Tagarchief: ademen

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9/5-3)

.

Bewegen:

Je baby kon al lopen voordat hij werd geboren.
Bewegen is gewoon, vooral voor kinderen.
Toch vraagt iedere ouder zich wel eens af of zijn kind niet te weinig beweegt. Of juist te veel.

Een interview met een eigenzinnig denker over de oorsprong van beweging.

‘Als je in dit landschap een embryo ziet, ben je op de goede weg.’
Deze woorden* staan onder de foto waarmee de website van dr. Jaap van der Wal opent. Van der Wal is embryoloog en het embryo staat dan ook centraal op zijn site. De bemoedigende woorden waarmee hij je als bezoeker van de site toespreekt, kun je ook wel gebruiken, want zijn opvattingen over de oorsprong van het menselijke bewegen zijn op zijn zachtst gezegd ongebruikelijk. Behalve embryoloog is Jaap van der Wal ook bewegingswetenschapper en promoveerde hij in 1988 op de door hem ontwikkelde ideeën over beweging en hoe je als mens je eigen bewegingen kunt waarnemen. Hij spreekt daarbij zelfs over een ‘bewegingszintuig’.

Van der Wal:
‘De bewegingswetenschapper en de embryoloog in mij groeien steeds meer naar elkaar toe. Het draait bij allebei om beweging. Op beide fronten torn ik voortdurend aan het gangbare idee dat het lichaam primair iets stilstaands is dat vervolgens in beweging kan worden gebracht vanuit het hoofd. Als je het embryo bestudeert – en de moderne bewegingstheoriën bevestigen dat inmiddels – merk je dat er van meet af aan beweging is. Beweging is dus primair en stilstand is secundair.’

Als je zwanger bent voel je je baby natuurlijk regelmatig een stompje of trapje geven. Maar je hebt het hier over een ander soort bewegen?

‘Ja, heel anders. De foetus beweegt door reflexen. Maar als je verder teruggaat in de ontwikkeling van het embryo, zie je dat de wijze waarop het lichaam gestalte krijgt op zichzelf één en al beweging is. Veel mensen denken dat je voor het eerst adem haalt als je net geboren bent. Of dat je je aan de spijlen van de box moet optrekken om voor het eerst rechtop te staan. Dat past bij de gedachte dat je eerst een lichaam hebt waarmee je vervolgens gaat leren ademhalen, staan en lopen. Maar het embryo ademt, staat en loopt al! Het doet dat in de vorming van zijn gestalte.

Je kunt dat goed zien aan het ontstaan van de longen. Aanvankelijk heeft het embryo nog helemaal geen borstkas. Daar is ook geen ruimte voor als je opgerold zit. Maar dan gaat het zich strekken en richt het zich op. Daar komen geen spieren aan te pas, dat is pure groeibeweging. Tijdens het strekken ontstaat de borstkas en dan gebeurt er iets prachtigs: in een soort ademhaling ontvouwt zich vanuit de keel een long en die long vult de hele borstkas. Geen wonder dat je daar later zo goed mee kan ademen, want dat orgaan is onstaan door een inademings-beweging.

Je ziet het ook aan het ontstaan van handen en voeten. Je voeten groeien van  meet af aan van je lichaam weg in een soort steungebaar, terwijl de handen naar het lichaam toe groeien in een grijpgebaar. Je krijgt gestalte door wat in je lichaam beweegt en niet door bewegingen die je mét het lichaam maakt. Beweging krijgt je baby in zijn lijfje mee. Langzaam maar zeker zal hij leren die bewegingen te laten aansluiten bij zijn bedoelingen. Dat is de essentie van het menselijke bewegen: het als een ruiter te paard richting geven aan datgene wat in jou beweegt.’

Hoe leer je als kind die samenhang aan te brengen tussen je bewegingen en je bedoelingen?

‘De foetus beweegt nog helemaal vanuit reflexen. Gaandeweg moet de baby leren zijn bewegingen te gaan sturen. Dat begint al als hij zijn handjes niet meer toevallig ziet langskomen, maar zijn armpjes gericht beweegt omdat hij iets wil pakken. In dat leerproces is ritme essentieel. Een vertrouwd ritme geeft een kind de nodige structuur en houvast om zich in de ruimte te leren bewegen. Liedjes waarbij handen en voeten meedoen, bewegingsspelletjes, het rondduwen van de trappers op zijn driewieler, alles waarbij beweging telkens op dezelfde manier terugkeert, helpt hem om zijn bewegingen steeds meer te bemeesteren. Als ze de basisschoolleeftijd hebben bereikt, zullen de meeste kinderen de steun van het ritme niet meer nodig hebben om zich vrij te kunnen bewegen.’

Met zijn grote bos witgrijze krullen is Jaap van der Wal zelf het toonbeeld van dynamiek. Zijn passie voor de bewegende mens werkt aanstekelijk. Als ik hem vraag of het goed is om je kind te stimuleren in het leren staan en lopen, roept hij haast verontwaardigd uit dat dat helemaal niet nodig is.

‘Bewegen kan je kind, dat kon het al voor de geboorte. Het gaat erom dat hij leert zijn bewegingen in te voegen in zijn innerlijke ontwikkeling. Dat betekent dus dat hij in de box opnieuw de strekkende beweging maakt die hij als embryo al maakte, maar nu bewust, omdat die beweging past bij zijn intentie te gaan staan. Als hij dat helemaal op eigen kracht voor elkaar krijgt, dan straalt de triomf uit zijn oogjes.
Natuurlijk kun je je baby stimuleren bij het leren lopen, ook als hij daar uit zichzelf nog niet de neiging toe heeft, want hij heeft nog een heel plastisch lijfje. Je kunt hem in een babybouncer zetten en dan loopt hij. Zijn beentjes kennen die reflex. Maar je ontneemt hem dan wei de vreugde die hij ervaart wanneer hij uit eigen beweging de eerste stappen zet. Dat doet hij pas wanneer hij daar ook geestelijk klaar voor is. Staan en lopen zijn dus niet alleen lichamelijke verworvenheden. Ze hebben ook een geestelijke dimensie. Daarvan kun je iets ervaren bij mensen die door een lichamelijke handicap niet kunnen staan en lopen. Vaak kun je daarbij het gevoel krijgen dat ze innerlijk wel degelijk zeer rechtop staan.
Je kunt het ook bespeuren als je probeert je eigen bewegingen nauwkeurig waar te nemen. Als jij bijvoorbeeld een kopje koffie wil pakken, komen je spieren in werking en gooi je je hand als het ware in de richting van het kopje. Onderweg stuur je die hand razensnel bij en hij komt precies op het goede moment en op de juiste plek bij het kopje aan. Maar met je geest was je al bij dat kopje voordat je hand er was. Het reiken naar het kopje is een geestelijk gebaar en je lichaam zorgt ervoor dat die reiking in je hand wordt ingevoegd.
Dat is precies waar het opgroeiende kind voortdurend mee bezig is: met het leren invoegen van het geestelijke gebaar in zijn lichamelijke motoriek. Eigenlijk groeit een kind niet op of uit, maar groeit het in. Bij dat ingroeien speelt het bewegingszintuig een belangrijke rol.’

Kun je meer vertellen over dat bewegingszintuig ?

‘Het bewegingszintuig zit over het hele lichaam verspreid. Je neemt er voortdurend mee waar wat er in je beweegt, hoe je beweegt en waar je naar toe wil met je beweging. Maar ook waar je staat wat betreft je intenties en je doelen. Hoe bewuster je met deze waarnemingen omgaat, hoe harmonieuzer je bewegingen zullen worden. Tot voor kort leek het vast te staan dat beweging uit het hoofd komt, dat als een soort marionettenspeler prikkels uitzendt waardoor onze spieren gaan bewegen. In de moderne bewegingswetenschap gaan we ervan uit dat het hoofd nodig is om te kunnen bewegen, maar dat dit niet wil zeggen dat beweging daar ook zijn oorsprong vindt. Beweging is gewoon een gegeven en het kind ontwikkelt het vermogen om die beweging steeds bewuster te sturen.

Je kunt een idee krijgen van de werking van het bewegingszintuig als je kijkt naar wat er gebeurt als je je peuter roept terwijl hij uit zijn bekertje drinkt. Hij draait zijn hoofd naar je om, maar tegelijkertijd kiepert het bekertje uit zijn hand. Het bewegingszintuig neemt dan het draaien van het hoofdje waar en er ontstaat automatisch een tegenbeweging in de armpjes. Dat gebeurt over twee jaar niet meer. Dan kan hij zijn bewegingen beter waarnemen en bewuster laten aansluiten bij zijn bedoeling: namelijk zowel naar zijn mamma kijken als zijn bekertje limonade in zijn hand houden. Je kunt het ook zien bij kleine kindjes die op de fiets zitten. Vaak word ik een beetje benauwd als ik dat zie. Want die beentjes vinden het heerlijk om ritmisch rond te trappen, maar ondertussen rijden de auto’s toeterend langs en roept mamma voortdurend:  ‘Kijk uit!’ Dat hoofdje wordt dus alle kanten uitgetrokken en de handjes aan het stuur maken allerlei tegenbewegingen omdat het bemeesteren van de motoriek nog niet helemaal is voltrokken. Het verkeer is dan gewoon een te harde leerschool.

Veel ouders maken zich wel eens zorgen dat hun kinderen te weinig bewegen, bijvoorbeeld omdat ze veel achter de computer zitten.

De computer hoort bij het kind van nu zoals het lichtknopje bij de generatie van mijn grootvader. Maar er ligt inderdaad wel een gevaar voor de gezonde ontplooiing van het bewegingszintuig. Dat gevaar is er eigenlijk alleen als je de eenzijdigheid ervan niet onderkent. Als je kind achter de computer zit beweegt er niets, behalve het vingertje aan de muis. Zelfs zijn ogen staan stil, want er is – laten we ons daarover geen illusies maken – geen enkele diepte in de virtuele wereld. En als jonge kinderen hun bewegingen, hun spel en hun sprongen alleen nog maar virtueel maken, mag je je wel afvragen wat ze mentaal aan bewegingskwaliteit ontwikkelen. Hoe zal het gaan met het staan, het lopen en het springen in zijn geest? Hoe zal hij zich als sociaal wezen, als denkend en beminnend wezen gaan ‘bewegen’.

Uit het oogpunt van beweging kun je inderdaad niet anders dan constateren dat de computer verarmend werkt, maar je kunt er ook voor zorgen dat het niet doorslaat naar die eenzijdigheid. Het heeft dan overigens niet zoveel zin om van je kind te verlangen dat het na het zitten voor het beeldscherm gaat voetballen of turnen omdat beweging nu eenmaal zo gezond is. Dan begin je aan de verkeerde kant. Beweging krijgt dan een element van prestatie in zich en dat hoort niet bij de wereld van het jonge kind. Spel kent die prestatiegerichtheid niet.

Wanneer je je kind een omgeving aanbiedt waarin hij als vanzelfsprekend gaat spelen, dan heft hij uit zichzelf die eenzijdigheid op.

Er zijn ook kinderen die te veel bewegen. Hoe kun je daarmee omgaan?

De zintuigen zijn de poorten waardoor de baby wakker wordt voor de wereld om hem heen. De indrukken die hij opdoet werken in het eerste levensjaar heel direct op zijn lijfje in. Sommige kinderen hebben extreem gevoelige zintuigen. Ze registreren alles en hun zintuigen raken overbelast: ook het bewegingszintuig. Het hyperactieve kind kan door die overbelasting zijn bewegingen niet meer zo goed waarnemen. Er beweegt te veel in hem. Wanneer je je kind wilt helpen met zijn hyperactiviteit om te gaan, sta je – zoals eigenlijk bij alle opvoedingskwesties – voor een keuze. Of je manipuleert het organisme door van buiten af in te grijpen (in dit geval bijvoorbeeld met ritalin) of je zoekt naar de gezonde vermogens in het kind zelf van waaruit je corrigerend kunt werken. Er is bij je overactieve kind sprake van een tekortschieten – en dat kan allerlei oorzaken hebben – in het bemeesteren van zijn bewegingen. Als je je dan fixeert op het oplossen van het bewegingsprobleem, zul je snel gefrustreerd raken. Want je kunt je overactieve kind nu eenmaal niet leren rustig op een stoel te zitten. Maar er zijn altijd gebieden te vinden waarop je kind wel kan laten zien dat hij zichzelf kan sturen. Om daarbij te kunnen aanknopen, zul je bijna een therapeutische houding naar hem moeten ontwikkelen. Soms moet je beslissingen nemen die niet voor de hand liggen. Bijvoorbeeld door je kind te laten paardrijden of op vioolles te doen terwijl zijn vriendjes juist allemaal op voetballen zitten. Het geven van een ritalinpil is natuurlijk makkelijker. Maar je ontneemt je kind dan wel de kans de ruiter, die ook in hem verscholen zit, zelf te wekken.

*de website heeft een verandering ondergaan

Petra Weeda, Weleda Puur Kind 7 lente 2001

.

Zintuigen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkeling: alle artikelen

.

1599

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (7)

.

SINT-JAN: KEERPUNT IN HET JAAR

Het marmotje is dood. Het ligt stilletjes uitgestrekt op het stro, de oogjes half dicht. Een kleine hand streelt voorzichtig het vacht­je met de bonte vlekken. “Het is net of hij slaapt”, fluistert het meisje met tranen in haar ogen. “Maar hij ademt niet meer”. De dood heeft het diertje aangeraakt en toen stond zijn hartje stil.

Bij de dood houdt ook de mens op met ademen. Hij blaast de laatste adem uit. Wanneer zuigt hij de eerste adem in? Dat doet hij bij de ge­boorte. De schreeuw van de pasgeboren baby is een hap naar lucht, is een dwingende voorwaarde om een loopbaan op aarde te beginnen. Als die schreeuw niet meteen komt, wordt die door een klap opgewekt. Het kind moet ademen om zuurstof te brengen in alle vezels van zijn lijfje.
Iedere keer dat een kind geboren wordt, voltrekt zich wat we kennen uit het Oberufer Paradijsspel: Godvader roept Adam wakker en blaast hem zijn adem in, zodat hij kan opstaan en leven. Wat is ademen? Lichamelijk is het voor ons een op-en neergaande be­weging, waarvan de snelheid bepaald wordt door de gemoedstoestand of de uiterlijke beweging. Als je zit, zal je adem rustig gaan. Als je hard loopt, ga je hijgen. Van schrik, vreugde of spanning kan je adem sneller gaan of stokken, plotseling ophouden.
Het in- en uitademen is een ritmisch gebeuren, dat we ook kunnen herkennen in de afwisseling van dag en nacht. In de nacht ademen we ons bewustzijn uit in de slaap; de volgende morgen ademen wij het weer in en worden wakker voor de aarde. In de doodslaap ademen wij onze ziel uit, en tegelijk gaat daarmee onze dag- en nachtademing over in een nog grotere adembeweging: die van het ene aardeleven naar het andere. Het ademen moet geleerd worden. Het wiegenkind heeft zijn huiluurtjes “om de longen te oefenen”. Het eigen ritme moet nog gevonden worden.
Hier op aarde leert het de tijd kennen: er zijn vaste punten in de dagwaarop het gewassen wordt, gevoed en verschoond. Er is een tijd om  te spelen, om wakker te zijn, en er is een tijd om te slapen. Het moet allemaal geleerd worden. Daarom is het goed, als die ordening in de tijd er is.
Is een sfeer van rust en regelmaat echter voldoende om een kind goed te leren ademen? Er is, dacht ik, nog een derde element nodig, een element dat niet gemakkelijk te beschrijven is, en toch zeer voor de hand ligt. Dat derde element zijn wij zelf.

Onze overdracht, onze liefdevolle blik maken de regelmaat tot een levend ritme, waardoor een sfeer ontstaat waarin een kind kan ademen. Waar onderling wantrouwen heerst, oneerlijkheid en gekonkel – daar broeit een sfeer waarin je niet kan ademen, niet kan leven. Je krijgt het er benauwd van. In een omgeving waar onderling begrip heerst, open­heid ten opzichte van elkaar en onbevangenheid tegenover elkaars streven – daarin kan je ademen, leven, groeien en werken. Dat wil niet zeggen, dat er voortdurend pais en vree is! Integendeel, dat zou stil­stand betekenen. Waar het ritme van de adem leeft, is beweging, een heen en weer gaan tussen twee uitersten, en bepaald door een on­zichtbaar, maar sterk aanwezig Midden. Zoals in de ritmische beweging van de “schuine streepjes“-tekening de gestalte zichtbaar wordt zonder scherp omlijnde contouren – zo zal ook ieder in een ademende gemeenschap al zijn gedachten, gevoelens en handelingen laten “richten” doordat gemeenschappelijk gewilde Midden, of dat nu een gezin is of een lerarencollege, een kerkgemeente of een andersoortige samenwerkingsgroep.

Wat heeft nu dit alles te maken met het Sint – Jansfeest? We zouden de woorden van Johannes de Doper: “Komt tot inkeer!” en “Hij moet wassen, ik moet afnemen”, ook eens kunnen bekijken vanuit dat ademaspect. Ieder jaar is anders, en verloopt anders, maar alle jaren hebben een gemeenschappelijk ritme, een heen- en teruggaande beweging, in en uit, de ademhaling van de seizoenen. Dat is in deze gematigde streken nog het zuiverste te beleven. Met Kerstmis, dat enkele dagen na de winterzonnewende valt, begint de zon te stijgen tot hij op 21 juni op zijn hoogtepunt is aangekomen. Tijdens het klimmen langs de hemelbaan lokt de zon met zijn stralen de bladeren uit de bomen, de planten uit de grond.

Kort na het hoogste punt, op 24 juni, de geboortedag van Johannes de Doper, zet de ommekeer in. Tot dan toe heeft de aarde – en wij ook -uitgeademd, maar zoals we merken aan onze eigen lichamelijke adem­haling – er is een grens, een punt van omkeer.
Wat is Sint- Jansdag anders dan het keerpunt van de grote jaarlijkse ademhaling? Nu begint heel langzaam het in-ademen weer, de zon daalt, over 2 maanden pas echt merkbaar. Als je je dat zo in het groot voorstelt, wordt ook het begrip “tijd” anders. Ik moet daarbij denken aan een gedicht van M. Vasalis:

Ik droomde dat ik langzaam leefde…..
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt.’k Zag de drang waarmee
de boomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze heesch en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen…..

(fragment}

Een mens komt op aarde om te leren ademen. Dat is het ook wat de Sint- Janstijd ons wil zeggen: zoek rustpunten in de dag, in het jaar als tegenwicht voor de zuigende kracht van de uiterlijke dingen. Er is zo ontzaglijk veel dat ons naar buiten trekt, uit onszelf trekt en ons in ademnood brengt. Wijzelf moeten voor onszelf de mogelijkheid scheppen om tot inkeer te komen, opdat wat gebloeid heeft, in alle rust vrucht kan zetten.

Op de Zeister Vrije School probeert men al 50 jaar lang kinderen goed te leren ademen, zodat er later als zij volwassen zijn, rust kan zijn in hun doen en laten, in hun handelen en zijn in de wereld. Rustgevend en toch voortdurend in beweging, ademend – ik wens het allen toe die voor de klas staan, opdat zij de kunst van het ademhalen kunnen over­brengen op de leerlingen.

Marieke Anschütz, nadere gegevens onbekend
.

St.-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen

.

182-172

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.