VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (8)

sprookjes: alle artikelen

De twaalf Maanden.

Heel lang geleden leefde er eens een moeder die twee dochters had, een eigen dochter en een stiefdochter. Ze was dol op haar eigen dochter. Maar Maria kon zij niet uitstaan, omdat zij mooier was dan Helena. Maria moest al het werk doen, koken, bakken en braden, opruimen, afwassen en spinnen. Ook weven. En de koe verzorgen. Helena stak geen hand uit. Ze zat de hele dag in de spiegel te kijken en maakte zich mooi. Maar, vreemd genoeg, Maria werd elke dag mooier en Helena werd lelijker. Tenslotte werden moeder en dochter zo boos, dat zij besloten zich van het knappe meisje te ontdoen.

Op een dag in januari zei Helena tegen Maria: “Ga gauw naar het bos om viooltjes te plukken. Ik wil ze in mijn gordel steken om lekker te ruiken.” Toen Maria verdrietig antwoordde, dat er in deze tijd van het jaar geen viooltjes waren, dreigde de boze zuster haar te doden. De stiefmoeder joeg Maria de hut uit en deed de grendel op de deur.

Wat moest het arme kind beginnen? Er lag een dik pak sneeuw en zij dwaalde hongerig en half bevroren door het bos.

Opeens zag zij een lichtschijnsel. Zij strompelde de berg op, het licht tegemoet. Op de berg gekomen zag zij een kring van 12 mannen die om een vuur zaten op stenen zetels. Drie mannen hadden sneeuwwit haar, de volgende drie waren wat jonger, dan waren er drie nog jongere en de drie allerjongsten leken nog niet volwassen.
Zij waren de twaalf Maanden die zwijgend in het vuur staarden. Op de grootste steen zat Januari. Hij had een staf in de hand.

Maria bleef verschrikt staan. Bevend vroeg zij of zij zich bij het vuur mocht warmen. Januari knikte vriende­lijk. “Wat doe je met dit uur in het bos?” vroeg hij.

Ik moet viooltjes zoeken” antwoordde het meisje. “Er zijn toch geen viooltjes in de winter!” “Ach, dat weet ik. Maar mijn stiefzuster heeft me het bos ingestuurd en ze slaat me dood als ik zonder viooltjes thuiskom. Weet u geen plekje, waar ik ze vinden kan?” Januari stond op en riep: Broeder Maart, ga op mijn plaats zitten!” Maart ging op de steen zitten en hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden op. De sneeuw smolt, de bladeren kwamen uit, het gras begon te groeien, het was lente. Even later bloeiden er al zoveel viooltjes, dat het gras blauw leek.  “Pluk ze maar gauw, Maria,” zei Maart vriendelijk. Maria plukte en ging har­telijk dankend blij naar huis. De stiefmoeder en Helena waren verbaasd. Helena stak de viooltjes dadelijk in haar ceintuur, snoof de lucht op en liet haar moeder ook ruiken. Een bedankje voor Maria kon er echter niet af.-

De volgende dag had Helena trek in aardbeien en beval Maria een mandvol in het bos te halen. Maria stribbelde zachtjes tegen, omdat er in januari geen aardbeien zijn. Helena bedreigde haar weer met de dood. Het arme meisje liep ijskoud en hongerig het bos in. Maar ineens zag zij het lichtschijnsel weer, ging er op af en begroette de twaalf Maanden vol eerbied. “Mag ik mij een beetje war­men?” smeekte ze. Januari knikte. “Wat doe je met dit weer in het bos?” vroeg hij.  “Ik moet aardbeien plukken,” antwoordde Maria. “Die zijn er nu toch niet?” “Dat weet ik. Maar mijn stiefzuster slaat mij dood als Ik zonder aardbeien thuiskom. Kunt u me helpen?”

Januari stond op en riep:  “Broeder Juni, ga op mijn plaats zitten!” Dat deed Juni. Hij hield zijn staf boven het vuur. De vlammen laaiden hoog. De sneeuw smolt, het gras werd groen, de bomen bloeiden. Het werd zomer. Het veld stond vol prachtige aardbeiplanten met rode vruchten. “Pluk ze maar!” zei Juni opgewekt.

Maria had al gauw een mand vol, nam dankbaar afscheid; en haar stiefmoeder en Helena begrepen niets van de aardbeienweelde, waaraan zij zich te goed deden. Een bedankje voor Maria kon er niet op overschieten. Het geleek zon gemakkelijke opdracht, dat Helena zich voornam nog wat aardbeien zelf te gaan halen.

Maria vertelde, hoe zij moest gaan. Inderdaad zag ook Helena het licht in het donkere bos. Ze ging er op af en zag de twaalf Maanden om het vuur zitten. Zij warmde haar handen zonder te vragen. Ze groette niet en keek onbe­vreesd rond.

“Wat kom je hier doen?” vroeg Januari.

“Dat gaat je niets aan, ouwe!” Januari zwaaide zijn staf boos boven het vuur. De vlammen werden kleiner en kleiner. Een vreselijke sneeuwstorm stak op. Helena verdwaalde, viel neer en be­vroor. Haar moeder die haar was gaan zoeken ondervond het­zelfde .

Maria bleef alleen achter. Zij kookte en verzorgde de koe, maar haar stiefmoeder en Helena kwamen niet terug. Maria moest huilen, toen zij in het bos werden gevonden. Zij bleef alleen wonen en verzorgde alles goed. Later ontmoette ze de aardigste jongeman uit de streek, trouwde met hem. Zij leefden nog lang en gelukkig.

(Slowaaks sprookje uit de bundel Slavische sprookjes- Sirovatka/Luzik)
sprookjes: alle artikelen

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.