Tagarchief: sprookje

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/5)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

 

HANS EN GRIETJE

Aan de rand van een groot bos woonde een arme houthakker met zijn vrouw en zijn twee kinderen; het jongetje heette Hans en het meisje Grietje. Er was maar weinig te eten en toen alles erg duur werd in het land kon de houthakker zelfs niet meer voor het dagelijks brood zorgen. Toen hij nu ’s avonds in bed daarover lag te tobben en zich van de ene zij op de andere wierp zuchtte hij en sprak tot zijn vrouw: ‘Wat moet er van ons worden? Hoe kunnen wij onze arme kinderen te eten geven nu wij zelf niets meer hebben?’ – ‘Weet je wat, man,’ antwoordde de vrouw, ‘wij zullen morgen in alle vroegte de kinderen naar het bos brengen, daar waar de bomen het dichtst op elkaar staan, daar maken wij een vuur voor hen en geven ze allebei nog een stukje brood en dan gaan wij aan ons werk en laten hen alleen achter. Zij vinden de weg naar huis nooit terug en wij zijn hen kwijt.’ -‘Nee, vrouw,’ zei de man, ‘dat doe ik niet; hoe zou ik het over mijn hart kunnen verkrijgen mijn kinderen in het bos alleen achter te laten; het zou niet lang duren of de wilde dieren zouden hen verscheuren.’ – ‘O, jij dwaas,’ zei zij, ‘dan moeten wij alle vier van honger omkomen; dan kun je nu alvast de planken voor de doodkisten gaan schaven,’ en zij liet hem niet met rust totdat hij toegaf. ‘Maar de arme kinderen gaan mij toch aan het hart,’ zei de man.

Wijsheid is volgens Lenz altijd levend en neemt toe, groeit zoals een boom naar de hemel. Of zoalsa Goethe zegt: ‘Dood, beste vriend is alle theorie, groen des levens gulden boom’ (Faust 1)

Als de mens een abstracte denker is geworden, verdort deze boom. Hij blijft hangen in doodse theorieën; hij geeft geen ruimte om al waarnemend nieuwe ervaringen op te doen en deze te veranderen, te laten rijpen tot inzicht dat hij uit het leven haalt. Hij hakt deze boom om, ziet het leven niet meer in zij totaliteit, alleen de details die hij analyseert en indeelt. Hij heeft exacte gedachten, maar droog, dor. 
Het Duits heeft ‘begrippen kloven’; ‘versplinteren’ en je kan je op de ‘houtweg’ (auf der Holzweg’= met een voorstelling of mening vastlopen) bevinden.

In dit sprookje verschijnt de houthakker en deze heeft te maken met zo’n ‘verhoutingsproces’. Het beeld van de houthakker komt ook in positieve zin voor, want houthakken is nuttig en nodig.
In dit sprookje is de houthakker het drama van de mens die de arme houthakker, zoals beschreven, is.

Ook zijn vrouw – het beeld van de ziel – verlaat hem: zij kan hem geen warmte meer schenken, zijn ziel niet meer rijker maken: ook zij vervalt tot het harde, materialistische denken. Voor de jonge, nog zo samenhorende – zusje en broertje – gevoels- en wilskrachten, wordt ze een ‘stief’moeder. Het kan niet anders dan dat deze gevoel- en wilskrachten daaronder lijden. Ze staan echter nog ver van het ‘verhoute’ zielenleven af; het zijn geen abstracte krachten, maar levende, wezenlijke krachten in de mens. Aan de ene kant de erfelijkheidskrachten die naar het verleden wijzen en aan de andere kant de krachten die op de toekomst zijn gericht. De mens staat altijd tussen gisteren en morgen. 

De houthakker lijdt honger en daarom zijn kinderen ook: er is geen brood meer. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, heet het in het Onze Vader: een wezenlijk bestanddeel van ons mens-zijn. Ook Christus gebruikt het brood als beeld: ‘Ik ben het brood des levens’. ‘Stenen voor brood’ duidt erop dat ‘brood’ de betekenis heeft van ‘gezond geestelijk voedsel’. 
.
De twee kinderen hadden van honger ook niet kunnen inslapen en hadden gehoord wat hun stiefmoeder tegen hun vader had gezegd. Grietje weende bittere tranen en sprak tot Hans: ‘Nu is het met ons gedaan.’ – ‘Stil maar, Grietje,’ sprak Hans, ‘treur maar niet, ik vind voor ons beiden wel uitkomst.’ En toen de ouders waren ingeslapen stond hij op, trok zijn jasje aan, deed de achterdeur open en sloop naar buiten. De maan scheen helder en de witte kiezelstenen die voor het huis lagen glansden als zilveren kwartjes. Hans bukte zich en stopte er zoveel in de zak van zijn jasje als er maar in gingen. Daarop ging hij weer terug en sprak tot Grietje: ‘Wees maar gerust, lief zusje, en ga rustig slapen, God zal ons niet verlaten,’ en hij ging weer in zijn bed liggen.
Toen de dag aanbrak kwam de vrouw nog voor zonsopgang de kinderen wekken: ‘Opstaan, luilakken, wij gaan naar het bos om hout te halen.’ Daarop gaf ze ieder een stukje brood en sprak: ‘Daar hebben jullie wat voor het middaguur maar eet het niet van tevoren op, want verder krijgen jullie niets.’ Grietje stopte het brood onder haar schort omdat Hans de stenen in zijn zak had. Daarop begaven zij zich gezamenlijk op weg naar het bos. Toen zij een tijdje gelopen hadden, stond Hans stil en keek om naar het huis, en dat deed hij keer op keer. De vader sprak: ‘Hans, waar kijkje toch naar en waarom blijf je achter? Let op en vergeet niet je benen te gebruiken.’ – ‘Ach, vader,’ zei Hans, ‘ik kijk naar mijn witte katje dat boven op het dak zit om mij vaarwel te zeggen.’ De vrouw sprak: ‘Zot, dat is je katje niet, het is de morgenzon die op de schoorsteen schijnt.’ Hans had echter niet naar het katje gekeken maar telkens een van de witte kiezelstenen uit zijn zak op de weg gegooid.
Toen zij midden in het bos waren gekomen sprak de vader: ‘Nu hout sprokkelen, kinderen, ik ga een vuur maken zodat jullie het niet koud hebben.’ Hans en Grietje droegen een berg sprokkelhout aan. Het werd aangestoken en toen de vlammen goed hoog brandden zei de vrouw: ‘Gaan jullie nu bij het vuur liggen, kinderen, en rust wat uit, wij gaan het bos in om hout te hakken. Als wij klaar zijn komen we terug om jullie te halen.’
Hans en Grietje zaten bij het vuur en toen het middaguur aanbrak aten zij ieder hun stukje brood. En omdat zij de slagen van de bijl hoorden geloofden zij dat hun vader in de buurt was. Het was evenwel niet de bijl maar een tak die hij aan een dorre boom had gebonden en de wind sloeg hem heen en weer. En toen zij zo een hele tijd gezeten hadden, gingen hun ogen dicht van vermoeidheid en zij vielen in slaap. Toen zij eindelijk ontwaakten was het al pikdonker. Grietje begon te huilen en sprak: ‘Hoe komen we nu uit het bos?’ Hans troostte haar echter: ‘Wacht nog maar even totdat de maan is opgekomen, dan vinden wij de weg wel.’ En toen de volle maan was opgegaan, nam Hans zijn zusje bij de hand en volgde de kiezelstenen die glansden als pas geslagen kwartjes en hun de weg wezen. Zij liepen de hele nacht door en kwamen bij het ochtendkrieken weer bij het huis van hun vader. Zij klopten aan de deur en toen de vrouw opendeed en zag dat het Hans en Grietje waren sprak zij: ‘Jullie stoute kinderen, om zo lang in het bos te blijven slapen, wij dachten dat jullie nooit meer terug zouden komen.’ De vader echter was blij want het was hem aan het hart gegaan dat hij hen zo alleen had achtergelaten.

Niet lang daarna heerste er alom weer nood en de kinderen hoorden hoe de moeder ’s nachts in bed tot hun vader sprak: ‘Alles is weer op, wij hebben nog een half brood en daarna is het uit. De kinderen moeten weg, wij zullen hen dieper het bos inbrengen zodat zij de weg eruit niet meer kunnen vinden; er blijft ons geen andere uitweg over.’ Het viel de man zwaar en hij dacht: Het zou beter zijn je laatste hap met je kinderen te delen. Maar de vrouw luisterde niet naar hem, wat hij ook zei, schold hem uit en maakte hem verwijten. Wie A zegt moet ook B zeggen en aangezien hij de eerste keer had toegegeven, moest hij dat de tweede maal ook doen.
De kinderen hadden echter nog wakker gelegen en het gesprek gehoord. Toen de ouders sliepen stond Hans weer op en wilde naar buiten om kiezelstenen te verzamelen net als de vorige keer, maar de vrouw had de deur op slot gedaan en Hans kon er niet uit. Maar hij troostte zijn zusje en sprak: ‘Huil maar niet, Grietje, ga rustig slapen, de goede God zal ons wel bijstaan.’
’s Morgens vroeg kwam de vrouw de kinderen uit bed halen. Zij kregen ieder hun stukje brood dat echter nog kleiner was dan de vorige keer. Op weg naar het bos verkruimelde Hans het in zijn zak en stond dikwijls stil om een stukje op de grond te gooien. ‘Hans, waarom sta je steeds stil, waarom kijk je telkens om?’ zei de vader, ‘loop toch door.’ – ‘Ik kijk naar mijn duifje dat boven op het dak zit om mij vaarwel te zeggen,’ antwoordde Hans. ‘Zot,’ zei de vrouw, ‘dat is je duifje niet, het is de morgenzon die daarboven op de schoorsteen schijnt.’ Hans wierp echter allengs alle kruimels brood op de weg.
De vrouw bracht de kinderen nog dieper het bos in, waar zij van hun leven nog niet geweest waren. Toen werd er weer een groot vuur gemaakt en de moeder zei: ‘Blijf daar maar zitten, kinderen, en als jullie moe bent, kunnen jullie wat slapen; wij gaan het bos in om hout te hakken en als wij vanavond klaar zijn komen wij jullie weer halen.’

Toen het midden op de dag was deelde Grietje haar brood met Hans die zijn stuk op de weg gestrooid had. Daarop vielen zij in slaap en de avond verstreek maar niemand kwam de arme kinderen halen. Zij ontwaakten pas toen het donker was en Hans troostte zijn zusje en zei: ‘Wacht maar, Grietje, tot de maan opgaat, dan zien wij de broodkruimels die ik heb gestrooid en die wijzen ons de weg naar huis.’
Toen de maan opkwam begaven zij zich op weg maar zij vonden geen kruimeltje meer want de duizenden vogels die in bos en veld rondvliegen hadden ze weggepikt. Hans zei tegen Grietje: ‘Wij zullen de weg wel vinden,’ maar zij vonden hem niet. Zij liepen de hele nacht en nog een dag van ’s morgens tot ’s avonds maar zij kwamen het bos niet uit en zij hadden zo’n honger want zij hadden niets dan de paar bessen die er groeiden. En omdat zij zo moe waren dat zij geen voet meer voor de andere konden zetten gingen zij onder een boom liggen en vielen in slaap.
Nu was het reeds de derde morgen sinds zij het huis van hun vader hadden verlaten. Zij gingen weer op weg maar zij raakten steeds dieper het bos in en als er niet spoedig hulp kwam zouden zij omkomen. Toen het middag was zagen zij een mooi sneeuwwit vogeltje op een tak zitten en dat zong zo mooi dat zij bleven staan om ernaar te luisteren. En toen het klaar was met zingen sloeg het zijn vleugels uit en vloog voor hen uit en zij gingen het achterna tot zij bij een huisje kwamen waar het op het dak ging zitten en toen zij vlakbij kwamen zagen zij dat het huisje van brood gemaakt was en met koek bedekt; maar de vensters waren van witte suiker.

In de sprookjes zijn ‘drie dagen’ een belangrijke ontwikkelingstijd. Hans en Grietje zijn drie dagen onderweg en weten eigenlijk ‘heg noch steg’. De verwarring is groot. 
Je kan in de het sprookje ook een vorm van een ‘mystieke weg gaan’ zien. Na drie dagen moet er een weten zijn ontstaan, er moet een besluit genomen worden. Er staat: (op die derde dag:) zagen zij een mooi sneeuwwit vogeltje op een tak zitten en dat zong zo mooi dat zij bleven staan om ernaar te luisteren. 
Lenz wijst erop dat het vogeltje ’s middags verschijnt. En van de middag zegt zij dat wanneer de zon op z’n hoogst staat, de mens niet meer zo wakker is als bij het opstaan in de frisse morgen. 
In vroegere tijden vermeed de landbouwbevolking het om ’s middags op de akker te zijn. In oude sagen is nog sprake van een ‘middagvrouw’ (Mittagsfrau) met een sikkel – om het bewustzijn te splijten; of het ondervragen door sfinxachtige monsters. 
Pas ervoor op dat je ’s middags geen verdragen sluit, want ‘dat is het uur van Lucifer’.
Het luiden van de klok om 12u ’s middags moet de mens eraan herinneren wakker te blijven, het luiden met de ‘verleidende geesten verdrijven’.
Als het vogeltje ’s ochtends was verschenen, zou het een beeld zijn geweest voor een verhelderde inspiratie, maar ’s middags wordt zijn stem een verlokking die tot dwaling leidt. Het vliegt voor de kinderen uit en brengt ze bij het huisje van de heks. Dat is ook een ‘brood’huis, maar van heksenbrood.

‘Daar zullen wij maar eens aan beginnen,’ sprak Hans, ‘en genieten van een gezegende maaltijd. Ik ga een stuk van het dak eten, Grietje, jij kunt van het raam eten, dat smaakt zoet.’ Hans reikte omhoog en brak een stukje van het dak af om te proeven hoe dat smaakte en Grietje ging voor de ruiten staan en knabbelde eraan. Toen riep een zachte stem vanuit de kamer:

‘Knabbel, knabbel, knuisje,
Wie knabbelt aan mijn huisje?’

De kinderen antwoordden:

‘De wind, de wind,
dat hemelse kind.’

en aten verder zonder zich van de wijs te laten brengen. Hans die zich het dak goed liet smaken, brak er een flink stuk vanaf en Grietje drukte een ronde ruit in zijn geheel in en ging zitten om er zich te goed aan te doen. Daar ging opeens de deur open en een stokoude vrouw kwam leunend op een stok naar buiten schuifelen. Hans en Grietje schrokken zo geweldig dat zij, wat zij in hun handen hadden, lieten vallen. De oude vrouw echter schudde met haar hoofd en sprak: ‘Wel, lieve kinderen, wie heeft jullie hierheen gebracht? Kom maar binnen en blijf bij mij, er zal jullie geen kwaad geschieden.’ Zij nam hen beiden bij de hand en leidde hen haar huisje binnen. Toen werd er heerlijk eten opgediend, melk en pannenkoeken met suiker, appels en noten. Hierna werden er twee mooie bedjes met schone lakens opgemaakt en Hans en Grietje gingen er in liggen en dachten dat zij in de hemel waren.

Een Duitse oorsprong van het woord ‘heks’ gaat terug op ‘hagazussa’. ‘Hag’ is in het Duits een soort bosgebied, struikgewas e.d. Van Dale geeft voor het woord de betekenis ‘heks’. We moeten denken aan een wijze vrouw, een zieneres, een profetes, zoals die nog voorkomt in bijv. de Edda of bij de Grieken als ‘orakel’. Een helderziende hoedster van een stam. 
Maar dit schouwende vermogen ging langzamerhand verloren; het ‘zuivere’ verdween en iets demonisch kwam ervoor in de plaats. Magie werd zwarte magie en valse invloeden deden zich gelden op het oerweten. De hagazussa veranderde in haar tegendeel van weleer. Nu is ze het beeld van een verleidingsmacht die de mens een pseudoweten aanbiedt van atavistische oorsprong en daarmee raakt hij verstrikt in waan en oppervlakkigheid. 
Lenz ziet bij het occulte een vorm van wetmatigheid: wat in een bepaalde tijd voor een bepaalde ontwikkeling van geest en ziel juist is, ‘aan de tijd’, kan later volledig omkeren. Methoden die eeuwen juist waren, kunnen voor de moderne mens niet goed meer zijn. 
Het sprookje wil ons daarvoor waarschuwen. De heks is oeroud, heeft rode ogen en kan niet ver zien, ze neemt de zintuiglijk waarneembare wereld niet echt waar. Ze heeft zoals de dieren een bijzondere gevoeligheid; ze voelt de dingen aan, maar doordringt ze niet met heldere gedachten, met de geest. Ze lokt de kinderen naar zich toe: de onschuldige jonge krachten in de mens trekken haar aan en ze biedt die een verlokkende betovering aan: ‘ze dachten dat ze in de hemel waren.

De oude vrouw had alleen maar gedaan alsof zij zo vriendelijk was; zij was echter een boze heks die op kinderen loerde en zij had het broodhuisje alleen gebouwd om ze te lokken. Als zij er een in haar macht kreeg maakte zij het dood, kookte het en at het op en dat was voor haar een feestdag.
Heksen hebben rode ogen en kunnen niet ver zien, maar zij hebben een fijne neus net als de dieren en zij merken het als er mensen aankomen. Toen Hans en Grietje in haar buurt kwamen, lachte zij boosaardig en sprak honend: ‘Die heb ik, die zullen mij niet meer ontsnappen.’

’s Morgens vroeg, nog eer de kinderen wakker waren, stond zij al op en toen zij hen beiden zo lief zag slapen met hun dikke rode wangen mompelde zij voor zich uit: ‘Dat zal een lekker hapje worden.’ Toen pakte zij Hans met haar dorre handen beet en bracht hem naar een klein hokje en sloot hem op achter de tralies; hij kon schreeuwen zo hard hij wilde het hielp hem niets. Daarop ging zij naar Grietje, schudde haar wakker en riep: ‘Sta op, luilak, haal water en kook iets lekkers voor je broer die buiten in het hok zit om dik te worden. Als hij vetgemest is, eet ik hem op.’ Grietje begon bitter te schreien maar het was allemaal tevergeefs, zij moest doen wat de boze heks wilde.

Nu werd voor de arme Hans het beste eten gekookt maar Grietje kreeg niets anders dan kreefteschalen. Elke morgen sloop de oude vrouw naar het hok en riep: ‘Hans, steek je vinger naar buiten, zodat ik kan voelen of je al vet bent.’ Maar Hans stak een botje naar buiten en de oude vrouw die slechte ogen had zag het niet goed en zij dacht dat het Hans’ vinger was en zij verbaasde zich dat hij maar helemaal niet vet wilde worden. Toen er vier weken waren verstreken en Hans maar steeds mager bleef verloor zij haar geduld en zij wilde niet langer wachten. ‘Hé, Grietje,’ riep zij het meisje toe, ‘ga vlug water halen: Hans mag vet of mager zijn, morgen slacht ik hem en dan kook ik hem.’ Ach, wat jammerde het arme zusje toen zij water moest aandragen en hoe stroomden de tranen over haar wangen. ‘Lieve God, help ons toch,’ riep zij uit, ‘hadden de wilde dieren in het bos ons maar opgegeten, dan waren wij tenminste samen gestorven.’ – ‘Schei uit met dat geblèr,’ zei de oude vrouw, ‘dat helpt je toch niets.’

Hans, de jonge wil, wordt opgesloten, van zijn vrijheid beroofd. Grietje, het zuivere gevoel van het kind, kan niet meer haar eigen impulsen volgen: ze moet het kwade dienen.
Koken en braden e.d. hebben met het vuur te maken. Wanneer je in de taal naar uitdrukkingen met vuur zoekt, kom je erachter waarom het gaat. Waar het gaat om iets met enthousiasme in de wereld te zetten, moet je ‘in vuur en vlam’ staan voor het idee; je moet er warm voor lopen, in jezelf een vuur, vlam ontsteken, enz. Het vurig enthousiasme en de edele gloed van de liefde duiden daarop. 

Geestdrift heeft als tegenhanger de lichamelijke drift, de gloeiende begeerte; de brandende hartstocht. Wat aan de kant van de geest ‘laaiend’ wordt, wordt hier tot een duivelse illusie daarvan en brandt je op.
Het oude, boosaardig geworden atavisme wil de jeugdkrachten van het kind – de toekomst – verslinden, verteren. 

’s Morgens vroeg moest Grietje opstaan om de ketel met water op te hangen en het vuur aan te maken. ‘Eerst gaan wij bakken,’ zei de oude vrouw, ‘ik heb de oven al vóórver-warmd en het deeg gekneed.’ Zij duwde het arme Grietje naar buiten naar de oven waar de vlammen al uitsloegen. ‘Kruip erin,’ zei de heks, ‘en kijk of het al warm genoeg is om het brood erin te schuiven.’ En als Grietje er dan in was wilde zij de oven dichtdoen zodat Grietje daarin zou braden en dan zou zij haar ook opeten. Maar Grietje merkte wat zij van plan was en sprak: ‘Ik weet niet hoe ik dat moet doen, hoe kom ik erin?’ – ‘Domme gans,’ zei de oude vrouw, ‘de opening is groot genoeg, zie je wel, zelfs ik kan erin.’ Zij krabbelde er heen en stak haar hoofd in de oven. Toen gaf Grietje haar een duw zodat zij er een eind in Schoof, sloot de ijzeren deur en schoof de grendel ervoor. Oei, wat begon zij daar te jammeren, het was gewoon griezelig; maar Grietje liep weg en de goddeloze heks moest ellendig verbranden.

Hans, de jongen, zijn mannelijke wil is volkomen passief gemaakt. Maar Grietje, het meisje, de vrouwelijke ziel schuift het boze terug in zijn eigen element: het vuur van de illusie, begeerte en hartstocht; het vuur wordt een louterend vuur. Het boze richt zichzelf ten gronde wanneer de moed van het hart en de dapperheid zich ertegen keren. De wil wordt erdoor bevrijd.

Grietje echter liep regelrecht naar Hans, maakte zijn hokje open en riep: ‘Hans, wij zijn verlost, de oude heks is dood.’ Toen sprong Hans naar buiten als een vogel uit een kooi waarvan de deur wordt opengezet. Wat waren zij blij, zij vielen elkaar om de hals, sprongen in het rond en kusten elkaar. En omdat zij nu niet meer bang hoefden te zijn gingen zij het huis van de heks binnen en daar stonden in alle hoeken kasten vol parels en edelstenen. ‘Dat is nog beter dan kiezelstenen,’ zei Hans en hij stopte zijn zakken vol, en Grietje zei: ‘Ik zal ook iets mee naar huis nemen,’ en zij vulde haar schortje.

Negatieve ervaringen, het overwinnen van het kwaad kan tot positieve inzichten leiden die de mens rijker maken en Hans en Grietje vinden in het huisje van de heks grote schatten. 
De parel wijst ons op de zee, op het water; de edelsteen op de aarde. Ze blijven niet ‘opgepot’, maar worden voor de fysieke wereld en de levenskrachten bevrijd. Zo is ook de heks dus weer een deel van ‘die kracht die steeds het kwade wil en steeds het goede schept’. (Goethe, Faust 1)

‘Maar laten wij nu gaan,’ zei Hans, ‘om weg te komen uit het heksenbos.’ Toen zij echter een paar uur gelopen hadden kwamen zij aan een groot water. ‘Wij kunnen er niet over,’ zei Hans, ‘ik zie geen vlonder en geen brug.’ -‘Hier vaart ook geen bootje,’ antwoordde Grietje, ‘maar daar zwemt een witte eend; als ik het die vraag dan helpt hij ons wel naar de overkant.’ Toen riep zij:

‘Eendje, eendje,
Hier staan Hans en Grietje,
Er is geen vlonder en geen brug,
Neem ons op je witte rug.’

Het eendje zwom naar hen toe en Hans ging op zijn rug zitten en hij vroeg zijn zusje naast hem te komen zitten. ‘Nee,’ antwoordde Grietje, ‘dat is te zwaar voor het eendje, ‘het moet ons na elkaar overzetten.’ Dat deed het goede diertje en toen zij goed en wel aan de overkant waren en een poosje hadden gelopen kwam het bos hun steeds bekender voor en tenslotte zagen zij in de verte het huis van hun vader.

Na het bos komen de kinderen nu voor een groot water. In het dichte woud is er geen uitzicht, de blik over het water is ruim. Er is weer ruimte, ook in de ziel, nu de spanning, de angst verdwenen zijn. Het is een witte eend die t.o.v de zwarte heks te vertrouwen is. Grietje voelt zich als prille ziel verwant met dit wezen dat weliswaar op het land een onbeholpen indruk maakt, maar op het water in zijn element is. Er is geen kans meer dat de kinderen nu wegzinken of ten onder gaan.
De witte eend komt in de symboliek van het Oosten meer voor dan in het Westen. De zonnewagen van Apollo wordt door drie eenden getrokken; op Indische tempels zit ze naast de zwaan; in het Russische sprookje Elena. de wonderschone, vraagt ze aan de held als gave een witte eend. Hier ervaar je dat ze staat voor de zekerheid van de ziel op de ‘beweeglijkheid van de gevoelswateren’.

Er zijn wel uitgaven van sprookjes waarin dit beeld van het water en het eendje is weggelaten, maar het hoort wel bij de afronding van het verhaal.

Toen begonnen zij te hollen, stormden de kamer binnen en vielen hun vader om de hals. De man had geen gelukkig ogenblik meer gekend sinds hij zijn kinderen in het bos had achtergelaten; de vrouw echter was gestorven.
Grietje schudde haar schortje uit zodat de parels en edelstenen door de kamer rolden en Hans gooide er de ene handvol na de andere bij. Daarmee was er aan alle zorgen een eind gekomen en zij leefden te samen in grote vreugde. – Mijn sprookje is uit, daar loopt een muis, wie hem vangt, mag er een grote, grote bontmuts van maken.

Het kan niet uitblijven: de ziel van de vader moet veranderd zijn om de kinderen weer ‘van harte’ te kunnen omhelzen. We lezen dan ook dat de verhardende invloed op zijn ziel – de stiefmoeder – is gestorven, Het moge ook duidelijk zijn dat deze ontwikkeling van de ziel voor ieder rijkdom oplevert. het oude Ik hoeft geen houthakker meer te zijn; vanaf nu kan de fris-willende en opnieuw bezielde mens de groeiende boom van de gouden wijsheid verder leren kennen. 

15-grimm-hans-en-grietje-2

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

 

2301

VRIJESCHOOL – Vertelstof -sprookjes (2-4/25)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van sprookje.
De beeldentaal.
Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boekDie Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

 

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

DE STERRENDAALDERS
.

Er was eens een klein meisje. Haar vader en moeder waren gestorven en zij was zo arm dat zij geen kamertje meer had om in te wonen en geen bedje meer om in te slapen en tenslotte helemaal niets meer, behalve de kleren aan haar lijf en een stukje brood in haar hand dat iemand met een medelijdend hart haar had gegeven. Maar zij was vroom en goed en omdat zij zo alleen op de wereld was trok zij – vertrouwend op de goede God – het veld in. Daar ontmoette zij een arme man die zei: ‘Ach, geef mij iets te eten, ik heb zo’n honger.’ Zij gaf hem het hele stukje brood en zei: ‘Moge God het zegenen,’ en ging verder. Toen kwam er een kind dat liep te jammeren en zei: ‘Ik heb het zo koud op mijn hoofd, geef mij iets waarmee ik het kan bedekken.’ Toen zette zij haar mutsje af en gaf dit aan het kind. En toen zij nog een tijdje gelopen had, kwam er weer een kind, en dit kind had geen borstrokje aan en had het koud. Toen gaf zij het kind het hare; en nog een eind verder vroeg er een om een rokje en dat gaf zij toen ook weg. Eindelijk kwam ze in een bos, het was al donker. Toen kwam er nog een en die vroeg om een hemdje en het vrome meisje dacht: De nacht is donker, niemand die je ziet, je kunt je hemd best weggeven, en zij trok het uit en gaf dat ook nog weg. En terwijl zij daar zo stond en helemaal niets meer had, vielen opeens de sterren uit de hemel en dat waren louter klinkende zilveren daalders en hoewel zij juist haar hemdje had weggegeven had zij nu een nieuw aan en dat was van het allerfijnste linnen. Daarin vergaarde zij de daalders en was voor haar hele verdere leven rijk.
.

In dit sprookjes is het meisje een weeskind: vader en moeder zijn gestorven.
De menselijke ziel lijkt op een weeskind als de moederlijke zielenkracht en de vaderlijke geestkracht waaruit de ziel stamt, niet meer achter haar staan, gestorven zijn; het rijke erfdeel dat de mens werd meegegeven is opgebruikt en nu is het gevoel gekomen van geen thuis meer te hebben.
Nu moet de ziel het zelf doen en in de wereld waarin ze moet leven, staat ze hulpeloos en onervaren alleen. Nu moet ze op eigen kracht een thuis vinden, een levensdoel en innerlijke rijkdom.

Dat het kind zo alleen is, wordt nog eens benadrukt door het feit dat ze niets anders heeft dan de kleren die ze draagt en een stukje brood in haar hand. Van thuis uit heeft ze geen voedsel voor de ziel meer meegekregen, ze heeft het zelf niet verworven, maar gekregen van iemand die medelijden met haar voelde. 
Hier zie je al iets van het motief van het sprookje: uit medelijden worden zij die gebrek leiden, gevoed. Onzelfzuchtigheid is het leidende motief.

Als je helemaal niets meer hebt, geen thuis meer, niets meer waar je op terug kan vallen, en je hebt alleen de kleren aan je lijf nog, dan worden die heel belangrijk. Ze bieden bescherming, omhullen je; je zelfgevoel is ervan afhankelijk. 
Ook de ziel heeft een omhulling: de aura. Ieder mens heeft zijn aura. Die kun je niet afleggen of weggeven. Maar wat je denkt, voelt en doet in de wereld, kleurt je aura. Het kan om zegen voor je omgeving gaan, om ingetogenheid en goedheid, het hart kan bewogen zijn door medelijden en liefde.

Dat ‘geven’ een belangrijk motief in dit sprookje is, blijkt uit het feit dat er wel vier keer iets wezenlijks door het meisje wordt geschonken. 
Eerst geeft ze haar brood weg, dat ze zelf ook heeft gekregen. Ze houdt niets voor zichzelf. Het lijkt erop dat ze afstand doet van het laatste dat haar aan de fysieke wereld bindt.
Nu heeft ze alleen haar kleren nog: een muts, een borstrok en een rok die resp. hoofd, romp en ledematen bedekken. En een hemdje!

In een sprookje is de muts, de kap of de hoed vaak een beeld dat te maken heeft met de menselijke voorstellings-, en denkkrachten. In de Duitse uitdrukking ‘ich nehme es auf meine Kappe’ gaat het om de verantwoordelijkheid die je op je neemt. Het gaat om wat jij vindt, om je persoonlijke gedachten. De kap a.h.w. als een afsluiting naar een niet-persoonlijke, hogere wereld, niet die van het hersendenken, maar van het kosmische denken. 
Interessant is eens na te gaan wanneer we ‘de hoed, muts of wat we op het hoofd dragen’, afzetten, afnemen.
De moderne mens heeft deze kap op: in deze tijd van Ik-ontwikkeling zijn velen afgezonderd van een wereld die meer is dan een wereldbeeld dat aan het individuele gedachteleven is gebonden. Op dit ogenblik is het het enige wat het meisje in het sprookje op dit gebied heeft, maar ze doet er afstand van om een ander te helpen.

Wat het gevoelsleven betreft is het bijna net zo. Het gevoelsleven van de moderne mens is persoonlijk en individueel geworden. Voor veel mensen klopt het hart voor: ‘ik vind…of ik vind niet…’ Sympathie en antipathie wisselen elkaar af: we hebben overduidelijk te maken met de middenmens. Op dit ogenblik is het het enige wat het meisje in het sprookje op dit gebied heeft, maar ze doet er afstand van om een ander te helpen: ze geeft haar borstrokje weg.

Het rokje omhult de ledematen. Hier zetelt de wil. We weten in feite niets van de wil. die onttrekt zich aan onze waarneming. We weten dat we iets willen en we gaan eropaf, maar wat er in ons lichaam gebeurt, weten we niet. Onze wil staat in dienst van onszelf; we volgen in zekere zin egoïstisch wat ons drijft. Op dit ogenblik is het het enige wat het meisje in het sprookje op dit gebied heeft, maar ze doet er afstand van om een ander te helpen: ze geeft haar rokje weg.

En dan komt er nóg een kind om hulp vragen. Het meisje heeft nu alleen nog maar een hemdje. In de sprookjes komt het hemdje vaak voor. 
In het hoofd worden de gedachten gevormd – de mens spint daar zijn gedachtedraden – die leven en weven in het onderbewuste verder en vormen een geestelijk omhulsel: dat is het beeld van het hemdje. Dit hemdje geeft het meisje uit medelijden weg. 
Ze geeft alles weg, tot in de levenskrachten toe. 
Maar de plaats van wat ze weggegeven heeft, blijft niet leeg. Er is ruimte gekomen voor iets anders. Je zou kunnen zeggen dat haar denken, voelen en willen een verandering heeft ondergaan. In Steiners mensbeeld kan het Ik voor zo’n verandering zorgen. Haar denken, haar gedachtedraden zijn nu van een ander niveau: het beeld daarvoor is het zuivere linnen: de hoogte vervolmaking van het denken.

Door niet meer gericht te zijn op de aardse wereld, komt ze weer in verbinding met de kosmos; het goud van de wijsheid valt haar ten deel. Van onzelfzuchtigheid, medelijden en liefde word je niet armer, maar die vullen je met morele rijkdom.

Dit sprookje kan uit de kringen van de mystici stammen. Wellicht van Meister Eckehart of Johannes Tauler in de 13e, 14e eeuw. Zij leerden bijv.: ‘Mens, verander; hoe meer je je opoffert, des te rijker word je. ‘

1e klas sprookjes sterrendaalders

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas – sprookjes   Sterrendaalders (153)

.

2286

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes (13)

.
Petra Weeda in Weleda ‘Puur Kind’ herfst 2000 nr. 6
.

kinderwereld – sprookjeswereld

INTERVIEW MET BERT VOORHOEVE

Kinderen en sprookjes: bijna vanzelfsprekend horen ze bij elkaar. Maar waarom zijn sprookjes eigenlijk zo belangrijk voor een kind? Een interview met een man die dagelijks met sprookjes werkt en er al vele boeken over publiceerde.

Dat is het belangrijkste,’ zegt Bert Voorhoeve terwijl hij de laatste regels van het gedicht van Vasalis* opzegt. ‘In een sprookje is alles waar. Het is de werkelijkheid van het leven die wordt verteld in beeldentaal. Alle sprookjes gaan over ontwikkelingswegen. Als je een kind een sprookje vertelt, dan vertel je hem over de weg die hij als mens kan gaan.’

Bert Voorhoeve is auteur van vele boeken over sprookjes en beeldentaal. Hij leidt themaweekenden en kampen voor gezinnen, waarbij sprookjes op allerlei manieren worden belicht en de basis vormen voor toneelimprovisaties. Ook in zijn vormingswerk met volwassenen gebruikt hij verhalen en sprookjes. ‘Ik merkte dat als ik ervaringen van mensen terugspiegelde in een beeld, dat dit niet alleen hun creativiteit stimuleerde, maar ook hun gevoelsleven verdiepte.’

Waarom is het voor een kind zo belangrijk sprookjes te horen?

‘leder sprookje laat zien dat weerstanden, die nou eenmaal een realiteit zijn in het leven, overwonnen kunnen worden. Het laat zien dat het boze een realiteit is maar het goede ook en dat de ontwikkeling steeds verder gaat, ook al zit je gevangen bij de heks. In sprookjes zie je dat veranderingen en nieuwe impulsen altijd mogelijk zijn als je maar op weg blijft gaan.

Een ander belangrijk punt is dat je de fantasie van het kind aanspreekt en niet alleen maar van jongs af aan dingen in verstandelijke begrippen vastlegt.
Daarmee geef je je kind het vermogen mee om later, wanneer dat laatste toch wel gebeurt, uit die fantasiebron te putten en creatief met de concrete werkelijkheid om te gaan.

Sprookjes vertellen aan kinderen is dus als het bewerken van de aarde en het uitstrooien van zaad. Vervolgens zal je moeten wachten en erop vertrouwen dat zich in het onzichtbare iets ontwikkelt dat in de loop van het jaar vrucht gaat dragen. Zo mag je er ook op vertrouwen dat je door sprookjes je kinderen een kiem mee geeft waarvan ze in de loop van hun leven de vruchten zullen plukken.’

Bestaat niet het gevaar dat sprookjes je wegleiden van de werkelijkheid?

‘Het is mogelijk je te verliezen in de sprookjeswereld als je de beelden niet ver bindt met de dagelijkse realiteit. Maar een kind doet dat van nature. Met een kind moet je ook niet gaan praten over een sprookje of hem beelden gaan uitleggen.’

Zijn alle sprookjes geschikt om aan jonge kinderen te vertellen?

‘In principe is geen enkel sprookje ongeschikt voor een kind, ook niet als er
ogenschijnlijk enge gebeurtenissen in worden verteld. Maar als je als verteller moeite hebt met een bepaald sprookje – bijvoorbeeld omdat je vindt dat het een kind vervreemdt van de werkelijkheid of dat het hem bang kan maken’- kun je dat beter niet uitkiezen, vooral omdat kinderen vaak feilloos de achterliggende emoties en oordelen van de volwassene opvangen. Een sprookje op een bandje of CD, waarbij de stemmen vaak erg overdreven intoneren, kan voor een kind ook beangstigend zijn.
Een sprookje kun je het beste zo objectief en terughoudend mogelijk vertellen.
Je bent dan een bemiddelaar tussen het sprookje en het kind, dat vrij wordt gelaten om er zijn eigen beelden bij te nemen.
Dat is vaak het probleém met rages als Teletubbies of Pokémon. Dat zijn voorgekauwde en door volwassenen ingevulde beelden die over een kind worden uitgestort zonder dat hij daar een eigen voorstelling bij kan vormen. In mijn ogen maken die kant en klare beelden, waartegen een kind zich niet kan verweren, misbruik van de kinderziel. Het is een soort schaduwkant van wat hij werkelijk zoekt. Dat wil niet zeggen dat je die dingen buiten de deur moet houden. Maar ik zou er, vanuit mededogen met het kind dat zo door die beelden wordt gegrepen, andere beelden naast zetten die het kind wel steunen in zijn ontwikkeling.’

Waar moet je op letten als je een sprookje uitkiest?

‘Neem jezelf maar als maatstaf. Als jij een sprookje te lang, te ingewikkeld of te wreed vindt, dan moet je het niet aan je kind vertellen. Er zijn genoeg sprookjes -zoals ‘De wolf en de zeven geitjes’ of ‘De kikkerkoning’ – die een enorme diepgang hebben en toch heel geschikt zijn voor kleine kinderen. Door zelf een aantal sprookjes te lezen, krijg je er vanzelf gevoel voor welk verhaal het best is voor jouw kind. Als je een kind hebt dat wat zwaar op de hand is, dan kun je proberen een sprookje te vinden dat juist de lichtvoetigheid aanspreekt.
In ‘Het dappere snijdertje’ bijvoorbeeld worden de weerstanden met humor en niet zozeer door strijd overwonnen.’

Maakt het voor het kind uit of je het sprookje vertelt of voorleest?

‘Dat maakt wel uit, maar ik kan me voorstellen dat er vaak niet voldoende tijd is om een sprookje zo in je op te nemen dat je het vrij kunt vertellen. Het belangrijkste blijft of je achter het verhaal staat. Leer in ieder geval nooit een sprookje uit je hoofd. Wanneer je vrij wilt vertellen, dan is de eerste stap dat je de reeks gebeurtenissen in het verhaal voor je probeert te zien. Zelf doe ik dat het liefst als ik in beweging ben, dus lopend of fietsend.

Stel je het donkere woud voor, het lichtje waar je naar toe gaat, het huisje met de roversvrouw die bij het vuur zit, de rovers die thuis komen… Door dat proces beweeglijk te houden, voorkom je dat je het verhaal uit je hoofd leert. De tweede stap is dat je de tekst er weer bij pakt en die zo nauwkeurig mogelijk verbindt met de beelden die je hebt gevormd.’

Is een sprookje geschikt voor het slapen gaan?

‘Dat is een heel goed moment. Er is dan weinig afleiding, het kind kan de beelden in alle rust opnemen en meenemen in de slaap. Als ik naar kleine kinderen kijk als ik ze een sprookje vertel, dan word ik vaak ontroerd door die totale overgave aan wat ze horen. Uit hun blik spreekt dan iets dat ik niet anders kan omschrijven dan een religieuze stemming.’ 

De boeken van Bert Voorhoeve over sprookjes zijn uitgegeven bij Christofoor. Enkele titels: Waar kom je vandaan en waar wil je heen?; Verhalen en sprookjes op de grens van leven en dood; Verhalen en sprookjes rond de geboorte.

Zij luisteren beiden naar een oud verhaal,
wondere dingen komen aangevlogen
zichtbaar in hun verwijde ogen
Als bloemen, drijvend op een schaal.

Er is een zachte spanning in hun wezen,
zij zijn verloren en verzonken in elkaar.
– het witte en het blonde haar-
geloof het maar, geloof het maar,
alles wat zij vertelt is waar
en nooit zal je iets mooiers lezen.

M. Vasalis

.

Sprookjes: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1744

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sprookjes – Er was eens……(12-1)

.

er was eens, maar hoe lang nog……?

Rond de sprookjes is het eigenlijk wonderlijk gesteld.
“Je moet me geen sprookjes vertellen’, staat toch min of meer gelijk aan: ‘Je moet niet tegen me liegen.’ Of  ‘me geen onzin verkopen.’
In dit verband delen ze het lot van de mythe. Ook deze wordt vaak gelijk gesteld aan iets wat niet klopt. De mythe wordt dan – of moet dan worden ‘ontmaskerd’ of ‘ontzenuwd’.

In zijn boek ‘Er was eens en er is nog’  verklaart C.J.Schuurman’  sprookjes. Hij zegt: ‘Mythen en sprookjes zijn de dromen van de mensheid die zo een expressie van het wezen van de ziel vertolken. We zien in de symbolen onszelf weerspiegeld in onze neigingen, verlangens en onze zoektocht naar bewustwording.’

De ‘leugens’ en/of ‘de onzin’ maken bij hem plaats voor dieper liggende symboliek. Is dat de waarheid achter de sprookjes?
Voor Schuurman wel, maar iemand die een recensie over het boek schreef, merkt op: ‘De inleiding behelst een theorie over het sprookje, die alleen als curiositeit waarde heeft’. En even verder: ‘een opvatting volgens welke sprookjes een “oneindig gevarieerde uitbeelding van het kosmisch gebeuren” en een “uitdrukking van wat in de onderstroom van de ziel leeft” zijn, kan nergens anders in uitmonden dan in een zeer speculatieve wijze van uitleggen.

Maar niet alleen Schuurman heeft zich aan uitleg gewaagd. Ook Freud bijv. En het hoeft niet te verbazen dat hij ze bekeek vanuit zijn visie op seksualiteit. [7-1]

Erich Fromm schreef ‘Dromen, sprookjes, mythen
De recensent van dit boek zegt: ‘Fromm wil de ‘symbolische taal’, waarin moeilijk grijpbare innerlijke ervaringen uitdrukking vinden in narratieven van gebeurtenissen in de buitenwereld, onder de aandacht brengen. Hij noemt het de enige universele taal van de mensheid, de hele geschiedenis en alle cultuurverschillen overstijgend. We riskeren deze taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’

En dan is er bijv. ‘De symbolische betekenis van de klassieke sprookjes
Daarvan wordt gezegd: ‘Een symbool is een openbaring en een versluiering van een waarheid die erachter verborgen ligt. Sprookjes, en haar symbolen, worden van generatie op generatie doorgegeven en zijn levend gebleven omdat “de mens er het werkelijk levende in gevonden heeft’.

In ‘Waar kom je vandaan en waar wil je naartoe? van Bert Voorhoeve, is ook sprake van ‘beeldentaal’.

En Jung had weer zijn visie in ‘De mens en zijn symbolen

Over de mythe zei Rudolf Steiner dat deze wel op zevenvoudige manier verklaard kan worden. Of hij dat over de sprookjes ook heeft gezegd, is mij niet bekend, maar het zou me niet verbazen, gezien de vele interpretaties die er in de loop van de tijd gegeven zijn.

Ook Rudolf Steiner heeft over de sprookjes gesproken: Sprookjes

De recensent zegt erover:
‘Drie voordrachten door de grondlegger van de antroposofie (1861-1925). De eerste voordracht gaat over het sprookje in het licht van de antroposofie. De ziel heeft sprookjesbeelden nodig om ervaringen een plaats te geven. Omdat in oude tijden ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, kon de mensenziel toen sprookjesbeelden scheppen. De tweede voordracht behandelt de beeldentaal van de sprookjes. Sprookjes moeten worden geduid vanuit de achterliggende geestelijke werkelijkheid. Deze werkelijkheid wordt waargenomen door de gewaarwordingsziel, de verstandsziel of de bewustzijnsziel. Sprookjesmotieven als de reuzen, betoverde gestalten, het huwelijk worden in deze voordracht geduid. In de derde voordracht gaat Steiner in op de Rozenkruiserwijsheid in de sprookjes. Men voelde aan dat de oude geestelijke schatten aan het verdwijnen waren en dat men ze in de toekomst door de wetenschappelijk gefundeerde theosofie weer terug moest zien te krijgen. Dit vond plaats aan het begin van de negentiende eeuw. Het boek is niet gemakkelijk te lezen, maar achtergrondkennis over de antroposofie is niet per se noodzakelijk.’

Op grond van Steiners mededelingen zijn anderen de sprookjes verder gaan onderzoeken, o.a.
Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen‘; Rudolf Meier ‘Sprookjeswijsheid‘; Rudolf Geiger: ‘Met sprookjesprinsen op weg’

Het moge duidelijk zijn dat er nogal wat invalshoeken zijn van waaruit je naar sprookjes kan kijken.

En dat gebeurt af en toe:

Hier vanuit feministisch perspectief, dissertatie van Floor van Twuyver.

Waar mevrouw van Twuyver het vandaan heeft, weet ik niet, maar ze beweert dat sprookjes vooral favoriet zijn bij meisjes.
Ik zou dat vanuit een jarenlange praktijk als sprookjesverteller niet kunnen bevestigen: ik zag nooit een grotere interesse bij de meisjes t.o.v. de jongens.
De dissertatie begint al wat feministisch gekleurd: prinsessen in torens die wachten tot de knappe prins hen komt redden van de draak of over
Sneeuwwitje die weg moet vluchten omdat ze te mooi bevonden wordt door haar stiefmoeder.

Als het moet gaan om ‘de kracht van de vrouw’ had mevrouw van Twuyver ook kunnen beginnen met het zusje in ‘Broertje en zusje’ waarin zij haar broertje redt; of hetzelfde motief in ‘De zeven raven’ of Grietje die Hans toch maar mooi uit zijn kooi redt.

Ze zegt: ‘Ik vraag me af wat voor invloed dit heeft op jonge kinderen. De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving.

Dat is op zich natuurlijk een interessante vraag, waar ik ook het antwoord niet op weet. Dat is altijd de onmogelijkheid bij de opvoeding: je kan het niet dubbel doen: een opvoeding met en een opvoeding zonder sprookjes om dan te vergelijken wat het aan een kind heeft gedaan. Dat is bij veel meer dingen zo.

En: ‘De lessen die zij trekken uit het moraal wat aanwezig is in sprookjes, kunnen van invloed zijn op het beeld wat zij (later) krijgen van de samenleving’, gaat voorbij aan de vele sprookjes waarin het goede wordt beloond of gierigheid wordt bestraft enz. (Is het niet ‘de moraal(v!) die; en beeld dat?). Het is toch meer het ballonnetje van een suggestieve veronderstelling van de negatieve invloed van sprookjes op kinderen, vooral: de meisjes! – dat de schrijfster van het proefschrift hier oplaat.

Aan het proefschrift kan je zien hoe je over de sprookjes kan denken, gaat denken, wanneer je vertrekpunt ‘feminisme’ is.
Dat is trouwens ook zo wanneer het sprookje vanuit een heel andere optiek wordt bekeken, wanneer je vertrekpunt de symboliek is zoals die gevonden kan worden door de ontwikkeling van de mens, de menselijke ziel te bestuderen met bijv. antroposofische gezichtspunten, zoals Friedel Lenz, Meier, Geiger en Voorhoeve doen.

Het is niet mijn bedoeling met bovengenoemde gezichtspunten de feministische te weerleggen. Dat kan ook simpelweg niet, omdat de uitgangspunten totaal andere zijn. Alsof ‘Twee-oogje’ hetzelfde zou (moeten) zien als ‘Drie-oogje’.

Maar de feministische zienswijze pleit wél voor aanpassing van de sprookjes. Die zouden herschreven moeten worden.
Als dat gebeurt, is dat op basis van intellectuele gezichtspunten. Of zoals Fromm zegt: We riskeren deze (sprookjes)taal te vergeten omdat ze een andere logica vormt dan ons conventioneel rationeel realisme.’
En de feministische bril is dan wellicht niet conventioneel, zeer zeker wel rationeel en realistisch. Van deze tijd.
En dat is het grote verschil met het echte sprookje: het is van alle tijden!
Herschreven sprookjes kunnen geen sprookjes meer zijn, zoals ‘ze in oude tijden zijn ontstaan toen ieder mens nog helderziende vermogens bevatte die nauw verbonden waren met de geestelijke belevenissen van de ziel, toen kon de mensenziel nog sprookjesbeelden scheppen.’ (Steiner)
De ‘achterliggende geestelijke realiteit’ waarover Steiner spreekt, is niet de realiteit van een ‘hier en nu’ die vanuit feministische, rationele gezichtspunten de sprookjes als inhoud zouden moeten krijgen.

Op de vrijescholen worden sinds jaar en dag sprookjes verteld. Dat zijn zeker niet alleen de sprookjes die de gebroeders Grimm verzamelden. Alle mogelijke volkssprookjes kunnen worden gebruikt.
In de kleuterklassen (groep 1 en 2) en in de 1e klas (groep 3) zijn sprookjes de vertelstof.

Af en toe gaan er stemmen op of niet ook de vrijeschool de inhoud van de sprookjes zou moeten herzien, met het oog op bijv. feministische motieven. ‘Aanpassen aan de moderne tijd’ heet het dan en ‘ze zijn al 200 jaar oud, dat moet nodig gemoderniseerd’.

Wie niet in de eerste plaats naar de beeldentaal kijkt, naar de achterliggende geestelijke realiteit zoekt, zal tot andere interpretaties komen die met het ‘waarom de sprookjes op de vrijeschool zo verteld worden als ze worden verteld’, niet veel te maken hebben.

Sprookjes herschrijven leidt m.i. onvermijdelijk tot intellectualisering van het sprookje, tot de beeldenstorm ervan.

Rudolf Steiner gaf zijn pedagogische aanwijzingen om een onderwijs te creëren dat ‘moreel-spiritueel’ is, i.p.v. een onderwijs van ‘het intellect en het gemoed’.

Ik ben van mening dat volkssprookjes veel meer moreel-spirituele inhoud bevatten, dan intellectueel-gemoedelijk bedachte (feministische) verhalen, die ik ‘per definitie’ geen sprookjes kan (en zal) noemen.

.

Pieter HA Witvliet

.

Sprookjes: alle artikelen

.

1579

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/34454/%27Spiegeltje%2C%20spiegeltje%27%20een%20blik%20op%20de%20verhouding%20van%20Sneeuwwitje%20tot%20het%20hedendaags%20feminisme.pdf?sequence=1

https://www.nu.nl/cultuur-overig/5348528/sprookjes-worden-al-eeuwen-aangepast-maar-essentie-blijft.html

 

link naar artikel over infantilisering taalgebruik https://www.independent.ie/entertainment/british-prizewinning-author-slams-dumbing-down-of-language-in-childrens-books-37022860.html

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (2-4/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

ROODKAPJE

Het sprookje van Roodkapje heeft iets weg van het sprookje van de wolf en de zeven geitjes. Maar nu spelen de handelingen zich niet af in de instinctieve sfeer, maar we horen hier over de ziel zelf.

Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar het allermeest haar grootmoeder, en die had haar wel alles willen geven. Op een keer gaf zij haar een mutsje van rood fluweel en omdat het haar zo goed stond en zij niets anders meer op wilde zetten werd zij enkel Roodkapje genoemd.

Onervaren, naïef en onschuldig verschijnt de kinderlijke ziel waarvan iedereen houdt. Het rode kapje van grootmoeder is haar opvallende en belangrijke bezit. ‘Ich nehme das auf meine Kappe’, is een beeldrijke uitdrukking in het Duits. Niet bedoeld is de uiterlijke kap, net zo min als de uiterlijke hoed, wanneer we zeggen: ‘Da geht mir der Hut hoch’. [In het Nederlands kennen we ook wel dergelijke uitdrukkingen: ‘het gaat boven mijn pet’; ‘iets onder de pet houden’, gooi het maar in mijn pet’.]
Wat is echter de innerlijke kap? Ons eigen-denken is het, ons aan de hersenen gebonden denken. De hersenen zitten toch als een soort kap op het hoofd. En zoals deze ons bedekt en naar boven afsluit, zo betekent ook ons hoofddenken een zekere afsluiting. Toch leeft daarin onze heel persoonlijke binnenwereld. Deze binnenwereld sluit ons aanvankelijk af van een geestelijke wereld boven ons. Denkend kunnen we weliswaar weer met deze wereld in contact komen, maar niet, wanneer we als Roodkapje naïef en onervaren zijn. Want dan beleven we eigenlijk alleen maar onze subjectievie voorstellingen over de wereld.
Terwijl de vroegere mens door helderziende beelden tot kennis kwam – nog in de antieke oudheid schouwde de mens de wraakgeesten in de gestalte van de erinnynen of furies -, moet de hedendaagse mens de gevolgen van zijn daad denkend in zijn geweten verwerken, hij moet die ‘auf seine Kappe’ nemen.
Wanneer het sprookje erop wil wijzen dat het bloed van invloed is op dit hersendenken, spreekt het over de rode kap. Als een positief en negatief beeld komt de rode kap in verschillende Europese sprookjes voor. In het bloed leeft de hartstochtnatuur: ‘Ich sehe rot’, zegt menigeen in zijn opwinding; maar ook ons Ik is van het bloed afhankelijk. Gezond rood bloed maakt ons wakker, drukt de persoonlijkheid uit, die anders zwak en apathisch zou worden. De kwaliteit van het denken wordt zichtbaar in de kleur van de kap, het proces zelf echter wordt zowel in cultus als gewoonten en zeden zichtbaar. Witte kappen duiden erop dat het denken zich meer op het onstoffelijke, het bovenzintuiglijke richt (zie de hoofdbedekking in klooster, de mijters van bisschoppen, o.a.) De zwarte kap betekent het tegendeel: het denken is gericht op de aardse wereld. In een cultische handeling moet het hoofd van de priester onbedekt zijn, in zijn toespraak of preek, waarbij de eigen gedachten tot uitdrukking komen, wordt een zwart hoofddeksel opgezet. Ook een rechter zet bij het uitspreken van de veroordeling bijv. zijn zwarte ambtsbaret op, want hij moet de uit eigen inzicht gewonnen veroordeling ‘auf seine Kappe nehmen’, op de ambts’kappe’ [verantwoorden]
Overal waar de hoed afgenomen wordt voor achtbare personen, stamt dit uit dezelfde opvatting: voor jou geldt mijn eigendenken niet, mijn wezen staat voor jouw wezen open. Dat wil dit gebruik zeggen.
Grootmoeder heeft het kind het rode kapje geschonken: uit het oude voorvoelende weten – [ahnenden Wissen] vergelijk Ahnung [voorgevoel] en Ahne [voorouder] -heeft zich dit ik-achtige [ichhafte], persoonlijke hoofddenken voorbereid. Zij zelf heeft het niet. Zij is ‘ziek en zwak’. Een nieuw ontstane en een naar het einde gaande ontwikkeling staan tegenover elkaar. De ziel die met ik-kracht denkt is in verschijning getreden en iedereen is blij met deze ontwikkeling.

Op een dag zei naar moeder tegen haar: ‘Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar je grootmoeder, zij is ziek en zwak en dit zal haar goed doen. Ga nu maar voor het te warm wordt en als je buiten komt, loop dan netjes en rustig en dwaal niet van het pad af, anders val je en breek je de fles en dan heeft grootmoeder niets. En als je haar kamer binnen komt, vergeet dan niet goedemorgen te zeggen en snuffel niet eerst overal rond.’ ‘Ik zal goed oppassen,’ zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar de hand op.

Oude voorouderwijsheid heeft liefdevolle aandacht nodig en aan de herinneringen moet zorg worden besteed. Brood en wijn zijn heilige gaven. De moederlijke ziel geeft ze, de kinderlijke moet ze wegbrengen. Hoe kinderlijk schetst het sprookje het voor ons met een paar woorden. Gaat niet ieder Roodkapje van het pad af en volgt zijn eigen hoofd? En beleefdheid jegens anderen moet voortdurend worden geoefend, omdat we anders te veel met ons zelf bezig zijn. Nieuwsgierigheid is evenwel rijkelijk aanwezig, want je moet toch de wereld tot in alle uithoeken leren kennen.
Hier wordt ons de ziel die nog onervaren is in het denken getoond, de naïeve ziel wat het denken betreft. Zo was het in de mensheid toen het intellectuele denken begon, zo gaat het met ieder mens wanneer die voor het eerst naar school gaat. Dit tijdstip houdt een crisis in.

Grootmoeder woonde echter buiten in het bos een half uur van het dorp. Toen Roodkapje nu in het bos kwam ontmoette zij de wolf. Roodkapje wist echter niet wat voor een boos dier het was en was niet bang voor hem. ‘Goedemorgen, Roodkapje,’ sprak hij. ‘Dag Wolf.’ – ‘Waarheen ben je zo vroeg op pad, Roodkapje?’ – ‘Naar grootmoeder.’ – ‘Wat draag je daar onder je schortje?’ – ‘Koek en wijn, wij hebben gisteren gebakken en nu zal grootmoeder die ziek en zwak is zich tegoed kunnen doen en weer aansterken.’ – ‘Roodkapje, waar woont je grootmoeder?’ – ‘Nog ruim een kwartiertje lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis, en beneden staan de notenhagen, dat weet je vast wel,’ zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: dat jonge tere ding dat is een mals hapje, dat smaakt nog lekkerder dan die oude vrouw; je moet het slim aanleggen zodat je ze allebei vangt.

In ‘Doornroosje’ hebben we de macht van het boze leren kennen, die onze voorouders Loki noemden, de Bijbel Lucifer, hier staat een macht voor ons die in de Bijbel Satan wordt genoemd. Tegenwoordig wordt er tussen deze twee niet veel verschil gemaakt, ze worden simpelweg duivel genoemd. Maar de sprookjes maken een heel precies onderscheid in spirituele verhoudingen. Het is de bekende, maar niet doorgronde macht van list en bedrog die de waarheid voor de mens verduistert en hem de wereld van de zintuigen voorschotelt als de enige echte en hem uitlevert aan het eenzijdige materialisme. Bedoeld is het ‘onschuldige’ dier wolf. Onze voorouders noemden hem de Fenriswolf, bij de Perzen had deze macht de naam Ahriman.
De Germaanse mythe zegt dat hij de godenschemering dichterbij zal brengen. Wanneer echter een goddelijke wereld verduistert en niet meer gezien kan worden, is elke individuele ziel overgeleverd aan de duisternis. Roodkapje toont ons de innerlijke crisis door de invloed van de wolf. het grote gevaar wat het boze betreft, is de naïviteit die het niet herkent. Roodkapje wist niet wat voor kwaadaardig dier het was. Nee, ze verklapt hem zelfs de weg naar grootmoeder, laat daarmee zien waar de eerbiedwaardige oertoestand zich bevindt. Voor de Germanen heersten in Midden-Europa de Kelten. Zij hadden een hoog ontwikkelde priesterstand, de Druïden. (In het Grieks betekent drys de eik…) Voor het huis van een Druïde stonden als een teken van waarheid drie eiken. Zij waren de grote strijders tegen de ook in het Noorden oprukkende verduistering van spirituele overleveringen van een nog kosmisch weten. Zij kenden de wolf. De hazelnootstruik gold in de Keltische beeldspraak als een soort levensboom. Daar waar de Druïdenoverlevering nog heerst, onder de drie grote eikenbomen, daar bevindt zich ook het centrum van de levenskracht (notenhaag). Dat zul je wel weten, zegt Roodkapje; zo spreekt de grootste naïviteit.

Daarop liep hij een eindje met Roodkapje mee en zei toen: ‘Roodkapje, zie je al die mooie bloemen niet die overal in het rond staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe liefelijk de vogeltjes zingen. Je loopt maar door alsof je naar school gaat en dat terwijl het hier buiten in het bos zo verrukkelijk is.’
Roodkapje keek op en toen zij de zonnestralen door de bomen zag dansen en zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht zij: Als ik voor grootmoeder een vers geplukt boeketje meebreng zal zij dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg op de dag dat ik toch wel op tijd kom. Daarmee liep zij van het pad af het bos in en ging bloemen zoeken. En toen zij er één geplukt had, dacht zij dat er verderop een nog mooiere stond en liep daarheen en raakte steeds dieper het bos in.

Roodkapje keek op: toen vielen haar de schellen van de ogen, zoals in de Bijbel na de verleiding door de slang. De blik wordt afgeleid van de eigen diepe zielenwereld en op de buitenwereld gericht. De ziel haast zich van indruk tot indruk, van de ene vreugde van de zintuigen naar de volgende; als bloemen in een boeket worden ze verzameld.

Maar de wolf liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur. ‘Wie is daar?’ – ‘Roodkapje, ik breng koek en wijn doe de deur maar open.’ – ‘Druk maar op de klink, ik ben te zwak en kan niet opstaan,’ riep grootmoeder. De wolf drukte op de klink, de deur ging open en hij liep, zonder een woord te zeggen, recht op grootmoeders bed af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar muts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen dicht. Roodkapje echter had rondgelopen en bloemen geplukt en toen zij er zoveel bij elkaar had dat zij er niet meer kon dragen, herinnerde zij zich haar grootmoeder weer en ging op weg naar haar toe. Zij was verbaasd dat de deur openstond en toen zij de kamer instapte was het haar zo vreemd te moede dat zij dacht: Lieve hemel, wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik anders toch zo graag bij grootmoeder ben. Zij riep: ‘Goedemorgen,’ maar kreeg geen antwoord. Toen liep zij naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met de muts over het gezicht getrokken en zij zag er erg vreemd uit. ‘O, grootmoeder,’ zei zij, ‘wat heb je grote oren.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen horen.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote handen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen pakken.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote mond.’ – ‘Dat is om je beter op te eten.’ En nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was met een sprong het bed uit en verslond het arme Roodkapje.

Terwijl de ziel alleen nog maar gericht is op de zintuigwereld – dat zou goed zijn, wanneer het niet op aanraden van de wolf gebeurd zou zijn – valt de voorouderwijsheid (grootmoeder) ten prooi aan het lot van de verduistering. Zoals waardige zeden en oude gebruiken als eerste verdwenen en eeuwenlange overleveringen door de mensheid geminacht werden, toen het moderne denken tot ontplooiing kwam, zo gaat ook individueel voorouderlijk gevoel, oerweten dat lang gold, verloren. De mens zelf levert het uit zonder het te beseffen aan die macht die het leven belemmert en vernietigt, die onze voorouders wolf noemden. Hij sluipt hier weliswaar niet in schaapskleren rond, maar in de kleren van grootmoeder, d.w.z. hij trekt op die manier de mantel aan van het overgeleverde weten, de onervarenheid denkt hier oude, wijze taal te horen, maar die is tot leugen verworden. Geen menselijke ziel kijkt naar de ander, maar dierlijke begeerte. Egoïsme en begeerte grijpen naar haar en verslinden haar en zo valt de ziel aan de verduistering ten prooi.

Toen de wolf zat was ging hij weer in het bed liggen, viel in slaap en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jagersman voorbij die bij zichzelf dacht: Wat is die oude vrouw aan het snurken. Ik zal eens even kijken of haar iets mankeert. Hij ging de kamer binnen en toen hij bij het bed kwam zag hij dat de wolf erin lag. ‘Moet ik je hier vinden, ouwe boosdoener,’ zei hij, ‘ik heb lang naar je gezocht.’ Hij wilde net zijn geweer aanleggen toen hij ineens bedacht dat de wolf de grootmoeder wel eens opgeslokt zou kunnen hebben en dat zij misschien nog gered kon worden en dus schoot hij niet maar nam een schaar en begon de buik van de slapende wolf open te knippen. Hij had nog maar een klein eindje geknipt toen hij het rode kapje zag glanzen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: ‘Ach, wat ben ik geschrokken, wat was het donker in de buik van de wolf.’ En toen kwam de oude grootmoeder er ook nog levend en wel uit, al snakte zij naar adem. Roodkapje haalde echter vlug grote stenen en daarmee vulden zij de buik van de wolf en toen hij wakker werd wilde hij weglopen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen in elkaar zakte en dood ter aarde viel.

In de Germaanse mythen stopt Widar, de zwijgende onder de Asen die lang had gewacht – want de wolf nam zijn eigen tijd – zijn schoen in de bek van de Fenriswolf en overwint hem in de strijd. Als daar op een grote geestesstrijd van de mensheid wordt gewezen, dan verhaalt het sprookje over wat er persoonlijk in de ziel gebeurt. Het is, zoals Wilhelm Grimm zegt, een stukje van de gebarsten edelsteenmythe. Het verschijnt aan de helpende jager, het verbeeldt een kracht die doelgericht wilde driften ‘op de korrel neemt’ en ze vernietigt. Maar hier moet de schaar worden gebruikt. De schaar die uit twee messen bestaat, is een teken voor de dubbel geslepen oordeelskracht. Deze kracht alleen is in staat de ziel weer te bevrijden. ‘Ach, wat was het donker in de buik van de wolf’: hoe duister was de tijd omdat de wolf niet werd herkend. Aan zijn eigen dodelijk materialisme (de stenen) moet hij ten gronde gaan.

Toen waren zij alle drie blij. De jager stroopte het vel van de wolf af en ging ermee naar huis, de grootmoeder at de koek op en dronk de wijn die Roodkapje had meegebracht en knapte weer op, maar Roodkapje dacht bij zichzelf: Zolang ik leef, zal ik nooit meer in mijn eentje van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder mij dat verboden heeft.

.

Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen

 

Sprookjes: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: 1e klassprookjesillustraties

.

26 Grimm Roodkapje 2

 

1565

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Sprookje (11-1/2)

.

Friedel Lenz interpreteerde vele sprookjes. [sprookjes]

Over het Zwitserse sprookje: DE ROOS DIE MIDDEN IN DE WINTER BLOEIT   zegt ze:

Uit vele beelden uit de middeleeuwen komt de roos ons open en zwijgzaam tegemoet. En dat is niet anders in de sprookjes. Ieder land heeft wel zijn rozensprookjes.
Bekijk je de motieven van deze sprookjes, dan zie je de basisgedachten en je kan verbaasd staan over het feit dat deze zo veranderd zijn dat ze precies bij ieder volk passen.
De Zwitsers hebben een mooi rozensprookje. Daarvan zullen de beeldmotieven hier besproken worden.
De rozenstruik gaat met zijn wortel diep de grond in en staat daardoor stevig vast; Met doorns groeit hij de hoogte in en aan de mooie groene takken vormt hij de heerlijke rode rozen met de pure, edele geur. Op de manier waarop hij opbloeit uit de houtige substantie met doornen, kan de mens op een roos lijken als deze zijn innerlijk dor-zijn en zijn hardheid van de ziel overwint, wanneer hij het lagere overstijgt en zijn bloed zuivert van lagere driften.
In de beeldentaal is de roos het symbool van de zuivere, gelouterde bloednatuur in de mens  en heel in het bijzonder het beeld van de liefde van Christus.
Daarom vinden we de roos zo vaak bij de Madonna met het Kind; ook bij het kruis dat door rozen omrankt is.

De derde en jongste dochter van de molenaar wil graag een roos en omdat het hartje winter is, zien we de zin van deze bloem. Uit de koude van de ziel, uit verstarring en verharding moet de Christusliefde opbloeien die ooit als het grootste geschenk van genade door het Christuskind naar de aarde gebracht is – de onzelfzuchtige, al het lagere overwinnend, alle goedheid in zich dragende liefde.
De molenaar moet daarbij helpen. Geheimvol is hij in het innerlijk van de mens actief. Zoals in de buitenwereld het koren vergaard wordt en tot meel gemalen, zodat wij ons brood kunnen bereiden, zo moet innerlijk alles wat de dag aan ervaringen en belevenissen als vrucht opgeleverd heeft, bereid worden zodat daaruit een geestelijk kennen gewonnen kan worden, het ware brood voor de ziel.

Hij moet goed met de katten omgaan, deze molenaar. Want waar de zuivere liefdekrachten gezocht worden, zijn ook de liefdesinstincten, de driften actief. Maar wie ernstig op zoek is naar de rode roos, kan daarmee omgaan zonder dat hij er last van heeft. (Als je het kinderen zou laten schilderen, zou je witte katten moeten schilderen)
Wie hen echter op hoger niveua ontmoet (de molenaar gaat de trap op), wie door zijn driftleven wakker wordt (de grote kat kookt koffie voor hem), wie deze krachten dienen (zoals in het sprookje: ‘Der Müllersbusch und das Kätzchen’) die kan verder, zodat hij uiteindelijk de rode roos vindt. Maar deze roos kun je niet zomaar afbreken. Je moet hem verdienen en je met je hele wezen inzetten om hem van jezelf te maken. Hem bezitten houdt een verplichting in, want het gaat om het geheim van de verandering.
De ontwikkeling van de liefde is in de mensheid al lange tijd bezig tot vervulling te komen en we weten dat we het doel nog bij lange na niet bereikt hebben. In oude tijden gold onder de mensen alleen de liefde van het bloed. Die van hetzelfde bloed waren, koesterden sympathie voor elkaar. Familie, clan, en stam hielden de mensen bij elkaar. Wie tot een vreemd volk hoorde, was een barbaar en werd vaak aan de goden geofferd. De mens kon in de ander nog niet het Ik beleven, dat boven de groep, het volk en het ras uitstijgt – als de mens op zich, als zijn eeuwige wezenskern. Want hij had nog geen bewustzijn van zijn  eigen  Ik. Hoe meer hij een zelfstandig wezen werd en zich tot een vrije persoonlijkheid ontwikkelde, des te meer maakte hij zich los van de bloedsbanden en kon hij dit Ik ook in de ander herkennen. Hij leerde zelfstandig te worden en vanuit hemzelf te handelen. Liefde was geen drift en gebonden aan het bloed, maar een vrij geschenk. Bij deze ontwikkeling hielpen geestelijke wezens die zo op het menselijk bloed inwerkten, dat ze daarmee de impuls van vrijheid, van zelfstandigheid, van trots aanlegden. Dat waren de luciferische geesten, de gevallen engelen die zich losgemaakt hadden uit het samengaan met de zich ontwikkelende goddelijke machten en op de mens begonnen in te werken. Lucifer wordt ook ‘de oude slang’ genoemd. [1]

De impuls van de vrijheid kan er echter ook toe leiden dat de mens iedere binding, ook die goed is, loslaat, dat hij zich in tegenstelling tot alles en iedereen een eilandje voor zichzelf bouwt, waarop hij  alleenheerser wil zijn. Hoog-moed, over-moed zijn luciferische eigenschappen. Zelfstandigheid en Ik-gevoel kunnen tot trots leiden, tot egoïsme worden, wanneer de mens zoveel van zijn kleine Ikje houdt, dat hij het boven alles verheft en de leefomgeving veracht of tiranniseert, in plaats van zich er liefdevol aan te wijden.

Dit alles spreekt uit het beeld: de koningszoon is door een boze heks in een afgrijselijke slang veranderd. Hij woont daar waar hij naar de roos kan kijken, maar hij kan deze niet afbreken. Zijn hogere Ik is een  lager ego  geworden. Het leeft wel met het verlangen, al het kwaad in zich te overwinnen, maar het weet ook, dat het alleen dan een onzelfzuchtig, liefhebbend Ik kan worden, wanneer de ziel die in het bezit is gekomen van deze liefde, zich helemaal met hem kan verbinden, wanneer hij een zo diep mogelijk bezield wezen kan worden. Bloedsliefde en egoïsme zijn fasen op weg naar de ware liefde, maar wel fasen die doorlopen moeten worden. Dat dat lukt, daarbij helpt dat hoge wezen dat zich uit vrije liefde geofferd heeft en zich met het lot van de mensheid heeft verbonden, Christus. Hij overwon Lucifer. Wanneer we kunnen zeggen: niet Ik, maar de Christus in mij’, is ook in ons de oude slang gemetamorfoseerd.

De derde en jongste dochter zegt steeds ‘ja’ tegen iedere ‘vrijer’. En zonder angst gaat ze het rijk van de slang binnen.
In de derde nacht ontsteekt ze het licht. Het motief lijkt op dat van Psyche en Amor, al is het anders. Psyche wordt door de beide zusters opgehitst naar de geheimzinnige echtgenoot in de nacht, te kijken, die ze nog nooit met eigen ogen heeft gezien. Zij steekt uit nieuwsgierigheid en tegen het gebod van Eros, de lamp aan. Drie druppels olie vallen op hem en hij vlucht weg en zij moet hem zoeken onder pijn en leed.
In alle sprookjes waarin de jonkvrouw de rode bloem van de liefde, de rode roos, zoekt, is dit gebod niet nodig. De liefhebbende ziel is niet nieuwsgierig en ze heeft geduld. Voor ons sprookje betekent dat: ze vatte moed! Zij had de moed om te leren kennen, om de betovering ongedaan te maken en verlossing te schenken. Ondanks dat – er valt een druppeltje olie op de jongeling, is hij nog niet helemaal bevrijd uit de luciferische macht.
Nooit kan de ziel, zoals deze is, de geestelijke bruidegom verlossen, vóór ze niet zelf volledig gelouterd is en een ‘hogere ‘ziel is geworden. Zij moet de tegenovergestelde goede eigenschappen ontwikkelen, die nog ontbreken. ‘Je moet door de wijde wereld trekken, tot je een paar ijzeren schoenen versleten hebt.’
Wie een tekort aan ijzer in het bloed heeft, wordt bleek, apathisch, wilszwak; ijzer maakt actief, wakker en daadkrachtig. IJzeren schoenen trekken naar beneden, geven aardezwaarte en aardegebondenheid. We leren waaraan het het Ik ontbrak: het stond te weinig in het leven, het had zich misschien dwepend en hoogmoedig, eenzijdig op een wereld gericht die het wereldvreemd maakt. Daarom moet de ziel zich nu helemaal op de aarde richten, krachtig en uit vrije wil in het leven staan en niet wegvluchten in idealistisch enthousiasme. Voor de ziel waarin een nieuw geestelijk leven kiemt, is de levensweg zwaar en die in een nieuwe vorm wil verschijnen waarin een nieuw mensdom opleeft. In haar komt het ware, liefhebbende zelfloze Ik tot rijping, ‘het geesteskind in de schoot van de ziel’, zoals de mystici uit de middeleeuwen zeggen.
‘Je moet de ijzeren schoenen in een warme koeienvlaai leggen, dan worden ze broos’, zegt de oude vrouw tot het meisje. Een eerste gevoel komt in de ziel op dat zich vanuit de beperktheid van het innerlijk leven tot een wereldomvattend bewustzijn komt, dat ze deemoedig dienstbaar moet zijn. Want de warme koeinvlaaien zijn alleen maar in de stal te vinden en werken in de stal is een nederig, deemoedig werk, zegt het Zwitserse herderssprookje.
Waar moed om te dienen ten grondslag ligt aan de omwerking van de aarde, zal de weg weldra afgelegd zijn.
Het meisje bereikt het slot van de goede koningin en brengt ’s nachts een jongetje ter wereld. Op het ogenblik van de geboorte verkondigt een stem, wie dit jongetje zal worden: het is het doorchristelijkte Ik, dat de genade van de verlichting deelachtig is. Het steunt op die kracht die als de weerspiegeling en weerschijn van de wijsheid in hem leeft. Dit Ik wordt niet door zijn driftnatuur betoverd, maar het zal zich ook niet wezensvreemd uit deze natuur terugtrekken. Het zal zijn driften sturen met de staf van de schoonheid, zoals ook aan de jongeling opgedragen is door de zilveren koning in Goethes sprookje ‘Van de groene slang en de witte lelie.’
Maar dit geheim van een metamorfose moet zich in stilte voltrekken. ‘Wanneer de hanen niet kraaien en de klokken niet beieren, zal ik naar je toe komen.’
Waar het ware Ik geboren is, moeten alle lagere Ik-instincten zwijgen. Pas dan kan het zich volledig vertonen.
In Amor en Psyche wordt Psyche na haar lijdensweg in de godenhemel opgenomen. In ons sprookje wordt het rijk van de hemel  door de liefhebbende ziel naar de aarde gehaald die Lucifer overwint en het geesteskind baart. Daarmee komt het kerstgeheim van de menselijke ziel tot vervulling:
de rode roos midden in de winter, is de roos die uit de wortel van Jesse opbloeit.

Friedel Lenz, der Elternbrief, nadere gegevens onbekend.

[1] Zie kerstverhalen nr. 2

sprookjesalle artikelen

vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                           sprookjes  (Grimm)

.

1404

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookje (11-1/1)

.

(Dit is niet het kerstverhaal over de kerstroos)

Een rozensprookje uit Zwitserland

DE ROOS DIE MIDDEN IN DE WINTER BLOEIT

Er was eens een molenaar die drie dochters had. De twee oudste deden uit de hoogte, de jongste echter, was bescheiden en goed.
Op een dag wilde de molenaar naar de markt. Toen wilden de beide oudste dochters heel graag, dat hij voor hen prachtige kleren zou kopen, de jongste echter wilde heel graag een bloeiende roos hebben.
De vader kwam op de markt en kocht kleren, maar nergens vond hij een bloeiende roos, want het was hartje winter.
Op de terugweg kwam hij langs een kasteel. De poort ging uit zichzelf voor hem open. Hij liep naar binnen en de poort sloot zich weer. Overal heerste diepe stilte, het scheen hem toe dat niemand het slot bewoonde. Tenslotte beklom hij een trap en toen kwam hij in een keuken die hij binnen ging. En kijk nu, daar brandde een helder vuur. Op de kachel zat een grote kat, de juist koffie aan het malen was en die keek hem vriendelijk aan. Toen ze klaar was met de koffie zei ze: ‘Miauw.’  Toen kwamen er een heleboel katten. De molenaar werd in het gezelschap opgenomen en de koffie werd in mooie kopjes opgediend. Er was veel lekkers bij.
Na het gastmaal bracht de grote kat de molenaar in een prachtige kamer waar  hij de hele nacht rustig zou kunnen slapen.

De andere morgen ging hij de tuin in en kijk, het was geen winter meer, maar heerlijk zomers. Middenin de tuin bevond zich een bron en naast de bron stond een prachtige rozenstruik en aan het topje bloeide één wonderschone roos. Heel blij dat hij nu toch nog aan de wens van zijn jongste dochter zou kunnen voldoen, brak de molenaar de roos af. Maar op hetzelfde ogenblik hoorde hij een stem en een afgrijselijke slang gleed uit de bron omhoog. De slang wendde zich tot de molenaar en sprak: ‘Omdat je mij beroofd hebt van de aanblik op de roos, moet je mij je dochter geven; als je dat niet belooft, moet je sterven!

Diep bedroefd ging de molenaar naar huis. Toen hij de roos aan het meisje gaf, sprak hij: ‘Lieve dochter, deze roos is mij duur komen te staan: want ik heb jou als prijs moeten beloven aan een afgrijselijke slang. Maar liever sterf ik nog, dan dat ik mijn woord niet houd.’
Nu werden de beide oudste dochters boos op haar en begonnen te schelden: ‘Net goed! Nu krijg je ook eens je straf voor dat je altijd maar iets bijzonders hebben wil. Als je ook een jurk gevraagd had zoals wij, dan had je onze vader dat leed kunnen besparen.’
Toen troostte de jongste haar vader en verzekerde hem: ‘Wees niet terneergeslagen! Ik ga me meteen klaarmaken om naar dat kasteel te gaan. Wat zou die afgrijselijke slang mij kunnen doen?’

Zo ging ze dus naar het kasteel.
De katten heetten haar welkom en ze werd allervriendelijkst behandeld. Na de gastmaaltijd brachten ze het meisje naar een prachtige kamer om te slapen. ’s Nachts hoorde ze dat iets op haar bed afkwam, maar ze durfde het licht niet aan te steken en te kijken wat het was. De andere nacht ging het net zo. De derde nacht echter, vatte ze moed en stak het licht aan en kijk, daar zat een schone jongeman naast haar en hij sprak: ‘Ik ben een koningszoon, een boze heks heeft mij in een slang veranderd, maar jij hebt me bevrijd!’
Nu had het meisje bij het aansteken van het licht een druppel olie op het hoofd
van de jongeman gemorst en daardoor had de heks nog niet alle macht over hem verloren. De koningszoon vroeg aan het meisje of zij zijn bruid wilde worden en het meisje stemde ermee in. ‘Maar,’ sprak hij: ‘Nu ben ik nóg niet helemaal verlost. Want jij moet nu de hele wereld door, net zolang tot je een paar ijzeren schoenen kapot gelopen hebt. Dan pas mogen we samen zijn.’
Met deze woorden verdween de koningszoon en het hele slot met hem. Op de plaats ervan stond in de winterse kou een doornstruik met een paar ijzeren schoenen ernaast.
Het meisje trok de schoenen aan en ging met bedroefd hart de wereld in.
Onderweg kwam ze in een groot bos en daar kwam ze een oude vrouw tegen. ‘Waarom loop jij op ijzeren schoenen?’, vroeg ze. Het meisje vertelde alles wat haar was overkomen. Toen troostte de oude vrouw haar en sprak: ‘Ik geef je een raad. Je moet de schoenen in een warme koevlaai leggen, dan worden ze snel broos.’
Het meisje volgde haar raad op en binnen een paar maanden waren de schoenen versleten.

Op haar dwaaltocht kwam het meisje in een stad en daar ging ze naar het koninlijk kasteel en vroeg om onderdak. De koningin had een meevoelend hart en liet het arme meisje vriendelijk binnen. ’s Nachts echter, kreeg het meisje een kind, een jongen. Op hetzelfde ogenblik dat de jongen werd geboren, hoorde je een stem die riep: ‘De gouden schaal en de zilveren staf! Wanneer je grootmoeder het zou weten, zou ze je in gouden windsels wikkelen. Wanneer de hanen niet zouden kraaien en de klokken niet zouden beieren, kwam ik naar je toe!’

De volgende avond gaf de koningin aan twee dienaressen het bevel bij de jonge moeder en het kind de wacht te houden. Om twaalf uur hoorden ze weer die stem die dezelfde woorden sprak: ”De gouden schaal en de zilveren staf! Wanneer je grootmoeder het zou weten, zou ze je in gouden windsels wikkelen. Wanneer de hanen niet zouden kraaien en de klokken niet zouden beieren, kwam ik naar je toe!’

De dienaressen vertelden het aan de koningin en die was heel verbaasd en ze wist niet wat het te betekenen had. Toen gaf ze het bevel alle hanen in de hele stad te slachten en alle klepels van de klokken vast te binden en de volgende nacht hield ze zelf de wacht. Op het middernachtelijk uur riep dezelfde stem weer: ‘De gouden schaal en de zilveren staf! Wanneer je grootmoeder het zou weten, zou ze je in gouden windsels wikkelen. Wanneer de hanen niet zouden kraaien en de klokken niet zouden beieren, kwam ik naar je toe!’
Toen riep de koningin: ‘Maar de hanen kraaien niet en de klokken luiden niet, dus kom naar ons toe!’
En zie: opeens stond haar eigen zoon voor haar. Het was de koningszoon, die ooit in die afgrijselijke slang was veranderd en nu door het meisje was verlost.
Toen was er in het koninklijk slot grote vreugd en er werd een grote bruiloft gevierd.

Der Elternbrief, nadere gegevens onbekend

Friedel Lenz heeft dit sprookje geïnterpreteerd.

sprookjesalle artikelen

vertelstofalle artikelen

1e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld1e klas                           sprookjes  (Grimm)

 

.

1403

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/4)

.

DE KONINGIN VAN DE ROSENTUIN* 

Er was eens… een meisje dat een poos eenzaam in de hut van de boer op de bergweide moest wonen. Het was hooi­tijd en weer een zware dag geweest. Toen het avond werd ging ze op een steen zitten die tussen het onkruid lag, dat overal om de hut heen woekerde. Ze legde haar handen in haar schoot om uit te rusten van het vermoeiende werk. Hoog om haar heen gloeiden en glansden de bergtoppen in het laatste zonlicht. Het leek wel of de hele berg­keten van de ‘Rosentuin’* tot één gouden wand was omgetoverd en of door die uitstraling het geheim, dat hij bevatte, juist nog meer verborgen werd dan anders.
Maar gloed en glans brachten het meis­je niet in verrukking, want die
betove­rende rijkdom riep alleen maar treuri­ge gedachten aan haar eigen armoede op. Nooit zouden eigen huis en haard bereikbaar zijn, voor haar en de jon­gen die haar ’t liefste was. ‘Ach lieve God’, zuchtte ze, ‘sinds die
oorlogs­benden alles verwoest en verbrand hebben, is voor ons alle kans op een dragelijk leven verkeken!’
Zo zat dat meisje daar in de eenzaam­heid, ingesponnen in zorgelijke gedach­ten.

Plotseling schrok ze op uit haar neer­slachtigheid door een helderglanzend licht; Toen ze opkeek om te zien waar dat licht vandaan kwam, zag ze dat een rijzige vrouw voor haar stond, schitterend en schoon, en boven alles koninklijk.
‘Kom’, zei de vrouw vol goedheid en wenkte haar. Het meisje legde haar hand op haar hart, als om het overwel­digende kloppen te bedaren. Ze veegde met haar schort de tranen uit haar ogen en ze ging mee. En zo bestegen zij hoger en hoger samen de ‘Rosentuin’ die gloeide in de avond­zon en ondanks het klimmen was het alsof alle zware vermoeidheid van haar afviel.

Dat éne woord – ‘Kom!’ – was haar als een belofte, die verhalen over goede en kwade verschijningen, in het ge­bergte, in haar wakker riep. Verhalen van de koning die daar boven zou wo­nen en van zijn gemalin, van haar die de ‘Rosentuin’ regeerde. De stilte van de berg omving hen steeds meer, de duisternis nam toe. Nog ho­ger stegen zij, stap voor stap, zwijgend. De vrouw ging een donkere, geheim­zinnige spelonk binnen en het was of de berg hen in zich opnam… Toen, plotseling, stonden zij in een prachtige zaal: niets dan stralende rijk­dom, lichtglans, alles even prachtig, en daarachter meer zalen en kamers met zilverachtig glanzende vloeren en kris­talheldere vensters. Daarbuiten zag het meisje een heerlijke tuin vol rode ro­zen. Ze zag het zilverachtige speelse water van een bron, ze zag jonge vrou­wen baden in een waterbekken, ze hoorde betoverend snarenspel en ge­zang. De sluier die over het geheim van de ‘Rosentuin’ had gelegen, was weggenomen!

Intussen zagen ze gedienstige dwergen, die wonderlijk mooie dingen aandroe­gen. Op bevel van de koningin brach­ten zij een kluwen wol. De koningin gaf het aan het arme meisje met de woorden: ‘Neem dit kluwen gerust van me aan. De beste wol die ik heb. En als je nooit aan iemand vertelt waar het vandaan komt, zal het ook nooit opraken. Nu, doe braaf je best, blijf vlijtig en weef aan je geluk!’

Met dit kostbare geschenk is het meis­je naar een oude tante gegaan, om met de wonderwol te weven. Ze weefde en weefde de mooiste dekens en doeken, want de wol raakte nooit op en glans­de alsof hij geschoren was van het Gul­den Vlies zelf.

Eens – nadat haar dagtaak al volbracht was – zat het meisje nog vlijtig te we­ven in de maneschijn. Plotseling stond weer, nu glanzend in het zilveren maanlicht, die koninklijke gestalte voor haar: de koningin van de ‘Rosen­tuin’, die haar een prachtig weefsel van gouddraad gaf. De koningin nam de handen van het meisje in haar beide handen en liet haar zó het kunstige pa­troon van het weefsel aftasten. Zij wees haar hoe zij de stof met bloem­ranken en vogelfiguren kon versieren.

De jongen die het meisje ’t liefste was, is met de kostbare stoffen naar alle windstreken eropuit getrokken, om ze in steden en aan edellieden op burchten, te verkopen. Na verloop van tijd waren ze samen zo ver, dat er ge­noeg was voor ‘eigen huis en haard’; zelfs voor iets op het brood en voor een paardje in de stal, was nog wat over. Dat werd me een bruiloft! En als het ’t meisje gelukt is, om nooit te verklappen waar de wol vandaan kwam, dan is haar wonderkluwen nóg niet opgeraakt en leven ze tot op de huidige dag, gelukkig en tevreden met elkaar.

* De ‘Rosentuin’ of ‘Rosengarten’ is een bergketen in de Dolomiten die vooral bekend is geworden door zijn rozerode glans bij zonsondergang. Veel sagen en sprookjes die betrekking hebben op dit ge­bied zijn nog bekend.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Lili Chavannes ‘Jonas’ nr.11., 25-01-1980

*Vrij vertaald door Caroline Bos-Everts uit Karl Paetow, Volkssagen und Marchen um Frau Holle, Uitg. Adolf Sponholtz Verlag.
Er bestaat nog een vertaling met als titel ‘De rozentuin’. Waarom mevrouw Bos voor ‘Rosentuin’ heeft gekozen, is niet geheel duidelijk.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1221

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

OP ZOEK NAAR VROUW HOLLES RIJK

Vrouw Holle is een zeer bijzondere vrouw.

Stralend mooi kan zij als “ de hoge witte vrouw” aan de mensen verschijnen, maar ook afschrikkend lelijk; grauw, oud en krom. Haar gestalte kan de ganse hemel vullen, maar ook verschijnt zij in het kleinste hutje op de hei. Zij voedt en laaft de ongeboren kinderen, beschermt de dieren, zegent het gewas en waar haar voet de aarde raakt, bloeien in de zomer de liefelijkste bloemen.
In haar liefde voor de mensen kan zij vol genade schenkend of wijs straffend zijn; het lot  in een mensen leven loopt als een draad door haar hand.
Haar rijk strekt zich eigenlijk over de gehele aarde uit. In Midden-Europa is zij echter het meest door de mensen ervaren; hier zijn de sagen en sprookjes over Vrouw Holle het talrijkst.

Tussen het Harzgebergte in het noorden en het Thuringer woud in het zuiden, in de streek Hessen, verheft zich de Meiszner, de berg  waar Vrouw Holle het liefst verblijft. Hier rust zij uit van haar tochten over de aarde, baadt zij zich in haar vijver, die toegang geeft tot haar onderaardse rijk, waar zij de moeder is van de ongeboren kinderen.

Deze zomer zijn wij op zoek gegaan naar de Meiszner. Het was heet en ver voor een oude Lelijke Eend, volgeladen met kinderen, tent en kampeergerei. Vanuit het groene, vlakke Holland reden wij de heuvels en bergen van Duitsland in, het Westerwoud, kwamen in Marburg, de oude universiteitsstad, waar wij alleen verkoeling vonden in de Elizabethskathedraal. Verder moesten we; met spanning keek ik uit naar de Meiszner en eindelijk op een zondagmiddag zagen wij haar opdoemen, maar hoe anders was ze dan ik mij had voorgesteld! Langgerekt en afgeplat, het hoogste punt wel 750 m hoog; een geweldig heuvelmassief, niet zoals je je in Holland een berg voorstelt. De bergen, voor Zwitsers zullen het heuvels zijn lijkt mij, daar tussen de rivieren de Fulda en de Werra en zuid- oostelijk van Kassel zijn langgerekt en donker.

Ze doemen tegen de horizon op zoals in Holland, tegen de avond langgerekte wolken zich formeren, donker en samen met de aarde, terwijl de lucht daarboven nog licht is. En de grootste van alle is de Meiszner, Vrouw Holles uitverkoren berg.

We reden er langzaam naar boven; het was er druk met zondagsmensen, die kwistig hun ijspapiertjes en lege limonadebekertjes rond strooiden en we merkten dat zondag geen geschikte dag was om de Meiszner te bezoeken.

‘S nachts kwam er een geweldig onweer, dat tussen al die bergen heen en weer gegooid werd en daardoor uren duurde; Vrouw Holles verontwaardiging over al die zondagsdrukte?

Maar gelukkig vonden wij de volgende dag de Blaue Kuppe, een  hoog oprijzende heuvel, middenin een groot breed golvend akkerland. Daar was het stil, daar bloeiden de prachtigste bloemen, daar flitste een salamandertje tussen de stenen en daar vonden we plotseling een alleenstaande kruisbessenstruik, waarvan de takken diep door bogen onder het gewicht van de ontelbare vruchten; had Vrouw Holle die daar neergezet om onze dorst te lessen ?

De Blaue Kuppe is een bijzondere heuvel. Zij is begroeid met naald- en loofbomen; je klimt omhoog en dan opeens sta je aan de rand van een diepte, een geweldige wijde ronde kom en daarin ligt een blok rots, puntig omhoog wijzend, hoger dan een huis. De kinderen renden er om heen en probeerden er tegenop te klauteren.

Lang geleden, zo gaat het verhaal, was Vrouw Holle thuis gekomen van een lange tocht over de aarde. Zij was vermoeid en stoffig van de reis bij de Meiszner aan gekomen en een stekende pijn in haar voet zei haar dat zij een steentje in haar schoen had gekregen.
Zij schreed over de rivier de Werra en zag bij het stadje Eschwege een heuvel, die haar goed als voetenbank kon dienen.
Zij bukte zich, gespte haar gouden schoen los en keerde hem om. Met donderend geweld sloeg daar een rotsblok in de grond. Het ligt er heden ten dage nog en is wijd en zijd bekend als de Blaue Kuppe; het steentje uit vrouw Holle haar schoen.

Ons zoeken naar Vrouw Holles rijk werd in dat zelfde stadje Eschwege bekroond: ik vond daar in een boekwinkeltje het boek wat ik al tijden zocht. “Volkssagen en Sprookjes over Vrouw Holle” van Karl Paetov.  Deze Duitse uitgave is jaren later in het Nederlands vertaald en uitgegeven, naar ik meen, bij Christofoor. Vast nog wel 2e hands te krijgen.

Ybel Pronk – Sluyter, door de auteur op 21-03-2017 aan deze blog ter beschikking gesteld.

 

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1202

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Hier in Nederland kennen wij onder de sprookjes van de ge­broeders Grimm bijna allemaal het verhaal van Vrouw Holle. De oude vrouw, die goedheid en deugd beloont met goud, en onwil en luiheid met zwarte pek bestraft.

In het sprookje wordt zij zeer summier aangeduid – zij had zulke grote tanden dat het meisje er bang van werd. Zij is oud en lelijk, maar als het meisje haar vriendelijke stem hoort, is haar angst verdwenen en inderdaad blijkt Vrouw Holle een zeer goed en rechtvaardig wezen te zijn.
Dit sprookje komt uit Hessen, de streek in midden-Duitsland, ongeveer tussen Frankfurt en Kassel en nu blijkt, dat juist in die streek er veel meer dan dit ene sprookje over Vrouw Holle verteld werd en misschien nog verteld wordt.

In al die sprookjes en sagen,  die door Karl Paetow verza­meld zijn en uitgegeven bij de Bärenreiter Verlag in Kassel, komt Vrouw Holles wezen en gestalte duidelijk naar voren. Langzamerhand gaan wij haar voor ons zien,  een hoge lichte vrouw, die telkens weer op een nieuwe wijze (soms inderdaad ook oud en lelijk) aan de mensen verschijnt, hun deugd belo­nend, hun ondeugd bestraffend. Ook is zij Moeder Aarde,  de heerseres over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid, waar zij uitrust zullen de mooiste bloemen bloeien. Zij hoedt in haar onderaardse rijk de ongeboren zielen en tot haar komen de gestorvenen.
Ook haar naam is wisselend:  Frau Holle of Holda,  Frau Berchta, Frau Frigg.

De tijd waarin zij vooral het mensenland bezoekt is de tijd van de twaalf heilige nachten; dit zijn de nachten te be­ginnen met de kerstnacht tot aan Driekoningen op 6 januari. Driekoningenavond heette zelfs toendertijd in Hessen Berchtesabend.

In deze stille tijd wanneer het oude jaar door deze heilige nachten heen zich vernieuwt tot het volgende jaar, heeft de natuur zich helemaal teruggetrokken, zich verinnerlijkt en ontvangt nieuwe kiemkracht voor de komende lente.
De grote moeder komt en zegent land, boom en dier en de mensen, die van goede wille zijn.

Hier volgt een kleine sage uit het boek van Paetow: ‘Vrouw Holle en de Vlierboom’. In het Duits heet de vlier Holunder Strauch of Hollerbusch, in het Nederlandse woord gaat de overeenkomst van Frau Holle met Holler of Holunder helaas verloren.

 Vrouw Holle en de Vlier

Lang, lang geleden toen Vrouw Holle zich, zoals ieder jaar, op weg begaf om het land van de mensen te bezoeken, gebeur­de het dat zij over een uitgestrekte met sneeuw bedekte heide kwam.

Het was Kerstmis overal,  de tijd van de twaalf heilige nach­ten en  zij luisterde naar het gezoem van de bijen in de holle boom, naar de rustige ademhaling van de dieren,  die hun winterslaap deden. Zij beluisterde de zachte fluisteringen der stenen en het stromen van de sappen in boom en struik. Al het verlangen van de bloemen, die nog in de donkere aar­de sliepen, naar het komende voorjaar, klonk in haar oor. Op die heide stond ook een kale eenzame struik; zijn twijgen kraakten meelijwekkend in de ijzige wind.
Vrouw Holle gaf gehoor aan zijn treurige bede en zij vroeg de struik: “Waarom weeklaag jij zo?”
“O,  grote moeder”, klonk het, “al uw kinderen hebt ge een zin voor hun bestaan meegegeven. De mensen voeden zich met de noten van de hazelaar, zij gebruiken de taaie wilgentenen en zelfs de ruige brem binden zij  ’s winters tot hun bezem. Het vlas hebt ge zijn sterke vezel gegeven en het kleedje van iedere bloem is een lust voor het oog van elke mens. Alleen mij hebt ge glans noch zin meegegeven en zelfs de armste mensen kunnen mijn dorre hout in hun kachel niet sto­ken.”

Deze klacht beroerde het hart van vrouw Holle en zij ant­woordde glimlachend: “Nu dan, omdat jij de mensen zo goed ge­zind bent, wil ik jou zelf je naam geven,  vlierboom (Hollerbusch)  zul je van nu af aan in de mensenmond heten. Daartoe verleen ik je edele eigenschappen, die jou waardevol maken boven alle andere struiken.”

En zij schonk zijn bast genezende kracht, zij sierde hem met sneeuwwitte bloesem en vulde zijn ontelbare bessen met gezondmakend donkerrood sap.

In moeilijke tijden als de mensen bezocht werden door ziekte en nood ontdekten zij spoedig de genezende kracht van de vlierstruik. De struik,  die eens tot niets diende werd ge­plant in tuin en op erf en zijn witte bloesemtrossen sierden in het voorjaar de dorpen en boerderijen.  In de herfst ver­zamelde men zijn bessen en de gebrekkigen werden verlicht door het gezonde sap.

Dit was Vrouw Holles eerste kerstgeschenk aan alle mensen en spoedig ging het gezegde van mond tot mond:

 “Holunder tut Wunder”

Y. Pronk-Sluyter, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken
.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1200

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – leerplan en rooster

.

Onderstaand artikel komt uit de broschure ‘Het binnenste buiten’.

Het is een beschrijving van een schoolwerkplan. Het is niet DE beschrijving van wat er in vrijeschoolkleuterklassen gebeur(t)de, toen dit rapport werd geschreven. Maar veel van wat erin staat, vind je ook vandaag in de kleuterklas terug, gefundeerd op dezelfde achtergronden. Per school kan de werkwijze en invulling natuurlijk altijd verschillen.
.

6.2. Schoolwerkplan Rudolf Steiner Kleuterschool Voorschoten

6.2.1 Ritme
De dag
De gang van de ochtend bestaat uit de onderdelen:
Zingen
Tekenen
Vrij spelen
Opruimen
Eten
Vertellen
Buiten spelen

De ochtend begint in rust, in de kring met versjes, liedjes.
Bij het tekenen komt er meer leven in de brouwerij.
De activiteit van de kinderen komt tot een hoogtepunt wanneer ze uitwaaieren in het vrije spel.
Na anderhalf uur komen ze weer bij elkaar van waaruit het opruimen wordt ingezet. Leven en drukte ebben allengs tc weldadige rust af.
Nu kan er gegeten worden en verteld. Tenslotte volgt bij goed weer buitenspel, bij slecht weer komen er kringspelen aan bod. Door een afwisseling van rustige en drukke bezigheden ontstaat er een ritme. Wij spreken wel van een ademproces. De ervaring is, dat bij een goed ritmisch verloop van de ochtend de kinderen nooit doodmoe of’ ‘uit hun huisje’ raken. Integendeel, bij het luisteren naar het verhaal is de hele groep rustig en geconcentreerd.

De week
Naast de bovengenoemde activiteiten is er een ‘tweede’ activiteit van de ochtend, die wisselt volgens een weekritme:

Maandag:     tekenen
Dinsdag:       schilderen
Woensdag:  naar keuze tekenen of vrij spelen
Donderdag: boetseren
Vrijdag:        plakken of knutselen

De dagen van de week worden voor de kinderen op deze wijze meer en meer herkenbaar. Het terugkeren van wekelijks dezelfde soort dag geeft de kinderen rust en vertrouwen.

Het jaar
De loop van het jaar wordt gemarkeerd door de jaarfeesten: Sint-Maarten, Sinterklaas, Kerstmis, Driekoningen, Palmpasen, Pasen, Pinksteren, St.-Jan, die uitgebreid voorbereid en uitbundig gevierd worden. Wanneer men de voorbereidingen, bestaande uit het leren van liederen, het maken van versieringen etc. en het eigenlijke feest ziet, zou men kunnen zeggen dat wij op onze school in plaats van verschillende projecten, verschillende jaarfeesten hebben. Door het beleven van de feesten wordt het kinderleven meer betrokken bij het ritme van het jaar.

6.2.2 Activiteiten
Voor de volgorde van de activiteiten houden we de gang van de dag en van de week aan.

Zingen en spreken met bewegingen, begeleid door lierspel. Dansen. Luisteren naar muziek. Neuriën.
Al in de wieg kraait het kind des te levendiger als de bedrijvigheid in de buurt van zijn wieg gepaard gaat met geluid, met klank of spraak. Wanneer het op de grond kruipt, zingt het mee met zijn moeder, met een vogel binnen of buiten en ook met apparaten zoals bijvoorbeeld de stofzuiger.
Hoewel het geronk van motoren en ander mechanisch gezoem en geratel weinig recht doet de natuurlijke muzikaliteit, ontlokken deze geluiden aan kinderen soms toch een melodieus gezing-zang. Men kan zich de vreugde van kinderen voorstellen wanneer hun de kans gegeven wordt mee te doen met zang, muziek en taal die hen als het ware op het lijf geschreven is.
In de Vrije Kleuterschool zingen we bijvoorbeeld graag pentatonische liederen en spreken we mooiste klankrijkste van de gedichtjes die we maar geschikt achten.

Ontwikkelingsdoelen:
De muzikale vorming van het kind.
De taalontwikkeling.
Ontwikkeling van gevoel voor ritme.
Ontwikkeling van het ritmisch geheugen (niet van het abstract geheugen).
Ontwikkeling van de waarneming van klank in de taal.
Ontwikkeling van het vermogen tot luisteren.
Ontwikkeling van het vermogen mee te doen in groter sociaal verband dan thuis.

Werkwijze:
De ontwikkelingsstof bestaat uit: liederen (pentatonische liederen en volksliedjes), instrumentale melodieën, zangspelen, gedichten, kleuterrijmpjes en kringspelen.
Het zingen, spelen en dansen speelt zich af in de kring rond de leidster. De kinderen bootsen de leidster na, waar bij ze zelf ook variaties toevoegen.
‘Er wordt een liedje gezongen; een herfstliedje. Het vallen van de bladeren wordt met de handen weergegeven. Een meisje bootst de leidster na en laat mooi haar zwevende blaadjes vallen tot ze op een gegeven moment op een brede zonnestraal liggen, die het lokaal in schijnt. Hierop dansen de blaadjes verder en zakken niet meer.’

Belangrijk is de afwisseling van zingen en luisteren, van zacht en luid zingen van zittend in de kring en ronddansen. Belangrijk hierbij is de afwisseling van tempo.
Het liedrepertoire wisselt met de jaarfeesten.

Loop van de ontwikkeling:
Kinderen zijn schoolrijp als ze geheel zelfstandig een liedje kunnen zingen en zich ook een liedje kunnen herinneren. Bij de verjaardag mag het jarige kind altijd een liedje kiezen. Is het kind vijf jaar, dan moet meestal een ander kind een liedje influisteren. Wordt het zes jaar, dan weet het kind zelf een liedje. Het zesjarige kind zingt over het algemeen verstaanbaar, goed gearticuleerd en kan tempoverschillen hanteren.
Wij zingen in de kleuterklas afwisselend langzaam en snel, waarbij grote en kleine gebaren elkaar afwisselen.
Een schoolrijp kind kan dit allemaal volgen. Jongere kinderen haken af en doen weer mee met de grote langzame gebaren.
Hetzelfde geld voor de kringspelen. Moeilijke stappen en sprongen doen de kleintjes op hun eigen manier. De ouderen voeren ze met genot perfect uit.

Tekenen:
Al met anderhalf jaar krast het kind graag op papier. Dit tekenen of krassen zou men een eindprodukt kunnen noemen. De bewegingen die zich in het lichaam afspelen zetten zich voort in de ledematen en komen als ‘bewegingscurven’ op papier te staan.
Vele deskundigen beschrijven stadia die in de eerste kindertekeningen te herkennen zijn.*.

De vroege bewegingscurven zijn sterk leeftijdsgebonden en internationaal hetzelfde. Bij kinderen over de gehele aarde ontdekt men dus rond dezelfde leeftijd dezelfde tekens in het lijnenspel. Geleidelijk aan vinden we in de tekeningen ook elementen uit de waarneming. Toch blijft het tekenen vooral een naar buiten projecteren van hetgeen het kind innerlijk beleeft.

Ontwikkelingsdoelen:
Ontwikkeling van kleur en vormgevoel.
Beheersing van de fijne motoriek.
Individuele ontwikkeling doordat persoonlijke schepping wordt gewaardeerd en doordat het kind deze op den duur ook tussen ander werk herkend.
Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, reukzin, smaakzin, gezichtszin warmte-zin.

Werkwijze:
Er is volledige vrijheid. Er wordt nooit een opdracht gegeven.
Op vaste momenten tekenen alle kinderen aan grote tafels. De leidster zit erbij en kijkt en moedigt elk kind aan. Van elk werk zegt ze dat het erg mooi is. Ze tekent zelf niet mee om de kinderen niet te beïnvloeden en van hun eigen impulsen af te leiden.

Materialen:
Bijenwasblokjes in verschillende kleuren. Dit natuurprodukt is totaal niet giftig, ruikt lekker en verwarmt de handen. De kleuren kunnen over elkaar gebruikt worden daar ze doorzichtig zijn. Zwart en paars worden niet gebruikt.
Het papier is mooi en stevig.

Loop van de ontwikkeling:
Doordat het kind geen opdrachten krijgt volgen de tekeningen zijn eigen ontwikkeling. Zowel de pure ‘stroom van binnenuit’ als de ontmoeting met de wereld vinden we in het werk terug.

Dit alles heeft tot resultaat dat het kind als het ongeveer zes jaar is alle vormen tekenen kan die het nodig heeft om straks de lettersymbolen te leren. Te weten:

vormtekening-voor-het-schrijven-2

 
Deze tekens zijn verwerkt in de tekeningen.

Maar er is meer.

In de wereld van het tekenen onderscheiden wij zeven fasen:

1. Bewegingscurven;
2. de kleuter tekent de hemel: een blauwe hemel met een klein zonnetje;
3. dan verschijnt er een stukje aarde;
4. de zon wint aan kracht en licht;
5. tussen aarde en hemel ontstaat een tussenwereld: de kleuter tekent een huis met bloemen en bomen;
6. de tussenwereld wordt steeds rijker: vogels en vlinders vliegen door de lucht;
7. de tussenwereld wordt eenvoudiger, de rijkdom neemt af.
Dit luidt de nieuwe fase in. Het kind is leerrijp geworden. De laatste is een voorbereiding hierop: de krachten lijken ingehouden te worden, om in de volgende fase een nieuwe bloei te bewerkstelligen.

Vrije spelen:
De baby, de peuter, is een ontroerend actief wezen dat enthousiast wordt wanneer de volwassene zich op liefdevolle wijze met hem bezig houdt. Hetgeen het kind ons tegemoet brengt, uit zich onder meer in de blik, de lach, de beweging.
Dit alles wordt al gauw tot een heerlijk spel, bijvoorbeeld met de eigen handjes bij de baby, in de wieg, waarbij het kind zich verbonden weet met degenen die het verzorgen en vertroetelen. Is het kind tenslotte kleuter geworden dan is zijn speelwereld een gelijkwaardige eigen wereld geworden waarin de elementen van de wereld der volwassenen waartoe het behoort, op verrassende wijze een plaats krijgen.

Ontwikkelingsdoelen:
Zelfvertrouwen.
Beheersing van motoriek.
Oriëntatie in de ruimte.
Ontwikkeling van een schat van verschillende gebaren en bewegingen.
Eerbied voor allen in de klas door behoedzaam met eikaars spel te leren omgaan.
Zelfrespect, dat op deze wijze tegelijk met respect voor de ander wordt ontwikkeld.
Beleving van de gelijkwaardigheid van mensen: nl. zichzelf en andere kleuters en leidster.
Beleving van vrijheid.
Verzorging van alle zintuigen.

Werkwijze:
Het spel voltrekt zich in een niet opdringerige doch uitnodigende ruimte. De kleuren zijn naar aanwijzing van Rudolf Steiner zacht rose en licht blauw. In het midden van het lokaal bevindt zich een grote open ruimte. Aan de kanten staan lange tafels met banken. In de hoeken bevindt zich het speelmateriaal. Al het meubilair is van hout, de vloeren zijn van okerkleurig linoleum. Het gehele lokaal is vrij speelterrein voor alle kinderen. Alles wat aanwezig is mag gebruikt worden. Wellicht ten overvloede: spel is niet gebonden aan boeken en opdrachten. Het aantal kinderen dat met elkaar speelt is vrij. Alle kleuters zijn bezig.

Hoewel het op zichzelf staande wereldjes lijken, hebben de kinderen steeds onderling contact. Ze kijken bij elkaar, vragen iets, overleggen iets. Zo werd in de voorbereidingstijd tot het St.-Nicolaasfeest spontaan een boot gebouwd, die wel veel plaats innam in het lokaal, waarin alle kinderen konden meevaren met St.- Nicolaas en vele zwarte Pieten. Vaak is reeds na twintig minuten het spel van alle kinderen tesamen een organisch geheel.
Beweging, nabootsing en fantasie zijn de drie belangrijkste kenmerken van het ‘organisme’, de spelende klas. De leidster waakt over de veiligheid.

Materiaal:
Het materiaal dat bijeen is gebracht bestaat in hoofdzaak uit natuurlijke producten: hout, katoen, zijde, wol. Hierbij wordt gelet op rustige kleuren. Direct uit de natuur opgeraapt zijn: stokken, eikels, kastanjes, dennenappels, schors etc.

Loop van de ontwikkeling:
We onderscheiden drie spelstadia:

— Het doe-spel van de eerste twee jaren waarbij het kind probeert de dingen in zijn macht te krijgen en geniet van eindeloze herhaling. Het bootst de volwassene na. (Zo leert het ook zich op te richten en te lopen.)
Het kind beleeft het doen op zich zelf als zingeving.
Het gaat bijvoorbeeld net als zijn moeder met een stofdoek over alles heen maar probeert geen stofte verzamelen.

— Het fantasiespel tussen het derde en vijfde jaar kenmerkt de bloeiperiode van de kleuter. In die tijd heerst het kind als spelend soeverein over de wereld. Een stronk in het bos is een auto, een dennenaald het autosleuteltje.

Een drie-jarig kind bijvoorbeeld verbindt een keukenlepel met een andere door een klosje garen bijna af te winden en heeft zo een mooie kaars gemaakt, versierd met een dennetakje. Nu bedenken we wie dit kerststukje krijgt.
Kinderen hebben ook rollen die ze graag spelen, bijvoorbeeld Maria of postbode.

— Tussen het vijfde en zevende jaar wil het kind al spelend iets bepaalds bereiken. Het overlegt van te voren hoe het aan te leggen. Het kan nu ook echt met andere kinderen spelen en met hen overleggen. Hoe maken we de boot? Waar gaan we heen? Wie nemen we mee? Pas na het zevende jaar ontstaat langzamerhand een warme belangstelling voor bestaande aan regels gebonden sociale spelen.

Opruimen:
Net zoals de meeste vogels ’s avonds naar hun nest terugvliegen, zo keren alle speelmakkers van het kind naar hun eigen plekje terug. Het kind dekt de pop weer toe, doet de blokken in een mand en maakt het poppenhuis weer netjes. Geen wonder dat tijdens het proces van opruimen de kinderen innerlijk en uiterlijk rustig worden.

Ontwikkelingsdoelen:
Ontwikkeling van het vermogen tot ordenen, tot rubriceren, combineren, sorteren (bijvoorbeeld de pop krijgt twee dezelfde sokken aan).
Ontwikkeling van gevoel voor schoonheid. Ordenen wordt versieren.
Ontwikkeling van eerbied en liefde voor de omgeving.
Sociale ontwikkeling. Opruimen is een groepsproces, bovendien wordt alles zo neergezet dat ieder kind er weer toegang toe heeft.
Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, gezichtszin.

Werkwijze:
Voor het opruimen begint, worden alle kinderen bij elkaar geroepen, om eerst gezamenlijk een lied te zingen. Daarna verspreiden allen zich over de zaal, de kinderen vanaf 5½ jaar hebben een opdracht gekregen, de kleintjes ruimen mee op vanuit de nabootsing. De leidster gaat rond en helpt nu eens hier, dan daar.

‘Na het kringetje op de grond, waar werkliedjes werden gezongen, wordt er opgeruimd. Een van de kinderen heeft een prachtig kabouterbos gemaakt van dennenappels in een spiraal neergelegd. Tijdens het vrije spel heeft hij daar intensief mee gespeeld. De andere kleuters hebben aan de rand van het bos eerbiedig staan kijken. Niemand haalde het in zijn hoofd om het domein te betreden. Nu er opgeruimd wordt rent een van de jongetjes op het bos af en maait met zijn handen door de dennenappels: “Zo, opruimen!” roept hij demonstratief. De bouwer van het bos staat er spijtig bij te kijken. Dan komt hij aarzelend een stapje naar voren en veegt ook met zijn handen door het bos. Terwijl hij dat langzaam doet kijkt hij de ander wat onzeker aan. “Tja, als hij dat doet zal het wel goed zijn”.

Tijdens het spelen zelf wordt er niet opgeruimd. De stroom van fantasie wordt niet onderbroken.

Loop van de ontwikkeling:
Het moeiteloos kunnen afmaken van een opdracht bij het opruimen duidt op schoolrijpheid. Het zelf kunnen zien wat er gebeuren moet, duidt daar ook op. Naarmate de kinderen ouder worden, wordt het resultaat na het opruimen mooier en mooier.

Gezamenlijk nuttigen van de maaltijd:
Helaas wordt in vele gezinnen de maaltijd te snel genuttigd, met te weinig aandacht voor hetgeen er op tafel komt. Dikwijls speelt ondertussen de radio of staat de televisie aan.
Een tweede vrij algemeen verbreide slechte gewoonte is het uiten van kritiek op het gebodene. Gezondheidsmaniakken bijvoorbeeld spuien graag aan tafel hun kennis over het aantal schadelijke bewerkingen dat het voedsel heeft ondergaan.
Voor anderen is het eten domweg te zout, te zoet, te laat op tafel etc. Over de oorzaak ervan kan men denken hoe men wil, wij gaven alleen een paar suggesties, een feit is dat vele kinderen niet blij zijn als ze moeten eten. Zij lusten veel dingen niet en, kauwen slordig. De kleuterschool tracht dit euvel te verhelpen door de gezamenlijke maaltijd een feestelijk karakter te geven.
Door een kind rustig te laten eten en daarbij ook op goede (o.a. stevige) voeding te letten, geeft men het gelegenheid degelijk te leren kauwen.
In de kleuterklas kan op deze wijze mede de basis worden gelegd voor een goede gezondheid.

Ontwikkelingsdoelen:
=Verbetering van de articulatie door goed kauwen.
=Sociale ontwikkeling (bijvoorbeeld tafelmanieren, eerbied, rust).
-Verzorging van alle zintuigen.

Werkwijze:
Bij toerbeurt dekken de kinderen, ook de kleintjes, de tafels met versierde plankjes. Dan gaan allen zitten en wachten tot de leidster bij ieder van hen is langs gekomen om het brood te snijden. Zodra dat klaar is geven allen elkaar een hand en zeggen gezamenlijk een spreuk, een dankgedichtje voor zon en aarde. Er wordt zwijgend gegeten. Wie het brood op heeft mag babbelen. Er wordt eerst gegeten dan gezamenlijk wat gedronken.

Loop van de ontwikkeling:
Alle kinderen die ‘slecht aten’ zijn op deze wijze tot goede eters geworden.
Kinderen gaan beter slapen als ze goed leren eten.
Merkwaardig genoeg ging het euvel van slecht eten ook gepaard met algemene ontevredenheid. Ook deze verdwijnt.

De kleuterschool probeert ‘tevreden’ kinderen af te leveren.

Vertellen:
Hoe minder men het kleine kind verbiedt en hoe meer men zelf het voorbeeld geeft, des te langer behoudt het kind zijn glans en onschuld.
Toch komt het moment, meestal na het derde jaar, dat het kind als het ware overrompeld wordt door een impuls uit hemzelf of uit de omgeving en iets lelijks doet. Vertelt men het dan ’s avonds een verhaaltje waarin een kind net zoiets doet als hij maar dan veel erger, zonder een toespeling te maken op het gedrag van het kind zelf, dan wordt het aangesproken in zijn geweten en zegt meestal dat het zoiets lelijks nooit zou doen.
Met vier jaar heeft het kind al veel begrip voor goed en kwaad en hoort het met vreugde de sprookjes van Grimm die wij vertellen. Deze zijn ‘echt’ en vol humor. Hoe sterk de spanning ook stijgt, het kind kan er zeker van zijn dat het goede tenslotte triomfeert. Zoals bij volwassenen kan een vuur ontstoken worden door het horen van de waarheid, zo kan bij het kind als het ware al een kaarsje worden aangestoken. Het innerlijke licht van de sprookjes brengt vreugde in het kinderleven.

Ontwikkelingsdoelen:
=Ontwikkeling van een arsenaal van bewegingen en motoriek.
=Ontwikkeling van de woordenschat.
=Verruiming van de uitdrukkingsmogelijkheden in de taal.
=De basis voor het beleven van structuren in de zinnen ,van conjuncties in hun gebruik, kortom van de intuïtief logische en gedifferentieerde taal, die later na het negende jaar als grammatica het kind tot bewustzijn zal worden gebracht.
=Beleven van de gesproken taal in zijn dynamiek, frasering, melodie, tempo, correctheid en beheersing. De basis voor een goede ontwikkeling op latere leeftijd.
=Sociale ontwikkeling door leren luisteren naar een ander.
=Verzorging van de eigenbewegingszin, de spraakzin, de gedachte-zin, de ik-zin.

Werkwijze:
De kleuterleidster vertelt in een kring en begeleidt het verhaal met gebaren. Iedere dag wordt 20 à 25 minuten verteld. Een sprookje op dezelfde wijze gebracht wordt zo vele malen beleefd en beluisterd.

Loop van de ontwikkeling:
De kleuterleidster merkt heel goed hoe verschillend de kinderen het sprookje in zich opnemen naarmate ze ouder worden.
De jongeren ondergaan meer, de ouderen denken meer.

Rollenspel:
Er zijn weinig kinderen die niet graag in de huid van een ander kruipen, een rol spelen. Het kan al vroeg beginnen. Twee jaar oud kan het kind bijvoorbeeld al voor moeder spelen terwijl het de moeder kind laat zijn en schoenen laat passen.
In de bloei van de kleutertijd beschikken kinderen over een uitgebreid repertoire van rollen.
Heel mooi en heel boeiend zijn de rollen ontleend aan de sprookjes of verhalen die de jaarfeesten begeleiden.

Ontwikkelingsdoelen:
Individuele en sociale ontwikkeling in de ruimste zin van het woord. Spraak, beweging, zelfvertrouwen.

Werkwijze:
Tijdens het vrije spel ontstaan rollen vanzelf.
Wanneer een sprookje door het vele vertellen gekend wordt, voeren de kinderen het met de leidster op. Soms spreekt zij, soms spreken de kinderen. De decors bestaan uit beklede rekken, de kinderen hebben gekleurde rokken, mantels, kronen.

Materiaal:
=Wollen, zijden en katoenen doeken in effen kleuren.
=Kronen.
=Rekken.
=Tafels, stoelen, plankenkasten.

Loop van de ontwikkeling:
Een zekere kracht en zelfstandigheid in het optreden tijdens het toneelspel i.p.v. een meer dromerig op’ juffie’ georiënteerd zijn, duidt op schoolrijpheid.

Buitenspel:
Ieder weet hoe graag een kind door plassen loopt; hoe gauw het kans ziet zich met modder vuil te maken. Geboeid kijkt het aan het strand hoe de wind over het water scheert. Wordt ergens fikkie gestookt dan kan men rekenen op zijn instemming!
Het is een geluk als een kind ergens op een plekje grond buiten kan komen en de natuur kan beleven. Er is een groot verschil tussen binnen- en buitenspel, binnen vormt het kind in zijn spel de wereld, buiten ondergaat het de elementen. In het zand spelend, zit het weldra onder het zand…

‘Een jongetje van vier zit heerlijk in een plas regenwater te spetteren. Een oudere dame loopt naar hem toe en vraagt vriendelijk of het jongetje niet uit die plas wil gaan. Het jongetje kijkt verwonderd op: “Nee hoor! Zoek jij maar een andere plas”.

Ontwikkelingsdoelen:
=Goede motoriek.
=Gezondheid.
=Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, gezichtszin.
=De kleuterschool heeft een tuin met bloemen, gras en een zandbak.

Werkwijze:
Bij goed weer gaat de klas naar buiten om er vrij te spelen, ’s Zomers zorgen de leidsters dat de kinderen via een waterslang ook emmertjes water kunnen vullen.
Vanaf vijf jaar mogen de kinderen ook ’s middags op school blijven. Ze helpen dan dikwijls de leidsters in de tuin met harken, wieden etc.

Materiaal:
Karren, houten schepjes, emmertjes, kruiwagens, harkjes.

Loop van de ontwikkeling:
Hoe ouder het kind wordt des te meer lichaamsbeheersing het kind krijgt. Het kind kan steeds beter huppelen, springen, hinkelen en rennen.

Schilderen:
Rudolf Steiner wijst op de verwantschap van de ziel met de wereld van kleuren. Wanneer een peuter of een kleuter een kleur mag kiezen, doet hij dat inderdaad met hart en ziel. Het laat hem niet koud of hij de oranje of de groene limonade krijgt. Het gaat hem wonderlijk genoeg daarbij méér om een kleur dan om de smaak.
Aan ons volwassenen is deze verwantschap vaak niet meer af te lezen, allerminst wanneer wij rijdend in de trein gewoon de krant in kijken tijdens de schoonste zonsopgang. Een enkele keer komt het voor dat ook wij getroffen worden bijvoorbeeld door de kleuren van de regenboog. Uitgaande van de regenboogkleuren in de kleuterschool en de lagere klassen, later in de hogere klassen vanuit een steeds genuanceerder palet, tracht de Vrije School de relatie tot de kleurenwereld levend te houden.

Werkwijze:
De kinderen schilderen met elkaar zittend aan grote tafels. Daarop is voor elk kind een nat aquarelpapier uitgespreid. De waterverf, rood, geel en blauw staat gereed. Er wordt gewerkt met brede kwast.

‘Een jongetje kijkt verwonderd op van het werk van zijn buurmeisje en: “Wat een mooi groen!” Het buurmeisje: “Ik had geel en daar kwam een beetje blauw overheen en ineens was er groen.” Alle twee kijken ze aandachtig hoe de groene vlek zich nog steeds aan ’t uitbreiden is.’

In lege jampotten met water gevuld worden de kwasten uitgespoeld. Ook dient het water om de verf op het penseel iets te verdunnen. De leidster schildert mee om de kinderen vanuit de nabootsing de gelegenheid te geven de techniek van het aquarelleren meester te worden. Opdrachten geeft zij echter niet.

Materialen:
Aquarelverf, penselen, water, goede kwaliteit papier.

Loop van de ontwikkeling:
Tijdens het schilderen herkennen we de schoolrijpheid doordat het kind heldere duidelijke voorstellingen schildert. De oudere kleuters beheersen de techniek en het materiaal.

Plakken, knutselen, boetseren, borduren
Gezellig samen met ouderen dingen maken is een vervulling in het kinderleven. Kinderen houden daarbij niet van voorschriften, wel van bijval en soms wat hulp. De kleine vingertjes doen dadelijk mee als je het kind het initiatief laat. Hoewel het werk ontstaat onder invloed van de nabootsing is het een stukje identiteit van de kleuter. Elk werkje is anders en vraagt om onze erkenning en bewondering wanneer het kind er echt aan gewerkt heeft. Eisen kunnen we in de kleuterschool niet stellen. Als leidster zijn we blij en dankbaar als het kind onder onze leiding zin heeft om wat te maken.

Werkwijze:
De kleuters werken samen aan lange tafels met de leidster die nü echt meedoet. Hoogtepunten zijn het maken van versieringen en attributen voor de jaarfeesten: engeltjes, een kerststal, paasmandjes.

Ontwikkelingsdoelen:
=Ontwikkeling van kleur- en vormgevoel.
=Vaardigheid met materialen.
=Hantering van de schaar.
=Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, warmtezin, gezichtszin.

Materialen plakken, knutselen:
Stevig papier, transparant papier, zijdevloeipapier, wollen draadjes, lijm etc.

Loop van de ontwikkeling:
Het tot een voorstelling komen en beheersing van het materiaal duiden op schoolrijpheid.

Materiaal boetseren:
’s Winters bijenwas, ’s zomers rivierklei.

Loop van de ontwikkeling:
Op schoolrijpheid duidt het bewust hanteren van het materiaal, dat wil zeggen het zelf de baas blijven en het afmaken van het begonnen werk.

Materiaal borduren:
Wol, jute, stompe naald.

Loop van de ontwikkeling:
Borduren doen wij alleen ’s middags met de oudste kleuters. De jongste kunnen dit nog niet. Eigenlijk komen alle kinderen in het jaar voor zij ons verlaten zo ver, dat zij naald en draad goed hanteren en hun borduurwerk net zo mooi wordt als hun tekeningen!
.

Hoofdstuk Vl, waarvan 6.2, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VP
.

* Zie bijv. Kindertekeningen, de beeldende taal van het kleine kind, Michaela Strauss; Vrij Geestesleven.

.
peuters/kleuters: alle artikelen

ritme: alle artikelen

spel: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

schoolrijpheid    [2]

zintuigen: alle artikelen

sprookjes: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL  in beeld: kleuterklas

 

1108

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Zintuigen (9-9)

.

De zintuigen

De gaven van Doornroosje

In de nieuwe* onderwijswet vraagt artikel 10 onder meer ‘zintuiglijke oefening’ in samenhang met de rest van het onderwijs.

Het kleine kind is één en al zintuig in de eerste zevenjarige levensfase, volgens een bekende uitspraak van Rudolf Steiner. Reden te over om geen pedagogie voor de geïntegreerde kleuter- en lagere school te behandelen zonder grote aandacht aan de zintuigen te besteden.

Een korte beschouwing over Rudolf Steiners zintuigenleer en de pedagogische waarde ervan mag hier niet ontbreken.
Wat zijn zintuigen? Naar het uiterlijk te oordelen, heeft de mens er enige, die een opvallend orgaan bezitten. Denkt u zich een mens in zonder ogen, neus, mond en oren! Van het hoofd vooral zou weinig herkenbaars overblijven. Ogen worden ‘spiegels der ziel’ genoemd; oren zijn zo individueel, dat men de mens aan zijn oren kan identificeren.
Gogolj wil ons in zijn satirische verhaal ‘de neus’ doen geloven, dat de neus meer individualiteit bezit dan de gehele verdere mens. Laat ons even stil blijven staan bij het oog.

Dit oog is zonder twijfel het belangrijkste zintuig voor de westerse mens, ook al kunnen wij niet verhelen, dat de blinde met zijn kwalitatief sterk ontwikkelde gehoor sociaal sterker in het leven staat dan de dove. Aan het oog kan men het wezen van het zintuiglijke goed demonstreren.

Het is een instrument, dat ons een gezichtswaarneming van de wereld-buiten-ons mogelijk kan maken. Let wel, ook ons eigen lichaam behoort tot die buitenwereld! Het oog is een poort, waardoor indrukken van buiten tot de ziel komen en verinnerlijkt worden.

De meeste van deze ‘poorten’ zijn in ons hoofd gelokaliseerd: ogen, oren, mond, neus. Later leerde men ook andere, meer verborgen poorten kennen: evenwichtszin, warmte- of temperatuurzin, tastzin. In het geheel zijn er twaalf. De beste systematiek vindt men bij Rudolf Steiner, Révesz en Lievegoed.

Twaalf is een mooi getal.

Laten we de zintuigen eens beschouwen vanuit het sprookje. In ‘Doornroosje’ vinden we bijzonder mooi gekarakteriseerd wat de zintuigen zijn. De twaalf feeën brachten elk hun gave aan het prinsesje. Maar er ging iets mis met die gaven. Doornroosje werd door de scherpe spoel van de oude vrouw in de toren getroffen. Zij viel in slaap en haar gehele wereld ook.

Dit sprookje is geen verzinsel, maar, zoals alle sprookjes, een beeld, een in aardse beelden geklede, spirituele werkelijkheid. Met onze zintuigen is er ook iets merkwaardigs aan de hand. Doornroosje had in het geheel niets meer aan al haar gaven, zolang zij sliep, dat wil zeggen: zo lang haar het normale waakbewustzijn ontbrak. Hoe staat het echter met ons bewustzijn met betrekking tot onze zintuiglijke waarneming? Keren wij terug tot het oog.

Ziet het oog als zodanig iets? Ziet dit fysieke orgaan met zijn oogbol, lens, iris, netvlies, oogspiertjes, oogzenuwen en bloedvaatjes iets? Het antwoord is neen. Het oog van een gestorvene ziet niets. Wordt het echter getransplanteerd bij een ander mens, dan ziet het oog nog niets, maar de andere mens kan zijn gezichtswaarnemingen door middel van dit oog weer doen. De mens zelf kijkt immers en niet zijn oog. Er zijn echter in het leven ook ogenblikken, waarin de levende mens, wakker en met open ogen toch niets ziet. Dat is een merkwaardige zaak. Is ‘zien’ dan niet alleen een passieve aangelegenheid?

De gehele natuurwetenschap is opgebouwd uit mathematica en experiment en men wil daardoor slechts laten meetellen wat telbaar, weegbaar en meetbaar is. Dat sluit geestelijke factoren uit, waardoor het kwantitatieve gaat overheersen. De waarde van de kwalitatieve dingen is grotendeels verdwenen. De menselijke ziel viel daardoor ‘in slaap’.

De boze fee uit het sprookje is ons abstracte, intellectuele bewustzijn. Deze fee bracht de gereduceerde wetenschap tot stand, de materialistische natuurwetenschap, die zoals bekend, dood en vernietiging kan brengen. Ook de rijkdom van het door onze zintuigen waarneembare gebied is ernstig aangetast door de boze fee. Deze rijkdom moet weer ontsloten worden.

Onze waarnemingstheorie is namelijk onjuist. Rudolf Steiner heeft al in 1894 overtuigend aangetoond, dat men inconsequent is, wanneer men meent, dat het oog géén werkelijkheid kan waarnemen. Er is een denkfout in het spel… Want wanneer de wereld voor de mens slechts voorstelling is, zijn ook ‘het oog’ en ‘de hand’ voorstellingen en geen werkelijkheid. Het z.g. veroordeelde ‘naïeve realisme’ moet dan óók voor oog en hand gelden.

Wanneer ik als denkend subject een begrip op een object betrek, dan is deze betrekking niet louter subjectief. Welnee. Immers niet het subject als zodanig brengt die betrekking tot stand, maar het denken. Een conducteur denkt niet, omdat hij conducteur is, maar hij is conducteur, omdat hij in staat is om te denken.

Rudolf Steiner heeft dit probleem van de waarneming en de zintuigen tot onderwerp van zijn proefschrift gemaakt. Later werkte hij dit proefschrift uit tot een groter boek ‘Die Philosophie der Freiheit’.
De opstanding van het ware denken uit de slaap van het intellectuele bewustzijn is de prins uit het sprookje van Doornroosje. Hierdoor kunnen de twaalf goede feeën alias de twaalf zintuigen weer beginnen te werken. Men mag ervan uitgaan, dat ons oog evenzeer indrukken van de werkelijkheid geeft als de mathematisch te meten resultaten van druk, afmeting, toestand, snelheid, die in wezen evengoed met zintuigen samenhangen, nl. met tastzin, bewegingszin en evenwichtszin.

De zintuigen moeten opnieuw in hun totaliteitsaspect worden bekeken. Als zodanig zijn zij oefenbaar en voor de pedagogie uiterst nuttig en vruchtbaar.

Door de waarneming via mijn oog, pakt mijn ik de wereld. Dan komt er pas een gewaarwording in mijn ziel. Waarneming en denken zijn de pijlers, waartussen het bewustzijn tot stand komt. Ik zie en ik weet wat ik zie.

Of ik weet niet, wat ik zie, maar ik tracht het te weten te komen door vergelijking met dat, wat ik al gezien had. De zintuigen zijn er aan toe wederom als kenbronnen voor het weten van de mens in ere te worden hersteld.

De honderd jaar slaap van Doornroosje zijn voorbij. Nu is het de tijd om wakker te worden. Vooral in de pedagogie. In de mens is het de wilsmatige kern van het zielenwezen, die de bij de zintuiglijke waarneming behorende processen zinvol opvat, en innerlijke activiteit ontplooit, die als het ware naar buiten straalt. Er gaat dus niet alleen iets door de zintuigen naar binnen, maar er bestaat een spirituele stroom, die als een ‘tegenstroom’ van de ziel door de zintuigen naar buiten gaat.

Zoals gezegd is, beschreef Rudolf Steiner het kind als een wezen, dat één en al zintuig is. Maar een zintuig, zegt hij, waarin bij elke schrede de wil gewerkt heeft.

Een zintuig, waarin de wil werkt? ‘Ja’, zegt Rudolf Steiner. ‘het is ook bij het oog zo, dat het wilsmatige het innerlijke beeld tot stand brengt. In ieder zintuig schept het wilsmatige het innerlijke beeld. Het zintuig zelf heeft natuurlijk de passieve kant: het heeft eerst de taak zich (en de mens) bloot te stellen aan de buitenwereld, maar in elk zintuig vindt een innerlijke activiteit plaats en die is van wilsmatige aard. En dit wilsmatige werkt bij het kind intensief door het gehele lichaam tot de tandwisseling.’

Deze wilsmatigheid werkt zelfs nog door tot het negende levensjaar. Wat betekent dat voor pedagogie en heilpedagogie? Wat komt alleen goed over op deze wilsmatige activiteit van de zintuigen? Wat doet het innerlijke beeld slechts tot stand komen bij het kind?

Nu, alleen datgene, wat uit innerlijke activiteit van de leerkracht is voortgekomen: op een menselijk-beeldende wijze moet gesproken worden over alle dingen van natuur en mens. Dat betekent: kunstzinnig onderwijs.

Een creatieve, een kunstzinnige activiteit weet innerlijk vorm te geven en alles antropomorf, menselijk-beeldend te maken in alle onderwerpen, die door het kind met de zintuigen kunnen worden opgenomen.

Daar is het spelelement in de zin van Schiller aanwezig!

Voor een kind tot negen jaar is het belangrijk, wat de roos tegen het viooltje zegt. of het broodmes tegen het broodje. Het spelelement helpt om het beeldkarakter te vormen. Beeldkarakter draagt niet alleen bij tot het leven, maar ook tot latere, gezonde begripsvorming.

Men denke weer aan de beelden uit ‘Doornroosje’.

In de spirituele wereld aan het hof van de koning was de dertiende fee niet uitgenodigd. Men had geen bord om haar voor te zetten. Want de waarheden van het intellect zijn bespottelijk voor een geestwereld — ‘dwaasheid bij God’ heet dat later — en het intellect wreekt zich: Doornroosje moet sterven. De laatste fee zet de dood om in een slaap. Zij is de enige macht die de dood kan veranderen in opstandingskracht. Doornroosje valt in slaap om haar opstanding mogelijk te maken.

5.4.2 De indeling van de zintuigen
De zintuigen, onze twaalf feeën, worden in drie groepen van vier ingedeeld: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin is de eerste groep; reukzin, smaakzin, gezichtszin en warmtezin is de tweede groep; gehoorzin, woordzin, begripszin, ik-zin is de derde groep. De drie groepen spiegelen de drieledigheid van het menselijke zielenleven: willen, voelen en denken.

Rudolf Steiner noemt de eerstgenoemde groep ‘wilszintuigen’, de tweede groep ‘gevoelszintuigen’ en de derde groep ‘denkzintuigen’.

Prof Lievegoed geeft in aansluiting op Prof. Révesz een iets andere terminologie. Elke groep wordt genoemd naar het meest kenmerkende van zijn zintuigen, die dan ook ‘haptische zintuigen’ (hapto = ik tast. Gr.) worden genoemd. Voor de tweede groep is het kenmerkende zintuig het oog, dus wordt de groep gevoelszintuigen ‘optische zintuigen’ genoemd. Het gehoor is het kenmerkende zintuig voor de derde groep. ‘Akoestische zintuigen’ (akou-o = ik luister. Gr.) worden die genoemd.

Laten we eerst de middelste groep bekijken en hun relatie tot het gevoelsleven vaststellen. Die staan, zoals gezegd, bekend als ‘optische’ zintuigen. Deze zintuigen geven de mens een objectief-subjectieve informatie over de omgeving, de natuur, en de natuurlijke wezens.

Onder de andere zintuigen springt deze groep met grotendeels herkenbare organen, als een flinke neus in het gezicht, naar voren.

We verplaatsen ons als reizigers in gedachten naar Agrigento op Sicilië in de voorzomer. Wij ervaren heerlijke warmte van de zon en koele schaduwplekken. Wij genieten van de geuren die de aromatische plantenwereld schenkt: rosmarijn, thijm, marjolein cn munt. Wij proeven een paar vroege bramen, ze zijn warm en zoet. Wij genieten van dc kleuren: stralend-blauwe lucht, diepblauwe zee en goud-kleurige, edel gevormde tempels.

Onze gewaarwordingen zijn in hoofdzaak afkomstig van respectievelijk warmtezin, reukzin, smaakzin en gezichtszin. Huid, neus, tong en ogen genieten. Die zintuigen wekken gevoelens, zij zijn zintuigen in de gevoelssfeer, hebben een sterke uitbreiding naar het psychische.

Juist vanwege de gevoelens is dit viertal gewantrouwd.

Ten onrechte, zoals uit de inleiding blijkt.

De gevoelsmatigheid van het viertal wordt in onze taal zeer duidelijk geaccentueerd. Sterke gevoelens spreken in uitdrukkingen als: ‘Wat een fijne, warme persoonlijkheid!’ Dat is een kille tante!’ ‘Ik kan haar niet luchten of zien!’ ‘Hij staal in de reuk van heiligheid.’ ‘Dat huis is met smaak ingericht.’ ‘Wat een bittere ervaring!’  Ook de vier elementen komen er aan te pas: men proeft pas als iets vloeibaar gemaakt is, men ruikt als iets gasvormig wordt, men ziet pas, als het licht er op valt en de kleuren zich manifesteren. Water, lucht, warmte cn aarde zijn er bij betrokken. Waarom zou men dit viertal niet evenzo in beeld brengen als de middeleeuwse Universiteit de zeven jonkvrouwen van de vrije kunsten? Nu, we noemen de zintuigen de ‘duodecim deae sensoriae’ waarvan we nu de gezichtszin: fee Omma. de reukzin: fee Naseia, de smaakzin: fee Gusta en de warmtezin: fee Caloria, genoemd hebben als onderdeel van een twaalfvoudige zintuigenkring.

Het volgende viertal bestaat uit minder duidelijk aanwijsbare zintuigen. Slechts één ervan heeft een bijzonder orgaan, maar om het te vinden, moet men de schedel open maken: de z.g. drie halfcirkelvormige kanalen van de evenwichtszin in het oor. De andere zintuigen zijn overal verspreid. Wat nemen deze zintuigen waar? De waarnemingen zijn wilsprocessen, die zich bijna in het onbewuste afspelen.
Rudolf Steiner noemt dit viertal ‘onderste’ of ‘wilszintuigen’, de ook wel gebruikte term ‘haptische’ zintuigen hangt samen met het Griekse werkwoord ‘hapto’, dat ‘tasten’ betekent.

Stellen we ons voor, dat wij gedurende een reis in een grot terecht komen, die plotseling door een puinstorting achter ons wordt afgesloten. Het is pikdonker. We hebben geen zaklantaarn of lucifers. We tasten moeizaam voorwaarts, met voelen en handen. We voelen soms iets van steen, hout of ijzer. We moeten wankelend steeds ons evenwicht bewaren. We voelen ons onbehagelijk, hebben hoofdpijn of koorts.

Deze haptische zintuigen helpen ons iets van onszelf waar te nemen. Zij zijn naar binnen toe gericht, in ons lichaam spelen zich drukprocessen af bij het tasten. Levensprocessen worden waargenomen, wanneer zij niet goed functioneren. Anders is er een vaag gevoel van welbehagen. Wij voelen onze bewegingen en ook, of we in evenwicht zijn.

De mens neemt met deze vier zintuigen op subjectieve wijze naar binnen toe waar, maar wat hij gewaar wordt, heeft objectief karakter. Die maag kan werkelijk van streek zijn, dat is geen verbeelding. Mijn stand kan werkelijk verkeerd zijn ten opzichte van de aard-as. Tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin zijn wilszintuigen.

De gehele natuurwetenschap en de techniek zijn door de mens ontwikkeld. Het zijn de ‘onderste’ zintuigen die de mens op het idee van afmeting, druk. toestand, zwaarte, snelheid hebben gebracht

Maar in het kunstzinnige beeld van de zintuigenkring mogen we voor kinderen zeker spreken van de tastzin als: fee Contacta, van de levenszin als: fee Viviane, van de bewegingszin als: fee Kinela en van de evenwichtszin als: fee Harmonia.

In de zin van elementen is fee Contacta aards, fee Viviane met de vloeistoffen verbonden, fee Kinela vol van het bewegelijke luchtelement en fee Harmonia heeft met de warmte te maken.

Onze derde en laatste groep zintuigen is eigenlijk geheel gericht op de informatie, die een medemens ons door’ waarneming oplevert. Daardoor zijn deze zintuigen grotendeels onbekend. Er is zeker sprake van een on-ontgonnen gebied, aangezien men meent voldoende te hebben aan de acht reeds genoemde zintuigen om de medemens te leren kennen.

Het gehoor neemt bij deze vier zintuigen een aparte plaats in, want het heeft veel weg van de vier gevoelszintuigen, maar het opent ook de poort voor de volgende drie.

Rudolf Steiner noemt deze vier: kenniszintuigen of geestelijke zintuigen. Ook worden ze ‘akoestische’ zintuigen genoemd.

We wagen ons aan een beschrijving:

De omgeving doet er niet toe. Wij raken in een gesprek. We  luisteren aandachtig en we trachten ons alleen te concentreren op datgene, wat de ander probeert te zeggen. We horen de klank van de stem. We nemen méér waar. We onderscheiden in de klankenstroom, die de ander voortbrengt, woorden en zinnen. Wij verstaan zijn taal. De zinnen van de ander bevatten gedachten, zij drukken gedachten uit. Wij luisteren, stellen ons geheel open. Denken we er maar één gedachte tussen door, dan nemen wij niet meer waar, wat de ander denkt. Wel beleven wij onderwijl de persoonlijkheid van de ander, we beleven hem als ik-mens.

Het volkomen nieuwe van Rudolf Steiner is ten aanzien van het geheel der zintuigen, dat hij erop gewezen heeft, dat er aparte zintuiglijke waarneming nodig is om in klanken woorden en zinnen te onderscheiden (woordzin of taalzin). Ook is er een apart zintuig nodig om in de woorden en zinnen de gedachten en ideeën van een ander waar te nemen, maar behalve in de taal ook nog in gebaar of mimiek.

Dit zintuig heet dan ook denk- of begripszin.

Tenslotte is ook het waarnemen van het ‘ik’ van een ander mens geen vorm van redenering, maar van zintuiglijke waarneming. Om het verschil tussen ik en niet-ik in de omgeving bij een ander mens waar te nemen, is een apart zintuig nodig, dat de ‘ik-zin’ genoemd wordt.

De akoestische zintuigen vragen, dat zij in hun geestelijke waarde worden ontdekt. Zij zijn kennis-zintuigen, die met uitzondering van het gehoor alleen aan de mens eigen zijn.
Voor degene die de mens als een soort dier beschouwen bestaan zij dus niet.
In onze feeënkringen nemen zij uiteraard een belangrijke plaats in. We hebben de gehoorzin als: fee Akoestica, de woordzin als: fee Logica, de denkzin als: fee Noëtica en de ik-zin als: fee Christiane.
Men kan zich afvragen of in het sprookje fee Noëtica de boze fee was. Door fee Christiane werd haar boze plan doorkruist. Daarna nam zij in ieder geval haar plaats in de kring weer in.
Ook al wordt men wakker uit de 100-jarige slaap. die veroorzaakt werd door het intellectueel-eenzijdige, toch kan men het verworven intellect als controlerende factor niet missen, ook bij  elke spirituele ontwikkeling. Dit laatste is dikwijls door Rudolf Steiner met nadruk betoogd.

Deze hoogste zintuigen kunnen geoefend worden. En hun waarnemingen worden dan de vrucht van een ontwikkelingsweg naar innerlijke activiteit.

Het is duidelijk, dat de natuurwetenschap de begrippen ‘woord’, ‘gedachte’ en ‘ik’ slechts als zuivere abstracties moet beschouwen. Rudolf Steiner geeft door zijn werk de mogelijkheden om deze abstracties weer ‘schouwbaar’ te maken, hetgeen pedagogisch en sociaal van het grootste belang mag worden geacht.

Tenslotte wordt het twaalftal zintuigen in beeld gebracht:

Rudolf Steiner merkte eens op, dat ons ik, als centrum van ons zielenleven. zich in de twaalf zintuigensfeer beweegt als de zon in de twaalf sterrenbeelden van de ecliptica.

Zo’n aanwijzing kan tot levend beeld worden.

zintuigen 1

 

5.4.3. Zintuigen en de kinderontwikkeling
Hoe past men de totaliteit van de twaalf zintuigen in ons mensbeeld? Het beeld van het zich naar lichaam, ziel en geest ontwikkelende kind, dat op weg naar de volwassenheid door drie zevenjarige fasen gaat?

Het kan duidelijk zijn, dat de zintuigactiviteit van het kind zeer intens is en onmiddellijk na de geboorte begint. De baby proeft nog voor hij kijkt. Tot in zijn kwispelende teentjes geniet hij van de zoete moedermelk. Het kleintje hoort ook al van alles: het kan van geluiden schrikken en het wordt rustig bij het zingen of spreken van de moeder.

Al betrekkelijk gauw komt in de tijd, waarin de lichamelijke basis van het kind wordt gevormd en uitgebouwd, de beweging als hoofdkenmerk van deze levensfase te voorschijn. Alles betasten, vasthouden, evenwicht bewaren, zich omdraaien, gaan zitten, pakken en gooien, schuiven, kruipen, staan, waggelen en lopen. Het kind denkt nauwelijks, het beweegt voortdurend. Eigenlijk is het merkwaardig, dat het pas lopende peutertje een hond en een boom herkent, ook al was de eerste ontmoeting met een pekinees en een treurwilg en de tweede met een Sint Bernard en een dwergconifeertje. Hond is hond en boom is boom. Deze begrippen zijn waarnemingen en geen conclusies na een denkproces!

Het kind gebruikt in de eerste zevenjaarfase — de wilsfase — wel alle zintuigen, maar de hoofdrol wordt toch gespeeld door het viertal, dat men ‘wilszintuigen’ noemt: tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Hoe kunnen deze ‘onderste zintuigen’ tot een goede ontplooiing komen? Door nabootsing in het algemeen en door het spel in het bijzonder! Rustige, zinvolle bewegingen van de volwassenen in de omgeving en beweegbaar speelgoed (hamerende timmerlui, zagende houthakkers, pikkende kipjes, dansende popjes) dat alles stimuleert de onderste zintuigen op goede wijze. Het kinderspel is ook bijzonder goed voor de wilszintuigen: de oude kinderspelen, kringspelen met goede klank en ritme, balspelen, touwtje springen.

Er zijn ook dingen die in onze technische civilisatie veel voorkomen en een regelrechte aanslag zijn voor de harmonische ontplooiing van tast – levens – bewegings – en evenwichtszin. Onrust, haastige, geïrriteerde bewegingen, toestellen die schijnbare beweging laten zien (film, T.V.) tasten de onderste zintuigen aan. Vooral ook gebrek aan ruimte voor spelen in de bovenbedoelde zin vormt een aantasting.

Kleuterscholen waar niet geleerd, maar gespeeld wordt, zijn gunstig in dat opzicht.

Bij sommige kinderen is de bewegingszin door een onrustige omgeving met een overmaat aan onritmische, mechanische, onregelmatige beweging zó aangetast, dat bij het kind geen gezonde bewegingsdrang, maar een ‘beweegzucht’ is ontstaan. Het kind kan dan geen seconde meer stil zitten, en beweegt, constant wriemelend en peuterend. Het kan ook niet meer luisteren.

Het viertal onderste zintuigen vormt een basis voor de volgende vier gevoelszintuigen in de schoolkind- of gevoelsfase. Die middelste vier – reuk – smaak – gezichts – en warmtezin geven op hun beurt een basis voor de harmonische ontplooiing van de laatste vier, de denkzintuigen in de laatste zevenjarige ontwikkelingsfase.

Het verband tussen de drie groepen is van het allergrootste belang voor de pedagogie en het onderwijs.

Het blijkt namelijk mogelijk te zijn om door het leggen van het juiste verband tussen een wils-, een gevoels- en een denkzintuig gebreken in het leervermogen geheel of gedeeltelijk te herstellen.

Men is daar nog in het begin, maar steeds meer studie van de zintuigen zal kunnen leiden tot het efficiënt helpen van leerlingen met moeilijkheden.

Een enkel voorbeeld mag thans volstaan. We zien een jongen, die met het oog niet goed kan waarnemen d.w.z. hij vergist zich met kleuren en vormen en hij kan nauwelijks een begrip ontwikkelen. We geven hem een opdracht om iets te tekenen.

We merken het volgende:

Het kind voelt niet, dat zijn papier op de tafel wegschuift. Hij voelt ook niet, dat hij te hard op zijn krijt drukt. Hij heeft ook niet in de gaten, dat zijn linkerhand een ander kleurkrijtje vasthoudt. Het papier ligt te schuin om prettig te werken. Geleidelijk komt het ongemerkt onderste-boven te liggen. Het kind krast te hard. Hij blijkt niet te zien, of zijn werk mooi of lelijk is.

Kijken we naar Trigoon III dan zien wij een samenhang tussen bewegingszin, gezichtszin en begripszin. De aangetaste bewegingszin beïnvloedt het oog en de begripsvorming (zie afb.).

Een aantal oefeningen om zich ritmisch en ontspannen te leren bewegen, bewerkt, dat de jongen normaal leert lopen en normaal leert zitten. Daarna is het mogelijk hem te leren zien, of hij het krijtje los en toch stevig hanteert. Hij leert ook zien, dat krassen niet zo mooi is; dat hij de lengte en dikte van de streepjes zelf kan controleren en veranderen. Hij begrijpt, hoe men dat aanpakken kan.

Het gaat er wel om een goede verstandhouding met het kind op te bouwen en het gedichtje zo uit te zoeken (of zelf te maken) dat het kind er iets waardevols in kan zien. Kortom, met de zintuigen als uitgangspunt is er zeer veel mogelijk. Men moet zich realiseren, dat zoiets in een gewone groep zevenjarigen kan worden gedaan.

Alles wat de zintuigen overbrengen, behoort tot de materiële wereld. Maar dit innerlijk ontstane beeld heeft zijn tehuis in het rijk van de onzichtbare levenskrachten.

Wat onze geest denkt, onze ziel beleeft, heeft onmiddellijk invloed op de levensuitingen van het organisme. Het zintuigorgaan wordt ook van de psychische zijde direct geëngageerd. Het van vreugde vervulde hart vindt zijn weerspiegeling in de glans van het oog!zintuigen 2

 

zintuigen 3

 

zintuigen 4

 

zintuigen 5

5.4.4 Aanhang             Samenvatting zintuigen.

A. Haptische of wilszintuigen.

1. De tastzin.|
Contact van de wil met de buitenwereld. Wanneer ik iets betast, neem ik toch mijn lichamelijkheid waar. Drukprocessen spelen zich onder mijn huid af. Ik projecteer dit op de buitenwereld met mijn bewustzijn en ik vel het oordeel ‘dit is een ruwe muur’. Er is een reactie van ons innerlijk op uiterlijke gebeurtenissen. Overigens werken bewegings- en evenwichtszin mee met de tastzin, evenals het oog. Het orgaan van de tastzin is ons gehele lichaam, vooral de huid.

2. De levenszin
We nemen door de levenszin op zeer algemene en onbepaalde wijze de toestanden van ons lichaam waar. De waarneming betreft in hoofdzaak de vitale sfeer, de functionering van de levenssappen: bloed en lymfevochten. We voelen dingen die het gehele lichaam betreffen: moeheid, uitgerust zijn, honger, dorst, uitputting, verzadiging, slaperigheid
Ook ontstaat bewustzijn van een orgaan, dat niet werkt zoals het zou moeten doen. Functioneert alles goed, dan neemt de levenszin een vaag behagen waar: wij voelen ons gezond en fit. De levenszin geeft objectieve feitelijkheden: Wanneer wij ons onplezierig in de maag voelen zou een chemicus met zijn retort precies kunnen nagaan, wat er aan onze spijsvertering mis is.

3. De bewegingszin
Dit zintuig neemt alle eigen beweging waar. Het zegt ons of wij in rust of in beweging zijn. De bewegingszin neemt alle bewegingen waar die in ons lichaam gebeuren, maar met beweging buiten ons? Een vergissing is het om te menen, dat wij bewegingen buiten ons door het oog direct kunnen waarnemen. Dat gaat anders. Het oog neemt slechts kleuren en licht-donker nuances waar. Wij doen alle bewegingen, die in ons waarnemingsveld zijn, onbewust mee in ons organisme, in het bewegingssysteem van onze lichamelijkheid.
Door onze eigen bewegingszin worden onze medebewegingen waargenomen, zodat alle beweging buiten ons tot ons subjectieve bewustzijn komt. Een cirkelvorm op een schoolbord is een ‘gestolde’ beweging. die ik met mijn bewegingszin waarneem. Met mijn bewustzijn verbind ik deze waarneming met de optische waarneming van de witte krijtstreep.
Een blinde neemt vormen alleen waar met zijn tastzin en bewegingszin. Rudolf Steiner noemt dit zintuig ook wel ‘eigenbewegingszin’.

4. De evenwichtszin
Met dit zintuig nemen wij onze stand in de ruimte waar. Zijn wij in evenwicht ten opzichte van de drie ruimteassen: boven-onder,  links-rechts, voor-achter? In feite wordt de betrekking waargenomen tussen het middelpunt van de aarde en ons eigen lichaam. Een z.g. onmacht betekent, dat onze evenwichtszin ons het middelpunt van de aarde ‘niet kan laten zien’.
Onze gehele oriëntatie in de ruimte is mogelijk door de evenwichtszin, die haar orgaan in het oor heeft, de drie z.g. half-cirkelvormige kanalen.

B. Optische of Gevoelszintuigen

5. De reukzin
De reukzin is in de neus gelegen. Via de lucht wordt alles waargenomen, wat van de materie in gasvormige toestand is overgegaan. De door de neus waargenomen geur, lucht of stank heeft een zeer sterke uitwerking op ons lichaam, die door vaak heftige gevoelens wordt vergezeld. Lichamelijke reacties b.v. braken zijn ook mogelijk.

6. De smaakzin
De smaakzin laat ons met tong en gehemelte proeven wat van de materie in vloeibare toestand is overgegaan.
Het proeven via de smaakzin veroorzaakt bij de mens zowel een groot genot en welbehagen als ook walging en misselijkheid met alle tussenliggende schakeringen.

7. De gezichtszin
De gezichtszin kan via het oog alleen functioneren, wanneer er licht is; toch kan ons oog het licht zelf niet waarnemen, aangezien licht geen stoffelijke maar een geestelijke kwaliteit is. Wel neemt het oog de dingen waar, die het licht aan hun oppervlakken veroorzaakt nl. kleur- en licht-donker nuances. Over het waarnemen van vorm zie de bewegingszin.

8. De warmtezin
De warmtezin heeft als orgaan onze gehele oppervlakte, al zijn er gevoeliger en ongevoeliger plekken. Waargenomen worden warmte en koude en de schakeringen daartussen.
Dit zintuig heeft duidelijker dan andere zintuigen een brug naar het psychische. Zielenwarmte en -koude worden ook door de warmtezin waargenomen, in combinatie met de akoestische zintuigen.

C. De akoestische zintuigen of Denk-zintuigen

9. De gehoorzin of klankzin
De gehoorzin heeft een Januskop. Ten dele behoort zij tot de z.g. middelste zintuigen, voor zover de natuur wordt waargenomen en de waarneming gevoelsmatig geëngageerd is. Maar het zintuig heeft ook het opmerkelijk vermogen om kwaliteiten hoorbaar te maken. Dit geldt niet alleen voor het onderscheiden van ‘echte’ munten, maar vooral voor het onderscheiden van kwaliteiten in de stem van de mens. Vandaar de sociale vermogens van de blinde!

10. De woord- of taalzin
De taal van een medemens is een zelfstandig te beleven wereld. Via de gehoorzin nemen we slechts het akoestische of muzikale element van de taal waar, niet het wezenlijke van de taal zelf.
Om woorden en zinnen in de stroom van klanken te kunnen onderscheiden is een apart zintuig nodig. Wij bouwen in de loop van ons leven via de woorden een soort klankorganisme op. Orgaan is: ons gehele bewegingsorganisme.

11. De gedachte- of begripszin
Taal en gedachte zijn niet identiek. Wij kunnen de gedachte van een ander mens ook leren kennen door zijn gezichtsexpressie en zijn gebaren. Er is een hoger zintuig nodig om uit de taalstroom de gedachten en ideeën te weten te komen. Dit is geen resultaat van verstandelijke redenering, maar van een zintuiglijke waarneming.
Kinderen kunnen al begrippen ervaren, wanneer zij nog niet kunnen denken. Orgaan voor het begripszintuig is het levensorganisme. Interessant is het, dat Chinezen, Koreanen en Japanners hetzelfde schrijfteken voor ‘boom’ hebben, terwijl zij geheel verschillende talen spreken.

12. De ik-zin
Wij moeten tussen eigen denken en het waarnemen van de gedachten van een ander mens onderscheiden.
Evenzo hebben wij onderscheid te maken tussen de beleving van ons eigen ‘ik’ en het waarnemen van het ‘ik’ van een ander.
Er is geen conclusie uit mijn eigen ik-beleven ten aanzien van een ander. Er is werkelijk sprake van een waarneming. Daartoe hebben wij een apart zintuig, de ik-zin. Het leert ons de keuze te maken tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’ bij de ander. Het ik van de ander is een geestelijke realiteit. Onze eigen ik-zin — ons gehele lichaam is het orgaan ervan — moet door innerlijke activiteit geoefend worden.
.

Het binnenste buiten – publicatie Rudolf Steinerschool Leiden, *mei 1985, hoofdstuk V waarvan 5.4

.
Ik-zin: artikel in Antroposofie Magazine

.

Zintuigen: alle artikelen
.

962

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookje (10)

sprookjes: alle artikelen

 

DE SNOTTERIGE GEITENBOK

In een zeker land, in een zeker rijk leefde eens een koopman. Hij bouwde voor zichzelf een nieuw huis en zond er zijn oudste dochter heen: ze moest er over­nachten en hem dan vertellen wat ze in haar droom had gezien. Het meisje droomde dat ze ging trouwen met een koopmanszoon.

De volgende nacht zond de koopman zijn middelste dochter naar het pasgebouwde huis om te zien wat zij daar zou dromen. En zij droomde, dat zij ging trouwen met een edelman.

De derde nacht was het de beurt van de jongste dochter. Ze werd er op uitgezonden, en ze droomde dat ze trouwde met een geitenbok.

De vader schrok geweldig en verbood zijn lievelingsdochter om buiten de deur te gaan. Maar zij was ongehoorzaam en zij deed het toch. Op hetzelfde ogenblik nam de bok haar op zijn lange horens en droeg haar over steile oevers en hellingen naar zijn hut. Daar legde hij haar te slapen. Het snot liep hem uit de neus, de kwijl droop uit zijn bek, maar het arme meisje veegde telkens alles weg met haar zak­doekje,  zonder afkeer te voelen. Dat stond de bok wel aan en tevreden streek hij over zijn baard.

De volgende morgen stond het mooie meisje op en zag dat het hele erf was omgeven door palen en dat op ieder daarvan het hoofd van een meisje was gestoken – slechts één enkele paar was leeg gebleven. En het arme kind was blij, dat ze aan de dood was ontkomen. Al gauw kwamen er dienaren om haar te wekken: “Het is nu geen tijd meer van slapen, meesteres, maar het is tijd de kamers schoon te maken en het vuil het huis uit te vegen.”
Ze ging naar buiten voor de deur en zag ganzen vliegen. “Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn ge­boortestreek? En brengen jullie mij soms tijding van mijn eigen vadertje?”

De ganzen antwoordden:  “Ja, wij komen uit je geboortestreek en hebben tijding voor je meegebracht; er wordt bij je thuis een verloving gevierd, want je oudste zuster gaat trouwen met een koopman”

De bok hoorde alles op zijn ligbed en zei tegen de knechten: “Hé daar!  trouwe dienaren, breng de bontversierde gewaden en span de zwarte paarden in! In drie sprongen moeten zij op hun plaats van bestemming zijn.”

Het meisje maakte zich mooi, stapte in en de paarden brachten haar in een oogwenk bij haar vader. Voor de deur trof zij gasten aan, en in het huis was een feestmaal gaande. Maar de bok had zich veranderd in een knappe jongeman en liep met de goesli* het erf op en neer.

Nu, wie zou een speelman niet binnenroepen bij een feest? Hij betrad dan ook het grote, houten huis en begon direct te spelen en te zingen: “De vrouw van een Geitenbok! de vrouw van een snotneus.”
Het arme meisje gaf hem eerst op de ene wang een klap, toen ook op de andere, en ging er daarna in grote op­winding met het span zwarte paarden vandoor. Toen ze thuiskwam, lag de bok al op zijn gewone plaats. Het snot droop uit zijn neus, de kwijl uit zijn bek, en weer veegde het meisje alles weg met haar zakdoekje, zonder afkeer van hem te voelen.
“s Morgens werd zij door de dienaren gewekt: “Het is geen tijd van slapen, meesteres, maar van opstaan. De kamers moeten worden schoongemaakt, het vuil moet naar buiten worden geveegd.”
Ze stond op, bracht de kamers in orde en ging naar buiten vóór het huis. Daar vlogen weer de ganzen voorbij.
“Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn
ge­boortestreek met tijding van mijn vader?”
En de ganzen antwoord­den: “Wij,komen uit je geboortestreek en brengen je nieuws: bij je thuis wordt een verloving gevierd, want je middelste zuster gaat trouwen met een rijke edelman.”

Opnieuw reed het meisje naar haar vader. Voor het huis ontmoette ze gasten, want binnen werd er een groot feestmaal gegeven. De bok veranderde zich weer in een knappe jongeman die op het erf heen en weer liep met de goesli. Hij werd binnengeroepen, begon te spelen en zong daarbij: “De vrouw van een geitenbok, de vrouw van een snotneus…”
Opnieuw gaf het arme meisje hem eerst op de ene en toen op de andere wang een klap, en ging er met het span zwarte paarden vandoor.

Toen ze thuiskwam, lag de bok op zijn gewone plaats. Het snot droop uit zijn neus, de kwijl uit zijn bek. Weer ging er een nacht voorbij. ’s Morgens stond het meisje op, ging naar buiten voor de hut en zag weer de ganzen voorbijvliegen.

“Ach, mijn grijze ganzen, komen jullie misschien uit mijn
ge­boortestreek, en brengen jullie soms nieuws van mijn vader?”
En de ganzen antwoordden:  “Ja, wij komen uit je geboortestreek en hebben nieuws voor je meegebracht: je vader geeft een groot feestmaal.”

Hei meisje snelde naar haar vader. Voor het huis ontmoette ze gasten en binnenshuis was een geweldig feestmaal aangericht. Om het huis liep de speelman met zijn goesli. Ze riepen hem de feestzaal binnen en weer zong hij: “De vrouw van een geitenbok, le vrouw van een snotneus…”
Het arme meisje gaf hem eerst op zijn ene en daarna op zijn andere wang en klap en haastte zich naar huis. Ze keek op zijn gewone ligplaats, maar daar lag alleen de huid van een bok. De speelman had geen tijd gehad er weer in te kruipen.

De huid vloog de kachel in, en voortaan was de jongste dochter van de koopman met een knappe jongeman getrouwd.

Ze leefden nog lang tezamen en vermeerderden hun bezit.

(Russisch sprookje uit de verzameling van A.N. Afanashew).

sprookjes: alle artikelen

*citer-achtig instrument

716

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (9)

alle sprookjes

het sprookje van de drie lammetjes 

(Een Hongaarse vertelling)

Een weduwe had drie zonen.  Ze was zo arm, dat de zonen de wereld in moesten om de kost te verdienen.
Alle drie kwamen zij in de leer bij een oude eerbiedwaardige man. De oude man bezat een kudde schapen. De oudste zoon vroeg toen hij bij de oude in de leer was: “Heer, wat moet ik doen?” “Veel is het niet.” was het antwoord.  “Ga naar de schapen op het veld, zorg goed voor ze en verlies ze niet uit het oog en ’s avonds als je terug­keert met de kudde, vertel me dan van welk gras ze gegeten en van welk water zij gedronken hebben.”
De oudste zoon was blij, dat hij zo’n eenvoudige opdracht had ontvangen. Hij trok met de schapen naar het veld, ging in het gras liggen en keek dromerig naar de blauwe hemel.  “Meer hoef ik niet te doen,” dacht hij. Vredig en stil graasden de schapen, doch plotseling bemerkte hij hoe zij samen­drongen bij een wilde waterval, waarover slechts een smal zwak en verrot bruggetje leidde.
De oudste zoon sprong op en rende er heen om de schaapjes tegen te houden, maar het lukte hem niet. Hij riep en riep, ze luisterden echter niet naar hem. De een na de ander liep over het smalle brugge­tje. Alleen één klein lammetje, dat tot het laatst wachtte, stootte steeds tegen de benen van de oudste zoon en trok met zijn tanden aan de slippen van zijn jas, alsof het iets aan de oudste zoon wilde tonen. De zoon duwde zonder te kijken het lammetje van zich af en schonk verder geen aandacht aan het dier.
Tegen de avond kwamen de schapen weer vanzelf terug en de zoon bracht de kudde weer veilig thuis bij de oude man.  “Nu,” vroeg de oude, “Vertel me, van welk gras aten mijn schapen en van welk water dronken zij?” “Ze aten groen gras en dronken helder bronwater” antwoordde de jongen verwonderd op de vraag van de oude.
De oude man lachte fijntjes en zei: “Je hebt je dienst zo goed verricht als je maar kon. Hier is je beloning.” En hij gaf hem een zak vol goudstukken. “Ga nu naar huis en overhandig het geld aan je moeder, zij zal het hard nodig hebben. Bovendien heeft je moeder grote heimwee naar je.” “Hoe kan dat nu”‘ zei de zoon,  “Ik ben pas gisteren van huis ver­trokken” “Je bent langer van huis dan je denkt.  Zeven jaar was je bij mij in de leer,” sprak de oude man.

Toen nam de oudste zoon de zak met goudstukken aan en vertrok in de richting van zijn huis. Onderweg echter bezocht hij een herberg, waar hij al zijn geld verloor aan drank en spel. En toen hij thuis kwam had hij zijn moeder niets aan te bieden.

Zo verging het ook de tweede zoon. Ook hij hoedde de schapen van de oude man en merkte niets van het kleine lammetje dat hem iets duidelijk wilde maken. Ook hij werd vriendelijk door de oude man toegesproken en hij kreeg een zak vol goudstukken. Ook hij ging zo lichtzinnig met het goud om, dat het van hem gestolen werd„ Met lege handen keerde hij evenals zijn oudere broer terug.

Nu kwam de jongste zoon bij de oude man in de leer. Ook aan hem werd de kudde schapen toevertrouwd, precies zoals dat met zijn twee broers was toegegaan. Weer kwam het moment waarop de schapen samen­drongen bij het oude, zwakke bruggetje over de waterval. Het kleine lammetje trok aan de jas van de jongste zoon. En de jongen had zo’n plezier in het diertje, dat hij het aaide en met hem naar de plek ging, die het wilde aanwijzen. Aldus volgden zij de andere schapen. Tenslotte kwamen zij bij een kapel. Nauwelijks waren de schapen daar aangekomen of hun gouden vacht viel af en voor de jongste zoon stonden louter engelen. Het kleine lammetje was een bijzonder mooie engel, stralend als goud.
De engelen hielden samen een eredienst en aten van het heilige brood en dronken van de heilige wijn. Toen verhulden zij zich weer in de schapenvachten en gingen naar de groene weide terug over de smalle brug.

Toen de oude man ’s avonds aan de jongen vroeg: ‘Welk gras hebben mijn schapen gegeten en welk water hebben zij gedronken?”, vertelde de jongste zoon alles wat hij beleefd had. Hierover verheugde de grijsaard zich zeer en zei tot hem: “Jou zal ik meer geven dan je broeders,”en hij gaf hem een rond brood mee. “Dit brood zal altijd ieder blijven voeden, nooit zal er meer honger zijn. En vergeet nooit dat je bij Godvader zelf in de leer geweest bent.”

Uit: Von den Quellkräften der Seele– Herbert Hahn)

alle sprookjes

710

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (8)

sprookjes: alle artikelen

De twaalf Maanden.

Heel lang geleden leefde er eens een moeder die twee dochters had, een eigen dochter en een stiefdochter. Ze was dol op haar eigen dochter. Maar Maria kon zij niet uitstaan, omdat zij mooier was dan Helena. Maria moest al het werk doen, koken, bakken en braden, opruimen, afwassen en spinnen. Ook weven. En de koe verzorgen. Helena stak geen hand uit. Ze zat de hele dag in de spiegel te kijken en maakte zich mooi. Maar, vreemd genoeg, Maria werd elke dag mooier en Helena werd lelijker. Tenslotte werden moeder en dochter zo boos, dat zij besloten zich van het knappe meisje te ontdoen.

Op een dag in januari zei Helena tegen Maria: “Ga gauw naar het bos om viooltjes te plukken. Ik wil ze in mijn gordel steken om lekker te ruiken.” Toen Maria verdrietig antwoordde, dat er in deze tijd van het jaar geen viooltjes waren, dreigde de boze zuster haar te doden. De stiefmoeder joeg Maria de hut uit en deed de grendel op de deur.

Wat moest het arme kind beginnen? Er lag een dik pak sneeuw en zij dwaalde hongerig en half bevroren door het bos.

Opeens zag zij een lichtschijnsel. Zij strompelde de berg op, het licht tegemoet. Op de berg gekomen zag zij een kring van 12 mannen die om een vuur zaten op stenen zetels. Drie mannen hadden sneeuwwit haar, de volgende drie waren wat jonger, dan waren er drie nog jongere en de drie allerjongsten leken nog niet volwassen.
Zij waren de twaalf Maanden die zwijgend in het vuur staarden. Op de grootste steen zat Januari. Hij had een staf in de hand.

Maria bleef verschrikt staan. Bevend vroeg zij of zij zich bij het vuur mocht warmen. Januari knikte vriende­lijk. “Wat doe je met dit uur in het bos?” vroeg hij.

Ik moet viooltjes zoeken” antwoordde het meisje. “Er zijn toch geen viooltjes in de winter!” “Ach, dat weet ik. Maar mijn stiefzuster heeft me het bos ingestuurd en ze slaat me dood als ik zonder viooltjes thuiskom. Weet u geen plekje, waar ik ze vinden kan?” Januari stond op en riep: Broeder Maart, ga op mijn plaats zitten!” Maart ging op de steen zitten en hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden op. De sneeuw smolt, de bladeren kwamen uit, het gras begon te groeien, het was lente. Even later bloeiden er al zoveel viooltjes, dat het gras blauw leek.  “Pluk ze maar gauw, Maria,” zei Maart vriendelijk. Maria plukte en ging har­telijk dankend blij naar huis. De stiefmoeder en Helena waren verbaasd. Helena stak de viooltjes dadelijk in haar ceintuur, snoof de lucht op en liet haar moeder ook ruiken. Een bedankje voor Maria kon er echter niet af.-

De volgende dag had Helena trek in aardbeien en beval Maria een mandvol in het bos te halen. Maria stribbelde zachtjes tegen, omdat er in januari geen aardbeien zijn. Helena bedreigde haar weer met de dood. Het arme meisje liep ijskoud en hongerig het bos in. Maar ineens zag zij het lichtschijnsel weer, ging er op af en begroette de twaalf Maanden vol eerbied. “Mag ik mij een beetje war­men?” smeekte ze. Januari knikte. “Wat doe je met dit weer in het bos?” vroeg hij.  “Ik moet aardbeien plukken,” antwoordde Maria. “Die zijn er nu toch niet?” “Dat weet ik. Maar mijn stiefzuster slaat mij dood als Ik zonder aardbeien thuiskom. Kunt u me helpen?”

Januari stond op en riep:  “Broeder Juni, ga op mijn plaats zitten!” Dat deed Juni. Hij hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden hoog. De sneeuw smolt, het gras werd groen, de bomen bloeiden. Het werd zomer. Het veld stond vol prachtige aardbeiplanten met rode vruchten. “Pluk ze maar!” zei Juni opgewekt.

Maria had al gauw een mand vol, nam dankbaar afscheid; en haar stiefmoeder en Helena begrepen niets van de aardbeienweelde, waaraan zij zich te goed deden. Een bedankje voor Maria kon er niet op overschieten. Het geleek zon gemakkelijke opdracht, dat Helena zich voornam nog wat aardbeien zelf te gaan halen.

Maria vertelde, hoe zij moest gaan. Inderdaad zag ook Helena het licht in het donkere bos. Ze ging er op af en zag de twaalf Maanden om het vuur zitten. Zij warmde haar handen zonder te vragen. Ze groette niet en keek onbe­vreesd rond.

“Wat kom je hier doen?” vroeg Januari.

“Dat gaat je niets aan, ouwe!” Januari zwaaide zijn staf boos boven het vuur. De vlammen werden kleiner en kleiner. Een vreselijke sneeuwstorm stak op. Helena verdwaalde, viel neer en be­vroor. Haar moeder die haar was gaan zoeken ondervond het­zelfde .

Maria bleef alleen achter. Zij kookte en verzorgde de koe, maar haar stiefmoeder en Helena kwamen niet terug. Maria moest huilen, toen zij in het bos werden gevonden. Zij bleef alleen wonen en verzorgde alles goed. Later ontmoette ze de aardigste jongeman uit de streek, trouwde met hem. Zij leefden nog lang en gelukkig.

(Slowaaks sprookje uit de bundel Slavische sprookjes- Sirovatka/Luzik)
sprookjes: alle artikelen