Tagarchief: kwarts

VRIJESCHOOL – 7e klas – voedingsleer (2-5/2)

.

In het artikel over de methoden om voedselproducten te kweken, werd verwezen naar onderstaand artikel.
Hoewel dit niet meteen stof is voor klas 7, plaats ik het artikel wel, als leerkracht kun je eigenlijk nooit over te veel achtergrondinformatie beschikken.

.
Bruno Busse, apotheker, WeledaBerichten, 150, september 1990

.

KWALITEITSVORMING BIJ HET KWEKEN VAN GENEESPLANTEN

.

De harmonische verbinding van de aardse en kosmische krachten, die in de elementenparen aarde/water en licht/warmte wordt weerspiegeld, is een belangrijke doelstelling van het biologisch-dynamisch verbouwen van geneesplanten.
In het hierna volgende zal aan de hand van enkele voorbeelden worden beschreven, hoe de hantering van het vaste-vloeibare aan de Ene kant en het licht-warmte-element aan de andere kant ertoe bijdraagt, geneesplanten al naar gelang van hun geaardheid te activeren. In onze in hoge mate geciviliseerde streken bestaat de zogenaamde vrije natuur alleen nog maar in kleine reservaten, zodat de mogelijkheid om geneesplanten op hun natuurlijke standplaats te oogsten, steeds meer is beperkt. Reeds in 1924 geeft Rudolf Steiner in zijn land-bouwcursus aanwijzingen*, hoe met verantwoording zonder het milieu te beschadigen planten kunnen worden gekweekt. Deze aanwijzingen culmineren in de vijf vaste en twee vloeibare compostpreparaten. Hieronder zullen de preparaten hoornmest en hoornkiezel in hun relatie met de elementen besproken worden. Deze bemestingspreparaten zijn in de akkerbouw en bij het verbouwen van geneesplanten onontbeerlijk gebleken.

*Geesteswetenschappelijke grondslagen voor een vruchtbare ontwikkeling van de landbouw”. [GA 327]

De omgang met de krachten van de aarde en het water

In tegenstelling tot de conventionele manier van verbouwen, waarbij met de snel-oplossende kunstmestsoorten meer een vegetatieve kwantiteitsvermeerdering wordt bereikt, gaat de biologisch-dynamische landbouw in de eerste plaats uit van het levend maken van aarde en water. Daarom heet het vaktijdschrift van de biologisch-dynamische landbouwmethode “Vruchtbare Aarde” om duidelijk te maken, dat de levenskrachten die onontbeerlijk zijn voor de planten, in de bodem moeten worden geleid, wil men gezonde voedings- en geneeskrachtige planten oogsten. Het levend maken van de grond lukt in ons vochtige klimaat het beste met dierlijke mest, die – opgezet in composthopen – gaandeweg moet verrotten en na de rijping als vaste mest op de akker wordt gebracht. Deze rijpe compostgrond versterkt en bevordert de groei- en voortplantingskrachten, dat wil zeggen eenvoudigweg de levenskrachten van het gewas. Vele geneesplanten hebben om te gedijen een hogere humusspiegel nodig. Planten zoals engelwortel, lavas of goudsbloem hebben door hun geaardheid regelmatig bemesting nodig om levenskrachten op te kunnen nemen. Behalve dierlijke mest zijn andere bestanddelen gunstig voor het composteren. Uit die veelheid ontstaan dan de stabiele leemhumuscomplexen, die de vruchtbaarheid van de grond bepalen.
Substanties uit drie natuurrijken zijn beproefd gebleken bij het verbouwen van geneesplanten:

mineralenrijk:                             plantenrijk:                                    dierenrijk:

basaltmeel                                    gras                                                  paardenmest[1]
koraalkalkmeel                            blad, stro                                        koemest
lavameel                                        plantenresten                                schapenmest

Toevoegingen uit het mineralenrijk zoals basaltmeel verwarmen vochtig-koude grond, omdat basalt wordt gewonnen uit diepliggend gesteente en een intensieve relatie heeft met het vuur. Het vaste-vloeibare wordt hier met de licht-warmtepool doordrongen. De gemalen koraalkalk die uit de Grote Oceaan dat wil zeggen uit het waterelement stamt, dient voornamelijk voor het neutraliseren van de zure plantenresten.

Kalk heeft – rechtstreeks op de bodem gestrooid – altijd de eigenschap voedingsstoffen te mobiliseren. Hij maakt “rijke vaders en arme zonen”, moet dus met kennis van zaken zoveel mogelijk het composteren vergezellen.
Het dierenrijk wordt bij de bemesting het meest evenwichtig door de koemest, “het goud van de landbouwer” vertegenwoordigd.
Paardenmest heeft ten gevolge van het temperament van het paard eerder vurige eigenschappen en wekt door zijn meestal hoog gehalte aan stro in de composthoop warmte op.
Het plantaardig materiaal moet, al zoveel mogelijk tot rotting gebracht en goed composteerbaar zijn.

In de eerdergenoemde landbouwcursus wordt erop aangedrongen, dat de landbouwer duidelijk een “persoonlijke relatie” ontwikkelt met de mest. Daarmee is ook bedoeld, dat hij zich met de levenskrachten in de grond en het water bezig houdt. Net als het minerale stoffen bevattende stromende water is humusrijke grond doortrokken van levenskrachten. Gedegenereerde grond is dood, evenals opgevangen, gekanaliseerd water zonder contact met de aarde levenloos wordt.
Bij een persoonlijke relatie met deze elementen beleeft men bij het bemesten en bevloeien de juistheid van die aanwijzing.
De levens- en doodskrachten in de natuur blijken duidelijker. De verbinding van de aarde en de kosmische krachten worden bij het composteren versterkt door de toepassing van de compostpreparaten, die het biologisch verbouwen pas tot de biologisch-dynamische landbouw maken. Het gaat hier om de preparaten hoornmest en hoornkiezel. Het hoornmestpreparaat wordt van koemest met optimale kwaliteit in een koehoorn bereid; deze wordt gedurende de winter in de grond begraven, waar de inhoud aan een verrottingsproces wordt blootgesteld. Omdat op onze breedtegraad de krachten van de aarde en het water in de winter overheersen – onze grond wordt ’s winters nauwelijks droog – kunnen die in de vochtig-koude maanden in het hoornmestpreparaat worden opgevangen. De gerijpte koemest wordt na het opgraven een uur lang in lauw water geroerd. Door het roeren wordt de werking van deze mest eerst op het water en daarna op de akkers en weiden overgebracht.

Dit winterpreparaat is uiterst geschikt voor het kweken van geneesplanten. De meeste hiervan moeten eerst met veel moeite worden opgekweekt eer ze kunnen worden verspeend. Hoornmest vóór het zaaien op de akker of op de zaailingen gespoten, bevordert de wortelvorming. De jonge plantjes kunnen daardoor beter wortel schieten. De kiemkracht van het zaad wordt versterkt, wat vooral bij gekocht zaaigoed van belang is. Een schema kan vooreerst de polariteit van beide preparaten verduidelijken:

Hoornkoemest

Aarde-/waterkrachten
aards
(vanuit het centrum)
Vitalisering (bijvoorbeeld wortelvorming)
Kalkprocessen

Hoornkiezelmest

Licht-/warmtekrachten kosmisch
(vanuit de omtrek)
Ontvitalisering (bijvoorbeeld blad- en bloemvorming)
Kiezelprocessen.

Het omgaan met de licht- en warmtekrachten

Pas het elkaar doordringen van beide polen, het met elkaar verbinden van de kosmische en aardse elementen laat de plantenwereld ontstaan. Uitgestrekte landschappen zoals bijvoorbeeld in de Oekraïne met haar zwarte aarde kunnen ons doen herinneren aan de vruchtbaarheid van de koehoornmest. Hier lijkt het aardse in het landschap te overheersen. Extreem dorre steppegebieden met kwartshoudende zandgronden laten ons daarentegen denken aan de licht-warmtekwaliteiten van het koehoornkiezelpreparaat. Het kosmische lijkt hier sterker te stralen. In Zuid-Afrika zijn zulke steppen in de kleine en grote Karroo. Sneeuwwitte kwartsaders komen in de woestijn te voorschijn en breken uit elkaar in grote en kleine brokken. Het zijn kwartsvelden, die in het landschap al van verre zichtbaar worden. Hier zijn talloze middagbloemgewassen die bij deze overvloed van licht en warmte behoren. Als antwoord op het licht scheppen zij exotisch stralende bloemen. Omdat het heel zelden regent ontbreekt het water in de omgeving. De middagbloemen vergaren het water in hun saprijke weefsel; zij creëren hun eigen vochtig omhulsel in hun verschijning. De vruchtbaarheid van de grond aldaar kan alleen maar in verbinding met het water worden gemobiliseerd, zodat karigheid het landschapsbeeld bepaalt. De altijd heldere lucht, de overvloed van licht en intense warmte laten zien, wat de koehoornkiezel aan de plant moet geven. Op die manier staat met de licht-warmteverhoudingen in het bijzonder de keus van een geschikte plaats voor het verbouwen van geneesplanten in verband. Veel geneesplanten hebben een warme, lichte standplaats nodig. Ezelsdistel, st.-janskruid, wijnruit of muurpeper behoeven tijdens hun bloei licht en warmte. Niet in de eerste plaats door bemesting, maar door een toegift van zand is het mogelijk, de kwaliteit van kwarts aan de bodem toe te voegen. Dan kan het water, dat de andere pool vertegenwoordigt, beter afvloeien en de warmte dringt sterker de grond binnen. Omdat aarde en water de levenspool vertegenwoordigen, wordt nu ook de warmte in de grond actiever. Na deze eenvoudige verbetering van de grond hoeven de rijkelijk bloeiende kussens muurpeper alleen nog maar uit het zand te worden getrokken. De verbinding met de aarde is losjes, maar bij het verwerken van de geoogste planten verraadt een bijtende scherpe geur het vurige karakter van deze saprijke geneesplant. En dat vuur kan in de genezende werking op de mens worden overgebracht.

Dat dus door besproeien met hoornkiezelpreparaat bij het kweken van muurpeper de medicinale werking ervan verhoogd wordt, blijkt uit het boven beschreven schema van de beide landbouwpreparaten. Voor de vervaardiging van hoornkiezel wordt kwarts tot meel of zoutkorrelgrootte verpulverd. Een pap hiervan wordt in een koehoorn gegoten en deze laat men gedurende de zomer op een lichte, zonnige plek van het voorjaar tot de herfst staan.
Bij de toepassing ervan moet men de substantie ook weer een uur lang in lauw water stevig roeren. Het kiezelpreparaat wordt dan heel fijn verdund uitgesproeid om vooral het blad van de groene planten te kunnen bereiken.
Beide preparaten in een zinrijke combinatie kunnen aan onze cultuurplanten datgene geven, wat hun eventueel door eenzijdige verbouwingsmethoden ontbreekt. Dat zijn de fasen van het verbouwen van biologisch-dynamische geneesplanten, als de basis ervan een gezonde compostering is.

Wat ik zelf nog zou willen weten is hoe men aan koraal komt, nu dat in deze tijd ook te lijden heeft van allerlei, meest door de mens gecreëerde negatieve groei-omstandigheden.

[1] De enige aanwijzing van Steiner voor het tuinbouwonderwijs heb ik gevonden in GA 300C, waar het vooral gaat over mest, waarbij paardenmest wordt afgeraden:

Es werden Fragen vorgebracht, die den Schulgarten betreffen, und wie man ihn für den botanischen Unterricht benutzen kann.

Er worden vragen gesteld over de schooltuin en hoe je die kan gebruiken bij het tuinbouwonderwijs.

Dr. Steiner: Rinderdung! Pferdedung ist nicht gut. Man muß das rationell durchführen, so gut man es finanziell kann. Zum Schluß ist es so für ein begrenzbares Gebiet, daß der ganze Zusammenklang nicht herauskommt, wenn nicht eine bestimmte Anzahl von Rind­vieh da ist auf der Bodenfläche und eine bestimmte Pflanzenmenge. Dieses Rindvieh gibt dann den Dung, und wenn mehr Pflanzen da sind, als das Rindvieh Dung gibt, so sind es ungesunde Verhält­nisse. Man kann nicht ein Spätprodukt wie Torf verwenden. Das ist unge­sund. Mit Torf kann man nicht vermehren. Es kommt darauf an, wozu Sie die Pflanzen verwenden. Bei Pflanzen zum Anschauen wird die Sache nicht stark in Betracht kommen.

Dr. Steiner: Koemest! Paardenmest is niet goed. Je moet er rationeel mee omgaan, afhankelijk van je financiën. Uiteindelijk gaat het om een begrensd gebied, waarbij de harmonie niet bereikt wordt wanneer er niet een bepaald aantal koeien is voor die oppervlakte en een bepaalde hoeveelheid planten. De koeien geven dan de mens en wanneer er meer planten zijn dan het rundvee aan mest geeft, is dat een ongezonde verhouding. 
Turf, als jongste voortbrengsel, kan je niet gebruiken. Dat is ongezond. Met turf kan je niet vermeerderen. Het gaat erom waarvoor je de planten nodig hebt. Voor sierbloemen is dat niet zo belangrijk.

Wenn Sie mit Torf Nah­rungspflanzen vermehren, so ist das nur scheinbar. Sie vermehren doch nicht den Nährwert dadurch. Versuchen Sie darauf zu kom­men, wie Sie den Nährwert beeinträchtigen, wenn Sie Stecklinge in Torf ziehen.
Man muß durch Beimischung von soviel Humuserde den Boden bearbeitbar zu machen suchen. Da ist es noch besser, wenn Sie Maier­schen Dünger verwenden, von Alfred Maier, Hornabfälle. Da wird die Erde schon etwas weicher. Er verwendet die Hornabfälle. Das ist wirklich homöopathischer Dünger für den botanischen Garten, fet­tiger Boden. Im Schulgarten kann man die Pflanzen so nach Ordnun­gen und Arten pflanzen, wie man sie durchnehmen will. – Die Systematik der Pflanzen in zwölf Klassen, das kann ich einmal geben.

Wanneer je voedingsplanten wil kweken  met turf, is dat maar schijn. Je verhoogt de voedingswaarde daardoor niet. Probeer te ontdekken hoe je de voedingswaarde van planten wil beïnvloeden, wanneer je stekjes in turf kweekt. Dan moet je door bijmenging van zoveel humusaarde de bodem bewerkbaar proberen te maken. Dan is het nog beter wanneer je de mest van Maier gebruikt, van Alfred Maier, hoornafval. Dan wordt de aarde wat losser. Hij gebruikt hoornafval. Dat is echt homeopathische mest voor de botanische tuin, vettige bodem. In de schooltuin kan je de planten naar orde en soort planten, hoe je ze zou willen behandelen. De systematiek van de planten in 12 klassen kan ik nog wel een keer geven.
GA 300C/130
Niet vertaald

.

7e klas: voedingsleer: alle artikelen

7e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2667

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Advent (3)

.

HET OERGESTEENTE

Een verhaal verteld op de eerste adventsochtend

Een boer ging in het voorjaar naar zijn akker om de stenen uit de grond te halen die de vorst in de winter omhoog gebracht had. Zijn zoontje mocht deze keer mee gaan om te helpen. Beiden moesten flink werken. “Hoe komen die stenen toch in onze mooie aarde’, vroeg het kind.

“Alle aarde ontstaat uit de steen”, antwoordde de vader bedachtzaam. “Van welke steen, vader?” vroeg het kind weer. “Onze vruchtbare aarde op de akker is afkomstig van een bijzondere steen”, zei de boer “en ik zal je die steen eens laten zien als we een keer in de bergen gaan rondtrekken.
De winter was de tijd dat het kind mocht logeren bij familie. Zijn oom was een vakkundige brillenmaker en opticien. Hij had in zijn werkplaats grote kwartskristallen staan, waarvan hij bij het maken van de lenzen gebruik maakte. In deze tijd moest hij juist een verrekijker repareren en het kind keek toe, hoe hij een nieuwe lens van kwarts aan het slij­pen was.
Soms mocht het kind door de lenzen kijken. Dan werden alle voorwerpen groter, of zag je bonte randjes.
Waar heeft u deze heldere steen vandaan?”, vroeg het kind, en het keek steeds weer met vreugde door de bergkristal. “Deze steen kun je in het gebergte vinden,” antwoordde zijn oom. “Een heel bijzondere steen en het gebergte laat deze kristal ontstaan en als je later groot bent, zul je die steen vinden.”
’s Middags kwam de smid in het huis van de oom want de kachel brandde niet goed, er kwam onvoldoende warmte van af. De smid moest hem maar eens nakijken.

Nu bekeek het kind de kachel heel precies. Vooral vielen de kleine raampjes in het kacheldeurtje hem op. Je kon er zo door­heen kijken zodat je de rode gloed van het vuur kon zien.
“Is dit glas?”, vroeg de boerenzoon. “O nee, glas zou bij zo’n hitte al lang gesprongen zijn,” zei de smid. “Die plaatjes zijn van glimmer, doorzichtig en het kan tegen elke hitte.” “Ja,” zei de vrouw van de opticien, “soms noemen de mensen de glimmer ook wel Mariaglas of mica, omdat het zo rood en goud­achtig oplicht net zoals je moeder Maria ziet als je met aan­dacht bid.”
“Kijk, hoe het schittert,” riep het kind, “zeg me nog waar ik de glimmer kan vinden!”
Hierop kon de vrouw geen antwoord geven, maar de smid wel.
“Glimmer ontstaat uit een heel bijzondere steen, die je hier in het gebergte kunt vinden.”
Toen de zoon weer thuis was, ging hij, net zoals vroeger, naar het laatste huisje van het dorp, waar de pottenbakker woonde. Want graag ging hij daar kijken wat er in de handen van de pottenbakker ontstond. Schalen en potten, het was mooi om te zien. Het kind wist, dat hij de klei altijd in grote ketels achter het huis bewaarde. Maar op deze dag, was de klei helemaal op. Samen gingen ze met een kar naar de groeve om klei te halen. Toen ze daar zo bezig waren de klei in de kar te leggen, vroeg het kind: “Hoe komt toch de klei hier in de groeve?” ‘Die klei,” zei de pottenbakker op een haast plechtige toon, “ontstaat uit een heel bijzondere steen, die je hier dichtbij in het gebergte kunt vinden. Het water lost de klei in de steen op en brengt het hier naartoe.
“Ach,” zei de jongen, “mijn vader en de opticien en U spreken allemaal over een bijzondere steen. Jullie weten de steen te vinden. Kunt U het mij niet eens laten zien?”
“Dan zou ik met je de bergen in moeten trekken, “zei de pottenbakker, “maar als we thuis komen, zal ik je een groot brok van dat gesteente laten zien, want er ligt er een in mijn tuin.”
Toen ze beiden thuis kwamen, gingen ze direct naar de tuin om naar de steen van graniet te kijken. Ze keken heel goed en de pottenbakker liet het kind de drie verschillende steensoorten zien. Toen wilde de jongen meteen weer vragen stellen, maar de man zei: “Dit is een heel bijzondere steen, waar wij allen over spreken. Het helpt de mens bij vele werkzaamheden. Ik kan je over deze steen een verhaal vertellen. Wil je het horen?”
Het kind kon niet langer wachten en liet merken dat het verhaal maar snel verteld moest worden.

De Schepper van de aarde wilde het gesteente vormen waarop de mens zijn levensweg zou kunnen gaan.
“Breng mij het geschenk dat U meegebracht heeft,” sprak hij tot zijn helpers, zodat we daarop de grond van de aarde kunnen leggen.”
De Schepper van de aarde had drie groepen van helpers.
De oudste onder de engelen, de wijsheid, deed een stap voorwaarts en gaf de vader van de wereld een heldere steen.
“U heeft ons de wijsheid gegeven”, zei hij, ‘en de helderheid van het denken. Dit is de steen van het licht. Er is geen andere steen die zulke heldere kristallen vormen kan dan  deze.”
Hierna kwam de engel om wie de geesten van de kracht zich verzamelden, tot de Schepper.
In zijn rechterhand had hij een zwarte, glanzende steen, in zijn linker een witte, stralende steen.
“Dit is het gesteente van de kracht,” sprak deze. “Het kan de mens kracht geven op zijn weg door het leven.”
Ten slotte kwam een engel uit de kring der warmtegeesten naar voren. Deze had in zijn rechterhand een rode steen en in de linker een groene. “Dit gesteente is doortrokken met onze warmte,” sprak hij. “Het kan er steeds anders uitzien en zal aan de mens nog veel diensten verlenen.”
De schepper sprak zijn dank uit en nam voor het gesteente waarop de voet van de mens zou gaan, alle drie de gaven, aan. Want alle krachten der wereld moeten erin aanwezig zijn.

Dit gesteente is het oergesteente geworden.
Dit was het grote ogenblik toen de Schepper van de aarde de kracht, de warmte en het licht verenigde, uit de drie gaven van de engelen, tot het oergesteente.
Het is het mooie graniet, het oudste gesteente van de aarde, waaruit vele andere gesteenten zijn ontstaan.
Je kunt in de bergen of in de diepten van de aarde het graniet vinden in verschillende uitingsvormen.
Maar steeds zie je deze drie bestanddelen.
Het kwarts glanst zacht, alsof het licht naar binnen straalt. De glimmer schittert en straalt meer naar buiten. Je ziet witte en zwarte glimmer. De veldspaat kan rood zijn als het bloed of zo groen als gras. Met behulp van water ontstaan uit de veldspaat de vruchtbare akkers en de klei.”
“Nu weet ik wat het oergesteente is”, riep het kind uit. De kwarts heb ik in de stad gezien. Er worden lenzen van gemaakt waarmee je ver kunt kijken. Glimmer heb ik gezien als mica in de kachel. Uit de veldspaat ontstaat de aarde op de akkers van mijn vader en klei om potten van te maken.
Graniet is een heel bijzonder gesteente!”

Om het vruchtbare dal waarin het kind leefde, lagen de hoge bergen van oergesteente. Toen dat kind groter werd, mocht het met zijn vader mee de bergen in. Ze beklommen een berg en op de top ervan rustten ze uit en keken over andere bergen heen. Ze beleefden de wijdheid, de schoonheid en de kracht van de aarde, de majesteit der Schepping.
.

Theo ten Bruin, vertaling uit: Von Pflanzen und Tieren, Steinen und Sternen, Elisabeth Klein, nadere gegevens onbekend

.

Adventalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: advent spiralen e.d.    jaartafel

.

308-288

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.