Tagarchief: schikgodinnen

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/5)

.
Dieuwke Hessels
.

Vrouw Holle:

Een bloemlezing van artikelen, informatie, afbeeldingen, transparanten, liedjes, versjes,  boeken, verhaaltje en het sprookje van “vrouw holle.” 

Artikelen van : Abe v. der Veen, Alice Woutersen, Wikipedia, Annine v. der Meer, Beleven.org,,  levende sprookjes en Ineke Bergman. 

Het sprookje van vrouw Holle is een sprookje van Grimm, voor het eerst   opgeschreven in 1812.
Het is een van de weinige sprookjes waar een Godin in voorkomt! Vrouw Holle wordt ook wel Holda, Hölle of Hel genoemd. Zij is de godin van de onderwereld die heerst over het rijk der doden.
Zodra we dit weten krijgt het
sprookje een veel intensere lading.
Wanneer het meisje de put in springt, en vervolgens wakker wordt in een, begint haar reis door de onderwereld.
Je kan dit zien als de reis
van de ziel bij het sterven en (weder)geboren worden. Je kan het ook zien als een semi-dood die ondergaan wordt tijdens de initiatie van het meisje
tot priesteres.
Verderop zegt Abe de verteller: iedereen is slechts gehoorzaamheid verschuldigd aan zijn eigen levenslot, niet aan de maatschappij, niet aan familie, maar alleen aan de Godin, aan vrouw Holle, die dit levenslot voor jou heeft bepaald.
Aan ons de grote uitdaging om die draad te vinden en eraan vast te houden,  

Lelijke stiefmoeder

De scene met de verwende lelijke stiefzuster en de gemene stiefmoeder, die het lieve meisje slecht behandelen, is klassiek en komt in vele sprookjes voor. Moeder aarde of de moeder die in liefde haar kind omhult heeft plaatsgemaakt voor de moeder van de harde materie. Deze kijkt alleen naar de buitenkant, hoe goed presteert het meisje? De stille aandacht van het meisje – een teken dat ze het contact met de bron nog niet heeft verloren – wordt niet gezien of gewaardeerd. Het egoïstische kind wordt verwend en beloond, want daarin herkent de valse moeder zichzelf. De twee zusjes kan je zien als twee aspecten van jezelf, vanuit de buitenwereld wordt het harde, schreeuwende materiële beloond en het zachtmoedige, innerlijke kind voor die dromerigheid gestraft. Gevoel wordt gezien als een slechte eigenschap! 

In de put 

Spinnen bij een waterput doet sterk denken aan de schikgodinnen die ook de levensdraden spinnen gezeten bij de levensbron en zo het levenslot bepalen. Wie de levensenergie volgt, spint aan zijn eigen levensdraad of volgt eigenlijk de weg die de lotsgodin voor je heeft bepaald.
Wie te snel moet spinnen, moet te hard zijn best doen en raakt zo uit balans. De levensenergie vloeit uit het  meisje, het bloed springt uit haar vingers en kleeft aan de draden. Om de draden te wassen dompelt ze de  spoel in het water van de put en de spoel verdwijnt in het diepe water. Zonder spoel is het meisje haar  centrale as kwijt waarom de draden gewikkeld zijn. Ze is haar vaste basis, haar houvast in het leven kwijt. Deze  zal ze ook niet vinden bij haar stiefmoeder. Ze zal die moeten vinden onder in de put. Wie wil groeien moet  soms diep zinken. Het meisje zit letterlijk en figuurlijk diep in de put! Daar in het diepst van de ellende kan haar  reis beginnen. Die put van diepe ellendige emoties blijkt namelijk een tunnel naar de onderwereld. Maar niet  naar de
duisternis, het is een tunnel naar het licht! Via het water van het onbewuste gevoel bereikt zij een heerlijke  lenteweide vol bloemen. 

Appeltjes plukken en broden halen 

In deze wereld krijgt zij drie beproevingen, die staan voor de drie aspecten van de Godin, als maagd, moeder en oude vrouw. Zij loopt door de bloemenweide tot zij de appelen in de boom hoort roepen, pluk mij, pluk mij! (In het sprookje van Grimm, komt dit pas als tweede taak, er zijn echter ook versies waar het meisje begint met de appelen en symbolisch vind ik dit de juiste volgorde.) (2) Zij is als de maagd die alle genietingen van het leven mag ervaren.  Zij plukt de bloemen en daarmee het leven! De levensdraad wordt langer en dikker  door haar genietingen. Dan plukt ze de appels, op het moment dat ze rijp zijn, niet eerder. Zij ontdekt haar vrouwelijkheid en seksualiteit. In het Bijbelse verhaal is het een zonde als Eva in de tuin de  appel plukt. Voor de Godin is het een noodzakelijkheid om tot bewustzijn te komen. Het meisje volgt haar  instinct, de natuur zelf roept haar, de appelen schreeuwen, dus zij luistert. Na het plukken van de appelen is zij geen maagd meer en de consequenties komen snel. Zij heeft ‘a bun in the oven’ zo het Engelse spreekwoord  luidt… De broodjes in de oven zijn gaar en roepen haar toe. Zij mag kinderen ter wereld brengen. Ook de  moederfase gaat voorbeeldig. 

Vrouw Holle

Ten slotte komt ze bij vrouw Holle zelf. Eerst schrikt ze van haar, want ze heeft zulke lange tanden!
Zoals ik al zei is vrouw Holle een
Godin. Zij heerst over de holle wereld der geesten die je volgens het volksgeloof kan betreden via grotten, holle bomen, bronnen en putten. Dit is geen materiële wereld, je moet het niet letterlijk zien als een grot onder de grond! Het is de geestelijke, innerlijke wereld die je betreedt als je zonder lichaam bent. Pas in christelijke tijden werd deze wereld een oord van verderf en eeuwige pijn. Ook bij de heidense Noormannen en Grieken was de onderwereld geen pretje; in Hades werden misdadigers streng gestraft en in Hel kon het donker en somber zijn. Maar ook het Elysium der Gelukzaligen was hier te vinden en Holda hield in haar berg grote feestmalen met eeuwig zang, dans en mooie vrouwen. De godin Hel zelf wordt voorgesteld als voor de helft zwart en rottend en voor de andere helft roze. (3) In het  sprookje lijkt vrouw Holle lelijk en dus gemeen, maar de lelijke, donkere kant van de Godin is juist uiterst consequent!
Bij vrouw Holle ervaart het meisje de fase van de oude vrouw, haar winterperiode. Zo leert ze dat de laatste zogenaamd lelijke periode het net zo goed waard is om met alle ijver geleefd te worden als de ‘gouden’ tijd van de jeugd. Zij poetst het huisje van vrouw Holle ijverig schoon en schudt haar kussens op zodat het sneeuwt in de wereld. Dit is de periode om je etherische lichaam – het ‘huis’ waarin je woont – te reinigen, om  zo overbodige hechtingen en oude trauma’s kwijt te raken. Door het opschudden van je energetische kussen, raakt ze haar overbodige veren kwijt. Ze raakt – als het ware – in de rui en laat datgene los wat ze niet nodig heeft. Dit is de winterperiode van haar leven. 

Als je deze reis beschouwt als een initiatie van het meisje tot priesteres van de Grote Godin, dan zijn de drie taken van de appelboom, de broodoven en het huisje van vrouw Holle, ook te zien als de taken van de koppelaarster, de vroedvrouw en de ‘keening woman’. De laatste is degene die door haar rouwen helpt bij de overgang van de dood. Binnen deze interpretatie klopt het weer dat het meisje eerst de appelen plukt. Zij assisteert eerst bij het samenbrengen van geliefden, dan bij de geboorte en uiteindelijk bij het stervensproces. 

Goud of pek 

Uiteindelijk voelt het meisje de roep om een nieuw leven te beginnen. Zij wordt door vrouw Holle begeleid naar de poort van de onderwereld. Onder die poort krijgt zij de haar toegemeten portie levensenergie mee. Dit is zoveel dat zij van top tot teen met goud bedekt wordt. Zo wordt zij voor haar continue volgen van de levensdraad – waar het lot haar ook maar naar toe bracht – door vrouw Holle beloond. Als ze in de bovenwereld is roept de haan haar toe: ‘kukeleku onze gouden jonkvrouw zien we nu!’ Hij is de vogel die de dageraad en daarmee het dagbewustzijn en een nieuw leven aankondigt. Haar volgende leven wordt karmisch beloond met een grote portie geluk en zonneschijn. Het goud staat ook voor de paradijselijke kant van de onderwereld. Het is het onderaardse Elysium, waar het gouden tijdperk nog heerst en de gouden appelen een eeuwige jeugd brengen. 

Als de kwade stiefzuster zich in de put werpt is zij liever lui dan moe. Deze levenshouding wordt beloond, door haar bij het verlaten van de onderwereld te overgieten met pek. Dit blijft aan haar kleven en wil er haar hele leven lang niet af! Alles wat zij onderneemt in haar leven gaat door die pek, stroperig en zit vol met pech.
Pek is etymologisch verwant met pech! De pek betekent dus dat zij veel pech in haar volgende leven zal krijgen. Zij wordt zogezegd een pechvogel. De pech is ook de donkere kant van de onderwereld. Pech is een Oudhoogduits woord voor de hel, waar de zielen in de zwarte pek worden gebrand. (4)
Ook hier zien we de twee aspecten
van vrouw Holle en haar wereld. Het is licht en duisternis, wit en zwart. Wie met de stroom meegaat,                                     Gisela Gottschlich
zal in het licht lopen, wie tegendraads is
zal in het duister tasten en de weg niet vinden, zij
weet niet waar de energie te vinden is. 

Als dit allemaal heel moralistisch klinkt moet je bedenken dat iedereen slechts gehoorzaamheid verschuldigd is aan zijn eigen levenslot, niet aan de maatschappij, niet aan familie, maar alleen aan de Godin, aan vrouw Holle, die dit levenslot voor jou heeft bepaald.
Aan ons de grote uitdaging om die draad te vinden en eraan vast te houden, koste wat kost! 

Abe van der Veen

Vrouw Holle schudt de bedden 

Het sneeuwt! Het sneeuwt vanmorgen!
Het is schoonmaak wil ik wedden:
Daar wil zij voor zorgen.
Ze klopt en wast en poetst en boent
n overal ligt rommel…
Vrouw Holle wat een drukte toch?
Wat maak je een gestommel.
Maar…. als ze klaar is, lacht de zon.
Laat alles blinken, stralen.
Ja! Alles staat in voorjaarsglans
te pronken en te pralen. 

gebarenversje van Hermien IJzerman 

Achtergronden bij Vrouw Holle 

naar Alice Woutersen 

“Wie is eigenlijk Vrouw Holle:
Vroeger was zij bekend. Zij was verbonden  met de wetmatigheden van het mensenlot. Tegenwoordig noemen we dit karma. Zij  bestuurt het lot van de mensen.
Men noemde haar ook wel een van de drie schikgodinnen of nornen.
In dit sprookje vertegenwoordigt Vrouw Holle ze alle drie tegelijk.
Die drie normen worden in de Edda Urdt,  Verdandi en Skuld genoemd. In het Nederlands Oerd of Oer, Werdandi en Skoeld.” 

Het sprookje begint met de weduwe. Zij is ook stiefmoeder van de eerste dochter van haar overleden man. Alles is op het aardse gericht en wordt als zinvol gezien. De zielenverbinding die meer op het geestelijke gericht was, is gestorven en de op de materie gerichte houding is nog over. Het lijkt erop dat alleen de jonge mooie dochter nog met het geestelijke in de mens verbonden is. Zij is mooi en ijverig. Voor de andere dochter is het precies andersom; zij is lelijk en lui.
In het huis van de stiefmoeder is eigenlijk geen ruimte voor het mooie en ijverige meisje. Hier is haar geest namelijk niet belangrijk, niet op zijn plek. (Immers; de stiefmoeder is alleen op aardse en materiële zaken  gericht).
Daarom voelt deze (stief)moeder wel liefde voor haar eigen kind en geen liefde voor haar stiefkind.
Deze beide meisjes zijn allebei in onszelf aanwezig.
Zetten wij ons eigen mooie meisje dat graag gezien wordt ook niet vaak buiten de deur? Het arme, mooie meisje wordt als dienstmeid gezien, de laagste rang in het huishouden. Tegelijkertijd is dit ook de belangrijkste rang want degene die in de as blaast is ook verbonden met het vuur dat in ons huis brandt.
Dit meisje blaast het vuur aan, zodat wij van binnen warm kunnen worden, enthousiast kunnen zijn over iets.

Levensdraad 

Het arme meisje mag zelfs niet in huis spinnen, zij moet buitenshuis. Zij moet hard werken en zonder eigenbelang spinnen voor haar lelijke stiefmoeder en stiefzuster. Je krijgt de indruk dat deze twee nauwelijks iets doen.
Het meisje spint hier bij de put de levensdraad. Op het moment dat zij deze draad bevlekt met haar bloed, drukt zij haar eigen stempel op deze draad en dat  mag niet van haar stiefmoeder (die niets van de geestelijke kant wil zien). 
Het meisje probeert nog het bloed eraf te spoelen, maar dat lukt niet. De spoel valt uit haar handen en  verdwijnt in de put of bron. 
Spinnen is met het denken verbonden, want onze levensdraad wordt sterk beïnvloed door datgene dat wij  denken. Zolang het meisje haar zelfgesponnen draad niet met haar eigen denken verbindt, gaat het goed. Ze doet wat haar stiefmoeder heeft bevolen, maar o wee; als haar bloed zich met de draad verbindt… dan raakt zij haar  levensdraad kwijt. Het arme meisje schrikt, loopt naar haar stiefmoeder toe om alles te vertellen maar daar hoeft zij uiteraard  geen medelijden van te verwachten. In haar angst springt het meisje in de put om haar spoel terug te halen. 

Het kwijtraken van je levensdraad en het springen in de put zijn beelden die aangeven dat je sterft. (de put is de tunnel) Het meisje behoudt haar bewustzijn ook niet; als zij weer ontwaakt is ze in een andere wereld gekomen; de wereld van Vrouw Holle. Zij beleeft hier de etherwereld en in deze wereld staat het huisje van Vrouw Holle. 

Wie is vrouw Holle? 

Vroeger was zij bekend. Zij was verbonden met de wetmatigheden van het mensenlot. Tegenwoordig noemen we dit karma. Zij bestuurt het lot van de mensen. Men noemde haar ook wel een van de drie schikgodinnen of nornen. In dit verhaal vertegenwoordigt Vrouw Holle ze alle drie tegelijk.
Die drie normen worden in de Edda Urdt, Verdandi en Skuld genoemd. In het Nederlands Oerd of Oer, Werdandi en Skoeld.
Oerd of Oer is verbonden met het verleden (oer) en geeft ons onze levensdraad (lotsdraad) als wij geboren worden.
Werdandi (het wordende) is verbonden met het heden; zij knoopt levensdraden aan elkaar vast tijdens het leven.
Skoeld is verbonden met de toekomst en knipt de levensdraad bij het sterven door. Zij zorgt voor de vereffenings- of ontwikkelingsmogelijkheden van het lot. Dus het opbouwen van het karma waarmee de mens in zijn volgende leven aan de gang kan gaan.
Aan Skoeld bied je datgene aan wat je geschoold (skoel = school) hebt op aarde.
Men zei vroeger dat de normen verschenen bij de geboorte, het huwelijk en de dood. 

Skoeld Holda Brechta of Geertruid 

Vrouw Holle vangt in eerste instantie het meisje op in de functie van Skoeld en geeft het meisje de levensdraad weer terug in de functie van de Oerd.
In de volksmond wordt Skoeld ook wel Holda, Brechta of Geertruid genoemd en Oerd noemt men ook Anna.
Allerlei geestelijke wezens die vroeger vereerd werden, zijn door de mens in Vrouw Holle samengevoegd. Zij heeft ook duidelijk trekken van de Germaanse godin Freya, de godin van de liefde en het gezin, die volgens de  Edda gestorven zielen opving in haar rijk, waar deze zielen mochten blijven tot ze weer incarneren.
In dit sprookje lijkt Vrouw Holle ook wel op een drempelwachter en omdat het meisje nog niet zo ver ontwikkelt is, ziet Vrouw Holle er nog niet zo mooi uit.
Net als bij de drempelwachter spiegelt zij het ontwikkelingsniveau van de mens ten opzichte van het ideaalbeeld van de mens.
In het rijk van Vrouw Holle kun je vrijwillig de vermogens, die je reeds ontwikkeld hebt op aarde, tonen. Je kunt ook testen of deze bruikbaar zijn in de wereld tussen dood en nieuwe geboorte.
Ons arme en mooie meisje heeft veel vermogens ontwikkeld. Zij is namelijk in staat om te werken in de wereld van Vrouw Holle.
Zijn de broden en de appels vruchten van haar vlijtige leven? Het brood uit de samenwerking met het geestelijke en de appels door het werken met de boom van kennis van goed en kwaad? Voor wie is deze oogst?
Vrouw Holle is aardig naar haar en stelt haar gerust als ze ziet dat het meisje schrikt van haar uiterlijk. Werken voor Vrouw Holle wil zeggen dat je meewerkt met de geestelijke wereld in de periode tussen dood en nieuwe geboorte.
Waarom moet het bed geschud worden tot de veren in het rond vliegen? Waarom sneeuwt het dan op aarde?
Wanneer wij geïncarneerd zijn en dus op aarde leven, dan kennen wij een ritme van slapen en waken. Wanneer wij slapen verwerken wij in de nacht alles wat wij overdag hebben beleefd. Het inzicht en de wijsheid die wij in de nacht verzamelen doordat ons ik en het astrale in de geestelijke wereld vertoeven, komt terecht in het bed van onze eigen Vrouw Holle. Deze verzamelde wijsheid kunnen wij na onze dood aan de aarde schenken.
Sneeuwvlokken ontstaan doordat water uitkristalliseert in de vorm van zespuntige sterren.
Een zespuntige ster is het beeld voor wijsheid die uit de kosmos komt (hemel). 

Het meisje doet het goed bij Vrouw Holle, maar wil toch weer terug naar aarde. Vrouw Holle brengt haar daarom naar de poort (overgang van de wereld van Vrouw Holle naar de aardse wereld), geeft haar haar spoel terug en…. Het meisje wordt met goud bedekt; talenten die zij  in het volgende leven goed kan gebruiken.
De haan kondigt de nieuwe geboorte aan. Omdat het aardse luie meisje lui was op aarde van geest, laat haar denkvermogen in de geestelijke wereld veel te wensen over bij Vrouw Holle. 

Zij heeft geen echte vermogens ontwikkeld en alleen maar gedaan alsof ze wat deed. Kan zij het brood überhaupt wel uit de oven halen, of appels oogsten, of het dekbed schudden? Zij is dan ook niet in staat om te werken in het rijk van Vrouw Holle en kan dus ook niet met wijsheid terug naar aarde keren en vandaar dat zij met pek wordt overgoten bij haar terugkeer. Zij heeft geen spoel om te spinnen en kan niets zinvols bijdragen aan de levensdraad, hoogstens pech (pek). Bron: Alice Woutersen, 

Van Wikipedia: 

Vrouw Holle is een figuur uit volksverhalen uit Midden-Europa.
Ook is het de naam van een sprookje dat is opgetekend door de gebroeders Grimm in Kinder- und  Hausmärchen (KHM24). Het sprookje is ook bekend als: 

  • Het vlijtige Liesje en het luie Liesje 
  • Goud-Elsje en Pek-Elsje 

Vrouw Holle 

Vrouw Holle, Holda of Hulda is een van vele bovennatuurlijke vrouwelijke wezens uit het volksgeloof die vanuit hun oorsprong met de onderwereld in contact staan. De aard van dit type wezens varieert van behulpzaam en  vriendelijk tot bestraffend en hard.[1] 

Holda wordt “De Witte Dame”, maar ook “De Zwarte Grootmoeder” genoemd, dit heeft overeenkomsten met het sprookje over Vrouw Holle. Ze is een doodsgodin. Er zijn nog andere benamingen, zoals Vrou-Elde en Vrou-Elde, Frigga, Eastre, Fri, Fria, Fricka, Friga, Frige, Frigg, Gode, Ostara, Fri(a), Frig, Bertha, (Frau) Gode,  (Frau) Wode, Frija, Holda, Huda, Huld(r)a, Nerthus, Frea, Eastre, Bertha, Brechta, Frau Venus, Harfer, Herke,  Hold(e), Holl(e), Hulle of Frigga. 

Vrouw Holle wordt als aanvoerster van de Wilde Jacht gezien. Tussen 23 december en 5 januari kijkt ze of mensen dat jaar vlijtig of lui waren. Ze wordt in verband gebracht met de door Tacitus beschreven Nerthus.[2] Vrouw Holle maakt de sneeuw door haar kussen uit te kloppen, vergelijk dit met Frigg uit de Noordse mythologie: zij spint de wolken. Als het sneeuwt zeggen mensen in Hessen: Frau Holle schudt haar bed op.
De germaniste Erika Timm gaat ervan uit dat Vrouw Holle een bijnaam was voor Frigg, die tijdens en na de kerstening als zelfstandige naam werd gebruikt (het was gevaarlijk namen van heidense godheden aan te roepen
[3])
Vrouw Holle wordt gezien als godin van leven en dood en de aarde, ze gaf haar naam aan de onderwereld. Zie ook Hel, Perchta, Cailleach en Nehalennia, zij worden allen in verband gebracht met Vrouw Holle. Vrouw Holle  is beschermvrouw van de spinsters en wevers, er bestaan parallellen met de Völva, Nornen en witte wieven.  Vrouw Holle wordt soms als koningin van de kabouters of alven (zie ook elfen en fee) genoemd.[4] Zie  ook Huldra en Huld. 

In Gelderland is Schele Guurte bekend, zij heeft veel overeenkomsten met Vrouw Holle. Zie ook de sage Het  verhaal van Schele Guurte en Simeliberg

Vrouw Holle zou in een berg wonen, de Hohe Meißner (tussen Kassel en Eschwege), de Hörselberge bij Eisenach (in het bijzonder Hörselberg) en ook Hollerich (het rijk van Holle) worden genoemd als woonplaats. In de negentiende eeuw dansten meisjes nog bij het Hollelochs bij Schlitz. Alleen de
eerste strofe van het lied dat daarbij gezongen werd is nog bekend; 

Miameide – steht auf der Heide –
Hat ein grün’s Röcklein an.
Sitzen drei schöne Jungfern daran.
Die eine schaut nach vorne,
die andre in den Wind.
Das Weibsbild an dem Borne
hat viele, viele Kind. 

Jonge meisjes namen vroeger een bad in de Frau-Holle-Teich op de Hohe Meißner om vruchtbaar te worden.  Het water uit deze vijver zou geneeskrachtig zijn. Volgens de overlevering is de vijver bodemloos. Opgravingen rond de vijver duiden ook op een mogelijke offerplaats, er zijn vuurstenen uit de Steentijd gevonden. Ook munten uit de Romeinse keizertijd (uit de tijd van Titus Flavius Domitianus) en keramiekscherven uit de Middeleeuwen (en ouder) zijn aangetroffen. 

In het Ásatrú wordt Vrouw Holle als godin vereerd. De gewone vlier (in het Duits Holunder Holderbusch of Holleris) aan Vrouw Holle gewijd.

Door Annine van der Meer:

Oude beelden in het Westen van vrouwen en het vrouwelijke zijn vaak negatief. Ten onrechte, zo vond Annine van der Meer uit. Het sprookje van Vrouw Holle laat ten onrechte nare vrouwen zien; in de pre-Grimm versies was de stiefmoeder gewoon een moeder en de griezelige Vrouw Holle een wijze vrouw. Toch iets anders. Wat was er mis met die wijze vrouw? 

Wij kennen het sprookje van Vrouw Holle uit de sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm. Echter…  weinigen van ons weten dat zij de oerversie van het Holle-sprookje sterk aanpasten aan de smaak van hun eigen tijd, de 19e eeuw. Er is de eerste Grimm-versie uit 1812 waarin onder leiding van een weduwe – en geen boze stiefmoeder twee zussen – de goede Goudmarie en de slechte Pekmarie – tegen elkaar worden uitgespeeld én er is de laatste eindversie bij Grimm uit 1857 waarin de weduwe is veranderd in een boze stiefmoeder. De Grimms voerden dus in de overbekende eindversie die tot op de dag van vandaag voorgelezen wordt een boze (stief)moeder en twee totaal verschillende dochters ten tonele, een eigen dochter en een stiefdochter. 

Wijsheid 

Wij beschikken over talloze oudere varianten van het sprookje van Vrouw Holle waaruit de Grimms geput hebben. Hierin heeft een moeder drie dochters die onderling solidair zijn; jaloezie speelt geen rol. En hierin wordt de enge en oude, gebogen Holle met de lange tanden afgeschilderd als wijze vrouw en niet als heks. De wijsheid van Vrouw Holle uit deze oudere versies biedt een volledig ander perspectief op de werkelijke positie en rol van vrouwen in eeuwenoude vertellingen. En dit is van essentieel belang om tot een nieuw inzicht over het leven te komen en tot nieuw vertrouwen, nieuwe verbinding en nieuwe individuele en collectieve vrede te komen. Deze oudere versies zijn de basis voor het geüpdatete sprookje voor mensen van nu. 

In deze 21e-eeuwse versie wordt het sprookje van Vrouw Holle op basis van historische gegevens, teruggebracht tot de essentie van de oude wijsheid en vertaald naar de beleving van mensen van nu. Grootmoeder Holle legt haar kleindochter Helle uit hoe van een loden hart een gouden hart te maken. In  eenvoudige en poëtische taal geeft de wijze vrouw Holle haar visie op de essentie van het leven, de dood en het leven na de dood. Eerst leert zij Helle over de buitenkant van de dingen en daarna over de binnenkant. Hierbij slaagt zij erin esoterische kennis over de relatie tussen het hart van de kosmos en het eigen hart als centrum van lichaam, ziel en geest, op speelse, beeldende en eenvoudige wijze aan Helle over te dragen. Vrouw Holle prikkelt haar kleindochter Helle om te gaan schatgraven in zichzelf. 

Miskenning 

Nederlandse vrouwen van nu beleven een tijd van erkenning en waardering. Achter ons ligt een tijd van verachting en miskenning van het vrouwzijn, van ontkenning van spirituele vermogen van het vrouwelijke, in vrouwen én in mannen. Deze periode vond een aantoonbaar dieptepunt in een vier eeuwenlange genocide op vrouwen van grofweg de jaren tussen 1400 en 1800. Vanaf het jaar 1400 veranderde de wijze vrouw definitief  in een oude heks met alle desastreuze gevolgen van dien. Voor dat omslagpunt rond het jaar 1400 had zij millennia lang als heler, genezer, geestelijke verzorger, kortom als steunpilaar van gemeenschappen op het platteland gefunctioneerd. Dit ‘behekste’ verleden heeft zowel individueel als collectief diepe sporen nagelaten  op zowel de vrouwelijke als de mannelijke psyche. Moderne vrouwenemancipatie moet verder gaan dan de strijd om politieke, sociale en economische gelijkwaardigheid. Die lijkt nu in het westen in grote lijnen bereikt,  al zijn er nog grote onderliggende verschillen. 

Waar het nu om gaat is de emancipatie van de geestelijke vermogens van het vrouwelijke in vrouwen én mannen. Volle oermoeders uit de prehistorie tonen ons hun oerkracht in hun volle bekken en buikgebied. Tegelijk zijn zij in die tijd de eerste leiders van de mensheid geweest met hart voor de gemeenschap waarin zij  dan leven. Wat heeft dat ruime bekkengebied te maken met hun grote hart? Deze oermoeders komen tot ons in kleine beeldjes én in de wijsheid van sprookjes. Wat kunnen wij als 21e-eeuwse mensen van hun oerkracht leren? Zij leren je jouw kracht in je eigen lichaam te vinden; ze leren je jezelf te worden en te blijven. Deze kracht of empowerment draagt je daarna op je eigen vleugels door de ups en downs van het leven…. Meer inzicht 

In het sprookje leven de heldin of de held aanvankelijk in een veilige en geborgen thuissituatie. De opening  luidt: ‘er was eens…’ Maar dan gebeurt er iets waardoor deze situatie eindigt. Nu wachten beproevingen en testen. Sommigen moeten door een donker bos of gaan naar het eind van de wereld, anderen dreigen opgegeten te worden door een monster, een boze wolf of een draak. De hoofdpersoon moet de testen met goed gevolg afleggen. Diens levenshouding moet getuigen van moed en doorzettingsvermogen. Belangrijk is te laten zien dat de heldin of de held meevoelt met een wezen – een dier of mens in nood. Te tonen dat zij/hij het eigenbelang opzij kan zetten en daadwerkelijk wil helpen.

Dan volgt de derde situatie van hernieuwd inzicht in de natuur- of kosmische wetten van het leven. Er breekt een gelukkige derde fase aan, het zogenaamd happy end. Het sprookje wordt dan afgesloten met: ‘En ze  leefden nog lang en gelukkig’. 

Meer inzicht in deze natuurwetten – onder andere gebaseerd op het principe ‘Wat je zaait zul je oogsten’ – opent buik, hart en hoofd, doet muren van verdriet, angst, schaamte en schuld rond het hart wegvallen en  brengt menselijkheid terug in mens en samenleving.  

Annine van der Meer 

Van Beleven.org:

Een sprookje van Grimm over gerechtigheid. De stiefdochter van een weduwe valt in een waterput en komt in een andere wereld terecht. Ze ontmoet een oude vrouw die haar als huishoudster in dienst neemt. Na jaren trouwe dienst wordt ze overladen met goud en keert ze terug naar aarde. 

Toelichting 

Grimm geeft in zijn commentaren een hele rij sprookjes die op Vrouw Holle lijken, maar andere avonturen geven van het leven onder de bron, een zelfs verwant met Hans en Grietje in het broodhuisje. In de meeste varianten van dit sprookje is er sprake van een naamloze oude fee i.p.v. Vrouw Holle. Dr. W. C. de Graaff: ‘Geneeskunde door de eeuwen heen’ geeft van de vlier (Du. Hollunder) andere namen:  holdertere, holluntar. Hij noemt het een boom die gewijd is aan Vrouw Holle, godin van de aarde en van leven en dood. Zij gaf haar naam aan de onderwereld (hel). Haar feest werd gevierd op 2 februari, later Maria -Lichtmis. Door sommigen wordt dit sprookje in verband gebracht met de reïncarnatiegedachte. Vrouw Holle speelt haar rol tussen dood en geboorte, de stiefmoeder heeft de hoofdrol tussen geboorte en dood. Vrouw Holle of Holda behoort met talrijke andere figuren van het volksgeloof tot de demonische vrouwelijke wezens. Zij tonen zich zeer verschillend van aard, soms behulpzaam en weldadig (zoals voor de stiefdochter),  soms ook straffend en zelfs wreed (zoals voor de luie dochter). 

Als het sneeuwt zeggen de mensen in Hessen nog: “Frau Holle macht ihr Bett” (“Vrouw Holle maakt haar bed  op). 

Dit sprookje komt voor in de Elzas, Italië (Pentamerone, De twee koekjes) en Noorwegen. Het motief van de  goede en de slechte zus vinden we ook in De feeën van Perrault (Sprookjes van Moeder de Gans).

Van de site: Levende sprookjes.  

“Frau Holle” schilderij van Mauro Breda

Wat zijn sprookjes? [Deel 3]

Loïs Eijgenraam

Sprookjes kunnen je innerlijk in beweging brengen: ze kunnen ‘het kind’ in je weer opwekken en de zogenaamde ‘kinderlijke’ vermogens: onbevangenheid, beweeglijkheid, het vermogen vragen te stellen, liefde voor het leven, verbondenheid met de wereld om ons heen, fantasie. 

Bert Voorhoeve 

Sprookjes vertellen over beelden, beelden die in ieder mens leven en die het innerlijk van de mens beschrijven. De zielenstemming van de mens, menselijke karaktereigenschappen en de ontwikkelingsfasen van de mens. Sprookjes en kinderen zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. In een sprookje is alles waar en dat wil een (jong) kind ook. Is het waar dat… 

In sprookjes komt alles weer goed, dat wil een jong kind ook. Ervaren dat de wereld goed is. Dit betekent niet dat kinderen ‘het niet goede’ niet mogen ontmoeten in het opgroeien, het betekent dat kinderen in alles ‘een  zingeving’ ervaren of een ‘weer heel maken van’ ervaren. Als een jong kind een kopje stuk laat vallen is dat jammer van het kopje. We kunnen het proberen te repareren, het liefst waar het kind bij is of we kunnen het opruimen en zeggen; ‘scherven brengen geluk’. De grondhouding van het jonge kind tussen 0-7 jaar is dan ook: de wereld is goed. De lichtwereld waar het kind uit geboren is wordt op de aardewereld nog een tijd  doorlicht: het goede liefdevolle licht is alom aanwezig en langzaamaan kom je in de aardse materie aan. De grondhouding in de opvoeding van het kind tussen 7-14 jaar is ‘de wereld is waar’ [1]. In sprookjes wordt verteld over het leven en de ontwikkeling van de mens. In sprookjes horen kinderen over de weg die je als mens aflegt.
Kinderen krijgen beelden mee die laten zien dat iedere tegenslag overwonnen kan worden. Het boze hoort ook bij het leven net als het goede. De mens wordt opgeroepen om op weg te blijven om zo de ontwikkeling te laten ontwikkelen. 

Sprookjes stimuleren de fantasie. In het kind wordt een bron aangeboord die in het latere leven aangesproken kan worden als er op het levenspad nood is aan steun, bemoediging. Sprookjes ploegen de innerlijke akker om in het kind opdat het levenszaad er kan ontkiemen. Dit vraagt geduld en vertrouwen maar eens zal het kind sprookjesvruchten/levensvruchten van wijsheid kunnen oogsten. Een kind verbindt van nature de sprookjesbeelden met het leven van alledag. 

Dit hoor je terug in de beelden van het spel van de kinderen: ‘en dan kwam de prins en die kuste jou weer levend.’. 

Verschil tussen volkssprookjes en cultuursprookjes 

Cultuursprookjes zijn sprookjes die (in de huidige tijd) door iemand bedacht zijn. Volkssprookjes zijn sprookjes waarvan niemand precies weet wanneer ze zijn ontstaan. Ze stammen uit tijden die ver achter ons liggen. Tijden waarin mensen een andere verbinding met de aardewereld en hemelwereld hadden. De  mensen hoorden de hemelwereld nog boodschappen geven, zagen in de natuur wezens die zorgen voor de ritmische processen van groeien, bloeien, zaadvormen en sterven, de elementaire wezens. Volkssprookjes vertellen in beelden over de ontwikkeling die de mensheid is gegaan en die ieder mens als  individu, in vrijheid, kan gaan. In Europa zijn de volkssprookjes bekend die door de gebroeders Grimm, Jakob  (1785-1863) en Wilhelm (1786-1859) uit Duitsland zijn verzameld, in Rusland Alexander Afanasjev (1826- 1871). In Noorwegen Jørgen Moe (1813-1882) en Peter Christen Absjørnsen (1812-1885) en in Finland Elias Lönnrot (1802-1884). In andere delen van de wereld kennen mensen andere .

Waarom (baker)sprookjes aan peuters en kleuters vertellen? 

(Baker)sprookjes sluiten aan bij de behoeften aan herhaling van peuters en kleuters. (Baker)sprookjes bouwen aan de taalontwikkeling en woordenschatontwikkeling. Ze zijn een wezenlijk onderdeel van de literaire  ontwikkeling van kinderen. 

Sprookjes voor het slapen gaan…  

Slapengaan is de andere wereld in gaan. De aardse wereld wordt losgelaten en de andere wereld waar ook de beelden wonen treed je als mens binnen. In bed liggen en je overgeven aan de nacht, is voor veel kinderen, onbewust een drempelervaring. Op de drempel staan van de dagelijkse, bewuste wereld en op weg gaan naar de wereld van de nacht. Het is loslaten, overgave en soms een oefening in vertrouwen als een kind de nacht (nog) spannend vindt. In bed is ook de plaats waar je als kind even alleen met je ouder bent en de dag afsluit.  Een sprookje kan dan heerlijk zijn om te vertellen of voor te lezen.

Voor kinderen die moeite hebben met de dag loslaten kan het een hulp zijn om eerst de dag op te ruimen. Je  kunt dan terugblikken en vragen: wat was er fijn vandaag, was er ook iets dat minder fijn was. Dan is de innerlijke binnenwereld opgeruimd en tot rust gekomen en kan het sprookje voor deze kinderen beter  ontvangen worden. 

 Bert Voorhoeve (1940), auteur van diverse boeken over sprookjes en beeldentaal. 

Vertelstof als ontwikkelingsstof 

‘Vóór de tandenwisseling* kunnen verhalen, sprookjes enzovoort, die men aan het kind vertelt, alleen tot doel  hebben, dat er vreugde, verkwikking en vrolijkheid geschonken wordt.
Na die tijd moet men er bij de vertelstof bovendien nog op letten, dat voor de ziel van de jonge mens levensbeelden worden opgeroepen, die hij met geestdrift wil navolgen.’ 

Citaat uit: De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie Rudolf Steiner grondlegger van de  antroposofie (1861-1925) 

*Opmerking: in de tijd dat Steiner opvoeders op deze gedachte wees, wisselden de meeste kinderen rond zes en een half/zeven jaar hun eerste tand. In de huidige tijd wisselen kinderen soms voor de vijfde verjaardag tanden. Opvoeders wordt gevraag het kind goed waar te nemen om keuzes te maken welk verhaal wanneer te vertellen. 

Verhalen die aansluiten bij de ontwikkelingsfase waar een kind zich in bevindt, zijn voeding voor de opbouw van de innerlijke binnenwereld. Een binnenwereld waarin het kind ook de eigen persoon ontwikkelt en ervaart.  Een innerlijke binnenwereld waarin het kind en later de volwassene te allen tijde zich in kan terugtrekken, waar het veilig en warm is (als er zich een gezonde innerlijke binnenwereld heeft opgebouwd met inspirerende, rijke, levendige beelden!). Verhalen bouwen aan menswording. Verhalen zijn in latere leeftijdsfasen de appeltjes voor de dorst op momenten dat biografische vraagstukken zich aandienen. Verhalen maken de wereld anders, ook de eigen innerlijke binnenwereld. 

Iedere leeftijdsfase heeft behoefte aan andere verhalen 

Baby’s en dreumesen (kinderen tot ongeveer twee een half jaar) genieten van liedjes die voor hen gezongen worden, eenvoudige prentenboekjes, kietelspelletjes, kiekeboespelletjes, en het uitspelen van hele kleine, eenvoudige verhaaltjes zoals een eekhoorn die een nootje zoekt, vindt en opkrabbelt. Peuters genieten van bakersprookjes, herhaalverhaaltjes stapelversjes, nonsensversjes, rijmpjes en eenvoudige prenten- en voorleesboeken. Deze bouwen aan een rijke taalontwikkeling en bevorderen ondermeer het leren luisteren naar een verhaal. In deze fase vormt gewoontevorming bij het beleven van taal aan het uiteindelijk worden van een liefhebber van verhalen en andere literaire vormen.

Kleuters 

Alle volkssprookjes zijn geschikt om te vertellen aan een kind mits je er zelf de juiste beelden bij hebt en terughoudt in het (moreel) invullen van de beelden. Kinderen voelen de moeite die jij hebt met een beeld in een sprookje aan en worden dan zelf ook bang voor dit beeld. Jonge kinderen voelen de emoties en oordelen van een volwassene feilloos aan. 

Sprookjes zou je zo ‘moeten’ vertellen dat je als een bemiddelaar bent tussen de beeldenwereld en het kind. Dan kan het kind zelf de beelden invullen en kleuren. Voor het ontwikkelen van een eigen beeldenwereld is het van belang dat het kind zo min mogelijk opgezadeld wordt met door volwassenen uitgekauwde beelden die af zijn en weinig tot niets aan de eigen verbeelding over laten. We kunnen dan denken aan de Teletubbies, Pokemon ed. Deze beelden zijn er nu eenmaal, de vraag aan de opvoeder kan zijn: voed mij met echte vrije ware beelden.

Een kindergedicht 

Uit de DoeHoek van Rita Veenman

Vrouw Holle, zij die de wolken weeft,
Houdt van wat op de aarde leeft.
Haar appelboom hangt boordevol,
Zij bakt haar broden rond en bol.
Zij spint de wol tot draden sterk,
Dat alles is haar dagelijks werk.
Haar hondje aan haar rechter zij,
Kijkt naar haar op en kwispelt blij.
Ga je door de gouden poort,
Over de groene weide voort.
Door de heldere zonneschijn,
Dan wacht ze in haar huisje fijn.
En weet je wat ik ook nog zie?
Een mandje op vrouw Holles knie,
Zij schenkt iets uit de mand
Al in jouw open hand.
En wees gerust,
Ik weet dat je het lust.
Er is daar van alles te eten,
Je zal dat niet snel vergeten
Het schenkt krachten voor het leven
Dat heeft vrouw Holle te geven
En tot besluit;
Schud de bedden heel goed uit. 

Meer van Rita’s gedichten, verhaaltjes, spelversjes, vind je in haar boekje: ‘Ooievaar Kleppermaar

Frau Holda is, samen met Berchta en Frau Gaude, een
van de “Frauen” (vrouwenfiguren) die, volgens de
Oostenrijks-Duitse folklore, de wereld rondzwerven in
de dagen van Kerstmis tot Driekoningen (genaamd

“twaalf dagen van Kerstmis”, of in het Duits “Rauhnächte”, wat “ruwe nachten” betekent).

“Holda, de sneeuwkoningin”. Illustratie van de website in het Engels http://www.speakingofwitch.com.
Let op de  ganzen op de achtergrond, een heilig dier voor Holda.

Vrouw Holle 

Er was eens een weduwe, die twee dochters had. De één was mooi en ijverig, de andere lelijk en lui. Maar ze hield van de lelijke en luie, die haar eigen dochter was, veel meer, en de andere moest alle werk doen en Assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest elke dag op straat zitten bij de waterput en ze moest zoveel  spinnen, dat het bloed haar uit de vingers sprong.
Nu gebeurde het eens, dat de spoel helemaal bloederig was. Toen bukte ze zich over de putrand en wilde de spoel even afwassen, maar de spoel sprong haar uit de hand en viel naar beneden. Ze begon te schreien, liep naar de stiefmoeder en vertelde van haar ongeluk. Maar die werd heel boos en was onbarmhartig en zei: “Als je de spoel erin hebt laten vallen, moet je maar zorgen dat hij eruit komt ook.”
Toen ging het meisje naar de waterput terug en wist niet wat ze beginnen moest, en in haar angst sprong ze de put in om de spoel te halen. Ze verloor het bewustzijn, maar toen ze weer wakker werd en weer tot zichzelf  kwam, lag ze in een prachtige weide; de zon scheen en er stonden duizenden bloemen. Ze stond op en liep de weide af. Daar kwam ze bij een oven vol met brood, en het brood riep: “Haal me eruit, haal me eruit, anders verbrand ik: ik ben al lang gaar!” Ze ging erheen en haalde platen vol brood eruit. Verder wandelde ze; ze  kwam bij een boom vol met appelen en de boom riep: “Schud me toch, schud me toch, want de appels zijn allemaal rijp!” Ze schudde de boom zodat de appels vielen alsof het regende, en ze schudde zolang, tot er geen een meer hing, ze legde al de afgevallen appels op een hoop, en toen wandelde ze weer verder. Eindelijk kwam ze bij een klein huisje. Een oude vrouw keek uit het venster, maar die had zulke grote tanden, dat ze er bang van werd, en ze wou weglopen.
Maar de oude vrouw riep haar na: “Waarom ben je bang, lieve kind? Blijf bij me. Als jij alle huiswerk wilt doen, zal het je goed gaan. Je moet alleen zorgen, dat je mijn bed goed schudt, zodat de veren vliegen, dan sneeuwt het in de wereld, ik ben vrouw Holle!” Toen de oude vrouw zo vriendelijk tegen haar sprak, vatte het meisje moed, stemde toe en kwam bij haar in dienst. Ze deed alles tot grote tevredenheid en schudde het bed steeds met zoveel geweld, dat de veren als sneeuwvlokken rondvlogen; maar ze had dan ook een goed leven bij haar, geen enkel boos woord en elke dag haar natje en haar droogje. Ze was al een poos bij vrouw Holle, toen  e triest werd en in het begin zelf niet wist wat er met haar was; eindelijk begreep ze dat het heimwee was; al had ze het hier duizendmaal plezieriger dan thuis, ze verlangde er toch naar terug.
Eindelijk zei ze tegen vrouw Holle: “Ik heb een vreselijk verlangen naar huis, en al gaat ’t me hier nog zo goed, ik kan niet langer blijven, ik moet naar mijn familie terug.” Vrouw Holle sprak: “Ik vind het lief van je, dat je weer naar huis verlangt, en omdat je me zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.”
Ze nam haar bij de hand en bracht haar bij een grote poort. De poort werd geopend, en toen het meisje daar
onder stond, viel er een regen van goud neer, en al het goud bleef aan haar hangen, zodat ze helemaal met goud was overdekt. “Dat krijg je, omdat je zo ijverig bent geweest, “zei vrouw Holle en ze gaf haar ook de spoel terug, die in de put was gevallen.  

Daarop viel de poort dicht en het meisje was in de bovenwereld, niet ver van haar moeders huis en toen ze in de tuin kwam, zat de haan op de putrand en riep:
“Kukeleku,
Onze gouden jonkvrouw zien we nu.”
Toen ging ze naar binnen naar haar moeder en omdat ze met goud overdekt was, werd ze door haar en haar zuster vriendelijk begroet.
Het meisje vertelde alles wat ze ondervonden had, en toen de moeder hoorde, hoe ze tot grote rijkdom was gekomen, wilde ze haar eigen lelijke, luie dochter graag hetzelfde geluk gunnen.
Ze moest bij de waterput zitten en spinnen; en om de spoel bloederig te maken, prikte ze zich in haar vinger door met haar hand in de doornheg te stoten. Toen gooide ze de spoel in de put en sprong er zelf in. Ze  kwam, net als de ander, op de mooie weide en volgde hetzelfde pad.
Toen ze bij de oven kwam, riep het brood weer: “Haal me eruit, haal me eruit, anders verbrand ik, ik ben al lang gaar.”
Maar het luie meisje  antwoordde: “Denk je dat ik zin heb mijn handen vuil te maken,” en ze ging weg. Weldra kwam ze bij de appelboom, die riep: “Schud me toch, schud me toch, wij appels zijn allemaal al rijp!” Maar zij antwoordde: “Dat denk je maar, er zou best een appel op mijn hoofd kunnen vallen!” en daarmee ging ze verder.
Toen ze  bij het huisje van vrouw Holle kwam, was ze niet bang, want van die grote tanden had ze al gehoord, en ze verhuurde zich meteen. De eerste dag deed ze zichzelf geweld aan en was vlijtig en deed wat vrouw Holle  haar zei, want ze dacht aan al het goud dat ze ter beloning zou krijgen, maar de tweede dag begon ze al te luieren, en de derde nog meer: toen wou ze ’s morgens niet eens meer opstaan. Ze schudde het bed van  vrouw Holle ook niet, zoals het hoorde, en ze schudde zeker niet zo dat de veren vlogen. Dat verdroot vrouw  Holle al gauw en ze zei haar de dienst op. De luie was daar best mee tevreden en dacht, nu zal de gouden regen beginnen; vrouw Holle bracht haar bij de poort, maar toen zij daar onder stond, werd er in plaats van  goud een grote pan vol pek uitgestort. “Ter beloning van je diensten,” zei vrouw Holle en sloot de poort. Zo  kwam de luie meid thuis, helemaal vol pek, en de haan zat op de putrand en riep:
“Kukeleku,
Onze vieze jonkvrouw zien we nu!” 

Het pek bleef aan haar kleven en wilde er haar leven lang niet af!

Moeder Aarde – Vrouw Holle

door Alice Wouterse 

Na de kersttijd, in januari of februari, verschijnt op menige jaartafel Moeder
Aarde, met om haar heen wel of niet slapende wortelkindjes e.a.
Waarom laten
wij dit beeld op de jaartafel verschijnen? En waarom schenkt het ons in deze tijd ook zo’n bevrediging dit te doen?
Het is een beeld van hoop en verwachting: het leven zal weer terugkomen op de  aarde! De aarde zal weer vrucht dragen en ons voeden opdat wij kunnen leven.
Maar er is meer: Wij weten en voelen dat er in de aarde alweer krachten aan het  werk zijn die ervoor zorgen dat straks de bomen weer uitlopen, zaden weer
ontkiemen en de bloembollen weer gaan bloeien.
Moeder Aarde is met haar helpers (de elementenwezens) druk bezig de wortels  op te poetsen de zaadjes zo te omhullen dat ze gaan kiemen en de bolletjes en
knolletjes zo te stimuleren dat ze hun bloemenkleed voorbereiden.
De levenskrachten in de aarde worden weer wakker en de elementenwezens zijn aan het werk gegaan opdat de aarde weer kan gaan ademen. En als de aarde haar levenskrachtenstroom weer gaat uitademen dan sleept zij alles en iedereen mee.
De vogels gaan zingen, dieren ontwaken en de aarde tooit zich met een bloemenpracht. En de mens? De mens kan niet meer binnen zitten: de ramen gaan open, ieder zonnestraaltje wordt in verrukking opgevangen; de mens wil. naar buiten, erop uit trekken, de natuur en de wereld beleven. Het studeren en nadenken gaat meer moeite kosten.
Wij zijn zo deel van dit geheel, dat we ons nauwelijks bewust worden hoe sterk wij zelf verbonden zijn met deze uitademing van de aarde.
Deze levensstroom, die wij de scheppende kracht kunnen noemen, geeft aan alles vorm. Deze scheppende kracht, gevuld met materie noemen wij gewoonlijk aarde. De wijsheid die ten grondslag ligt aan deze scheppende kracht werd in de middeleeuwen Sofia (sterrenwijsheid) genoemd. In de voorchristelijke tijd  beleefde men deze wijsheid nog in de sterren waarvan de drie koningen (magiërs, wijzen, ingewijden) waarschijnlijk de laatste representanten waren.
In onze, noordelijke streken zijn van dit weten nog verflauwde beelden overgebleven, die zich onder andere uitkristalliseerden rond Vrouw Holle. Zij rijdt als rijzige witte gestalte in haar wagen (dit sterrenbeeld noemen we nu Grote Beer) en behoedt en helpt mens, dier en plant.
Volgens de verhalen woont ze onder de grond in een berg of heuvel en verschijnt ze in de gedaante van een oude vrouw. (zie o.a. Sprookjes van Vrouw Holle van Paetow)
Sofia en
aarde in één. Deze twee verschijningsvormen zou je samen Moeder Aarde kunnen noemen.
In de loop van de tijd zijn wij echter steeds intellectueler geworden. We zijn de verbinding met Sofia: de edele rijzige witte gestalte, de sterrenwijsheid, kwijtgeraakt, en voor ons bewustzijn is de aarde tot een stuk materie geworden. We voelen ons superieur en denken dat wij, nu we de wetmatigheden van de aarde in wetten en regels gevangen hebben de aarde in onze macht hebben.
Realiseren we ons wel werkelijk dat wij zelf afhankelijk zijn van de gezondheid van de aarde? Van het ecologische systeem? Als de bomen en de planten niet meer willen groeien dan betekent dat ook het einde van de mensheidsontwikkeling! Maar hoewel we dat allemaal wel weten gaan we door met het vervuilen van de aarde op de ons bekende manieren, zoals de auto, die niet alleen vervuilt, maar ons ook de mogelijkheid ontneemt ons met de afgelegde weg te verbinden.
Het zou voor de
kinderen van deze tijd heel heilzaam zijn lopend of fietsend naar school te gaan ook over langere afstanden; daarmee bewerkstellig je meer dan een goede gezondheid en conditie. Lopend of fietsend verbind je je met deze gang, je kent elke boom elke huis. Elke kuil, elk water, elk uitzicht.  Je neemt elke weers- en seizoen veranderingen in je op. Je ziet de planten groeien bloeien, vrucht dragen en verwelken. Doordat je elke dag in je eigen ritme deze weg aflegt verbind je je op natuurlijke wijze met je eigen lichaam. Door deze ervaringen krijg je de kans op je eigen manier wortels te vormen in (met) de aarde.  Hierdoor kan een mens innerlijke harmonie en rust in zichzelf ontwikkelen. Daar kan geen jaartafel tegenop! Het gaat erom dat we een eigen innerlijke belevingswereld opbouwen door iedere dag dezelfde weg af te leggen, met alle vreugde en moeite (regen, windkou) die erbij hoort; en natuurlijk niet te vergeten de thuiskomst! 

De Nornen en de drie Jonkvrouwen 

Wanneer de mens door zijn beleving zich innerlijk met het levende wezen van de aarde  kan verbinden dan is hij ook in staat op zoek te gaan naar Sofia. Doordat zijn wortels in de aarde staan kan hij ook de weg naar zijn bron vinden. Zijn Ik-boom kan uit deze bron drinken. De Edda geeft hier een prachtig beeld voor: de Yggdrasil. 

In de Noordse mythologie wordt de Yggdrasil (Ik-drager. Ik-boom) voor-gesteld door de boom Es. Een van zijn drie wortels gaat naar de bron van de drie Nornen (Urdr bron). Zij  verzorgen deze wortel door hem steeds met water uit de heilige bron te besprenkelen  zodat deze niet verdroogt. Het is ook de plek waar de goden (Asen) vergaderen. Zij  rijden over de regenboog naar deze plek om onderling en met de Nornen te overleggen hoe ze de mens verder moeten leiden.
De Nornen of schikgodinnen zijn ook een aspect van Moeder Aarde. Zij werken in de mens volgens strenge wetten. Urd (oer-verleden) geeft bij iedere geboorte de mens zijn levensdraad met al zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Werdandi (het wordende heden) knoopt levensdraden aan, bijvoorbeeld bij een huwelijk; Skuld (schuld – d.w.z. de som van wat je goed en fout deed en wat je karma in je volgende leven bepaalt – Toekomst) knipt de levensdraad weer door bij het sterven. Deze Nornen hebben in de loop der tijd vele namen gekregen. In het sprookje van Vrouw Holle (Grimm) zijn ze tot één samen gesmolten. In de  christelijke kerk vind je ze terug onder de namen: Ambet, Wilbet en Borbet.

De Jonkvrouw die baren zal 

Het beeld van de vrouw(en) bij een heilige bron die vaak aan de voet van een heilige boom ligt, vind je overal in de wereld terug. Tot op de dag van vandaag worden er op Bali diensten opgedragen aan de godin van de vruchtbaarheid bij een heilige bron onder de heilige Waringinboom. Vele oude christelijke kerken zijn gebouwd op zulke heilige plaatsen. Als voorbeeld noem ik hier de kathedraal van Chartres die op een heilige bron is gebouwd. Op deze zelfde plek werd in voorchristelijke tijd de Virgo Paritura (de jonkvouw die baren zal) vereerd. Het beeld van de jonkvrouw die baren zal of de jonkvrouw met kind vinden wij ook terug in andere voorchristelijke mysteriën.. bv. Isis met het Horus kind; of in de Eleusische mysteriën de vrouw met het Jakchos kind.
Zijn dit beelden van een
voorschouw van en een voorbereiding voor dat wat toen nog op aarde moest plaatsvinden: de incarnatie van Christus op aarde?
En is het tevens een beeld, een “voor – beeld” dat ons duidelijk maakt dat wij in onze ziel vruchtbaar moeten worden zodat wij ons eigen lichtkind (geesteskind) zullen baren?
Het beeld van Moeder Aarde als brengster van vruchtbaarheid in mens, dier en plant dus als vruchtbaarheidsgodin is vaak vermengd met het aspect van  Moeder Aarde als leidster van onze ziel (meer in de richting van Sofia). Ook in de christelijke kerk vind je dit terug. Er worden processies en gebedsdiensten gehouden voor het gewas waar bij de gebeden gericht worden tot Onze Lieve Vrouwe tot Maria.
Men vindt in de kerken zwarte Madonna’s met een kind op de arm en blanke Madonna’s. Als sterren der zee  (bv. in Maastricht neigen ze meer naar de leidster van onze ziel, de ster die onze ziel zou moeten volgen. Ook  in deze kapel knielt menigeen neer om een kind te mogen ontvangen of om een kind te behouden. Hoeveel zullen hier neerknielen in het besef, dat Maria ons, als voorbeeld, wil oproepen zo vruchtbaar te worden in onze ziel, dat het licht daarin geboren kan worden?
Wat heeft dit lichtkind te maken met Moeder Aarde? Het wordt beschreven in de voordrachtencyclus ‘Mysteriëngestaltungen'(GA 232) [vertaald] van R. Steiner. Hierin wijst hij er o.a. op, dat in vele Mysteriën bij een bepaalde trap van inwijding erop gewezen werd dat er twee wegen tot inwijding zijn. In onze hedendaagse taal zouden wij dat noemen: één weg via de geest en de andere via de innerlijke beleving. Maar dat het in wezen gaat om het derde principe, namelijk de juiste verbinding tussen die twee. Op een prachtige wijze beschrijft hij hoe de inwijding in de mysteriën van Artemis (Moeder Aarde) zo’n 10 tot 8 eeuwen
voor Christus o.a. moest leren beleven wat het uitspreken van een woord in hemzelf bewerkstelligt. Een deel  van het woord stijgt op naar de gedachte, een ander deel druppelt neer naar het gevoel. De door de mond in trilling gebrachte lucht verdunt zich tot vuur, dat opstijgt naar de gedachte; anderzijds verdunt hij zich tot water dat naar beneden druppelt in het gevoel.
Dit principe wil ik met een huis-tuin- en-keukenvoorbeeld verduidelijken. Wanneer je koud water met vuur verhit, ontstaat waterdamp: ‘water’ + ‘vuur’ = lucht’, de omgekeerde volgorde dus. Maar deze damp is weer te splitsen in water en warmte, wat overeenkomt met het door Steiner beschreven proces. Zoals het woord zich als het ware in ons innerlijk splitst in de gedachte en het gevoel, zo ontstaat het  uitgesproken woord ook weer uit de samenvoeging van deze twee. De hoofdtempel van Artemis stond in Efese, tevens de stad waar de evangelist Johannes woonde. R. Steiner wijst erop dat het geen toeval is, dat Johannesevangelie begint met de woorden:

In den beginne was het woord en het woord was bij God en het woord was God. Alle dingen zijn door het  woord geworden en zander dit is geen ding geworden dat geworden is. In het woord was leven en het leven  was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen.(Joh.1:1- 5) 

Volgens het Johannes evangelie is alles geschapen uit het Woord (of Logos). Het levende, scheppende Woord is de eenheid waar alles uit ontstaan is en uit ontstaat. Wanneer wij nu kijken naar het hierboven beschreven proces, zoals dat in de mysteriën van Artemis beleefd kon worden, dan splitst het woord zich in iets dunner en iets dichters. Ontstond er uit het scheppende Wereldwoord ook iets lichters en iets dat zwaarder was?

Sofia en Moeder Aarde 

Hier wil ik Sofia en Aarde noemen, die in wezen één zijn. De wereld werd geschapen zodat de mens een omgeving zou hebben waarin hij zich zou kunnen ontwikkelen tot een vrij mens. De mens zelf werd ook gesplitst in een man en een vrouw, zodat beiden levenskrachten zouden hebben om een bewustzijn te ontwikkelen en zo tot vrije wezens te worden die de liefde zouden kunnen vervolmaken. De mens zou op eigen kracht het levende scheppende Wereldwoord moeten terugvinden. De mens ging op weg en verstrikte zich in de tegenstandersmachten Lucifer en Ahriman en was niet meer in staat om de Sofia en de Aarde zo in harmonie samen te voegen, dat hij daardoor het Wereldwoord zou kunnen vinden. Hij wist de weg niet meer en het ontbrak hem ook aan kracht.
Daarom daalde het Woord, de Logos, zelf af en incarneerde in een mensenlichaam. Hij doorwerkte al de wezensdelen van de mens, zodat hij de mens die kracht kon geven die hij nodig had om innerlijk en zelfstandig het  leven scheppende Woord terug te vinden. Deze Christuskracht leeft in ieder mens maar wij zijn vrij deze kracht al of niet te gebruiken. In onze tijd ervaren wij de aarde als een brok materie-waarvan wij de wetmatigheden ijverig opsporen. Maar wij missen het begrip voor de wijsheid, de Sofia, die aan alles ten grondslag ligt. 

De kleine Prins 

Dit doet denken aan de woorden die de Kleine Prins van de vos leert: ‘Alleen met je hart kan je goed zien, het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.” Juist het wezenlijke zien we niet. En daar ligt ook de sleutel. Wanneer wij het onzichtbare achter de dingen willen begrijpen moeten we ons hart gebruiken want daarmee kunnen wij goed zien.
De aarde om ons heen bevat alle wijsheid, wij moeten die alleen onttoveren.
Wij moeten onze ziel zo scholen dat wij via datgene dat aards is: stenen, planten, dieren en mensen de Sofia vinden en dat lukt ons alleen geholpen door de Christuskracht in ieder mens door ons voelen (beleven) en ons denken in ons hart in harmonie te laten komen. Dan kan in ons hart het levende Woord ontstaan, dan wordt in ons hart het lichtkind geboren. Om tot zuiver beleven te kunnen komen is het van belang dat wij kunnen afdalen naar onze bron. De bron die we kunnen vinden doordat we ons met de aarde verbinden. Door haar echt innerlijk te leren beleven.
Niet een beleving die ons wordt opgelegd of voorgespiegeld maar een eigen
innerlijke beleving.
Laten wij onze kinderen zo opvoeden dat zij de weg naar hun bron kunnen vinden. Want wie de weg naar zijn schikgodinnen kent kan ook een verhouding vinden tot zijn lot en draagt de mogelijkheid in zichzelf Sofia te vinden.

Van de site: Levende Sprookjes

Een kort sprookje uit: ‘Sprookjes van Vrouw Holle‘ van Paetow 

Vrouw Holle schudt de dekbedden uit

Midden in hel bergachtige hart van Duitsland had Vrouw Holle een duiventil, hoog op een helling en met openingen naar alle vier de windstreken, waardoor de duifjes af en aan konden vliegen. Hier fokte Vrouw Holle haar sierlijke, sneeuwwitte duifjes, die zij voor allerlei doeleinden nodig had.
Wanneer de herfstwind de bladeren van de bomen rukte, kwamen de duifjes ook in de rui. Dan verzamelde Vrouw Holle de losse veertjes om ze in haar dekbedden en kussens te stoppen. Maar eerst schudde ze de veertjes van het vorige jaar. die ze niet meer nodig had. over het hele landschap uit. Door de wind mccgcvocrd wervelden die dan vrolijk in het rond, bleven aan de berghellingen kleven, kwamen los en zacht op de bomen van het woud terecht, breidden zich uit over de velden en bedekten ten slotte het hele land met een zachte wollige vacht.
Dan klapten de kinderen in het land van de mensen in hun handen en riepen: ‘Ha. het sneeuwt! Vrouw Holle schudt de dekbedden uit. Nu zal het spoedig Kerstmis zijn!’

Uit ‘Godinnen ven eigen bodem‘  

Ik ben Holle, godin van geboorte en de onderwereld, beschermvrouwe van het spinnen en het weven
In de winter schud ik de sneeuw uit de bomen
om het zaad in de grond te beschermen.
Een ieder die ijverig is, beloon ik met goud,
maar wie lui is, overgiet ik met pek.
Ik leer je de wetten van dood en wedergeboorte
en de diepste geheimen van magie.

Overeenkomsten van Lucia met Holle en Perchta 

De heilige Lucia vertoont nog duidelijk trekken van de heidense godinnen Holle en Perchta. Lucia is net als Holle beschermster van huis en hof. Zij hoort net als Holle en Perchta bij het midwinterfeest of de winterzonnewende, dat tegenwoordig 21 december wordt gevierd vanwege de terugkeer van de zon en het lengen van de dagen, maar vroeger in de tijd van de Juliaanse kalender op 13 december viel. Wij kennen in ons land ook het gezegde “Sinte Lucije laat de dagen dijen’’ (langer worden). 

De betekenis van de namen Lucia en Perchta vertonen een overeenkomst: Lucia betekent licht en Perchta betekent de glanzende, de stralende.
Perchta en Holle worden wel aangeduid als aanvoersters van de wilde jacht, ook wel wilde heir, hemelse bende of de tijd van de 12 nachten genoemd. Ze razen in de periode van 26 december tot en met 6 januari door de lucht en voeren een leger van overleden voorouders aan die de levenden moeten helpen om de chaos en de kwade geesten van de winter te bezweren. 

De wilde jacht is ook waar te nemen als natuurverschijnsel in de aanstormende  wolken die afsteken tegen de koude heldere lucht van december. Deze jagende vormen boezemden de mensen angst in.
Er is niet veel fantasie voor nodig om er een wilde jacht in te zien.
Dit komt overeen met de nacht van Sint Lucia waarvan            De wilde jacht door Peter Nicolai Arbo 1872Heidense gebruiken die door
Sint Lucia zijn overgenomen
in sommige streken nog wordt geloofd dat in de Lucia nacht ieder mens in gevaar is, vooral als het die avond stormt.
Ook gebruiken rond Holle en Perchta zijn door Lucia overgenomen. Een oud midwintergebruik was het stilzetten van alles wat bewegen en draaien kon vanaf midwinter. In de streken waar Holle of Perchta werden vereerd moest in de tijd van de 12 nachten alles stilstaan en mocht er niet gesponnen worden. Als je je daar niet aan hield kon Holle of Perchta voor straf je buik opensnijden en met stenen vullen, in sommige streken deden dezelfde verhalen over Lucia als kinderschrik de ronde. Op de plaatsen waar Lucia werd gevierd mocht van midwinter tot kerst ook niet gesponnen worden.
De optochten van de Lucia bruid en haar gevolg doen denken aan de heidense midwinterommegangen: luidruchtige, nachtelijke optochten van gemaskerde jonge mannen, die de overleden voorouders moesten voorstellen, met als doel mensen straffen die zich niet aan de maatschappelijke orde hielden. Net als bij het Ouwe Sunderklaas dat nog steeds op Texel wordt gevierd in de nacht van 12 op 13 december, waarbij de Texelaars zich onherkenbaar verkleden en gemaskerd langs de huizen gaan om met een verdraaide stem en borden met teksten erop bekenden in de maling te nemen. Later op de avond wordt bekend gemaakt wie er achter de maskers zaten en viert men feest. Bewoners worden naar hun huizen gejaagd door duivelse figuren in jute pakken met bezems om demonen te verjagen. Dit feest heeft meer met de midwinterviering van Perchta en Lucia te maken dan met ons Sinterklaasfeest.
In het noorden van Italië lijkt de viering van Sint Lucia wel op ons Sinterklaasfeest. Zij brengt kinderen in de nacht van 12 op 13 december cadeautjes, die zij verstopt in de huizen.
Lucia rijdt niet op een paard maar komt langs met haar ezel. Kinderen schrijven ook haar een verlanglijstje en laten hooi achter voor de ezel voor ze naar bed gaan. Voor Lucia leggen ze een sinaasappel neer of zetten rode wijn en koekjes klaar. Ouders waarschuwen de kinderen dat als ze die avond niet vroeg naar bed gaan Lucia as in hun ogen komt strooien, waardoor ze blind kunnen worden. De volgende ochtend mogen ze hun cadeaus gaan zoeken. 

Ook in Zweden, Noorwegen, Denemarken, Finland en IJsland wordt op 13 december nog altijd het Luciafeest gevierd, hoewel de katholieken daar niet talrijk zijn. Hier heeft het feest van Lucia weer meer de trekken van de voorchristelijke midwinterviering dat in het teken staat van het terugkerende licht. Er worden optochten met  fakkels en kaarsen gehouden. De naam Lucia betekent ook licht, het is afgeleid van het Latijnse woord lux. Meisjes verkleden zich als Lucia in een lange, witte jurk en een groene krans op hun hoofd met brandende kaarsen er in. In processie, gevolgd door een schare zingende kinderen, delen zij aan de boeren versgebakken saffraanbroodjes uit die Lussikatter worden genoemd, een soort duivelskaters die nog zijn terug te voeren op de Germaanse offerbroden. 

De rode draad  

Heidense godinnen en hun gebruiken blijven als een rode draad door onze geschiedenis lopen. Wat mij intrigeert aan Lucia is dan ook die rode draad. Die is niet terug te voeren op de mythe van Ariadne, waarin een rode draad de Atheense held Theseus uit het labyrint van de Minotaurus leidt. Ook brengt de Lucia-draad geen mensen samen zoals in het oude China werd geloofd: dat een onzichtbare rode draad, die nooit kon breken, mensen verbindt die voorbestemd zijn elkaar te ontmoeten, ongeacht tijd, plaats of omstandigheden waarin ze zich bevinden.
Het Luciadraadje leidt niet en verbindt niet, maar heeft een beschermende werking. Het zou een gunstig effect hebben op de ogen en bescherming bieden bij menstruatieproblemen en bloedingen. Laten diezelfde eigenschappen nu ook aan rode saffraandraadjes worden toegeschreven! Is het toeval dat de genezende  eigenschappen van saffraan overeenkomen met dezelfde kwaliteiten als de rode draad van Lucia? Zou die soms terug te voeren zijn op de rode saffraandraden die ook bij de heidense midwintervieringen in de gevlochten broodjes werden verwerkt? Zeker weten zullen we het wel nooit. Het doet mij in ieder geval goed  dat de oude godinnen en hun gebruiken, dankzij hun heilige opvolgsters, niet vergeten worden. 

Ineke Bergman 

uit: “Godinnen van eigen bodem”. 

.

[1] Voorhoeve baseert zich hierbij waarschijnlijk op Steiner die de leeftijdsfase 0 -7 meegeeft: de wereld is (moreel) goed; die van 7 – 14: de wereld is mooi; en die van 14 -21: de wereld is waar.
GA 293/151
Vertaald/139

Sprookjes – alle artikelen
Met een aantal artikelen over Vrouw Holle, m.n [2-4/19] Vrouw Holle 
met een antroposofische benadering van de beelden.

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2823
Advertentie