Tagarchief: 1e klas vertelstof

VRIJESCHOOL – 1e klas – vertellen

.

In de loop van de basisschool moet de manier van vertellen wezenlijk veranderen.
In de eerste jaren meer episch, op een rustige manier, stromend; in de middenjaren beweeglijker, luid en zacht afwisselend, in het gevoel de kinderen meenemend, sterkere gevoelens en weer afzwakkend, in de laatste jaren kan het dan dramatischer toegaan, dan komen ook de vragen van het lot.

Het ademen van de kinderen – het wordt anders – is de stroom waarop de ziel het lichaam binnenkomt. kan de opvoeder begeleiden, wanneer hij erop let.
In de eerste jaren mag het vertellen ‘breed’ zijn, krachtig van beeld en ritmisch. Opmerkelijk is dat in het woord ‘vertellen’, ‘tellen’ zit [in het Duits erzählen, waarin het woord ‘Zahl’ – getal – zit] en dat duidt ook op een zeker ritme.
Het Duitse sprookje heeft op een unieke manier deze niet helemaal gelijkmatige, maar rustig beweeglijke takt, wanneer je je mee laat nemen door de stroom van de taal die de gebroeders Grimm hoorden en hoe zij die overgenomen hebben. Het veelvuldige ‘en’ veroorzaakt het stramien en geeft de rust en het episch karakter.
Het sprookje bestaat niet alleen uit deze takt, maar ook uit beelden. Het beeld verwarmt de takt en brengt weer rust in de beweeglijkheid ervan. In de manier waarop in de Duitse sprookjes beeld en ritme verweven zijn, welke unieke verhouding polsslag en ademhaling bij de Duits sprekende mens wil zijn.

Het sprookje wordt uiteraard alleen in de 1e en 2e klas verteld, maar je kan er veel van leren hoe je moet spreken in de verdere jaren.
Verhalen van de held en de lafaard en de bedrieger passen op een bijzondere manier bij deze leeftijd. Ik zei al dat het gevoel samenhangt met de ritmische functies. En het middelpunt, de kern van heel het gevoelsleven, zijn de gevoelens van moed en angst.
Ook dat vind je op een subtiele manier in de taal aanwezig. Er zijn veel soorten moed: deemoed, overmoed, hoogmoed, [het Duits heeft Anmut – charme -; Langmut – lankmoedigheid; Schwermut – zwaarmoedigheid; Unmut – ontevredenheid; Wagemut – durf, moed]. En al deze vormen van moed samengenomen, is het gemoed [Gemüt].
Je hoeft alleen maar naar de spontane gesprekjes onder elkaar, van de jongens op deze leeftijd, te luisteren om op te merken hoe de nadruk voor deze leeftijd ligt op moed en bang-zijn; hoe alles draait om wat iemand durft. De grootspraak van de kinderen, hoe de een de ander wil overtroeven of heimelijk bewondert, is slechts het naar buiten geprojecteerde beeld voor wat de ziel zoekt in het aardelot, dat al in het kind begint; voor het beleven van zelfvertrouwen in de strijd tussen angst en moed. En niet in die zin waarbij het gemakkelijk uitmondt in bravour of ruwheid, maar in het doen leeft het worstelen om kracht. Een leider is niet meteen lichamelijk de sterkste, maar ook de moedigste.
Heldenverhalen voeden deze ontwikkeling. Wat er op deze leeftijd op dit gebied van meegenomen wordt, leeft op latere leeftijd in de gevoelsstemmingen en in een sfeer die de bodem is waaruit de handelingen van een mens groeien.

In het onderwijs moeten er ogenblikken zijn waarin de kinderen een milde afkeer voelen of waarin ze helemaal gegrepen worden door de daden van de helden. Spanning en ontspanning moeten elkaar afwisselen.
Een uur waarin niet eens een keer hartelijk gelachen kan worden of waarin niet eveneens voor een ogenblik ernst heerst, is geen goed uur.
.

Elisabeth Klein, der Elternbrief 5-1985

.

1e klas: alle artikelen

vertelstof: alle artikelen

.

1415

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-2)

.

DE KONINGIN VAN DE ROSENTUIN* 

Er was eens… een meisje dat een poos eenzaam in de hut van de boer op de bergweide moest wonen. Het was hooi­tijd en weer een zware dag geweest. Toen het avond werd ging ze op een steen zitten die tussen het onkruid lag, dat overal om de hut heen woekerde. Ze legde haar handen in haar schoot om uit te rusten van het vermoeiende werk. Hoog om haar heen gloeiden en glansden de bergtoppen in het laatste zonlicht. Het leek wel of de hele berg­keten van de ‘Rosentuin’* tot één gouden wand was omgetoverd en of door die uitstraling het geheim, dat hij bevatte, juist nog meer verborgen werd dan anders.
Maar gloed en glans brachten het meis­je niet in verrukking, want die
betove­rende rijkdom riep alleen maar treuri­ge gedachten aan haar eigen armoede op. Nooit zouden eigen huis en haard bereikbaar zijn, voor haar en de jon­gen die haar ’t liefste was. ‘Ach lieve God’, zuchtte ze, ‘sinds die
oorlogs­benden alles verwoest en verbrand hebben, is voor ons alle kans op een dragelijk leven verkeken!’
Zo zat dat meisje daar in de eenzaam­heid, ingesponnen in zorgelijke gedach­ten.

Plotseling schrok ze op uit haar neer­slachtigheid door een helderglanzend licht; Toen ze opkeek om te zien waar dat licht vandaan kwam, zag ze dat een rijzige vrouw voor haar stond, schitterend en schoon, en boven alles koninklijk.
‘Kom’, zei de vrouw vol goedheid en wenkte haar. Het meisje legde haar hand op haar hart, als om het overwel­digende kloppen te bedaren. Ze veegde met haar schort de tranen uit haar ogen en ze ging mee. En zo bestegen zij hoger en hoger samen de ‘Rosentuin’ die gloeide in de avond­zon en ondanks het klimmen was het alsof alle zware vermoeidheid van haar afviel.

Dat éne woord – ‘Kom!’ – was haar als een belofte, die verhalen over goede en kwade verschijningen, in het ge­bergte, in haar wakker riep. Verhalen van de koning die daar boven zou wo­nen en van zijn gemalin, van haar die de ‘Rosentuin’ regeerde. De stilte van de berg omving hen steeds meer, de duisternis nam toe. Nog ho­ger stegen zij, stap voor stap, zwijgend. De vrouw ging een donkere, geheim­zinnige spelonk binnen en het was of de berg hen in zich opnam… Toen, plotseling, stonden zij in een prachtige zaal: niets dan stralende rijk­dom, lichtglans, alles even prachtig, en daarachter meer zalen en kamers met zilverachtig glanzende vloeren en kris­talheldere vensters. Daarbuiten zag het meisje een heerlijke tuin vol rode ro­zen. Ze zag het zilverachtige speelse water van een bron, ze zag jonge vrou­wen baden in een waterbekken, ze hoorde betoverend snarenspel en ge­zang. De sluier die over het geheim van de ‘Rosentuin’ had gelegen, was weggenomen!

Intussen zagen ze gedienstige dwergen, die wonderlijk mooie dingen aandroe­gen. Op bevel van de koningin brach­ten zij een kluwen wol. De koningin gaf het aan het arme meisje met de woorden: ‘Neem dit kluwen gerust van me aan. De beste wol die ik heb. En als je nooit aan iemand vertelt waar het vandaan komt, zal het ook nooit opraken. Nu, doe braaf je best, blijf vlijtig en weef aan je geluk!’

Met dit kostbare geschenk is het meis­je naar een oude tante gegaan, om met de wonderwol te weven. Ze weefde en weefde de mooiste dekens en doeken, want de wol raakte nooit op en glans­de alsof hij geschoren was van het Gul­den Vlies zelf.

Eens – nadat haar dagtaak al volbracht was – zat het meisje nog vlijtig te we­ven in de maneschijn. Plotseling stond weer, nu glanzend in het zilveren maanlicht, die koninklijke gestalte voor haar: de koningin van de ‘Rosen­tuin’, die haar een prachtig weefsel van gouddraad gaf. De koningin nam de handen van het meisje in haar beide handen en liet haar zó het kunstige pa­troon van het weefsel aftasten. Zij wees haar hoe zij de stof met bloem­ranken en vogelfiguren kon versieren.

De jongen die het meisje ’t liefste was, is met de kostbare stoffen naar alle windstreken eropuit getrokken, om ze in steden en aan edellieden op burchten, te verkopen. Na verloop van tijd waren ze samen zo ver, dat er ge­noeg was voor ‘eigen huis en haard’; zelfs voor iets op het brood en voor een paardje in de stal, was nog wat over. Dat werd me een bruiloft! En als het ’t meisje gelukt is, om nooit te verklappen waar de wol vandaan kwam, dan is haar wonderkluwen nóg niet opgeraakt en leven ze tot op de huidige dag, gelukkig en tevreden met elkaar.

* De ‘Rosentuin’ of ‘Rosengarten’ is een bergketen in de Dolomiten die vooral bekend is geworden door zijn rozerode glans bij zonsondergang. Veel sagen en sprookjes die betrekking hebben op dit ge­bied zijn nog bekend.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Lili Chavannes ‘Jonas’ nr.11., 25-01-1980

*Vrij vertaald door Caroline Bos-Everts uit Karl Paetow, Volkssagen und Marchen um Frau Holle, Uitg. Adolf Sponholtz Verlag.
Er bestaat nog een vertaling met als titel ‘De rozentuin’. Waarom mevrouw Bos voor ‘Rosentuin’ heeft gekozen, is niet geheel duidelijk.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1221

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

OP ZOEK NAAR VROUW HOLLES RIJK

Vrouw Holle is een zeer bijzondere vrouw.

Stralend mooi kan zij als “ de hoge witte vrouw” aan de mensen verschijnen, maar ook afschrikkend lelijk; grauw, oud en krom. Haar gestalte kan de ganse hemel vullen, maar ook verschijnt zij in het kleinste hutje op de hei. Zij voedt en laaft de ongeboren kinderen, beschermt de dieren, zegent het gewas en waar haar voet de aarde raakt, bloeien in de zomer de liefelijkste bloemen.
In haar liefde voor de mensen kan zij vol genade schenkend of wijs straffend zijn; het lot  in een mensen leven loopt als een draad door haar hand.
Haar rijk strekt zich eigenlijk over de gehele aarde uit. In Midden-Europa is zij echter het meest door de mensen ervaren; hier zijn de sagen en sprookjes over Vrouw Holle het talrijkst.

Tussen het Harzgebergte in het noorden en het Thuringer woud in het zuiden, in de streek Hessen, verheft zich de Meiszner, de berg  waar Vrouw Holle het liefst verblijft. Hier rust zij uit van haar tochten over de aarde, baadt zij zich in haar vijver, die toegang geeft tot haar onderaardse rijk, waar zij de moeder is van de ongeboren kinderen.

Deze zomer zijn wij op zoek gegaan naar de Meiszner. Het was heet en ver voor een oude Lelijke Eend, volgeladen met kinderen, tent en kampeergerei. Vanuit het groene, vlakke Holland reden wij de heuvels en bergen van Duitsland in, het Westerwoud, kwamen in Marburg, de oude universiteitsstad, waar wij alleen verkoeling vonden in de Elizabethskathedraal. Verder moesten we; met spanning keek ik uit naar de Meiszner en eindelijk op een zondagmiddag zagen wij haar opdoemen, maar hoe anders was ze dan ik mij had voorgesteld! Langgerekt en afgeplat, het hoogste punt wel 750 m hoog; een geweldig heuvelmassief, niet zoals je je in Holland een berg voorstelt. De bergen, voor Zwitsers zullen het heuvels zijn lijkt mij, daar tussen de rivieren de Fulda en de Werra en zuid- oostelijk van Kassel zijn langgerekt en donker.

Ze doemen tegen de horizon op zoals in Holland, tegen de avond langgerekte wolken zich formeren, donker en samen met de aarde, terwijl de lucht daarboven nog licht is. En de grootste van alle is de Meiszner, Vrouw Holles uitverkoren berg.

We reden er langzaam naar boven; het was er druk met zondagsmensen, die kwistig hun ijspapiertjes en lege limonadebekertjes rond strooiden en we merkten dat zondag geen geschikte dag was om de Meiszner te bezoeken.

‘S nachts kwam er een geweldig onweer, dat tussen al die bergen heen en weer gegooid werd en daardoor uren duurde; Vrouw Holles verontwaardiging over al die zondagsdrukte?

Maar gelukkig vonden wij de volgende dag de Blaue Kuppe, een  hoog oprijzende heuvel, middenin een groot breed golvend akkerland. Daar was het stil, daar bloeiden de prachtigste bloemen, daar flitste een salamandertje tussen de stenen en daar vonden we plotseling een alleenstaande kruisbessenstruik, waarvan de takken diep door bogen onder het gewicht van de ontelbare vruchten; had Vrouw Holle die daar neergezet om onze dorst te lessen ?

De Blaue Kuppe is een bijzondere heuvel. Zij is begroeid met naald- en loofbomen; je klimt omhoog en dan opeens sta je aan de rand van een diepte, een geweldige wijde ronde kom en daarin ligt een blok rots, puntig omhoog wijzend, hoger dan een huis. De kinderen renden er om heen en probeerden er tegenop te klauteren.

Lang geleden, zo gaat het verhaal, was Vrouw Holle thuis gekomen van een lange tocht over de aarde. Zij was vermoeid en stoffig van de reis bij de Meiszner aan gekomen en een stekende pijn in haar voet zei haar dat zij een steentje in haar schoen had gekregen.
Zij schreed over de rivier de Werra en zag bij het stadje Eschwege een heuvel, die haar goed als voetenbank kon dienen.
Zij bukte zich, gespte haar gouden schoen los en keerde hem om. Met donderend geweld sloeg daar een rotsblok in de grond. Het ligt er heden ten dage nog en is wijd en zijd bekend als de Blaue Kuppe; het steentje uit vrouw Holle haar schoen.

Ons zoeken naar Vrouw Holles rijk werd in dat zelfde stadje Eschwege bekroond: ik vond daar in een boekwinkeltje het boek wat ik al tijden zocht. “Volkssagen en Sprookjes over Vrouw Holle” van Karl Paetov.  Deze Duitse uitgave is jaren later in het Nederlands vertaald en uitgegeven, naar ik meen, bij Christofoor. Vast nog wel 2e hands te krijgen.

Ybel Pronk – Sluyter, door de auteur op 21-03-2017 aan deze blog ter beschikking gesteld.

 

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1202

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-2/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Hier in Nederland kennen wij onder de sprookjes van de ge­broeders Grimm bijna allemaal het verhaal van Vrouw Holle. De oude vrouw, die goedheid en deugd beloont met goud, en onwil en luiheid met zwarte pek bestraft.

In het sprookje wordt zij zeer summier aangeduid – zij had zulke grote tanden dat het meisje er bang van werd. Zij is oud en lelijk, maar als het meisje haar vriendelijke stem hoort, is haar angst verdwenen en inderdaad blijkt Vrouw Holle een zeer goed en rechtvaardig wezen te zijn.
Dit sprookje komt uit Hessen, de streek in midden-Duitsland, ongeveer tussen Frankfurt en Kassel en nu blijkt, dat juist in die streek er veel meer dan dit ene sprookje over Vrouw Holle verteld werd en misschien nog verteld wordt.

In al die sprookjes en sagen,  die door Karl Paetow verza­meld zijn en uitgegeven bij de Bärenreiter Verlag in Kassel, komt Vrouw Holles wezen en gestalte duidelijk naar voren. Langzamerhand gaan wij haar voor ons zien,  een hoge lichte vrouw, die telkens weer op een nieuwe wijze (soms inderdaad ook oud en lelijk) aan de mensen verschijnt, hun deugd belo­nend, hun ondeugd bestraffend. Ook is zij Moeder Aarde,  de heerseres over dieren, dwergen en nimfen. Waar haar voet de aarde raakt, wordt de akker gezegend met vruchtbaarheid, waar zij uitrust zullen de mooiste bloemen bloeien. Zij hoedt in haar onderaardse rijk de ongeboren zielen en tot haar komen de gestorvenen.
Ook haar naam is wisselend:  Frau Holle of Holda,  Frau Berchta, Frau Frigg.

De tijd waarin zij vooral het mensenland bezoekt is de tijd van de twaalf heilige nachten; dit zijn de nachten te be­ginnen met de kerstnacht tot aan Driekoningen op 6 januari. Driekoningenavond heette zelfs toendertijd in Hessen Berchtesabend.

In deze stille tijd wanneer het oude jaar door deze heilige nachten heen zich vernieuwt tot het volgende jaar, heeft de natuur zich helemaal teruggetrokken, zich verinnerlijkt en ontvangt nieuwe kiemkracht voor de komende lente.
De grote moeder komt en zegent land, boom en dier en de mensen, die van goede wille zijn.

Hier volgt een kleine sage uit het boek van Paetow: ‘Vrouw Holle en de Vlierboom’. In het Duits heet de vlier Holunder Strauch of Hollerbusch, in het Nederlandse woord gaat de overeenkomst van Frau Holle met Holler of Holunder helaas verloren.

 Vrouw Holle en de Vlier

Lang, lang geleden toen Vrouw Holle zich, zoals ieder jaar, op weg begaf om het land van de mensen te bezoeken, gebeur­de het dat zij over een uitgestrekte met sneeuw bedekte heide kwam.

Het was Kerstmis overal,  de tijd van de twaalf heilige nach­ten en  zij luisterde naar het gezoem van de bijen in de holle boom, naar de rustige ademhaling van de dieren,  die hun winterslaap deden. Zij beluisterde de zachte fluisteringen der stenen en het stromen van de sappen in boom en struik. Al het verlangen van de bloemen, die nog in de donkere aar­de sliepen, naar het komende voorjaar, klonk in haar oor. Op die heide stond ook een kale eenzame struik; zijn twijgen kraakten meelijwekkend in de ijzige wind.
Vrouw Holle gaf gehoor aan zijn treurige bede en zij vroeg de struik: “Waarom weeklaag jij zo?”
“O,  grote moeder”, klonk het, “al uw kinderen hebt ge een zin voor hun bestaan meegegeven. De mensen voeden zich met de noten van de hazelaar, zij gebruiken de taaie wilgentenen en zelfs de ruige brem binden zij  ’s winters tot hun bezem. Het vlas hebt ge zijn sterke vezel gegeven en het kleedje van iedere bloem is een lust voor het oog van elke mens. Alleen mij hebt ge glans noch zin meegegeven en zelfs de armste mensen kunnen mijn dorre hout in hun kachel niet sto­ken.”

Deze klacht beroerde het hart van vrouw Holle en zij ant­woordde glimlachend: “Nu dan, omdat jij de mensen zo goed ge­zind bent, wil ik jou zelf je naam geven,  vlierboom (Hollerbusch)  zul je van nu af aan in de mensenmond heten. Daartoe verleen ik je edele eigenschappen, die jou waardevol maken boven alle andere struiken.”

En zij schonk zijn bast genezende kracht, zij sierde hem met sneeuwwitte bloesem en vulde zijn ontelbare bessen met gezondmakend donkerrood sap.

In moeilijke tijden als de mensen bezocht werden door ziekte en nood ontdekten zij spoedig de genezende kracht van de vlierstruik. De struik,  die eens tot niets diende werd ge­plant in tuin en op erf en zijn witte bloesemtrossen sierden in het voorjaar de dorpen en boerderijen.  In de herfst ver­zamelde men zijn bessen en de gebrekkigen werden verlicht door het gezonde sap.

Dit was Vrouw Holles eerste kerstgeschenk aan alle mensen en spoedig ging het gezegde van mond tot mond:

 “Holunder tut Wunder”

Y. Pronk-Sluyter, vrijeschool Den Haag, nadere gegevens ontbreken
.

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

1200

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven en lezen (2-10)

.

DUIMELOT

Uit het schrijfonderwijs van een eerste klas

Zijn geboorte ging niet van een leien dakje. Tenslotte zag hij toch het levenslicht. Een monter knaapje is het, deze Duimelot, met zijn rode kniebroek, blauw hesje, gele kousen, bruine schoenen en een rode muts.

Op een dag bevond hij zich midden in het bos zonder dat hij wist waar hij vandaan  kwam, noch wie zijn vader of moeder waren, ja, hij wist niet eens dat hij Duimelot heette.
Nadat hij een poosje oplettend om zich heen had gekeken, zei hij bij zichzelf: ‘Jij bent toch eigenlijk wel een vrolijk kereltje, je hebt ogen waarmee je zelfs de kleine vogeltjes daarboven in het nest kan zien; een neus die je de wonderbaarljke geur van de bosgrond laat reuken; een mond waarmee je kan proeven – en hij stopte er de laatste bosbessen in – en oren waarmee je horen kan hoe de vogels zingen’. Hij klapte in zijn handen en ging dieper het bos in.

De dennen spreidden hun groene takkenschermen over hem uit. Langzaam ging de zon als een rode vuurbal achter de bomen onder. Duimelot zag een vogeltje dat juist naar zijn nestje terugkeerde en zich daarin klaarmaakte voor de nacht. ‘Ieder vogeltje heeft een nest en ieder haasje een leger waarin het ’s nachts beschermd kan slapen. Ik heb zoiets niet.” Terwijl hij dit dacht, kwam hij precies langs een bosje waarvan de storm aan de ene kant akken afgebroken had, aan de andere kant echter lagen de takken tot op de grond gebogen. Een beter onderkomen voor de nacht zou hij wel niet kunnen hebben vinden! Dus zocht hij blaadjes en gras en maakte onder het groene dek een bedje. Hij kreeg een lange droom, die ik nu niet ga vertellen en de volgende morgen had hij maar één gedachte: Ja, ik wil waar gaan naar waar ik iets goeds kan  doen.’

Vanaf het eerste verhaaltje hielden de kinderen van Duimelot.

Tenslotte had hij ons toch maar de D van het bladerdak geschonken.

Maar hoe zou het verdergaan? Om de twee of drie dagen zou het verhaaltje moeten leiden tot een verinnerlijkt beeld, zo mogelijk tot een uitgebreide bordtekening, deze weer tot een voorwerp of een levend wezen – dat ons een bepaalde letter zou schenken.

Zo ontmoette Duimelot eens een verhalenverteller, die huilend op een boomstronk zat, omdat niemand meer naar zijn verhalen wilde luisteren. Duimelot en de kinderen natuurlijk wel. Op deze manier kregen we de B uit het sprookje van Grimm: ‘Het winterkoninkje en de beer’; uit het Herdersjongetje de K (koning) en de H (herder).
De kunstgreep van een verhaal in een verhaal lukte weliswaar, maar de kinderen vroegen toch weer naar Duimelot en hoe het nu verder ging met hem.

De volgende schrijfperiode viel in de adventstijd en was een ‘klinkerperiode’. Omdat klinkers heel anders gebracht worden dan medeklinkers (hier: engelen uit de hemel kwamen over de hemelsbrug naar de mensen toe en brachten hun zeven waardevolle geschenken), moest Duimelot met zijn avonturen nog even wachten. De klinkerperiode – geheel gedragen door de adventsstemming – werd heel mooi en toch bleven de kinderen maar vragen wanneer Duimelot nou weer terugkwam. Ondanks dat ze hem nog maar kort kenden, leefde hij zo in de kinderen, dat hij zelfs op ons carnaval kwam.

In de derde schrijfperiode was hij uiteindelijk zo levendig aanwezig dat zijn geschiedenis als vanzelf verteld kon worden. Nadat hij afscheid genomen had van de verhalenverteller, marcheerde hij tot aan de rand van het grote bos. Er was een hevige storm losgebarsten die aan de bomen rukte en op een aan de bosrand gelegen meer wild dansende golven veroorzaakte. Midden op het meer schommelde een bootje met daarin de koningszoon en dat dreigde ieder ogenblik om te slaan. Duimelot riep alle goede geesten van de aarde, het water en de lucht op om te helpen en meteen dook er een grote groene vis omhoog die een aan het scheepje hangend touw greep en het met zijn bek naar de reddende oever sleepte.
De golven (Duits: Wellen) hadden ons de W geschonken, de vis (Duits: Fisch) de F.

Na een lange zwerftocht kwam Duimelot in een berglandschap. Daar waren kristalbergen en grotten vol met glanzend goud. Plotseling voelde hij dat de grond onder zijn voeten beefde; toen hij naderbij kwam bemerkte hij een reus die op een dermate manier tierde en schold dat de aarde ervan schudde. Hij schold op een lijkwit dwergje dat hij ervan beschuldigde zijn noten te hebben gestolen. ‘Nee,’ zei het op een steen knielende dwergje met een bevend stemmetje: ‘Ik heb dat niet gedaan, maar onze vriend daarboven,’ en hij wees met een gestrekte arm naar een eekhoorntje. De reus geloofde hem niet en wilde hem net pakken of Duimelot riep de goede geesten te hulp. Een adelaar die juist hoog in de lucht cirkelde, dook naar beneden, greep het mannetje en bracht het naar zijn kabouterhol. Duimelot had zulke goede ogen dat hij kon zien waar de adelaar de dwerg afzette en toen hij daar aankwam, vond hij de ingang van een grot die glansde van goud, waarin het dwergje geriefelijk woonde. Met een feestmaal  van gierstebrij en bessensaus bedankte de dwerg onze Duimelot.
In dit verhaal schonk de reus ons de R, het dwergje (Duits: Zwerglein) de Z en de grot de G.

Duimelot vervolgde zijn weg. Weldra werd het nacht en hij had nog geen onderkomen. Toen zag hij in de verte een zwak lichtje. Toen hij dichterbij kwam, bemerkte hij een slang met een kroon van goud op zijn kop. ‘Een mooie goedenavond, lieve vrouw koningin slang. Kunt u mij helpen aan een onderkomen voor de nacht?’ ‘O, dat kan ik wel’, antwoordde de slang, ’niet ver hier vandaan bevindt zich een slot. Wanneer je driemaal op de ijzeren deur klopt, zal deze vanzelf opengaan. Loop dan door alle zalen. In de twaalfde mag je op bed gaan liggen en uitrusten.’
‘Maar hoe vind ik dat slot? Het is toch al donker.’ De slang leek hem te gebaren: ‘Je moet je omdraaien.’ Toen gleed ze geruisloos weg. Toen Duimelot zich omdraaide, zag hij een lichtende gestalte die een kandelaar met een kaars droeg, die hem voorging tot aan de poort van het slot. Alles gebeurde, zoals de slang hem had gezegd.
De slang (Duits: Natter) schonk ons natuurlijk de N; de kandelaar (Duits: Leuchter) de L en de poort (Duits Tor) de T.

Om de laatste schrijfperiode van dit schooljaar voor te bereiden, ontmoette Duimelot de volgende morgen nog de oude koning, die ziek en verdrietig op zijn gouden troon zat in de troonzaal. Duimelot vroeg hem, waarom hij zo verdrietig en ziek was. Toen vertelde de oude koning hem dat niemand hem meer kon helpen. Hij leed aan een ziekte die hem als een innerlijk vuur verteerde. Alleen wanneer iemand erin zou slagen hem iets van de aardekracht, de luchtkracht en de kracht uit de bron van het levenswater te brengen, kon hij genezen.
Zo bracht ons het volgende verhaal de P van paddenstoel, de V van vogel en de Q van bron (Duits Quelle).

Duimelot is door zijn goede daden verlost – hij was een koningszoon – hij hoorde van de oude koning wie zijn ouders waren en is op een zeilschip S (Duits: Seegelschiff) over het grote water in het rijk van zijn ouders naar huis teruggekeerd.

Sieglinde Fischer, Erziehubgskunst jrg.52 nr.1 jan.1988

.

Grimm: ‘Het winterkoninkje en de beer’(102);
het Herdersjongejte (152)

periode-onderwijs

Rudolf Steiner over schrijven en lezen  m.n. 3 en 5

1e: schrijven en lezen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas – letterbeelden

.

1096

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (41)

Een verhaal over paaseieren voor kinderen rond de leeftijd van 6.

DE PAASEIEREN

Een kuiken dat nog niet zo heel lang geleden het licht in de wereld voor het eerst zag, besloot eens een uitstapje te maken in deze wereld. Vergenoegd rende het langs een beekje, tot het, plotseling stijf van schrik bleef staan. Een vreselijk ondier waarvan het gevaar vooral aan de reuzenoren af te lezen was, kwam het nu juist van daar tegemoet, waar het naartoe wilde gaan. Het nieuwsgierige kuiken maakte meteen rechtsomkeer en rende terug naar waar het vandaan was gekomen.

Het monster echter waarvoor het op de vlucht was geslagen, was een jonge haas die ook op zijn eerste ontdekkingsreis was. Hij was nietsvermoedend langs de beek gehuppeld, hier eens een groen grassprietje plukkend, en daar eens over de grond snuffelend, tot hem ook een hoogst gevaarlijk wezen tegemoetkwam. Een vogel was het, niet erg groot, maar met scherp spiedende ogen en een weinig uitnodigende, spitse snavel. Kort en goed, onder deze omstandigheden leek het de haas beter het hazenpad te kiezen. Pas bij de rand van het bos hield hij stil en gluurde voorzichtig achterom om te kijken hoe ver zijn achtervolger gekomen was. Maar met de beste wil van de wereld kon hij daarvan alleen nog de wegrennende achterkant zien. ‘Er is dus een dier,’dacht hij verzaligd, ‘dat voor mij op de vlucht slaat. Dat moet een heel aardig dier zijn.’

Intussen was ook het kuiken blijven staan om op adem te komen en ontdekte nu dat het vermeende ondier overduidelijk de benen had genomen.

En wat deden de beide helden nu?

Heel voorzichtig liepen ze weer op elkaar af, tot ze bij elkaar waren en elkaar, een beetje beschaamd, groetten. Van toen af aan mochten zij elkaar en er ontstond een mooie vriendschap. Je kon ze heel vaak samen zien. Dat had tot gevolg dat ook hun familie met elkaar kennis maakte en zij vonden elkaar aardig. Dat was heel belangrijk, want  dit allemaal is alleen maar verteld omdat het door deze vriendschap is gekomen dat er nu paashazen en paaseieren zijn. Dit zit zo.

De hazen en de kippen die beide rond Pasen vele kleintjes hebben, behoren tot de meest vredelievende dieren die er op de wereld bestaan. En vooral die waarover hier wordt verteld, waren heel erg zachtaardig. De oude kip had half onder een struik een mooi plekje ontdekt waar ze besloten had te gaan broeden. De hazen, die nog nooit eieren hadden gezien, konden er maar niet genoeg van krijgen naar die mooie, witte, ronde eieren te kijken en toen de hen dat zag, schonk zij ze aan de hazen. Ze wist dat ze nog genoeg eieren zou kunnen leggen.

En daar zaten heel de hazenfamilie en heel de kippenfamilie bij elkaar bij de struik waar de eieren lagen en ze raakten in gesprek.

‘Waar komt de wereld eigenlijk vandaan’, vroeg de oude grijze haas. ‘Wij komen uit het bos waar onze ouders woonden, maar waar komt de wereld vandaan?’

‘Dat kan ik jullie wel zeggen,’ antwoordde de oude hen gewichtig. ‘Dat kunnen alleen de kippen weten. D e  w e r e l d  k o m t  u i t  e e n  e i.’

En ze vertelde over het broeden van haar eigen eieren.

‘Dan moet er ook iemand geweest zijn die het wereldei uitgebroed heeft,’ zeiden de hazen. ‘Ja, zeker,’ gaf de hen ten antwoord, ‘zonder broeden gaat het niet. Dan kan er niets uit het ei komen. Dat heeft de grote wereldvogel gedaan die het ei heeft gelegd. Die heeft het ei warm gehouden en uitgebroed.’

Dat vonden de hazen geweldig en ze keken heel blij naar de eieren. Zij wisten niet dat het die dag toevallig paaszondag was.

‘Hoe is het dan verder gegaan met dat wereldei?’ vroegen de hazen; maar toen hoorden ze plotseling allemaal muziek. De zon was in volle glorie opgekomen en ze straalde op de eieren die oplichtten, die anders onder de hen gelegen zouden hebben. De muziek klonk en de hazen, die erg muzikaal zijn, begonnen op hun achterpootjes op de maat mee te dansen. Hun oren, lang en kort, waren net de noten die bij deze muziek hoorden. Een leeuwerik had zich in de lucht begeven en zong hetzelfde lied en prees het licht.

En terwijl de leeuwerik zong en de zonnestralen de eieren aanraakten, kregen ze voor de ogen van de hazen en de kippen bonte kleuren. Door de stralen van de zon kregen ze kleur, omdat het deze morgen paasmorgen was en de zon een heel bijzondere kracht had. De zon geeft immers ook de kleur aan de bloemen en dikwijls aan de regenboog en aan de hemel. En op deze dag kleurde ze de eieren.

En terwijl de hazen en de kippen dit alles sprakeloos beleefden, herinnerde de oude haas zich plotseling iets over de wereld.

‘Eerst was daar de wereldvogel en het wereldei,’ zei hij ‘en toen scheen het licht op het wereldei, zodat het met alle kleuren straalde.’

De oude hen vroeg: ‘Mag ik de geschiedenis verder vertellen, want dit is nog niet alles. In het ei zat een zilverkleurige vloeistof en een gouden bol. Zoals dat ook in mijn eieren zit. Eèèèindelijk was dit ei met het water en de bol rijp. Als dat bij mijn eieren het geval is, dan is er een gepiep en gepik en de harde schaal breekt en komt er een goudgeel kuiken tevoorschijn, dat meteen zijn kopje omhoog steekt. Zo moet het met het wereldei ook zijn gegaan. De schaal brak en de wereld en de mens en wij allemaal wandelden naar buiten, want het was wel een oneindig groot ei.’

‘Ja, zo móet het wel gegaan zijn,’ zei de oude haas nadenkend en ging weer liggen. De muziek was ook opgehouden. En hij deed zijn oren naar beneden.

Daar lagen nu tussen de hazen en de kippen de gekleurde eieren. ‘Wat kunnen we nu het beste met de eieren doen die we van de lieve kippen hebben gekregen?’ vroeg de kleine haas, waarover we het in het begin hadden.

Op dat ogenblik kwamen de kinderen van de boer, van wie de kippen waren, aangesprongen op de weg die vanaf de boerderij langs de beek liep. ‘Ik weet het,’ zei de kleine haas, die het vriendje van het kuiken  was. ‘We hebben de eieren zelf gekregen. We geven ze weg aan de kinderen van de boer die daar aankomen. Dat is het beste wat we ermee kunnen doen.’

En dat werd gedaan. De kleine haas ging naast de eieren zitten aan de oever van de beek. Hij ging op zijn achterpoten zitten, zodat de kinderen hem wel moesten zien. Wat juichten ze toen ze het nest met de bonte eieren ontdekten. ‘Paaseieren, gekleurde paaseieren,’riepen ze en zij lieten ze aan hun ouders zien die in hun zondagse kleren achter de kinderen langs de beek meeliepen. ‘Waar komen die nou vandaan,’ vroegen de ouders. ‘dat zijn geen gewone kippeneieren.’

‘De haas heeft ze ons geschonken,’ antwoordden de kinderen en ze waren heel blij met de bonte eieren.

(Elisabeth Klein, Der Elternbrief 04-1966)

Pasen: alle artikelen

 766

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (8)

sprookjes: alle artikelen

De twaalf Maanden.

Heel lang geleden leefde er eens een moeder die twee dochters had, een eigen dochter en een stiefdochter. Ze was dol op haar eigen dochter. Maar Maria kon zij niet uitstaan, omdat zij mooier was dan Helena. Maria moest al het werk doen, koken, bakken en braden, opruimen, afwassen en spinnen. Ook weven. En de koe verzorgen. Helena stak geen hand uit. Ze zat de hele dag in de spiegel te kijken en maakte zich mooi. Maar, vreemd genoeg, Maria werd elke dag mooier en Helena werd lelijker. Tenslotte werden moeder en dochter zo boos, dat zij besloten zich van het knappe meisje te ontdoen.

Op een dag in januari zei Helena tegen Maria: “Ga gauw naar het bos om viooltjes te plukken. Ik wil ze in mijn gordel steken om lekker te ruiken.” Toen Maria verdrietig antwoordde, dat er in deze tijd van het jaar geen viooltjes waren, dreigde de boze zuster haar te doden. De stiefmoeder joeg Maria de hut uit en deed de grendel op de deur.

Wat moest het arme kind beginnen? Er lag een dik pak sneeuw en zij dwaalde hongerig en half bevroren door het bos.

Opeens zag zij een lichtschijnsel. Zij strompelde de berg op, het licht tegemoet. Op de berg gekomen zag zij een kring van 12 mannen die om een vuur zaten op stenen zetels. Drie mannen hadden sneeuwwit haar, de volgende drie waren wat jonger, dan waren er drie nog jongere en de drie allerjongsten leken nog niet volwassen.
Zij waren de twaalf Maanden die zwijgend in het vuur staarden. Op de grootste steen zat Januari. Hij had een staf in de hand.

Maria bleef verschrikt staan. Bevend vroeg zij of zij zich bij het vuur mocht warmen. Januari knikte vriende­lijk. “Wat doe je met dit uur in het bos?” vroeg hij.

Ik moet viooltjes zoeken” antwoordde het meisje. “Er zijn toch geen viooltjes in de winter!” “Ach, dat weet ik. Maar mijn stiefzuster heeft me het bos ingestuurd en ze slaat me dood als ik zonder viooltjes thuiskom. Weet u geen plekje, waar ik ze vinden kan?” Januari stond op en riep: Broeder Maart, ga op mijn plaats zitten!” Maart ging op de steen zitten en hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden op. De sneeuw smolt, de bladeren kwamen uit, het gras begon te groeien, het was lente. Even later bloeiden er al zoveel viooltjes, dat het gras blauw leek.  “Pluk ze maar gauw, Maria,” zei Maart vriendelijk. Maria plukte en ging har­telijk dankend blij naar huis. De stiefmoeder en Helena waren verbaasd. Helena stak de viooltjes dadelijk in haar ceintuur, snoof de lucht op en liet haar moeder ook ruiken. Een bedankje voor Maria kon er echter niet af.-

De volgende dag had Helena trek in aardbeien en beval Maria een mandvol in het bos te halen. Maria stribbelde zachtjes tegen, omdat er in januari geen aardbeien zijn. Helena bedreigde haar weer met de dood. Het arme meisje liep ijskoud en hongerig het bos in. Maar ineens zag zij het lichtschijnsel weer, ging er op af en begroette de twaalf Maanden vol eerbied. “Mag ik mij een beetje war­men?” smeekte ze. Januari knikte. “Wat doe je met dit weer in het bos?” vroeg hij.  “Ik moet aardbeien plukken,” antwoordde Maria. “Die zijn er nu toch niet?” “Dat weet ik. Maar mijn stiefzuster slaat mij dood als Ik zonder aardbeien thuiskom. Kunt u me helpen?”

Januari stond op en riep:  “Broeder Juni, ga op mijn plaats zitten!” Dat deed Juni. Hij hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden hoog. De sneeuw smolt, het gras werd groen, de bomen bloeiden. Het werd zomer. Het veld stond vol prachtige aardbeiplanten met rode vruchten. “Pluk ze maar!” zei Juni opgewekt.

Maria had al gauw een mand vol, nam dankbaar afscheid; en haar stiefmoeder en Helena begrepen niets van de aardbeienweelde, waaraan zij zich te goed deden. Een bedankje voor Maria kon er niet op overschieten. Het geleek zon gemakkelijke opdracht, dat Helena zich voornam nog wat aardbeien zelf te gaan halen.

Maria vertelde, hoe zij moest gaan. Inderdaad zag ook Helena het licht in het donkere bos. Ze ging er op af en zag de twaalf Maanden om het vuur zitten. Zij warmde haar handen zonder te vragen. Ze groette niet en keek onbe­vreesd rond.

“Wat kom je hier doen?” vroeg Januari.

“Dat gaat je niets aan, ouwe!” Januari zwaaide zijn staf boos boven het vuur. De vlammen werden kleiner en kleiner. Een vreselijke sneeuwstorm stak op. Helena verdwaalde, viel neer en be­vroor. Haar moeder die haar was gaan zoeken ondervond het­zelfde .

Maria bleef alleen achter. Zij kookte en verzorgde de koe, maar haar stiefmoeder en Helena kwamen niet terug. Maria moest huilen, toen zij in het bos werden gevonden. Zij bleef alleen wonen en verzorgde alles goed. Later ontmoette ze de aardigste jongeman uit de streek, trouwde met hem. Zij leefden nog lang en gelukkig.

(Slowaaks sprookje uit de bundel Slavische sprookjes- Sirovatka/Luzik)
sprookjes: alle artikelen

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Sprookjes (2-1)

.

DE KIKKER EN DE HELD JOHANNES

‘Zoek mij achter drie maal negen landen’

Er zijn veel sprookjes die iets van de essentie van een jaarfeest weergeven. Else Tideman vond een Russisch sprookje, dst bij het paasfeest past.
Van de Russen wordt gezegd dat zij een sterke verbondenheid beleven met het opstandingsgebeuren. Voor hen is het paasfeest het grootste feest van het jaar.

In een rijk, in een koninkrijk leefde eens een koning die had drie zonen, die alle drie vol­wassen waren. Op een dag riep hij hen bij zich en sprak: ‘Mijn lieve zonen, jullie zijn nu vol­wassen en het is tijd aan een bruid te denken. Neem pijl en boog en maak je gereed om te schieten! Ga naar de koninklijke grensweiden en schiet naar verschillende kanten. Daar, waar de pijl heen vliegt, haal je je bruid’.
De zonen namen ieder een pijl, gingen naar de koninklijke grensweiden en schoten de pijl af. De oudste naar rechts, de middelste naar links en de jongste, Johannes, rechtuit. Hierna ging ieder zijn kant op, om de pijl te zoeken. De oudste broer vond zijn pijl in het huis van een minister, de middelste bij een generaal en zij trouwden met hun wonder­schone dochters.

sprookje

Johannes kon lange tijd zijn pijl niet vinden en was heel bedroefd. Twee dagen liep hij door bossen en over bergen, de derde dag kwam hij bij een moeras en zag daarin een grote kikvors.
De kikvors droeg de afgeschoten pijl in zijn poten. Johannes wilde weglopen, maar de kik­ker riep hem toe: ‘Kwak, kwak, Johannes, kom bij me en neem je pijl. Hij vloog naar mij, nu moet je mij tot vrouw nemen, en als je mij niet neemt, kom je nooit uit dit moeras vandaan’.

sprookje 2

Johannes werd treurig en wist niet wat hij doen zou. Hij dacht lang na, toen nam hij de kikker met zich mee en bracht hem naar zijn rijk. De broers en hun vrouwen lachten over die twee.

De dag naderde dat Johannes zou trouwen. Hij reed in een wagen ter bruiloft, de kikker echter droeg men op een gouden schotel. Toen het nacht werd en de bruidegom en de bruid in het slot in hun kamers gingen, deed de kikker haar kikkerhuid af en veranderde in een wonderschone vrouw. Overdag werd ze weer kikker. Johannes leefde gelukkig en tevreden met haar.

Na enige tijd liet de koning zijn zonen bij zich roepen en sprak tot hen: ‘Mijn lieve zo­nen, jullie zijn nu alle drie getrouwd. Ik wens een hemd te dragen, dat jullie vrouwen, mijn schoondochters, genaaid hebben’. Hij gaf ieder een stuk linnen en verlangde, dat de hemden de volgende dag klaar zouden zijn. De beide oudere broers brachten het linnen aan hun vrouwen. De vrouwen riepen hun voedsters, verzorgsters en mooie dienstmeisjes zodat ze hen bij het naaien van de hemden konden helpen. Johannes echter ging met het linnen naar zijn kikker en legde het treu­rig op tafel. ‘Johannes, waarom ben je zo treurig?’ vroeg de kikker. ‘Waarom zou ik niet treurig zijn,’ antwoordde de koningszoon, ‘mijn vader beveelt, dat je vóór morgen uit dit linnen een hemd moet naaien!’
‘Ween niet, treur niet,’ zei de kikker,’ga sla­pen, de morgen is wijzer dan de avond, het zal in orde komen’. Zij nam een schaar en knipte het linnen in kleine stukjes, opende het raam, wierp ze in de wind en riep: ‘Gij waaiende winden, draag de stukjes linnen mee en maak daaruit voor de koning een hemd’.
De volgende morgen bracht iedere zoon zijn hemd aan de koning. De koning bekeek het hemd van de oudste en zei: ‘Dit hemd is net zo genaaid als gewone hemden genaaid zijn’. Toen nam hij het hemd van de tweede zoon en meende dat ook dit niet beter was. Maar toen de jongste zoon hem het hemd reikte, kon hij zich niet genoeg verwonderen. Geen enkele naad was er aan te zien, het was als uit één stuk, en hij zei: ‘Dit hemd draag ik op de allerhoogste feestdagen’.
Daarna gaf de koning zijn zonen nog twee­maal een opdracht voor hun vrouwen. Zij moesten een tapijt borduren met goud en zil­ver en zij moesten een brood voor hem bak­ken. Beide keren brachten de vrouwen van de twee oudste zoons het er niet zo goed af, maar de kikker deed het als te voren: het materiaal voor het tapijt verdeelde ze in kleine stukjes, wierp die uit het raam en riep daarna de waaiende winden te hulp. Zo ont­stond er een tapijt dat volgens de koning ‘bij feestelijke gelegenheden over de tafel ge­spreid zou worden’. Voor het brood mengde zij zuurdeeg, water en meel tot deeg, schudde het, deed het in een koude oven en sprak: ‘Bak brood, rein, luchtig en wit als sneeuw’. En zo gebeurde het. Dit brood werd door de koning bestemd voor koninklijke gasten, maar dat van de andere zoons zou men alleen in nood kunnen eten.

Ten slotte nodigde de koning zijn zonen met hun vrouwen uit voor een maaltijd.
De volgende morgen maakte Johannes zich klaar en reed naar het slot. De kikker open­de het raam en riep met luide stem: ‘Kom jullie waaiende winden, vlieg naar mijn rijk en zeg dat er een rijkversierde wagen komen moet, met alles wat daarbij hoort, met diena­ren, soldaten, lopers en voorrijders!’ Toen allen in het slot verzameld waren reed plotse­ling een prachtig versierde wagen voor. Daar­uit stapte de vrouw van Johannes, een won­derbare schoonheid, en allen verwonderden zich. Toen zetten ze zich aan tafel. Meteen na de maaltijd ging Johannes naar huis, nam de kikkerhuid en verbrandde hem. Toen zijn vrouw thuis kwam, zocht ze haar huid overal, maar zij vond hem niet. ‘Ach’, zei ze, ‘Johannes, had nog een klein poosje geduld gehad. Omdat je geen geduld had, moet je nu vertrekken, om mij te zoeken. Zoek mij achter drie maal negen landen, in het drie maal tiende rijk, in het koninkrijk onder de zon, en weet, dat ik Wassilissa heet, de Alwijze’.
Ze zei het en verdween. Johannes was ontroostbaar en weende hete tranen, toen maakte hij zich gereed om Wassilissa de Alwijze te zoeken.
Hij kwam bij een hutje, dat op kippenpootjes stond en onafgebroken ronddraaide. ‘Hutje, hutje, draai je met de rug naar het woud, met de voorkant naar mij’. Bij zijn woorden bleef het hutje staan en Johannes ging naar binnen. In de voorste hoek zat de heks Baba Jaga. Met toornige stem riep ze: ‘Tot nu toe heb ik de Russische geest niet met de ogen gezien, niet met de oren gehoord, maar nu verschijnt de Russische geest voor mijn ogen! Hoe is het, held Johannes, kom je vrijwillig of gedwongen?’

‘Ik kom vrijwillig, twee maal zo veel echter onvrijwillig’, antwoordde de held Johannes en vertelde alles, wat gebeurd was. ‘Ik heb met je te doen,’ sprak de Baba Jaga, ‘laat toe, dat ik je dien en je Wassilissa de Al­wijze toon. Iedere dag komt ze naar mij toe­gevlogen, om hier uit te rusten. Als ze aan komt vliegen, probeer haar dan bij het hoofd te pakken. Als je haar vangt, zal zij zich in een kikker veranderen, in een pad, een slang en allerlei kruipend gedierte, en uiteindelijk in een pijl. Neem deze pijl en breek hem middendoor, dan wordt ze voor eeuwig de jouwe. Maar zorg ervoor, dat je je vrouw vast­houdt, als je haar gevangen hebt!’
De eerste maal mislukte het, en in een ogen­blik was Wassilissa verdwenen. ‘Omdat je haar niet kon vasthouden’, zei de Baba Jaga, ‘daarom zul je haar hier nooit weer vinden. Maar ga naar mijn zuster, als je wilt, Wassilissa de Alwijze vliegt daar ook heen om uit te rusten’.

De koningszoon ging naar de andere Baba Jaga. Maar hij was ook daar niet in staat Wassilissa de Alwijze vast te houden. Uiteindelijk kwam hij bij de derde zuster van de Baba Jaga. Zij sprak: ‘Als je nu Wassilissa de Alwijze los laat, zul je haar nooit en nooit meer vinden’.

Toen Wassilissa de Alwijze kwam, trad held Johannes naderbij en greep haar bij het hoofd, en hoe zij zich ook draaide en wendde, Johannes de held liet haar niet meer los. Ein­delijk werd zij een pijl. Hij nam de pijl en brak hem middendoor in twee stukken. Op hetzelfde ogenblik verscheen Wassilissa de Alwijze voor hem en sprak: ‘Held Johannes, nu geef ik mij geheel aan jouw wil over’.

De koning ontving zijn zoon en zijn schoon­dochter met grote vreugde. Hij richtte een groot gastenmaal aan en riep Johannes uit tot koning.

0-0

In Rusland vierde men vroeger uitbundig het paasfeest, na een intens beleefde passietijd. Ook nu nog, voor zover dat mogelijk is.
Herbert Hahn beschrijft zijn herinneringen daaraan in ‘Vom Genius Europas‘. Vanaf de paasnacht worden steden en dorpen urenlang overgoten met vrolijk klokgelui. Hahn be­schrijft hoe men zijn spijzen – gewijd in de kerk – naar huis terug draagt; hoe bij elke ontmoeting klinkt: ‘Christus is opgestaan!’ en het antwoord: ‘Ja, Hij is waarlijk opgestaan!’ Men vindt in Rusland Pasen het grootste feest van het jaar.
Ik heb het gevoel, dat het sprookje ons iets kan vertellen van de weg naar het beleven van Pasen. De twee oudste koningszonen vin­den hun vrouwen dichtbij huis: een minister en een generaal behoren tot de hun bekende wereld. Johannes echter loopt het onbeken­de tegemoet. Hij vindt zijn pijl in een moeras, waar hij alleen uit komt, als hij zich verbindt met iemand, die er als een kikker uitziet. Een kikker….

Dit beeld doet denken aan ‘Doornroosje’. Ook daar speelt de kikker een rol. ‘Toen de koningin eens aan het baden was, kroop er een kikker uit het water aan land, die tot haar sprak: ‘Uw wens zal vervuld worden, eer er een jaar voorbij is, zult gij een dochter ter wereld brengen.’

Een kikker wordt geboren in het water, kruipt als volwassen dier aan land. Een mens komt bij de geboorte óók als het ware ‘aan land’. De ‘kikker’ wéét van die andere, voorgeboortelijke wereld, daarom kan hij de ko­ningin de geboorte van Doornroosje aan­kondigen. Zou de kikker in het Russische sprookje een zelfde soort rol hebben? Wéét de kikker van andere nog niet – of niet méér -stoffelijke werelden?

Johannes moet de stap wagen om zich met dit onbekende te verbinden. Hij waagt het en wordt beloond. ’s Nachts ervaart hij, dat de kikker een omhulsel is voor iets ongekends, dat alles overtreft, wat hij tot nu toe beleefd heeft. Overdag is daar nog niets van te zien, al het kiemen gebeurt in het verborgene. Maar langzamerhand treden de kiemen ook ‘aan de dag’: de kikker kan het schoonste hemd, het schoonste tapijt en het kostelijk­ste brood uit het niets scheppen. Ze knipt immers alle ingrediënten – het stoffelijke – aan stukjes en verstuift het in de wind. En daar, in het rijk van de wind, voltrekt zich de metamorfose tot iets nieuws dat zo gaaf en mooi is dat het voor een feest gebruikt kan worden. Ook de ‘wind’ behoort tot die niet-stoffelijke werelden, waarmee de kikker be­kend is.

Dit sprookje kent verschillende variaties. Zo las ik in een andere versie: De Tsaar sprak: ‘Welaan, dat is een hemd, dat men op paas­zondag aantrekken kan!’ En van het brood: ‘Dit is een brood, dat men op paaszondag eten moet!’

Nu begrijpen we, dat die allerhoogste feest­dagen, waarvan het sprookje spreekt, de paasfeestdagen zijn. En we merken, dat we ons in het verloop van het verhaal aan het voorbereiden waren een waardig paasfeest te vieren.

Toch is nog niet alles gereed. Als de kikker­huid verbrand wordt, verdwijnt Wassilissa de Alwijze in het drie maal tiende rijk. Nu is de beurt aan Johannes. Tot nu toe is alle voorbe­reiding geschonken vanuit die kiemwereld. Nu moet Johannes een verre tocht maken, alle angsten overwinnen en tot drie maal toe opnieuw beginnen, vóór hij van zich uit de verbinding herstelt met Wassilissa de Alwijze. Pas dan – zou men kunnen zeggen – kan men waarlijk Pasen vieren!

Het sprookje van de kikker en de held Johannes is te vinden in ‘Iwan Johannes – Russische Märchen’ Uitg. J.Ch. Mellinger, Stuttgart.

(Else Tideman in ‘Jonas’, nr. 16, 2 april 1982)

 

Sprookjes: alle artikelen

.

228-215

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-3/2)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Licht en duisternis in sprookjes

In de wijsheid van sprookjes liggen veel troostrijke beelden verborgen die op de menselijke levenssituaties van toepassing zijn.
Neem bijvoorbeeld de zo vaak optre­dende situatie dat de hoofdfiguur van het verhaal in een absolute impasse is geraakt, zoals Roodkapje wordt beschreven nadat de wolf haar heeft opgeslokt. Natuurlijk is daar een levensweg, die tot dit punt leidde, aan voorafgegaan. In het sprookje plukt Roodkapje zoveel bloe­men, dat er niets meer bij kan, en zij luistert naar de vogeltjes. En dan, als zij in grootmoeders huis beland is, sluit de don­kerte zich over haar. In deze donkerte, de buik van de wolf, is ook grootmoeder al verdwenen
Als hier het verhaal zou ophouden was het zwart in zwart. Maar de wijsheid van de sprookjes eindigt nooit zonder hoop en ook in deze situatie is hulp in aan­tocht.
Of het nu de koningszoon is, die Sneeuw­witje in de glazen kist ontdekt of, zoals hier, de jager die naar huis komt, er is van buiten af een helpende hand, wanneer de hoofdfiguur van de omgeving is afgeslo­ten, al of niet in duisternis. In welke tijd van ons leven wij in deze wolfsbuik terecht komen – dat kan ver­schillen, maar te zijner tijd zullen wij alle­maal wel door dit stadium heen moeten. Belangrijk is dan dat wij op weg waren naar een doel, zoals Roodkapje naar Grootmoeder. En dat wij, al zijn wij hele­maal van licht verstoken, dit doel willen bereiken en de hoop niet opgeven. Dan komen andere krachten van buiten af te hulp en het kan weer licht worden. Het sprookje laat ons de verandering zien in de mens die uit de duisternis in het licht komt. ‘O, wat was het donker in de wolf zijn buik’, zegt Roodkapje: zij heeft deze toestand ten volle doorleefd. En nu komt er een heel bijzonder moment waarover wij gemakkelijk kunnen heen lezen zonder het te beleven: het rode kapje glansde in de duisternis, toen de jager de buik opende! Het accepteren van het lot en het blijven hopen, hebben het rode kapje zo veranderd dat er licht van af­straalt. Men kan misschien ook zeggen: de ‘diepe duisternis, en het licht dat van Roodkapje uitgaat, houden met elkaar verband. Zonder deze levensfase was het  kapje nooit lichtend geworden. Waar die­pe schaduw is, moet ook een heldere lichtbron zijn. En zo zien wij ten slotte de sprookjesfiguur die hier voor iedere mens staat, verlost te voorschijn komen. Of zoals het in Faust klinkt:

‘Wie worstelend zich inspant steeds,
Die kunnen wij verlossen.’

A.Weissenberg-Seebohm, ‘Jonas’, 18-12-1971

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

 

213-201

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-4)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Sprookjesbeelden

Op zoek naar de sleutel die de beeldentaal ontraadselt

In Jonas 13, 18 februari 1983 werd door Else Tideman een sprookje verteld dat in zijn beelden een zekere verwantschap heeft met de inhoud van het carnavalsfeest. Hiermee is een serie afgesloten waarin langs een andere weg dan de be­gripsmatige getracht werd iets van de essentie van de jaarfeesten te laten zien. Het kan voor volwassenen een vraag zijn of je aan een sprookje een kwaliteit mag toekennen die gelijkwaardig is aan die van een denkmatige benadering van een bepaald onderwerp. Sprookjes zijn immers verhalen voor kinderen? Of is dat een misvatting? Een misvatting die zijn oorzaak vindt in de eenvoud van taal en beelden die de sprookjes kenmerkt. Denken we misschien te snel dat we alles al gehoord en begrepen hebben? Ligt er onder de oppervlakte van de beel­den meer verborgen dan we op het eerste gezicht vermoedden?

Er bestaat een taal op aarde, die gesproken wordt door een van de Noord-Amerikaanse Hopi Indianenstammen, en die taal kent geen, of bijna geen naamwoorden. Geen zelfstandige en geen bijvoeglijke. Alleen werkwoorden. Ik ken deze taal niet, maar zij zou me ideaal lijken om te gebruiken om de toegang te vinden tot de beelden van sprook­jes. Een taal met enkel werkwoorden! Waar­schijnlijk zou het helemaal niet nodig zijn, aan de sprekers van zo’n taal beelden te ver­klaren.

Voor de westerse twintigste-eeuwer is het een probleem om de weg te vinden van het beeld naar het begrip en van het begrip naar het beeld. De begrippen en voorstellingen die wij hanteren, staan stevig op zichzelf met hun bijvoegingen.

Zelfstandige naamwoorden zijn woorden om een ding mee te beschrijven, bijvoorbeeld ‘trap’. Bijvoeglijke naamwoorden beschrijven nog nauwkeuriger, bijvoorbeeld steile trap’. Maar wanneer we zeggen: afdalen of beklim­men van de trap, hebben we de aandacht van het ding afgewend en op de beweging geves­tigd. Naamwoorden zijn eindpunten van een proces. Met werkwoorden kunnen we een proces dat tot stilstand gekomen is, weer in beweging brengen. Wat hebben we eraan als we verklaren: in het sprookje is de konings­dochter de menselijke ziel of de koningszoon de menselijke geest. Dan hebben we een concrete voorstelling gebruikt voor een abstract begrip, en verder is er niets gebeurd. Het lijkt mij niet zo zinvol om met deze stollingsver­schijnselen die de naamwoorden zijn de sprookjesbeelden te lijf te gaan. Dan zijn we plotsklaps van ons uitgangspunt in het resul­taat gevallen.

Maar wat en hoe is de weg dan wel tussen beeld en begrip? Het is al een heel ding om te beseffen dat er een weg, een afstand tus­sen ligt. Maar hoe die te gaan? Onze taal werkwoordelijk maken. Wat zich in ons denken gekristalliseerd heeft, oplossen. Begrippen in beweging brengen. Voorlo­pig afstand doen van kristalhelderheid en scherpte. Afstand doen van de zekerheid die een definitie geeft. En met deze open blik telkens opnieuw naar het sprookje teruggaan en waarnemen. Innerlijk de voorstellingen opbouwen zoals ze elkaar opvolgen in het sprookje. De vraag wat dit alles te betekenen heeft laten rusten en aan de gang gaan met andere vragen. Wat gebeurt er eigenlijk pre­cies, waar speelt het zich af, wanneer, hoe zien de figuren eruit, welke werking oefenen zij op elkaar uit?

Het kan er immers niet om gaan, dat wij een autoriteit vinden die de taal van de symbolen voor ons uitlegt en vastlegt. Het gaat er om zelf de sleutel te vinden die de beeldentaal ontraadselt. Het allereerste is, dat we de beeldinhouden werkelijk als een taal beleven. Dat het beeld iets betekent en tot schrift wordt. Dat houdt in dat we ons over de beel­den buigen met dezelfde aandacht en open­heid waarmee we als kind het alfabet hebben geleerd. Telkens opnieuw de vormen nateke­nend en zich inprentend vanuit het doen, tot klank en beeld zich verbonden hebben en de betekenis uit het woord oplicht. Zo kan ook de betekenis van de sprookjesbeelden alleen uit het sprookje zelf oplichten, door het sprookje heen verschijnen.

De gouden sleutel 

Op een keer in de winter, toen alles diep on­der de sneeuw lag, moest een arme jongen er met een slee op uit om hout te halen. Toen hij het bij elkaar had gesprokkeld en het had opgeladen wilde hij, omdat hij het zo koud had gekregen, niet dadelijk naar huis gaan maar eerst een vuurtje maken om zich een beetje te warmen. Hij krabde de sneeuw weg en toen hij op die manier de grond blootleg­de, vond hij een klein gouden sleuteltje. Hij dacht, waar een sleutel is moet ook een slot zijn, groef in de aarde en vond een ijzeren kistje. Als de sleutel nu maar past! dacht hij, er zijn vast en zeker kostbaarheden in dat kistje. Hij zocht maar er was geen sleutelgat; eindelijk ontdekte hij het maar het was zó klein dat het nauwelijks te zien was. Hij pro­beerde het en gelukkig paste de sleutel. Toen draaide hij hem eenmaal om… en nu moeten wij wachten tot hij het slot helemaal heeft geopend en de deksel heeft opgelicht en dan zullen wij te weten komen wat voor wonder­baarlijke dingen er in dat kistje liggen.

Dit sprookje is het laatste in de bundel van Grimm. Naar de vorm is het klein, ogen­schijnlijk niet zo betekenisvol. Maar zoals een bruingeworden eikel tussen de afgevallen bladeren zich voor het oog niet van een kiezelsteentje hoeft te onderscheiden, dat er in vorm en kleur geheel aan gelijk is, maar waar de belofte van een machtige eik in rust, zo kan dit sprookje ervaren worden als een samenvatting van al het voorafgaande en tege­lijk als een eersteling waaruit verborgen schatten zich kunnen ontplooien. Hoe gaan we nu aan het werk? Voordat de vraag naar de betekenis beantwoord of ook maar gesteld kan worden, kunnen we ons vele andere vragen stellen wanneer we de beelden in onszelf wakker roepen. Het is winter, alles ligt diep onder de sneeuw. Wat is het voor een dag, vriest het of is de temperatuur net om het vriespunt? Waait het of is het windstil? Hoe laat is het als de jongen van huis gaat, ochtend, midden op de dag of valt de avond al? Is de lucht be­dekt of is het helder? Hoe ziet de jongen er­uit, is hij donker of blond? Hoe is hij gekleed, wat heeft hij aan zijn voeten? In wat voor bos sprokkelt hij zijn hout, is het een loof­bos of een naaldbos? — En dan. Dan gaat hij niet naar huis met zijn hout om daar een vuurtje te maken. Hij wil buiten, in de koude witte wereld een vuur ontsteken. En op de plaats die hij daarvoor uitkiest ligt onder de witte sneeuw en op de donkere aarde, de gouden sleutel. Dit beeld moeten we goed tot ons laten doordringen: het goud tussen sneeuwwit en aardedonker. Een sleutel. Dat is iets waar je op zichzelf niets aan hebt. Het is een onvolledig ding dat erop wijst dat er nog iets bij hoort. De jon­gen neemt deze wenk ter harte en gaat ver­der zoeken en graven. ‘Waar een sleutel is moet ook een slot zijn.’ Wanneer het een ge­woon kistje was geweest met aardse schatten was het, net als de sleutel, van goud geweest. Een juwelenkistje. Maar dat is het niet. Het is van ijzer. Een gouden sleutel en een ijzeren kistje. Stelt u zich voor. Pas wanneer u hier­bij een lichte schrik ondervindt, begint de voorstelling levendig te worden, alsof er iets schuift en knarst. Hoe komen die twee bij el­kaar, goud en ijzer, passen ze bij elkaar? ‘Als de sleutel nu maar past,’ denkt de jongen. Hij zocht, maar er was geen sleutelgat. Voor veel mensen houdt hier het verhaal op. Er is geen sleutelgat. Onze gedachten en voorstel­lingen zijn een sleutel die niet past op de we­reld van onze waarnemingen. Het wezen van de dingen in de wereld, van het leven is niet te begrijpen. Hoevelen leven niet op dit standpunt van de wanhoop. Maar het sprookje gaat verder. De jongen zoekt net zo lang tot hij een heel klein sleu­telgat gevonden heeft. We moeten bedenken dat hij nog steeds buiten in de kou zit. Hij heeft immers geen vuur gemaakt. Hij is ver­geten dat hij bijna bevroren is. Hij is vol ge­spannen verwachting. Maar wij kunnen
ons­zelf nog de vraag stellen. Waar is dat sleutel­gat? Het is er niet en wordt na lang zoeken toch gevonden. Hoe lang heeft de jongen ge­zocht, en hoelang zijn wij bereid te zoeken en kou te lijden?

De sleutel past op het slot maar het kistje wordt nog niet geopend. Wij moeten wach­ten. Wat hebben we aan antwoorden zolang de vraag nog niet brandend geworden is in ons?

De weg van het begrip naar het beeld: in ar­moede op weg gaan, kou lijden, verzamelen, een vuur willen ontsteken, vinden, graven, vinden, zoeken, vinden, éénmaal omdraaien, wachten. Wachten.

(Margreet van der Heide in ‘Jonas’  nr.14, 04-03-1983)

Sprookje nr. 200 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

 

 

212-200

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-3/1)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

ROODKAPJE
Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar het aller­meest haar grootmoeder, en die had haar wel alles willen geven. Op een keer gaf zij haar een mutsje van rood fluweel en omdat het haar zo goed stond en zij niets anders meer op wilde zetten werd zij enkel Roodkapje ge­noemd.
Op een dag zei haar moeder tegen haar: ‘Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar je groot­moeder, zij is ziek en zwak en dit zal haar goed doen. Ga nu maar voor het te warm wordt en als je buiten komt, loop dan netjes en rustig en dwaal niet van het pad af, anders val je en breek je de fles en dan heeft groot­moeder niets. En als je haar kamer binnen­komt, vergeet dan niet goedemorgen te zeg­gen en snuffel niet eerst overal rond.’
‘Ik zal goed oppassen.’ zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar de hand op.
Grootmoeder woonde echter buiten in het bos een half uur van het dorp. Toen Roodkapje nu in het bos kwam ontmoette zij de wolf. Roodkapje wist echter niet wat voor een boos dier het was en was niet bang voor hem. ‘Goedemorgen, Roodkapje.’ sprak hij. ‘Dag Wolf.’ – ‘Waarheen ben je zo vroeg op pad, Roodkapje?’ – ‘Naar grootmoeder.’ – ‘Wat draag je daar onder je schortje?’ – ‘Koek en wijn. Wij hebben gisteren gebakken en nu zal grootmoeder die ziek en zwak is zich tegoed kunnen doen en weer aansterken.’ – ‘Rood­kapje, waar woont je grootmoeder?’ – ‘Nog ruim een kwartiertje lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis, en beneden staan de notenhagen, dat weet je vast wel,’ zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: ‘Dat jonge tere ding dat is een mals hapje, dat smaakt nog lekkerder dan die oude vrouw; je moet het slim aanleg­gen zodat je ze allebei vangt.’ Daarop liep hij een eindje met Roodkapje mee en zei toen: ‘Roodkapje, zie je al die mooie bloemen niet die overal in het rond staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe liefelijk de vogeltjes zingen. Je loopt maar door alsof je naar school gaat en dat terwijl het hier buiten in het bos zo ver­rukkelijk is.’
Roodkapje keek op en toen zij de zonnestra­len door de bomen zag dansen en zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht zij: ‘Als ik voor grootmoeder een vers geplukt boeketje meebreng zal zij dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg op de dag dat ik toch wel op tijd kom.’ Daarmee liep zij van het pad af het bos in en ging bloemen zoeken. En toen zij er één geplukt had, dacht zij dat er verder­op een nog mooiere stond en liep daarheen en raakte steeds dieper het bos in. Maar de wolf liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur.
‘Wie is daar?’ – ‘Roodkapje, ik breng koek en wijn doe de deur maar open.’ – ‘Druk maar op de klink, ik ben te zwak en kan niet opstaan,’ riep grootmoeder. De wolf drukte op de klink, de deur ging open en hij liep, zonder een woord te zeggen, recht op grootmoeders bed af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar muts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen dicht.
Roodkapje echter had rondgelopen en bloe­men geplukt en toen zij er zoveel bij elkaar had dat zij er niet meer kon dragen, herin­nerde zij zich haar grootmoeder weer en ging op weg naar haar toe. Zij was verbaasd dat de deur openstond en toen zij de kamer in­stapte was het haar zo vreemd te moede dat zij dacht: ‘Lieve hemel, wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik anders toch zo graag bij grootmoeder ben.’ Zij riep: ‘Goede­morgen,’ maar kreeg geen antwoord. Toen liep zij naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met de muts over het gezicht getrokken en zij zag er erg vreemd uit. ‘O,  grootmoeder,’ zei zij, ‘wat heb je grote oren.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen horen.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote handen.’ – ‘Dat is om je beter te kun­nen pakken.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote mond.’ – ‘Dat is om je beter op te eten.’ En nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was met een sprong het bed uit en verslond het arme Roodkapje. Toen de wolf zat was ging hij weer in het bed liggen, viel in slaap en begon heel hard te snurken.
Toen kwam net de jagersman voor­bij die bij zichzelf dacht: ‘Wat is die oude vrouw aan het snurken. Ik zal eens even kij­ken of haar iets mankeert. Hij ging de kamer binnen en toen hij bij het bed kwam zag hij dat de wolf erin lag. ‘Moet ik je hier vinden, ouwe boosdoener,’ zei hij, ‘ik heb lang naar je gezocht.’ Hij wilde net zijn geweer aanleg­gen toen hij ineens bedacht dat de wolf de grootmoeder wel eens opgeslokt zou kunnen hebben en dat zij misschien nog gered kon worden en dus schoot hij niet maar nam een schaar en begon de buik van de slapende wolf open te knippen. Hij had nog maar een klein eindje geknipt toen hij het rode kapje zag glanzen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: ‘Ach, wat ben ik geschrokken, wat was het donker in de buik van de wolf.’ En toen kwam de oude grootmoeder er ook nog levend en wel uit, al snakte zij naar adem. Roodkapje haalde ech­ter vlug grote stenen en daarmee vulden zij de buik van de wolf en toen hij wakker werd wilde hij weglopen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen in elkaar zakte en dood ter aarde viel.
Toen waren zij alle drie blij. De jager stroop­te het vel van de wolf af en ging ermee naar huis, de grootmoeder at de koek op en dronk de wijn die Roodkapje had meegebracht en knapte weer op, maar Roodkapje dacht bij zichzelf: Zolang ik leef, zal ik nooit meer in mijn eentje van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder mij dat verbo­den heeft.

Ook wordt er wel verteld dat op een keer, toen Roodkapje haar grootmoeder weer koek en gebak ging brengen, een andere wolf haar had aangesproken en van de weg af had wil­len leiden. Roodkapje paste echter wel op en liep rechttoe rechtaan door, en zij vertelde aan grootmoeder dat zij de wolf was tegenge­komen die haar goedendag had gewenst maar zó kwaadaardig uit zijn ogen had ge­keken: Als het niet op de grote weg was ge­weest, had hij mij vast opgegeten! ‘Kom,’ zei de grootmoeder, ‘wij zullen de deur op slot doen, zodat hij niet naar binnen kan.’ Kort daarop klopte de wolf aan en riep: ‘Doe open, grootmoeder, ik ben het, Roodkapje, ik breng koek en gebak voor je mee.’ Zij hielden zich echter stil en deden de deur niet open. Daar­op sloop de Grijskop ettelijke malen om het huis heen, sprong ten slotte op het dak en daar wilde hij wachten tot Roodkapje ’s avonds naar huis ging om haar dan achterna te slui­pen en haar in het donker op te eten. Maar de grootmoeder merkte wat hij in de zin had. Nu stond er voor het huis een grote stenen trog en zij zei tegen het kind: ‘Neem de emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, draag jij het water waarin ze zijn gekookt naar de trog.’ Roodkapje droeg net zo lang worstenat aan tot die hele, grote trog vol was. De wolf kreeg de geur van de wors­ten in de neus, hij snuffelde en keek naar beneden en ten slotte rekte hij zijn hals zo ver uit dat hij zich niet meer kon houden en be­gon te glijden, en zo gleed hij van het dak af regelrecht in de grote trog en verdronk. Roodkapje ging echter opgewekt naar huis en niemand deed haar kwaad.

ROODKAPJE
Heeft het zin om over sprookjes te schrijven en te praten? Spreken de beelden niet direct tot de harten van kinderen en volwassenen? Het spreekt vanzelf, dat een kind niets hoeft te weten van uiteenzet­tingen over sprookjes, ja het is zelfs beter, dat het er niets van weet, want de sprookjeswereld stroomt het liefst een open hart binnen en een onbevangen kind brengt de sprookjeswereld een open hart tegemoet.
Nu is de wijsheid, die de sprookjes in zich bergen niet altijd alleen voor de kinderkamer bedoeld geweest. Integendeel, in vroegere tijden vertelden volwassenen elkaar deze verhalen en de kinderen mochten misschien meeluisteren. Toen de sprookjes van Moeder de Gans opgeschreven werden, werden de sprookjes door vol­wassenen aan volwassenen verteld. Dat valt af te lezen aan de stijl dezer sprookjes. Daarentegen zijn de ca. 100 jaar later door de gebroeders Grimm vastgelegde sprookjes opgeschreven met de speciale bedoeling om als huis- en kindersprookjes te dienen. In die tijd waren deze verhalen al haast uitsluitend in de kinderkamers te vinden.

Toen de sprookjes opgeschreven werden, waren ze al honderden en honderden jaren oud. Wat leefde er toch in deze sprook­jeswereld, die dus oorspronkelijk be­doeld was om van mens tot mens doorge­geven te worden?

Laten wij eens een voorbeeld bekijken, en wel:

ROODKAPJE
Op de een of andere manier vertelt ieder sprookje van de levensweg en de levensproblemen van de mens.
Als wij bijvoorbeeld Roodkapje hier laten volgen om daarin zo:n levensweg aan te tonen, dan zou het raadzaam zijn het sprookje van tevoren eerst te lezen. Als u het doorgelezen hebt zullen de hier volgende toelichtingen veel duidelijker tot u spreken.
Aan het begin van dit sprookje staat de grote liefde van de grootmoeder die het rode kapje aan het kind geeft. Vanaf dit ogenblik draagt het meisje dit kapje altijd. Liefde en warmte om­sluiten het hoofd en maken het mogelijk dat onze gedachten warm kunnen zijn in plaats van dood en koud. Hoe deze mogelijkheid door het leven ontwikkeld kan worden zullen wij aan het eind van dit verhaal zien.
Laten wij eens hand in hand met het kleine meisje op stap gaan en meebeleven, wat er allemaal op haar afkomt.
Eerst wordt zij door haar moeder naar grootmoeder gestuurd met wijn en koek, want grootmoeder is zwak en moet aansterken.
Hier valt ons meteen op, dat 
het doel van deze levensreis “zwak” is en opfrissing verwacht van het mensenkind.
Moeder, die haar op pad stuurt, geeft haar een heleboel levensregels mee:
zeg goedendag, ga niet van de weg af, kijk niet eerst in alle hoeken’.
Welk jeugdig mensenkind heeft niet heel wat van deze levensregels meegekregen en gaat welgemoed zijn levensweg beginnen. Zo belanden wij met Roodkapje in het bos, een situatie in de sprookjeswereld, waar vele helden en heldinnen in terecht komen. Waar zijn wij hier? In een donkere onoverzichtelijke om­geving. Niet alle bossen in de sprook­jeswereld zijn donker en onoverzichte­lijk, maar wel die bossen, waar de be­proevingen voor de held of heldin be­ginnen. Zo ook hier: de wolf verschijnt. Dat is een gebeurtenis, waar moeder niet voor gewaarschuwd heeft. En toch is dit zo’n gevaarlijke ontmoeting. Waarom eigenlijk? Omdat die ontmoeting-  en wij allen, die in zekere zin ook Roodkapje zijn – ontmoeten deze wolf heel persoonlijk dat met goed of slecht gedrag niets te maken heeft. De wolf loopt een stukje met Roodkapje op en vraagt o.a.:  “Waar woont je grootmoeder en wat breng je haar?” Nadat hij door Roodkapje daarover op de hoogte is gebracht zegt hij: “Maar je loopt door het bos alsof je naar school toe gaat!” En hij maakt haar opmerkzaam op de bloemen en de vogels. Ons kind, dat op weg is, ziet nu voor het eerst wat voor heerlijks de wereld om haar heen te bieden heeft; en zij gaat van de weg af om bloemen te plukken. Elke bloem, die zij nog niet heeft, is mooier dan de bloem die zij al geplukt heeft en zij plukt en plukt-zoals zij zichzelf voorspiegelt – een ruikertje voor grootmoeder. Maar feitelijk verliest zij zichzelf geheel en al in deze wereld. Dat is voor de wolf het sein om naar de grootmoeder te gaan en haar op te slokken, haar kleren aan te trekken en haar plaats in te nemen. Dit zich­zelf verliezen in de wereld door bloemen te plukken heeft tot gevolg, dat niet alleen de mens, maar ook het doel waarheen hij streeft, verandert. Nadat Roodkapje zoveel bloemen geplukt heeft, dat zij er niet meer kan vasthouden – het was dus waarachtig geen ruikertje – denkt zij weer aan grootmoeder. En wat beleeft zij nu? In het klassieke vraaggesprek van:” Grootmoeder, wat heb je grote oren, ogen, handen, mond”, spreekt zij de wolf iedere keer met grootmoeder aan. Zozeer is haar onderscheidings­vermogen vertroebeld in het bos met de bloemen en de vogels. Zij heeft zelf zo intens naar de vogels geluisterd, dat haar oren overmatig groot geworden zijn. Wat hebben haar ogen begerig rond gekeken naar bloemen en haar handen die bloemen bij elkaar gegrist. Ook de reukzin en de smaak, die in de grote mond gezeteld zijn, heeft zij zelf ontwikkeld in het bos. Kortom:  zij is het zelf, die daar ligt, en zo verdwijnt zij daar in de donkere buik.
Hier op dit moment houden we onwillekeurig de adem in, want wat moet er nu gebeuren? Wat zal hier redding kunnen brengen?                                                                   Zo’n moment komt in veel sprookjes voor en altijd wordt met grote ernst en ook wel met medelijden verteld, hoe de hulp op komt dagen. Hier is het de jager. Wat is een jager? Dat is een man, die in de dierenwereld van het bos dat hij beheert, orde moet houden. Met zekere hand en scherpe blik schiet hij die dieren weg, die het evenwicht in de dierenwereld zouden verstoren, dus de dieren die teveel zijn of die ziek zijn. Hij kent ook de wolf en heeft hem allang gezocht. Zocht hij hem misschien al vanaf de tijd, dat Rood­kapje bloemen plukte? Maar zijn zelf­beheersing toont hij, doordat hij niet meteen schiet. Neen, hij overlegt eerst en handelt dan. Hij knipt de buik van de wolf open met een schaar. Dat is helemaal geen instrument voor een jager, veeleer voor een kleermaker. Hij bedient zich hier van een instrument dat in de sprookjeswereld door het knappe kleermakertje gehanteerd wordt, waardoor dit ventje laat zien dat het zeer bij de pinken is. Wat ziet de jager nu het eerst in de duisternis van de buik? Het rode kapje glanst hem tegemoet. Dit is zeer verrassend, want een gewoon rood kapje zou in de donkerte niet glanzen, er moet dus licht uitgaan van dit kapje. En dat is wat door het leven in de duister­nis als nieuwe eigenschap is ver­worden. Zo komt Roodkapje uit de duisternis in het licht. Ook grootmoeder komt nu op krachten door de wijn en de koek. Zij hoeft niet meer in bed te liggen en is weer aangesterkt. De jager krijgt de vacht van de wolf. Natuurlijk, die is van hem, hij is immers degeen, die met de dierlijke machten om kan gaan. Verenigd in het huis zijn nu de jager, de grootmoeder en Roodkapje. Zij vormen tezamen een levensresultaat, dat Rood­kapje samenvat in de woorden: ” Ik zal nooit meer van de rechte weg afwijken, als moeder het verboden heeft”.
Wat haar in ’t begin van haar levens­weg meegegeven is door de moeder, dat heeft zij zich nu als eigendom ver­worven. “IK” zal nooit enz. Zo sluit deze levensweg met de dankbare her­innering aan haar oorsprong (de moeder en de volwassenwording van het ik.)
Als de ouders deze sprookjes aan hun kinderen vertellen, dan geven zij met de beeldenwereld wijsheid mee, die dieper doorwerkt dan een gewoon ver­haaltje. Immers ieder kind vereenzel­vigt zichzelf met de hoofdpersoon en daarom vereisen deze beelden een in­nerlijke activiteit van de verteller en de toehoorder, en daardoor ontstaat de innige band tussen beiden. Het is natuurlijk gemakkelijker een kind voor de t.v. te zetten maar de  moeite die de ouders zich getroosten om zelf sprookjes te vertellen of voor te lezen draagt voor beiden goede vruchten. U heeft in het sprookjes­boek een bron van vreugde in uw handen, een vreugde voor het hele gezin. Als de sprookjes met rust en liefde verteld worden zonder de emoties de vrije loop te laten en als wij in staat zijn het goede in het sprookje voor 100% naar voren te halen in ons vertellen, dan is het boze, zoals hier de wolf, alleen een beproeving die overwonnen wordt. Diep in de kinderziel ontstaat dan de zekerheid dat ook hij of zij deze overwinning zal behalen. Probeert u het eens een poosje. Voor onze tegenwoordige tijd werken deze beelden als een gezonde voeding voor het kind.

(Mevr. Weissenberg, nadere gegevens ontbreken)

Sprookje nr. 26 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.

Roodkapje
Rotkäppchen
Uit de Mainstreek
Een van de meest bekende sprookjes, die door vele mensen op zeer verschillende wijze zijn uitgelegd. (Zie bv. Fromm: ‘Dromen, sprookjes mythen’.) De merkwaardige aanduiding dat het huisje van de grootmoeder staat onder de drie eiken, duidt volgens sommigen op een mysterieplaats waar een inwijding plaats vond.
Bij Perrault (Chaperon Rouge) eindigt het verhaal met de dood van het meisje. Een Zweedse ballade vertelt hoe een meisje moet gaan waken bij een lijk. Onderweg ontmoet zij de wolf en klimt van angst in een boom. Maar de wolf graaft de wortels op en de boom stort neer.
Sprookjes met slechte afloop (Schreckmärchen, Warnmärchen) werden vroeger verteld om kinderen af te schrikken voor gevaren als: aan het water komen, alleen het bos ingaan, de deur openen als je alleen thuis bent.
.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

210-199

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-1/1)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES 

Vrouw Holle 

Een weduwe had twee dochters: de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vin­gers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar be­neden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het onge­luk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen. Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood: het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar’. Toen ging zij ernaartoe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit. Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn alle­maal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder. Ten­ slotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang. kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen. zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’
Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen: in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heim­wee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Ten slotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw ge­diend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje er­onder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent ge­weest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daar­op werd de poort gesloten en het meisje be­vond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku.
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aan­kwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het meisje vertelde alles wat haar overko­men was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag het­zelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken, prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervol­gens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelf­de pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn ap­pels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde ech­ter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had ge­hoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s och­tends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoor­de, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten.’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er zo lang zij leefde, niet meer af.

Vrouw Holle
In de sprookjesbundel van de gebroe­ders Grimm, komt een sprookje voor met de titel Vrouw Holle. Het begint als volgt: ‘Een weduwe had twee doch­ters; de ene was mooi en vlijtig, de an­dere lelijk en lui. Maar zij hield veel meer van de lelijke en luie, omdat die haar eigen dochter was en de andere moest al het werk in huis doen…’

Het sprookje vertelt verder hoe het mooie meisje elke dag aan de weg moet zitten spinnen, zóveel, dat het bloed uit haar vingers springt en ook hoe zij de spoel van bloed wil schoon wassen en hem in de put verliest. Wan­neer zij dit huilend komt vertellen aan haar stiefmoeder, zegt deze onbarm­hartig: ‘Als jij je spoel in de put hebt laten vallen, moet je hem er weer uit­halen ook!’
In haar angst springt het meisje in de put en verliest haar bewustzijn. Wan­neer zij ontwaakt en tot zichzelf komt, is zij in een weide waar de zon schijnt en duizenden bloemen bloeien. Zij gaat op weg en vindt enkele taken op haar pad: een oven met gaar brood en een appelboom met appels. Zij haalt het brood uit de oven en plukt de ap­pels van de boom. Na verloop van tijd komt zij bij het huisje van Vrouw Hol­le.

Nu kan men zich afvragen waar zich dit gebied van Vrouw Holle bevindt. Is het een onderaards rijk, waarin zij te­recht is gekomen? Het meisje is naar beneden gesprongen, de put in en juist als zij in de grootste benauwenis ver­keert en denkt dat er geen uitweg meer is, blijkt er een toegangspoort tot een weide te zijn. De put wordt een poort. Alleen weet het meisje niet hóe zij door de poort gaat, want zij verliest het bewustzijn en wordt ergens anders wakker. Vrouw Holle wordt beschreven als een oude vrouw met grote tanden. Aanvan­kelijk is het meisje bang voor haar, maar zij overwint haar vrees en treedt bij Vrouw Holle in dienst. Zij moet hard werken om het huisje schoon te houden en de dekbedden flink schud­den, zodat de veren in het rond vlie­gen: ‘dan sneeuwt het in de wereld.’
Nu moeten wij wel bewegelijk en soe­pel worden in onze gedachtegang: het rijk dat eerst onderaards leek te zijn, blijkt nu een oord te zijn waar de sneeuwvlokken vandaan komen, die op aarde neerdalen. Het meisje heeft het goed bij Vrouw Holle, maar na een tijdje krijgt zij heimwee en wil zij weer naar huis. Vrouw Holle brengt haar zelf ‘naar boven’, naar een poort en wanneer zij daar doorheen gaat, stroomt er goud over haar heen, dat aan haar blijft kle­ven. Ook krijgt zij van Vrouw Holle haar spoel terug. Zij komt weer op aarde, vlak bij haar eigen huis, bij de put waar nu de haan op de rand zit en haar welkom heet: ‘Kukeleku, onze gouden jonkvrouw zien we nu!’

Dan krijgen we dit hele avontuur nog eens, maar allemaal een beetje anders. Het stiefzusje wordt er nu op uit ge­stuurd om met goud thuis te komen. Zij komt ook bij Vrouw Holle, maar zonder te werken. Je zou kunnen zeg­gen dat zij vals speelt. Zij spint niet, maar prikt zich in de vingers en smeert het bloed aan de spoel. Zij laat de ta­ken van brood en appels ongedaan. Zij kan het niet laten sneeuwen. Toen zij nog bij haar moeder was heeft zij niet gewerkt en bij Vrouw Holle kan ze het niet meer leren. Ten slotte komt ze met pek bedekt weer thuis. In dit deel van het verhaal heerst een onwerkelijke stemming. Alles speelt zich veel sneller af dan de eerste keer, omdat de blik van het meisje steeds gericht is op het resultaat van haar verblijf bij Vrouw Holle. Je zou haar kunnen beschouwen als de schaduw van de eerste tocht, zoals je haar kunt beschouwen als de schaduw van het lichte, gouden meisje. Wij moeten niet denken dat deze zusjes twee verschillende personages zijn. Veeleer zijn zij twee aspecten van de mensenziel, waartoe ook de moeder en de haan behoren.

Maar wie is nu Vrouw Holle? Nu zij wij gelukkig niet alleen op dit sprookje aangewezen om een antwoord te vinden op deze vraag. Er bestaat een bundel sprookjes en sagen, geheel aan Vrouw Holle gewijd en verzameld door Karl Paetow*, waaruit wij een duidelijk beeld kunnen krijgen. Hierin komen wij Vrouw Holle tegen onder verschillende namen, in verschillende gedaanten en werkzaamheden.

(Margreet van der Heijden in ‘Jonas’ nr.11, 25-01-1980)

.

Sprookje nr. 24 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.
Beschrijving van het sprookje in deze uitgave:

24.Vrouw Holle
Frau Holle
Uit Westfalen en Hessen
Grimm geeft in zijn commentaren een hele rij sprookjes die op Vrouw Holle lijken, maar andere avonturen geven vqn het leven onder de bron, één zelfs verwant met Hans en Grietje in het broodhuisje.
Dr. W.C. de Graaf: ‘Geneeskunde door de eeuwen heen’ geeft van de vlier (Du. Hollunder) andere namen: holderterre, holluntaar. Hij noemt het een boom die gewijd is aan Vrouw Holle, godin van de aarde en van leven en dood.
Zij gaf haar naam aan de onderwereld (hel). Haar feest werd gevierd op 2 februari, later Maria Lichtmis.
Door sommigen wordt dit sprookje in verband gebracht met de reïncarnatiegedachte. Vrouw Holle speelt haar rol tussen dood en geboorte, de stiefmoeder heeft de hoofdrol tussen geboorte en dood. Als het sneeuwt zeggen de mensen in Hessen nog: ‘Frau Holle macht ihr Bett.’
Dit sprookje komt voor in de Elzas, Italië (Pentamerone) en Noorwegen.

*Vrouw Holle;  De koningin van de Rosentuin

Vrouw Holle – Beatrijs Gradenwitz  (138)

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

.

209-198

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-1)

.

DE BEELDENTAAL VAN HET SPROOKJE

 

HET AARDMANNEKE [1]
Er was eens een rijke koning, die drie doch­ters had die elke dag in de slottuin gingen wandelen: de koning nu was een groot lief­hebber van allerlei mooie bomen: en van een ervan hield hij zoveel, dat hij degene die er ooit een appel van plukte, honderd vadem diep onder de aarde verwenste.
Toen het nu oogsttijd was, werden de appels aan die ene boom zo rood als bloed. De drie dochters gingen elke dag onder de boom kijken of de wind soms een appel had afgerukt, maar van hun levensdagen vonden zij er geen, en de boom zat zo vol dat hij op breken stond en de takken hingen tot op de grond. Toen kreeg het jongste koningskind er geweldig veel zin in en zij sprak tot haar zusters: ‘Onze vader heeft ons veel te lief om ons te verwensen: ik geloof dat het alleen maar voor vreemde mensen geldt.’ En ondertussen plukte het kind een heel dikke appel af, sprong naar haar zusters en zei: ‘O, proef nu eens, mijn lieve zusterkens, zo iets heerlijks heb ik van mijn levensdagen nog nooit geproefd.’ Toen beten de beide andere koningsdochters ook in de appel en meteen verzonken zij alle drie zo diep onder de aarde, dat er geen haan meer naar hen kraaide.

’s Middags wil de koning hen aan tafel roe­pen, maar zij zijn nergens te vinden: hij zoekt zowel in het slot als in de tuin, maar hij kan hen niet vinden. Dan wordt hij zielsbedroefd en laat in het hele land omroepen, dat wie zijn dochters terugbrengt een van haar tot vrouw zal krijgen. Toen trokken vele jonge mannen het veld in om overal te zoeken, want ze hadden allen veel van de drie kinde­ren gehouden, die altijd vriendelijk waren voor iedereen en ook zo lief om te zien. En er trokken ook drie jonge jagers op uit en toen die zowat acht dagen gereisd hadden, kwa­men ze bij een groot slot met mooie zalen en in één kamer is een tafel gedekt waar heer­lijke zoete spijzen op staan, die nog zo warm zijn dat ze dampen; in het hele slot is evenwel geen mens te horen of te zien. Daar wachten zij nog een halve dag en de spijzen blijven maar warm en blijven dampen: tenslotte worden zij zo hongerig dat zij gaan zitten eten, en zij spreken samen af dat zij in het slot zullen blijven wonen en erom zullen lo­ten wie thuis zal blijven, terwijl de beide an­deren de dochters zoeken: dat doen ze ook en het lot treft de oudste. De volgende dag gaan de twee jongsten zoeken en de oudste moet thuis blijven. ’s Middags verschijnt er een klein, klein manneke en smeekt om een stukje brood: de jager neemt het brood dat hij daar had gevonden en snijdt er rondom een stuk van af en wil dat aan hem geven; terwijl hij het hem aanreikt laat het kleine manneke het vallen en vraagt of hij zo vriendelijk wil zijn hem het stukje terug te geven. Maar als hij dat wil doen en zich bukt, pakt het manneke op hetzelfde ogenblik een stok, grijpt hem bij zijn haar en geeft hem een flink pak slaag. De volgende dag is de tweede thuis gebleven, die vergaat het niet beter. Als de beide anderen ’s avonds thuiskomen, zegt de oudste: ‘Nou. hoe is het je gegaan?’ – ‘O. het gaat mij heel slecht.’ Toen klaagden zij elkaar hun nood, maar aan de jongste vertelden zij er niets over, die mochten zij helemaal niet lijden en zij noemden hem altijd domme Hans, omdat hij niet helemaal met zijn benen op de grond stond. De derde dag bleef de jongste thuis, dan komt het kleine manneke weer om een stukje brood vragen; als hij het hem heeft gegeven laat hij het weer vallen en vraagt of hij zo vriendelijk wil zijn hem het stukje terug te geven. Dan zegt hij tegen het man­neke: ‘Wat! kun jij dat stuk niet zelf oprapen: als je zelfs die moeite niet wilt doen voor je dagelijks voedsel, ben je ook niet waard het op te eten.’ Dan wordt het manneke erg boos en zegt dat hij het moet doen: maar hij, ook niet lui, pakte het lieve manneke beet en gaf hem een flink pak slaag. Toen schreeuwde het manneke het uit en riep: ‘Houd op,  houd op en laat me los, dan zal ik je zeggen waar de koningsdochters zijn.’Toen hij dat hoorde, hield hij op met slaan en het manneke vertelde dat hij een aardmanneke was, dat er meer dan duizend waren zoals hij en hij moest maar eens met hem meekomen, dan zou hij hem wijzen waar de koningsdochters waren. Dan wijst hij hem een diepe bron,  maar er is geen water in. Het manneke zegt dat hij wel weet dat zijn metgezellen het niet eerlijk met hem menen; wanneer hij de ko­ningskinderen wilde verlossen, moet hij het alleen doen. De beide andere broers wilden ook wel graag de koningsdochters terug heb­ben, maar zij hebben er geen moeite en ge­vaar voor over; hij moest een grote mand nemen en er met zijn hartsvanger en een bel in gaan zitten en zich naar beneden laten zakken: beneden waren drie kamers, in elk daarvan zat een koningskind met een draak met vele koppen die ze moest ontluizen; die moest hij zijn koppen afslaan. Toen het aard­manneke dat alles had gezegd, verdween het. Als het avond is, komen de beide anderen en zij vragen hoe het hem is gegaan: dan zegt hij: ‘O. wel goed.’ Hij had geen mens gezien, alleen ’s middags was er een heel klein man­neke gekomen die hem om een stukje brood had gevraagd: toen hij het hem gegeven had, had het manneke het laten vallen en gezegd, of hij zo goed wou zijn het voor hem op te rapen: toen hij dat niet had willen doen, was het begonnen op te spelen, maar dat was aan het verkeerde adres geweest en hij had het manneke een pak slaag gegeven en toen had die hem verteld waar de koningsdochters wa­ren. Toen ergerden die twee zich groen en geel. De volgende morgen gingen zij samen naar de bron en lootten wie het eerst in de mand zou gaan zitten; toen viel het lot weer op de oudste, hij moest erin gaan zitten en de bel meenemen. Dan zegt hij: ‘Als ik bel, moe­ten jullie mij snel weer naar boven trekken. Toen hij pas een klein eindje was gezakt, belde hij al en zij trokken hem weer naar boven; daarop ging de tweede erin zitten, die deed net zo; nu komt de jongste aan de beurt, maar die laat zich helemaal tot beneden toe zakken. Als hij uit de mand is geklommen, neemt hij zijn hartsvanger en gaat voor de eerste deur staan luisteren: daar hoort hij de draak heel luid snurken. Hij doet langzaam de deur open, daar zit de ene koningsdochter en heeft op haar schoot negen drakenkoppen liggen die zij aan het ontluizen is. Hij neemt dan zijn hartsvanger en slaat toe en de ne­gen koppen zijn eraf. De koningsdochter sprong op en viel hem om de hals en omhels­de en kuste hem, en zij neemt haar borstsie­raad dat van zuiver goud is en hangt hem dat om. Dan gaat hij ook naar de tweede koningsdochter die een draak met zeven kop­pen te luizen had en verlost die ook en naar de jongste die een draak met vier koppen te luizen had, daar gaat hij ook heen. Toen wa­ren zij allemaal zo blij en zij omhelsden en kusten hem zonder ophouden. Toen belde hij zó hard, dat ze het boven hoorden. Hij zet dan de ene koningsdochter na de andere in de mand en laat ze alle drie naar boven trek­ken; toen hij nu zelf aan de beurt was, scho­ten hem de woorden van het aardmanneke weer te binnen, dat zijn metgezellen het niet goed met hem meenden. Dus neemt hij een grote steen die daar ligt en legt die in de mand; als de mand zo ongeveer halverwege is, snijden de valse broers boven het touw door, zodat de mand met de steen op de grond valt; zij dachten dat hij nu wel dood was en lopen met de drie koningsdochters weg en laten hen beloven om tegen hun va­der te zeggen dat zij beiden hen hadden ver­lost; zo komen ze bij de koning en vragen hen tot vrouw. Intussen loopt de jongste jager diepbedroefd in de drie kamers rond en hij denkt dat hij nu wel zal moeten sterven; daar ziet hij aan de wand een rietfluitje hangen en zegt: ‘Waarom hang jij daar eigenlijk, hier kan toch niemand vrolijk zijn?’ Hij bekijkt ook de drakenkoppen en zegt: ‘Jullie kunt mij ook niet helpen.’ Hij loopt zolang heen en weer dat de aarden vloer er helemaal glad van wordt. En tenslotte komt hij op andere gedachten, hij neemt het rietfluitje van de wand en blaast een wijsje; opeens komen er een heleboel aardmannekes te voorschijn; bij elke toon die hij blaast, komt er een bij – dus blaast hij dat wijsje net zolang tot de kamer propvol is. Nu vragen ze allen wat hij wenst; hij zegt dat hij graag weer naar het daglicht wil op de aarde; ze pakken hem dan met zijn allen beet, elk aan een van de haren die hij op zijn hoofd heeft, en zo vliegen zij met hem naar boven tot op de aarde. Als hij boven is, gaat hij terstond naar het koningsslot waar juist de bruiloft met de ene koningsdochter zal gehouden worden, en hij gaat naar boven naar de kamer waar de koning met zijn drie dochters zit. Als de kinderen hem zien. vallen zij in zwijm. Daar wordt de koning zo boos om dat hij hem meteen gevangen laat zetten, want hij denkt dat hij de kinderen kwaad heeft gedaan. Maar als de koningsdochters weer zijn bijgekomen smeken zij dringend hem toch weer vrij te laten. De koning vraagt hun waarom; dan zeggen zij dat zij dat niet mogen vertellen, maar de vader zegt dat zij het dan maar aan de kachel moeten vertel­len. Hij gaat dan buiten aan de deur staan luisteren en hoort alles. Dan laat hij de beide broers aan de galg ophangen en aan de an­dere geeft hij de jongste dochter. En toen trok ik een paar glazen schoenen aan en stootte ze aan een steen: toen zei het: ‘Klink!’ en toen waren ze kapot.

De beeldentaal van het sprookje

 

Paradijs en zondeval
Het sprookje van het Aardmannetje (nr. 91) van de Sprookjes van Grimm in de uitgave van De Haan) vertelt van een rijke koning, die drie dochters heeft. Deze dochters wan­delen elke dag in de tuin van het paleis, waar veel mooie bomen in staan. Eén boom draagt prachtige appels ‘zo rood als bloed’, maar juist van deze boom heeft de koning gezegd, dat als iemand ‘daar maar één ap­peltje van plukte’, hij hem honderd vadem diep onder de aarde wenste.
De meisjes zoeken elke dag onder die boom, of de wind niet een appel heeft afgewaaid. Maar tevergeefs! Op een keer, in de herfst, krijgt de jongste dochter er zo’n zin in, dat ze tegen haar zusters zegt: ‘Onze vader houdt veel te veel van ons, dat hij ons iets kwaads zou toewensen: ik geloof dat hij dat alleen maar gezegd heeft met het oog op vreemden’.
Zij plukt een heel dikke appel af en zegt: ‘O proef nu eens, lieve zusjes, nu heb ik toch van mijn leven niet zo iets lekkers geproefd’. Dan bijten ook de andere twee prinsessen in de appel ‘en toen verzonken ze alle drie diep onder de aarde, en er kraaide geen haan naar’.

Het beeld van het oude paradijsverhaal staat voor onze ogen: de mens grijpt naar ­de vruchten van de boom der kennis, wordt uit de beslotenheid van het goddelijk para­dijs verstoten en gekluisterd aan het leven op aarde.
Dit is de grote lijn in beide ver­halen.
Typerend voor het sprookje is echter het beeld van de drie prinsessen. Het zielenelement van de mens verschijnt in drievoud. Het ‘oudste’ vermogen van de mens is zijn denken. Oud, omdat het ’t meest doorvormd, ’t meest concreet is. Oud ook in dit opzicht, dat het fysieke instrument, de hersenen, het minst doorleefde deel van het menselijk lichaam is. In het voelen is de mens jonger, levender, spontaner, minder concreet: het leeft in het middengebied van borst, hart en longen. Het jongst is het wil­len: het minst bewuste, het meest onbereken­bare deel van de mens.

In het sprookje kunnen we iets van deze driedeling bevestigd zien. Het blijkt dat de oudste dochter door een draak met negen, de middelste door een draak met zeven, en de jongste door een draak met vier koppen bewaakt wordt.
Het denken leeft in de wijd­heid van de negen, het getal van de hemelse hiërarchische ordening zoals Dionysios Areopagita die kende; in het gevoel leeft de orde van de zeven, die we kennen in de zeven grondtonen, de zeven grondkleurcn; en door de wil bewegen we ons in de vier windrichtingen op aarde.
De jongste dochter is de actieve, die de appel afplukt, maar toch ligt juist hier het grote verschil met het bijbelse scheppings­verhaal. Zij plukt de appel af in het volle vertrouwen op de liefde van de vader, en zij, de jongste, wordt in dit vertrouwen niet be­drogen! Zij verzinkt niet in het onderaardse. Dat gebeurt pas als de andere twee in de appel bijten.
Is er een beter beeld te be­denken voor de menselijke ziel, die ondanks twijfel in het denken en verscheurdheid in het gevoelsleven, zich in haar wilsleven toch geborgen weet in haar verbondenheid met een hogere bestemming? Het is dan ook de jongste dochter, die met haar bevrijder het rijk van haar vader erft.

De drie jagers
Als in het sprookje van het Aardmannetje de drie koningsdochters in het onderaardse verdwenen zijn doordat zij van de verboden boom hebben gegeten, belooft de koning zijn dochters tot vrouw aan wie hen weet te bevrijden.
Drie jagers trekken erop uit. Na acht dagen komen zij aan een groot kasteel en vinden daar een tafel gedekt, voorzien van heerlijke spijzen, die nog zo warm zijn dat ze dampen, hoewel er in het hele slot geen mens te horen of te zien is. Ze wachten nog een halve dag. De gerechten blijven warm en dampen nog steeds. Dan zijn ze zo hongerig geworden, dat zij aan tafel gaan en eten. Ze besluiten op het kasteel te blijven en om beurten met zijn tweeën de dochters te gaan zoeken.

Tegenover het zielselement van de drie dochters hebben we in de drie jagers het beeld van de geest van de mens, die zich voelt opgeroepen om tot die diepe geheimen van deze wereld door te dringen. In welk gebied zijn de jagers doorgedrongen? Waar vinden we het gebied waar de spijzen steeds warm op tafel staan? Het is het gebied van de pure levenskrachten. Overal in de natuur beleven we iets  van die onverwoestbare krachten die steeds ‘dampende warmte’, steeds nieuw leven produceren.

Het is typerend voor de Middeneuropese mens, dat hij, althans in zijn oorspronkelijke zielsgesteldheid, met een zekere schroom te­genover het mysterie van het leven staat: ‘zij wachten nog een halve dag’. In het Vlaamse parallelsprookje van ‘De dappere sergeant’ vallen de drie zonder dralen op het eten aan: de Westeuropese mens dringt onbeschroomd en direct door in wat zich aan hem voordoet. En wel met een wakker bewustzijn: ‘zij begrepen dat het een beto­verd kasteel was,’ vertelt dit sprookje ons.

Hoe anders is daartegenover het beleven van de Russische mens! In het sprookje van Zorjka, Wetsjorka en Poloenotsjka komen de drie broers na een lange tocht in een verlaten hutje met een stal vol schapen er­naast. Deze drie broers zijn koningszonen, de drie prinsessen dochters van de sultan van Indië. De Russische ziel kent de konink­lijke oorsprong van de menselijke geest, en uit dat perspectief gezien, is het mysterie van het leven slechts een hutje.

De drie jagers vertegenwoordigen in het geestgebied wederom de drie krachten van denken, voelen en willen. Dat wordt in het verdere verhaal duidelijk, wanneer het de jongste blijkt te zijn — ‘ze hadden hem altijd domme Hans genoemd’ — die in staat is in de diepte door te dringen en de prinsessen te bevrijden. In het Russische sprookje is dat uitgedrukt in de namen Zorjka, de zoon van de werkster, die bij de dageraad geboren is, Wetsjorka, de zoon van de hofdame, die in de avond geboren is, Poloenotsjka, de zoon van de koningin, die te middernacht geboren is (zij groeien alle drie op als koningszonen): in de dageraad werkt onze wil, in de avond ons voelen, te middernacht kunnen zich de diepste gedachten ontplooien.

De drempelwachter
De drie jagers. die — in het sprookje van het Aardmannetje – op zoek zijn gegaan naar de drie verdwenen prinsessen en die uit het kasteel waar de  spijzen dampend op tafel staan, twee aan twee erop uittrekken om de omgeving te verkennen, maken in dit slot kennis met een heel wonderlijk manne­tje: het was ‘zo’n klein, klein mannetje’; in het overeenkomende Russische sprookje is hij niet groter dan de nagel van een duim, maar heeft een geweldige baard. Dit mannetje verschijnt alleen als één van de drie al­leen is. Dan vraagt hij om een stukje brood, maar als het hem gegeven wordt, laat hij het vallen en dringt erop aan, dat het voor hem wordt opgeraapt. De oudste en de tweede jager geven hier gehoor aan, maar op het moment dat zij zich bukken, maken ze kennis met zijn werkelijke kracht: hij neemt een stok, grijpt hen bij de haren en geeft hun een geducht pak slaag. Alleen de jongste, aan wie de ouderen niets van hun ervaringen hebben verteld, weerstaat het mannetje, hij weigert het stukje brood op te rapen en, als het mannetje zich vreselijk kwaad maakt, pakt hij het beet en slaat er flink op los. Het mannetje smeekt om zijn leven en zegt: ‘dan zal ik je ook zeggen waar de prinsessen zijn.’ Het wijst hem een diepe put, waarin hij ‘met een hartsvanger en een bel’ in een mand moet afdalen; dan beschrijft het hoe hij daar beneden de prin­sessen zal vinden en kan bevrijden, en waarschuwt hem de tweede andere ‘broers’ (zegt het sprookje hier) niet te vertrouwen.
In dit wonderlijke kasteel, waar de spijzen steeds dampend warm op tafel staan, in dit onuitputtelijke gebied van de levenskrachten, ontmoeten de drie jagers een kracht, die hen om beurten op de proef stelt. In feite worden zij beproefd, of zij waarheid en schijn — alsof het mannetje niet zelf het brood kon oprapen — kunnen onderscheiden. De beide oudsten, die wij kunnen zien als de vertegenwoordigers van het verstand en het gevoel, zijn daartoe niet in staat. In de jongste kracht, de wil, ligt deze tref­zekerheid. Daarom is het aan hem, dat het mannetje vertelt waar en hoe de prinsessen te vinden zijn.

Wie is deze drempelwachter in het gebied van de levenskrachten? Het is een wezen dat nauwkeurig het lot van de aan de aarde  ge­kluisterde, menselijke zielenkrachten kent. Ja,  het Russische sprookje van Zorjka en Po­loenotsjka weet ons zelfs te vertellen, dat dit mannetje hetzelfde wezen is, dat de ver­dwijning van de drie prinsessen heeft be­werkt. Maar het wonderlijke is, dat in het Russische sprookje het mannetje een veel minder opvallende rol speelt. Hij is slechts een stap op de weg die de drie broers afleg­gen: zij moeten nog een uiteenzetting heb­ben met Poljanin de Witte, de gewetenloze snoever, en met Baba Jaga, de met doodskrachten omhulde, voordat zij het punt be­reiken waar zij kunnen afdalen naar de ver­borgen prinsessen. Het Duitse sprookje, en ook het Vlaamse parallel ervan, kennen de krachten in de wereld, die het boze vertegenwoordigen, maar tegelijkertijd de positieve opdracht hebben om de mens op de weg tot zijn hogere bestemming te brengen. Maar zij kennen ze slechts in enkelvoudige vorm. De Russische ziel toont in het sprookje van Zorjka, Wetsjorka en Poloenotsjka een be­wustzijn van de geleding van het boze op aarde in zeer verschillende aspecten.

De afdaling in de onderwereld
In alle streken van Europa, van Rusland tot Portugal, van Sicilië tot Denemarken, van Griekenland tot Vlaanderen, zijn sprookjes te vinden, die evenals het sprookje van het Aardmannetje de afdaling in de onderwe­reld beschrijven, waarin drie prinsessen ge­vangen worden gehouden. Het zijn drie ja­gers, broers, prinsen of oersterke kerels, die zich, op zoek naar de drie prinsessen, voor de noodzaak zien gesteld om in een donkere, diepe put af te dalen.
Van de drie oerver­mogens van de menselijke geest, het denken, voelen en willen, is het in de meeste sprook­jes het willen, dit minst bewust ontwikkelde vermogen (daarom de ‘jongste’ broer), dat de moed opbrengt om zo diep in het aardse gebied af te dalen, dat het de gekluisterde zielskrachten kan bereiken. Hierdoor ont­staat echter een spanning tussen de beide oudere broers, die in hun streven minder moed hebben, maar ook minder betrouw­baar zijn, en de jongste broer.

Het is ongetwijfeld een heel sprekend beeld: een sterke wilskracht is nodig voor elke geestelijke ontwikkeling, die tot een ‘bevrijding’, tot een vrije ontplooiing van de diepste zielskrachten leidt. En even waar is het, dat het denkende verstand in zijn slim­heid van mindere morele kwaliteit kan zijn, en dat het gevoel een neiging tot egoïsme in zich draagt. Maar aan de andere kant is de sterke nadruk op het wilsleven en op de wilsactiviteit een typisch westerse neiging. Tenslotte zal het toch voor een totale ont­plooiing van het mensenwezen noodzakelijk zijn, dat ook denken en voelen de ‘afdaling’ volbrengen. Deze toekomst schemert door in het Russische sprookje van Zorjka, Welsjorka en Poloenotsjka en in het Sloweense sprookje van De drie broers en de drie dochters: in beide verhalen volbrengen de broers alle drie de gevaarvolle afdaling.
Even diepgrijpende verschillen zien we in de schildering van de ‘onderwereld’. In de westelijke landen spreken de sprookjes slechts van vertrekken of zalen, waarin de prinsessen gevangen gehouden worden. Dat geeft een sombere indruk. Zo niet het zui­den van Europa: een Siciliaans sprookje spreekt van ‘een mooie tuin’, het Griekse sprookje van De goudappelhoom en de hellevaart ziet in deze onderwereld zelfs ‘een prachtig kasteel met een grote tuin waarin het mooiste lente was’. Hier is in beelden uitgedrukt, dat de gevaarvolle afda­ling op zichzelf, nog afgezien van de eigen­lijke bevrijding, reeds tot een wereld van grotere schoonheid leidt. Het sterkst wordt deze wereld beleefd in het Sloweense sprookje van De heldhaftige smid: deze smid, gewapend met een grote ijzeren paal, staat na de afdaling voor een zwaar ge­grendelde deur. Die slaat hij met zijn paal in stukken en voor zijn verwonderde ogen verschijnt: ‘een nieuwe aarde’.
Op deze nieuwe aarde staan drie kastelen, waarin de drie prinsessen gevangen zijn: een zilveren kasteel, een gouden en een, ‘dat ‘zo glanzend is dat het niet aan te zien is’.
Deze driedeling kent ook het Vlaamse sprookje van De dappere sergeant. Daar geeft de oudste prinses haar bevrijder een zakdoek met een zilveren ster, de tweede een gouden appel en de jongste een zakdoek met zeven diamanten sterren erin verwerkt en met haar naam en de naam van haar vader. De drie kastelen en de drie gaven weerspiegelen de zuiver zilveren, spiegelen­de en weerspiegelende kracht van het den­ken, de gouden volheid van het voelen en de diamanten klaarheid en kracht van het reine willen.

Terugkeer en bruiloft
De terugweg van de man, die in de aarde is afgedaald om de drie prinsessen te bevrijden, wordt in het sprookje van het Aardmannetje en in talrijke verwante sprookjes op de meest verschillende wijzen geschilderd. In Indische sprookjes (van de Kalmukken en uit Bangalen) bevrijdt de held zich uit de onderwereld door zaad te planten en te wachten tot de boom zo groot is geworden, dat hij erin naar boven kan klimmen. In India is de boom (de Bodhi-boom van Boeddha; men denke ook aan de vijgenboom aan het einde van het eerste hoofdstuk van het Johannes-evangelie) het beeld van de in­nerlijke ontwikkeling waardoor de mens toe­gang tot een hogere wereld verkrijgt. Dit maakt ons duidelijk, dat de ‘terugkeer’ in deze verhalen geen terugkeer op aarde, maar terugkeer in een hogere wereld is. Dat wordt in Europa in heel andere, niet minder spre­kende beelden gekleed. In vele gevallen is het een geweldige vogel, die de overwinnaar omhoog draagt. Maar die vogel moet met vlees gevoed worden, en wanneer het meege­nomen vlees niet voldoende is, moet het eigen vlees worden geofferd. Bereikt de held zo de hogere wereld, dan vindt hij daar ook genezing.
Nu ontstaat er bij de terugkeer een conflict. Drie broers zijn erop uitgetrokken om de verdwenen prinsessen te zoeken, maar meestal heeft alleen de jongste moed gehad om in de diepe put af te dalen en de be­wakende draken of reuzen te verslaan. Wan­neer hij dan de drie meisjes omhoog heeft laten trekken, wordt hij zelf in de steek ge­laten: het touw wordt doorgesneden. Bij zijn niet meer verwachte terugkeer in de boven­wereld vindt hij daar de beide andere broers, die zich voor de bevrijders hebben uitgege­ven en het bruiloftsfeest al vieren. De ko­ning laat dan in het sprookje van het Aard­mannetje, de beide oudsten genadeloos op­hangen. De jongste broer trouwt met de jongste prinses en erft het koninkrijk.

Denken wij aan de drie menselijke vermogens van denken, voelen en willen, waar­van de beide oudste broers de eerste twee ­en de jongste de laatste representeert, dan begrijpen we de relatieve juistheid van deze beeldentaal: het is de wil, die de mens in staat stelt tot in aardediepten af te dalen en de aan deze diepten gekluisterde zielenkrach­ten te bevrijden.
Toch blijft er iets onbevre­digends in dit sprookjesbeeld: de oudste broers zijn opgehangen, over de beide oudste prinsessen wordt met geen woord meer ge­rept. Het is waar, dat ‘door de wil de wereld voorwaarts wordt gebracht’ (zoals de oud-Perzische Avesta zegt), maar even waar is het, dat een geringschatting van denken en voelen ertoe kan leiden, dat een ongelouterde wil onreine zielenkrachten ‘naar boven’ brengt.
De recente Duitse geschiedenis heeft dat duidelijk getoond.

In het Vlaamse sprookje is de bedrogen overwinnaar edelmoedig, hij vergeeft zijn beide kameraden hun ontrouw. Zij trouwen met de twee oudste prinsessen. Als beeld is ook dit niet helemaal bevredigend; het is te slap. Weerspiegelt het niet iets van de westerse mentaliteit, die zich de gevaren van onbetrouwbaarheid van verstand en gevoel niet voldoende bewust is?
In twee Sloweense sprookjes ademt het einde van het verhaal een heel andere sfeer. Daar zijn, in het ene verhaal, de drie broers alle drie afgedaald, maar als de anderen al zijn teruggekeerd, slaat een vallende steen een groot gat en daarin daalt de jongste broer nu verder af. In een tweede onder­wereld vindt en bevrijdt hij op bijzondere wijze de ‘wilde vrouw’, die de drie meisjes had geroofd. Hij trekt dan verder en komt bij een kasteel, waar bruiloft gevierd wordt. Hij danst met de jongste dochter, die hem bij haar bevrijding een zakdoekje heeft ge­schonken, waarin haar naam met rood ga­ren geborduurd was. Als hij zich met dit zakdoekje het voorhoofd afwist, herkent zij hem. Nu pas herkent hij ook zijn broers. Hier wordt een weg afgelegd door een gro­tere diepte, waardoorheen dan de ‘bovenwereld’ bereikt wordt. Tegelijkertijd heeft er kennelijk een metamorfose plaats gehad. Deze metamorfose vinden we nog duidelij­ker uitgesproken in het tweede sprookje. Daar is alleen de smid afgedaald. De beide andere oersterke kerels beginnen bij het op­halen van de prinsessen zo hard te vechten om het jongste en mooiste meisje, dat ze de smid vergeten. Wanneer deze zelf de weg naar de bovenwereld heeft gevonden, schrik­ken zij geweldig en houden op met vechten. Daarna trouwen ze alle drie ‘en zij verande­ren in mooie, geheel in zijde geklede, jonge mannen’. Deze sprookjes kennen de meta­morfose, die de hele mens in de drievoud van zijn vermogens moet volbrengen. Zij kennen de wil als drijvende kracht, niet alleen om de Weg te vinden, maar ook om de diepgelegen kern van het boze te verlossen.
.

Dr. S.v.d.Heide, Jonas, 06-03-1971
.

[1] het aardmanneke, sprookje nr. 91 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.

91. Het aardmanneke- das Erdmännlein
Uit Paderborn
In dialect geschreven.
Het eerste deel van het sprookje is verwant met het paradijsverhaal. Het aardmannetje is de kwade macht die herkend wordt omdat hij geen achting heeft voor het dagelijks brood. (Zie het Onze Vader)
Het overwinnen van de draken met 9, 7 en 4 koppen, samen 21, het getal van de volwassenheid.
Zie getallensymboliek in Schuurman: ‘Er was eens…en er is nog.’
Dit sprookje is zeer verwant met de verlossing van Krimhilde op de Drachenstein.

.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

 

208-197

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.