maar wat hij gewaar wordt, heeft objectief karakter. Die maag kan werkelijk van streek zijn, dat is geen verbeelding. Mijn stand kan werkelijk verkeerd zijn ten opzichte van de aard-as. Tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin zijn wilszintuigen.

De gehele natuurwetenschap en de techniek zijn door de mens ontwikkeld. Het zijn de ‘onderste’ zintuigen die de mens op het idee van afmeting, druk. toestand, zwaarte, snelheid hebben gebracht

Maar in het kunstzinnige beeld van de zintuigenkring mogen we voor kinderen zeker spreken van de tastzin als: fee Contacta, van de levenszin als: fee Viviane, van de bewegingszin als: fee Kinela en van de evenwichtszin als: fee Harmonia.

In de zin van elementen is fee Contacta aards, fee Viviane met de vloeistoffen verbonden, fee Kinela vol van het bewegelijke luchtelement en fee Harmonia heeft met de warmte te maken.

Onze derde en laatste groep zintuigen is eigenlijk geheel gericht op de informatie, die een medemens ons door’ waarneming oplevert. Daardoor zijn deze zintuigen grotendeels onbekend. Er is zeker sprake van een on-ontgonnen gebied, aangezien men meent voldoende te hebben aan de acht reeds genoemde zintuigen om de medemens te leren kennen.

Het gehoor neemt bij deze vier zintuigen een aparte plaats in, want het heeft veel weg van de vier gevoelszintuigen, maar het opent ook de poort voor de volgende drie.

Rudolf Steiner noemt deze vier: kenniszintuigen of geestelijke zintuigen. Ook worden ze ‘akoestische’ zintuigen genoemd.

We wagen ons aan een beschrijving:

De omgeving doet er niet toe. Wij raken in een gesprek. We  luisteren aandachtig en we trachten ons alleen te concentreren op datgene, wat de ander probeert te zeggen. We horen de klank van de stem. We nemen méér waar. We onderscheiden in de klankenstroom, die de ander voortbrengt, woorden en zinnen. Wij verstaan zijn taal. De zinnen van de ander bevatten gedachten, zij drukken gedachten uit. Wij luisteren, stellen ons geheel open. Denken we er maar één gedachte tussen door, dan nemen wij niet meer waar, wat de ander denkt. Wel beleven wij onderwijl de persoonlijkheid van de ander, we beleven hem als ik-mens.

Het volkomen nieuwe van Rudolf Steiner is ten aanzien van het geheel der zintuigen, dat hij erop gewezen heeft, dat er aparte zintuiglijke waarneming nodig is om in klanken woorden en zinnen te onderscheiden (woordzin of taalzin). Ook is er een apart zintuig nodig om in de woorden en zinnen de gedachten en ideeën van een ander waar te nemen, maar behalve in de taal ook nog in gebaar of mimiek.

Dit zintuig heet dan ook denk- of begripszin.

Tenslotte is ook het waarnemen van het ‘ik’ van een ander mens geen vorm van redenering, maar van zintuiglijke waarneming. Om het verschil tussen ik en niet-ik in de omgeving bij een ander mens waar te nemen, is een apart zintuig nodig, dat de ‘ik-zin’ genoemd wordt.

De akoestische zintuigen vragen, dat zij in hun geestelijke waarde worden ontdekt. Zij zijn kennis-zintuigen, die met uitzondering van het gehoor alleen aan de mens eigen zijn.
Voor degene die de mens als een soort dier beschouwen bestaan zij dus niet.
In onze feeënkringen nemen zij uiteraard een belangrijke plaats in. We hebben de gehoorzin als: fee Akoestica, de woordzin als: fee Logica, de denkzin als: fee Noëtica en de ik-zin als: fee Christiane.
Men kan zich afvragen of in het sprookje fee Noëtica de boze fee was. Door fee Christiane werd haar boze plan doorkruist. Daarna nam zij in ieder geval haar plaats in de kring weer in.
Ook al wordt men wakker uit de 100-jarige slaap. die veroorzaakt werd door het intellectueel-eenzijdige, toch kan men het verworven intellect als controlerende factor niet missen, ook bij  elke spirituele ontwikkeling. Dit laatste is dikwijls door Rudolf Steiner met nadruk betoogd.

Deze hoogste zintuigen kunnen geoefend worden. En hun waarnemingen worden dan de vrucht van een ontwikkelingsweg naar innerlijke activiteit.

Het is duidelijk, dat de natuurwetenschap de begrippen ‘woord’, ‘gedachte’ en ‘ik’ slechts als zuivere abstracties moet beschouwen. Rudolf Steiner geeft door zijn werk de mogelijkheden om deze abstracties weer ‘schouwbaar’ te maken, hetgeen pedagogisch en sociaal van het grootste belang mag worden geacht.

Tenslotte wordt het twaalftal zintuigen in beeld gebracht:

Rudolf Steiner merkte eens op, dat ons ik, als centrum van ons zielenleven. zich in de twaalf zintuigensfeer beweegt als de zon in de twaalf sterrenbeelden van de ecliptica.

Zo’n aanwijzing kan tot levend beeld worden.

zintuigen 1

 

5.4.3. Zintuigen en de kinderontwikkeling
Hoe past men de totaliteit van de twaalf zintuigen in ons mensbeeld? Het beeld van het zich naar lichaam, ziel en geest ontwikkelende kind, dat op weg naar de volwassenheid door drie zevenjarige fasen gaat?

Het kan duidelijk zijn, dat de zintuigactiviteit van het kind zeer intens is en onmiddellijk na de geboorte begint. De baby proeft nog voor hij kijkt. Tot in zijn kwispelende teentjes geniet hij van de zoete moedermelk. Het kleintje hoort ook al van alles: het kan van geluiden schrikken en het wordt rustig bij het zingen of spreken van de moeder.

Al betrekkelijk gauw komt in de tijd, waarin de lichamelijke basis van het kind wordt gevormd en uitgebouwd, de beweging als hoofdkenmerk van deze levensfase te voorschijn. Alles betasten, vasthouden, evenwicht bewaren, zich omdraaien, gaan zitten, pakken en gooien, schuiven, kruipen, staan, waggelen en lopen. Het kind denkt nauwelijks, het beweegt voortdurend. Eigenlijk is het merkwaardig, dat het pas lopende peutertje een hond en een boom herkent, ook al was de eerste ontmoeting met een pekinees en een treurwilg en de tweede met een Sint Bernard en een dwergconifeertje. Hond is hond en boom is boom. Deze begrippen zijn waarnemingen en geen conclusies na een denkproces!

Het kind gebruikt in de eerste zevenjaarfase — de wilsfase — wel alle zintuigen, maar de hoofdrol wordt toch gespeeld door het viertal, dat men ‘wilszintuigen’ noemt: tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Hoe kunnen deze ‘onderste zintuigen’ tot een goede ontplooiing komen? Door nabootsing in het algemeen en door het spel in het bijzonder! Rustige, zinvolle bewegingen van de volwassenen in de omgeving en beweegbaar speelgoed (hamerende timmerlui, zagende houthakkers, pikkende kipjes, dansende popjes) dat alles stimuleert de onderste zintuigen op goede wijze. Het kinderspel is ook bijzonder goed voor de wilszintuigen: de oude kinderspelen, kringspelen met goede klank en ritme, balspelen, touwtje springen.

Er zijn ook dingen die in onze technische civilisatie veel voorkomen en een regelrechte aanslag zijn voor de harmonische ontplooiing van tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Onrust, haastige, geïrriteerde bewegingen, toestellen die schijnbare beweging laten zien (film, T.V.) tasten de onderste zintuigen aan. Vooral ook gebrek aan ruimte voor spelen in de bovenbedoelde zin vormt een aantasting.

Kleuterscholen waar niet geleerd, maar gespeeld wordt, zijn gunstig in dat opzicht.

Bij sommige kinderen is de bewegingszin door een onrustige omgeving met een overmaat aan onritmische, mechanische, onregelmatige beweging zó aangetast, dat bij het kind geen gezonde bewegingsdrang, maar een ‘beweegzucht’ is ontstaan. Het kind kan dan geen seconde meer stil zitten, en beweegt, constant wriemelend en peuterend. Het kan ook niet meer luisteren.

Het viertal onderste zintuigen vormt een basis voor de volgende vier gevoelszintuigen in de schoolkind- of gevoelsfase. Die middelste vier – reuk – smaak – gezichts – en warmtezin geven op hun beurt een basis voor de harmonische ontplooiing van de laatste vier, de denkzintuigen in de laatste zevenjarige ontwikkelingsfase.

Het verband tussen de drie groepen is van het allergrootste belang voor de pedagogie en het onderwijs.

Het blijkt namelijk mogelijk te zijn om door het leggen van het juiste verband tussen een wils-, een gevoels- en een denkzintuig gebreken in het leervermogen geheel of gedeeltelijk te herstellen.

Men is daar nog in het begin, maar steeds meer studie van de zintuigen zal kunnen leiden tot het efficiënt helpen van leerlingen met moeilijkheden.

Een enkel voorbeeld mag thans volstaan. We zien een jongen, die met het oog niet goed kan waarnemen d.w.z. hij vergist zich met kleuren en vormen en hij kan nauwelijks een begrip ontwikkelen. We geven hem een opdracht om iets te tekenen.

We merken het volgende:

Het kind voelt niet, dat zijn papier op de tafel wegschuift. Hij voelt ook niet, dat hij te hard op zijn krijt drukt. Hij heeft ook niet in de gaten, dat zijn linkerhand een ander kleurkrijtje vasthoudt. Het papier ligt te schuin om prettig te werken. Geleidelijk komt het ongemerkt onderste-boven te liggen. Het kind krast te hard. Hij blijkt niet te zien, of zijn werk mooi of lelijk is.

Kijken we naar Trigoon III dan zien wij een samenhang tussen bewegingszin, gezichtszin en begripszin. De aangetaste bewegingszin beïnvloedt het oog en de begripsvorming (zie afb.).

Een aantal oefeningen om zich ritmisch en ontspannen te leren bewegen, bewerkt, dat de jongen normaal leert lopen en normaal leert zitten. Daarna is het mogelijk hem te leren zien, of hij het krijtje los en toch stevig hanteert. Hij leert ook zien, dat krassen niet zo mooi is; dat hij de lengte en dikte van de streepjes zelf kan controleren en veranderen. Hij begrijpt, hoe men dat aanpakken kan.

Het gaat er wel om een goede verstandhouding met het kind op te bouwen en het gedichtje zo uit te zoeken (of zelf te maken) dat het kind er iets waardevols in kan zien. Kortom, met de zintuigen als uitgangspunt is er zeer veel mogelijk. Men moet zich realiseren, dat zoiets in een gewone groep zevenjarigen kan worden gedaan.

Alles wat de zintuigen overbrengen, behoort tot de materiële wereld. Maar dit innerlijk ontstane beeld heeft zijn tehuis in het rijk van de onzichtbare levenskrachten.

Wat onze geest denkt, onze ziel beleeft, heeft onmiddellijk invloed op de levensuitingen van het organisme. Het zintuigorgaan wordt ook van de psychische zijde direct geëngageerd. Het van vreugde vervulde hart vindt zijn weerspiegeling in de glans van het oog!zintuigen 2

 

zintuigen 3

 

zintuigen 4

 

zintuigen 5

5.4.4 Aanhang             Samenvatting zintuigen.

A. Haptische of wilszintuigen.

1. De tastzin.|
Contact van de wil met de buitenwereld. Wanneer ik iets betast, neem ik toch mijn lichamelijkheid waar. Drukprocessen spelen zich onder mijn huid af. Ik projecteer dit op de buitenwereld met mijn bewustzijn en ik vel het oordeel ‘dit is een ruwe muur’. Er is een reactie van ons innerlijk op uiterlijke gebeurtenissen. Overigens werken bewegings- en evenwichtszin mee met de tastzin, evenals het oog. Het orgaan van de tastzin is ons gehele lichaam, vooral de huid.

2. De levenszin
We nemen door de levenszin op zeer algemene en onbepaalde wijze de toestanden van ons lichaam waar. De waarneming betreft in hoofdzaak de vitale sfeer, de functionering van de levenssappen: bloed en lymfevochten. We voelen dingen die het gehele lichaam betreffen: moeheid, uitgerust zijn, honger, dorst, uitputting, verzadiging, slaperigheid
Ook ontstaat bewustzijn van een orgaan, dat niet werkt zoals het zou moeten doen. Functioneert alles goed, dan neemt de levenszin een vaag behagen waar: wij voelen ons gezond en fit. De levenszin geeft objectieve feitelijkheden: Wanneer wij ons onplezierig in de maag voelen zou een chemicus met zijn retort precies kunnen nagaan, wat er aan onze spijsvertering mis is.

3. De bewegingszin
Dit zintuig neemt alle eigen beweging waar. Het zegt ons of wij in rust of in beweging zijn. De bewegingszin neemt alle bewegingen waar die in ons lichaam gebeuren, maar met beweging buiten ons? Een vergissing is het om te menen, dat wij bewegingen buiten ons door het oog direct kunnen waarnemen. Dat gaat anders. Het oog neemt slechts kleuren en licht-donker nuances waar. Wij doen alle bewegingen, die in ons waarnemingsveld zijn, onbewust mee in ons organisme, in het bewegingssysteem van onze lichamelijkheid.
Door onze eigen bewegingszin worden onze medebewegingen waargenomen, zodat alle beweging buiten ons tot ons subjectieve bewustzijn komt. Een cirkelvorm op een schoolbord is een ‘gestolde’ beweging. die ik met mijn bewegingszin waarneem. Met mijn bewustzijn verbind ik deze waarneming met de optische waarneming van de witte krijtstreep.
Een blinde neemt vormen alleen waar met zijn tastzin en bewegingszin. Rudolf Steiner noemt dit zintuig ook wel ‘eigenbewegingszin’.

4. De evenwichtszin
Met dit zintuig nemen wij onze stand in de ruimte waar. Zijn wij in evenwicht ten opzichte van de drie ruimteassen: boven-onder,  links-rechts, voor-achter? In feite wordt de betrekking waargenomen tussen het middelpunt van de aarde en ons eigen lichaam. Een z.g. onmacht betekent, dat onze evenwichtszin ons het middelpunt van de aarde ‘niet kan laten zien’.
Onze gehele oriëntatie in de ruimte is mogelijk door de evenwichtszin, die haar orgaan in het oor heeft, de drie z.g. half-cirkelvormige kanalen.

B. Optische of Gevoelszintuigen

5. De reukzin
De reukzin is in de neus gelegen. Via de lucht wordt alles waargenomen, wat van de materie in gasvormige toestand is overgegaan. De door de neus waargenomen geur, lucht of stank heeft een zeer sterke uitwerking op ons lichaam, die door vaak heftige gevoelens wordt vergezeld. Lichamelijke reacties b.v. braken zijn ook mogelijk.

6. De smaakzin
De smaakzin laat ons met tong en gehemelte proeven wat van de materie in vloeibare toestand is overgegaan.
Het proeven via de smaakzin veroorzaakt bij de mens zowel een groot genot en welbehagen als ook walging en misselijkheid met alle tussenliggende schakeringen.

7. De gezichtszin
De gezichtszin kan via het oog alleen functioneren, wanneer er licht is; toch kan ons oog het licht zelf niet waarnemen, aangezien licht geen stoffelijke maar een geestelijke kwaliteit is. Wel neemt het oog de dingen waar, die het licht aan hun oppervlakken veroorzaakt nl. kleur- en licht-donker nuances. Over het waarnemen van vorm zie de bewegingszin.

8. De warmtezin
De warmtezin heeft als orgaan onze gehele oppervlakte, al zijn er gevoeliger en ongevoeliger plekken. Waargenomen worden warmte en koude en de schakeringen daartussen.
Dit zintuig heeft duidelijker dan andere zintuigen een brug naar het psychische. Zielenwarmte en -koude worden ook door de warmtezin waargenomen, in combinatie met de akoestische zintuigen.

C. De akoestische zintuigen of Denk-zintuigen

9. De gehoorzin of klankzin
De gehoorzin heeft een Januskop. Ten dele behoort zij tot de z.g. middelste zintuigen, voor zover de natuur wordt waargenomen en de waarneming gevoelsmatig geëngageerd is. Maar het zintuig heeft ook het opmerkelijk vermogen om kwaliteiten hoorbaar te maken. Dit geldt niet alleen voor het onderscheiden van ‘echte’ munten, maar vooral voor het onderscheiden van kwaliteiten in de stem van de mens. Vandaar de sociale vermogens van de blinde!

10. De woord- of taalzin
De taal van een medemens is een zelfstandig te beleven wereld. Via de gehoorzin nemen we slechts het akoestische of muzikale element van de taal waar, niet het wezenlijke van de taal zelf.
Om woorden en zinnen in de stroom van klanken te kunnen onderscheiden is een apart zintuig nodig. Wij bouwen in de loop van ons leven via de woorden een soort klankorganisme op. Orgaan is: ons gehele bewegingsorganisme.

11. De gedachte- of begripszin
Taal en gedachte zijn niet identiek. Wij kunnen de gedachte van een ander mens ook leren kennen door zijn gezichtsexpressie en zijn gebaren. Er is een hoger zintuig nodig om uit de taalstroom de gedachten en ideeën te weten te komen. Dit is geen resultaat van verstandelijke redenering, maar van een zintuiglijke waarneming.
Kinderen kunnen al begrippen ervaren, wanneer zij nog niet kunnen denken. Orgaan voor het begripszintuig is het levensorganisme. Interessant is het, dat Chinezen, Koreanen en Japanners hetzelfde schrijfteken voor ‘boom’ hebben, terwijl zij geheel verschillende talen spreken.

12. De ik-zin
Wij moeten tussen eigen denken en het waarnemen van de gedachten van een ander mens onderscheiden.
Evenzo hebben wij onderscheid te maken tussen de beleving van ons eigen ‘ik’ en het waarnemen van het ‘ik’ van een ander.
Er is geen conclusie uit mijn eigen ik-beleven ten aanzien van een ander. Er is werkelijk sprake van een waarneming. Daartoe hebben wij een apart zintuig, de ik-zin. Het leert ons de keuze te maken tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’ bij de ander. Het ik van de ander is een geestelijke realiteit. Onze eigen ik-zin — ons gehele lichaam is het orgaan ervan — moet door innerlijke activiteit geoefend worden.
.

Het binnenste buiten – publicatie Rudolf Steinerschool Leiden, *mei 1985, hoofdstuk V waarvan 5.4

.
Ik-zin: artikel in Antroposofie Magazine

.

Zintuigen: alle artikelen
.

962

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (7-1)

sprookjes: alle artikelen

 

In de jaren ’70 van de vorige eeuw gaf uitgeverij Thieme – Zutphen – een blad uit voor het onderwijs ‘De Vacature’. Naast de vacatures, uiteraard, stonden er ook heel veel interessante artikelen in. En een column van de onderwijzer ‘met het gouden hart’ C.Wilkeshuis.
De schrijver van onderstaand artikel hield zich vooral bezig met ‘folklore’. Wie met antroposofische inzichten de sprookjes bestudeert, komt tot andere gezichtspunten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat andere gezichtspunten er niet toe doen.

 

De Germaanse oorsprong van enige bekende sprookjes

Na enige algemene beschouwingen over de sprookjes zullen we ze in het kort mededelen uit het bekende boek van Grimm, uitgave 1819, want er zijn later „verbeteraars” gekomen en zelfs zijn er uitgaven met een christelijk tintje, wat onzin is, want de sprookjes zijn duizenden jaren oud, terwijl het Christendom nog geen 2000 jaar geleden bedacht is.

Een kind hoort graag sprookjes, maar kan ze evenmin verklaren als de volwassene, welke niets van mytholo­gie en de Germanen weet. Het sprookje is voor het kind wat voor de volwassene televisie en bioscoop is. De „verbeteraars” vonden de sprookjes niet geschikt voor kinderen wegens weerwolven, toverij, te vonde­ling leggen, boze stiefmoeders, incest, castratie, ont­maagden, onthoofden, ophangen, draken, reuzen, dwergen. Maar kinderen willen dit juist horen, het kind zoekt de angst en het wonder in de sprookjes bevrijdt het kind van de angst. De wensen en gedachten van het sprookje zijn de wensen van het volwassen pri­mitieve volk. Zoals Grimm de sprookjes vertelt, met weglating van de grofste sexuele gebeurtenissen, zijn ze onschadelijk voor kinderen en behoeven niet „ver­beterd” te worden.

Grimm zag in de sprookjes heidens volksgeloof van een laag staande cultuur. Grimm dacht aan Indoger­maanse oorsprong, daar er parallellen zijn in de sprookjes van verschillende volkeren. Tegenwoordig neemt men dat niet meer aan. De sprookjes zijn niets anders dan verborgen wensen en angsten van de pri­mitieve mens.

Het motief van de incest komt in veel sprookjes voor en we spreken nog van het Oidipus-complex (Oidipus vermoordt zijn oude vader en huwt zijn jonge moeder en verwekt 4 kinderen bij haar). We komen daarop terug. In de sprookjes treden bijna altijd koningen als vader en dochters als prinses voor. Waarom? Het volk heeft van de oudste tijden af een ziekelijke be­langstelling voor zelfs de banaalste handelingen van de koning. Men identificeert de koninklijke familie met de eigen familie. De koning is het onbewuste symbool voor de vader.

Dwergen komen ook in de sprookjes voor. Zij graven naar goud en ijzererts. Voor dwergen kunnen de gangen laag en nauw zijn.

Zulke gangen zijn er nog in de omgeving van Cham (Beieren), vooral Arnschwang en Ränkam. Men noemt dit Schrazllöcher, voorhistorische gangen waarin de Schrazln (dwergen) huisden.

Een grondig onderzoek heeft nog niet plaats ge­vonden, daar een normaal mens er moeilijk in kan.

Men vermoedt naast het zoeken naar erts ook vluchtgangen. tot dusver zijn geen werktuigen gevonden, zodat men ook niet weet of de gangen uit het bronzen tijdvak dateren. In ieder geval, ze zijn zeer oud en voorhistorisch. In het Fichtelgebergte, ik meen op de Ossenkop, heb ik zulke gangen gezien, maar ik kon er ook niet in, zo smal en laag zijn ze. Nu weten we wel uit de afmetingen van har­nassen dat de mens vroeger veel kleiner was. Het harnas van een volwassen middeleeuwse ridder kan zelfs een hedendaagse jongen van 14 jaar niet passen. Ook deuropeningen zijn in Middeleeuwse burchten zeer laag en de bedden zeer kort.

Voor de jongere lezers volgt nu het Oidipus-complex, daar we dit in de sprookjes meermalen tegenkomen. Laos, de oude koning van Thebe had bij de jonge koningin lokaste geen kinderen. Het Orakel voorspelde dat zij een zoon zou krijgen, die hem zou vermoorden en die zoon zou met zijn moeder trouwen. De zoon werd geboren en met doorboorde voeten te vondeling gelegd. Een herder vond de baby en noemde hem Oidipus (gezwollen voet). De herder gaf de baby aan koning Polybos. Als Oidipus volwassen wordt en geen antwoord op de vraag naar zijn herkomst krijgt, vraagt hij het Orakel en krijgt hetzelfde antwoord als zijn vader. Hij ontmoet op een smalle weg een wagen en er kwam ruzie over de voorrang (zo oud is dit pro­bleem). Hij slaat een oude man dood (zijn vader). Hij lost het raadsel van de Sfinx op, die verdwijnt. Hij krijgt nu de uitgeloofde beloning voor het vertrek van de Sfinx: de koningin locaste, zijn moeder. Hij trouwt met haar en verwekt bij de jonge koningin 2 zonen: Eteokles en Polyneikes en 2 dochters: Antigone en Ismene. Nu breekt de pest uit en het Orakel wijst de koningsmoordenaar als oorzaak aan. Alles komt uit, locaste hangt zich op, Oidipus steekt zich beide ogen uit en de goden laten hem spoedig sterven. De twee zonen doden elkaar in een oorlog om Thebe. Volgens andere lezingen verleidt locaste Oidipus en ging het initiatief van haar uit. We vinden dit vaker bij de incest vader-dochter en moeder-zoon. De vrouwen nemen het initiatief. We komen erop terug.

We verstaan nu onder het Oedipus-complex de ver­houding in de vroege jeugd tussen vader en dochter, moeder en zoon. De kleine meisjes zeggen vaak, dat ze met de vader willen trouwen. In de puberteitsjaren kan dit ontaarden in incest: geslachtsverkeer tussen vader-dochter, zuster-broeder, moeder-zoon.

Ook in Shakespeares „Hamlet” kon Freud het Oidipus-complex aantonen. In het Oidipus-complex vinden we dus de haat vader-zoon, de liefde vader-dochter, de haat moeder-dochter en de liefde moeder-zoon. De haat moeder-dochter speelt in de sprookjes een be­langrijke rol. In de zoogdierwereld van de kudde­dieren vinden we hetzelfde. Als de jonge mannetjes volwassen worden, valt het familieverband uiteen. Het jonge mannetje paart met zijn moeder en zusters. De leider van de kudde, een oud mannetje, paart met zijn moeder, zusters en dochters.

Bij de kudde-dieren komen steeds vechtpartijen voor tussen het oude mannetje en de volwassen zonen en het eindigt met de dood of uitstoting uit de kudde van het oude mannetje. Deze dwaalt dan als solitair alleen rond en is vaak gevaarlijk. Het sterkste jonge mannetje wordt dan leider van de kudde.

Men veronderstelt dat de voorhistorische mens ook zo in horden leefde: een paar mannen, een aantal vrou­wen en de mannen paarden met hun moeder, zusters en dochters. Er waren weinig mannen want ze ver­ongelukten vaak op de jacht.

De Griekse mythologie noemt de strijd der opstandig geworden Titanen, die hun vader ontmannen (Vondel herinnert eraan in de „Palamedes”: „Saturnus die zijn vader lubt”). Saturnus verwekt bij zijn zuster Rhea 6 kinderen. Zeus verwekt bij zijn zuster Demeter de dochter Persephone.

We vinden in de sprookjes ook het naaktheidsmotief, dat ook in de bijbel voorkomt: Adam en Eva (Gen.2: 10) en Noach (Gen.9: 21). Dan vermelden de sprook­jes de strijd tussen dag en nacht, zon en winter, strijd tussen oude en jonge helden. De Griekse mythologie plaatst de helden aan de hemel: Orion, Hercules, Perseus, Andromeda, enz. als sterrenbeelden. De sprookjesheldinnen zijn altijd zeer jong, vóór, tijdens en na de puberteit, dus de ,overgang tot gerijpte vrouw. Zij worden zwaar beproefd als slavin in de keuken, wat herinnert aan de inwijdingsriten en de isolering in het bos bij de primitieven. De meisjes zijn altijd enig kind. Zij wensen de moeder dood en die verschijnt dan als wreekster, vermomd als de boze stiefmoeder. En de dochter is de rivale van de moeder, (haat moeder-dochter) Nergens wordt over liefde gesproken, de meisjes trouwen meteen als ze een prins ontmoeten of trouwen op bevel van de vader.

1.De kikkerkoning
Het eerste sprookje van Grimm in de uitgave van 1819 is de kikkerkoning. Natuurlijk is de vader een koning, de dochter is naamloos. Bij een bron werpt de prinses een gouden bal in de bron. Zij huilt omdat zij haar speelgoed kwijt is. Een stem vraagt heel
banaal waarom zij huilt (Vondel zegt dat veel mooier in de „Gysbreght”: „Wat nevel van verdriet bezwalkt Uw blinkende oogen?”). Een kikvors kijkt over de rand van de bron en belooft de bal op te duiken. De kikker eist, dat de prinses hem zal liefhebben, dat hij aan haar tafel mag eten en met haar in bed slapen. De kikker brengt de bal boven, de prinses ijlt naar huis. De volgende dag komt de kikker tijdens het diner aan de deur van het paleis en roept „Prinses, doe open” (Zij heeft geen naam). De koning beveelt haar de kikker binnen te laten en de kikker eet mee van haar gouden bordje. Dan wil hij in haar bed uitrusten. Zij weigert, maar de koning beveelt haar de kikker mee naar bed te nemen. Als zij met de kikker in bed ligt, kruipt hij naar haar toe en zij werpt hem tegen de muur. Er valt geen kikker terug, maar een prins, die betoverd was door een heks en op haar vaders bevel trouwt de prinses met hem.

Dit sprookje is duidelijk Germaans. De bron was heilig bij de Germanen. Merk op: de vader beveelt steeds.

Dat is typisch Germaans: de Germaanse vader bepaalt of de pasgeborene mag leven of gedood of te vonde­ling gelegd wordt, hij kan echtgenote en dochters zonder meer doden of inzetten bij het dobbelen, bij verlies worden zij als slavinnen aan de winnaar uit­geleverd. In graven heeft men meermalen dobbel­stenen gevonden opdat de dode ze in het Walhalla bij de hand had. Van de spelregels is niets bekend.

We zien hier ook hoe in de sprookjes alle begrip van proporties ontbreekt. De gouden bal zinkt in de bron. Hij was dus massief. Een kleine gouden bal van 4 cm diameter weegt al 600 gr., teveel om mee te ballen. Een knikker van 2 cm diameter weegt 80 gram, dat kan een kikker niet dragen. Pas een gouden knikkertje van 1 cm diameter dat 11 gr weegt, is voor een kikker niet te zwaar (We laten de opwaartse druk buiten beschouwing). De kikker was bij alle Germaanse stammen bekend: Ned.: Kikvors, kikker, Vorsch (in de Statenvertaling van de bijbel). Duits: Frosch, Engels Frog, Deens Frö. In het Frans komt de kikker er niet best af: Een woordenboek van 1736 vermeldt bij „Grenouille”: kikvors, slechte dichter, Grenouiller: zuipen, zwelgen, gestadig in de kroeg zitten, in het water plassen. Een grenouillard is een kroegloper. Dit voor Frans studerenden.

In het Spaans zegt de uitdrukking: no ser rana (geen domkop zijn) niet veel goeds voor de kikker. In de sprookjes is de kikker levensaankondiger, zoals we zullen zien bij Doornroosje.

In de bijbel komt de kikvors er slecht af: Openbaring van Joh. 16:13 „en ik zag uit de mond des draaks en uit den mond van het beest en uit den mond van den valschen profeet drie onreine geesten uitgaan, den vorschen gelijk”. (14) „want het zijn de geesten der duivelen”.

2.Doornroosje
De koningin zit in het bad, een kikker duikt op en voor­spelt dat zij binnen een jaar een dochter krijgt. Na de geboorte nodigt de koning de „wijze vrouwen” uit. Er waren er 13, maar omdat hij maar 12 gouden borden heeft, wordt er één niet gevraagd. Als de 11 vrouwen een wens gedaan hebben, komt de 13e binnen en wenst, dat de prinses met 15 jaar sterft door zich te prikken aan een spoel. De 12e kan de verwensing niet ongedaan maken en verandert het in een slaap van 100 jaar. De koning beveelt dat alle spoelen voor het spinnen verbrand moeten worden. Als de prinses 15 jaar wordt, gaat zij op ontdekking uit in het slot. Zij kwam in een toren, waar een oude vrouw spint. Het meisje neemt de spoel in de hand, zij steekt zich in de vinger. Zij valt op een bed neer en slaapt, ledereen in het slot slaapt nu. Rond het slot groeit een doornhaag. Af en toe komen prinsen en pro­beren door de doornhaag te komen. Zij blijven erin hangen en sterven. Na 100 jaar probeert weer een prins het. De doornhaag werd tot een bloemenhaag, hij laat hem door. Hij vindt Doornroosje en kust haar wakker. Zij trouwen meteen.

Dit sprookje is zo duidelijk Germaans als het maar kan. Ten eerste de „wijze vrouwen”. De Germanen kenden die als „zieneressen” en zij voorspelden de toekomst uit de ingewanden van krijgsgevangenen, welke zij met een mes levend de buik opensneden. Dan kent de Germaanse mythologie het verhaal van Brunhilde, een Walkure. Wegens ongehoorzaamheid aan Wodan moest zij met een aardse man trouwen. Wodan steekt haar met een doorn en zij valt inslaap. Wodan om­geeft de burcht met een ring van vuur, want Brun­hilde wil een dappere man. Siegfried komt door het vuur en daar Brunhilde geen gordel, die haar onover­winnelijk maakt, aan had, ontmaagt hij haar en zij wordt zijn vrouw. Dit is toch wel duidelijk de oor­sprong van Doornroosje!

Doornroosje is 15 jaar en zij bloedt. Dat is haar eerste menstruatie. Zij is nu vrouw geworden en krijgt angst voor de mannen: defloratie is weer bloed, geboorte: weer bloed. De vrijers sterven in de doornhaag! En waarom zit er een oude vrouw in de toren waar Doornroosje bloedt? Bij de primitieve stammen in Afrika, Australië, Z. Amerika ontmaagden de oude vrouwen de meisjes direct na de eerste menstruatie met een koehoorn, een defloratiestok, met de vingers. Daarop wijst ook de spoel. Door de 100 j slaap heeft Doornroosje de angst voor de man overwonnen, zij is tot vrouw gerijpt en zij huwt dadelijk de prins. We vinden hier de kikvors als levensaankondiger. De Germanen kenden het spinnen en spoelen zijn in graven gevonden. We zien hier ook de haat tussen moeder en dochter. De vergeten 13e fee is de ver­momde moeder. Ook de oude vrouw in de toren is de vermomde moeder. De 100 j slaap herinnert aan de inwijdingsriten der primitieven met afsluiting van de buitenwereld.

Het kasteel van Doornroosje is er nóg, de Sababurg in het Reinhardswald tussen Weser en Diemel. Op een basaltrots werd de burcht in 1334 gebouwd, omgeven door een doornhaag. In de 16e eeuw werd de doornhaag gesloopt en de burcht omgeven door een 4 m hoge muur van 4,5 km lengte. Binnen de muur liepen herten, wilde zwijnen en ander wild. Een enigszins geschifte 18e eeuwse vorstin liet de dieren door drij­vers opjagen en schoot vanaf het dak het wild neer. Het Reinhardswald heeft een 80 ha groot natuurbeschermtngsgebied met eeuwenoude eiken en beuken, tot 7 m in omtrek. Te voet ïs het Reinhardswald 7 uur in de lengte en 4 uur in de breedte. Het is
voor­malig Frankisch koningsgoed. Het is practisch onbe­woond, er is maar één voormalig bedevaartsoord Gottsbüren en verder wonen er een paar boswachters.

3.Sneeuwwitje
Grimm spelt de naam Sneewitchen . . Een koningin zit op een winterdag voor een raam van zwart ebbenhout te naaien en prikt zich met de naald in de vinger. Zij verliest 3 druppels bloed . . Zij wil een kind zo rood als bloed, zo wit als sneeuw en haar zo zwart als ebbenhout. De koningin sterft bij de bevalling. Na 1 jaar neemt de koning een andere vrouw. Zij was jaloers en kon niet hebben dat andere vrouwen mooier waren. Een toverspiegel zegt haar, dat zij de schoonste is. Als S. 7 jaar is zegt de spiegel dat S. mooier is. De koningin haat S., de bekende moeder-dochter haat, want moeder en dochter zijn hier rivalen wie de schoonste is. Een jager moet S. mee naar het bos nemen en haar doden. Als hij met de hartsvanger -hart=hert) haar wil doorsteken, smeekt S. haar te laten gaan. De jager laat haar lopen en vangt een jong wild zwijn. Hij brengt longen en lever naar de koningin, die het opeet, denkend dat het longen en lever van S. zijn (kannibalisme).
S. doolt in het woud en vindt een klein huisje waar 7 bordjes en 7 kroesjes op tafel staan en er staan 7 bedjes (7 is heilig getal). S. neemt wat van ieder bordje en gaat in een bedje liggen. Des avonds komen de 7 dwergen van hun werk (naar ijzererts en goud­aderen graven) thuis. Zij laten S. slapen De volgende dag hoort S. dat zij blijven mag, maar zij moet koken, wassen, naaien, schoonmaken. De dwergen waar­schuwen haar voor de stiefmoeder: zij mag niemand binnenlaten. De spiegel verraadt, dat ,,S. over de bergen bij de 7 dwergen schoner dan de koningin is”. Als oude vrouw gaat de koningin naar het ijdele S. en verkoopt haar een gordel. De koningin doet S. de gor­del zo strak om, dat zij flauw valt. De dwergen vinden haar en snijden de gordel door. S. komt bij. De spiegel zegt weer, dat S. de schoonste is. De koningin
ver­kleedt zich weer als oude vrouw en verkoopt het ijdele S. een vergiftige kam. De koningin steekt S. de kam in het haar en S. valt neer. De dwergen trekken de kam uit en S. komt bij. Weer waarschuwen de dwergen voor de stiefmoeder. De spiegel zegt weer dat S. de schoonste is. De koningin maakt een appel vergiftig en schenkt als oude vrouw verkleed S. de appel. S. valt voor dood neer. De dwergen kunnen niet vinden wat de oorzaak is en leggen het schijndode S. in een glazen kist. S. bleef in de kist zo wit als sneeuw,zo rood als bloed en het haar zo zwart als ebbenhout.

Een prins ziet S. in de kist en de dwergen schenken hem de kist. Als de knechten de kist wegdragen, struikelen zij en de kist valt op de grond. S. spuwt door de schok de vergiftige appel uit en zij komt bij. De prins vraagt haar met hem te trouwen. De koningin komt op de bruiloft en er staan roodgloeiende pantoffels van ijzer voor haar klaar. Zij moet erin dansen tot zij dood neervalt.

Het sprookje begint met sneeuw – dat wijst op een Germaans land. Maar het ebbenhout – een tropische houtsoort – wijst op bijvoeging. De haat stiefmoeder- dochter is hier buitengewoon duidelijk. De moeder leeft niet meer, zij verschijnt vermomd als boze stiefmoeder. Blijkbaar heeft S. haar moeder dood gewenst en had zij incestgevoelens voor de vader. De jager is de vermomde vader, die zijn dochter redt en niet doodt.
De rijpingstijd geschiedt bij de 7 dwergen en wel – voor een prinses vernederend – in de keuken. De glazen kist is een symbool voor de baarmoeder. De boze koningin verschijnt 3 x als oude vrouw – dat wijst weer op de defloratieriten der primitieven.
De gordel en de kam zijn zo Germaans als het maar kan.

Man en vrouw droegen bij de Germanen een gordel. De man droeg aan de gordel de sax, het zwaard, verder kam, mes, amuletten, zilverwerk. De vrouw droeg aan de gordel kam, amuletten, sieraden. De grafvondsten bewijzen het. De kam was voor de vrije Germaan zeer belangrijk, want haar en baard waren het symbool van de mannelijkheid. Het geheel af­snijden van het hoofdhaar was een straf en men heeft vrouwelijke veenlijken met geheel kaalgeschoren hoofd gevonden. De koning en de vrijen onder­scheidden zich van de slaven en slavinnen door lang hoofdhaar, want slaven en slavinnen werd het hoofd­haar afgesneden. Men zwoer een eed bij het haar en baard van de koning en nog kent de Ned. taal de uit­drukking „zweren bij de baard van de profeet”.

De kam had magische kracht en beschermde tegen boze geesten. Ook bij de oude oosterse volkeren Babyloniërs, Assyriërs, Egyptenaren, Israëlieten) stond de baard in hoge ere. De baard werd gezalfd (Ps. 133:2 „Het is gelijk een kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard”). Iemand de baard af­snijden was een diepe vernedering (2 Sam. 10:4 „toen nam Hanum Davids knechten en schoor hunnen baard af en sneed hunne kleederen tot aan hun billen af”).

Zij ondervonden het lopen in de blote billen en zonder baard zeer vernederend en David laat hun weten maar weg te blijven „totdat uw baard weer gewassen is”.
Zichzelf de baard afsnijden was een teken van rouw. (Jes. 15:2 „hij gaat naar Baith om te weenen, op al hun hoofden kaalheid, aller baard afgesneden”). Het Christendom beeldt God, Jezus, de discipelen, vele heiligen, altijd met grote baarden af (zelden ook met snorren). Maar merkwaardigerwijze worden de enge­len nooit met snor of baard afgebeeld, zij zijn baarde­loze jongelingen! Ook de duivel heeft geen baard of snor. Waarom, weet ik niet. Zeus en Wodan hebben ook een baard.

De gordel was het symbool van kracht en heerschappij voor de Germaan. Het omdoen van de gordel was al een magische handeling. Hoe hoger rang, hoe meer zilveren sieraad aan de gordel. God Thor verdubbelde zijn kracht als hij de gordel aan had. De Walkure
Brunhilde was met de gordel aan onoverwinnelijk. Voor straf moest zij wegens ongehoorzaamheid aan Wodan met een aardse man trouwen. Wodan stak haar met een doorn; zij valt in slaap en Wodan omringt haar slaapplaats met een ring van vuur. Aangezien zij sliep zonder gordel, kon Siegfried haar overwinnen en ontmaagden. De haat moeder-dochter vinden we ook bij de haat schoonmoeder-schoondochter.
De belangrijkste Duitse dichter van de 16e eeuw is Hans Sachs (1494-1576) vandaar de gedenkzegels der Bundespost, hij overleed precies *400 jaar geleden. Hij zegt in een ironische bezwering in het stuk „Kalverbroeden”, waarbij de priester een boer bezweert „bei Schwieger- und Schnurreinigkeit, by de trouw van de echtbreker, bij de vroomheid van de lands­knecht”. Voor Duits studerenden: Schwieger=
schoon­moeder, Schnur = schoondochter. Schwieger- und Schnureinigkeit bestaat net zo min als vroomheid bij de landsknecht. En zo kunnen we ook wel aannemen dat er geen Mutter-Tochter-einigkeit bestaat. De moeder ziet de opgroeiende dochter als rivale. Daar S. met 7 jaar bij de dwergen komt en dan met de prins trouwt moet zij wel een jaar of 7 bij de dwergen ge­weest zijn. Zo lang duurde bij haar de rijpingstijd en de vernedering in de keuken.

Dat dit sprookje uitgesproken Germaans is (door de kam en de gordel) zal nu wel duidelijk zijn. Het verhaal van S. speelt ook in het Reinhardswald aan de Weser.

(Wordt vervolgd) J.C.AIders, *1976)

sprookjes: alle artikelen
705