VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-4)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Sprookjesbeelden

Op zoek naar de sleutel die de beeldentaal ontraadselt

In Jonas 13, 18 februari 1983 werd door Else Tideman een sprookje verteld dat in zijn beelden een zekere verwantschap heeft met de inhoud van het carnavalsfeest. Hiermee is een serie afgesloten waarin langs een andere weg dan de be­gripsmatige getracht werd iets van de essentie van de jaarfeesten te laten zien. Het kan voor volwassenen een vraag zijn of je aan een sprookje een kwaliteit mag toekennen die gelijkwaardig is aan die van een denkmatige benadering van een bepaald onderwerp. Sprookjes zijn immers verhalen voor kinderen? Of is dat een misvatting? Een misvatting die zijn oorzaak vindt in de eenvoud van taal en beelden die de sprookjes kenmerkt. Denken we misschien te snel dat we alles al gehoord en begrepen hebben? Ligt er onder de oppervlakte van de beel­den meer verborgen dan we op het eerste gezicht vermoedden?

Er bestaat een taal op aarde, die gesproken wordt door een van de Noord-Amerikaanse Hopi Indianenstammen, en die taal kent geen, of bijna geen naamwoorden. Geen zelfstandige en geen bijvoeglijke. Alleen werkwoorden. Ik ken deze taal niet, maar zij zou me ideaal lijken om te gebruiken om de toegang te vinden tot de beelden van sprook­jes. Een taal met enkel werkwoorden! Waar­schijnlijk zou het helemaal niet nodig zijn, aan de sprekers van zo’n taal beelden te ver­klaren.

Voor de westerse twintigste-eeuwer is het een probleem om de weg te vinden van het beeld naar het begrip en van het begrip naar het beeld. De begrippen en voorstellingen die wij hanteren, staan stevig op zichzelf met hun bijvoegingen.

Zelfstandige naamwoorden zijn woorden om een ding mee te beschrijven, bijvoorbeeld ‘trap’. Bijvoeglijke naamwoorden beschrijven nog nauwkeuriger, bijvoorbeeld steile trap’. Maar wanneer we zeggen: afdalen of beklim­men van de trap, hebben we de aandacht van het ding afgewend en op de beweging geves­tigd. Naamwoorden zijn eindpunten van een proces. Met werkwoorden kunnen we een proces dat tot stilstand gekomen is, weer in beweging brengen. Wat hebben we eraan als we verklaren: in het sprookje is de konings­dochter de menselijke ziel of de koningszoon de menselijke geest. Dan hebben we een concrete voorstelling gebruikt voor een abstract begrip, en verder is er niets gebeurd. Het lijkt mij niet zo zinvol om met deze stollingsver­schijnselen die de naamwoorden zijn de sprookjesbeelden te lijf te gaan. Dan zijn we plotsklaps van ons uitgangspunt in het resul­taat gevallen.

Maar wat en hoe is de weg dan wel tussen beeld en begrip? Het is al een heel ding om te beseffen dat er een weg, een afstand tus­sen ligt. Maar hoe die te gaan? Onze taal werkwoordelijk maken. Wat zich in ons denken gekristalliseerd heeft, oplossen. Begrippen in beweging brengen. Voorlo­pig afstand doen van kristalhelderheid en scherpte. Afstand doen van de zekerheid die een definitie geeft. En met deze open blik telkens opnieuw naar het sprookje teruggaan en waarnemen. Innerlijk de voorstellingen opbouwen zoals ze elkaar opvolgen in het sprookje. De vraag wat dit alles te betekenen heeft laten rusten en aan de gang gaan met andere vragen. Wat gebeurt er eigenlijk pre­cies, waar speelt het zich af, wanneer, hoe zien de figuren eruit, welke werking oefenen zij op elkaar uit?

Het kan er immers niet om gaan, dat wij een autoriteit vinden die de taal van de symbolen voor ons uitlegt en vastlegt. Het gaat er om zelf de sleutel te vinden die de beeldentaal ontraadselt. Het allereerste is, dat we de beeldinhouden werkelijk als een taal beleven. Dat het beeld iets betekent en tot schrift wordt. Dat houdt in dat we ons over de beel­den buigen met dezelfde aandacht en open­heid waarmee we als kind het alfabet hebben geleerd. Telkens opnieuw de vormen nateke­nend en zich inprentend vanuit het doen, tot klank en beeld zich verbonden hebben en de betekenis uit het woord oplicht. Zo kan ook de betekenis van de sprookjesbeelden alleen uit het sprookje zelf oplichten, door het sprookje heen verschijnen.

De gouden sleutel 

Op een keer in de winter, toen alles diep on­der de sneeuw lag, moest een arme jongen er met een slee op uit om hout te halen. Toen hij het bij elkaar had gesprokkeld en het had opgeladen wilde hij, omdat hij het zo koud had gekregen, niet dadelijk naar huis gaan maar eerst een vuurtje maken om zich een beetje te warmen. Hij krabde de sneeuw weg en toen hij op die manier de grond blootleg­de, vond hij een klein gouden sleuteltje. Hij dacht, waar een sleutel is moet ook een slot zijn, groef in de aarde en vond een ijzeren kistje. Als de sleutel nu maar past! dacht hij, er zijn vast en zeker kostbaarheden in dat kistje. Hij zocht maar er was geen sleutelgat; eindelijk ontdekte hij het maar het was zó klein dat het nauwelijks te zien was. Hij pro­beerde het en gelukkig paste de sleutel. Toen draaide hij hem eenmaal om… en nu moeten wij wachten tot hij het slot helemaal heeft geopend en de deksel heeft opgelicht en dan zullen wij te weten komen wat voor wonder­baarlijke dingen er in dat kistje liggen.

Dit sprookje is het laatste in de bundel van Grimm. Naar de vorm is het klein, ogen­schijnlijk niet zo betekenisvol. Maar zoals een bruingeworden eikel tussen de afgevallen bladeren zich voor het oog niet van een kiezelsteentje hoeft te onderscheiden, dat er in vorm en kleur geheel aan gelijk is, maar waar de belofte van een machtige eik in rust, zo kan dit sprookje ervaren worden als een samenvatting van al het voorafgaande en tege­lijk als een eersteling waaruit verborgen schatten zich kunnen ontplooien. Hoe gaan we nu aan het werk? Voordat de vraag naar de betekenis beantwoord of ook maar gesteld kan worden, kunnen we ons vele andere vragen stellen wanneer we de beelden in onszelf wakker roepen. Het is winter, alles ligt diep onder de sneeuw. Wat is het voor een dag, vriest het of is de temperatuur net om het vriespunt? Waait het of is het windstil? Hoe laat is het als de jongen van huis gaat, ochtend, midden op de dag of valt de avond al? Is de lucht be­dekt of is het helder? Hoe ziet de jongen er­uit, is hij donker of blond? Hoe is hij gekleed, wat heeft hij aan zijn voeten? In wat voor bos sprokkelt hij zijn hout, is het een loof­bos of een naaldbos? — En dan. Dan gaat hij niet naar huis met zijn hout om daar een vuurtje te maken. Hij wil buiten, in de koude witte wereld een vuur ontsteken. En op de plaats die hij daarvoor uitkiest ligt onder de witte sneeuw en op de donkere aarde, de gouden sleutel. Dit beeld moeten we goed tot ons laten doordringen: het goud tussen sneeuwwit en aardedonker. Een sleutel. Dat is iets waar je op zichzelf niets aan hebt. Het is een onvolledig ding dat erop wijst dat er nog iets bij hoort. De jon­gen neemt deze wenk ter harte en gaat ver­der zoeken en graven. ‘Waar een sleutel is moet ook een slot zijn.’ Wanneer het een ge­woon kistje was geweest met aardse schatten was het, net als de sleutel, van goud geweest. Een juwelenkistje. Maar dat is het niet. Het is van ijzer. Een gouden sleutel en een ijzeren kistje. Stelt u zich voor. Pas wanneer u hier­bij een lichte schrik ondervindt, begint de voorstelling levendig te worden, alsof er iets schuift en knarst. Hoe komen die twee bij el­kaar, goud en ijzer, passen ze bij elkaar? ‘Als de sleutel nu maar past,’ denkt de jongen. Hij zocht, maar er was geen sleutelgat. Voor veel mensen houdt hier het verhaal op. Er is geen sleutelgat. Onze gedachten en voorstel­lingen zijn een sleutel die niet past op de we­reld van onze waarnemingen. Het wezen van de dingen in de wereld, van het leven is niet te begrijpen. Hoevelen leven niet op dit standpunt van de wanhoop. Maar het sprookje gaat verder. De jongen zoekt net zo lang tot hij een heel klein sleu­telgat gevonden heeft. We moeten bedenken dat hij nog steeds buiten in de kou zit. Hij heeft immers geen vuur gemaakt. Hij is ver­geten dat hij bijna bevroren is. Hij is vol ge­spannen verwachting. Maar wij kunnen
ons­zelf nog de vraag stellen. Waar is dat sleutel­gat? Het is er niet en wordt na lang zoeken toch gevonden. Hoe lang heeft de jongen ge­zocht, en hoelang zijn wij bereid te zoeken en kou te lijden?

De sleutel past op het slot maar het kistje wordt nog niet geopend. Wij moeten wach­ten. Wat hebben we aan antwoorden zolang de vraag nog niet brandend geworden is in ons?

De weg van het begrip naar het beeld: in ar­moede op weg gaan, kou lijden, verzamelen, een vuur willen ontsteken, vinden, graven, vinden, zoeken, vinden, éénmaal omdraaien, wachten. Wachten.

(Margreet van der Heide in ‘Jonas’  nr.14, 04-03-1983)

Sprookje nr. 200 van Grimm, uitgave Lemniscaat, Rotterdam.

Sprookjes: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: sprookjes

 

 

212-200

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (1-4)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – VERTELSTOF – Sprookjes, alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s