Tagarchief: dierenriem

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-3)

.

MAAN, ZON EN DIERENRIEM

‘Siehst du den Mond dort stehen?
Er ist nur halb zu sehen
Und ist doch rund und schön.
So sind gar manche Sachen
Die wir getrost belachen,
Weil uns’re Augen sie nicht sehen.

Een poging tot vertaling:

Zie je de maan daar staan?
’t Is maar een halve maan
Die was toch rond voordien.
Zo zijn er vele zaken
Die wij belachelijk maken
Omdat onze ogen ze niet zien. ’

3e couplet van een gedicht van Matthias Claudius

Vijfenveertig jaar geleden liep ik met iemand, op weg naar een lezing die hij moest houden, door Amsterdam. We zagen de volle maan boven de huizen staan. Hij zei: ‘De maan staat in de Leeuw.’ Ik was zo geïmponeerd, dat ik niets zei, want ik wist toen niets over maan en sterren. Ik had geleerd, dat de maan ‘schijngestalten’ heeft en dat maan en planeten een baan langs de dierenriem beschrijven. Ook, dat we dit de zon zien doen, gedurende een heel jaar. En dat die dierenriem uit twaalf sterrenbeelden bestaat, in elk waarvan de zon ongeveer een maand lang ‘staat’, afhankelijk van de grootte van het sterrenbeeld.

Maar hoe beleefden de mensen vroeger deze verschijnselen aan de hemel en hoe doen wij dat nu?

In de zestiende eeuw kende men deze gang van de zon langs de dierenriem zeer goed. Getuige daarvan zijn onder andere de zogenaamde ‘getijdenboeken’, al of niet met een kalender, waarop men zijn aantekeningen kon maken. Twaalf miniaturen beeldden de meest voorkomende werkzaamheden uit, die in de opeenvolgende maanden aan de orde waren: snoeien van vruchtbomen en wijnstokken, sprokkelen, ploegen, zaaien, hooien, maaien van koren, oogsten van wijndruiven, hoeden van zwijnen in eikenbossen, ter jacht rijden.

Sommige miniaturen toonden de behaaglijkheid binnenshuis in januari, het genot van een wandeling met zijn tweeën in het voorjaar, of een rit te paard (ook met zijn tweeën en op één paard!) in de wonderschone meimaand.

sterrenkunde-7

Uit: ‘Les très riches heures du Duc de Berry’

Boven de schildering van elk tafreel is uitgebeeld, in welk dierenriemteken de zon in die maand staat.

Er is zo’n getijdenboekje bewaard gebleven, getiteld: ‘Meister des Dresdener Gebetsbuch’, dat vervaardigd is door Friedrich Winklers, tussen 1470 en 1500 in Brugge. Ook is bewaard gebleven ‘Les très riches heures du Duc de Berry‘ (die leefde van 1340 – 1416) Daar hoort een geïllustreerde kalender bij, geschilderd door de gebroeders Van Limburg. Men ziet daar, boven elke schildering van de maand, de zonnewagen langs de hemelboog trekken met de dierenriemafbeeldingen. Gedeeltelijk zijn deze miniaturen als prentbriefkaarten in de handel.

sterrenkunde-8

Uit: ‘Les très riches heures du Duc de Berry’

De namen van de dierenriemtekens stammen uit een veel oudere tijd, uit een mythologisch tijdperk, dat aan het historische vooraf ging. In die tijd hadden de mensen het verstandelijk denken nog niet zo ontwikkeld als tegenwoordig. Zij beschikten over een soort beeld-bewustzijn. Zij namen gestalten van goden en andere wezens waar, die scheppend werkzaam waren in de natuur.
Elisabeth Mulder beschreef in het boekje ‘Zon, Aarde en Mens’, hoe we ons een voorstelling kunnen maken van de bewustzijnstoestand van bijvoorbeeld de oud-Perzische cultuur, zoals die blijkt uit documenten als de ‘Zendhvesta’.

De oud-Perzische mensheid aanbad een goddelijk lichtwezen: ‘Ormudz (of Ahura Mazdao) dat als tegenspeler de god van de duisternis had: Angromanyu (of Ahriman). Een citaat uit genoemd boekje:

‘Ahriman maakt het moeilijk voor de mens, het volle licht van Ormudz te verdragen en trekt als een gordijn het blauw van de hemel voor het licht van Ormudz. Maar de twaalf Amshaspands maken na elkaar twaalf openingen in dat blauw en zo kan de mens toch het volle licht van Ormudz deelachtig worden…’

‘De twaalf sterrebeelden werden beleefd als machtige engelwezens, die ieder een deel van de lichtkosmos openbaarden. Ahura Mazdao (betekent grote aura of grote wijsheid) was de gehele kosmos, door hemzelf geschapen en zijn kleed werd gevormd door lichtwezens, die tevens zijn eigen schepping waren’.

De vroegere mensheid nam aan de hemel die lichtwezens waar, verschillend van kwaliteit en karakter. De machtige invloed, die van hen uitging, herkende men op aarde in bepaalde dieren, maar dan afgezwakt zoals bijvoorbeeld in leeuw, ram en stier.

Een dergelijk waarnemingsvermogen is totaal verloren gegaan in ruil voor ons individuele verstand. Om de oude mythologische wijsheid te benaderen zou een ontwikkeling van een nieuw beeldbewustzijn nodig zijn.

Drs.F.H. Julius wijst een weg in deze richting in zijn boek: ‘De Beeldentaal van de dierenriem’. Hij beschrijft onder andere het voorkomen van die bepaalde dieren in de natuur, die ‘model staan’ voor het dierenriembeeld. Hij schildert de levensomstandigheden, het milieu, de gestalte, de levenswijze en speciale karakteristiek, en vele andere zaken. Het is een zeer waardevolle hulp om enig begrip te krijgen voor de scheppende machten van de kosmos.

Terwijl de zon een heel jaar nodig heeft om de baan langs de dierenriem te doorlopen voor onze waarneming, legt de maan die weg af in ruim 27 dagen, dit wordt de siderische maand genoemd. Als de maan dan op dezelfde plaats is aangekomen, is ondertussen de zon in een volgend sterrenbeeld te zien, want die staat ongeveer een maand in hetzelfde beeld om de zon in te halen, bijvoorbeeld van volle maan tot volle maan, duurt 2 dagen langer. De zogenaamde synodische maand duurt 29 1/2 dag.

Dat aarde, zon en maan met elkaar te maken hebben is genoegzaam bekend. De invloed van de maan op eb en vloed is daar een voorbeeld van. Van welke aard de maaninvloed op het plantenleven is, wordt op vele plaatsen onderzocht. Van biologisch-dynamische en antroposofische zijde zijn Dr.L. Kolisko en Maria Thun bekende onderzoeksters. Zij vermoedden, dat de kosmische invloed voornamelijk werkzaam was vóór en in het beginstadium van de ontwikkeling van de plant. Dus bij zaaien en planten, ja, zelfs bij grondbewerkingen vóór het zaaien!

Jarenlang is er op proefvelden dagelijks gezaaid en tenslotte vond Maria Thun, dat vier verschillende typen van plantenvormen bij eenzelfde plantensoort elkaar regelmatig afwisselden. Zij raadpleegde een sterrenkalender waarin onder andere de maanstand ten opzichte van de dierenriem was opgetekend.

Daar de maan in ruim 27 dagen langs 12 sterrenbeelden gaat – duurt de stand in één beeld soms 2, hoogstens 4 dagen, afhankelijk van de grootte van het dierenriembeeld. Nu viel te constateren, dat bij de overgang van de maan van het ene sterrenbeeld in het andere, de tijdens die periode gezaaide planten van type veranderden. Duidelijk onderscheidden zich 4 typen, waarbij telkens één speciaal element overheerste – ongeacht de plantensoort. Dit verschil uitte zich in:
a. een krachtige wortelontwikkeling
b. een goede ontwikkeling van stengel en blad
c. een overheersing van de bloei
d. een rijke vrucht- en zaadvorming

Voor Maria Thun begon er toen een klok te luiden: er bestaat een relatie tussen deze symptomen en de ‘elementenleer van de Grieken.’ Zij noemden de verschijningsvormen, waarin de aardse stoffen voor kunnen komen geen aggregatietoestanden: vast, vloeibaar, gasvormig. Zij noemden echter alles wat vast is: ‘aarde’, al het vloeibare: ‘water’, al het gasvormige: ‘licht’. Zij voegden daar nog een 4e toestand aan toe: de warmte, als overgang van de stoffelijke vorm naar de onstoffelijke.

Als bij de plant de wortelontwikkeling domineert wijst dit op een speciale
activiteit van de minerale en organische toestand van de grond, het ‘element aarde’.
Een goede blad- en stengelontwikkeling is het gevolg van de hoedanigheid van de sapstromen, het vervoer van de voedzame stoffen van de wortel naar de bovengrondse plantendelen en omgekeerd, door het element water.
Een rijke bloei wordt bevorderd door het toetreden van veel licht, door het element lucht.
En tenslotte komt een goede vrucht-en zaadvorming tot stand, als er voldoende warmte beschikbaar is.

De doordringing van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur brengen leven tot stand.

Als in de winter warmte en licht voor een deel verdwijnen, het water tot ijs wordt, de aarde verstart, is het uiterlijke leven ook verdwenen. Tot in het voorjaar weer licht en warmte de aarde toestromen, het water en de aarde op de juiste temperatuur brengen, zodat nieuw leven begint.

De klok luidt – maar waar hangt de klepel?

De vier ‘elementen’, aarde, water, lucht en warmte zijn dragers van een onzichtbare activiteit, van het leven Het leven verschijnt in een aardse gestalte en verlaat die na verloop van tijd weer. De aardse gestalte is tijdelijk, maar het ‘wezen’ is blijvend, nu eens zichtbaar, dan onzichtbaar. Het ‘wezen’ achter die gestalte is echter primair. De oorsprong van al het zichtbare is van geestelijke aard. Van geestelijke aard zijn ook de werkingen uit de kosmos, de zon is levenscheppend, de maan vooral groei bevorderend en de planeten veroorzaken onder andere de veelvuldigheid van verschijningsvormen.

Een oude overlevering deelt de 12 dierenriembeelden in 4 groepen van 3, die te maken hebben met warmte, lucht, water en aarde.

Zo heeft de leeuw een affiniteit tot warmte, de weegschaal tot lucht, de vissen tot water en de stier tot aarde. We kunnen met behulp van sterrenkalenders en sterrenkaarten door de jaren heen waarnemingen doen en ervaringen verzamelen. De gang van maan en zon aan de hemel volgen, dan is het niet zo onwaarschijnlijk, dat je bijvoorbeeld in augustus aanvoelt, hoe de kwaliteit van de leeuw samen met de zonnestralen de aarde bereikt, zodat onder andere granen en vruchten rijpen kunnen. Hoe de schorpioenzon in het najaar de natuur doet kwijnen en afsterven. Hoe in april en mei de ram- en stierzon het leven weer stuwkracht geeft.

Al deze dingen kunnen wij denkend benaderen en proberen ze te begrijpen. Met de praktische ervaringen op het gebied van land- en tuinbouw kunnen we werken. Ook een gevoelsmatige benadering is te verkrijgen, door zoveel mogelijk de sterrenhemel waar te nemen.

Waarom verheugen we ons iedere keer weer, als na nieuwe maan het smalle sikkeltje te zien is aan de westelijke avondhemel? Waarom volgen we
gefascineerd het wassen tot volle maan en vervult ons de steeds verder afnemende maan met een wat spijtig gevoel?

We horen al het luiden van de klok. Beseffen we dan, dat in de onzichtbare wereld de klepel hangt?

Mienke de Boer, Jonas 11, 26-01-1979

.

E.Mulder: ‘Zon, aarde en mens’

F.H.Julius ‘De beeldentaal van de dierenriem’

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

plantkunde: alle artikelen

1171

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (3-1)

 

DE DANSENDE DIERENRIEM

Sterrenbeelden zijn er vele, zowel grote als kleine. Een aantal daarvan zijn altijd zichtbaar vanuit onze positie op aarde, andere nooit of maar gedeeltelijk. Tot de laatste groep behoren de beelden van de dierenriem. Wanneer je een verbindingslijn langs die twaalf tekens legt, zie je dat die denkbeeldige cirkel zich op een bijzondere wijze door de hemel beweegt.

Dit ‘dansen’ van de dierenriem, en daarmee het verschijnen en verdwijnen uit ons blikveld, wordt zichtbaar in deze zelf te maken draaibare dierenriemkaart.

Een zestal jaren ervaring in het maken en gebruiken van deze kaart heeft de bruikbaarheid en de eenvoud laten zien. Eerst een stukje hemelachtergrond om de kaart te doorzien. Alle sterrren zijn opgenomen in de grootse beeldentaal van de sterrenbeelden. Daaronder bevinden zich bekende, zoals Grote Beer, Orion en Stier en wat minder bekende, zoals Giraffe, Jachthonden en Zuidervis. Als je alle sterrenbeelden van ‘onze’ hemel bekijkt (op 52 graden noorderbreedte) dan zijn er een paar hoofdgroepen te onderscheiden op grond van zichtbaarheid aan de nachthemel.

1. De groep altijd zichtbare beelden, in de astronomie circumpolair genoemd: Grote Beer, Kleine Beer, Cassiopeia, Draak, Cepheus.
Deze beelden zijn eeuwig boven de horizon en gaan dus nooit onder. Met andere woorden: het zijn de voor ons meest vertrouwde hemelwachters.

2. De groep gedeeltelijk zichtbare beelden. Deze gaan ieder etmaal onder en komen weer op. Kenmerkend is dus een ritmische afwisseling tussen zichtbaar en onzichtbaar, waarbij sommige beelden (Perseus, Zwaan, Lier) vooral op zijn en andere beelden (Grote Hond, Walvis, Haas) vooral onder.

3. De groep nooit zichtbare beelden, die dus niet boven onze horizon verschijnen. Dit zijn beelden die horen bij zuidelijker breedtegraden, zoals het zuidelijk halfrond: Zuiderkruis, Toekan, Passer etcetera. Ze verschijnen nooit on onze waarneming en het daaruit voortvloeiende bewustzijn.

Zoals bekend bewegen alle zichtbare beelden zich van oost naar west, in cirkelvormige banen en de zichtbaarheid wordt bepaald door boven besproken wetmatigheid en de positie van de zon. Orion is bijvoorbeeld in de zomernachten niet zichtbaar, wel in de winternachten. Alleen de circumpolaire sterrenbeelden weten zich aan de overstraling van de zon te onttrekken.

Binnen de groep partieel zichtbare beelden neemt de dierenriem een speciale plaats in. Deze twaalf beelden zijn van oudsher in een bijzonder daglicht gesteld, omdat we ze mogen beschouwen als het toneel waarop zon, maan en planeten hun bewegingsspel vertonen. Altijd staan de dwaalsterren in een beeld van de dierenriem, nooit daarbuiten: Venus in Perseus en Zon in de Zwaan zijn dan ook onmogelijkheden.

Hoewel de afzonderlijke dierenriembeelden voldoen aan de voor ieder sterrenbeeld geldende bewegingskarakteristieken, geldt dat niet voor de riem als geheel: de denkbeeldige verbindingslijn van alle twaalf beelden, de zogenaamde ecliptica, is een hemelcirkel met een eigenaardige beweging die het beste omschreven kan worden als ‘dansen’. Een combinatie van springen en schuiven. U zou het eens kunnen proberen, deze combinatie, om dan spoedig te ontdekken dat er niets anders dan dansen uit resulteert.

Deze ecliptica is het beste voor te stellen door met de hand aan onze nachthemel de achtereenvolgende beelden te verbinden: van Ram naar Stier naar Tweelingen enzovoorts. De gemiddelde lijn die ontstaat is tevens de verzameling van alle plekken aan de hemel waar ooit in de historie zon- en maansverduisteringen (zogenaamde eclipsen, vandaar de naam ecliptica) zijn opgetreden. Dat betekent dat de zon altijd op deze ecliptica staat en nooit daarbuiten, waarmee per definitie een gemiddelde zonnebaan is aangegeven.

Dierenriem in 4 seizoenen
Kijken we naar de winternachthemel, dan zien we van de dierenriem de Tweelingen hoog boven het zuiden, in het westen geflankeerd door Stier en in het oosten door Kreeft. In de zomernachten zien we laag boven het zuiden de Schutter, geflankeerd door Schorpioen (westwaarts) en Steenbok. Door vergelijkbare waarnemingen te doen in lente- en herfstnacht krijgen we hetvolgende overzicht:

winter 22 december (middernacht)

Kreeft-Tweelingen-Stier lente 21 maart (middernacht)

Weegschaal-Maagd-Leeuw zomer 21 juni (middernacht)

Steenbok-Schutter-Schorpioen

herfst 23 september (middernacht)

Ram-Vissen-Waterman Tussen Tweelingen en Schutter, die de hoogste en laagste positie aan de hemel innemen, bezitten Maagd en Vissen een gemiddelde plaats. Door de seizoenen heen zien we de dierenriem (en daarmee ook de ecliptica) op en neer bewegen ten opzichte van de horizon; een een soort springen.

Kijken we nu naar de punten van opkomst en ondergang aan de horizon, dan ontstaat een ander beeld. In de wintermiddennacht komt de Maagd op in het oosten en gaan Vissen onder het westen. In de zomernacht is dat precies omgekeerd. Daartussen verschuiven de plaatsen over de horizon: in de lente komt de schutter op in het zuidoosten en gaan de Tweelingen onder in het noordwesten. De ecliptica is westwaarts verschoven! In de herfst komen de Tweelingen op in het noordoosten en gaat de Schutter onder in het zuidwesten. Een verschuiving in oostelijke richting! Door de seizoenen heen betekent dat een voortdurend heen en weer schuiven over de horizon.

Deze twee bewegingen vatten we met behulp van de draaibare kaart in één beeld samen.

De kaart

Benodigdheden: wit foto- of etalagekarton 30 x 25 cm, plastic folie (zo dik mogelijk) 15 x 15 cm, 1 kleine splitpen, 12 kleine zelfklevende etiketjes, 2 beschermringetjes, passer, schaar, lineaal, potlood en balpen.

Eerst bewerken we het karton (figuur 1).

sterrenkunde-2

Bepaal daarvan het midden en trek met de passer zeven cirkels met de volgende stralen: 41, 43, 49, 62, 76, 87, en 92 mm. Dit moet nauwkeurig gebeuren, evenals de volgende handelingen, want daar hangt de bruikbaarheid van de kaart vanaf. Verdeel deze cirkels in 12 gelijke segmenten en 30º, zoals spaken in een wiel. Trek de lijnen alleen door in het gebied van de cirkels, niet tot het middelpunt. Trek met een passer de horizoncirkel,uitgaande van punt A. Nu zijn ook de punten oost en west bepaald.

De middelste van de 7 cirkels, waar oost en west op liggen, heeft een speciale betekenis en heet hemelequator en is door een aparte kleur aan te geven. Het gebied binnen de horizoncirkel kan ook het beste gekleurd worden en er kan een mensenfiguurtje verschijnen die de zuidhemel aan het waarnemen is. Dat bent u. Plak een beschermringetje aan weerszijden van het kartonmiddelpunt.Bepaal nu eerst het midden van het folie (figuur 2), trek een cirkel met straal van 67 mm en knip deze uit. Dit is een lastig werkje, omdat de passer niet ‘pakt’ op het folie. Daartoe kan de potloodpunt vervangen worden door een stalen passerpunt zodat de cirkel wordt ingekrast. Het uitknippen moet nauwkeurig gebeuren zodat de schijf echt rond wordt en geen platte kanten vertoont. Bepaal nu een punt 25 mm van het middelpunt verwijderd en steek daar de splitpen door (eerst voorwerken met een hete breinaald bijvoorbeeld). Steek de splitpen ook door het kartonmiddelpunt en draai het folie zo, dat de rand daarvan door oost en west gaat en zo hoog mogelijk boven de horizon uitsteekt.
Trek nu met een balpen (potlood, Rotring en dergelijke werken niet) op het folie de lijnen over die op het karton de spaken vormen. Doe dit vanaf de folierand tot aan de splitpen. Plak op deze lijnen vlak tegen de rand de etiketjes en teken daarop de symbolen van de dierenriembeelden.

De Maagd staat nu bij het oosten en de Vissen bij het westen. Na enig afwerken en verfraaien (het karton kan ook gekleurd zijn) is de de kaart klaar.

sterrenkunde-3

De werking laat zich al doende makkelijk doorzien, maar een paar aanwijzingen zijn wellicht nuttig. De rand van het folie vormt de ecliptica. Door het folie een maal geheel rond te draaien wordt zichtbaar hoe de springende beweging boven het zuiden ten opzichte van de horizon verloopt en hoe de ecliptica heen en weer schuift over de horizon rondom de punten oost en west. De wat wiebelende totaalbeweging die zo ontstaat heb ik met ‘dansen’ omschreven. U ziet nu ook de betekenis van de cirkels op het karton: ze geven de banen aan van de dierenriembeelden. De buitenste is de Tweelingenbaan, de binnenste de Schutterbaan en de middelste de baan van de Maagd en de Vissen. Ieder etmaal beschrijft een beeld deze baan in zijn geheel, zodat één ronddraaiing van het folie de dierenriemdans van een etmaal weergeeft. Het verschuiven over één segment van 30º graden komt overeen met twee uur, zodat met enig schatten de kaart een aardig overzicht geeft van de veranderingen, die de ecliptica in een etmaal ondergaat.

De standen van de vier seizoenen (en alle overgangen daartussen) laten zich makkelijk interpreteren. Bijvoorbeeld in de lentenacht, 21 maart om 24 uur: de Schorpioen komt op in het zuidoosten, de Tweelingen gaat onder in het noordwesten. Daartussen prijkt de Maagd boven het zuiden, geflankeerd door de heldere Leeuw (westwaarts) en de kleine en zwakke Weegschaal (oostwaarts). De totale ecliptica helt naar het westen over en doet ten opzichte van de overige sterren scheef aan.

In de zomermiddernacht bijvoorbeeld loopt de ecliptica van oost naar west, maar bereikt een geringe hoogte boven de horizon bij de Schutter. De kaart kan ook gebruikt worden als zonnekaart, maar dan spreken we over de daghemel. De Tweelingenbaan is dan de baan van de zon op 21 juni, de Maagdbaan op 23 september, de Schutterbaan op 22 december de Vissenbaan op 21 maart, als de zon het lentepunt bereikt. Al spelende en kijkende zult u ongetwijfeld nog meer ontdekken.

Willem Beekman, Jonas 5, 26-10-1984

.

H.Keller-van Asten: Sterne schauen dich an

.

 

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

 

Willem Beekman:  Bij heldere hemel        meer

1169

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde

.

ASTRONOMIE EN ASTROLOGIE

De kloof tussen beeld en teken

Tot voor twee duizend jaar was er eenheid tussen astronomie en astrologie in het denken van de waarnemers van die tijd. Daarna is er een controverse ontstaan die steeds groter is geworden.
Willem Beekman beschrijft de kern van deze splitsing via het astrologische begrip beeld en het astronomische begrip teken.

In de Volkskrant van 7 januari ’84 verscheen een artikel met als titel ‘Waarom krijgt de evolutie elke 26 miljoen jaar de hik?’. Daarin werd beschreven, dat in de aardlagen door fossielen een exact uitsterfritme getoond wordt van 26 miljoen jaar. Geologen en biologen kunnen niet anders dan de verklaring daarvoor in de kosmische ruimte zoeken: uitbarstingen van de zon, asteroïdeninslag, invloeden vanuit het melkwegstelsel of nog onbekende krachten.

Mij troffen hierin twee aspecten, ten eerste de recente vanzelfsprekendheid waarmee aardse fenomenen vanuit de kosmos verklaard worden en ten tweede de naief-mechanistische verklaringswijze. Het is verheugend dat er ook in de moderne natuurwetenschap ruimte wordt gemaakt voor kosmische invloeden. Tot enkele tientallen jaren geleden was dat gevaarlijk taboe-gebied, waarin je als wetenschapper risico’s liep bespot te worden, maar sinds de opkomst van de exobiologie (jaren zestig), wordt daar anders over gedacht. De Helio-biologie met de Russische grondlegger Tsitsjevski voorop, voegt zich daarbij, met uitspraken die er niet om liegen: het grootste deel van hart- en vaatziekten zou verklaard kunnen worden uit de relatie tussen ons lichaam en de zon! Tijdens eens per elf jaar optredende maximum zonnevlekkenactiviteit worden in Rusland speciale ziekenzalen ingericht om de groeiende stroom van onder andere hartinfarcten te kunnen opvangen. Een staaltje van doortastende medische vooruitziendheid. Ook opkomende jonge wetenschappen als de biometeorologie en ritmologie maken ruimte voor het onderzoek naar relatie: aards leven en kosmisch ritme, want één ding is heel duidelijk geworden: het ritme-aspect staat centraal.

Aan de andere kant krijg je te maken met de al genoemde mechanistische verklaringswijzen. Langstrekkende planeten, dubbele zonnen, deeltjesstraling, inslagen van kometen in de aarde, planetoïden, die rakelings de aarde passeren, botsingen, ontploffingen, kortom een compleet oorlogsgeweld wordt met het gemak van een ordinaire sciencefictionfilm ingevlochten in een poging de vaak verrassende verschijnselen te reduceren tot herkenbare mechanica, zodat jongens en meisjes met een ontwakend technisch bewustzijn het gemakkelijk begrijpen, het gretig opnemen en met fantasie verder ontwikkelen. Een aantal computerspelletjes en bioscoopfilms wijst met nadruk in de hier geschetste richting. Deze aardse-technische projectie in de hemelruimte is al veel eerder zichtbaar geworden. Tijdens de industriële revolutie, werd duidelijk, dat steenkool een soort goud was, energiebron nummer één. Interessant is de toen nog onbekende relatie tussen de zon en steenkool: het zonlicht en de zonnewarmte verdichten zich langs eeuwenlange weg tot steeds hardere plantenmassa (hout) en in de aarde tot steenkool, die als metamorfose van de zonnewerking op aarde beschouwd mag worden. Bedoeld is hier het assimilatie-proces van groene planten, waarbij uit zonlicht, warmte, lucht en water eerst suikers dan zetmeel en ten slotte hout gevormd worden.

Toen het denken zich richtte op de aard (!) van de zon, kon het antwoord dan ook niet uitblijven: de zon is een gigantische miljoenen tonnen zware steenkoolbol, waarvan de verbranding de ons geschonken energie oplevert. Berekeningen leerden, dat de zon nog globaal duizend jaar te branden had, een waarlijk korte tijd. Deze steenkooltheorie is, wellicht mede daardoor, toen verlaten. Maar hetzelfde gebeurt nu in onze eeuw.

Nadat Niels Bohr, Deens fysicus aan het begin van deze eeuw, en anderen de grootste energiebron in atoomkernen ontdekten, werd de zon spoedig tot beheerste kernbom gepromoveerd. Nu is dat enigszins gewijzigd in een kernreactor, waarin kernfusie en -splitsing naast elkaar een onuitputtelijke hoeveelheid energie over geruststellend lange tijd blijven geven. Wie weet welke verklaring er voor de zon wordt ver-zon-nen in de volgende eeuw, wanneer nog andere energiebronnen zijn ontdekt.

Deze causaal mechanistische verklaringswijzen hebben twee belangrijke voordelen, althans, dat wordt gesuggereerd. Enerzijds wordt alles vanuit aardse omstandigheden verklaard en hoeft er geen ruimte gemaakt te worden voor het bovennatuurlijke (zo staat het in bovengenoemd artikel), anderzijds kan als geruststelling het toevalselement geïntroduceerd worden, want aan al dat buitenaards gedoe is geen touw aan vast te knopen.

De impasse waarin de astronomie mijns inziens verkeert is ook van toepassing op het andere gebied van sterrenkundig onderzoek, de astrologie. Daar heerst een polair soort denken, waarin het receptmatige opvalt. Wanneer je onder het teken boogschutter geboren bent, dan heb je ‘dus’ bepaalde eigenschappen. Planeetconstellaties voegen daar dan zeer specifieke kwaliteiten aan toe, zodat een horoscoop ontstaat. Met alle waardering voor de echte, serieuze en bekwame astroloog-horoscopist (een waardering die ik ook heb voor de dienovereenkomstige astronoom), merk ik toch een receptuur-denken, waarin ‘het werk’ ver overheerst boven het ‘hoe werkt het?’ en ‘wat is de achtergrond van de werkingen?’ Een soort verklaringsonmacht is het misschien eerder dan onwil. Tegenover elkaar staan nu de technische, causaal-analytische verklaringsdrang, met toeval en aardse projectie aan de ene kant, en de uitblijvende verklaringstendens, met ‘het is zo’-karakter en hemelse projectie in aardse omstandigheden aan de andere kant.

De controverse tussen het astronomisch en astrologisch denken is in de laatste duizenden jaren steeds groter geworden en dat zal nog doorgaan. De kern daarvan kom je op het spoor via het begrippenpaar beeld en teken: beide gebruikt voor het indelen van de dierenriem (de zodiak). Wanneer we de twaalf beelden van de zodiak aan de hemel bekijken, ontdekken we aanzienlijke grootteverschillen. De maagd bijvoorbeeld beslaat een hemelstuk van ongeveer 45°, de weegschaal daarentegen nog geen 20°. Dientengevolge zal de zon in haar tocht dóór de dierenriem langer in de maagd staan (6 weken) dan in de weegschaal (2,5 week). Zo heeft ieder beeld een eigen grootte en bepaalt zodoende de verblijftijd van zon, maan en planeten. De groottebepaling van de beelden geschiedt aan de hand van de ecliptica, een gemiddelde verbindingslijn van de beelden en tevens de gemiddelde zonnebaan door het jaar heen: een hemelcirkel van 360°. Dit is het astronomische begrip beeld.

Daarnaast bestaat het astrologische begrip teken: een indeling van de ecliptica in 12 gelijke stukken van 30°, die samen de cirkel sluiten en die dezelfde namen dragen als de dierenriembeelden. Ieder teken krijgt daardoor evenveel be-teken-is onafhankelijk van zijn grootte: er is in dit opzicht geen verschil tussen de maagd en de weegschaal. Deze tekens staan los van de gang van de zon door de dierenriem, maar zijn bepaald op vaste tijdstippen in het jaar, zodat je op 5 februari geboren wordt onder het teken waterman, terwijl astronomisch het beeld steenbok is, omdat de zon daar dan in staat.

Het verschil tussen beeld en teken was rond het begin van de jaartelling niet zo duidelijk aanwezig. Toen vielen de beelden nagenoeg samen met de 30°-segmantatie van de ecliptica. In de afgelopen 2000 jaar is er een verschuiving opgetreden van het lentepunt over ongeveer één beeld aan de hemel. Het lentepunt is de plaats op de ecliptica waar de zon staat op 21 maart, het
lentebegin. Door een kleine pendelbeweging van de aardas verandert onze positie ten opzichte van de sterrenhemel (dus ook de dierenriem) gestaag, maar in een mensenleven is dit nauwelijks merkbaar: het lentepunt verschuift l° per 72 jaar.
Toch wist de Griekse astronoom Hipporchos (circa 150 v.C.) hier al van, ondanks de beperkte instrumentaria van die tijd. Over enkele honderden jaren zal dit lentepunt in het beeld waterman zijn aangekomen, een paar duizend jaar geleden stond het in de ram. Tegenwoordig is het verschil tussen beeld en teken over de ecliptica gerekend, opgelopen tot één beeldbreedte.

Wanneer we kijken naar de sterrenwijsheid van 2000 jaar geleden (en ook daarvoor) dan valt de eenheid op tussen astronomie en astrologie in het denken van de waarnemers van die tijd. Er was eigenlijk geen verschil. Sterrenkundige fenomenen spraken een directe beeldentaal, voor het toenmalige schouwende bewustzijn, waarin verleden, heden en toekomst gelezen konden worden. De sterren-magiërs (zoals de beroemde drie koningen) waren priester-koning-astronoom-astroloog, dat wil zeggen ze berekenden overstromingen, oogsten, kalenders en allerlei praktische maatregelen aan de hand van al dan niet instrumentale waarnemingen, maar stelden ook horoscopen op en toekomstvoorspellingen op grond van bijzondere innerlijke vermogens, waar we nu nog maar weinig in onszelf van herkennen Interessant is dan de scheiding die beide richtingen treft, parallel aan de verschuiving die de hemel toont. Astronomen bestaan naast astrologen, de kloof groeit met het onbegrip tot op de huidige tijd waarin de scheiding compleet is geworden: het beeld en het teken liggen vanaf nu helemaal naast elkaar. Natuurlijk treden er in de historie mensen op die beide benaderingen nog in zich verenigen zoals Tycho Brahé en Johannes Kepler (rond 1600), maar het wordt moeilijker.

De bewustzijnsverandering van de mens kan worden opgevat als een afspiegeling van de kosmische verandering/verschuiving van het lentepunt. Let wel: afspiegeling, niet oorzaak. Want het causaliteitsbegrip lijkt me ontoereikend om dergelijke fenomenen te benaderen: er is sprake van parallelliteit,
beeldovereenkomst.

Toch moet het zin hebben gehad om 2000 jaar geleden de ecliptica te fixeren. Astrologische uitspraken worden daar nog steeds (mede) op gebaseerd. De hemelsituatie van toen staat namelijk in het licht van het Christusleven. Datgene wat zich toen anspeelde is voor de mensheid als geheel, maar ook voor de individuele mens en zijn levenslot van de meest centrale betekenis. Mensheid en kosmos hielden hun adem in, toen Christus (als hemelgezant) in de aardse omstandigheden verscheen. Alles richtte zich op die ene mens als in een brandpunt. Christus, ook de heer van het lot genoemd, gaf dé vernieuwingsimpuls voor de mens.
Zo begrijp ik de astrologische teken-benadering als een reflectie, een herinnering aan die oergebeurtenis, waardoor het mensenlot zijn signatuur krijgt (horoscoop).
Wat ontvangt dan zijn signatuur uit het astronomisch beeld-begrip? Met andere woorden waar werken zon, maan en planeten in de aardse omstandigheden? Het antwoord hierop vinden we overvloedig geïllustreerd in de moderne literatuur over ritmologie, biometerologie en in de resultaten van de biologisch-dynamische landbouw (onderzoekingen van Maria Thun, neergelegd in de zaaikalender): het werkingsgebied, het schouwtoneel voor kosmische invloeden is in de levende natuur te vinden. Daarin werken de ritmes van de maan, de bewegingsdynamiek van de planeten en de tocht van de zon door de dierenriem. Vergelijken we beide wegen, dan leidt dat tot een opvallend resultaat:

astronomie astrologie

De hierin zichtbare kloof tussen mens en natuur heeft een kosmische achtergrond. De mens vervreemdt steeds meer van de levensprocessen om hem heen, de ingrepen in en de bedreigingen van de natuur nemen explosief toe en we staan voor de vraag: hoe verder? Is de kloof te overbruggen.
Om deze vraag enigszins te benaderen, wenden we onze blik naar de inzichten van de grote fenomenoloog Goethe. (Een uitstekende beschrijving van de betekenis van Goethes denkwijze voor de astronomie en een uiting daarvan is te vinden in: Planetensphären, Planetenkörper, John Meeks, Dornach 1979.)
In ‘Wilhelm Meisters Wanderjahre’ ontmoet Wilhelm twee mensen die hem twee aspecten van de wereld laten zien. De ene is een astronoom, die hem door een telescoop de planeet Jupiter laat zien, met manen die voor het blote oog onzichtbaar zijn. Hij raakt daardoor vreselijk in verwarring omdat zijn beleving van de sterrenwereld op grond van de directe hemelaanschouwing niet strookt met de telescoopwaarneming. Er is een onoverbrugbare kloof.
Ik herken dat gevoel sterk: wanneer je aan de avondhemel van nu, Jupiter ziet staan in het grote verband van de planeten eromheen (Venus, Satumus, Mars) ontstaat een stemming van eerbied en wijsheid; Jupiter als het wijsheidsgesternte, die in zijn bewegingspatroon een eigen kosmische taal spreekt. De kleur, de grootte, de beweging, de relatie met andere sterren en planeten vallen allemaal weg wanneer je je blikveld in een telescoop vernauwt tot de directe omgeving van een planeetschijfje met roodbruine banden op het oppervlak en een paar manen eromheen. Geweldig ontluisterend! Maar toch fascinerend om de hemelruimte in te kunnen duiken en de geheimzinnige wereld ‘achter de lichtpunten’ tot openbaring te brengen. Goethe laat Wilhelm Meister dan uiteenzetten hoe moeilijk het is om je innerlijk oordeelsvermogen in evenwicht te houden met het vertekende telescoopbeeld. Je hebt een hoge innerlijke cultuur nodig, slechts aan weinigen vergund, om je waarheidsgevoel overeind te houden tegenover het opgeblazen zintuiggeweld. Sterrenkijkers en alle moderne apparatuur doen een appèl aan de mens om deze innerlijk hoge cultuur te ontwikkelen en zich niet te laten vangen door de verleidingen die de technische benadering in zich draagt.

De andere ontmoeting heeft Wilhelm met een sprookjesachtige vrouw Makaria, die een intuïtieve verbinding met de sterrenwereld heeft. Zij heeft een relatie met de Venusplaneet en weet dat er achter de fenomenen een diepere waarheid ligt, waarin het bewegingsspel van planeten op kunstzinnige wijze benaderd kan worden.

Deze beide benaderingen nu vragen om een synthese om daarmee de impasse te doorbreken: een soort huwelijk tussen de astronoom en Makaria, waardoor het analytisch-exacte bevrucht wordt door het synthetisch-kunstzinnige, en de mens met zijn volle ‘sinnlich-sittliche’ moraliteit zich verbinden kan met de hemel.

Wat wij in deze tijd weer zouden kunnen leren, is het zien en verstaan van de beeldentaal die de sterren en planetenwereld wil uitspreken. Daarmee bedoel ik niet alleen het herkennen van de sterrenbeelden en de verhalen die daarmee samenhangen, maar ook de taal die Jupiter spreekt bij zijn tocht door de dierenriem in relatie met de zon. Het patroon van lussen en bogen dat door Venus aan de hemel gevormd wordt weer leren lezen en herkennen als kosmische afspiegeling van een zelfde taal in de plantenwereld. Het begrijpen van de zaaikalender uit de kwaliteiten van de dierenriembeelden in relatie met de maan, enzovoort. Een heel nieuw gebied van fenomenologisch onderzoek ligt hier vóór ons, waarover de laatste jaren steeds meer publikaties verschijnen en waaruit blijkt, dat de mens, de dieren- en plantenwereld de microkosmos zijn, waarin zich de macrokosmos om ons heen als in een miniatuur (hiëroglyfe)
afdrukt.

Willem Beekman, Jonas 4 12-01-1984

.

Willem Beekman:  Bij heldere hemel        meer

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

1042

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (2)

.

KOSMISCH BEELD VAN DE WINTER

KERSTMIS ALS KEERPUNT VAN ZON EN MAAN

Zoals de ritmen van de natuur in verband ge­bracht kunnen worden met de grote jaarfees­ten, zo kan men ook een samenhang zien tussen de verschijnselen aan de sterrenhemel en het kerstfeest.
De onderlinge standen van zon en maan spelen daarbij een belangrijke rol.
Doordat die verschijnselen elk jaar weer optreden in deze tijd, geven ze steeds op­nieuw de mogelijkheid de verbintenis tot stand te brengen met bepaalde geestelijke werkelijkheden.
De jaargetijden worden in de natuur vooral gekenmerkt door de wijze waarop de plan­tenwereld zich in haar cyclus van ontkiemen, opbloeien, zaaddragen en afsterven manifes­teert. Deze cyclus is in haar jaarritme in sterke mate afhankelijk van de invloeden die zij uit de kosmos ontvangt. De zon levert daartoe een belangrijke bijdrage door haar wisselende lichtstroom. Het zonnejaar hangt samen met de beweging van de zon door de twaalf tekens van de dierenriem:
Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen, Schutter, Steenbok, Waterman en Vissen.
Sommige van deze tekens, overigens niet te verwarren met de beelden die dezelfde naam dragen — de beelden en de tekens van de die­renriem zijn in de loop van 2000 jaar één plaats ten opzichte van elkaar verschoven —, sommige van deze tekens kunnen zich hoog boven de horizon verheffen. De Kreeft spant hierbij de kroon. Andere beschrijven maar een heel klein boogje boven de horizon, zoals de Steenbok. Eind december- begin ja­nuari doorloopt de zon het teken Steenbok. De dagen zijn kort, de nachten lang. Een paar dagen na het moment van de zonne­wende (22 december) valt het kerstfeest.
In de huiskamers branden de kaarsen. De lichtwereld is te ervaren als binnenwereld, de bui­tenwereld is donker en koud. Ook de aarde heeft zich, tenminste op het noordelijk halfrond, geheel in zichzelf terug­getrokken. In haar jaarlijkse lichtademritme beleeft de aarde het moment van diepe in­ademing. Niet de uiterlijke kosmische zon overstraalt het aardeleven; het is een naar binnen genomen zonlicht waardoor de aarde innerlijk doorlicht wordt.

In deze tijd van het jaar heeft de aarde zich geheel van de kosmos afgesloten. De mens kan dat mee beleven. Niet de wijde ruimte roept de aandacht van de zintuigen, het is de innerlijke aardewereld, waarmee de mens zich verbonden kan voelen.

Twee wegen
De herders uit het Lucasevangelie was het mogelijk om vanuit hun oude aardeverbondenheid inspiratief de verandering van de aardekwaliteiten te beleven ten tijde van het kerstgebeuren.
In deze tijd kan men vanuit het moderne bewustzijn weer een toegang zoeken naar datgene wat men ‘aardegeest’ zou kunnen noemen. Herders hoorden engelenstemmen die de geboorte verkondigden. De wereld van de geest sprak zich uit in de sfeer der elementen.
In het Mattheüsevangelie vinden we de ge­beurtenissen rond de geboorte van Jezus heel anders beschreven. Wijze koningen uit het Oosten lezen aan de sterrenhemel af dat een belangrijke geboorte op aarde heeft plaatsgevonden. Imaginatief wordt door hen een uiterlijke constellatie van Jupiter en Saturnus begrepen als een kosmisch teken.
Langs twee wegen vinden aankondigingen van een geboorte plaats, door twee poorten wordt een wezen zichtbaar dat hemel en aar­de verenigt.
Tot het kosmisch beeld van de kersttijd be­hoort ook de maan. In de bijbel staat be­schreven hoe de god Jahve de komst van het Christuswezen op aarde voorbereidde.
Het Christuslicht kon in de tijd van voorberei­ding nog niet direct door de mens ervaren worden. Indirect, als door een spiegel, wordt dit licht zichtbaar gemaakt door de oudtesta­mentische god van Mozes: Zoals de maan het zonlicht zichtbaar maakt. Ten tijde van de Kerst vindt ten aanzien van zon en maan een keer­punt plaats: na de kortste dag (22 december) zal de zon in kracht toenemen, de volle maan die in deze tijd zijn hoogste stand be­reikt, zal hierna elke maand lager aan de he­mel staan. Dit kosmisch fenomeen van het maan-zonkeerpunt in de wintertijd is te ver­staan als beeld voor het aanbreken van het tijdperk van het zonnewezen Christus, waar­mee de voorbereidende taak van Jahve ten einde is. Op welke wijze kan het dierenriemteken Steenbok, het teken waarin de zon in de kersttijd staat, iets zeggen over de kwalitei­ten van de kerstdagen en de twaalf heilige nachten daarna?

Das Künftige ruhe auf Vergangenem
Vergangenes erfühle Künftiges
Zu kraftigem Gegenwartsein’,
Zo begint de spreuk waarin Rudolf Steiner het teken Steenbok karakteriseert.
Steenbok, keerpunt der zon, keerpunt der tijden. Eerbied voor het verleden, de tijden der voorbereiding, strevend naar de toe­komst, bewust staan in het heden.

Kerst — jaarwisseling — heilige nachten van uiterlijke verstilling, vol innerlijk leven.

‘Das Künftige ruhe auf Vergangenem.
Vergangenes erfühle Künftiges . . . .’

Deze woorden klinken in de kersttijd van de etherische dierenriem.
.

Rinke Visser, Jonas 8/9, 19-12-1975

.

Kerst: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: Kerstmis     jaartafel

.

370-349

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.