Tagarchief: 6e klas

VRIJESCHOOL – 6e klas – impressie (2)

.

In de zesde klas van de Vrije School wordt evenals in de voorafgaande jaren, veel verteld. Toch kan niet meer van”de vertelstof” gesproken worden, zoals we dat deden in de jaren daarvoor. We herinneren ons dat het achtereenvolgens de sprookjes in de eerste klas, de fabels en de legenden in de tweede klas, de verhalen uit het oude testament in de derde klas, de godenverhalen over Noorse volkeren in de vierde en de verhalen der Grieken in de vijfde klas waren die het kind door een wereld van belevenissen voerden die steeds een ander karakter hadden. Belevenissen die sterk aansloten bij de leeftijdsfase waarin het kind zich bevond.
Inmiddels is bij de zesdeklasser een heel andere lichaamsgestalte ontstaan dan die uit het begin van de schooltijd. De grote soepelheid, de afgeronde vormen die één en al beweging waren, hebben plaatsgemaakt voor een uitgegroeid lichaam en een ledematensysteem dat zich niet meer zo vanzelfsprekend en vloeiend beweegt. Integendeel: in het 12e, 13e en 14e levensjaar zal iets hoekigs en iets onhandigs in het bewegen optreden.

Het mechanische in onze menselijke gestalte komt duidelijk aan het licht en het is nu de leeftijd dat alles wat in de wereld met opbouw, wetmatigheid, structuur te maken heeft met de kinderen onderzocht kan worden. Hun geest is er klaar voor om langs deze poort de wereld te gaan beleven.

Het onderzoek naar de structuren is het beantwoorden van een honger. De kinderen willen van alles weten. Wat is het heerlijk om de z.g. nuchtere feiten op het gebied van natuur en wetenschap nog zelf te ontdekken en er de vreugde en diepe gevoelens van verwondering en eerbied bij te ervaren. Zoals de mensen die aan het begin van het natuurwetenschappelijk onderzoek hun grote ontdekkingen deden.

Deze fase in de kinderontwikkeling vindt zijn aanzet in de 6e klas en zet zich voort in de 7e en 8ste.

Tot nog toe was de wereld nog één geheel. De kleuren, de geluiden, de warmte en elektriciteitsverschijnselen zijn openbaringen van dit geheel.

Een belangrijk nieuw vak is dus de natuurkunde. We gaan heel intensief waarnemen en toetsen.

In de eerste plaats het geluid. Het luisteren staat dan voorop. We worden helemaal oor. De wereld is vol geluid van het meest subtiele, tere, tot het machtigste natuurgeluid. Aan alle voorwerpen kan een geluid ontlokt worden. We ontdekken wanneer een hoog, wanneer een laag, wanneer een zuiver, wanneer een chaotisch geluid ontstaat.

De waarnemingen kunnen gerangschikt worden en we vinden wetmatigheden. Zo krijgt al onze kennis een grond.  Onze ervaring wordt een beleefd weten.

In de wereld van het licht gaat onze volgende tocht. Het is een openbaring als het licht, de tovenaar die alles aan ons doet verschijnen, zichzelf pas kan tonen door iets stoffelijks te ontmoeten. We spelen met eenvoudige fenomenen. Uit het verschijnsel “de gouden dageraad, de kleurige zonsondergang, de oranje lantaarns in de mist” vinden we het ontstaan van de atmosferische kleuren, de regenboogkleuren. Ook optische verschijnselen gaan we bewust zien.

Warmteleer en statische elektriciteit komen ook aan de beurt.

Met het voorafgaande is één vak wat uitvoeriger belicht. Over de andere zal ik wat korter zijn.

Sprekend over de verschillende gebergtelandschappen die Europa kent, gaan we het oergesteente, het graniet bekijken, daarna de kalk. Het is een heerlijke periode, mineralogie.

Het voert ons in de schoonheid, de eeuwigheid en in het heden. Het is een goede basis voor de eigenlijke aardrijkskundeperiode. Daarin kunnen dan de beelden opgebouwd worden van de verschillende landstreken. Een andere factor is het klimaat waarin mens, plant en dier leven. Het klimaat wordt door talrijke omstandigheden bepaald, maar het belangrijkste is wel de plaats op de aarde. Hiermee komt men van aardse plaatsbepaling op het bestuderen van de zonnestand door de loop van het jaar.

Geschiedenis, dat betekent in de 6e klas de Romeinen van het begin tot het einde. Veel moed, trouw, streven naar rechten van de burgers in prachtige verhalen, waarin helden de verpersoonlijkte moed zijn, grote voorbeelden!

Daarna de ondergang van het Romeinse Rijk en de opkomst in de middeleeuwen van de noordelijker streken van Europa.

Ten slotte wil ik nog even wijzen op de meetkunde,  waarin  al tekenend en construerend de grondslag gelegd wordt van de latere wiskunde. Schoonheidsgevoel en exactheid zijn vermogens die bij deze periode weer sterk ontwikkeld worden.

Het leerplan van de 6e klas wil in alle facetten de leerling helpen de wereld niet in vogelvlucht maar van binnenuit te gaan verkennen’.

Th.A.Veenhof, vrijeschool Den Haag, datum onbekend

6e klas: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas – alle beelden

 

1011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – impressie (1)

 

Zo af en toe vind ik nog een artikel van wel heel lang geleden.
Telkens blijkt dat – afgezien van de spelling – de inhoud voor een groot gedeelte nog actueel is, vooral waar het de menskundige visie betreft.

Zoals het toen verscheen in de schoolkrant “Ostara’ van de vrijeschool in Den Haag:

 

BERICHT OVER DE ZESDE KLAS

Na de opening van het nieuwe gebouw in September 1929 vormde de zesde klas met de vijfde nog één geheel. Tegenslag bij het aanstellen van een nieuwe leerkracht maakte, dat deze toestand bestaan bleef tot December. Toen kwam de vijfde klas onder leiding van Mej. C. Enuma en kon de zesde haar eigen ontwikkelingsgang volgen. Dat de klas, wat het leerplan betreft, ver achter was, laat zich denken. Feitelijk stonden we pas aan het begin, van het vijfde leerjaar. Zaak was nu, het tempo zoodanig te versnellen, dat de achterstand op den duur kon worden ingehaald. En als ik nu naga, wat in het afgeloopen jaar bereikt is, geloof ik er op te kunnen vertrouwen, dat de klas bij het begin van het 8ste leerjaar gelijk zal zijn.

De intrede in het 12de jaar is van bizondere beteekenis. In dezen leeftijd komt het kind veel sterker in zijn skelet, dan dit voorheen het geval was. Het jongere kind bedient zich met vanzelfsprekende bevalligheid van zijn spieren, die gevoed worden door den rhytmisch bewegenden bloedstroom. Nu bemachtigt de jonge mensch zijn skelet, waarbij hij als het ware van de spieren via de zenuwen naar het beenderstelsel overgaat. Zijn bewegingen verliezen rhythme en bevalligheid; ze worden hoekig, onhandig, willekeurig. Het kind komt in de „vlegeljaren” en weet niet recht, wat het met zijn ledematen zal aanvangen.

Alles echter, wat in ’t leven en de wetenschap onderhevig is aan mechanische wetten, kan den scholier thans met nut en zonder schade nader gebracht worden, omdat zijn ziele-geesteswezen zich nu sterker met het mechanische van zijn beenderstelsel verbindt.

Een rij van nieuwe gebieden, waar zijn dorst naar weten bevrediging kan vinden, kan hem nu geopend worden en daarom werd met de vakken uit het leerplan der zesde klasse, die deze behoefte bevredigen, een begin gemaakt.

In twee perioden werd de meetkunde behandeld, waarbij, naast het maken van werkstukken, besproken werden: driehoeken, vierhoeken, veelhoeken, den regelmatigen zes- en achthoek.

In de Physica werd van het muzikale uit „het geluid” behandeld, terwijl, aansluitend bij het schilder- en teekenonderwijs, een periode werd gegeven over licht- en kleurverschijnselen. Een begin te maken met warmteleer, electriciteit en magnetisme moest worden uitgesteld tot de 7de klas. De bovengenoemde vakken vinden, volgens het leerplan, in de 7de klas een uitgebreider voortzetting. Bij rekenen en Ned. taal kon reeds veel uit het zesde klasse-leerplan behandeld worden. Werkelijk achter is de klas nog met Aardrijkskunde, Geschiedenis en kennis der Natuur (Nat. historie). —

Als men nu bedenkt, dat in deze klasse veel nieuwe leerlingen opgenomen werden, waarvan er tien het geheele leerjaar volgden, terwijl voor hen de school en de leerwijze en de leerstof, geheel of grootendeels nieuw waren, terwijl het onderwijs in Fransch, Duitsch en Engelsch voor vele dezer kinderen bizondere moeilijkheden opleverde, waarbij dan nog als geheel nieuw vak Latijn en Grieksch kwam (met 4 lesuren per week), kan er tevredenheid zijn met de resultaten, dit jaar bereikt en, gezien de opgewekte belangstelling der kinderen, met gerustheid de arbeid in de zevende klasse worden tegemoet gezien.

Als een factor van groote beteekenis, ook voor het verder werken in onze school, moet ik nog wijzen op de groote saamhoorigheid en de sterke verbinding met de „Vrije School”, die zich bij de nieuwe leerlingen op even gelukkige wijze ontwikkelde, als ze bij de andere bleef bestaan. Dit heeft me bizonder verheugd en diep bevredigd, als een belangrijk resultaat van Dr. Steiners paedagogiek.

J. P. SOETEKOUW, Ostara 3e jrg. 5/6, oktober 1930

 

6e klas: alle artikelen

 

980

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – alle artikelen

.

6e klas(ser): impressie

Aardrijkskunde
alle artikelen

Geschiedenis
alle artikelen

Handenarbeid
[1] hout

Meetkunde
alle artikelen

Mineralogie
alle artikelen

Nederlandse taal
[1] ontleden
[2] het Nederlandse taalonderwijs
Het binnenste buiten over: ontwikkeling kind v.a. 12e jr.; overzicht van de woordsoorten; enkelvoudige en samengestelde zin; stijl: door gebruik van ‘de wijzen’; vertelstof; leer- en ontwikkelingsdoelen; ontleden;

woordsoorten

Niet-Nederlandse talen
Frans: leerplangezichtspunten
Engels: vakkenintegratie met geschiedenis: Engels leesboekje over Julius Caesar and Roman Britain

Rekenen
alle artikelen

Raadsels
‘gewone’; rekenraadsels; breinbrekers

Spraakoefeningen

sterrenkijken (8 – 12jr)

Tekenen
zwart-wit (1)
tekenen met houtskool
zie ook:
de vele nuttige aanwijzingen op deze site 

Vertelstof
Over de Kalevala

Vormtekenen
zie de blog

6e klas: alle artikelen


VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas: alle beelden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – 6e klas (1)

.

taal klas 6 1

 

 

Is dat echt gebeurd of niet? vraagt de zesdeklasser als de juf net een verhaal verteld heeft. Als zij bevestigend antwoordt, zet hij een serieus gezicht en laat de inhoud nog eens goed tot zich doordringen. Het verhaal is nu sterk in waarde gestegen.

Sommige zesdeklassers groeien je al bijna boven het hoofd. Wel lang, maar tot hun verdriet nog dun en houterig: Pippi Langkousbenen op grote voeten. Met armen en handen is het al net zo gesteld. Oh die grote handen, zo onwennig. Waar moet je ze laten? De niet modebewuste jongens lopen door hun uitschietende groei vaak met een te korte lange broek. Bij sommige meisjes verschijnen hier en daar al kleine pukkeltjes op voorhoofd en neus. Medelijden en heimelijke spot van de klasgenoten zijn genoeg om de onzekerheid te laten zegevieren.

Strenge, maar rechtvaardige wetten wenst de zesde klas. Soms krijgt de juf commentaar op haar tolerantie: Dat je hem daar geen straf voor geeft! Als de juf daarop vraagt: Wat zou jij dan voor straf geven als jij de juf was?, dan krijgt zij de meest overdreven straffen te horen, zoals: Een héél boek overschrijven. Onderling zijn ze niet erg mild voor elkaar.

De vang- en bevrijdspelletjes die de kinderen altijd met veel pret buiten speelden, moeten plaats maken voor serieuze sporten. Het is nu niet meer de lol, maar de prestatie die gaat tellen. Ze kunnen niet genoeg krijgen van slagbal of kastie. Met dezelfde inzet stellen zij bijvoorbeeld een klasse- of clubkrant samen. Iedereen moet daar zijn bijdrage voor leveren. Lange discussies worden gevoerd om nieuwe ideeën te bespreken en het werk te verdelen. Of zij richten een kookclub op waarbij jongens en meisjes om de beurt bij elkaar gaan koken. Zelfgemaakte bloemkool smaakt nu ineens, vooral zonder ouders, veel lekkerder.

De twaalfjarigen willen niets liever dan met elkaar en zonder het wakend oog van de volwassene hun gang gaan, of het nu werken betreft of andere activiteiten.

Uit de leerstof in de zesde klas
Werklust, dat typeert de twaalfjarige. Hij wil aan de slag! Geen onzin meer, maar meteen iets doen.

Een zesdeklasser weet uitstekend wat hij kan en is goed in staat om in groepjes te werken. Wanneer in deze klas een groep op moeilijkheden stuit, zal deze net zolang doorgaan en oplossingen zoeken tot het voor elkaar is. Ze beschouwen hun gekozen werk als een echte klus en ze zullen deze klaren, ook al moeten de kinderen daarvoor in het speelkwartier of na schooltijd doorgaan.

De afdeling „Studieboeken” van de Openbare Bibliotheek wordt ontdekt en wekelijks met grote nieuwsgierigheid afgestroopt. De geschiedenis en de vertelstof vallen dit jaar samen. De twee periodes gaan over Rome en over de Middeleeuwen.

Kinderen op die leeftijd vertonen, in het klein natuurlijk, een aantal overeenkomsten met de robuuste en werklustige Romeinen. Daardoor kunnen zij onbewust veel van zichzelf herkennen in de verhalen.

De Romeinen waren een hard werkend en ondernemend volk: wegen, bruggen en aquaducten werden aangelegd. De resten daarvan, die we in deze tijd nog kunnen vinden, getuigen van oersterke kwaliteit. Zij hadden wel minder fantasie en gevoel voor schoonheid dan de Grieken, hun werk was meer rechttoe, rechtaan en functioneel. Ook hadden de Romeinen minder ontzag voor hun goden dan de Grieken. In de latere Romeinse tijd gingen sommige keizers zelfs zo ver, dat zij zichzelf tot god verhieven.

De expansiedrang nam buitengewoon grote vormen aan. In het leger heerste een perfecte organisatie en de soldaten onderwierpen zich met overgave aan de algemene discipline. De wetten waren streng, maar voorbeeldig. Alle Romeinse burgers kregen gelijke rechten. In de decadente tijd werd de keizer steeds meedogenlozer. Bloedige gladiatoren- en beestengevechten moesten tot het bittere einde worden uitgevochten tot vermaak van het publiek.

Van de Christenvervolging in de Romeinse tijd volgen we de draad naar de Middeleeuwen. Het is voor de kinderen een groots beleven, dat de Christenen levend onder het Romeinse juk vandaan zijn gekomen en vooral dat de Christenen pal bleven staan voor hun geloof.

In de zesde klas komen ook de Islam en het leven van Mohammed ter sprake.

Het hof van Karei de Grote steekt schril af tegen het schitterende hof van zijn Arabische tijdgenoot Harun al Raschid, een hoogtepunt van verfijnde cultuur en wijsheid, zoals de geschiedenis zelden heeft gekend.

Bij het rekenen is het van belang dat er opgaven uit het praktische leven komen. In de zesde klas staan renteberekeningen centraal. De opgaven worden gezamenlijk uit het hoofd uitgerekend. Leerkracht en kinderen vinden samen de renteformule uit. Net als bij grammatica: een lange weg van realiteit naar abstractie.

In de aardrijkskundeperiode worden de klimaten en de vegetaties over de gehele wereld behandeld en daaraan gekoppeld het verband met de stand van de hemellichamen. We volgen de loop van grote rivieren door de gebergten en zien welke invloed rivieren en bergen op elkaar uitoefenen. Door verschillende landschappen te boetseren, te schilderen en te tekenen worden ze niet alleen aanschouwelijk gemaakt, maar in zekere zin ook door de kinderen herschapen. Graniet- en krijtgebergten, waaruit alle gesteenten van de aarde afkomstig zijn, komen uitgebreid terug in de mineralogieperiode.

Voor natuurkunde worden eenvoudige voorwerpen uit de gebieden licht, geluid, warmte, magnetisme en electriciteit gekozen. Het is het begin van een concentrische opbouw. In de zesde klas is het nog een onderzoekend spel met prisma’s, muziekinstrumenten, magneten, de Van der Graaf generator, enzovoorts. De kinderen moeten spelenderwijs kunnen ontdekken en enthousiast worden voor de natuurkundige verschijnselen, zodat ze een klankbodem voor dit vak krijgen. Het gaat niet om de uitleg of de verklaringen van die verschijnselen. Er zou een sfeer van verwondering moeten heersen, van doe, kijk en verbaas je.

Ook in de meetkundeperiode gaat het om de aanleg van een gevoelsrelatie met het vak. [1] Door cirkelverdelingen of verschuivingen van driehoeken ten opzichte van elkaar kunnen de mooiste figuren ontstaan. Wanneer deze uitwaaierende vormen kleur krijgen, worden het schilderijen, waard om in een museum te worden opgehangen. De kinderen leren omgaan met de instrumenten die om fijne motoriek vragen. Elke minimale afwijking van lijn of cirkel kan voor de gehele figuur desastreuze gevolgen hebben.

Over het Nederlands in de zesde klas

Spreken
Om de spraak beweeglijk te houden en om bij slordig sprekende kinderen de spraak meer in het bewustzijn te brengen, doet de leerkracht allerlei gekke, maar wel heel moeilijke spraakoefeningen met ze:

Bram, de brave broer van breiende brouwende Brielse Brechtje, bracht in zijn bronsbruin broekje een bril en een bros gebroken bruin brood zonder brommen of brullen over de brede brug te Breukelen.

Pak, hak kwiek, breek krakend dikke eiken stokken.

De volgende oefeningen moeten steeds sneller worden uitgesproken en zijn een uitdaging voor het concentratievermogen:

Knaap, de knappe kapper, knipt en kapt knap, maar de knecht van Knaap, de knappe kapper, knipt en kapt knapper dan Knaap, de knappe kapper, knippen en kappen kan.

Professor Pruttelaar pruttelt prietpraat uit protest.

Grammatica
Modaliteit. Omdat tussen het twaalfde en veertiende jaar allerlei vage wensen en verlangens steeds vaker een loopje met het kind nemen, is het belangrijk dat het de realiteit en het gewenste leert te scheiden. Met stelopdrachten rondom wens en mogelijkheid leert het onderscheid te maken tussen hetgeen werkelijk is en hetgeen wenselijk of mogelijk is.

Maak een kort opstelletje onder de titel:

Mijn onvervulbare wens
Had ik dat maar nooit gedaan

De opdrachten kunnen ook minder persoonlijk gericht zijn:

Als de zon niet meer onderging…

Voor de kinderen is de inhoud van de stukjes natuurlijk het belangrijkste. Toch heeft de leerkracht ook een ander doel voor ogen: hij laat de klas ontdekken dat de werkwoordsvormen in de onvoltooid of voltooid verleden tijd staan. Dit merkwaardige tijdsgebruik geeft uitdrukking aan het feit dat het niet over de werkelijkheid gaat, maar over onwerkelijkheid.

We kunnen nu de aanvoegende wijs onder de aandacht brengen:

Lang leve de jubilaris! Men neme twaalf eieren.

Deze spaarzaam gebruikte uitdrukkingen op zichzelf maken geen enkele indruk op de kinderen. Om ze met de aanvoegende wijs te leren omgaan, kunnen zij een ouderwets recept van hun grootmoeder overschrijven of bij wijze van grap een handleiding maken over het omgaan met zichzelf of een bevriende klasgenoot.

Het redekundig ontleden van de zinnen
Rond het twaalfde jaar worden de kinderen rijp voor het bevatten van abstracte begrippen. Pas nu wordt de eigenlijke leer van de zinsbouw toegankelijk voor de meeste kinderen. Als je er eerder mee begint, plaag je de kinderen er alleen maar mee.

Ter introductie zou je de zinsbouw kunnen vergelijken met onze lichaamsbouw. Zoals we bij de mens van lichaamsdelen spreken, de romp, het hoofd, de armen en de benen, zo spreken we bij de zin van zinsdelen.

Eerst leren zij het gezegde te vinden. Het is dat deel van de zin dat een gebeuren, een daad of een toestand aangeeft:

Het paard steigert.

De bron waaruit het stamt of degene die het teweeg brengt, noemen we het onderwerp (Wie of wat doet het?). In bovenstaand voorbeeld het paard. De kinderen bedenken allerlei zinnen.

Wanneer zij de zinnen ook in de vragende vorm zetten, zien zij dat de plaats van onderwerp en gezegde veranderlijk is:

De keizer spreekt. Spreekt de keizer?

Aan de zin Hannibal verzint… ontbreekt iets. We moeten het aanvullen: Hannibal verzint een list.

Het deel dat de handeling van het onderwerp ondergaat, heet lijdend voorwerp. Het meewerkend voorwerp geeft aan, tot wie het onderwerp zich richt:

De dictator beloofde de tweelingbroers een tempel te bouwen.

De bijwoordelijke bepaling laat zien op welke manier het gaat, hoe het in tijd en ruimte staat, wat de oorzaak of het doel is. De kinderen moeten nu loskomen van de woorden en de abstracte functies ontdekken. Daartoe gebruiken zij gemakshalve eenvoudige tekens:

taal klas 6 2

taal klas 6 3


[2]

Stelopdrachten.
De kinderen zijn nu in staat om boven het alledaagse taalgebruik uit te stijgen. Het omgaan met taal, die mooier en moeilijker is, oefenen zij in gesprekken, in brieven, in opstellen en in navertellingen.

Beknoptheid, zakelijkheid en nauwkeurigheid worden bij het schrijven van zakelijke brieven geëist. Deze kwaliteiten kunnen ook ontwikkeld worden met het exact beschrijven van meetkundige constructies en natuurkundige proeven.

Ontleden: een brandende kwestie — een eerste periode
Wanneer de kinderen het lokaal binnenkomen, zien zij tot hun verbazing op elke bank een steen en een blaadje papier liggen. „Hè, de mineralogieperiode is toch afgelopen. We zouden vandaag toch met taal beginnen?” De opdracht die ze krijgen vormt de overgang van de mineralogieperiode naar de taalperiode:

Beschrijf uitvoerig en precies hoe jouw mineraal eruit ziet. Je beschrijving moet minstens een kant van je blad vullen.

De ruwe stukken rozenkwarts, opaal, amethist, agaat, toermalijn en bergkristal worden aan onderzoekende blikken onderworpen. De leraar heeft voor ieder kind een mineraal uitgezocht dat het aankan. Een heel goede waarnemer bijt zijn tanden nog net niet stuk aan een brokje pyriet, terwijl een minder nauwgezet kijker al een hele kluif heeft aan een stukje toermalijn. Wanneer enkele kinderen hun beschrijvingen voorlezen, let de klas goed op dat al het beschrevene op werkelijkheid berust. Zinnen als Ik vind dat… of Mijn steen geeft me het gevoel… worden afgekeurd.

Ter introductie van het redekundig ontleden vertelt de leraar een verhaal dat de komende dagen steeds een vervolg zal hebben. Het gaat over een ondergesneeuwd dorp, waar bij een boerderij brand uitbreekt. Het vrijwilligerskorps van de brandweer wordt gewaarschuwd. Iedere brandweerman moet iets doen voor hij naar de brand kan:

De slager gooit zijn mes neer.
De schoorsteenveger bergt zijn bezem op.
De sigarenboer sluit zijn winkel.
De bakker rukt zijn muts af.
De schoolmeester stuurt de kinderen weg.

Wat de persoonsvorm en het gezegde is, wisten de kinderen al. Nu vraagt de leraar: Wie spelen in deze zinnen eigenlijk de hoofdrol?
De kinderen maken een opsomming: de slager, de schoorsteenveger, de sigarenboer, de bakker, de schoolmeester. Zo leren zij wat het onderwerp is.

De volgende dag komt naar aanleiding van dezelfde zinnen het lijdend voorwerp aan bod.

Nadat eerst klassikaal geoefend is, leert de klas de volgende tekens:

taal klas 6 4voor het gezegde,

taal klas 6 5voor het onderwerp

en  taal klas 6 6voor het lijdend voorwerp.

Wanneer zij het erover hebben waarom voor het lijdend voorwerp een boogje wordt getekend, gaat iemand een licht op:

Als je in die boog zit, kun je er niet meer uit. Je kunt dan zelf niets doen, alleen maar afwachten wat een ander met je doet.

Nu moeten de kinderen zelf de oefenzinnen die ze gedicteerd krijgen, schriftelijk ontleden. De zinnen komen uit Romeinse verhalen. Sommige kinderen zuchten: Alwéér die Romeinen…

Wanneer de klas geen moeite meer heeft met het onderscheiden van het gezegde, het onderwerp en het lijdend voorwerp, wordt er weer een stap verder gezet.

Om het meewerkend-voorwerpteken taal klas 6 7
voor de kinderen zinvol te maken, doet de klas buiten een estafette met twee groepen. De lopers van beide groepen rennen op de heenweg aan de buitenkant en op de terugweg aan de binnenkant. Bij de bocht waar de terugweg begint, moeten de twee lopers uitkijken dat er geen botsing ontstaat. Ze moeten bij de bocht dus meewerken.
taal klas 6 8

Weer terug in de klas vervolgt de leraar zijn verhaal: de rivier bij de brandende
boerderij blijkt dichtgevroren te zijn. De brandweerlieden moeten eerst een gat in het ijs hakken, voordat de pomp zijn werk kan doen:

De schoolmeester geeft de slager een bijl.
De bakker geeft de smid een pomp.
De sigarenboer geeft de schoorsteenveger de brandslang door.

Bij de behandeling van het meewerkend voorwerp betrekt de leraar de estafette bij de uitleg: bij de bocht moest je meewerken, anders zou het fout lopen. Wanneer hij het meewerkend-voorwerpteken op het bord laat zien, roept een van de kinderen: Een edelman die iemand met zijn pluimhoed begroet, maakt net zo’n gebaar.

Nu is het beeld rond. Het teken laat zien dat je een beweging naar iemand toe maakt.

De oefenzinnen die de kinderen moeten opschrijven, maken toespelingen op gebeurtenissen in de klas:

Sommige jongens sturen hun vriendinnen briefjes.
Els geeft Piet een hap zoete chocolade.

Met hun ogen geven zij de leraar te verstaan dat zij doorhebben dat hij hen een beetje in de maling neemt. Na elke zin zijn ze al nieuwsgierig naar de volgende. Spannend vinden ze dit, vooral omdat zij deze toespelingen net niet kunnen ontzenuwen.

Bij de brandende boerderij is inmiddels ten behoeve van de bijwoordelijke bepaling van plaats een reporter van de plaatselijke krant gearriveerd. Hij kijkt goed uit zijn ogen, want hij moet de brand zo precies mogelijk beschrijven. In zijn notitieboekje krabbelt hij onder andere:

De vlammen lekken langs de dakgoot.
De knecht van de boerin valt in de greppel.
Lange ijspegels hangen aan de zwartgeblakerde vensters.

Pas wanneer de kinderen de geleerde zinsdelen goed kunnen ontleden, worden de grammaticaregels in het schrift geschreven.

We gaan terug naar de Romeinse tijd. In de geschiedenisperiode heeft de klas geleerd over de veroveringen, de heerschappij en de dood van Julius Caesar. Op de dag van de begrafenis spreekt Brutus, een van Caesars vrienden, maar tevens een der samenzweerders, op het Forum de terneergeslagen burgers toe:

Romeinen, burgers, vrienden, hoort mij aan bij het bepleiten van mijn zaak, en weest stil, opdat gij moogt horen. Indien er iemand in deze vergadering is, die een innig vriend van Caesar was, tot hem zeg ik, dat Brutus’ liefde tot Caesar niet minder was dan de zijne. En als die vriend dan vraagt, waarom Brutus tegen Caesar opstond, dan is mijn antwoord: Niet omdat ik Caesar minder liefhad, maar omdat ik Rome meer liefhad.

Dit is een gedeelte van de door Shakespeare geschreven rede. De kinderen hebben deze toespraak en het wederwoord van Marcus Antonius tijdens de taalperiode voorgedragen. In het begin klinken alle stemmen tegelijk, later krijgen groepjes afwisselend de beurt. Tussendoor brengen ook enkele kinderen een kort stukje alleen ten gehore.

Ook op andere wijze wordt de Romeinse welsprekendheid ten voorbeeld gesteld. Hiervoor gaan we nog verder terug in de tijd, namelijk naar Hannibals trektochten. Een jongen en een meisje krijgen de opdracht zich thuis voor te bereiden op de rol van een Romeins senator. De Carthaagse Hannibal is net over de Alpen gekomen en een van de twee senatoren moet een „toespraak” houden waarin hij de senaat oproept Hannibal met het leger tot staan te brengen. Hij moet een zelfbedachte tactiek onthullen. De tweede senator moet thuis voorbereiden waarom de legers juist niet naar het noorden kunnen, bijvoorbeeld omdat de schatkist bijna leeg is. De beide „heren” moeten morgen hun standpunt goed kunnen beargumenteren. Voor de senaat bijeenkomt, wordt van de tafels en stoelen een tribune gebouwd waarop de klas als toehorende senaat plaats neemt. De twee sprekers staan in het midden. Zij hebben een witte doek als een chiton om hun schouders geknoopt. Van te voren is afgesproken dat zij elkaar en de senaat met uiterste beleefdheid zullen toespreken. Wanneer de eerste senator zijn pleidooi inzet, is het stil op de tribune. Met onzekere stem ontvouwt hij zijn aanvalsplannen…

Soortgelijke taferelen spelen zich ook later in de periode af. Nieuwe senatoren, zowel mannelijke als vrouwelijke, die zich van te voren in andere problemen hebben verdiept, voeren met steeds meer gemak het woord. Sommigen blijken hun publiek handig te kunnen bespelen, zodat al naar gelang gejuich of gejoel van de tribune opklinkt.

Het Finse epos „Kalevala” — een tweede periode
De klas zal een schimmenspel maken van het eeuwenoude Finse epos Kalevala dat de leraar geruime tijd voor deze periode verteld heeft.

Bij kinderen rond het twaalfde jaar gaat de kinderlijke fantasie geleidelijk aan voor een groot deel plaats maken voor een meer verstandelijke, volwassen benadering. Om de kinderen te laten ervaren dat verhalen, rijk aan wonderlijke en fantasieprikkelende beelden niet alleen in de kinderwereld thuishoren, wordt voor de Kalevala gekozen.

Het poëtische begin van het verhaal, dat zich voor en tijdens het ontstaan van de wereld afspeelt, hebben ze nog maar vaag in herinnering. Daarom vertelt de leraar opnieuw elke dag een gedeelte, waarover de klas gedichten maakt. Van ieder kind worden mooiste regels uitgezocht en deze vormen samengevoegd de inleiding in dichtvorm:

Heel alleen in de wind,
door mistvlagen verblind,
verblijft een eenzaam kind.
Ilmatar leefde in de lucht,
zwevend op een zucht.

IJzig koud, groot en stil,
heel alleen,
tussen nevel en mist.
Lichtblauw, grijsblauw,
alle kleuren, grauw en licht.

Oneindige luchten,
diepe zuchten van de wind.
Heel alleen, ach, zo stil.
Stil verlangt zij naar de golven.

Wanneer Vainamöinen, de zoon van deze eenzame Ilmatar, die met zijn prachtige zangstem over wonderbaarlijke krachten blijkt te beschikken, een wijs man is geworden, komt er meer handeling in het verhaal: de onstuimige jongeman Joukahainen daagt de oude Vainamöinen op brutale wijze uit hun wijsheid en zangkunst te meten. Joukahainen mag beginnen: de jongen verkondigt echter zoveel prietpraat als wijsheid en hij zingt zo lelijk, dat Vainamöinen zijn geduld verliest en zonder meer begint te zingen. Zijn stem doet de besneeuwde takken van de dennebomen trillen, maar dat niet alleen… Verschrikt moet Joukahainen constateren dat de grond onder zijn voeten moerassig is geworden en dat hij daarin langzaam maar zeker wegzakt. Hij bidt en smeekt Vainamöinen hem te sparen. Deze is echter niet te vermurwen. De arme jongen doet de mooiste beloften: twee boten, twee wonderbaarlijke bogen, een muts vol goud, de hele hooioogst, maar de meesterzanger slaat ze allemaal af… todat Joukahainen zijn zuster als bruid belooft.

In groepjes gaat de klas uiteen om dit gedeelte van het verhaal al improviserend te spelen. Wanneer zij het later aan elkaar laten zien, blijkt ieder spel wel iets aantrekkelijks te hebben: een leuk gevonden uitspraak, een gezichtsuitdrukking of een karakteristieke beweging.
Na het spel van elke groep worden de beste momenten er uitgelicht, waarna ieder zijn eigen tekst schrijft van het gespeelde gedeelte:

(wanneer Joukahainen in wilde vaart op zijn slede door het besneeuwde landschap suist, komt hij in botsing met de slede van een oude man):

Vainamöinen:
Kun je niet uitkijken, onbesuisde jongeling.
Je weet toch dat de ouderen voorgaan.

Joukahainen:
Nou, bij ons ligt dat niet aan de leeftijd, maar bij ons gaat de wijste voor.
En dat ben ik!

Vainamöinen:
Zo, wat weet jij dan zoal?

Joukahainen:
Ik weet dat het licht wordt als de zon opkomt
en als de zon weer ondergaat, dan wordt het donker.
Ik weet ook dat de vissen in het water zwemmen en dat snoeken graag baarzen eten.

Vainamöinen:   En wat weet je nog meer?

Joukahainen:
Ik weet dat gevleugelden kunnen vliegen
en dat de zeerobben van ijsschotsen houden.

Vainamöinen:
Maar weet je dan geen echt belangrijke dingen?

Na een week op deze wijze gewerkt te hebben, geven sommige kinderen te kennen geen zin meer in het schrijven te hebben. De te trage werkwijze moet veranderen. Ieder kind kiest voor het werk waartoe het zich het meest voelt aangetrokken: tekst schrijven, muziek maken, decors schilderen, rekwisieten maken of toneelspelen. Alle verloren hoeken en gaten in de school worden bezet en dagelijks komen vrienden en ouders te hulp.

Steeds vertelt de leraar een kort deel van het verhaal. Daarna gaat iedereen aan het werk om drie kwartier later in de klas aan de andere groepen te laten zien wat ze gedaan hebben. De muziekgroep maakt met behulp van een piano, een gitaar, een dwarsfluit, pauken, xylofoon en triangels dreigende geluiden, vrolijke bruiloftsmuziek, ijle luchtklanken en Vainamöinens krachtige liederen.

De eerste keren heeft vooral deze groep een goede begeleiding nodig, maar later kunnen de muziekkinderen het ook vaak alleen af. De manier waarop zij hun zelfbedachte muziek noteren, is voor hen heel helder, maar voor anderen geheimschrift. De schilders maken met waterverf decors op schilderpapier: de lucht, een rustig kabbelende zee, huizenhoge golven, het interieur van een boshut, een besneeuwd dennenbos, een smederij, een berglandschap bij maanlicht. Van deze kleine schilderingen worden dia’s gemaakt. Wanneer de diaprojector deze op een grote spiegel projecteert, wordt het beeld levensgroot weerkaatst op het scherm. Als de kinderen achter dit scherm spelen, bewegen hun schimmen zich in de kleurige decors. Voor de speler is het een veilig gevoel om een scherm tussen zichzelf en de toeschouwers te hebben. Doordat ze niet oog in oog met het publiek hoeven te staan, schudden ze gemakkelijk alle verlegenheid van zich af. Toch heeft ook deze speelwijze zijn speciale eisen: de spelers moeten goed gearticuleerd spreken omdat het scherm veel geluid tegenhoudt, zij moeten zich voortdurend en profile laten zien en zich steeds bewust zijn van iedere beweging die zij maken. Elk nerveus handengewapper of gewriemel wordt op het scherm een lachwekkend gebaar.

De zeer vindingrijke rekwisietengroep die zich, door James-Bondfilms geïnspireerd, liever de groep van de speciale effecten noemt, maakt van het karton van lege dozen platte sleden, een roeiboot, golven die zacht, maar ook wild kunnen bewegen, zwaarden en een ploeg. Een vishengel laat aan zijn onzichtbare lijn een houten eend door de lucht klapwieken. Boterhampapier voor de lens veroorzaakt dichte mist op zee.

De tekstschrijvers helpen als zij klaar zijn met hun werk de spelers met het instuderen van hun rol en de decorschilders maken aankondigingen van het schimmenspel om in de school op te hangen.

Natuurlijk loopt niet alles zo glad als hier lijkt. Integendeel, soms heeft zelfs de leraar spijt van de hele onderneming. Onderlinge ruzietjes in de groepen, ik-doe-het-niet-meer gemok, rekwisieten die alsmaar kapot gaan, collega’s die uit hun klas komen met het vriendelijke maar besliste verzoek of het niet wat zachter of ergens anders kan, een zaal die zich niet zomaar laat verduisteren en nog veel meer brengt de begeleiders vaak tot wanhoop.

Maar wanneer op een zonnige zomeravond de klas het stuk voor ouders en familieleden opvoert, is al het leed vergeten. Alle kinderen zijn vol verwachting en gespannen. Bij de start gaat echter al iets mis: gegrinnik in de zaal, dus paniek achter het scherm! Welke gek heeft aan de projector gezeten? De decors wisselen om de drie seconden, wat niet de bedoeling was. Wanneer de automatische bedieningsknop op „uit” is gezet, kalmeren de gemoederen snel. En dan gebeurt het wonder dat ieder die met kinderen toneel speelt, wel eens meemaakt.

Het is net of het spel het brandpunt van de wereld is geworden: alle krachten zijn gebundeld in de gebeurtenissen op, rond en onder de planken.
.

(Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
.

[1] M.i. niet alleen een ‘gevoels’ relatie. Op deze leeftijd ontstaat het eerste vermogen om objectief te denken, d.w.z. los van eigen sympathie en antipathie. In meetkunde komt dit tevoorschijn in het bewijzen van stellingen (Pythagoras!) of, eenvoudiger, waarom is de som van de hoeken van een driehoek 180′ . Enz.

[2] M.Tittmann: Deutsche Sprachlehre der Volksschulzeit

.

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

.

468-434

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – lichaamsoriëntatie

.

LICHAAMSORIËNTATIE

 

MENSKUNDIGE ACHTERGRONDEN

 

ONTWIKKELING BABY-SCHOOLKIND
De ontwikkeling van een baby naar een schoolkind omvat vele aspecten. Opvallend is wel dat alles in het teken van groei lijkt te staan.
Het kind verdubbelt in 7! à 8 jaar drie maal zijn lichaamsgewicht.
Met die groei gaat ook in de meeste gevallen een steeds grotere behoefte aan beweging gepaard. Als we beide onder één noemer willen brengen, past daar vooral het woord: leven.
DOEN!

Steeds meer en vaker wil het kind “het zelluf” doen.
Het wil klimmen en klauteren en …..wordt steeds behendiger
.
En daar duikt het woord “hand” weer op.

Het kind wordt steeds handiger, ook in de voeten. Die ontwikkeling zet eigenlijk al in als het kind zijn hoofd begint op te tillen.
Déze ontwikkling lijkt vooral een weg te gaan van boven naar beneden.

In Steiners optiek “IS” de mens zijn lichaam niet; hij “HEEFT” een lichaam.

De baby
Wie naar het allerkleinste kind kijkt en de beentjes met de voetjes een totaal eigen bewegingsleven ziet leiden, kan tot de gedachte komen dat het lijkt of die voetjes en beentjes er nog helemaal niet bij horen; er zit nog geen enkele beheersing in.

Langzaam maar zeker echter, wordt het kind zijn ledematen meester; het raakt “thuis” in zijn lichaam, het incarneert.

Die uitdrukking “thuis in het lichaam” is in deze tijd zo vreemd niet meer, nu we weten dat er mensen zijn die zich ongelukkig in/met hun lichaam voelen.

De kleuter
Het proces van “in het lichaam groeien” voltrekt zich voor een groot deel in de kleutertijd, maar ook daarna gaat dit door; ook in de puberteit moet het uit verhouding gegroeide lichaam opnieuw in harmonie komen met degene die het bewoont.

De vrijeschoolpedagogie wil kinderen daar waar het kan, helpen bij het proces van thuisraken op de wereld; ook in het eigen lichaam.

Kleuterklas
De kleuterklas is daartoe ingericht en is een zichtbaar geworden plaats waar het kind de mogelijkheid wordt geboden om het proces van aardser en aardser worden dat het als natuurlijk vermogen heeft meegekregen toen het op aarde kwam, te oefenen: IN HET SPELEN!

Spel is de opvoeder van het lichaam
Want juist het spel is de eigenlijke “opvoeder” van het lichaam. En als je ziet met wat een graagte en met hoeveel overgave een kind speelt, ben je geneigd te zeggen: het spel is de “voeder”, het “voedsel” voor het jonge kind.

1e klas
Ook in de eerste klas wordt de behendigheid met het lichaam geoefend; eveneens in spel, maar met nog een bijzonder soort oefening: de lichaamsoriëntatie, ook wel lichaamsgeografie genoemd.

Bij de lichaamsoriëntatie moet het kind direct uit het begrip handelen:
“pak met je rechterhand je linker schouder;
wijs met je linker wijsvinger je linkerknie aan.” Enz, enz.
“Beschrijf een cirkel met je rechterhand om je linkerhand; beschrijf 2 cirkels, met de ene hand naar de ene kant en met de andere hand naar de andere kant.” Enz.

Waarbij het tempo steeds verder wordt opgevoerd.

En passant leert het kind veel lichaamsdelen kennen: wreef, scheen, dij enz.

4e klas
Ook in de 4e klas gebruikte ik deze oefening om het kind te leren zich te oriënteren o.a. in de windrichtingen:

In de aardrijkskundeperiode hadden we een levensgroot “kompas” gemaakt van touw, boven ons hoofd, van muur tot muur. Aan de 8 touwen hingen kaarten met de namen: noordoost, zuidwest, noord enz.
Door eerst vast te stellen waar ’s morgens de zon te zien was, bepaalden we het oosten.
De kinderen wisten op den duur waar het noorden enz. was.

“Ga met je linkerschouder naar het zuidwesten staan; met je rug naar het noord-noordoosten”. Enz.

voor meer: aardrijkskunde klas 4

Tijdens de rekenperiode breuken kon het ook:
de kinderen staan in een cirkel of vierkant. In het midden daarvan ligt een doek, o.i.d. De opdracht aan een kind: “loop zo (vanaf je plaats op de cirkelrand naar het middelpunt) dat je aan je linkerhand 5/8 hebt.” Enz.

6e klas
Zelfs in klas 6 waren er nog mogelijkheden:
Tijdens de meetkundeperiode, ook staand in cirkel of vierkant: “loop zo, dat je aan je rechterhand een stompe hoek hebt”. Enz.

vormtekenen
Voordat deze vormtekeningen op papier komen, is de vorm door de leerkracht “in de lucht” aan de kinderen voorgedaan. Zij hebben in het begin dus geen concrete vorm voor zich, want het “spoor door de lucht” blijft niet. De kinderen moeten dus heel intensief waarnemen. Het wordt nog een paar maal voorgedaan; wie niet zeker is, mag even meedoen met de leerkracht, maar moet het dan toch weer zonder voorbeeld stellen. Uiteindelijk is het beeld verinnerlijkt: het is een voorstelling geworden.
Deze voorstelling wordt nu op papier getekend-grote vellen; sommige kinderen die motorisch meer hulp nodig hebben, maken de tekening bijv. met een nat sponsje op het bord; of als het weer het toelaat: in de zandbak kun je ook goed tekenen.
Maar uiteindelijk moet de tekening “van grof naar fijn” ook in een schriftje terecht (kunnen) komen.

Hier staat beschreven hoe sommige hersenonderzoekers al dit soort oefeningen zien.

In de bovenbeschreven oefeningen gaat het om:
het harmoniseren van “de bovenmens” (het geest/zielewezen) met de “benedenmens” (lichamelijk wezen).

Dit alles is maar een kleine greep uit het arsenaal dat de vrijeschoolleerkracht ten dienste staat om ‘boven met onder’ te verbinden.

.

Bewegen     pittenzakjes   handschaduwbeelden    hinkelen

Spel: alle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

Heb je ook voorbeelden die hier bijpassen, mail ze naar
pieterhawitvliet(voeg toe)gmail(punt)com

 

125-120

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.