Tagarchief: bewegingszin

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9/5-3)

.

Bewegen:

Je baby kon al lopen voordat hij werd geboren.
Bewegen is gewoon, vooral voor kinderen.
Toch vraagt iedere ouder zich wel eens af of zijn kind niet te weinig beweegt. Of juist te veel.

Een interview met een eigenzinnig denker over de oorsprong van beweging.

‘Als je in dit landschap een embryo ziet, ben je op de goede weg.’
Deze woorden* staan onder de foto waarmee de website van dr. Jaap van der Wal opent. Van der Wal is embryoloog en het embryo staat dan ook centraal op zijn site. De bemoedigende woorden waarmee hij je als bezoeker van de site toespreekt, kun je ook wel gebruiken, want zijn opvattingen over de oorsprong van het menselijke bewegen zijn op zijn zachtst gezegd ongebruikelijk. Behalve embryoloog is Jaap van der Wal ook bewegingswetenschapper en promoveerde hij in 1988 op de door hem ontwikkelde ideeën over beweging en hoe je als mens je eigen bewegingen kunt waarnemen. Hij spreekt daarbij zelfs over een ‘bewegingszintuig’.

Van der Wal:
‘De bewegingswetenschapper en de embryoloog in mij groeien steeds meer naar elkaar toe. Het draait bij allebei om beweging. Op beide fronten torn ik voortdurend aan het gangbare idee dat het lichaam primair iets stilstaands is dat vervolgens in beweging kan worden gebracht vanuit het hoofd. Als je het embryo bestudeert – en de moderne bewegingstheoriën bevestigen dat inmiddels – merk je dat er van meet af aan beweging is. Beweging is dus primair en stilstand is secundair.’

Als je zwanger bent voel je je baby natuurlijk regelmatig een stompje of trapje geven. Maar je hebt het hier over een ander soort bewegen?

‘Ja, heel anders. De foetus beweegt door reflexen. Maar als je verder teruggaat in de ontwikkeling van het embryo, zie je dat de wijze waarop het lichaam gestalte krijgt op zichzelf één en al beweging is. Veel mensen denken dat je voor het eerst adem haalt als je net geboren bent. Of dat je je aan de spijlen van de box moet optrekken om voor het eerst rechtop te staan. Dat past bij de gedachte dat je eerst een lichaam hebt waarmee je vervolgens gaat leren ademhalen, staan en lopen. Maar het embryo ademt, staat en loopt al! Het doet dat in de vorming van zijn gestalte.

Je kunt dat goed zien aan het ontstaan van de longen. Aanvankelijk heeft het embryo nog helemaal geen borstkas. Daar is ook geen ruimte voor als je opgerold zit. Maar dan gaat het zich strekken en richt het zich op. Daar komen geen spieren aan te pas, dat is pure groeibeweging. Tijdens het strekken ontstaat de borstkas en dan gebeurt er iets prachtigs: in een soort ademhaling ontvouwt zich vanuit de keel een long en die long vult de hele borstkas. Geen wonder dat je daar later zo goed mee kan ademen, want dat orgaan is onstaan door een inademings-beweging.

Je ziet het ook aan het ontstaan van handen en voeten. Je voeten groeien van  meet af aan van je lichaam weg in een soort steungebaar, terwijl de handen naar het lichaam toe groeien in een grijpgebaar. Je krijgt gestalte door wat in je lichaam beweegt en niet door bewegingen die je mét het lichaam maakt. Beweging krijgt je baby in zijn lijfje mee. Langzaam maar zeker zal hij leren die bewegingen te laten aansluiten bij zijn bedoelingen. Dat is de essentie van het menselijke bewegen: het als een ruiter te paard richting geven aan datgene wat in jou beweegt.’

Hoe leer je als kind die samenhang aan te brengen tussen je bewegingen en je bedoelingen?

‘De foetus beweegt nog helemaal vanuit reflexen. Gaandeweg moet de baby leren zijn bewegingen te gaan sturen. Dat begint al als hij zijn handjes niet meer toevallig ziet langskomen, maar zijn armpjes gericht beweegt omdat hij iets wil pakken. In dat leerproces is ritme essentieel. Een vertrouwd ritme geeft een kind de nodige structuur en houvast om zich in de ruimte te leren bewegen. Liedjes waarbij handen en voeten meedoen, bewegingsspelletjes, het rondduwen van de trappers op zijn driewieler, alles waarbij beweging telkens op dezelfde manier terugkeert, helpt hem om zijn bewegingen steeds meer te bemeesteren. Als ze de basisschoolleeftijd hebben bereikt, zullen de meeste kinderen de steun van het ritme niet meer nodig hebben om zich vrij te kunnen bewegen.’

Met zijn grote bos witgrijze krullen is Jaap van der Wal zelf het toonbeeld van dynamiek. Zijn passie voor de bewegende mens werkt aanstekelijk. Als ik hem vraag of het goed is om je kind te stimuleren in het leren staan en lopen, roept hij haast verontwaardigd uit dat dat helemaal niet nodig is.

‘Bewegen kan je kind, dat kon het al voor de geboorte. Het gaat erom dat hij leert zijn bewegingen in te voegen in zijn innerlijke ontwikkeling. Dat betekent dus dat hij in de box opnieuw de strekkende beweging maakt die hij als embryo al maakte, maar nu bewust, omdat die beweging past bij zijn intentie te gaan staan. Als hij dat helemaal op eigen kracht voor elkaar krijgt, dan straalt de triomf uit zijn oogjes.
Natuurlijk kun je je baby stimuleren bij het leren lopen, ook als hij daar uit zichzelf nog niet de neiging toe heeft, want hij heeft nog een heel plastisch lijfje. Je kunt hem in een babybouncer zetten en dan loopt hij. Zijn beentjes kennen die reflex. Maar je ontneemt hem dan wei de vreugde die hij ervaart wanneer hij uit eigen beweging de eerste stappen zet. Dat doet hij pas wanneer hij daar ook geestelijk klaar voor is. Staan en lopen zijn dus niet alleen lichamelijke verworvenheden. Ze hebben ook een geestelijke dimensie. Daarvan kun je iets ervaren bij mensen die door een lichamelijke handicap niet kunnen staan en lopen. Vaak kun je daarbij het gevoel krijgen dat ze innerlijk wel degelijk zeer rechtop staan.
Je kunt het ook bespeuren als je probeert je eigen bewegingen nauwkeurig waar te nemen. Als jij bijvoorbeeld een kopje koffie wil pakken, komen je spieren in werking en gooi je je hand als het ware in de richting van het kopje. Onderweg stuur je die hand razensnel bij en hij komt precies op het goede moment en op de juiste plek bij het kopje aan. Maar met je geest was je al bij dat kopje voordat je hand er was. Het reiken naar het kopje is een geestelijk gebaar en je lichaam zorgt ervoor dat die reiking in je hand wordt ingevoegd.
Dat is precies waar het opgroeiende kind voortdurend mee bezig is: met het leren invoegen van het geestelijke gebaar in zijn lichamelijke motoriek. Eigenlijk groeit een kind niet op of uit, maar groeit het in. Bij dat ingroeien speelt het bewegingszintuig een belangrijke rol.’

Kun je meer vertellen over dat bewegingszintuig ?

‘Het bewegingszintuig zit over het hele lichaam verspreid. Je neemt er voortdurend mee waar wat er in je beweegt, hoe je beweegt en waar je naar toe wil met je beweging. Maar ook waar je staat wat betreft je intenties en je doelen. Hoe bewuster je met deze waarnemingen omgaat, hoe harmonieuzer je bewegingen zullen worden. Tot voor kort leek het vast te staan dat beweging uit het hoofd komt, dat als een soort marionettenspeler prikkels uitzendt waardoor onze spieren gaan bewegen. In de moderne bewegingswetenschap gaan we ervan uit dat het hoofd nodig is om te kunnen bewegen, maar dat dit niet wil zeggen dat beweging daar ook zijn oorsprong vindt. Beweging is gewoon een gegeven en het kind ontwikkelt het vermogen om die beweging steeds bewuster te sturen.

Je kunt een idee krijgen van de werking van het bewegingszintuig als je kijkt naar wat er gebeurt als je je peuter roept terwijl hij uit zijn bekertje drinkt. Hij draait zijn hoofd naar je om, maar tegelijkertijd kiepert het bekertje uit zijn hand. Het bewegingszintuig neemt dan het draaien van het hoofdje waar en er ontstaat automatisch een tegenbeweging in de armpjes. Dat gebeurt over twee jaar niet meer. Dan kan hij zijn bewegingen beter waarnemen en bewuster laten aansluiten bij zijn bedoeling: namelijk zowel naar zijn mamma kijken als zijn bekertje limonade in zijn hand houden. Je kunt het ook zien bij kleine kindjes die op de fiets zitten. Vaak word ik een beetje benauwd als ik dat zie. Want die beentjes vinden het heerlijk om ritmisch rond te trappen, maar ondertussen rijden de auto’s toeterend langs en roept mamma voortdurend:  ‘Kijk uit!’ Dat hoofdje wordt dus alle kanten uitgetrokken en de handjes aan het stuur maken allerlei tegenbewegingen omdat het bemeesteren van de motoriek nog niet helemaal is voltrokken. Het verkeer is dan gewoon een te harde leerschool.

Veel ouders maken zich wel eens zorgen dat hun kinderen te weinig bewegen, bijvoorbeeld omdat ze veel achter de computer zitten.

De computer hoort bij het kind van nu zoals het lichtknopje bij de generatie van mijn grootvader. Maar er ligt inderdaad wel een gevaar voor de gezonde ontplooiing van het bewegingszintuig. Dat gevaar is er eigenlijk alleen als je de eenzijdigheid ervan niet onderkent. Als je kind achter de computer zit beweegt er niets, behalve het vingertje aan de muis. Zelfs zijn ogen staan stil, want er is – laten we ons daarover geen illusies maken – geen enkele diepte in de virtuele wereld. En als jonge kinderen hun bewegingen, hun spel en hun sprongen alleen nog maar virtueel maken, mag je je wel afvragen wat ze mentaal aan bewegingskwaliteit ontwikkelen. Hoe zal het gaan met het staan, het lopen en het springen in zijn geest? Hoe zal hij zich als sociaal wezen, als denkend en beminnend wezen gaan ‘bewegen’.

Uit het oogpunt van beweging kun je inderdaad niet anders dan constateren dat de computer verarmend werkt, maar je kunt er ook voor zorgen dat het niet doorslaat naar die eenzijdigheid. Het heeft dan overigens niet zoveel zin om van je kind te verlangen dat het na het zitten voor het beeldscherm gaat voetballen of turnen omdat beweging nu eenmaal zo gezond is. Dan begin je aan de verkeerde kant. Beweging krijgt dan een element van prestatie in zich en dat hoort niet bij de wereld van het jonge kind. Spel kent die prestatiegerichtheid niet.

Wanneer je je kind een omgeving aanbiedt waarin hij als vanzelfsprekend gaat spelen, dan heft hij uit zichzelf die eenzijdigheid op.

Er zijn ook kinderen die te veel bewegen. Hoe kun je daarmee omgaan?

De zintuigen zijn de poorten waardoor de baby wakker wordt voor de wereld om hem heen. De indrukken die hij opdoet werken in het eerste levensjaar heel direct op zijn lijfje in. Sommige kinderen hebben extreem gevoelige zintuigen. Ze registreren alles en hun zintuigen raken overbelast: ook het bewegingszintuig. Het hyperactieve kind kan door die overbelasting zijn bewegingen niet meer zo goed waarnemen. Er beweegt te veel in hem. Wanneer je je kind wilt helpen met zijn hyperactiviteit om te gaan, sta je – zoals eigenlijk bij alle opvoedingskwesties – voor een keuze. Of je manipuleert het organisme door van buiten af in te grijpen (in dit geval bijvoorbeeld met ritalin) of je zoekt naar de gezonde vermogens in het kind zelf van waaruit je corrigerend kunt werken. Er is bij je overactieve kind sprake van een tekortschieten – en dat kan allerlei oorzaken hebben – in het bemeesteren van zijn bewegingen. Als je je dan fixeert op het oplossen van het bewegingsprobleem, zul je snel gefrustreerd raken. Want je kunt je overactieve kind nu eenmaal niet leren rustig op een stoel te zitten. Maar er zijn altijd gebieden te vinden waarop je kind wel kan laten zien dat hij zichzelf kan sturen. Om daarbij te kunnen aanknopen, zul je bijna een therapeutische houding naar hem moeten ontwikkelen. Soms moet je beslissingen nemen die niet voor de hand liggen. Bijvoorbeeld door je kind te laten paardrijden of op vioolles te doen terwijl zijn vriendjes juist allemaal op voetballen zitten. Het geven van een ritalinpil is natuurlijk makkelijker. Maar je ontneemt je kind dan wel de kans de ruiter, die ook in hem verscholen zit, zelf te wekken.

*de website heeft een verandering ondergaan

Petra Weeda, Weleda Puur Kind 7 lente 2001

.

Zintuigen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkeling: alle artikelen

.

1599

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Zintuigen – evenwichtszin (9-4/2)

.

De evenwichtszin

Dit zintuig bepaalt op grond van een innerlijke waarneming onze positie ten opzichte van de ruimte. We nemen onszelf waar in een statische toestand, in rust. Rudolf Steiner zegt hierover: de evenwichtszin is innerlijke rust, het is zichzelf beleven als geest. In deze rust wordt heel sterk onze oprichtingskracht zichtbaar.

De evenwichtszin heeft drie aanknopingspunten in het lichaam: de evenwichtsorganen in het oor, de zonnevlecht en de knieën. De laatste twee punten zijn niet zo bekend, maar wel onmiddellijk herkenbaar als je denkt aan de waggelende gang van de dronkaard. Het lukt niet meer om met de knieën de zwaartekracht te overwinnen. Het ik is daar niet toe in staat. De zonnevlecht komt in beeld bij bij­voorbeeld hoogtevrees, of zeeziekte: een gevoel van misse­lijkheid overvalt je op het moment dat je je niet meer op een goede manier op de omgeving kunt oriënteren.

Van boven naar beneden
Het kleine kind overwint de zwaartekracht van boven naar beneden: het wiebelende hoofdje van de pasgeborene ‘staat’ na enkele weken. Zodra het kind het hoofd zelf over­eind kan houden, ontstaat een andere verhouding tot de omgeving! Daarna leert het kind om het bovenlijf zelf recht­op te houden, het kind gaat zitten. Nu kan het de handen vrijer bewegen, spelen. Weer een nieuwe verhouding tot de omgeving. De volgende stap is dat het kind kan gaat staan: vanuit de liggende afhankelijkheid heeft het kind zich opgericht en komt het op zijn eigen benen te staan.

Dankzij de evenwichtszin kunnen wij ons oprichten en op de omgeving oriënteren. Het is onze persoonlijkheid, onze individualiteit die met dit proces te maken heeft. De wezen­lijke beleving van het evenwicht is dat we rechtop kunnen blijven ook als er een verandering optreedt in een van de ruimterichtingen (boven/onder, voor/achter, links/rechts). We kunnen in de bergen wandelen, in de botsautootjes zitten of een probleem oplossen, wij beleven onszelf – weliswaar onbewust- steeds verticaal. Dat komt omdat alle veranderingen in het evenwicht als het ware meteen bij het ontstaan door het evenwichtsorgaan worden glad gestreken, vereffend. Maar verlies je per ongeluk je even­wicht, bijvoorbeeld doordat je struikelt, dan kan dat voor je lijf en voor je zelfgevoel een pijnlijke ervaring zijn. Het jonge kind moet zich dit evenwicht eerst veroveren en leert letterlijk met vallen en opstaan. Op die manier krijgt hij zijn eigen verhouding tot de omgeving.

Uniek zijn
Wanneer Rudolf Steiner spreekt over zichzelf beleven als geest, spreekt hij over het meest individuele van de mens. Daarmee is de evenwichtszin dus verwant. Hierdoor kun­nen we ons IK in de drie ruimterichtingen gewaarworden. Hierin drukt zich ons eigen unieke menszijn uit. (Hieruit volgt dat een mens evenveel evenwichtshoudingen aan kan nemen, als er individualiteiten zijn!) Wanneer de even­wichtszin zich niet goéd kan ontwikkelen ontstaat er in de ziel een drang tot vernietigen, tot zelfvernietiging.

Voor het jonge kind is het van levensbelang dat het tijd en ruimte krijgt om te groeien en te rijpen. Het forceren of te vroeg uitlokken van ontwikkelingen kan de bewegingszin overvragen. En een overvraagde bewegingszin leidt tot een verzwakking van het beeldende vermogen!

Voor het jonge kind is ook ritme van levensbelang. Dat ondersteunt al zijn leer- en levensprocessen. Levenszin, bewegingszin en evenwichtszin gaan hier samen: de afwis­seling tussen beweging en rust, tussen volhouden en uit­rusten en je daardoor lekker in je vel voelen. Dat kan door een herkenbaar dagritme, door terugkerende en herkenba­re handelingen. Voor de nabootsing is het heerlijk als het kind mee kan doen met de huishoudelijke karweitjes.

Daar zitten niet alleen alle basisbewegingen in, maar ze geven het kind ook een gevoel van voldoening!

Voor de evenwichtszin is het belangrijk om de onbevangen­heid van het kind niet te storen. Het is goed om bij het jonge kind je bewust te zijn van gevaarlijke situaties, maar probeer om het niet voortdurend te vermanen. Dat remt, maakt het kind onzeker. Volg je je kind vol vertrouwen, dan voelt het zich zeker en leert het omgaan met weerstanden.

Alle vier op een rij
Van de zintuigleer wordt weleens gezegd, dat ze het eerste hoofdstuk is van de antroposofische menskunde. Hierin neemt het vierledige mensbeeld een centrale plaats in.

De zintuigen zijn ook telkens in vieren verdeeld. Zo hangt de tastzin samen met het fysieke lichaam, de levenszin met het etherlichaam, de bewegingszin met het astrale lichaam en de evenwichtszin met ons IK. Maar je kunt er ook op een andere manier naar kijken.

In de tastzin leert het kind ervaren: de wereld is waar, in de levenszin: de wereld is goed. Dat is in het vorige artikel aan bod gekomen.

Hoe zit dat met de bewegingszin? Een van de kwaliteiten die in de ziel ontstaan door de bewegingszin is het vermo­gen tot verbeelden en door een ander, door kunst of de natuur bewogen te worden. Dan kunnen we ervaren: de wereld is mooi.
De evenwichtszin voegt niet zozeer een nieuw element toe. Wanneer je de evenwichtszin verbindt met ons IK, dan zou je kunnen zeggen dat er een nieuwe dimensie ontstaat.

Daar komen deze drie samen: de wereld is waar, goed en mooi: dat is de wereld waarin ik wil zijn.

Als dat er zo staat, realiseer ik me dat het voor ouders een klus is om het jonge kind in deze werkelijkheid te laten leven, want onze wereld is niet vanzelfsprekend waar, goed en mooi. Het vraagt een inspanning van ons om dat aan de kinderen zichtbaar te maken!
.

Suzanne van Kempen, Seizoener, lente 2006

.

Evenwichtszin

.

Zintuigen: alle artikelen

.

1220

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9-5/2)

.

Van de tast- en de levenszin zou je kunnen zeggen dat ze de buiten- en de binnenkant zijn van onze zelf­waarneming en ons zelfbeleven. De huid als concre­te buitenkant, de grens tussen onszelf en de ander, is het orgaan voor de tastzin. De levenszin zit eigenlijk overal aan de binnenkant en geeft ons het gevoel dat we ‘een-geheel’ zijn, dat we lekker in ons vel zitten. Zo geeft dit zintuigpaar naar binnen en naar buiten, houvast voor de zelfwaarne­ming. Het andere paar, de bewegingszin en de evenwichts­zin, maken de relatie zichtbaar tot de omgeving.

Bewegingszin
Natuurlijk denk je bij bewegingszin aan bewegen. Bij een zintuig gaat het steeds om waarnemen. Met de bewegings­zin nemen we onze eigen bewegingen waar. Het geeft ons de veranderingen door die optreden in de stand van het lichaam. Bij de pasgeboren baby is dit zintuig nog nauwe­lijks ontwikkeld. Al snel begint het kind te bewegen en later spelend te oefenen. De spierspanning, de beweging zelf, de spiervaardigheid, alles moet ontdekt, veroverd en geoefend worden. Het bijzondere van de werkzaamheid van zintuigen is, dat deze tot stand komt zonder tussenkomst van het verstand. Dus het jonge kind oefent, beweegt en speelt onbekommerd, om het bewegen, om het spelen zelf. Net zolang en zo vaak tot de bewegingen diep en onbewust in het lichaam zijn verzonken.

Nabootsing

De bewegingszin neemt dus de eigen bewegingen waar.

Toch zeggen we dat het jonge kind vooral leert door nabootsing. Dat zijn bewegingen, gewoontes van een ander. Hoe zit dat dan? Waarmee neemt het kind die bewegingen waar?

Er is een diepe samenhang tussen de bewegingszin en de nabootsing. Voor alle mensen geldt dat de bewegingen van een ander, in een lichte mate door ons spiersysteem mee­bewogen worden. Die veranderingen neemt de bewegings­zin waar. En dat geeft de impuls tot nabootsing. Niet bij alle kinderen zien we dat de impuls tot nabootsen vanzelfspre­kend tot stand komt. Bijvoorbeeld autistische kinderen lij­ken die impuls niet te volgen of te beleven en komen niet tot nabootsen.

Ons strottenhoofd werkt volgens ditzelfde principe.

Wanneer een ander mens spreekt, beweegt ons strottenhoofd in een lichte mate mee. Dat kun je erva­ren als een spreker veel kucht of met een hese stem praat. Vanzelf ga je ook kuchen of je keel schrapen. Zo vormt het strottenhoofd al voordat het kind spreekt de basis­vormen voor de spraak.

Voor het jonge kind is het dus van groot belang, dat de directe omgeving de moeite van het nabootsen waard is.

Lopen,spreken, denken

De meeste kinderen leren in deze volgorde drie belangrijke stappen in hun ontwikkeling.

Deze drie vermogens hangen samen met de bewegingszin. Uit het bovenstaande stukje krijg je al een gevoel voor de samenhang tussen lopen (bewegen) en spreken. Zowel ons strottenhoofd, als ons spiersysteem bewegen (dankzij de bewegingszin) mee met de bewegingen en de gespro­ken taal uit onze omgeving. De stap naar denken komt tot stand door de ervaringen die het kind opdoet: het ervaart hoe dichtbij of veraf iets is, krijgt gevoel voor verhoudin­gen, ervaart de consequenties van de zwaartekracht. Kortom: grijpen, doen wordt ‘be-grijpen’.

Een oud chinees spreekwoord zegt:

Als ik hoor, dan vergeet ik
Als ik zie, dan onthoud ik
Als ik doe, dan begrijp ik.

Dat denken en bewegen samenhangen wordt ook duidelijk in taal. We spreken van een bewegelijk denken, van ver­starde ideeën. Gedachten kunnen met iemand op de loop gaan.

En iemand die vastzit in zijn denken, kan door lopen, door bewegen zijn gedachten weer vlot trekken!

Een goed ontwikkeld zintuig wordt een vermogen voor de ziel. Kijk maar naar de kunstenaar: een pianist moet lang­durig oefenen en zijn muziekstuk letterlijk in de vingers krijgen. Zodra die vaardigheid verankerd is in het lichaam, wordt dit een poort naar een nieuw vermogen: de vertol­king of de verbeelding. Deze stijgt uit boven de vaardig­heid. Bijzonder is dat degene die luistert nu hierdoor in de ziel bewogen kan worden. Wat bij de kunstenaar nadrukke­lijk zichtbaar of hoorbaar wordt, gebeurt ook bij ons, bij het kind. Een vaardigheid die opgenomen is in het lichaamsplan, wordt een poort naar de beeldkrachten. Die werken in het denken, in de fantasie, in het uitdrukken van jezelf.

Bewegingszin en vrijheid
Een beweging ontstaat omdat we iets willen. We willen iets pakken, iets doen, ergens naartoe. Je zou kunnen zeggen dat een beweging dus eigenlijk begint bij het eindpunt. Op weg naar dat eindpunt, oefent het kind zowel vanzelf als met vallen en opstaan. Het vermogen dat hierdoor ont­staat, geeft ons een gevoel van vrijheid, niet langer zijn we gebonden aan de beperking, aan wat we eerst niet konden. Het heffen van de handen, het vrij kunnen roteren van het bovenlijf, het overwinnen van de zwaartekracht, zijn primai­re ervaringen van vrijheid. Is het niet bijzonder dat we onze eigen zwaarte optillen zonder dat als zwaar te beleven!

Nog sterker kunnen we vrijheid beleven in ons denken.

Toen mijn invalide moeder nog leefde, vertelde ze me eens: “Als ik pijn heb, of het zwaar heb, dan ga ik in gedachten op reis. Zo vergeet ik even hoe het hier is en geniet ik van de zon en van een andere cultuur”.

Door dit vermogen van de bewegingszin, van de beeldkracht ontstaat een beleven van vrijheid, zelfs in een situatie van fysieke gebondenheid. Wanneer de bewegingszin zich niet goed kan ontwikkelen, kan een gevoel van gebondenheid ontstaan. Je voelt je aan je lijf gebonden en vastzitten in een beweging die nog niet van jou is. in de ziel kan dat gevoel van gebondenheid lei­den tot depressiviteit.
.

Susan van kempen, Seizoenerzomer 2006
.

Bewegingszin

.
Zintuigen: alle artikelen

.

1219

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – schrijven (8-1)

.
*

Muziek moet schrijven weer leuk maken

In 2003 verscheen een boek van Monique Derwig met de titel ‘Schrijfkriebels

Een artikel daarover verscheen in ‘het Onderwijsblad’ van 7 sept.2002 met bovenstaande titel.

Aanleiding om zo’n boek te schrijven was dat er kinderen zijn die schrijven vreselijk vinden. Wat doet de school dan?
Mevrouw Derwig laat het schrift zien van een meisje uit groep 5 die bij haar terecht is gekomen. Overal staat met rode pen geschreven: slordig!, moet opnieuw, niet netjes tussen de lijnen.

“Dit kind doet ontzettend haar best”, zegt Derwig. “Nooit krijgt ze een stickertje, alleen maar commentaar.”

Hoe belangrijk een positieve benadering is, onderstreepte Rudolf Steiner een kleine honderd jaar geleden al:

Je moet willen vaststellen wat een kind kan, niet wat het niet kan.
[87]

Kinderen met schrijfproblemen zijn heel onzeker over schrijven. “En ze vinden schrijven vreselijk.”
Ze benadrukt dat het belangrijk is dat een kind niet verkrampt schrijft. “Bij een kind met schrijfproblemen gaat alle energie naar het schrijven. Dan is het heel moeilijk zaken als spelling goed te leren. Als het schrijven soepeler verloopt, ontstaat er ruimte om andere dingen aan te leren.”

Eigen tempo
Derwig gaat met deze kinderen op allerlei manieren met verschillende materialen en met aangepaste muziek erbij, oefeningen doen. Het draait om het opdoen van bewegingservaringen die de basis vormen voor het echte schrijven.

Dat noemen we op de vrijescholen vormtekenen [1]

Kinderen kunnen zich in hun eigen tempo de schrijfbewegingen eigen maken.

Kan dat nog, zoals hier en daar op de vrijeschool gebeurt, wanneer kinderen 3 letters per week moeten leren?

In de muziek, die op de bijbehorende cd staat, zitten steeds twee ritmes. Snel en langzaam. In eerste instantie kan het kind de oefeningen in het langzame tempo doen, later snel. “De muziek is helemaal ten dienste van de oefeningen gemaakt”, zegt Derwig.

“De muziek geeft een auditieve prikkel die de beweging ondersteunt. Daar waar de beweging krachtiger moet, zit in de muziek crescendo.”

Dit o.a. is op de vrijeschool een deel van de euritmie.

De cd begint met een liedje over de juiste zithouding. “Als ik hier op school een klas binnenkom, beginnen ze meteen het lied te zingen en nemen ze de goede schrijfhouding aan.”

Het kind leert zijn bewegingen aan te passen aan steeds nieuwe omstandigheden en kracht en snelheid van de beweging te doseren. Het gebruik van verschillende materialen, oppervlakken en houdingen is daarbij belangrijk. Een van de meest voorkomende schrijfproblemen, het verkrampte schrijven, kan hiermee worden voorkomen. “Het maakt een groot verschil of je met een viltstift op glad papier werkt, met wasco op structuurbehang of met krijt op het bord”, zegt Derwig.

Slingers
Er zitten oefeningen in als het tekenen van pepernoten, waarmee het maken van ronde vormen wordt getraind. Met het tekenen van een mijter in de vorm van een driehoek wordt geleerd strepen te trekken en op tijd te stoppen met de beweging, een moeilijk facet van schrijven. Met het maken van slingers wordt het schrijven van guirlandes geoefend.
.

*geringe bewerking met schuingedrukte toevoegingen door mij.

Hier staat het hele artikel

En hier nog een artikel over de opvattingen van mevrouw Derwig

[1] vormtekenen via de blog van Madelief Weideveld
.

Schrijven en lezen: alle artikelen

Bewegen

Spel: alle artikelen

Zintuigen: bewegingszin

 

.

1194

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 1e klas – touwtjespringen

.

‘Als al je kinderen in de 1e klas tegen de kerst kunnen touwtjespringen, heb je het beter gedaan dan wanneer ze dat nog niet kunnen, maar wel alle letters kennen.’

Ik weet niet we de uitspraak ooit deed, maar waar is deze wel, m.i.

Touwtjespringen is een bezigheid waarvan je gerust kunt zeggen dat ‘de hele mens’ meedoet.
Met deze ‘hele mens’ kom je dicht bij wat Rudolf Steiner van deze ‘hele mens’ zei: dat hij in het onderwijs moet worden aangesproken. En dat dit dicht in de buurt komt van ‘de boven- en onderwijs’ harmoniseren, begrijp je meteen als je de worsteling ziet waarmee kleine kinderen het touwtjespringen onder de knie! proberen te krijgen.

Dus tussen het schooljaarbegin en de kerst zal het springtouw(tje) met stip in de top-10 van de leermiddelen staan.

Wat een coördinatie is er nodig tussen het draaien van het touw over het hoofd en het op tijd opspringen en dan blijven draaien en springen.

Voor veel kinderen is het moeilijk om – zonder touw – al eenvoudig ritmisch met twee gesloten voeten een keer of tien te huppen: 1-2; 1-2, met de nadruk op de 1.

Of met 1 arm het touw aan een kant naast je lijf rond te draaien en daarbij dan de hupjes te maken. Ook de zwaai over het hoofd is in het begin heel moeilijk.
Je kunt aan alle pogingen veel zien hoe het met het bewegingspatroon van het kind staat. Of het zich nog zeer stuntelig beweegt, zich bijna letterlijk in bochten wringt of dat er al een souplesse in het bewegen zichtbaar wordt.

Kortom dus: TOUWTJESPRINGEN!!!!!

INDIVIDUEEL

Het begin:
Het kind houdt het springtouw met in elke hand een einde vast, stapt erover heen, zodat het touw vlak achter de voeten op de grond ligt. Dan zwaait het het touw over het hoofd naar voren, springt op en zwaait het onder de springende voeten door weer terug, over het hoofd heen en zo maar verder.
De lengte van het touw is ongeveer goed als je erop gaat staan en als je het strak trekt, moeten je handen net boven je heupen komen. Zowel met een te lang als met een te kort touw gaat het minder makkelijk.

Moeder hoeveel jaar ben ik?
Een, twee, drie, enz. Tot het mis gaat.

Hierbij kunnen de kinderen zelf ervaren hoe ver ze al kunnen komen! En tegelijkertijd wordt het tellen geoefend – en ook tellen moet je a.h.w. ritmisch kunnen.

Een, twee,
kopje thee.
Drie, vier,
glaasje/flesje bier.
Vijf, zes,
kurk op de fles.
Zeven, acht,
soldaat op wacht.
Negen, tien,
heb je (hier de naam van het kind) gezien?
Tien, elf
Dat ben je zelf!!

In, spin, de bocht gaat in
Uit, spuit, de bocht gaat uit!

moeilijker
Nu zijn er altijd wel kinderen die al kunnen touwtjespringen wanneer ze in de 1e klas komen. Die moeten natuurlijk uitgedaagd worden.
Je zou ernaar kunnen streven dat aan het eind van het schooljaar alle kinderen ook de moeilijkere vormen kunnen, maar die kan je ook bewaren voor de 2e klas.

Je zou vanaf hierboven verder kunnen gaan met:

Hetzelfde, maar nu met een tussensprongetje
Hetzelfde, op één been. Links en rechts afwisselen.
Kruis het touw, door je handen over elkaar te houden, en spring:

Met gekruiste armen
Leentje leerde Lotje (kruis) lopen.
Langs de lange Linde (kruis) laan.
Maar toen Lotje Leerde (kruis) lopen.
Is ze maar
Naar huis (kruis) gegaan.

De dubbele
Een kind springt alleen op de gewone manier. Op een gegeven moment draait het het touw bliksemsnel rond, zodat het touw twee keer onder de voeten draait, terwijl het maar één keer opspringt.

In de (dubbele) wei,
Lag één (dubbele) ei,
Van pa (dubbele) pier,
Tiere (dubbele) lier!
Eén, twéé… (dubbele)

Edelman (dubbele) Bedelman (dubbele)
Dokter (dubbele) Pastoor (dubbele)
Koning (dubbele) Keizer (dubbele)
Schuttermajoor (dubbele).

De naam of de titel waar de ‘dubbele’ mislukt, geeft aan, wat het kind is, en welke titel het dus mag dragen.

Uiteraard kunnen deze ook zonder ‘dubbele’. En de andere kunnen weer met een dubbele, bv. alleen op bepaalde plaatsen. Laat de kinderen zelf de variaties bedenken en uitvoeren.
SAMEN: IN-SPRINGEN – INLOPEN
Veel versjes kunnen ook gebruikt worden wanneer de kinderen in-springen: d.w.z. met een lang touw, gedraaid door 2 kinderen.

Om dit te oefenen kun je spelen:

Hogertje
Twee kinderen houden het springtouw bij de uiteinden losjes vast, terwijl het touw op de grond ligt.
De andere kinderen springen om beurten over het touw heen. Als ieder kind over het touw gesprongen is, strekken de twee kinderen die aan de uiteinden staan het touw een beetje, zodat het nu ongeveer 10 centimeter van de grond is. Weer springen alle kinderen beurtelings over het touw heen.
Weer gaat het touw iets hoger, en weer springen alle kinderen.
Wie het hoogste springt is de winnaar of winnares van dit spelletje.

Het touw moet steeds los vastgehouden worden, om valpartijen te voorkomen.

Slingertje slangertje
Weer staan twee kinderen aan de uiteinden van het touw en laten het touw langzaam van links naar rechts schommelen.
Een van de andere kinderen staat voor het touw en springt steeds omhoog, als het touw tegen zijn benen dreigt te komen.
Dit herhaalt zich, tot het sprongetje mislukt, waarop dit kind dan een van de ‘slingeraars’ gaat aflossen.

Twee kinderen houden het touw vast, dat op de grond ligt. Een kind staat midden achter het touw. De twee kinderen slaan het touw nu met een boog over het hoofd van het middelste kind heen, dat opspringt opdat het touw vrij kan doordraaien.

Bij iedere sprong wordt geteld, één, twéé, drie enz.

Als het mislukt, mag het kind het overdoen, maar nu moet het voor het touw gaan staan en draaien de kinderen aan de uiteinden het touw in tegenovergestelde richting.
Is het kind weer af, dan moet het een van de draaiers aflossen.

Twee draaiers houden een lang touw aan de beide uiteinden vast en laten het ronddraaien. De andere kinderen staan achter elkaar op een rij achter een van de draaiers.
Terwijl het touw ronddraait loopt één uit de rij onder het touw, zodra dit in de lucht is, en springt drie keer, terwijl allen hardop tellen. Bij drie’ springt het kind uit het touw, en wordt onmiddellijk opgevolgd door een ander. Dat gaat zo door, tot iedereen z’n beurt heeft gehad.

Op dezelfde manier springen, dus met inlopen. Maar nu opgelet! Het kind dat inspringt, telt één, en bij twéé moet de volgende samen met de eerste springen en op drie! springt het eerste kind uit de bocht.
Het tellen begint nu opnieuw, en bij ‘twee’ moet het volgende kind inlopen, terwijl bij ‘drie’ de laatst ingelopene alleen springt. Wéér wordt geteld één, en bij twéé is de volgende al weer in het touw.
Zo gaan we door, tot alle kinderen een keer hebben gesprongen.

Bij het inlopen met de hele klas, bestaat het gevaar dat de kinderen te lang moeten wachten in de rij. Dan kan de stemming wat minder worden. Je kunt dus met meerdere lange touwen ook meer groepjes maken.
Minimaal heb je hier bv. 4 kinderen nodig: 2 draaiers en 2 springers.

Het kind dat springt, terwijl twee anderen het springtouw ronddraaien, zingt:

In spin, Mieke kom in
(nu moet het vriendinnetje Mieke inlopen)
Uit spuit (Mieke springt mee)
Mieke gaat uit. (Mieke loopt uit)

Als er meer kinderen zijn, gaat dit gaat zo door, tot ze allemaal geroepen zijn.

Iets moeilijker is het volgende:
Neem aan, dat het kind dat springt Joost heet. Die zingt dan:

In spin, Marietje kom in (Marietje loopt in)
Uit spuit (Joost en Marietje springen samen)
Joost gaat uit. (Joost loopt uit)

Nu gaat Marietje weer verder en roept het volgende kind.

Spelen 3 kinderen, dan kan bv. dit:

Rood wit blauw
Drie kinderen krijgen ieder de naam van een kleur, dus Rood, Wit, Blauw.
Twee van de kinderen, Rood en Blauw, draaien het touw, terwijl Wit mag springen.
Nu wordt steeds gezongen: ‘Rood, Wit, Blauw’, terwijl ‘Wit’ springt.
Op een gegeven moment mislukt de sprong van Wit, juist op het moment, dat bijvoorbeeld ‘Rood’ gezongen wordt. Dan moet Wit draaien en mag Rood gaan springen. Dit gaat zo door, tot ook dit meisje weer af is, en de kleur waarop zij zich heeft vergist wijst dan de volgende springster weer aan.

SPRINGVERSJES

Koekoek, zeg mij toch,
hoeveel jaren leef ik nog?
Een, twee, drie, tot je af bent
(ook als liedje)

Kleine Jan zat op de brug
Met zijn handen op z’n rug
En een pijpje in zijn mond
Draait hij drie maal in het rond.

Asman moet de ketel schuren
Midden in de nacht om twaalf uren
Asman dit, asman dat,
Asman krijgt met de ketel voor z!n gat.

Oesje Kadoesje
Wat heb je in je zak
Flesje jenever
Pruimpje tabak.

Zo gezegd zo gedaan
En naar huis toe gegaan
Kopje koffie gezet
Met een stukje banket.

Ik heb mijn vrijer op zien gaan
Al in een luchtballon
En als het touwtje breekt
Dan komt hij nooit weerom.

Ik heb een jasje gekocht
Naar de lommerd gebrocht
Voor een stuiver of tien
Laat je briefje eens zien?

Rosalinda ging uit wandl’en
En ze nam haar zusje mee
En toen ging ze al op de bergen
En ze liet haar zusje alleen.

Hoog op de klompen
Buurman is zo dronken
Lieve Griet,
zeg het niet
Buurman is zo dronken niet.

Kies kom maar in
Ik kies: (Jopie) tot vriendin
En zie daar juffrouw
Nu verlaat ik jou
Dag juffrouw.

Rode kersen lust ik graag
Zwarte nog veel liever
Meisjes zoenen doe ik graag
Jongens nog veel liever
Drie maal in de rondte
Drie maal drie is negen
Ik kom een meisje tegen
Vroeg haar toen hoe laat het was
’t Was al hallef negen.    (je kunt hier verder tellen tot het bij de springer misgaat)

Een twee drie vier vijf
De bakker sloeg zijn wijf
Al met een houten hamertje
Boven op zijn kamertje, kamertje, kamertje,
Een twee drie vier vijf
De bakker sloeg zijn wijf

Moeder ’k heb zo’n lieve jongen
Mag hij even boven komen
Nee Griet, zanik niet
Boven komen mag hij niet.
De eerste zoen die ik hem gaf
Viel hij van de trappen af
Van de trappen naar de stoep
Midden in de paardenpoep.

Mama Sjelle
Die kon tellen
Miek van der Laan
Lust geen graan Lust
geen spek
Mieke van der Laan Is hallef gek.

Vis vis gebakken vis 
Die vannacht gevangen is
In het zoute water
Jongen hou je snater
Van je een twee drie.

Sinaasappelen mooie waar
Sinaasappelen bom.
Zeven en een halve centen maar
Sinaasappelen bom.
Wie koopt, wie koopt, wie koopt er van mij?

In de Maasstraat nummer vijf
Daar woont Japie met zijn wijf
Zeven stoelen zonder matten
En een tafel zonder latten
En een potje zonder oor
Zo gaat Japie de wereld door.

Er kwam een meisje van Scheveningen aan 
Hoezee.
Die had een mandje met vis belaan
Hoezee.
Ze riep gewis:
Wie koopt mijn vis
‘k Heb lekkere haring en schellevis
Hoezee, hoezee, hoezee.

Ik ben in geen zes, zeven weken
Bij Simon de Wit geweest
Ik moest er even wezen
Voor een half pondje zeer
Ik zag een doos met flikken
Ik nam er eentje uit
Simon de Wit die zag het
En joeg me de winkel uit.

Jan Toenee, Jan Toenee
Moest een boodschap doen
Jan Toenee, Jan Toenee
Moest een boodschap doen aan zee
Wat zag hij daar
Een aardig meisje
Wat zag hij daar
Een aardig meisje met krullend haar.

Help en hou je vast
Anders kom je in de kast
Rare kast bij vrouw Tup op de hei
Daar verkopen ze rijstebrij
Rijstebrij met krenten
Kost maar zéven centen
Zeven centen is me te duur
O wat smaken die krenten zuur.

’s Avonds na tienen
Waar blijft toch die meid
Die zit in de keuken
Ze naait en ze breit
Voor wie voor wie
Voor m’n zusje,

voor m’n zusje
Voor wie, voor wie
Voor m’n zusje Marie.

k Moest eens aardappelen schillen
Al voor de keukenmeid
Mijn vrijer kwam naar binnen
En raai eens wat die zeit.
Ik lust zo graag een borrel
Ik heb geen centen meer
De tappers zijn gesloten
Het kraantje lekt niet meer.
Kraantje lek, lek, lek.

Gekke Gerrie is mijn naam,
in alle dingen ben ik bekwaam
ln alle delen ben ik geboren,
ik heb mijn ouders vroeg verloren
Als ik sterf dan ben ik dood
Dan stoppen ze me onder de grond
Dan kom ik uit mijn kistje springen
Dan hoor ik alle engeltjes zingen,
Dan spring ik laag, dan spring ik hoog.

Er stond een meisje voor het raam
Wiedewiedewiet Jan Bom.
Haar vrijer die kwam naast haar staan
Wiedewiedewiet Jan Bom.
Kom eens hier lekker dier
’k Zal je zoenen met plezier
Gloria Victoria
Wiedewiedewiet van Bomsasa
Gloria Victoria
Wiedewiedewiet Jan Bom.

Er zijn verschillende versjes waarin je bewegingen zou kunnen doen, zoals hier het ronddraaien. Dat maakt het geheel weer moeilijker.

Zeg ken jij die rare meid
Die met alle jongens vrijt
’s Avonds om een uur of tien
Zit zij in een vliegmachien
En dan gaat zij naar ’t plantsoen
Geven elkaar een dikke zoen
Ik zal zeggen tegen moeder
Dat jij ied’re avond laat
Op het hoekje van de straat
Staat te wachten kwart voor achten
En die jongen is soldaat.

Helder in de kelder
Boter bij de vis
Kaatje doe eens open
Kijk eens wie er is
‘t Is een arm meisje
Om een stukje brood
Laat ze even boven
Anders gaat ze dood
Kaatje ging naar boven
Om een stukje brood
Toen ze weer benee kwam
Was het meisje dood.

Anna zat te wachten
Te wachten op haar man
’s Nachts om twalef uren
Kwam die smeerlap aan
Goeienavond Anna
Goeienavond Jan
Waar ben je gebleven
Dat gaat jou niks an
Anna ging naar boven
Nam een dikke stok
Ging weer naar beneden
Sloeg hem op z’n kop
Jan begon te schreeuwen
Te schreeuwen moord en brand
Toen de buren kwamen
Was er niets aan de hand.

(ook als liedje)

Er was eens een mannetje
Anja Kadee
Er was eens een mannetje
A em a.

Het mannetje koos een vrouwtje
Anja Kadee
Herhaal
A em a

Het mannetje ging uit wandelen
Anja Kadee
enz

Het vrouwtje ging hem achterna

Zeg man je moet de borden wassen enz.

Toen ging de man in ’t venster zitten enz.

Hij likte alle borden schoon enz.

Toen ging zijn vrouw de bezem halen 

De bezem sloeg hem op z’n kop

Toen ging de man de politie halen

Dat ding heeft mij geslagen

Dan moet je hem niet plagen

Kom laten we samen vrede sluiten

Er zijn er natuurlijk nog veel meer en je kunt de kinderen er zelf laten maken.

Kinderspelen en jaargetijden

1e klas: bewegend deel

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – alle beelden

 

1143

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Zintuigen (9-9)

.

De zintuigen

De gaven van Doornroosje

In de nieuwe* onderwijswet vraagt artikel 10 onder meer ‘zintuiglijke oefening’ in samenhang met de rest van het onderwijs.

Het kleine kind is één en al zintuig in de eerste zevenjarige levensfase, volgens een bekende uitspraak van Rudolf Steiner. Reden te over om geen pedagogie voor de geïntegreerde kleuter- en lagere school te behandelen zonder grote aandacht aan de zintuigen te besteden.

Een korte beschouwing over Rudolf Steiners zintuigenleer en de pedagogische waarde ervan mag hier niet ontbreken.
Wat zijn zintuigen? Naar het uiterlijk te oordelen, heeft de mens er enige, die een opvallend orgaan bezitten. Denkt u zich een mens in zonder ogen, neus, mond en oren! Van het hoofd vooral zou weinig herkenbaars overblijven. Ogen worden ‘spiegels der ziel’ genoemd; oren zijn zo individueel, dat men de mens aan zijn oren kan identificeren.
Gogolj wil ons in zijn satirische verhaal ‘de neus’ doen geloven, dat de neus meer individualiteit bezit dan de gehele verdere mens. Laat ons even stil blijven staan bij het oog.

Dit oog is zonder twijfel het belangrijkste zintuig voor de westerse mens, ook al kunnen wij niet verhelen, dat de blinde met zijn kwalitatief sterk ontwikkelde gehoor sociaal sterker in het leven staat dan de dove. Aan het oog kan men het wezen van het zintuiglijke goed demonstreren.

Het is een instrument, dat ons een gezichtswaarneming van de wereld-buiten-ons mogelijk kan maken. Let wel, ook ons eigen lichaam behoort tot die buitenwereld! Het oog is een poort, waardoor indrukken van buiten tot de ziel komen en verinnerlijkt worden.

De meeste van deze ‘poorten’ zijn in ons hoofd gelokaliseerd: ogen, oren, mond, neus. Later leerde men ook andere, meer verborgen poorten kennen: evenwichtszin, warmte- of temperatuurzin, tastzin. In het geheel zijn er twaalf. De beste systematiek vindt men bij Rudolf Steiner, Révesz en Lievegoed.

Twaalf is een mooi getal.

Laten we de zintuigen eens beschouwen vanuit het sprookje. In ‘Doornroosje’ vinden we bijzonder mooi gekarakteriseerd wat de zintuigen zijn. De twaalf feeën brachten elk hun gave aan het prinsesje. Maar er ging iets mis met die gaven. Doornroosje werd door de scherpe spoel van de oude vrouw in de toren getroffen. Zij viel in slaap en haar gehele wereld ook.

Dit sprookje is geen verzinsel, maar, zoals alle sprookjes, een beeld, een in aardse beelden geklede, spirituele werkelijkheid. Met onze zintuigen is er ook iets merkwaardigs aan de hand. Doornroosje had in het geheel niets meer aan al haar gaven, zolang zij sliep, dat wil zeggen: zo lang haar het normale waakbewustzijn ontbrak. Hoe staat het echter met ons bewustzijn met betrekking tot onze zintuiglijke waarneming? Keren wij terug tot het oog.

Ziet het oog als zodanig iets? Ziet dit fysieke orgaan met zijn oogbol, lens, iris, netvlies, oogspiertjes, oogzenuwen en bloedvaatjes iets? Het antwoord is neen. Het oog van een gestorvene ziet niets. Wordt het echter getransplanteerd bij een ander mens, dan ziet het oog nog niets, maar de andere mens kan zijn gezichtswaarnemingen door middel van dit oog weer doen. De mens zelf kijkt immers en niet zijn oog. Er zijn echter in het leven ook ogenblikken, waarin de levende mens, wakker en met open ogen toch niets ziet. Dat is een merkwaardige zaak. Is ‘zien’ dan niet alleen een passieve aangelegenheid?

De gehele natuurwetenschap is opgebouwd uit mathematica en experiment en men wil daardoor slechts laten meetellen wat telbaar, weegbaar en meetbaar is. Dat sluit geestelijke factoren uit, waardoor het kwantitatieve gaat overheersen. De waarde van de kwalitatieve dingen is grotendeels verdwenen. De menselijke ziel viel daardoor ‘in slaap’.

De boze fee uit het sprookje is ons abstracte, intellectuele bewustzijn. Deze fee bracht de gereduceerde wetenschap tot stand, de materialistische natuurwetenschap, die zoals bekend, dood en vernietiging kan brengen. Ook de rijkdom van het door onze zintuigen waarneembare gebied is ernstig aangetast door de boze fee. Deze rijkdom moet weer ontsloten worden.

Onze waarnemingstheorie is namelijk onjuist. Rudolf Steiner heeft al in 1894 overtuigend aangetoond, dat men inconsequent is, wanneer men meent, dat het oog géén werkelijkheid kan waarnemen. Er is een denkfout in het spel… Want wanneer de wereld voor de mens slechts voorstelling is, zijn ook ‘het oog’ en ‘de hand’ voorstellingen en geen werkelijkheid. Het z.g. veroordeelde ‘naïeve realisme’ moet dan óók voor oog en hand gelden.

Wanneer ik als denkend subject een begrip op een object betrek, dan is deze betrekking niet louter subjectief. Welnee. Immers niet het subject als zodanig brengt die betrekking tot stand, maar het denken. Een conducteur denkt niet, omdat hij conducteur is, maar hij is conducteur, omdat hij in staat is om te denken.

Rudolf Steiner heeft dit probleem van de waarneming en de zintuigen tot onderwerp van zijn proefschrift gemaakt. Later werkte hij dit proefschrift uit tot een groter boek ‘Die Philosophie der Freiheit’.
De opstanding van het ware denken uit de slaap van het intellectuele bewustzijn is de prins uit het sprookje van Doornroosje. Hierdoor kunnen de twaalf goede feeën alias de twaalf zintuigen weer beginnen te werken. Men mag ervan uitgaan, dat ons oog evenzeer indrukken van de werkelijkheid geeft als de mathematisch te meten resultaten van druk, afmeting, toestand, snelheid, die in wezen evengoed met zintuigen samenhangen, nl. met tastzin, bewegingszin en evenwichtszin.

De zintuigen moeten opnieuw in hun totaliteitsaspect worden bekeken. Als zodanig zijn zij oefenbaar en voor de pedagogie uiterst nuttig en vruchtbaar.

Door de waarneming via mijn oog, pakt mijn ik de wereld. Dan komt er pas een gewaarwording in mijn ziel. Waarneming en denken zijn de pijlers, waartussen het bewustzijn tot stand komt. Ik zie en ik weet wat ik zie.

Of ik weet niet, wat ik zie, maar ik tracht het te weten te komen door vergelijking met dat, wat ik al gezien had. De zintuigen zijn er aan toe wederom als kenbronnen voor het weten van de mens in ere te worden hersteld.

De honderd jaar slaap van Doornroosje zijn voorbij. Nu is het de tijd om wakker te worden. Vooral in de pedagogie. In de mens is het de wilsmatige kern van het zielenwezen, die de bij de zintuiglijke waarneming behorende processen zinvol opvat, en innerlijke activiteit ontplooit, die als het ware naar buiten straalt. Er gaat dus niet alleen iets door de zintuigen naar binnen, maar er bestaat een spirituele stroom, die als een ‘tegenstroom’ van de ziel door de zintuigen naar buiten gaat.

Zoals gezegd is, beschreef Rudolf Steiner het kind als een wezen, dat één en al zintuig is. Maar een zintuig, zegt hij, waarin bij elke schrede de wil gewerkt heeft.

Een zintuig, waarin de wil werkt? ‘Ja’, zegt Rudolf Steiner. ‘het is ook bij het oog zo, dat het wilsmatige het innerlijke beeld tot stand brengt. In ieder zintuig schept het wilsmatige het innerlijke beeld. Het zintuig zelf heeft natuurlijk de passieve kant: het heeft eerst de taak zich (en de mens) bloot te stellen aan de buitenwereld, maar in elk zintuig vindt een innerlijke activiteit plaats en die is van wilsmatige aard. En dit wilsmatige werkt bij het kind intensief door het gehele lichaam tot de tandwisseling.’

Deze wilsmatigheid werkt zelfs nog door tot het negende levensjaar. Wat betekent dat voor pedagogie en heilpedagogie? Wat komt alleen goed over op deze wilsmatige activiteit van de zintuigen? Wat doet het innerlijke beeld slechts tot stand komen bij het kind?

Nu, alleen datgene, wat uit innerlijke activiteit van de leerkracht is voortgekomen: op een menselijk-beeldende wijze moet gesproken worden over alle dingen van natuur en mens. Dat betekent: kunstzinnig onderwijs.

Een creatieve, een kunstzinnige activiteit weet innerlijk vorm te geven en alles antropomorf, menselijk-beeldend te maken in alle onderwerpen, die door het kind met de zintuigen kunnen worden opgenomen.

Daar is het spelelement in de zin van Schiller aanwezig!

Voor een kind tot negen jaar is het belangrijk, wat de roos tegen het viooltje zegt. of het broodmes tegen het broodje. Het spelelement helpt om het beeldkarakter te vormen. Beeldkarakter draagt niet alleen bij tot het leven, maar ook tot latere, gezonde begripsvorming.

Men denke weer aan de beelden uit ‘Doornroosje’.

In de spirituele wereld aan het hof van de koning was de dertiende fee niet uitgenodigd. Men had geen bord om haar voor te zetten. Want de waarheden van het intellect zijn bespottelijk voor een geestwereld — ‘dwaasheid bij God’ heet dat later — en het intellect wreekt zich: Doornroosje moet sterven. De laatste fee zet de dood om in een slaap. Zij is de enige macht die de dood kan veranderen in opstandingskracht. Doornroosje valt in slaap om haar opstanding mogelijk te maken.

5.4.2 De indeling van de zintuigen
De zintuigen, onze twaalf feeën, worden in drie groepen van vier ingedeeld: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin is de eerste groep; reukzin, smaakzin, gezichtszin en warmtezin is de tweede groep; gehoorzin, woordzin, begripszin, ik-zin is de derde groep. De drie groepen spiegelen de drieledigheid van het menselijke zielenleven: willen, voelen en denken.

Rudolf Steiner noemt de eerstgenoemde groep ‘wilszintuigen’, de tweede groep ‘gevoelszintuigen’ en de derde groep ‘denkzintuigen’.

Prof Lievegoed geeft in aansluiting op Prof. Révesz een iets andere terminologie. Elke groep wordt genoemd naar het meest kenmerkende van zijn zintuigen, die dan ook ‘haptische zintuigen’ (hapto = ik tast. Gr.) worden genoemd. Voor de tweede groep is het kenmerkende zintuig het oog, dus wordt de groep gevoelszintuigen ‘optische zintuigen’ genoemd. Het gehoor is het kenmerkende zintuig voor de derde groep. ‘Akoestische zintuigen’ (akou-o = ik luister. Gr.) worden die genoemd.

Laten we eerst de middelste groep bekijken en hun relatie tot het gevoelsleven vaststellen. Die staan, zoals gezegd, bekend als ‘optische’ zintuigen. Deze zintuigen geven de mens een objectief-subjectieve informatie over de omgeving, de natuur, en de natuurlijke wezens.

Onder de andere zintuigen springt deze groep met grotendeels herkenbare organen, als een flinke neus in het gezicht, naar voren.

We verplaatsen ons als reizigers in gedachten naar Agrigento op Sicilië in de voorzomer. Wij ervaren heerlijke warmte van de zon en koele schaduwplekken. Wij genieten van de geuren die de aromatische plantenwereld schenkt: rosmarijn, thijm, marjolein cn munt. Wij proeven een paar vroege bramen, ze zijn warm en zoet. Wij genieten van dc kleuren: stralend-blauwe lucht, diepblauwe zee en goud-kleurige, edel gevormde tempels.

Onze gewaarwordingen zijn in hoofdzaak afkomstig van respectievelijk warmtezin, reukzin, smaakzin en gezichtszin. Huid, neus, tong en ogen genieten. Die zintuigen wekken gevoelens, zij zijn zintuigen in de gevoelssfeer, hebben een sterke uitbreiding naar het psychische.

Juist vanwege de gevoelens is dit viertal gewantrouwd.

Ten onrechte, zoals uit de inleiding blijkt.

De gevoelsmatigheid van het viertal wordt in onze taal zeer duidelijk geaccentueerd. Sterke gevoelens spreken in uitdrukkingen als: ‘Wat een fijne, warme persoonlijkheid!’ Dat is een kille tante!’ ‘Ik kan haar niet luchten of zien!’ ‘Hij staal in de reuk van heiligheid.’ ‘Dat huis is met smaak ingericht.’ ‘Wat een bittere ervaring!’  Ook de vier elementen komen er aan te pas: men proeft pas als iets vloeibaar gemaakt is, men ruikt als iets gasvormig wordt, men ziet pas, als het licht er op valt en de kleuren zich manifesteren. Water, lucht, warmte cn aarde zijn er bij betrokken. Waarom zou men dit viertal niet evenzo in beeld brengen als de middeleeuwse Universiteit de zeven jonkvrouwen van de vrije kunsten? Nu, we noemen de zintuigen de ‘duodecim deae sensoriae’ waarvan we nu de gezichtszin: fee Omma. de reukzin: fee Naseia, de smaakzin: fee Gusta en de warmtezin: fee Caloria, genoemd hebben als onderdeel van een twaalfvoudige zintuigenkring.

Het volgende viertal bestaat uit minder duidelijk aanwijsbare zintuigen. Slechts één ervan heeft een bijzonder orgaan, maar om het te vinden, moet men de schedel open maken: de z.g. drie halfcirkelvormige kanalen van de evenwichtszin in het oor. De andere zintuigen zijn overal verspreid. Wat nemen deze zintuigen waar? De waarnemingen zijn wilsprocessen, die zich bijna in het onbewuste afspelen.
Rudolf Steiner noemt dit viertal ‘onderste’ of ‘wilszintuigen’, de ook wel gebruikte term ‘haptische’ zintuigen hangt samen met het Griekse werkwoord ‘hapto’, dat ‘tasten’ betekent.

Stellen we ons voor, dat wij gedurende een reis in een grot terecht komen, die plotseling door een puinstorting achter ons wordt afgesloten. Het is pikdonker. We hebben geen zaklantaarn of lucifers. We tasten moeizaam voorwaarts, met voelen en handen. We voelen soms iets van steen, hout of ijzer. We moeten wankelend steeds ons evenwicht bewaren. We voelen ons onbehagelijk, hebben hoofdpijn of koorts.

Deze haptische zintuigen helpen ons iets van onszelf waar te nemen. Zij zijn naar binnen toe gericht, in ons lichaam spelen zich drukprocessen af bij het tasten. Levensprocessen worden waargenomen, wanneer zij niet goed functioneren. Anders is er een vaag gevoel van welbehagen. Wij voelen onze bewegingen en ook, of we in evenwicht zijn.

De mens neemt met deze vier zintuigen op subjectieve wijze naar binnen toe waar, maar wat hij gewaar wordt, heeft objectief karakter. Die maag kan werkelijk van streek zijn, dat is geen verbeelding. Mijn stand kan werkelijk verkeerd zijn ten opzichte van de aard-as. Tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin zijn wilszintuigen.

De gehele natuurwetenschap en de techniek zijn door de mens ontwikkeld. Het zijn de ‘onderste’ zintuigen die de mens op het idee van afmeting, druk. toestand, zwaarte, snelheid hebben gebracht

Maar in het kunstzinnige beeld van de zintuigenkring mogen we voor kinderen zeker spreken van de tastzin als: fee Contacta, van de levenszin als: fee Viviane, van de bewegingszin als: fee Kinela en van de evenwichtszin als: fee Harmonia.

In de zin van elementen is fee Contacta aards, fee Viviane met de vloeistoffen verbonden, fee Kinela vol van het bewegelijke luchtelement en fee Harmonia heeft met de warmte te maken.

Onze derde en laatste groep zintuigen is eigenlijk geheel gericht op de informatie, die een medemens ons door’ waarneming oplevert. Daardoor zijn deze zintuigen grotendeels onbekend. Er is zeker sprake van een on-ontgonnen gebied, aangezien men meent voldoende te hebben aan de acht reeds genoemde zintuigen om de medemens te leren kennen.

Het gehoor neemt bij deze vier zintuigen een aparte plaats in, want het heeft veel weg van de vier gevoelszintuigen, maar het opent ook de poort voor de volgende drie.

Rudolf Steiner noemt deze vier: kenniszintuigen of geestelijke zintuigen. Ook worden ze ‘akoestische’ zintuigen genoemd.

We wagen ons aan een beschrijving:

De omgeving doet er niet toe. Wij raken in een gesprek. We  luisteren aandachtig en we trachten ons alleen te concentreren op datgene, wat de ander probeert te zeggen. We horen de klank van de stem. We nemen méér waar. We onderscheiden in de klankenstroom, die de ander voortbrengt, woorden en zinnen. Wij verstaan zijn taal. De zinnen van de ander bevatten gedachten, zij drukken gedachten uit. Wij luisteren, stellen ons geheel open. Denken we er maar één gedachte tussen door, dan nemen wij niet meer waar, wat de ander denkt. Wel beleven wij onderwijl de persoonlijkheid van de ander, we beleven hem als ik-mens.

Het volkomen nieuwe van Rudolf Steiner is ten aanzien van het geheel der zintuigen, dat hij erop gewezen heeft, dat er aparte zintuiglijke waarneming nodig is om in klanken woorden en zinnen te onderscheiden (woordzin of taalzin). Ook is er een apart zintuig nodig om in de woorden en zinnen de gedachten en ideeën van een ander waar te nemen, maar behalve in de taal ook nog in gebaar of mimiek.

Dit zintuig heet dan ook denk- of begripszin.

Tenslotte is ook het waarnemen van het ‘ik’ van een ander mens geen vorm van redenering, maar van zintuiglijke waarneming. Om het verschil tussen ik en niet-ik in de omgeving bij een ander mens waar te nemen, is een apart zintuig nodig, dat de ‘ik-zin’ genoemd wordt.

De akoestische zintuigen vragen, dat zij in hun geestelijke waarde worden ontdekt. Zij zijn kennis-zintuigen, die met uitzondering van het gehoor alleen aan de mens eigen zijn.
Voor degene die de mens als een soort dier beschouwen bestaan zij dus niet.
In onze feeënkringen nemen zij uiteraard een belangrijke plaats in. We hebben de gehoorzin als: fee Akoestica, de woordzin als: fee Logica, de denkzin als: fee Noëtica en de ik-zin als: fee Christiane.
Men kan zich afvragen of in het sprookje fee Noëtica de boze fee was. Door fee Christiane werd haar boze plan doorkruist. Daarna nam zij in ieder geval haar plaats in de kring weer in.
Ook al wordt men wakker uit de 100-jarige slaap. die veroorzaakt werd door het intellectueel-eenzijdige, toch kan men het verworven intellect als controlerende factor niet missen, ook bij  elke spirituele ontwikkeling. Dit laatste is dikwijls door Rudolf Steiner met nadruk betoogd.

Deze hoogste zintuigen kunnen geoefend worden. En hun waarnemingen worden dan de vrucht van een ontwikkelingsweg naar innerlijke activiteit.

Het is duidelijk, dat de natuurwetenschap de begrippen ‘woord’, ‘gedachte’ en ‘ik’ slechts als zuivere abstracties moet beschouwen. Rudolf Steiner geeft door zijn werk de mogelijkheden om deze abstracties weer ‘schouwbaar’ te maken, hetgeen pedagogisch en sociaal van het grootste belang mag worden geacht.

Tenslotte wordt het twaalftal zintuigen in beeld gebracht:

Rudolf Steiner merkte eens op, dat ons ik, als centrum van ons zielenleven. zich in de twaalf zintuigensfeer beweegt als de zon in de twaalf sterrenbeelden van de ecliptica.

Zo’n aanwijzing kan tot levend beeld worden.

zintuigen 1

 

5.4.3. Zintuigen en de kinderontwikkeling
Hoe past men de totaliteit van de twaalf zintuigen in ons mensbeeld? Het beeld van het zich naar lichaam, ziel en geest ontwikkelende kind, dat op weg naar de volwassenheid door drie zevenjarige fasen gaat?

Het kan duidelijk zijn, dat de zintuigactiviteit van het kind zeer intens is en onmiddellijk na de geboorte begint. De baby proeft nog voor hij kijkt. Tot in zijn kwispelende teentjes geniet hij van de zoete moedermelk. Het kleintje hoort ook al van alles: het kan van geluiden schrikken en het wordt rustig bij het zingen of spreken van de moeder.

Al betrekkelijk gauw komt in de tijd, waarin de lichamelijke basis van het kind wordt gevormd en uitgebouwd, de beweging als hoofdkenmerk van deze levensfase te voorschijn. Alles betasten, vasthouden, evenwicht bewaren, zich omdraaien, gaan zitten, pakken en gooien, schuiven, kruipen, staan, waggelen en lopen. Het kind denkt nauwelijks, het beweegt voortdurend. Eigenlijk is het merkwaardig, dat het pas lopende peutertje een hond en een boom herkent, ook al was de eerste ontmoeting met een pekinees en een treurwilg en de tweede met een Sint Bernard en een dwergconifeertje. Hond is hond en boom is boom. Deze begrippen zijn waarnemingen en geen conclusies na een denkproces!

Het kind gebruikt in de eerste zevenjaarfase — de wilsfase — wel alle zintuigen, maar de hoofdrol wordt toch gespeeld door het viertal, dat men ‘wilszintuigen’ noemt: tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Hoe kunnen deze ‘onderste zintuigen’ tot een goede ontplooiing komen? Door nabootsing in het algemeen en door het spel in het bijzonder! Rustige, zinvolle bewegingen van de volwassenen in de omgeving en beweegbaar speelgoed (hamerende timmerlui, zagende houthakkers, pikkende kipjes, dansende popjes) dat alles stimuleert de onderste zintuigen op goede wijze. Het kinderspel is ook bijzonder goed voor de wilszintuigen: de oude kinderspelen, kringspelen met goede klank en ritme, balspelen, touwtje springen.

Er zijn ook dingen die in onze technische civilisatie veel voorkomen en een regelrechte aanslag zijn voor de harmonische ontplooiing van tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Onrust, haastige, geïrriteerde bewegingen, toestellen die schijnbare beweging laten zien (film, T.V.) tasten de onderste zintuigen aan. Vooral ook gebrek aan ruimte voor spelen in de bovenbedoelde zin vormt een aantasting.

Kleuterscholen waar niet geleerd, maar gespeeld wordt, zijn gunstig in dat opzicht.

Bij sommige kinderen is de bewegingszin door een onrustige omgeving met een overmaat aan onritmische, mechanische, onregelmatige beweging zó aangetast, dat bij het kind geen gezonde bewegingsdrang, maar een ‘beweegzucht’ is ontstaan. Het kind kan dan geen seconde meer stil zitten, en beweegt, constant wriemelend en peuterend. Het kan ook niet meer luisteren.

Het viertal onderste zintuigen vormt een basis voor de volgende vier gevoelszintuigen in de schoolkind- of gevoelsfase. Die middelste vier – reuk – smaak – gezichts – en warmtezin geven op hun beurt een basis voor de harmonische ontplooiing van de laatste vier, de denkzintuigen in de laatste zevenjarige ontwikkelingsfase.

Het verband tussen de drie groepen is van het allergrootste belang voor de pedagogie en het onderwijs.

Het blijkt namelijk mogelijk te zijn om door het leggen van het juiste verband tussen een wils-, een gevoels- en een denkzintuig gebreken in het leervermogen geheel of gedeeltelijk te herstellen.

Men is daar nog in het begin, maar steeds meer studie van de zintuigen zal kunnen leiden tot het efficiënt helpen van leerlingen met moeilijkheden.

Een enkel voorbeeld mag thans volstaan. We zien een jongen, die met het oog niet goed kan waarnemen d.w.z. hij vergist zich met kleuren en vormen en hij kan nauwelijks een begrip ontwikkelen. We geven hem een opdracht om iets te tekenen.

We merken het volgende:

Het kind voelt niet, dat zijn papier op de tafel wegschuift. Hij voelt ook niet, dat hij te hard op zijn krijt drukt. Hij heeft ook niet in de gaten, dat zijn linkerhand een ander kleurkrijtje vasthoudt. Het papier ligt te schuin om prettig te werken. Geleidelijk komt het ongemerkt onderste-boven te liggen. Het kind krast te hard. Hij blijkt niet te zien, of zijn werk mooi of lelijk is.

Kijken we naar Trigoon III dan zien wij een samenhang tussen bewegingszin, gezichtszin en begripszin. De aangetaste bewegingszin beïnvloedt het oog en de begripsvorming (zie afb.).

Een aantal oefeningen om zich ritmisch en ontspannen te leren bewegen, bewerkt, dat de jongen normaal leert lopen en normaal leert zitten. Daarna is het mogelijk hem te leren zien, of hij het krijtje los en toch stevig hanteert. Hij leert ook zien, dat krassen niet zo mooi is; dat hij de lengte en dikte van de streepjes zelf kan controleren en veranderen. Hij begrijpt, hoe men dat aanpakken kan.

Het gaat er wel om een goede verstandhouding met het kind op te bouwen en het gedichtje zo uit te zoeken (of zelf te maken) dat het kind er iets waardevols in kan zien. Kortom, met de zintuigen als uitgangspunt is er zeer veel mogelijk. Men moet zich realiseren, dat zoiets in een gewone groep zevenjarigen kan worden gedaan.

Alles wat de zintuigen overbrengen, behoort tot de materiële wereld. Maar dit innerlijk ontstane beeld heeft zijn tehuis in het rijk van de onzichtbare levenskrachten.

Wat onze geest denkt, onze ziel beleeft, heeft onmiddellijk invloed op de levensuitingen van het organisme. Het zintuigorgaan wordt ook van de psychische zijde direct geëngageerd. Het van vreugde vervulde hart vindt zijn weerspiegeling in de glans van het oog!zintuigen 2

 

zintuigen 3

 

zintuigen 4

 

zintuigen 5

5.4.4 Aanhang             Samenvatting zintuigen.

A. Haptische of wilszintuigen.

1. De tastzin.|
Contact van de wil met de buitenwereld. Wanneer ik iets betast, neem ik toch mijn lichamelijkheid waar. Drukprocessen spelen zich onder mijn huid af. Ik projecteer dit op de buitenwereld met mijn bewustzijn en ik vel het oordeel ‘dit is een ruwe muur’. Er is een reactie van ons innerlijk op uiterlijke gebeurtenissen. Overigens werken bewegings- en evenwichtszin mee met de tastzin, evenals het oog. Het orgaan van de tastzin is ons gehele lichaam, vooral de huid.

2. De levenszin
We nemen door de levenszin op zeer algemene en onbepaalde wijze de toestanden van ons lichaam waar. De waarneming betreft in hoofdzaak de vitale sfeer, de functionering van de levenssappen: bloed en lymfevochten. We voelen dingen die het gehele lichaam betreffen: moeheid, uitgerust zijn, honger, dorst, uitputting, verzadiging, slaperigheid
Ook ontstaat bewustzijn van een orgaan, dat niet werkt zoals het zou moeten doen. Functioneert alles goed, dan neemt de levenszin een vaag behagen waar: wij voelen ons gezond en fit. De levenszin geeft objectieve feitelijkheden: Wanneer wij ons onplezierig in de maag voelen zou een chemicus met zijn retort precies kunnen nagaan, wat er aan onze spijsvertering mis is.

3. De bewegingszin
Dit zintuig neemt alle eigen beweging waar. Het zegt ons of wij in rust of in beweging zijn. De bewegingszin neemt alle bewegingen waar die in ons lichaam gebeuren, maar met beweging buiten ons? Een vergissing is het om te menen, dat wij bewegingen buiten ons door het oog direct kunnen waarnemen. Dat gaat anders. Het oog neemt slechts kleuren en licht-donker nuances waar. Wij doen alle bewegingen, die in ons waarnemingsveld zijn, onbewust mee in ons organisme, in het bewegingssysteem van onze lichamelijkheid.
Door onze eigen bewegingszin worden onze medebewegingen waargenomen, zodat alle beweging buiten ons tot ons subjectieve bewustzijn komt. Een cirkelvorm op een schoolbord is een ‘gestolde’ beweging. die ik met mijn bewegingszin waarneem. Met mijn bewustzijn verbind ik deze waarneming met de optische waarneming van de witte krijtstreep.
Een blinde neemt vormen alleen waar met zijn tastzin en bewegingszin. Rudolf Steiner noemt dit zintuig ook wel ‘eigenbewegingszin’.

4. De evenwichtszin
Met dit zintuig nemen wij onze stand in de ruimte waar. Zijn wij in evenwicht ten opzichte van de drie ruimteassen: boven-onder,  links-rechts, voor-achter? In feite wordt de betrekking waargenomen tussen het middelpunt van de aarde en ons eigen lichaam. Een z.g. onmacht betekent, dat onze evenwichtszin ons het middelpunt van de aarde ‘niet kan laten zien’.
Onze gehele oriëntatie in de ruimte is mogelijk door de evenwichtszin, die haar orgaan in het oor heeft, de drie z.g. half-cirkelvormige kanalen.

B. Optische of Gevoelszintuigen

5. De reukzin
De reukzin is in de neus gelegen. Via de lucht wordt alles waargenomen, wat van de materie in gasvormige toestand is overgegaan. De door de neus waargenomen geur, lucht of stank heeft een zeer sterke uitwerking op ons lichaam, die door vaak heftige gevoelens wordt vergezeld. Lichamelijke reacties b.v. braken zijn ook mogelijk.

6. De smaakzin
De smaakzin laat ons met tong en gehemelte proeven wat van de materie in vloeibare toestand is overgegaan.
Het proeven via de smaakzin veroorzaakt bij de mens zowel een groot genot en welbehagen als ook walging en misselijkheid met alle tussenliggende schakeringen.

7. De gezichtszin
De gezichtszin kan via het oog alleen functioneren, wanneer er licht is; toch kan ons oog het licht zelf niet waarnemen, aangezien licht geen stoffelijke maar een geestelijke kwaliteit is. Wel neemt het oog de dingen waar, die het licht aan hun oppervlakken veroorzaakt nl. kleur- en licht-donker nuances. Over het waarnemen van vorm zie de bewegingszin.

8. De warmtezin
De warmtezin heeft als orgaan onze gehele oppervlakte, al zijn er gevoeliger en ongevoeliger plekken. Waargenomen worden warmte en koude en de schakeringen daartussen.
Dit zintuig heeft duidelijker dan andere zintuigen een brug naar het psychische. Zielenwarmte en -koude worden ook door de warmtezin waargenomen, in combinatie met de akoestische zintuigen.

C. De akoestische zintuigen of Denk-zintuigen

9. De gehoorzin of klankzin
De gehoorzin heeft een Januskop. Ten dele behoort zij tot de z.g. middelste zintuigen, voor zover de natuur wordt waargenomen en de waarneming gevoelsmatig geëngageerd is. Maar het zintuig heeft ook het opmerkelijk vermogen om kwaliteiten hoorbaar te maken. Dit geldt niet alleen voor het onderscheiden van ‘echte’ munten, maar vooral voor het onderscheiden van kwaliteiten in de stem van de mens. Vandaar de sociale vermogens van de blinde!

10. De woord- of taalzin
De taal van een medemens is een zelfstandig te beleven wereld. Via de gehoorzin nemen we slechts het akoestische of muzikale element van de taal waar, niet het wezenlijke van de taal zelf.
Om woorden en zinnen in de stroom van klanken te kunnen onderscheiden is een apart zintuig nodig. Wij bouwen in de loop van ons leven via de woorden een soort klankorganisme op. Orgaan is: ons gehele bewegingsorganisme.

11. De gedachte- of begripszin
Taal en gedachte zijn niet identiek. Wij kunnen de gedachte van een ander mens ook leren kennen door zijn gezichtsexpressie en zijn gebaren. Er is een hoger zintuig nodig om uit de taalstroom de gedachten en ideeën te weten te komen. Dit is geen resultaat van verstandelijke redenering, maar van een zintuiglijke waarneming.
Kinderen kunnen al begrippen ervaren, wanneer zij nog niet kunnen denken. Orgaan voor het begripszintuig is het levensorganisme. Interessant is het, dat Chinezen, Koreanen en Japanners hetzelfde schrijfteken voor ‘boom’ hebben, terwijl zij geheel verschillende talen spreken.

12. De ik-zin
Wij moeten tussen eigen denken en het waarnemen van de gedachten van een ander mens onderscheiden.
Evenzo hebben wij onderscheid te maken tussen de beleving van ons eigen ‘ik’ en het waarnemen van het ‘ik’ van een ander.
Er is geen conclusie uit mijn eigen ik-beleven ten aanzien van een ander. Er is werkelijk sprake van een waarneming. Daartoe hebben wij een apart zintuig, de ik-zin. Het leert ons de keuze te maken tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’ bij de ander. Het ik van de ander is een geestelijke realiteit. Onze eigen ik-zin — ons gehele lichaam is het orgaan ervan — moet door innerlijke activiteit geoefend worden.
.

Het binnenste buiten – publicatie Rudolf Steinerschool Leiden, *mei 1985, hoofdstuk V waarvan 5.4

.
Ik-zin: artikel in Antroposofie Magazine

.

Zintuigen: alle artikelen
.

962

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskundige achtergronden: zintuigen

Dit is een globaal overzicht. Hier en daar werden opmerkingen gemaakt over ‘rekenen’.

DE ZINTUIGEN: POORTEN NAAR DE WERELD

Men kan geen didactische principes formuleren,  indien niet ingegaan wordt op de manier waarop het kind in relatie staat tot de wereld rondom. Nu wordt er gewoonlijk uitgegaan van de 5 bekende zintuigen. Dr. Steiner zag echter de zintuigen als een compositie van WILLEN,  VOELEN,  en DENKEN,  en ontwikkelde daaruit een zintuigleer die als volgt geschetst zou kunnen worden:

111 Zintuigen die de relatie       12 IK-zin                     DENKEN
leggen naar de wereld                11 gedachtezin
van het geestelijke                      10 woordzin
wereld                                             9 gehoorzin

11 Zintuigen die de relatie          8 warmtezin             VOELEN
leggen naar de zichtbare            7  gezichtszin
wereld                                            6  reukzin
5  smaakzin

1 Zintuigen die de relatie           4 evenwichtszin       WILLEN
naar het eigen lichaam               3 bewegingszin
leggen                                             2  levenszin
1  tastzin

(Daar men kan spreken van ‘lagere’  (I)  en  ‘hogere’ zintuigen staat de tastzin als laagste in de rij die doorloopt tot het  ‘hoogste’  zintuig:  de IK-zin.)

1. De tastzin
Naast hetgeen men zich doorgaans bij de tastzin voorstelt, gaat dr.  Steiner met recht  ‘dieper’  op de tastfunctie in: Als we een voorwerp betasten nemen we niet in de eerste plaats dat voorwerp waar, maar de verandering die dat in onszelf teweeg brengt: door te tasten beleven we de begrenzing van ons eigen lichaam. Voor het kleine kind, levend vanuit de wilsimpuls, geeft de tastzin de mogelijkheid tot een wilsmatige IK-beleving. Het is dan van groot belang, waaraan je jezelf ervaart. Is dat hard,  zacht, warm, kil, mooi of lelijk.
Daarom wordt aan het materiaal in de kleuterklas, maar ook in de hogere klassen, met zorg uitgezocht. Voor het kind moet die vroege IK-beleving iets zijn waarin het zich met grote sympathie begeeft. Allereerst wordt daarom gebruik gemaakt van natuurlijk materiaal voor poppen en speelgoed: echte wol, hout, maar ook het zand dat tussen je vingers glijdt, of de zachte bijenwas die je kneedt, dient dat doel.

Het heeft ook zin het rekenmateriaal aan dit doel ondergeschikt te maken. Daarbij moet m.i. echter de praktische bruikbaarheid van het materiaal dat men de kinderen in handen geeft niet over het hoofd gezien worden. Ik zou het af raden om eerst- klassers met te kleine voorwerpjes, zoals bijvoorbeeld maïskorreltjes o.i.d. te laten werken. Hoe makkelijk valt zo’n korrel op de grond en dan rekent het kind opeens met nog maar 9 dingen in plaats van met 10. Daarbij moet er rekening gehouden worden met het feit dat de motoriek van kinderen nog maar weinig ontwikkeld is. Wie herinnert zich niet de jeukende vingers die je krijgt van het priegelen met kleine dingetjes waarop je net geen greep hebt?

Een mooie oplossing die ik zag, om goed tastbaar materiaal te maken voor een klas, zag ik in een school, waar een ouder van berkentakken met de cirkelzaag plakjes zaagde ter grootte van damstenen. Dat gaat razend snel en als je ze vernist, heb je  prachtig materiaal, dat ook niet bederven kan, zoals met onze oude vertrouwde kastanjes zo vaak gebeurt.

In het tasten grijpt het kind zich een weg naar de wereld. Niet voor niets ligt er een relatie tussen grijpen en be-grijpen. In het feit dat kinderen tegenwoordig onvoldoende spelend en tastend de stoffelijke wereld ‘gegrepen’ hebben, zou wel eens een oorzaak kunnen liggen voor leerproblemen die ook in het rekenen optreden.

2. De levenszin
Door dit zintuig wordt de mens gewaar hoe hij  zich voelt: men ervaart behagelijkheid,  lichamelijk ongenoegen, pijn. Evenzeer als de tastzin de basis legt voor het ‘t tastend’ sociaal functioneren,  zo oefent het kind zich door de levenszinervaringen,  in het waarnemen van de processen die zich in hem voltrekken. Het zal de volwassene later in staat  stellen ook innerlijke processen bij de ander waar te nemen; niet niet alleen lichamelijk gericht, maar ook processen als het denken, de gedachtegang van de ander (en zichzelf) waar te nemen. De school heeft hierin vooral de taak het kind in deze zintuigsfeer positieve gevoelens te laten ervaren. Geborgenheid, veiligheid stimuleren de levenszin op positieve wijze.

In het onderwijs moet voorkomen worden dat de levenszin negatieve ervaringen overbrengt. Die kunnen bijvoorbeeld opgeroepen worden door onvoldoende tegemoet te komen aan de natuurlijke behoeftes van de kinderen wat betreft spelen en spelend verkennen. Juist in deze onbewuste wereld van de wilszintuigen worden makkelijk blokkades gelegd die later moeilijk meer te traceren zijn. Begint het kind te vroeg abstract te rekenen en voelt het zich daardoor uit zijn speelwereld verdreven,, dan kunnen zo de rekenproblemen voor later gelegd worden.

3.De bewegingszin
Met dit zintuig neemt men de eigen beweging waar. Niet alleen de bewegingen als lopen en grijpen, maar ook de kleine genuanceerde bewegingen die o.a. met het beleven van vorm te maken hebben. Dit zintuig wordt op velerlei wijzen aangesproken. Allereerst in de naïeve sfeer van spelen en bewegen. Een spelend kind,  in de zandbak bijvoorbeeld, pakt, grijpt met zijn handen, maar kan daarbij al zingend, het bovenlichaam ritmisch bewegen. Het zingen maakt duidelijk hoe ‘lekker’  het kind zich voelt: het kind gaat helemaal op in tastzin, bewegingszin en levenszin. Door alle klassen heen wordt de bewegingszin bewust aangesproken in allerlei ritmische oefeningen als ondersteuning van de hoofdvakken, in spelletjes bij alle vakgebieden, maar zeker ook bij het handwerken, de gymnastiek en – op puur kunstzinnige wijze -in de eurythmie.  De relatie tussen ervaringen in het bewegingsgebied en de bewegelijkheid in het (latere) denken, in betrekking tot b.v. het leren lezen, maar ook in relatie tot het rekenen wordt steeds meer onderkend.

Wellicht moet bij het ritmische aspect van de rekendidactiek eens overwogen worden hoe en wanneer je nu expliciet de bewegingszin, en het ritmisch aspect aanspreekt. Mijns inziens zijn er twee in­valshoeken.

De ene is die, waarbij je er vanuit gaat dat het ritme en de be­weging als vanzelfsprekend structurerend functioneren. In zuiver­ste vorm beleef je dat in de structuur die innerlijk gegeven wordt aan b.v. het monotone druppelen van water. We horen die identieke tikken toch al gauw als: tik – tok; tik – tok ….
Daarvan maak je gebruik wanneer je de kinderen de rijen van 2 of drie laat lopen in de eerste klas. Beweging en ritme komen dan nog van binnen uit.

De  andere  mogelijkheid  is, dat er een beweging aangeleerd wordt bij een bepaalde structurering. Bijvoorbeeld in een oefening als: 1 2  3  4;  1 2 3 4;  1 2 3 4; 1 2 3 4,  waarbij het verschuivende accent in klap of stap moet worden weergegeven.

Daarbij gaat het er om dat een bepaald inzicht in de structurering van de getallenwereld in een bewegingsvorm wordt omgezet. Maar nu is het ’t denken dat de structuur aanbrengt.

Onvermeld mag ook niet blijven, dat met goed bedoelde
bewegings­vormen, vaak juist het tegenovergestelde bereikt wordt: het geven van een hoofdrekenopgave aan een kind, dat onmiddellijk met antwoorden in het vangen van een pittenzakje of bal, kan bij een melancholisch kind absoluut blokkerend werken: door het zakje dat je ‘hem in zijn maag splitst’ wordt het denken ten enen male onmogelijk. Wanneer op zo’n manier de bewegingszin geweld wordt aangedaan, kan het effect net zo negatief zijn, als wanneer bijvoorbeeld de gezichtszin wordt belast en alleen nog maar sterretjes ziet. Met andere woorden: bewegen hoeft niet altijd goed te zijn!

4.De evenwichtszin
Door de evenwichtszin ervaart de mens dat hij vrij in de wereld staat. Ook aan dit zintuig doet dit kind zijn zeer vroege ervaringen op. Het proces van:  liggen – oprichten -zitten – staan – lopen,  is een en al oefening van de evenwichtszin. Het ‘in evenwicht zijn’  heeft een relatie met het zich evenwichtig voelen, zich op zijn gemak voelen. Het geeft het kind later de mogelijkheid zich op een bepaald gebied van het leven bijzonder op zijn gemak te voelen. Verder is de relatie met het horen voor de hand liggend, niet alleen door de situering van het evenwichtsorgaan in het binnenoor, maar ook door datgene wat we kennen als: gespitst luisteren, de luisterende aandacht richten. Een dergelijke luisterhouding is steeds verbonden met een bijzondere beleving van het eigen evenwicht: men gaat recht zitten of staan, heft het hoofd, zoekt een evenwichtige luisterhouding.

Wanneer de evenwichtszin geweld wordt aangedaan, dan lijdt dat tot sterke  lichamelijke reacties, zoals bij zeeziekte. Bij  bv. bal­letdansers of kunstrijdsters op de schaats blijkt dat e.e.a. sterk verbonden is met de oriëntatie in de ruimte. Heb je bij het draaien van een pirouette geen vast blikpunt, dan verlies je je gevoel  voor  evenwicht; daarom  moet   je daarvoor een bepaalde kijk-techniek aanleren. Met andere woorden, de evenwichtszin heeft te maken met het overzicht dat je op de omgeving hebt. Natuurlijk wordt de evenwichtszin direct   aangesproken bij bij­v. het lopen van een vorm [en is het af te raden om een klas wankelend van 100  –  0, achteruit lopend te laten tellen!], maar op subtielere wijze wordt dit zintuig ook betrokken in de oriëntatie die men het kind geeft op de wereld van het rekenen. Verricht het kind daar handelingen (moet het die soms zelfs lopend uitdrukken) waarbij het de oriëntatie op een bekende horizon mist, dan ontstaat onzekerheid en ‘onwel bevinden’.

In de rekendidactiek zouden we met name moeten zoeken naar vormen die de overgang van het beeldrijke introduceren van leerstof, naar het abstractere verwerken meer verbindt. Veronachtzaam je dat, dan komt de aanbieding van de leerstof los te staan van de verwerking. Dat kinderen dan een afkeer van rekenen ontwikkelen ligt dan voor de hand.

5.De reuk
Dit is één van de bekende zintuigen. In het geheel van dr. Steiners zintuigleer is de reuk op te vatten als een meer persoonlijke manier van tasten. Al tastend distancieert de mens zich van de wereld, in het ruiken wordt de wereld dichterbij gehaald en vraagt daarin om een persoonlijk oordeel. Hoe bijzonder de mens – ook religieus – met de reuk verbonden is, merkt men aan bv. reukoffers, of het wierook branden bij godsdienstige plechtigheden. Ook ons spraak­gebruik kent nog : In een slechte reuk staan, daar zit een luchtje aan of, een  ‘geur van heiligheid’. In de dualiteit van het ‘aangename’ en het  ‘onaangename’ ligt de grondslag voor het omgaan met moraliteit.

6.De smaakzin
Het proeven is nog persoonlijker dan het ruiken. Het ruiken kunnen we niet uit de weg gaan, maar proeven is een eigen, bewuste daad. In de grondhouding van het proeven wordt datgene aangelegd wat te maken heeft met ‘goede smaak’. Alles wat men de kinderen bijbrengt aan eetcultuur is een gebaar dat verbonden is met het oordeelsvermogen, met smaak en ethiek. In onze taal kennen we het bijzondere woord ‘opvoeden’ waarin – veel meer dan in het Duitse ‘erziehen’ of het Engelse ‘to educate’  – de relatie ligt naar het gebied van de smaak, naar een genuanceerd leren beleven van de wereld.

Voor alle  ‘gevoelszintuigen’  geldt dat we daarmee een ingang heb­ben bij het kind, via de wegen die in de ontwikkelingsfase tussen het 7e en 14e jaar door het kind zelf onderzocht en ontdekt wor­den. Wat betreft de reuk en de smaak komen we dan in het gebied, waarin zin en tegenzin, genieten en afschuw leven. Hierbij ligt de verbinding met het kunstzinnige voor de hand. De reuk is daarbij de subtielste van de twee. In overdrachtelijke zin spreek je daarmee in het onderwijs datgene aan wat te maken heeft met de vraag of iets ten diepste waar is of niet.
Voor het rekenen ligt die waarheid in de verbinding met de kosmische waarheid van het rekenen, die voor ons zichtbaar wordt in de alomvattende structuur van de rekenwereld.

Het morele aspect van het rekenen wordt natuurlijk gevoed door bijvoorbeeld het feit dat in de rekenopgave 8 = .. + .., niet naar de rekenaar toegerekend wordt, maar er juist ‘verdeeld’ wordt. Maar een laag dieper ligt het gebied waarin het kind wil beleven dat de leraar zelf de waarheid van het rekenen doorgrondt heeft en zelf de schoonheid van die absolute wereld beleefd heeft. Niet voor niets wil Bindel [1] de leraar opvoeden door in hoofdzaak in zijn boeken op die inhoudelijke kant in te gaan. Het gevaar is natuurlijk, dat de verbinding met de didactische realiteit verlo­ren wordt. Maar de didactiek wordt ook vleugellam als het fundament van de innerlijke verbinding niet gelegd wordt; als het kind niet ervaart dat de leraar een ‘neus’ voor het rekenen heeft.

De smaakzin, de goede smaak, wil in het rekenen gestreeld worden door o.a. datgene wat te maken heeft met de kunstzinnige verwer­king van de rekenleerstof. Dat heeft dus niets te maken met ver­sierinkjes om de rijtjessommen, of nog erger, met het vagelijk krassen van wat kleur dóór het rekenwerk. De smaakzin laat zich strelen door opgaven waarin de schoonheid van het rekenen tot zijn recht komt. Bekend zijn natuurlijk de ‘rekensterren‘ die ontstaan als de diverse getallenrijen zich door de 10- of 12-cirkel bewe­gen. Maar ook alle relaties die binnen het honderdveld zichtbaar gemaakt kunnen worden, of de bewegingen langs de getallenlijn kunnen dit zintuig aanspreken. Vooral in de lagere klassen ligt de opgave voor de didactiek in het zoeken van mogelijkheden om die schoonheid op papier tot leven te laten komen.

7. De gezichtszin
Door het oog komt de wereld als beeld in de mens. We ervoeren in de eerste zes zintuigen onszelf t.o.v. de wereld. Door het zien, zijn we in staat uit onszelf te komen: we richten de blik op iets wat buiten ons is. Het zien leert de mens daarbij de zielehouding vinden die omschreven kan worden als ‘beeldend denken’. Ons praktische denken is geschoold door onze oogervaringen. In de school is het ‘zien’ en de mogelijkheid tot beeldend denken, de belangrijkste sfeer waarin we het kind aanspreken. Zelfs in de dingen die we tot het kind zeggen in verhaal, beschrijving of explicatie doen we steeds een beroep op het beeldend vermogen van het kind. Door het kijken krijgt de wereld om ons heen stemming en kleur, vorm en zin. Door het beeldend vermogen kan het kind stemming en kleur geven aan alles wat anders dode leerstof zou zijn.

Door de lespraktijk van de vrije scholen, lijkt het vaak of ons onderwijs in de eerste plaats auditief georiënteerd is: we ver­tellen verhalen, we leggen mondeling uit (als dat al zou moeten), we leren in het bewegingsonderwijs de dingen aan vanuit de mondelinge ondersteuning.

Maar al te vaak zie je echter kinderen die veel meer visueel in­gesteld zijn. Het zijn de kinderen die het rekenen toch zichtbaar moeten maken. Is het vreemd dat die kinderen, als we voortdurend en dwingend aan hun gehoor appelleren (pittenzakje in je maag splitsen) toch stiekum op hun vingers blijven vertrouwen? Wat dat betreft zouden we moeten proberen een zinvolle synthese te laten ontstaan tussen de visuele aanpak die het realistisch reke­nen heeft ontwikkeld en de vrije schoolmethodiek. Wat eerder ge­zegd is over de evenwichtszin m.b.t. het hebben van een oriëntatiepunt,  is in dit verband ook van belang.

8.De warmtezin
Niet alleen doet ons dit zintuig warmte en koude ervaren, het is met recht een zielenzintuig waarmee we onze persoonlijke relatie tot de dingen in de wereld beleven. Sympathie en antipathie komen voort uit de directe sfeer van de warmtezin. Vooral waar het de sociale opvoeding betreft is dit gebied van belang: het wekt krachten in de menswaardoor hij  zich met bepaalde dingen kan verbinden of zich er juist van kan afwenden. Ook hier ligt voor de school een belangrijk aanknopingspunt.  Niet alleen geeft de leerkracht de kinderen beeldend onderwijs, maar in alles wat daarin verbeeld wordt spreekt men direkt sympathie en antipathie aan.  Niet als oordeel, maar als mogelijkheid het kind zelf persoonlijk bij de dingen,  te betrekken. Veelal zal men datgene dat men het kind voorhoudt zo veel mogelijk van verschillende kanten belichten, waardoor het leert op genuanceerde wijze de wereld tegemoet te treden.

9. De gehoorzin
Dit zintuig is het eerste dat behoort tot het ‘hogere’ gebied van het denken, van het geestelijke leven. Natuurlijk kan het kleine kind ook al horen, maar de luisterende aandacht, waarmee men echt toehoort, leert het kind pas in de puberteit ontwikkelen. Hoe dit zintuig zich ontwikkelt, beleeft men als men ziet hoe kleine kinderen bv. bij een concert maar heel kort geconcentreerd kunnen blijven, terwijl een volwassene “één en al oor” is. Het horen is tevens een sociaal zintuig, het schept de relatie naar de andere, door middel van de taal. In de basisschool kan dit zintuig nog niet puur aangesproken worden: het doceren is daar ook nog niet op zijn plaats; zoals reeds eerder aangevoerd werd moet, in hetgeen het kind hoort op de eerste plaats het beeldende aangesproken worden. Een bijzonder gebied dat via het gehoor wordt aangesproken is het muzikale horen. Vooral in het zelf zingen en het luisteren naar het samen zingen wordt het gehoor geschoold. Daarin wordt men dan één van de bijzondere verschijnselen van deze groep zintuigen gewaar: wanneer hetgeen men hoort zich losmaakt van het concrete geluid, maar juist het  ‘ongehoorde’  een rol gaat spelen, zoals bijvoorbeeld bij het samenklinken van tonen,  in de meerstemmigheid, dan verdiept de beleving zich zeer sterk.

10.De woordzin
Door dit zintuig kunnen we afzonderlijke klanken ervaren als woorden,  als dragers van begrippen. Het is geen zintuig­functie die een gegevenheid in zichzelf is, maar ze ontstaat door de opvoeding en wordt door het kind in zichzelf vrijgemaakt op grond van de eerdere zintuigervaringen. Met name het leren lezen is sterk verbonden met dit zintuig. Zou men het leren lezen losmaken van het beeldend beleven van de wereld, dan moest het kind veel te vroeg een beroep doen op dit woordzintuig en zouden de begrippen die het kind met de klanken verbindt hol en leeg zijn. In het aanvankelijk leesonderwijs, wordt geprobeerd juist dit gebied nog niet rechtstreeks aan te spreken.

11.De gedachtezin
Door dit zintuig is de mens in staat, hetgeen hij in het gesprokene  (geschrevene) hoort, nog dieper dan door het voorgaande zintuig te beleven. Nu worden de afzonderlijke begrippen samengevoegd tot een logische gedachtegang. Ook dit zintuig doet zich daarin kennen als een sociaal gericht zintuig: we ontmoeten daardoor de ander in hetgeen hij denkt en spreekt.  Die ontmoeting kan alleen dan volwaardig zijn, als men ook een waarde toekennen kan aan hetgeen men gehoord heeft.  Bij  de zintuigen die een verbinding hebben met het gebied van het willen en het voelen werd reeds uiteengezet dat door deze zintuigen in de eerste plaats concreet de KWALITEIT van de dingen ervaren wordt. Spreekt men de gedachtezin te vroeg aan dan maken we daardoor de dingen die we aan de kinderen duidelijk willen maken los van de totale beleving van de wereld; we laten het kind gedachten en ideeën consumeren, zonder dat het kind daaraan het eigen oordeelsvermogen schoolt.

12.De  IK-zin
Door dit zintuig zijn we – door de metamorfose van alle eerdere zintuigervaringen heen – in staat ook de persoonlijkheid van de ander te leren kennen uit hetgeen we horen, zien, bemerken van de ander. Daarbij gaat het niet meer alleen om het beeld dat we zien, de klanken, de woorden of gedachtegang die we horen, nu worden we geconfronteerd met zijn persoonlijkheid, met zijn IK. Dit zintuig is de basis van de mensenkennis en het hele gebied van de levenservaring. Het wordt gewekt in het kind door alle andere zintuigervaringen, waaraan de opvoeder aanvankelijk de kwaliteiten die het kind later zelf moet leren ervaren, nog vertellend, beeldend zal toevoegen. De Ik-zin wordt echter ook in hoge mate ontwikkeld door het feit dat het kind merkt dat de opvoeder zelf in staat is in hetgeen hij ziet, hoort, merkt van het kind, zich een beeld te vormen van de (zich ontwikkelende) persoonlijkheid van het kind. Het legt in hoge mate verantwoording bij de opvoeder en leerkracht zich niet te verliezen in oppervlakkige oordelen, maar werkelijk luisterend, kijkend, zich een objectief beeld van het kind te vormen.

DE ZINTUIGEN ALS ONTWIKKELINGSGEGEVEN.
Uit het voorgaande moge duidelijk geworden zijn, dat de
vrijeschoolpedagogiek ervan uitgaat, dat de ervaringen die het kind door de zintuigen in de wereld opdoet, niet zomaar registraties zijn van zijn omgeving. Door de opvoeding leren de kinderen hun zintuigervaringen een plaats te geven in hun belevingswereld. Dit leerproces is niet te “programmeren”: wat het kind zich daarin eigen maakt is zijn persoonlijke verworvenheid, zijn eigen daad. De opvoeder of leraar is slechts in staat een veelheid aan zintuigervaringen, overeenkomstig de ontwikkelingsfase van het kind, aan te bieden. Die zintuigervaringen dienen zeker gestructureerd en methodisch opgebouwd te zijn waar het de school betreft; de verwerking van dat alles is een zielenproces dat het kind zelf tot stand brengt. De leerkracht kan daarin niet rechtsstreeks ingrijpen. Het is slechts mogelijk bij een ontwikkeling die naar het oordeel van de leerkracht of eventuele hulpverleners te eenzijdig of onvolledig is, andere, genuanceerder zintuigindrukken aan het kind te geven. De ervaring die in de vrijeschool is opgedaan met deze remediërende aanpak, leert, dat het steeds mogelijk blijft bij de eerste WILS-zintuigen aan te sluiten,  ook al is het kind in zijn ontwikkeling al aan die fase ontgroeid.

Vaak blijkt dat leerproblemen ontstaan zijn doordat juist het gebied van het denken (gehoors-, woord-, gedachte-, en Ik-zin), geïsoleerd aangesproken is. Deze vier ‘hogere’ zintuigen die bij het leerproces verbonden zijn met het ‘kennen’, zijn niet vanzelfsprekend aanwezig, maar ontwikkelen zich als een metamorfose van de lager gelegen zintuiggebieden.

Schematisch kan dit verband als volgt geschetst worden:

Ik – zin

gedachtezin                                                   Door de WILS- en
GEVOELSzintuigen
woordzin                                                        kan het kind zijn
ervaringen omvormen
gehoor                                                            tot kennis

warmtezin
het kind leert de wereld
gezichstzin                                                   en zijn relatie tot de
wereld kennen
smaak

reuk

evenwichtszin
het kind leert
zichzelf kennen
bewegingszin

levenszin

tastzin

[1] Bindel

Dit artikel verscheen ongeveer in deze vorm in het boek ‘Rekenen in beweging‘ – 1e druk

zintuigen: alle artikelen (onder nr.9)

804