Tagarchief: lichaamsoriëntatie

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (4)

.

4E KLAS AARDRIJKSKUNDE

Et zijn natuurlijk heel veel manieren waarop je een aardrijkskundeperiode kunt beginnen.

Vaak heb ik ervoor gekozen ‘het’ scheppingslied uit de Edda als een soort uitgangspunt te nemen.
Je kan het bijv. de eerste we(e)k(en) iedere keer aan het begin reciteren tot de kinderen het kennen.
De kinderen hebben in de 3e klas al over ‘een schepping’ gehoord en dat zal later nog wel eens gebeuren. Niet zomaar een verhaaltje of gedichtje, maar werken uit de wereldliteratuur!

In dit scheppingslied wordt de aarde min of meer gezien als een uitzonderlijke mens: Ymir, de reus. Als stammend van een levend organisme. In de 5e klas zal met de plantkunde dit idee van de aarde als een levend organisme, op de achtergrond weer aan de orde komen.
Tal van aardrijkskundige begrippen liggen in dit lied voor het grijpen.
Met name natuurlijk de vier dwergen: Oster, Wester, Norder en Suder.

In de les zal de overgang naar bijv. de windstreken niet moeilijk zijn. Wanneer je – de kinderen weten al veel – vanuit Nederland naar het zuiden gaat, waar kom je dan? Je kan toezeggen dat je over al die landen nog iets gaat vertellen, later in klas 5 en/of 6. Daarmee wordt iets van ‘wil’ gewekt: een toekomstimpulsje: dat gaan we allemaal nog doen!

Het leek mij goed, juist in dit allereerste begin – met ergens in het achterhoofd dat het bij het leven hoort steeds van het geheel uit te gaan – eerst de hemel, het omvattende uitspansel, bewuster te beleven. Te kijken waar ’s morgens de zon door het raam naar binnenkomt – het oosten – kan aanleiding zijn een groot kompas aan het klassenplafond te maken, met bijv. acht richtingen. (van muur tot muur touwen spannen met naamkaartjes van de richtingen).
In de eerste klas deed je ‘lichaamsoriëntatie‘: ‘Wijs met je linkerwijsvinger je rechterknie aan’ enz; nu kun je opnieuw een soort lichaamsoriëntatie oefenen: ‘Ga met je rechterschouder naar het noordwesten staan’. Enz.

En zo’n kompas tekenen, natuurlijk:

Uit bestaande scheppingsliederen maakte ik ooit dit:

DE SCHEPPING VAN DE WERELD

In het begin
Was er geen wereld
Niets bestond
Noch zand, noch zee
Noch wolken, noch water
Geen aarde
En geen welvende hemel
Nergens was gras
Nergens was groen
Slechts een donkere grondloze diepte gaapte
Ginnungaggab

In het noorden, in Nevelheim
Woeien ijzige winden
In het zuiden, in Muspelheim
Zwaaide Surtur zijn vlammend zwaard
De vurige vonken vlogen voorwaarts
Vielen in Nevelheim neer.
Op Elivagars verstarde waat’ren
Smolt sissend het starre ijs
En uit het woelend geweld
Der dichte dampen
Rees omhoog
Ymir, de reus

Odin, Wili en We
Schiepen de wereld
Uit Ymirs lichaam
Wierpen het in de wijde ruimte
Brouwden zijn bloed tot ziedende zeeën
Vormden zijn vlees tot vruchtbare aarde
En zijn gebeente tot rotsige bergen
Uit zijn brauwen schiepen zij Midgard
Voor het mensengeslacht
Uit zijn haren
De halmen der grassen
UIt zijn schedel
Het hoge hemelgewelf
Vier dwergen
Droegen dit hemelgewelf:
Oster, Wester, Norder en Suder
Uit zijn hersenen
de wollige wolken
De wervelende vlucht
Van Muspelheims vonken
Vormden zij
Tot vaste banen
Zo straalden
De zon, de maan en de sterren
Hun licht naar omlaag
En door de brug Bifrost
Werden hemel en aarde verbonden

De vele allitererende woorden kunnen benadrukt worden met klappen; je kunt erop lopen en op de alliteraties ‘stampen’ of stilstaan.

Het spreken vergt de nodige aandacht, bijv. bij: ‘smolt sissend het starre ijs: hier mag de =s= goed scherp hoorbaar zijn.

Er kan n.a.v. dit lied ook veel getekend en geschilderd worden: kortom: een inspirerend lied.

4e klas aardrijkskunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

1303

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 1e klas – touwtjespringen

.

‘Als al je kinderen in de 1e klas tegen de kerst kunnen touwtjespringen, heb je het beter gedaan dan wanneer ze dat nog niet kunnen, maar wel alle letters kennen.’

Ik weet niet we de uitspraak ooit deed, maar waar is deze wel, m.i.

Touwtjespringen is een bezigheid waarvan je gerust kunt zeggen dat ‘de hele mens’ meedoet.
Met deze ‘hele mens’ kom je dicht bij wat Rudolf Steiner van deze ‘hele mens’ zei: dat hij in het onderwijs moet worden aangesproken. En dat dit dicht in de buurt komt van ‘de boven- en onderwijs’ harmoniseren, begrijp je meteen als je de worsteling ziet waarmee kleine kinderen het touwtjespringen onder de knie! proberen te krijgen.

Dus tussen het schooljaarbegin en de kerst zal het springtouw(tje) met stip in de top-10 van de leermiddelen staan.

Wat een coördinatie is er nodig tussen het draaien van het touw over het hoofd en het op tijd opspringen en dan blijven draaien en springen.

Voor veel kinderen is het moeilijk om – zonder touw – al eenvoudig ritmisch met twee gesloten voeten een keer of tien te huppen: 1-2; 1-2, met de nadruk op de 1.

Of met 1 arm het touw aan een kant naast je lijf rond te draaien en daarbij dan de hupjes te maken. Ook de zwaai over het hoofd is in het begin heel moeilijk.
Je kunt aan alle pogingen veel zien hoe het met het bewegingspatroon van het kind staat. Of het zich nog zeer stuntelig beweegt, zich bijna letterlijk in bochten wringt of dat er al een souplesse in het bewegen zichtbaar wordt.

Kortom dus: TOUWTJESPRINGEN!!!!!

INDIVIDUEEL

Het begin:
Het kind houdt het springtouw met in elke hand een einde vast, stapt erover heen, zodat het touw vlak achter de voeten op de grond ligt. Dan zwaait het het touw over het hoofd naar voren, springt op en zwaait het onder de springende voeten door weer terug, over het hoofd heen en zo maar verder.
De lengte van het touw is ongeveer goed als je erop gaat staan en als je het strak trekt, moeten je handen net boven je heupen komen. Zowel met een te lang als met een te kort touw gaat het minder makkelijk.

Moeder hoeveel jaar ben ik?
Een, twee, drie, enz. Tot het mis gaat.

Hierbij kunnen de kinderen zelf ervaren hoe ver ze al kunnen komen! En tegelijkertijd wordt het tellen geoefend – en ook tellen moet je a.h.w. ritmisch kunnen.

Een, twee,
kopje thee.
Drie, vier,
glaasje/flesje bier.
Vijf, zes,
kurk op de fles.
Zeven, acht,
soldaat op wacht.
Negen, tien,
heb je (hier de naam van het kind) gezien?
Tien, elf
Dat ben je zelf!!

In, spin, de bocht gaat in
Uit, spuit, de bocht gaat uit!

moeilijker
Nu zijn er altijd wel kinderen die al kunnen touwtjespringen wanneer ze in de 1e klas komen. Die moeten natuurlijk uitgedaagd worden.
Je zou ernaar kunnen streven dat aan het eind van het schooljaar alle kinderen ook de moeilijkere vormen kunnen, maar die kan je ook bewaren voor de 2e klas.

Je zou vanaf hierboven verder kunnen gaan met:

Hetzelfde, maar nu met een tussensprongetje
Hetzelfde, op één been. Links en rechts afwisselen.
Kruis het touw, door je handen over elkaar te houden, en spring:

Met gekruiste armen
Leentje leerde Lotje (kruis) lopen.
Langs de lange Linde (kruis) laan.
Maar toen Lotje Leerde (kruis) lopen.
Is ze maar
Naar huis (kruis) gegaan.

De dubbele
Een kind springt alleen op de gewone manier. Op een gegeven moment draait het het touw bliksemsnel rond, zodat het touw twee keer onder de voeten draait, terwijl het maar één keer opspringt.

In de (dubbele) wei,
Lag één (dubbele) ei,
Van pa (dubbele) pier,
Tiere (dubbele) lier!
Eén, twéé… (dubbele)

Edelman (dubbele) Bedelman (dubbele)
Dokter (dubbele) Pastoor (dubbele)
Koning (dubbele) Keizer (dubbele)
Schuttermajoor (dubbele).

De naam of de titel waar de ‘dubbele’ mislukt, geeft aan, wat het kind is, en welke titel het dus mag dragen.

Uiteraard kunnen deze ook zonder ‘dubbele’. En de andere kunnen weer met een dubbele, bv. alleen op bepaalde plaatsen. Laat de kinderen zelf de variaties bedenken en uitvoeren.
SAMEN: IN-SPRINGEN – INLOPEN
Veel versjes kunnen ook gebruikt worden wanneer de kinderen in-springen: d.w.z. met een lang touw, gedraaid door 2 kinderen.

Om dit te oefenen kun je spelen:

Hogertje
Twee kinderen houden het springtouw bij de uiteinden losjes vast, terwijl het touw op de grond ligt.
De andere kinderen springen om beurten over het touw heen. Als ieder kind over het touw gesprongen is, strekken de twee kinderen die aan de uiteinden staan het touw een beetje, zodat het nu ongeveer 10 centimeter van de grond is. Weer springen alle kinderen beurtelings over het touw heen.
Weer gaat het touw iets hoger, en weer springen alle kinderen.
Wie het hoogste springt is de winnaar of winnares van dit spelletje.

Het touw moet steeds los vastgehouden worden, om valpartijen te voorkomen.

Slingertje slangertje
Weer staan twee kinderen aan de uiteinden van het touw en laten het touw langzaam van links naar rechts schommelen.
Een van de andere kinderen staat voor het touw en springt steeds omhoog, als het touw tegen zijn benen dreigt te komen.
Dit herhaalt zich, tot het sprongetje mislukt, waarop dit kind dan een van de ‘slingeraars’ gaat aflossen.

Twee kinderen houden het touw vast, dat op de grond ligt. Een kind staat midden achter het touw. De twee kinderen slaan het touw nu met een boog over het hoofd van het middelste kind heen, dat opspringt opdat het touw vrij kan doordraaien.

Bij iedere sprong wordt geteld, één, twéé, drie enz.

Als het mislukt, mag het kind het overdoen, maar nu moet het voor het touw gaan staan en draaien de kinderen aan de uiteinden het touw in tegenovergestelde richting.
Is het kind weer af, dan moet het een van de draaiers aflossen.

Twee draaiers houden een lang touw aan de beide uiteinden vast en laten het ronddraaien. De andere kinderen staan achter elkaar op een rij achter een van de draaiers.
Terwijl het touw ronddraait loopt één uit de rij onder het touw, zodra dit in de lucht is, en springt drie keer, terwijl allen hardop tellen. Bij drie’ springt het kind uit het touw, en wordt onmiddellijk opgevolgd door een ander. Dat gaat zo door, tot iedereen z’n beurt heeft gehad.

Op dezelfde manier springen, dus met inlopen. Maar nu opgelet! Het kind dat inspringt, telt één, en bij twéé moet de volgende samen met de eerste springen en op drie! springt het eerste kind uit de bocht.
Het tellen begint nu opnieuw, en bij ‘twee’ moet het volgende kind inlopen, terwijl bij ‘drie’ de laatst ingelopene alleen springt. Wéér wordt geteld één, en bij twéé is de volgende al weer in het touw.
Zo gaan we door, tot alle kinderen een keer hebben gesprongen.

Bij het inlopen met de hele klas, bestaat het gevaar dat de kinderen te lang moeten wachten in de rij. Dan kan de stemming wat minder worden. Je kunt dus met meerdere lange touwen ook meer groepjes maken.
Minimaal heb je hier bv. 4 kinderen nodig: 2 draaiers en 2 springers.

Het kind dat springt, terwijl twee anderen het springtouw ronddraaien, zingt:

In spin, Mieke kom in
(nu moet het vriendinnetje Mieke inlopen)
Uit spuit (Mieke springt mee)
Mieke gaat uit. (Mieke loopt uit)

Als er meer kinderen zijn, gaat dit gaat zo door, tot ze allemaal geroepen zijn.

Iets moeilijker is het volgende:
Neem aan, dat het kind dat springt Joost heet. Die zingt dan:

In spin, Marietje kom in (Marietje loopt in)
Uit spuit (Joost en Marietje springen samen)
Joost gaat uit. (Joost loopt uit)

Nu gaat Marietje weer verder en roept het volgende kind.

Spelen 3 kinderen, dan kan bv. dit:

Rood wit blauw
Drie kinderen krijgen ieder de naam van een kleur, dus Rood, Wit, Blauw.
Twee van de kinderen, Rood en Blauw, draaien het touw, terwijl Wit mag springen.
Nu wordt steeds gezongen: ‘Rood, Wit, Blauw’, terwijl ‘Wit’ springt.
Op een gegeven moment mislukt de sprong van Wit, juist op het moment, dat bijvoorbeeld ‘Rood’ gezongen wordt. Dan moet Wit draaien en mag Rood gaan springen. Dit gaat zo door, tot ook dit meisje weer af is, en de kleur waarop zij zich heeft vergist wijst dan de volgende springster weer aan.

SPRINGVERSJES

Koekoek, zeg mij toch,
hoeveel jaren leef ik nog?
Een, twee, drie, tot je af bent
(ook als liedje)

Kleine Jan zat op de brug
Met zijn handen op z’n rug
En een pijpje in zijn mond
Draait hij drie maal in het rond.

Asman moet de ketel schuren
Midden in de nacht om twaalf uren
Asman dit, asman dat,
Asman krijgt met de ketel voor z!n gat.

Oesje Kadoesje
Wat heb je in je zak
Flesje jenever
Pruimpje tabak.

Zo gezegd zo gedaan
En naar huis toe gegaan
Kopje koffie gezet
Met een stukje banket.

Ik heb mijn vrijer op zien gaan
Al in een luchtballon
En als het touwtje breekt
Dan komt hij nooit weerom.

Ik heb een jasje gekocht
Naar de lommerd gebrocht
Voor een stuiver of tien
Laat je briefje eens zien?

Rosalinda ging uit wandl’en
En ze nam haar zusje mee
En toen ging ze al op de bergen
En ze liet haar zusje alleen.

Hoog op de klompen
Buurman is zo dronken
Lieve Griet,
zeg het niet
Buurman is zo dronken niet.

Kies kom maar in
Ik kies: (Jopie) tot vriendin
En zie daar juffrouw
Nu verlaat ik jou
Dag juffrouw.

Rode kersen lust ik graag
Zwarte nog veel liever
Meisjes zoenen doe ik graag
Jongens nog veel liever
Drie maal in de rondte
Drie maal drie is negen
Ik kom een meisje tegen
Vroeg haar toen hoe laat het was
’t Was al hallef negen.    (je kunt hier verder tellen tot het bij de springer misgaat)

Een twee drie vier vijf
De bakker sloeg zijn wijf
Al met een houten hamertje
Boven op zijn kamertje, kamertje, kamertje,
Een twee drie vier vijf
De bakker sloeg zijn wijf

Moeder ’k heb zo’n lieve jongen
Mag hij even boven komen
Nee Griet, zanik niet
Boven komen mag hij niet.
De eerste zoen die ik hem gaf
Viel hij van de trappen af
Van de trappen naar de stoep
Midden in de paardenpoep.

Mama Sjelle
Die kon tellen
Miek van der Laan
Lust geen graan Lust
geen spek
Mieke van der Laan Is hallef gek.

Vis vis gebakken vis 
Die vannacht gevangen is
In het zoute water
Jongen hou je snater
Van je een twee drie.

Sinaasappelen mooie waar
Sinaasappelen bom.
Zeven en een halve centen maar
Sinaasappelen bom.
Wie koopt, wie koopt, wie koopt er van mij?

In de Maasstraat nummer vijf
Daar woont Japie met zijn wijf
Zeven stoelen zonder matten
En een tafel zonder latten
En een potje zonder oor
Zo gaat Japie de wereld door.

Er kwam een meisje van Scheveningen aan 
Hoezee.
Die had een mandje met vis belaan
Hoezee.
Ze riep gewis:
Wie koopt mijn vis
‘k Heb lekkere haring en schellevis
Hoezee, hoezee, hoezee.

Ik ben in geen zes, zeven weken
Bij Simon de Wit geweest
Ik moest er even wezen
Voor een half pondje zeer
Ik zag een doos met flikken
Ik nam er eentje uit
Simon de Wit die zag het
En joeg me de winkel uit.

Jan Toenee, Jan Toenee
Moest een boodschap doen
Jan Toenee, Jan Toenee
Moest een boodschap doen aan zee
Wat zag hij daar
Een aardig meisje
Wat zag hij daar
Een aardig meisje met krullend haar.

Help en hou je vast
Anders kom je in de kast
Rare kast bij vrouw Tup op de hei
Daar verkopen ze rijstebrij
Rijstebrij met krenten
Kost maar zéven centen
Zeven centen is me te duur
O wat smaken die krenten zuur.

’s Avonds na tienen
Waar blijft toch die meid
Die zit in de keuken
Ze naait en ze breit
Voor wie voor wie
Voor m’n zusje,

voor m’n zusje
Voor wie, voor wie
Voor m’n zusje Marie.

k Moest eens aardappelen schillen
Al voor de keukenmeid
Mijn vrijer kwam naar binnen
En raai eens wat die zeit.
Ik lust zo graag een borrel
Ik heb geen centen meer
De tappers zijn gesloten
Het kraantje lekt niet meer.
Kraantje lek, lek, lek.

Gekke Gerrie is mijn naam,
in alle dingen ben ik bekwaam
ln alle delen ben ik geboren,
ik heb mijn ouders vroeg verloren
Als ik sterf dan ben ik dood
Dan stoppen ze me onder de grond
Dan kom ik uit mijn kistje springen
Dan hoor ik alle engeltjes zingen,
Dan spring ik laag, dan spring ik hoog.

Er stond een meisje voor het raam
Wiedewiedewiet Jan Bom.
Haar vrijer die kwam naast haar staan
Wiedewiedewiet Jan Bom.
Kom eens hier lekker dier
’k Zal je zoenen met plezier
Gloria Victoria
Wiedewiedewiet van Bomsasa
Gloria Victoria
Wiedewiedewiet Jan Bom.

Er zijn verschillende versjes waarin je bewegingen zou kunnen doen, zoals hier het ronddraaien. Dat maakt het geheel weer moeilijker.

Zeg ken jij die rare meid
Die met alle jongens vrijt
’s Avonds om een uur of tien
Zit zij in een vliegmachien
En dan gaat zij naar ’t plantsoen
Geven elkaar een dikke zoen
Ik zal zeggen tegen moeder
Dat jij ied’re avond laat
Op het hoekje van de straat
Staat te wachten kwart voor achten
En die jongen is soldaat.

Helder in de kelder
Boter bij de vis
Kaatje doe eens open
Kijk eens wie er is
‘t Is een arm meisje
Om een stukje brood
Laat ze even boven
Anders gaat ze dood
Kaatje ging naar boven
Om een stukje brood
Toen ze weer benee kwam
Was het meisje dood.

Anna zat te wachten
Te wachten op haar man
’s Nachts om twalef uren
Kwam die smeerlap aan
Goeienavond Anna
Goeienavond Jan
Waar ben je gebleven
Dat gaat jou niks an
Anna ging naar boven
Nam een dikke stok
Ging weer naar beneden
Sloeg hem op z’n kop
Jan begon te schreeuwen
Te schreeuwen moord en brand
Toen de buren kwamen
Was er niets aan de hand.

(ook als liedje)

Er was eens een mannetje
Anja Kadee
Er was eens een mannetje
A em a.

Het mannetje koos een vrouwtje
Anja Kadee
Herhaal
A em a

Het mannetje ging uit wandelen
Anja Kadee
enz

Het vrouwtje ging hem achterna

Zeg man je moet de borden wassen enz.

Toen ging de man in ’t venster zitten enz.

Hij likte alle borden schoon enz.

Toen ging zijn vrouw de bezem halen 

De bezem sloeg hem op z’n kop

Toen ging de man de politie halen

Dat ding heeft mij geslagen

Dan moet je hem niet plagen

Kom laten we samen vrede sluiten

Er zijn er natuurlijk nog veel meer en je kunt de kinderen er zelf laten maken.

Kinderspelen en jaargetijden

1e klas: bewegend deel

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – alle beelden

 

1143

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – hinkelen

..

Zoals het bikkelen niet per se voorbehouden is aan de 1e klas, maar door de verschillende moeilijkheidsgraden ook in hogere klassen gespeeld kan worden, zo is ook het hinkelen in de 1e of de 3e mogelijk.

Hinkelen is een oud spel, bij de Romeinen ‘gespeeld’ door de soldaten om hun voeten te oefenen.

Het is een uitstekend middel om te ‘incarneren’, d.w.z. al je aandacht gaat naar je voeten – die moet je leren beheersen, daarin of daarmee moet je heer en meester worden -.: tot het je ‘onderdanen’ zijn.
Veel kinderen in de 1e klas zijn nog lang niet thuis in hun voeten. Loop klassikaal eens een getallenrij en je ziet dat het klappen in een ander ritme gaat dan de voeten die bij sommigen nog voor spek en bonen meedoen.

Hinkelen is bij uitstek het spel om met je hele lijf wakker te worden.

Op een echte vrijeschool zal het dan ook in het bewegend deel van tijd tot tijd intensief worden beoefend.

HINKELEN
Met krijt wordt op de grond een ‘hinkelbaan’ getekend, of, wanneer we aan het strand zijn, met een stok in het zand getrokken.
Een hinkelbaan bestaat uit een aantal vakken, waarvan de nummers, die in de vakken worden geschreven, elkaar opvolgen.
De meest eenvoudige vorm van een hinkelbaan is de onderstaande:

hinkelen-1

De baan moet ongeveer 1 m breed zijn; de vakken ongeveer 50 cm diep.

Een kind gooit een steentje in het eerste vak.
Dan gaat het kind ‘hinkelen’, d.w.z. het springt op één voet ook in het eerste vak. Steeds op één voet staand, schopt het kind het steentje met dezelfde voet, in vak nummer 2.
Dit gaat op dezelfde manier verder, steeds één vak tegelijk, tot de rust is bereikt. Hier mag de andere voet op de grond worden gezet om even te rusten.
Na het rusten gaat het kind weer op één voet staan, bukt, raapt het steentje op en hinkelt met het steentje in de hand terug naar het eerste vak.

Komt het kind met de andere voet op de grond, raakt het met de hinkelvoet een lijn, of wordt het steentje te ver doorgeschopt, dan is het af en komt een van de anderen aan de beurt.

Op dezelfde baan kan ook op onderstaande wijze gehinkeld worden:

Een kind gooit het steentje op vak 1, spring: op één voet in dit vak, pakt staande op de ene voet het steentje in de hand, en springt verder zonder rusten en zonder lijnen te raken naar de ‘rust’.
Op het andere been springen we weer terug. vak voor vak.
Nu gooit hetzelfde kind haar steentje op vak nummer 2, en springt in één keer naar nummer 2, terwijl ze vak 1 overslaat. Ze bukt weer, pakt het steentje, en springt dan achtereenvolgens via 3, 4, 5, naar de rust, en hinkelt op haar andere been terug.
Dan gooit ze de steen op vak drie. Ze springt via vak 1 naar vak 2, en moet vak 3, dus het vak waar het steentje nu ligt, overslaan. Ze springt dus ineens naar vak 4, pakt het steentje uit vak 3 (denk erom: steeds op één voet staan!) en hinkelt verder.
Op Rust aangekomen, hinkelt ze op het andere been terug.

Dit herhaalt zich, tot ze tenslotte alle vakken een keer heeft overgeslagen.

hinkelen-2

Het huis met zijn verschillende vertrekken en de zolder wordt op het speelterrein getekend.
Het kind gooit haar hinkelsteentje in de kelder (1). Dan springt ze ook op haar ene been in vak 1, en schopt dan met dezelfde voet het seentje naar vak 2; springt dan ook in vak 2, schopt het steentje zo naar 3 en op dezelfde manier komt het in 4 terecht. Van vak 4 niet naar 5, maar ineens naar het vak dat er tegenover ligt, dus vak 7. We zijn nu in de bovenste verdieping van het huis terecht gekomen, waar de kinderen in kleine kamertjes slapen. We moeten nu eerst voorzichtig gaan kijken, voor we naar de zolder, nummer 8, mogen.

De kinderkamertjes worden als volgt bezocht:

1. rechtervoet in vak 5, linker in vak 6.
2. rechtervoet in vak 7, linker in vak 4.
3. rechtervoet in vak 6, linker in vak 5.
4.rechtervoet in vak 4, linker in vak 7.
5. rechtervoet in vak 5, linker in vak 6.

Heeft het op deze manier alle kinderkamers bezocht – natuurlijk steeds op één been – dan mag het het steentje dat nog rustig in het zevende vak ligt, naar de zolder schoppen. Daar mag ze uitrusten en op dezelfde manier gaat ze weer naar beneden.

Het is nu de kunst, om boven op de zolder te komen, zonder de kinderen wakker te maken. Alle kinderen die meespelen, staan om het huis heen, en zijn zo stil als een muis. Zodra nu een fout gemaakt wordt, bijvoorbeeld als het steentje te ver wordt doorgeschopt, of wanneer een der krijtlijnen wordt geraakt, imiteren de omstanders huilende babies. De kinderen op de kamertjes 4, 5, 6 en 7 zijn wakker geworden, en het volgende hinkelaartje is aan de beurt.

hinkelen-3

Het is de bedoeling dat alle kinderen om beurten door bovenstaande figuur, die op de grond is getekend, hinkelen. In het midden mag worden uitgerust en van daar gaat de reis terug naar het beginpunt. Vanzelfsprekend mag ook hier de andere voet de grond niet raken en ook mag geen enkele lijn tijdens het springen door de voet worden aangeraakt.
Wanneer de heen- en terugreis zonder fouten is uitgevoerd, mag het kind dat de reis heeft volbracht, in een van de vakken zijn naamschrijven. In elk vak mag maar één naam worden geschreven. Wanneer tenslotte alle vakken van een naam zijn voorzien, is het spelletje uit. Het kind wiens naam het meest voorkomt in het figuur, is de kampioen.

hinkelen-4

Op bovenstaande hinkelbaan wordt zonder steentje gesprongen, volgens deze voorschriften:

Eerste sprong:
Op één been op vak 1.

Tweede sprong:
Op één been op vak 2.

Derde sprong:
Eén been in vak 3 en één been in vak 4. Tijdens het springen omdraaien.

Vierde sprong:
Naar 5 op één been.

Vijfde sprong:
Tijdens de sprong omdraaien en nu met één been op 6 en één op 7.

Zesde sprong:
Naar vak 8 op één been.

Zevende sprong:
Naar 9 op twee benen.

Met dezelfde sprongen gaan we nu terug naar 1, om dan weer naar 9 te springen. Dan mogen we ook op vak 10 komen, op één been, en de tocht is volbracht.

We tekenen nu een ladder op de grond, volgens onderstaand voorbeeld:

hinkelen-5

Een steentje wordt in vak 1 gegooid en het kind dat aan de beurt is, springt het na. Dan schopt het het steentje met dezelfde voet, waarop het staat, naar vak 2, dan naar 3 enzovoort, tot het op vak 10 aangekomen, de ladder weer is afgedaald. Als het steentje buiten de ladder terecht komt, is de hinkelaar(ster) af.

Schopt het het steentje per ongeluk een vak te ver, dan mag het doorspringen, maar moet het met het steentjeschoppen overgeslagen vak eveneens met de sprong overslaan. Raakt het één van de lijnen, dan is het ook af.

hinkelen-6

Op deze hinkelbaan moet alles op één been. Op X 8 X mag gerust worden.

hinkelen-7

Moet het hinkelsteentje op 8 of 9 worden gegooid en komt het toevallig in HEMEL dan mag opnieuw gegooid worden.
Komt het in HEL, dan moet het kind een keer zijn beurt voorbij laten gaan.

Hinkelliedjes

Hinkelbaan hinkelbaan
Vrolijk in ’t rond
Wie niet kan hinkelen
Wie niet kan hinkelen
Wie niet kan hinkelen
Is niet gezond.

Hinkel de pinkel
Daar komen wij aan
Wij hebben geen kousjes of schoentjes meer aan
Zet je handen op je rug
Hinkel de pinkel
Kom nu maar terug.

meer   en  meer
1e klas:  bewegend deel    kringspelen  lichaamsoriëntatie

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas – alle beelden

1142

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – ‘bewegend deel’

1e klas: alle artikelen

EEN BEGIN VAN DE OCHTEND IN DE  1E KLAS

Een paar keer heb ik de mogelijkheid genoemd om ’s morgens met je 1e klas in de kring te beginnen. Terwijl jij nog bij de deur stond om de kinderen met een handdruk en een ‘goedemorgen…..’ te ontvangen, zijn de kinderen gaan zitten of…..ze zoeken en kijken rond waar ‘kabouter’ zit of wat er in de bordtekening is veranderd.

“Kabouter” en ‘bordtekening’ heb ik hier als voorbeeld gegeven i.v.m. ‘waarnemen en gewaarworden’ in relatie tot het etherlijf.

Het mooist is als je meteen met de spreuk kunt beginnen, maar wat doe je als nog niet alle kinderen er zijn; of als ze – door wat voor oorzaak dan ook – nog te druk zijn om geconcentreerd stil te zijn.

In ieder geval: stil en geconcentreerd ‘maken’. Dat is ongeveer het tegenovergestelde van met woorden afdwingen of verbieden enz.

Ga met een drukke klas eerst iets ‘druks’ doen: klappen in 4-kwartsmaat – die heeft een martiaal karakter – spring hoog – daal tot op de hurken enz. Klap luid in de handen – in 8-sten bv. Dezelfde beweging met de voeten en dan de verrassing: luid klappen, maar de voetbeweging op de tenen; dan omgekeerd: met 1 vinger op de handpalm van de andere hand – luid met de voeten – tot: zacht met handen, zacht met tenen en bv. van daaruit een mooi lied: stralend gaat de zon omhoog – begeleid door mooie, rustige bewegingen.

Wanneer de kinderen dit al veel in de kleuterklas hebben gezongen – even navragen bij je collega – kies dan een ‘nieuw’ lied dat uitnodigt tot mooie, rustige bewegingen. Die kunnen eindigen met de armen gekruist over de borst of een andere houding. Wanneer je zelf mooie gebaren maakt – je zet je voeten met aandacht naast elkaar – zullen de meeste kinderen dit nabootsend ook zo doen.

Voor de gewoontevorming – ook goede gewoonten zijn voedsel voor het etherlijf – is het goed een tijdlang dezelfde ‘rituelen’ te handhaven.

Na de spreuk kun je zittend in de kring nog allerlei doen: elkaar waarnemen – de vraag voor morgen stellen: ik vraag morgen of je nog weet wie er vandaag iets roods draagt, enz.

Je kunt ‘lichaamsgeografie’ doen: pak met je rechterhand je linkerelleboog enz. enz.

Wanneer je een rekenperiode hebt, kun je hier al rekenopgaven geven: ‘ogen dicht’ als ik ‘open’ zeg, kijk je hoeveel vingers ik opsteek (die je na ‘open’ snel weer laat verdwijnen) Op zeker ogenblik kunnen de kinderen dit ook voor elkaar doen – je kunt dan gelijk nagaan of het kind weet hoeveel vingers het zelf heeft opgestoken.

Er zijn zoveel mogelijkheden om het ‘bewegend deel’ te vullen, dat ze hier uiteraard niet allemaal opgesomd kunnen worden.

Er zal een tijd zijn dat er intensief geoefend wordt met touwtjespringen. Individueel of gezamenlijk met het grote touw. (Dat kan ook in de pauze)

Met de evenwichtsbalk kun je geweldige dingen doen.

Het is belangrijk dat je meteen tot gewoonte maakt om veel aantekeningen te maken van hoe de kinderen ‘het’ doen. Hoe lopen ze over de balk, met welke voet stappen ze er op; durven ze of zijn ze bang.

Wanneer je een lang en dik touw kronkelend over de vloer legt en een geblinddoekt kind moet het met zijn voeten voelend volgen, lukt dat dan? En als het voortdurend niet lukt hoe ‘zit het kind dan in zijn lijf’? Iedere uiting houdt een vraag in: ( ‘je moet zijn raadsel oplossen, van dag tot dag, van uur tot uur…….’)

In geen enkele 1e klas zullen de pittenzakjes ontbreken. Hiermee zijn veel oefeningen te doen. Audrey McAllen heeft er veel aandacht aan besteed. Al werkend ermee kom je op allerlei nuttigs en leuks:
slechts een paar voorbeelden:
(voor sommige oefeningen moet je eigenlijk in de aula zijn).
Gooi het zakje recht omhoog en vang het weer op (je mag niet hoger gooien dan je het kan vangen)
Gooi het recht omhoog en tik de vloer aan; draai je om; ga zitten.
Leg het op je hoofd – ga zitten en staan zonder je handen te gebruiken.
Als slot van het individuele oefenen speelden we vaak tikkertje, een spel waar de kinderen geen genoeg van kregen: het zakje ligt op je hoofd; je mag het niet meer aanraken; wie het toch aanraakt is af. Ook de tikker heeft het zakje op het hoofd; hoeveel kinderen kan hij op deze manier tikken.

Nog veel meer ideeën

In de 1e klas mag het bewegend deel wel een half uurtje duren – het hangt ervan af welke periode je hebt: als je rekent, beweeg je al veel, dus kan het ‘bewegend deel’ weer korter zijn (een kwestie van zoeken naar ‘in’ –  ‘uit’, wanneer je het bv, vanuit het ‘ademhalen’ bekijkt.

De tafeltjes en stoeltjes komen weer in de rijen en je kunt verder met bv. vormtekenen als voorbereiden op het schrijven.
Zie vooral ook: schilderend schrijven

Het gegeven: recht – rond, gebogen, krom – geeft je een schat aan mogelijkheden.

Waldorf ~ 1st grade ~ Form Drawing ~ Straight Line Symmetry ~ main lesson book

Waldorf ~ 1st grade ~ Form Drawing ~ main lesson bookWaldorf ~ 1st grade ~ Form Drawing ~ main lesson book

1e klas – 1e schooldag

1e klas: alle artikelen

Waldorf ~ 1st grade ~ Form Drawing ~ Straight & Curved Lines ~ main lesson book ~ Verse (Hold up thumb, index and middle fingers of right hand so that arm is straight) Three companions who always serve, To help me draw straight lines, To help me draw curves.

VRIJESCHOOL – 5e klas – aardrijkskunde – De Rijn (1)

.

LANG LEVE DE RIJN!

Weinig rivieren in Europa hebben zo’n grote economische en culturele betekenis gehad als de Rijn. En nog steeds is dat zo. Daarom is de Rijn een goede keuze om de eerste grote stap over de grenzen te maken.

Nederland is voor een deel geschenk van de Rijn die een grote delta vormde en die in de Noordzee vooruit schoof. Er kan veel verteld worden over hooggebergte en laagland, over kleine en grote industriegebieden, over scheepvaart en wijnbouw. De cultuur van de vele steden langs de Rijn geeft aanleiding om historische, kunstzinnige en legendaire opmerkingen te maken. Opstellen en tekeningen kunnen alles illustreren.

Men kan het hele gebied van Alpen tot monding door de kinderen laten vormen uit hout en klei. Zelfs de sneeuw ‘op de toppen van de Alpen’ kan soms uit de schooltuin gehaald worden.

Een samenhangend gedicht om de kinderen in beweging te krijgen, mag in de rhetorische fase van het leerplan niet ontbreken. De keus valt op een epische versmaat, het Griekse distichon. Er wordt bij gelopen, geklapt, gestampt en gereciteerd in groepen.

De Rijn

Op de toppen der Alpen / bedekt met een sneeuwwitte mantel
In de eenzaamheid / daar is geboren de Rijn!
Soms klinkt een dond’rend geraas / van lawines of brekende gletsjers. Soms een adelaarskreet / nimmer een mens’lijke stem.

Voor-Rijn, Midden-Rijn / zij komen van de Sint-Gotthard.
Banen zich bruisend een weg / beide nog smal als een beek.
Achter-Rijn ontspringt / op de hoge toppen van ’t Rheinwald,
Wordt door een driehonderdtal / machtige gletsjers gevoed.

Voortdurend zenden die hem  /  hun koude, bruisende waat’ren
Uit het rijk van het ijs  / nevel en eeuwige sneeuw.
Kolkend en wit van het schuim / stort de razende Rijn in zijn bedding. Wringt zich kronk’lend omlaag  /  schuurt zich een kloof in de rots.

Dan verenigen zich / de drie wakkere, woeste riviertjes
En vervolgen hun weg / vormen tesamen één Rijn!
Reeds snelt de Rijn voorbij / wat lager en vriend’lijker oevers:
Alpenweiden zijn daar / vrolijk gekleurd in hun bloei.

Bij Chur wendt zich de Rijn / met een forse ruk naar het noorden,
Neemt de Ill in zich op / stroomt daarna uit in een meer.
’t Lange Bodenmeer /  ontneemt de Rijn alle woestheid:
Helderder is hij en kalm / als hij het meer weer verlaat.

Na een buit’ling omlaag / de waterval van Schaffhausen,
Neemt hij met vreugde de Aar / Limmat en Reuss in zich op.
Dan zet hij kronkelend koers / naar het roemrijke Basel in ’t westen.
Niet meer een kind, maar een man / rustig en goed voor zijn werk!

Tussen Vogezen en Schwarzwald / de Franse kant en de Duitse,
Stroomt de brede rivier / schepen bevaren hem nu
Naar het noorden toe / gaat rustig de Rijn door de vlakte.
Breed is het dal en schoon / vruchtbaar, welvarend land.

Graanveld, weide en boombaard / vol noten en tamme kastanjes,
Zijn een lust voor het oog / ook is bekend er de wijn.
Straatsburg ligt aan de Rijn / met zijn spitse, Gotische toren.
Zetel is deze stad / van ’t Europees Parlement.

In het Schwarzwald snort / de draaibank in steden en dorpen: Overvloedig is ’t bos / Kunstig besnijdt men het hout.
Grillige Neckar komt / in de Rijn bij de haven van Mannheim.
Steeds meer schepen draagt /  nu de rivier op zijn rug!

Bij het Gouden Mainz / komt de lange Main hem versterken.
Hunsrück en Taunusrug / stuiten de Rijn in zijn loop.
Maar als een held doorbreekt / dan de Rijn dit Leisteengebergte,
Slijpt zich een diep, grillig dal / Kronk’land van Bingen tot Bonn.

Op de Loreley-rots / zit een schone, zingende jonkvrouw.
Elk die hoort haar gezang /  vindt in de golven zijn graf!
Hier heeft de Rijn weergalmd / van kreten en wapengekletter.
Want op iedere top /  ligt een onneembare burcht.

Maar ook klonk er het lied / van minstrelen en reizende zangers:
Liefde- en heldendicht /  heeft er de harten verheugd.
Schoon is de streek: de kastanjes / beschaduwen vriend’lijke stadjes
En de wijnstok klimt / langs elke helling omhoog.

Maar bij Bonn verlaat / de Rijn de rotsrijke dalkloof:
Breed is de vlakte waarin / hij nu zijn wateren stuwt.
Langs de reuzen Dom / van Keulen, met dubbele spitsen.
Zet hij breed en traag  / kronkelend koers naar de zee.

Rechts, tussen Lippe en Ruhr  /  krioelt de vlakte van leven:
Ononderbroken stampt  /  kreunt de machine er voort!
Als een afgebrand bos / staan de schoorstenen stadig te roken.
Spuwen hun rook en hun roest /  over de roetzwarte stad,

In een geel-rosse gloed / staan de hoogovens tegen de hemel.
Brakende als een vulkaan / gloeiende massa’s metaal!
Dan, tussen Wezel en Kleef  / bekend door de Zwaneridder,
Stroomt de Rijn bedaard / naderend Nederlands grens.

Door het lage land / vol sappige weiden met koeien.
Onder bewolkte lucht / vloeit nu de Rijn naar de zee.
Dijken geleiden hem / gesplitst in Rijn, Waal en IJssel,
Naar het Hollandse duin / Dat is het eind van de reis!

Voor hij zijn monding bereikt / passeert hij een machtige haven: Duizenden schepen per jaar / varen er in en er uit.
In Rotterdam klopt het hart / van de handel op zee en in ’t Rijndal: Scheepvaart heeft aan ons land /  vreugde en rijkdom gebracht.

Zelfs de grond waarop /wij allen leven en werken,
Is voor een heel groot deel / ’t gulle geschenk van de Rijn.
Zwitserland aan zijn bron / en Nederland aan zijn monding…
Is er een betere rivier? / Laten wij loven de Rijn!

 

Misschien lijkt het, of zo’n gedicht erg lang* is. De kinderen vinden het niet lang. Alles, wat hun over de Rijn verteld is, komt in de meest beknopte vorm in het epische gedicht voor. Dichtregels blijven in het geheugen beter bewaard dan een prozaverhandeling.

Voor één boek zou men een uitzondering kunnen maken: Selma Lagerlöfs Niels Holgerson, een voorbeeldige behandeling van de aardrijkskunde van Zweden, en dat op zeer kunstzinnige wijze.

Hoeveel handen werken voor ons?

Ieder kind van de groep gaat na, wat er thuis op de ontbijttafel staat. Zo krijgen we een aardige inventarisering. We gaan vragen, waar dit alles vandaan komt. Brood — waar komt de tarwe vandaan? Voor een klein deel uit eigen land, maar voor het grootste deel uit Canada of uit Zuid-Amerika. Boter— waarvandaan? Koffie — waarvandaan? Thee — waarvandaan?

De kinderen worden wel enthousiast, wanneer zij merken, hoe zij alleen al in deze kleine dagelijkse behoeften praktisch met de gehele aarde betrekkingen hebben. Voor een paar producten gaan we alles eens uitvoerig uitzoeken. Voor thee komen we bij voorbeeld terecht op de blauwige berghellingen van Preanger op Java. De pluksters met brede, grote hoeden plukken zorgvuldig met de hand de rijpe theeblaadjes, die dan gesorteerd, geroosterd, verpakt, vervoerd naar de haven, verscheept, uitgeladen in een Nederlandse haven, vervoerd naar een fabriek. Daar nogmaals gesorteerd, gebroken, in kleine, leuk ontworpen pakjes gedaan, naar de grossier vervoerd, van grossier naar de detailhandel, vandaar in moeders boodschappentas, alles vóórdat de met kokend water behandelde thee het kopje dampende thee op de ontbijttafel mogelijk maakt. Dat éne kopje zou er niet zijn zonder kruidenier, grossier, chauffeur, lossers en laders, zeelui, inpaksters, pluksters, om nog maar te zwijgen van alle administratief personeel van theeplantages, havenbedrijf, groothandel en wat dies meer zij.

Het is belangrijk, dat deze gedachte bij de kinderen wordt gewekt: honderden, ja duizenden mensen werken voor ons. Zeker, zij ontlenen aan dit werk een levensonderhoud, maar dat doet er evenmin veel toe als de prijs, die moeder uit vaders loonzakje voldoet in de winkel.

Wie meent, dat het voldoende is, dat de ouders betalen, wordt het Griekse verhaal van koning Midas voorgehouden. Koning Midas had een dierbare vriend van Dionysos, de god van de wijn gered en kreeg daarvoor het recht een wens te mogen doen. Koning Midas wenste, dat alles wat hij aanraken zou, in goud zou veranderen. Ai gauw bleek hoe verderfelijk het geschenk was. De arme koning kon niet eens meer eten en drinken, hoewel hij alles op aarde in goud had kunnen veranderen.

Een zeer wijs beeld uit de Griekse mythologie. Niet goud of geld heeft waarde, maar de dingen die je er voor kopen kan. Als iemand schoenen wil of kan maken, krijg je zelfs voor een gouden berg geen voetbedekking! Die tienduizenden handen, die voor ons werken, zonder dat wij hun eigenaars kennen, maken indruk op de kinderen. We kunnen er, ondanks betaling, zeker dankbaar voor zijn!

Oriëntatie blijft belangrijk

In de grote zaal blijkt het zeer goed mogelijk ook de topografie van de Rijn in beweging te krijgen. De parallel lopende gebergten aan weerszijden van de rivier worden voorgesteld doorliggende kinderen. De zijrivieren worden met een krijtlijn aangegeven. Zwabische Jura rechts, Zwitserse Jura links, Schwarzwald rechts, Vogezen links en zo voort.

Een Rijnstad wordt aangegeven door een kind, dat de kathedraal heeft getekend en uitgeknipt, vervolgens in de lucht gestoken. Zo ziet ieder op een rij de kenmerkende kathedralen, die mooi uitgetekend zijn. Later in het jaar gaat de klas in koor de landen noemen, waar men doorkomt, wanneer men naar de vier windstreken uit Nederland vertrekt. Naar het westen: Engeland, Ierland, Noord-Amerika. Naar het oosten: Duitsland, Polen, Rusland, Siberië, Japan. Naar het zuiden: België, Frankrijk, Spanje, Afrika, Zuidpool. Naar het noorden: Noorwegen, Noordpool.

Welk werelddeel heb je aan je rechterhand, wanneer je in Europa met je neus naar Afrika staat?

Welk werelddeel aan je linkerhand in hetzelfde geval?

meer over: oriëntatie

Nederland en de strijd tegen het water

Een prachtig onderwerp: watermolens maken. Polders en droogmakerijen in een waterdichte bak met klei zichtbaar gemaakt. Geschiedenisverhalen: de ietwat gekleurde berichtgeving van de Romeinen. De rampen uit de laat-Karolingische tijd. De ijverige monniken uit het jaar 1000.
De verplichtingen van de eigenerfde boer: de dijk onderhouden.

Zeer strenge straffen voor plichtsverzuim — in het gat van de dijk begraven worden —- of afstand van zijn land doen — spa in de dijk steken en achterlaten. Hoe wordt een goede dijk gelegd?

Wat is het verschil met oude zogenaamde paaldijken?
De goede Leeghwater.
De rampen van 1421 en 1953.
Het Deltaplan globaal.
De ook esthetisch fraaie werken in het Haringvliet en de Oosterschelde.

De kinderen zullen met des te meer plezier het schone gedicht: ‘Denkend aan Holland” reciteren.**

‘Denkend aan Holland
Zie ik brede rivieren
Traag door oneindig
Laagland gaan….’
.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)
.

Pieter HA Witvliet:

*als je het gedicht aan de kinderen wilt leren, kost het wel veel tijd. Dat gaat toch ten koste van de stof, waarin je je ook moet beperken: er is zoveel wat je zou kunnen doen.
Mogelijkheden: reciteren door de leerkracht – de leerlingen lopen het
reciteren door verschillende kinderen – die lopen niet; de anderen wel.
Eén of 2 coupletten uit het hoofd laten leren door  verschillende leerlingen, zodat de klas als geheel het gedicht toch kan opzeggen; enz.
.

De sage van de Lorelei
Andere Rijnsagen

**Denkend aan Holland =(herinnering aan Holland)

Aardrijkskunde: de Rijn  [2]    [3]

Aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

Aardrijskunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas

.

492-455

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – 4e klas (1)

.

HOE ORIËNTEERT MEN ZICH?

Men zou denken, dat de naaste omgeving goed bekend is! Er zijn velen, die de school of het gezin als uitgangspunt willen nemen voor het omgevingsonderwijs en voor de omgeving die in kaart gebracht moet worden. Gaat men de klas goed bekijken, ramen, deuren en banken tellen, stoeltjes, fonteintje en vuilnisbak, schilderemmer, daarna tekenen en een mooie plattegrond ontstaat! Alles kan dan door wijder kringen te trekken bij de les worden betrokken: de stad, de provincie, het land.

Het schijnt voor de hand te liggen, maar toch is het minder juist. Wie durft te zeggen: ‘In den beginne was….het Schoollokaal?’
Het is precies het verkeerde uitgangspunt. Want het kind is wel veel zelfstandiger geworden, maar toch leefde het zo kort geleden nog in de wereld van de levende natuur, van sprekende dieren, planten en sterren! De richting van het kind is juist naar de aarde toe, uit sterrenwerelden. Iets van deze spirituele afkomst is nog bij sommige volkeren te vinden: zij adresseren hun brief eerst aan het land, daarna aan de stad, vervolgens aan de straat en eindelijk pas aan de  persoon. Daaraan kan men een voorbeeld nemen.

 

De kinderen reciteren:

In Gods hand wentelt het heelal.
In het heelal wentelt ons zonnestelsel.
In ons zonnestelsel wentelt de aarde.
Op onze aarde ligt het werelddeel Europa.
In het werelddeel Europa ligt het land Nederland.
In het land Nederland ligt de provincie Zuid-Holland.
In de provincie Zuid-Holland ligt de stad Leiden.
In de stad Leiden ligt de wijk Zuid-West.
In de wijk Zuid-West ligt de César Franckstraat.
Aan de César Franekstraat ligt de Rudolf Steinerschool.
In de Rudolf Steinerschool ligt de vierde klasse.
In de vierde klasse staat een rij tafels.
In die rij tafels staat één tafel.
Aan die tafel zit ik.

Deze spreuk kan natuurlijk ook achterstevoren worden opgezegd. Als groep, als klas, als individu.

Nu kan men al gauw over de zon spreken. De zon is de vader van de aardrijkskunde. Of de moeder? O, de kinderen weten al aardig wat. Overdag is de zon er altijd, ook wanneer er wolken zijn, of wanneer het regent. Wij zien de zon opkomen, wij zien haar stijgen en weer dalen; tenslotte gaat zij onder, ’s Nachts kunnen we de zon niet zien – maan en de sterren, tenminste wanneer het helder is.
De kwestie van de horizon komt ter sprake. Waar is die? Hoe ver kan je kijken? Tot de blauwe lucht en de weilanden elkaar raken. Op de kleurgrens is de horizon of ‘gezichtseinder’. Het laatste woord is duidelijker, maar zo’n mond vol.
Aan het strand zie je, dat de horizon in een grote kring om je heen ligt.

Waar gaat de zon op? Vanuit het lokaal naar de stad Leiden kijkend komt hij op boven de Petruskerk. Dat noemen we het oosten. Waar gaat de zon onder? Precies aan de andere kant van het lokaal kijken we naar de Wassenaars-Katwijkse duinen. Zo was dat vroeger. Nu kijken we aan tegen een nieuwe flatwijk van Voorschoten — Noord-Hofland — zo gaat dat. Waar staat de zon op zijn hoogst en wanneer? Boven Zoeterwoude, omstreeks twaalf uur. Zo worden oost-zuid-west bepaald. De kinderen zien ineens, dat de wanden van het lokaal naar deze windrichtingen gekeerd zijn. Nog één wand, de koude gangkant, ja daar komt de zon nooit. Dat is het noorden. Tafels en banken verdwijnen naar de zijkanten van het lokaal. Een grote kring wordt op de vloer getrokken. Vier groepen kinderen stellen zich op. Elke groep heeft een windrichting. Een paar lange jongens met een gele bal spelen de baan van de zon na. Let wel: bal in de hand.
Het is voorjaar. Dag en nacht zijn ongeveer even lang. De schuine baan met het hoogste punt in het zuiden loopt van oost over zuid naar west.

Al gauw wordt ontdekt, dat de zonnebaan niet elke dag dezelfde is.
Hoe zouden we de windrichting noemen, waar de zon eind juni opgaat? Ja, tussen oost en noord. Vooruit! ‘Noord-oost!” Enkele kinderen krijgen de smaak te pakken: alles willen ze weten en uitvinden, totdat er een complete windroos met touwen, met twee kinderen aan elk uiteinde, op de vloer van het lokaal ligt.

Dat is de moeite waard om met mooie kleuren op het bord en daarna in de schriften vast te leggen, met enige korte teksten. Elke dag wordt weer uitgegaan van de grote kring op de grond*. Eerst eenvoudige opgaven. ‘Ga eerst met je neus naar het zuiden staan, midden in de kring. Waar is het oosten? Aan je… linkerhand. Het westen is dus; aan je rechterhand! Je rug wordt koud, want daar is het: noorden.’ Velen krijgen zo’n beurt en tenslotte voelen en begrijpen allen wat ‘oriënteren’ is: het oosten zoeken. Waarom het oosten? Omdat het licht uit het oosten komt! Ex oriente Lux zoals, de Latinisten zeggen. Wie het oosten heeft, heeft de andere drie ook.

Soms komen er echt moeilijke opgaven: ‘Margreet, beschrijf jij de zonnebaan van jouw verjaardag eens! Ze doet het. Ze is op 12 december jarig. Een lage boog!

Hoe ontstaat een kaart?**
Een landkaart is een wonder van nauwkeurigheid. Maar het is ook een geduchte abstractie. Men moet al een heleboel weten om een kaart te kunnen lezen. Er staat veel minder op dan het land in werkelijkheid aan het oog toont. Er staat ook meer op dan er te zien is, bij voorbeeld landgrenzen, ondiepten of politieke kleuren. En waarom zit het noorden altijd aan de bovenkant? Natuurlijk, er zijn goede verklaringen voor, tenslotte is onze eigen bovenkant ook het koelst. Maar een landkaart is een eindprodukt. Men moet er dus niet mee beginnen. Hoe dan wel?

ïn de klas wordt een cirkelvormig stuk papier voor ieder kind gemaakt. Het wordt in tweeën gevouwen en elke helft nogmaals in tweeën. De vier windrichtingen worden aangebracht op de juiste plaats.

Nu gaan we gewapend met dit papieren een doosje kleurkrijt naar buiten. We zoeken een mooi hooggelegen punt, gaan kijken, hoe het land zich naar alle kanten uitstrekt en we stellen vast, waar de vier windrichtingen zijn. Elk kind tracht nu op het juiste kwadrant af te beelden wat het in het oog krijgt. Leiden is een gunstige plaats voor zoiets. Er is een unieke, ronde burcht, gelegen op een flinke heuvel aan de Oude Rijn, waar een splitsing van twee stukken Rijn weer ongedaan wordt gemaakt, als ‘Galgewater’ stroomt de Rijn verder. Het uitzicht is heel mooi. Zelfs de duinen en het Kagermeer vol witte zeiltjes zijn zichtbaar. De stad strekt zich aan de voet van de burcht uit, vol markante punten: kerken, stadhuis, walmolen, weeshuis, stadspoorten, de gasfabriek. In het zuiden is het groene polderland. Door het tekenen krijgen de kinderen een beeld van het land, zoals het om de stad ligt. Op school wordt deze eerste ‘kaart’ uitgewerkt. Wil men er nog meer op hebben, dan zal men het eigen ‘standpunt’ steeds kleiner moeten maken. Een tweede stel ‘kaarten’ toont de loop van de Rijn naar de Noordzee. Schepen bevaren zee, rivier en meren. Vette koeien grazen in de weilanden. Elke plaats is gekenmerkt door zijn hoogste punt: een kerktoren. Grote wegen en kleine wegen, kanalen en andere waterlopen, ook de rivieren, geven de mogelijkheden om van de ene plaats naar de andere te komen. Maar het beeld is nog niet heel concreet. De kaarten zijn zo, dat elk kind bewondering krijgt voor de mensen, die zo nauwkeurig alles hebben nagemeten en getekend. Dan kan men op de duur ook landkaarten uit een gedrukte atlasje gebruiken.

Het abstracte eindprodukt is verteerbaar door de gevoelsmatige belangrijke weg erheen. Ieder kind weet, dat wij de wereld steeds uit een andere hoek zien, naarmate we ons verder voortbewegen. Maar de onderlinge afstanden zien we het best, wanneer we loodrecht boven het land zweven.

Een aardrijkskundig spel
Op de vloer van een vaklokaal zit een kind in het midden. Het heeft een kartonnen bordje met ‘Leiden’ er op. Vier kinderen langs de kant geven de windrichtingen aan. Ze dragen kartonnen bordjes met — in grote letters — oost, west, noord, zuid er op. In het westen zit een kind aan zee met een bordje ‘Katwijk’. In het oosten zit er ook een met ‘Alphen a.d. Rijn’.

In het noorden zit ‘Noordwijkerhout’, door een kind voorgesteld. In het zuiden ‘Zoetermeer’. eveneens door een kind gespeeld.  Al wandelend of rijdend worden steeds meer kinderen in de kaart gebracht. Langs de Rijn in westelijke richting komen er Rijnsburg, Valkenburg, Katwijk (binnen) bij. Langs de Rijn in oostelijke richting: Leiderdorp, Hazerswoude (Rijndijk), Koudekerk. En zo gaat het door. Alle dorpen in de buurt zijn op de kaart te vinden. Een kind krijgt de beurt: ‘Ik reis van Alphen naar het westen langs de Rijn. Ik kom langs Koudekerk enzovoort. Daarna worden de bordjes omgekeerd of weggestopt. Weten ze het nu nog? Dat komt best terecht!

Oefening voor de dorpen zelf. Ga langs de kant staan. Op een teken zoekt ieder snel zijn plaats op. Daarvoor is het nodig, dat de kinderen de afstanden juist schatten en weten wie er in hun buurt thuishoort.

Dit geeft veel plezier. Ook andere oefeningen zijn mogelijk. ‘Yvonne, ga jij eens in Warmond staan met je neus naar het noorden!’ Ze vindt de goede plaats. Welke plaats ligt nu recht achter je? Ze kijkt om. Een helpende vriendin zit daar, die haar het bordje Oegstgeest toont. Ja, zo kan iedereen het ook! weerklinkt meesmuilend. Het werd door een tweetal forse knapen gezegd. Nu, die krijgen ook een beurt. De een springt van Katwijk Zee naar Leiden, van plaats tot plaats. De ander van Alphen tot Leiden evenzo. De bordjes gaan weg, de kinderen ook, langs de Rijn, wel te verstaan. Ze mogen niet verder springen dan een plaats die ze kennen.

De een blijft in Rijnsburg steken, de ander in Koudekerk. Grote hilariteit. Nu ja!
In de klas teruggekomen kan van allerlei op de getekende bordkaart worden nagegaan.
Maar ook moeten de kinderen op den duur de oriëntatie uit hun blote hoofd kunnen voltrekken.
‘Wanneer jij in Rijnsburg staat met je neus naar Leiden, welke windrichting ligt dan voor je?’
‘Wanneer je met je rug naar Zoeterwoude staat, welke richting kijk je dan uit?’ (We staan ergens op het schoolplein). ‘Waar ligt de zee?’ ‘Waar de Kaag?’ ‘Waar de gasfabriek?’ De kinderen mogen tenslotte elkaar ook zulke oriëntatievragen stellen.

Geschiedenis van je stad
Drie wandelingen met tekenpapier en zwart balpennetje. Historische gebouwen bezoeken. Mooie tekeningen maken. Alles samenvatten in een geïllustreerd periodenschrift. Vele verhalen worden verteld. Over de Hollandse graven die een tijd lang een versterkt huis bij de befaamde St. Pieterskerk hadden in Leiden.

Beschrijvingen geven van het leven in een Middeleeuwse stad. De kinderen ontdekken met verbazing, dat er in de keuren van de ‘gemeentebesturen’ in Leiden sprake was van het ‘verbod om varkens vrij op straat te laten lopen’, van het ‘verbod om vuilnis in de grachten te werpen’. Eén kind merkt op: ‘Die varkens zijn weg, maar afgelopen winter zag ik in de Vliet twee matrassen drijven!’
De jaarlijkse herdenking van het beleg (en het ontzet) in 1574 krijgt veel reliëf. Ook zijn oriëntatie-oefeningen mogelijk.
‘Ik sta voor de universiteit op de Nonnenbrug over het Rapenburg. In welke windrichting kijk ik? Welk gebouw is in de verte te zien?’
‘Ik sta op de Burcht. In welke richting ligt de Hooglandse kerk?’

Misschien ontstaat er wel een klein toneelstukje over Leiden. Dat kan dan nog bewaard blijven voor een schoolfeest. Ook de geschiedenis van de wol en de lakenweverij wordt uitvoerig uit de doeken gedaan.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

.

Pieter HA W:
*om niet iedere dag tijd kwijt te raken aan het organiseren ‘op de grond’  kun je ook met touwen met een kaartje eraan met de naam van de windrichting, van muur tot muur, net onder het plafond, een kompas ophangen. Dan kun je ook makkelijk deze ‘lichaamsgeografie’ beoefenen.

**wie in de gelegenheid is om een hoge toren te beklimmen, heeft bij helder weer een magnifiek uitzicht over de omgeving. Als de kinderen weten dat deze in de klas getekend moet worden, letten zij extra op wat ze allemaal zien. Ook het begrip ‘platte’grond is direct beleefbaar. De auto’s zijn plat, maar ook liggen de trottoirs visueel even hoog als de straten enz. enz.

.

Aardrijkskunde 4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas

.

491-454

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – lichaamsoriëntatie

.

LICHAAMSORIËNTATIE

 

MENSKUNDIGE ACHTERGRONDEN

 

ONTWIKKELING BABY-SCHOOLKIND
De ontwikkeling van een baby naar een schoolkind omvat vele aspecten. Opvallend is wel dat alles in het teken van groei lijkt te staan.
Het kind verdubbelt in 7! à 8 jaar drie maal zijn lichaamsgewicht.
Met die groei gaat ook in de meeste gevallen een steeds grotere behoefte aan beweging gepaard. Als we beide onder één noemer willen brengen, past daar vooral het woord: leven.
DOEN!

Steeds meer en vaker wil het kind “het zelluf” doen.
Het wil klimmen en klauteren en …..wordt steeds behendiger
.
En daar duikt het woord “hand” weer op.

Het kind wordt steeds handiger, ook in de voeten. Die ontwikkeling zet eigenlijk al in als het kind zijn hoofd begint op te tillen.
Déze ontwikkling lijkt vooral een weg te gaan van boven naar beneden.

In Steiners optiek “IS” de mens zijn lichaam niet; hij “HEEFT” een lichaam.

De baby
Wie naar het allerkleinste kind kijkt en de beentjes met de voetjes een totaal eigen bewegingsleven ziet leiden, kan tot de gedachte komen dat het lijkt of die voetjes en beentjes er nog helemaal niet bij horen; er zit nog geen enkele beheersing in.

Langzaam maar zeker echter, wordt het kind zijn ledematen meester; het raakt “thuis” in zijn lichaam, het incarneert.

Die uitdrukking “thuis in het lichaam” is in deze tijd zo vreemd niet meer, nu we weten dat er mensen zijn die zich ongelukkig in/met hun lichaam voelen.

De kleuter
Het proces van “in het lichaam groeien” voltrekt zich voor een groot deel in de kleutertijd, maar ook daarna gaat dit door; ook in de puberteit moet het uit verhouding gegroeide lichaam opnieuw in harmonie komen met degene die het bewoont.

De vrijeschoolpedagogie wil kinderen daar waar het kan, helpen bij het proces van thuisraken op de wereld; ook in het eigen lichaam.

Kleuterklas
De kleuterklas is daartoe ingericht en is een zichtbaar geworden plaats waar het kind de mogelijkheid wordt geboden om het proces van aardser en aardser worden dat het als natuurlijk vermogen heeft meegekregen toen het op aarde kwam, te oefenen: IN HET SPELEN!

Spel is de opvoeder van het lichaam
Want juist het spel is de eigenlijke “opvoeder” van het lichaam. En als je ziet met wat een graagte en met hoeveel overgave een kind speelt, ben je geneigd te zeggen: het spel is de “voeder”, het “voedsel” voor het jonge kind.

1e klas
Ook in de eerste klas wordt de behendigheid met het lichaam geoefend; eveneens in spel, maar met nog een bijzonder soort oefening: de lichaamsoriëntatie, ook wel lichaamsgeografie genoemd.

Bij de lichaamsoriëntatie moet het kind direct uit het begrip handelen:
“pak met je rechterhand je linker schouder;
wijs met je linker wijsvinger je linkerknie aan.” Enz, enz.
“Beschrijf een cirkel met je rechterhand om je linkerhand; beschrijf 2 cirkels, met de ene hand naar de ene kant en met de andere hand naar de andere kant.” Enz.

Waarbij het tempo steeds verder wordt opgevoerd.

En passant leert het kind veel lichaamsdelen kennen: wreef, scheen, dij enz.

4e klas
Ook in de 4e klas gebruikte ik deze oefening om het kind te leren zich te oriënteren o.a. in de windrichtingen:

In de aardrijkskundeperiode hadden we een levensgroot “kompas” gemaakt van touw, boven ons hoofd, van muur tot muur. Aan de 8 touwen hingen kaarten met de namen: noordoost, zuidwest, noord enz.
Door eerst vast te stellen waar ’s morgens de zon te zien was, bepaalden we het oosten.
De kinderen wisten op den duur waar het noorden enz. was.

“Ga met je linkerschouder naar het zuidwesten staan; met je rug naar het noord-noordoosten”. Enz.

voor meer: aardrijkskunde klas 4

Tijdens de rekenperiode breuken kon het ook:
de kinderen staan in een cirkel of vierkant. In het midden daarvan ligt een doek, o.i.d. De opdracht aan een kind: “loop zo (vanaf je plaats op de cirkelrand naar het middelpunt) dat je aan je linkerhand 5/8 hebt.” Enz.

6e klas
Zelfs in klas 6 waren er nog mogelijkheden:
Tijdens de meetkundeperiode, ook staand in cirkel of vierkant: “loop zo, dat je aan je rechterhand een stompe hoek hebt”. Enz.

vormtekenen
Voordat deze vormtekeningen op papier komen, is de vorm door de leerkracht “in de lucht” aan de kinderen voorgedaan. Zij hebben in het begin dus geen concrete vorm voor zich, want het “spoor door de lucht” blijft niet. De kinderen moeten dus heel intensief waarnemen. Het wordt nog een paar maal voorgedaan; wie niet zeker is, mag even meedoen met de leerkracht, maar moet het dan toch weer zonder voorbeeld stellen. Uiteindelijk is het beeld verinnerlijkt: het is een voorstelling geworden.
Deze voorstelling wordt nu op papier getekend-grote vellen; sommige kinderen die motorisch meer hulp nodig hebben, maken de tekening bijv. met een nat sponsje op het bord; of als het weer het toelaat: in de zandbak kun je ook goed tekenen.
Maar uiteindelijk moet de tekening “van grof naar fijn” ook in een schriftje terecht (kunnen) komen.

Hier staat beschreven hoe sommige hersenonderzoekers al dit soort oefeningen zien.

In de bovenbeschreven oefeningen gaat het om:
het harmoniseren van “de bovenmens” (het geest/zielewezen) met de “benedenmens” (lichamelijk wezen).

Dit alles is maar een kleine greep uit het arsenaal dat de vrijeschoolleerkracht ten dienste staat om ‘boven met onder’ te verbinden.

.

Bewegen     pittenzakjes   handschaduwbeelden    hinkelen

Spel: alle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

Heb je ook voorbeelden die hier bijpassen, mail ze naar
pieterhawitvliet(voeg toe)gmail(punt)com

 

125-120

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.