Tagarchief: spreken

VRIJESCHOOL – Spraak- en taalontwikkeling

.

Je hoeft niet eens erg op te letten om te merken hoeveel mensen er eigenlijk ‘slecht’ spreken: te vlug, binnensmonds, wegvallende (eind)lettergrepen.

Toen ik zelf de opleiding tot onderwijzer volgde, bestond het vak ‘spreek/spraakonderwijs’ nog. Er werd aan bovenstaande aandacht besteed. Maar op de hospiteerscholen heb ik nooit een leerkracht spraakoefeningen met een klas horen doen.
Op de vrijescholen zou het goed leren spreken een belangrijk onderwerp moeten zijn door de jaren heen, maar ik krijg niet de indruk dat dit overal het geval is. Vrijeschoolkinderen die ik ernaar vraag, weten van niets en als ik sommige bovenbouwleerlingen hoor spreken, dan kan het haast niet anders of het spreken als vak is een vreemde eend in de vrijschoolbijt (geworden en/of gebleven).

Nu is spreken een van dé menselijke vermogens en een pedagogie die steunt op een menskunde waarin het om hét menselijke gaat, zal daarin aanwijzingen vinden om dit spreken bij de leerlingen te verzorgen.

Het spreken is ook al geruime tijd onderwerp van wetenschappelijk onderzoek.

Hieronder volgt een krantenartikel uit 1995 met daarin waardevolle gezichtspunten waarvan de (vrijeschool)leerkracht, vooral in de peuter-, kleuter- en de 1e-klas zich bewust zou moeten zijn. In vele gevallen zullen juist zij al heel vroeg problemen kunnen signaleren en stimulerend op de taalontwikkeling kunnen werken, waarbij ‘goed voorbeeld, doet goed volgen’  heel belangrijk is.

Goed praten leer je voor je zevende 

Taalstoornissen bij kinderen moeten zo snel mogelijk worden verholpen want na het zevende jaar stagneert de taalontwikkeling. De tijd dringt, en het is daarom zaak om snel hulp in te roepen als oorartsen en logopedisten de problemen niet kunnen verhelpen.

Een klein kind wordt pas echt een meetellend gezinslid wanneer het begint te praten. Op weinig mankementen zijn hedendaagse ouders dan ook zo alert als op het achterblijven van de taalontwikkeling van hun kroost.

Normaal gesproken dient een kind rond, of kort na zijn eerste verjaardag zijn eerste woord te kunnen uitbrengen. Is het anderhalf jaar dan moet het een woord of vijf, zes kunnen zeggen, en wanneer het twee wordt, mogen de ouders een boodschap van twee met elkaar samenhangende woorden verwachten. Een kind van drie moet zinnen van drie tot vijf woorden lang kunnen maken.

Doet het kind dat niet, dan is het hetzij gewoon een late prater, of er is daadwerkelijk iets mis. Over de oorzaken van zulke taalstoornissen en wat daaraan te doen valt, houdt keel-, neus- en oorarts dr A. Greven op 7 november* in Eindhoven een lezing getiteld ‘De medische kant van taal’. Zij is* hoofd van de afdeling foniatrie van het academisch VU-ziekenhuis in Amsterdam.

Dit geneeskundig sub-specialisme houdt zich bezig met stem-, spraak- en taalstoornissen. Daaronder vallen zowel problemen met het überhaupt kunnen uitbrengen van gearticuleerde klanken, als met het kunnen bouwen van zinnen met woorden. Medisch en psychologisch gezien kunnen aan dat soort problemen heel verschillende oorzaken ten grondslag liggen.

Van oudsher, memoreert Greven, was het de gewoonte een taalachterstand bij grotere kinderen te wijten aan tekortkomingen in het onderwijs. Daarmee spande men het paard achter de wagen: in werkelijkheid kwamen de problemen in de taalontwikkeling vaak pas op school aan het licht, in plaats van dat ze daar ontstonden.

Worden zulke problemen pas geconstateerd als het kind al een jaar of wat op de basisschool zit, dan is het maar de vraag of er nog iets aan te verhelpen valt. Een mens ontwikkelt zijn taalgevoel tot en met het zevende levensjaar. ‘Daarna’, stelt Greven, ‘leert hij op dit gebied niet zo gek veel meer bij.

Alle reden om het snel in de gaten te hebben dat het kind iets mankeert. Daarom onderwerpt de arts van het consultatiebureau alle kinderen aan een zogenoemde audioscreeningtest. Kinderen die onvoldoende horen, worden vervolgens nader onderzocht. De laatste jaren wordt bovendien ook gebruik gemaakt van een taaltest. De tien procent die daarop het slechtste scoort, wordt nader onderzocht, omdat die een verhoogde kans heeft op taalstoornissen.

Doorgaans vallen grove afwijkingen aan de spraakorganen direct al bij de geboorte op. Een spleet in bovenlip, bovenkaak of gehemelte is bij een kind dat nu wordt geboren operatief redelijk bevredigend te verhelpen.

Meestal pas wanneer het kind begint te praten, treden aangeboren afwijkingen aan het licht, zoals een te ver naar voren doorlopend tongriempje of een te kort gehemelte. Zo’n tongriempje bemoeilijkt het articuleren, en een kort gehemelte stuurt tijdens het spreken te veel lucht door de neus naar buiten. Dat levert een zwaar nasaal stemgeluid op, waardoor het kind moeite heeft met praten en lastig is te verstaan. Ook deze problemen zijn operatief te corrigeren.

In zeer veel gevallen ligt de medische oorzaak voor de taalstoornissen in het gehoor. [1] De audiologische centra in Nederland hebben hier ervaring mee. Daarom gaan deze centra vanaf 1996 kinderen onderzoeken met taalstoornissen waarin het gehoor een rol lijkt te spelen. Wanneer het kind zichzelf en anderen niet of slecht kan horen praten, kan het lang duren voordat het leert spreken.

Oorziektes komen in het natte Nederlandse klimaat veelvuldig voor. Veel kleine kinderen sukkelen van de ene verkoudheid naar de andere oorontsteking, met zogenoemde ‘lijm-oren’ als resultaat. Blanken, legt Greven uit, hebben bovendien eerder last van een vergrote neusamandel, die oorproblemen tot gevolg kan hebben, dan mensen van een ander ras, en ze hebben een buis van Eustachius die relatief kwetsbaar is voor ziektes.

Omdat het causale verband tussen oorziektes en niet-kunnen-luisteren de laatste decennia steeds beter wordt onderkend, betreft de eerste visite van een kind met taalstoornissen doorgaans de oorarts. Een deel van de kinderen komt daarvan terug met buisjes in de trommelvliezen, waardoor het vocht kan weglopen.

Wellicht een prima remedie tegen de oorpijn, stelt Greven, maar het is niet gezegd dat daarmee de taalstoornis is opgelost. ‘Je kunt beter kijken of het kind problemen heeft met de taalontwikkeling en daar wat aan doen, dan aan de oren sleutelen.’

Greven bedoelt dat te veel aandacht voor de oren vaak een tijdrovende bliksemafleider is voor mogelijke andere oorzaken voor taalstoornissen. Een stuk moeilijker aantoonbaar zijn neurologische of psychische afwijkingen.

Een ‘algeheel achterblijven’, zoals Greven het omschrijft, kan verschillende oorzaken hebben. Zuurstofgebrek tijdens de geboorte kan eraan ten grondslag liggen. Zo’n kind functioneert direct na de geboorte volstrekt normaal. De gevolgen doen zich pas in de jaren erna voelen. ‘De eerste grote opdracht aan een mens is: leer taal!’, zegt de arts. Lukt dat niet goed, dan zijn de taalstoornissen dus niet zelf het probleem, ze zijn juist een aanwijzing dat er in een groter verband iets mis is. Dit verband kan een kinderneuroloog eventueel boven water halen.

Een kind kan ook eenvoudigweg minder begaafd zijn, waardoor het moeizaam leert. Het is soms moeilijk, legt Greven uit, te achterhalen of het kind gewoon niet zo slim is, zodat het ook moeite heeft taal te leren, of dat het een intellectuele achterstand oploopt doordat het niet met taal kan omgaan.

Ouders vinden het vaak moeilijk de achterstand van hun kind te accepteren. Ze hebben te hoge verwachtingen van hun nageslacht en sturen het kind naar de logopedist, die het taalprobleem geïsoleerd zal aanpakken in plaats van in de context van wat er nog meer mis is. Zulke behandelingen kunnen in zo’n geval wel baat hebben, maar alleen wanneer ze worden gecombineerd met extra aandacht over de hele linie, zoals speciaal onderwijs.

Een onderschatte factor bij het ontwikkelen van het taalgevoel van het kind is de situatie in het gezin waarin het opgroeit. Wordt er over het kind heen geschreeuwd, wordt er voortdurend tegen gepraat, maar eigenlijk niet goed naar geluisterd, staat dwars door het huiselijke verkeer heen de televisie de hele dag aan, dan wordt het kind feitelijk bestookt met informatie zonder dat het de kans krijgt zelf een reactie te verzinnen. Geen wonder dat zo’n kind dichtklapt en dus ook niet leert zich in taal te uiten.

In de reguliere medische praktijk, aldus Greven, maken de meeste kinderen met taalstoornissen waarvan de oorzaak niet direct duidelijk is, een hele rondgang langs specialisten op de verschillende gebieden die iets met taalontwikkeling te maken hebben. Zo’n rondgang kost veel kostbare tijd die het patiëntje juist zo nuttig mögelijk zou moeten besteden. Een afspraak bij een medisch specialist kan weken op zich laten wachten, logopedische behandelingen zijn buitengewoon tijdrovend.

De afdeling foniatrie van het VU-ziekenhuis houdt daarom samen met het audiologisch centrum sinds een half jaar teamspreekuren voor kinderen met taalstoornissen. Daarin figureren KNO/foniatrie-artsen en kinderpsychologen broederlijk naast logopedisten en linguïsten. Deze laatsten vergelijken de taalontwikkeling van het kind met de normen waaraan het volgens zijn leeftijd zou moeten voldoen. Zo nodig neemt ook een kinderneuroloog deel aan het spreekuur, wanneer het probleem in die richting lijkt te liggen.

De teamspreekuren dienen niet om het kind per onderzoeksgebied binnenstebuiten te keren, maar om te vinden in welke richting verder moet worden gezocht naar oorzaak en verdere aanpak. Dat kan maanden tijd schelen in die kostbare zeven jaar.

Mieke Zijlmans, Volkskrant, *04-11-1995

[1] In verband met het schrijven van taalfouten heeft Steiner opgemerkt, dat dit wanneer er geen sprake is van een lichamelijke afwijking, meestal het gevolg is van een verkeerd sprekende omgeving. Hij doet een appel op de leerkracht om goed te articuleren.

[2] GA 301  zie voor de blz. de tags
GA 301

De vele spraakoefeningen voor alle klassen

Meer over spreken:
.
Spreektherapie

Het antroposofisch mensbeeld en spraaktherapie

.

1417

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9-5/2)

.

Van de tast- en de levenszin zou je kunnen zeggen dat ze de buiten- en de binnenkant zijn van onze zelf­waarneming en ons zelfbeleven. De huid als concre­te buitenkant, de grens tussen onszelf en de ander, is het orgaan voor de tastzin. De levenszin zit eigenlijk overal aan de binnenkant en geeft ons het gevoel dat we ‘een-geheel’ zijn, dat we lekker in ons vel zitten. Zo geeft dit zintuigpaar naar binnen en naar buiten, houvast voor de zelfwaarne­ming. Het andere paar, de bewegingszin en de evenwichts­zin, maken de relatie zichtbaar tot de omgeving.

Bewegingszin
Natuurlijk denk je bij bewegingszin aan bewegen. Bij een zintuig gaat het steeds om waarnemen. Met de bewegings­zin nemen we onze eigen bewegingen waar. Het geeft ons de veranderingen door die optreden in de stand van het lichaam. Bij de pasgeboren baby is dit zintuig nog nauwe­lijks ontwikkeld. Al snel begint het kind te bewegen en later spelend te oefenen. De spierspanning, de beweging zelf, de spiervaardigheid, alles moet ontdekt, veroverd en geoefend worden. Het bijzondere van de werkzaamheid van zintuigen is, dat deze tot stand komt zonder tussenkomst van het verstand. Dus het jonge kind oefent, beweegt en speelt onbekommerd, om het bewegen, om het spelen zelf. Net zolang en zo vaak tot de bewegingen diep en onbewust in het lichaam zijn verzonken.

Nabootsing

De bewegingszin neemt dus de eigen bewegingen waar.

Toch zeggen we dat het jonge kind vooral leert door nabootsing. Dat zijn bewegingen, gewoontes van een ander. Hoe zit dat dan? Waarmee neemt het kind die bewegingen waar?

Er is een diepe samenhang tussen de bewegingszin en de nabootsing. Voor alle mensen geldt dat de bewegingen van een ander, in een lichte mate door ons spiersysteem mee­bewogen worden. Die veranderingen neemt de bewegings­zin waar. En dat geeft de impuls tot nabootsing. Niet bij alle kinderen zien we dat de impuls tot nabootsen vanzelfspre­kend tot stand komt. Bijvoorbeeld autistische kinderen lij­ken die impuls niet te volgen of te beleven en komen niet tot nabootsen.

Ons strottenhoofd werkt volgens ditzelfde principe.

Wanneer een ander mens spreekt, beweegt ons strottenhoofd in een lichte mate mee. Dat kun je erva­ren als een spreker veel kucht of met een hese stem praat. Vanzelf ga je ook kuchen of je keel schrapen. Zo vormt het strottenhoofd al voordat het kind spreekt de basis­vormen voor de spraak.

Voor het jonge kind is het dus van groot belang, dat de directe omgeving de moeite van het nabootsen waard is.

Lopen,spreken, denken

De meeste kinderen leren in deze volgorde drie belangrijke stappen in hun ontwikkeling.

Deze drie vermogens hangen samen met de bewegingszin. Uit het bovenstaande stukje krijg je al een gevoel voor de samenhang tussen lopen (bewegen) en spreken. Zowel ons strottenhoofd, als ons spiersysteem bewegen (dankzij de bewegingszin) mee met de bewegingen en de gespro­ken taal uit onze omgeving. De stap naar denken komt tot stand door de ervaringen die het kind opdoet: het ervaart hoe dichtbij of veraf iets is, krijgt gevoel voor verhoudin­gen, ervaart de consequenties van de zwaartekracht. Kortom: grijpen, doen wordt ‘be-grijpen’.

Een oud chinees spreekwoord zegt:

Als ik hoor, dan vergeet ik
Als ik zie, dan onthoud ik
Als ik doe, dan begrijp ik.

Dat denken en bewegen samenhangen wordt ook duidelijk in taal. We spreken van een bewegelijk denken, van ver­starde ideeën. Gedachten kunnen met iemand op de loop gaan.

En iemand die vastzit in zijn denken, kan door lopen, door bewegen zijn gedachten weer vlot trekken!

Een goed ontwikkeld zintuig wordt een vermogen voor de ziel. Kijk maar naar de kunstenaar: een pianist moet lang­durig oefenen en zijn muziekstuk letterlijk in de vingers krijgen. Zodra die vaardigheid verankerd is in het lichaam, wordt dit een poort naar een nieuw vermogen: de vertol­king of de verbeelding. Deze stijgt uit boven de vaardig­heid. Bijzonder is dat degene die luistert nu hierdoor in de ziel bewogen kan worden. Wat bij de kunstenaar nadrukke­lijk zichtbaar of hoorbaar wordt, gebeurt ook bij ons, bij het kind. Een vaardigheid die opgenomen is in het lichaamsplan, wordt een poort naar de beeldkrachten. Die werken in het denken, in de fantasie, in het uitdrukken van jezelf.

Bewegingszin en vrijheid
Een beweging ontstaat omdat we iets willen. We willen iets pakken, iets doen, ergens naartoe. Je zou kunnen zeggen dat een beweging dus eigenlijk begint bij het eindpunt. Op weg naar dat eindpunt, oefent het kind zowel vanzelf als met vallen en opstaan. Het vermogen dat hierdoor ont­staat, geeft ons een gevoel van vrijheid, niet langer zijn we gebonden aan de beperking, aan wat we eerst niet konden. Het heffen van de handen, het vrij kunnen roteren van het bovenlijf, het overwinnen van de zwaartekracht, zijn primai­re ervaringen van vrijheid. Is het niet bijzonder dat we onze eigen zwaarte optillen zonder dat als zwaar te beleven!

Nog sterker kunnen we vrijheid beleven in ons denken.

Toen mijn invalide moeder nog leefde, vertelde ze me eens: “Als ik pijn heb, of het zwaar heb, dan ga ik in gedachten op reis. Zo vergeet ik even hoe het hier is en geniet ik van de zon en van een andere cultuur”.

Door dit vermogen van de bewegingszin, van de beeldkracht ontstaat een beleven van vrijheid, zelfs in een situatie van fysieke gebondenheid. Wanneer de bewegingszin zich niet goed kan ontwikkelen, kan een gevoel van gebondenheid ontstaan. Je voelt je aan je lijf gebonden en vastzitten in een beweging die nog niet van jou is. in de ziel kan dat gevoel van gebondenheid lei­den tot depressiviteit.
.

Susan van kempen, Seizoenerzomer 2006
.

Bewegingszin

.
Zintuigen: alle artikelen

.

1219

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3-5)

.

HET ADEMHALINGSRITME ALS PSYCHOSOMATISCH LEVENSPROCES

Het leven van de aardse organismen wordt door uiterlijke en innerlijke ritmen van aller­lei soort gedragen en beheerst. Terwijl ech­ter de planten volledig aan de periodieke afwisseling van de tijden van de dag en de jaargetijden zijn onderworpen, ontwikkelen de hoger georganiseerde levende wezens innerlijke ritmes die aan hen een steeds gro­tere onafhankelijkheid van het milieu en zelfstandigheid verschaffen.
Bij de gewer­velde dieren en in het menselijk organisme heeft deze ontwikkeling met die van de wer­velkolom en de borstkas tot in de structuur van de botten tot een eigen ritmisch systeem geleid. Dit omvat met hart en longen de twee centrale organen die door middel van de hartslag en de ademhaling het organisme doortrekken en in stand houden.
In het hier­na volgende willen wij vooral aan de func­tie van de ademhaling aandacht besteden.

De ademhaling tussen levenswil en bewustzijnspool
Het ritme, dat het sterkst in ons leven ingrijpt, is de opeenvolging van waken en slapen. Dat bepaalt beslissend de wisselwerking van lichaam en ziel en is verwant met de ademhaling. Want bij het inslapen verande­ren niet alleen de gecompliceerde fysiolo­gische processen van de hersenschors, bijvoorbeeld in de zin van een soort “uit­schakeling”, maar ook maakt het psychisch-geestelijke wezen zich vergaand los van het lichaam; het wordt in zijn bovenzinnelijke voorgeboortelijke oorsprong gebed. Bij het ont­waken betrekt de ziel dan weer het lichaam, wij “komen” letterlijk weer “tot ons zelf”. Er vindt – vanuit de totaliteit gezien – een adem­haling plaats tussen lichaam en ziel. Daar­om kunnen wij, net zoals wij diep of oppervlakkig kunnen ademhalen, ook die­per of minder diep slapen. De diepte van de slaap kan men zelfs meten.
Maar ook bij de gewone aderademhaling, die de stofwisselingsprocessen aanvuurt en de uit­wisseling van zuurstof en kooldioxide bewerkstelligt, hebben wij met een proces te maken dat door zielsprocessen op gang wordt gebracht en dat diep ingrijpt in het lichaam.
Zuiver fysiek bekeken kan men de functies van borstkas en longen met een blaasbalg vergelijken. Daarin kan alleen door de opgewekte onderdruk de omrin­gende lucht worden opgezogen en door overdruk mechanisch worden uitgeperst. Maar de blaasbalg bij het haardvuur moet door een bezield wezen vanuit diens wil ge­richt worden bediend! Alle daarvoor nodige krachten zijn ook – op een primitief niveau – in het hoogst gecompliceerd gebouwde ademhalingsproces ingebouwd en actief. Zij werken evenwel in een instinct- en reflex­achtig levensproces, aan het lichaam ge­koppeld en dientengevolge onwillekeurig en onttrokken aan het bewustzijn. Daarbij kan men de ribben als gesublimeerde pijpbeenderen en de totale uiterlijke ademhalings­organisatie met de twee lagen van de in- en uitademingsspieren als een gemetamorfo­seerd ledematensysteem opvatten. Elk paar ribben, met gewrichten aan de daarbij be­horende wervel bevestigd, lijkt op twee naar voren reikende armen, die alleen nog maar omhoog (inademing) en omlaag (uitade­ming) kunnen gaan. Net als in de hartspier is hier een gedeelte van onze onbewust blij­vende levenswil actief, met behulp waarvan wij ons met elke ademhaling in het klein, a.h.w. voortdurend opnieuw en het organisme vernieuwend, belichamen.
Maar ook de bewustzijnspool met zijn zenuwzintuigprocessen heeft een wezenlijk aandeel in de ademhaling. In de neus met de toegangsopeningen voor de lucht zien wjj een bijzonder zintuig ingebouwd. De reuk maakt het mogelijk, de subtielste stof­felijke veranderingen van de lucht te re­gistreren. De reukzenuwen monden rechtstreeks uit in de hersenen. Diep daar­binnen echter bevindt zich in de gedaante van het zogenaamde ademhalingscentrum een ander zintuig, de levenszin. Die contro­leert voortdurend het koolzuur- en zuurstof­gehalte van het bloed, zodat van hieruit de ademhalingsdiepte gereguleerd en de ademhaling zelf op gang kan worden ge­houden. Hoe belangrijk dit zenuw-zintuig­proces is blijkt o.a. uit het feit, dat bij elke narcose er zorgvuldig op gelet moet wor­den, dat alleen de functies van de hersenschors, nooit echter de dieper gelegen, oorspronkelijke delen van de hersenen wor­den stilgelegd. Dit laaste zou ogenblikkelijk, tengevolge van een onmiddellijke adem­stilstand, de dood van de patiënt betekenen.

Een spiegel van het menselijk organisme
Het wezenlijke van het ademhalingsproces blijft evenwel zijn ritmische verloop. Dit ont­staat zoals elk ritme vanuit een polariteit en bemiddelt tussen tegengestelde processen. In het onderhavige geval zijn dat de behoef­te aan zuurstof van het organisme en de noodzaak om het stofwisselingsresidu kooldioxide uit te scheiden. Beide moeten met elkaar in evenwicht worden gebracht. Bij het opnemen van voedsel is er – psychisch ge­zien – altijd een zekere eetlust en sympathie voor de betrokken spijs nodig. Het opnemen van de zuurstof in de gedaante van frisse lucht kan men als een soort van gesubli­meerde voeding zien. Voorts is voor elke in­ademing – onbewust – sympathiekracht nodig die de levenswil impulseert. De uit­scheiding van de benauwende, met CO2 beladen lucht wordt daarentegen door aan het lichaam gebonden antipathiekrachten van het bezielde organisme droomachtig bewerkstelligd.

Daardoor echter blijkt het ademhalingsritme bij uitstek een psychosomatisch proces te zijn! Zijn door de levenswil (stofwisselingsdynamiek), gevoelens (de eigenlijke ritmi­sche wisselwerking) en zintuigprocessen (aandeel van het zenuwstelsel) bewerkstel­ligde dynamiek is een spiegelbeeld van de driegeleding, het oerbeeld dat de grondslag is van het totale menselijke organisme.

Besturing door de wil
Het horizontaal uitgespannen middenrif is de grootste ademhalingsspier die als een koe­pel de ritmisch actieve organen van de borstholte anatomisch scheidt van de stof­wisselingsorganen in de buikholte. Deson­danks werkt de onophoudelijke beweging van het middenrif als een lichte eindeloze massage op de buikorganen: die is voor hun gezonde functie van betekenis. Er is echter nog een andere tussenzone die op een unieke manier bij de ademhalingsorga­nisatie blijkt en nog veel belangrijker schijnt te zijn. Dat is het grensgebied tussen de door het vegetatieve zenuwstelsel geleide onbewuste fysiologische processen en de bewuste, willekeurig bestuurde psychische activiteiten. Wij kunnen immers, als we wak­ker zijn, te allen tijde bewust ingrijpen in onze ademhaling, iets wat bij de hartslag niet mo­gelijk is. Dat gebeurt bijvoorbeeld als wij merken dat iets vies ruikt en we onze adem inhouden of wanneer we door te hoesten een kruimel die in “het verkeerde keelgat” is geschoten willen kwijtraken. De hoest wordt veroorzaakt door de overmatige prikkeling van het slijmvlies van de luchtpijp, d.w.z. door een te sterk zintuigproces. Dit wordt via de totale afsluiting van de lucht­pijp en de stembanden van het strottenhoofd en de dientengevolge ontstane stuwing tot een explosieve uitademing, waarbij wind­krachten als van een orkaan zijn gemeten. Zo’n radicale ingreep, die een volledige on­derbreking van het ademhalingsritme bete­kent, heeft evenwel een zinrijke, en in zeker opzicht therapeutische functie die ook bij het ophoesten van slijm bij een bronchitis nut­tig is. Bij de kink- of krampachtige hoest ont­staat daarentegen een echt ziekteproces. Hier grijpen de in het lichaam verankerde zielekrachten evenals bij astma te diep in het lichaam in; zij klampen zich a.h.w. daarin vast.

Klankvorming en taal
Wij benaderen aan de bovengenoemde grens een “openbaar geheim”, dat het probleem van krenking en de mogelijkheid van een ontwikkeling omvat. Dat wordt ons bewust, als wij het spinnen van een zich prettig voelende kat, het blaffen van een nij­dige hond of het gefluit van een zangvogel horen. De eerst verborgen, immers geheel aan het lichaam gekluisterde zielenkrachten openbaren zich op deze veredelde trede van hun activiteit in de klanken van het be­zielde organisme en verschaffen ons – zintuigelijk waarneembaar – een toegang tot het diepste innerlijk. Doordat de mens niet al­leen – klinkers uitend – zielenstemmingen, maar uit zijn brein ontspruitende voorstel­lingen en gedachten in de uitademing hoor­baar maakt, wordt de klankvorming tot taal. Dit komt tot stand als de ademstroom aan het verhemelte, door de tong, tanden en lip­pen wordt gestuwd en gestuurd. Het resul­taat zijn de medeklinkers. Door bewust te kunnen ingrijpen in de ademhalingsorgani­satie ontstaat een nieuwe, hoogste vaar­digheid.

Dit is onontbeerlijk voor de geestelijke ver­binding met onze medemensen. Zonder de – hoewel steeds voorbijgaande – “storing” van het normale ademhalingsritme zou die niet hebben kunnen ontstaan. Uit de be­schreven ontritmisering wordt echter bij de klankvorming en het spreken in de subtiele ritmen, die de basis van toon en klank zijn, een hogere ritmiek geboren. Nooit echter zou de geest-ziel van de mens via de adem­wegen haar innerlijk leven kunnen openba­ren, als niet de daarmee verbonden fundamentele levensfuncties en organen reeds met de beschreven opbouwende
zie­lenkrachten doordrongen en er door ge­vormd waren. Zij werken ook in het dierlijk organisme en openbaren zich bij de ver­scheidene diersoorten op de meest uiteen­lopende manieren. De totaliteit ervan wordt in de antroposofische menskunde dienten­gevolge ook zielenlichaam (of astraallichaam) genoemd.

Kosmologische gezichtspunten
Ten slotte willen wij nog op een kosmologisch gezichtspunt m.b.t. het ademhalingsritme ingaan. Nieuwe onderzoekingen bevestigen, dat de gezonde mens gemid­deld 18 ademhalingen per minuut volbrengt. Vermenigvuldigd met 60 (minuten per uur) en 24 uren levert dit 25920 ademhalingen per dag op. Dat is hetzelfde getal, dat de zonnejaren in het majesteitelijk – langzame verloop van het lentepunt door alle 12 sterrenbeelden van de dierenriem in het zoge­naamde platonische wereldjaar samenvat.
Zo’n intellectuele rekensom plaatst ons voor de vraag of wij hier te maken hebben met alleen maar een analogie. De moderne astronomie immers, die
slechts de buiten­kant van de kosmos grondig onderzoekt, levert ons niet de geringste aanknopings­punten om een werkelijk verband van dit menselijke met het omvattende kosmische ritme te vinden.

Voor de mensheid uit de voorchristelijke tiid evenwel, die de mens als microkosmos een bezielde en van het goddelijke doortrok­ken macrokosmos zag, was deze samen­hang een reële, bovenzinlijke ervaring. Vooral in het oude India trachtte men door meditatie in de vorm van doelgerichte adem­halingsoefeningen de beschreven grens tus­sen het onbewuste en het bewuste te benaderen. Men was zich van de beteke­nis hiervan ten volle bewust, beleefde klank- en woordvorming nog als een uitdrukking van mantrische scheppende krachten en kon de onbewuste zielenkrachten beseffend ervaren. Ook hier was het zaak – a.h.w. in omgekeerde richting zoals bij het opbloei­en van de klanken – een nieuwe vaardig­heid, n.l. bovenzinlijke waarneming te ontwikkelen. Een bijzondere bemiddelaar was het fysiologische feit, dat bij elke adem­haling het ruggemergsvocht naar de herse­nen als de drager van het voorstellingsleven omhoog en omlaag stroomt. Het verander­de, als een morele scholing en bewuste besturing hierin werden betrokken.
Het al­leen maar fysieke inhaleren van de lucht werd op een hogere trede tot inspiratie, d.w.z. bovenzinlijke ervaringen waren de vrucht daarvan. Bij die bewustzijnsverwijding werden de lichaamvormende ziele­nkrachten niet alleen als zodanig beleefd, maar tegelijkertijd besefte men hun oorsprong vanuit de kosmos. Planeten en sterrenbeelden zag men als een uiting van het innerlijk van de sterrenhemel. De krachten die het ijzer in de ademhalingsorganisatie betrekken bracht men bijvoorbeeld met de “sfeer” van de planeet Mars in verband. In een oude mysteriespreuk is er dientenge­volge sprake van “het scheppend weerklin­ken van Mars”.
In de kring van de dierenriem beleefde men de uiting van de schepping bezielende, dus diervormende of astrale (uit de sterrenwereld stammende) krachten. De uit het wereldjaar ontspruiten­de maat van het normale ademhalingsritme was een inspiratieve ervaring en werd tot een niet te betwijfelen zekerheid. Om misverstanden te voorkomen moet evenwel uitdrukkelijk erop worden gewezen, dat de hiervoor genoemde oeroude adem­halingsoefeningen uit India absoluut niet meer geschikt zijn voor de huidige westerling. Diens bewustzijnskrachten hebben zich naar het hoofd als zetel van het ik-bewustzijn en van het logische en oordeelvormende denken verplaatst.
Een moderne scholing van de bewustzijnsverruiming door medita­tie zoals die in Rudolf Steiners “De weg tot inzicht in hogere werelden?” is beschreven, moet daarom beginnen in het wakende voorstellingsgebied. Pas in de tweede plaats komen via de innerlijke rust, de overgave en de verering, gevoelens aan de orde die de basis zijn van het ritmische systeem.

Het voor onze tijd geldende besef van de geestelijke wereld, zoals de antroposofie dat brengt, kan dan ook op het diepere wezen van het waak-slaap ritme en de rela­tie daarvan met de ademhaling wijzen, zo­als in het begin van deze beschouwing werd aangeduid.

Het menselijk leven – een werelddag
Uit dit verband blijkt de kosmische maat van het mensenleven op aarde. 25920 dagen of  “ademhalingen van waken en slapen” omspannen een tijdsruimte van rond 70 jaar. In het Platonische wereldjaar, waarin een wereldmaand 2160 jaren duurt – zolang be­weegt het lentepunt zich in een bepaald sterrenbeeld – duurt een werelddag 72 jaren. 25920 gedeeld door het kosmische getal 360 levert de tijdsruimte op waarin het lente­punt 1° verder gaat. Vanzelfsprekend sluit ook hier de kosmische maat van het men­selijke leven de door de individuele situatie van het lot veroorzaakte veranderingen niet uit. Maar toch zien wij, dat ons aardse leven kan worden gezien als één grote ademhaling.
Bij de belichaming van de menselijke geest, die als zodanig in het dierenrijk niet bestaat, spreken wij van een incarnatie, letterlijk: de vleeswording van de geest. Ons ik verschaft zich met moeite een toegang in het eerste derde deel van het leven: de organische basis die door de er­felijkheid wordt aangereikt. Met het begin van het ouderdomsproces, dat zichtbaar wordt door de menopauze van de vrouw of de eerste grijze haren maken wij ons allengs los van het lichaam. Dit proces, dat is ver­bonden met een rijping van het vrij worden­de ik-wezen, bereidt de uiteindelijke losmaking voor die zich in het sterven voltrekt.

Wie leert, het menselijke leven als een gro­te ademtocht tussen lichaam en geest-ziel in een kosmisch verband te beseffen, vero­vert zich niet alleen een nieuw levensgevoel, maar staat tevens voor de vraag, of niet ook hier een gebeuren zichtbaar wordt, dat zich in een ritme zou kunnen herhalen. Met deze vraag, die van de voorstelling van de in- en excarnatie naar de mogelijkheid van de reïn­carnatie leidt, willen wij deze beschouwing beëindigen.

(Walter Bühler, arts, Weledaberichten nr.152, dec. 1990)

.

Ritmealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

448-417

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.