Tagarchief: klas 7 sterrenkunde

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (2-4)

.

H. ter Beek, nadere gegevens onbekend.

.

DE ZEVEN PLANETEN EN DE ZEVEN DAGEN VAN DE WEEK

PERIODEVERSLAG ZEVENDE KLAS

In de periode KOSMOGRAFIE, beter bekend als STERRENKUNDE, kwamen we na de loop van Zon en Maan beschreven te hebben, toe aan de behandeling van de Planeten.

De Planeten worden ook wel Dwaalsterren genoemd, omdat zij in tegenstelling tot de Vaste Sterren, die de bekende sterrenbeelden vormen, en waaruit het grootste deel van de sterrenhemel bestaat, geen vaste plaats bezitten. Ze verplaatsen zich langs het firmament, evenals Zon en Maan dat doen. En dan is er nog een verschil; zij schijnen, terwijl de vaste sterren fonkelen.

In het oude Babylonië nu, nam men zeven planeten waar; zij werden gezien én beleefd als de werkingsgebieden van de goden. Ook bij de Grieken en Romeinen was dit het geval, daar zij de erfgenamen waren van de sterrenkunde der Babyloniërs. Tegenwoordig kennen we de planeten volgens hun Romeinse namen, die we hier dus ook zullen gebruiken.

Deze zeven planeten werden in volgorde van hun omwentelingssnelheid geplaatst:

Maan                                                           – 29½ dag
Mercurius                                                   – 88 dagen
Venus                                                          – 224 dagen
Zon                                                              – 1 jaar
Mars                                                            – 1 jaar + 321 dgn, 111/12   jaar
Jupiter                                                        – 12 jaar (11 jaar +315 dgn, 11 11/12 j.)
Saturnus 29½ jaar

Het interessante is nu dat de oude Babyloniërs hieruit ook de volgorde van de zeven weekdagen bepaalden, maar daartoe werd het getal zeven opnieuw gebruikt. De planeten worden dan in een kring gegroepeerd, zoals op bijgaande figuur.

Het getal 7 wordt vervolgens gezien als opgebouwd uit 3 en 4, twee getallen die opnieuw heilige getallen waren, de 3 voor het geestelijke, de 4 voor het aardse. Gaat men nu met de 4 rechtsom, of met de 3 linksom (op bijgaande figuur), dan krijgt .men in beide gevallen deze volgorde:

DAG                                         PLANEET      ROMEINSE GOD  GRIEKSE GOD

Zondag         Dimanche              Zon                     Apollo                   Apolloon
Maandag      Lundi                     Maan                  Diana                    Artemis
Dinsdag       Mardi                     Mars                   Mars                      Ares
Woensdag   Mercredi                Mercurius         Mercurius             Hermes
Donderdag  Jeudi                      Jupiter               Jupiter                   Zeus
Vrijdag         Vendredi               Venus                 Venus                    Aphrodite
Zaterdag      Samedi                  Saturnus             Saturnus              Kronos

Nu kwam evenwel het meest interessante deel.

Waren het alleen maar namen, of hadden de dagen van de week nog hun eigen werking, kleur, sfeer? In onze tijd is daar niet zoveel meer van te herkennen. Met planeten, sterren en goden wordt geen rekening gehouden. We hebben recht op een 5-óaagse werkweek. Een vrije zaterdag, en voor de middenstand een vrije maandag. In de agenda’s en op de kalenders begint de week voortaan op een maandag, en worden zaterdag en zondag als week-end beschouwd.

Hierover hebben we met elkaar gesproken. In het Scheppingsverhaal in het Oude Testament wordt op de eerste dag het Licht geschapen, op de zevende dag wordt er gerust. Dit was nog levend aanwezig, hoewel het als vertelstof 4 jaar geleden verteld is.

Hoe beginnen we de week op maandag? Dat is de eerste dag waarop we weer naar school gaan. Het valt niet mee om weer te moeten beginnen. Waar waren we ook al weer mee bezig? Ach ja, we zijn het weekend weg geweest, logeren, familiebezoek, lang in de auto, laat naar bed, sportwedstrijden, uitslapen enz. Voor ieder wat anders. Elkaar hebben we niet gesproken. Nu hebben we elkaar alleen maar te vertellen wat we het weekend gedaan hebben. Geen al te beste start voor de nieuwe week. De leraren hadden juist de zondagavond allerlei voornemens gemaakt voor wat er de komende week zou moeten gebeuren, en die eerste dag gebeurt er niet veel.

Hoe zou dat komen?

De maan werkt als een spiegel, evenals het zilver, dat met de maan verwant is. De maan weerkaatst het zonlicht’, spiegelt terug naar de week ervóór.

De zon werpt zijn licht vooruit. Op zondag, ook al ga je die dag niet naar school, bereid je je voor op de komende week. Je bepaalt wat je die week wilt bereiken, en… dat behoef je pas te bereiken op … donderdag, de dag van Jupiter (Zeus).

Op dinsdag, de dag van Mars (Ares), de krijgsgod, wordt met het eigenlijke werk, met de eigenlijke weektaak begonnen.
De maandag wordt niet verlummeld met niets doen, maar het oude wordt afgedaan, zoals de maandag vanouds de wasdag was! Al de vuile was wordt dan weggewassen.

Na de intensieve dinsdag (ook het lesrooster telt in onze klas die dag de meeste uren, het is de langste schooldag) moet er op de woensdag wat worden teruggenomen. Tevens moet er gekeken worden of we nog wel op het goede spoor zitten. (De ongetrouwde jonge mannen gingen op woensdag “de week doorzagen”: op woensdagavond kon er niet worden gesport, getraind, gebiljart, maar werd het meisje opgezocht.) Het is de dag van het kwikzilver, dat ook alle kanten op kan rollen, en dat evenals het zilver ook goed kan spiegelen.

Op de vrijdag, de dag van de godin der Schoonheid, wordt er ook extra aandacht besteed aan de verzorging en de schoonheid van het schrift. Er wordt nog wat getekend, er wordt nog wat verbeterd, er wordt nog wat geplakt, versierd, gekaft, enz. Alles in het teken van verzorging, mooi maken.

En de zaterdag? Kunnen we die wel missen? Is deze dag wel gelijkwaardig met de andere, wel een volwaardige werkdag? Er wordt die dag misschien voorgelezen, het is voorleesdag. Er is die dag muziek in de zaal. Die dag is de kortste van de week. Er worden geen nieuwe dingen meer begonnen.

Deze dag is toch heel belangrijk! Deze dag maakt het mogelijk dat de vrijdag een volwaardige vrijdag kan blijven. Op de zaterdag kan gerust worden ( = niets nieuws meer beginnen), zoals God dat in het Bijbels Scheppingsverhaal deed, dat wil zeggen terugkijken op het werk van de afgelopen week en “zien dat het goed was” of misschien “niet goed” was. Op de zaterdag ging men vroeger altijd in ’t bad, cn trok de vuile kleren uit, die dan op maandag gewassen werden.

Toen we hier zo met elkaar over gesproken hadden, herkenden de kinderen dit in de gang van de periodes. Dadelijk gingen ze er bewust aan werken, en toen het vrijdag was, werd er geroepens “Vandaag gaan we onze tekeningen maken!”, want deze zevende klas is nu eenmaal dol op tekenen.

.
7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

.

1856

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (4)

.

De 7e klas – de eerste van de middelbare vrijeschool – heeft in het leerplan een periode sterrenkunde staan.

Het gaat vooral om ‘de blik omhoog’; de verder zich voltrekkende puberteit brengt ook met zich mee dat de jonge mens aanvankelijk erg op zichzelf betrokken raakt – de sterrenkunde opent andere perspectieven.

Het is geen periode astrologie met horoscopen o.i.d. meer een eerste kennismaking met waar en hoe je in de wereld staat t.o.v. de kosmische processen die o.a de jaargetijden veroorzaken.

Grondslag voor een nieuwe astrologie

Waarnemen van de sterrenhemel

Astrologie en natuurwetenschap hebben zich beide vervreemd van de werkelijke sterrenhemel. Voor een dergelijke ontwikkeling zijn historische lijnen aan te wijzen. Een nieuwe benadering kan ontstaan door de menselijke waarneming als uitgangspunt te kiezen. Met dat uitgangspunt ligt een oefenweg open.

Wanneer iemand in een kleine roeiboot midden op een enorme zee zit met water aan alle kanten zover het oog reikt, dan ziet hij de horizon of beter: zijn horizon. Deze horizon wordt anders wanneer hij zich ook maar minimaal verplaatst. Zo heeft iedereen een horizon die met hem mee beweegt. De horizon is een individueel gegeven. Ieder mens heeft, waar hij ook is, altijd de helft van de sterrenhemel boven zich en de andere helft onder zich. Steeds opnieuw geldt dus dat de mens in het midden van de sterrenwereld, de kosmos staat. Boven zich heeft hij zijn zenith. Dat is het punt aan de hemel dat in het verlengde ligt van de vertikale lijn die de opgerichte gestalte vormt. Ook het zenith is daarmee strikt individueel.

De sterren bewegen zich in cirkelbogen en de cirkelboog waarvan de waarnemer het middelpunt is, wordt de hemelequator genoemd. Deze sterrencirkel is voor ieder menselijk individu dezelfde en kan daarom mensheidscirkel genoemd worden.

Kiest de waarnemer zich een bepaalde plaats dan zullen de mensheidscirkel en de horizon elkaar op twee punten snijden en wel in oost en west. Oost en west kunnen daarom als de punten worden beschouwd, waar mensheid en individu met elkaar verbonden zijn. Deze wetmatigheden zijn door eenvoudige waarneming en bewustwording vast te stellen. Zij gelden voor de waarnemer die zich op de aarde bevindt.

De waarneming als mogelijkheid om de wereld te leren kennen, heeft in de geschiedenis van de mensheid een veranderlijke betekenis. Ver voor het begin van onze jaartelling leefde in de mensen nog een innerlijke wijsheid, die ‘gegeven’ was en waarvoor geen harde, individuele oefenweg van studie nodig was. Die wijsheid deed de mens de kosmos op natuurlijke wijze kennen, zonder dat hij hiervoor de fenomenen aan de hemel behoefde te bestuderen.

Ptolemeus was een van de laatsten die de oude wijsheid bezat en om deze niet geheel verloren te laten gaan, schreef hij die neer in zijn boek Tetrabiblos.
Vanaf die tijd stelde de mens zich vragen over vroeger vanzelfsprekende verschijnselen. Wanneer de inhouden van de wereld de mensheid niet meer duidelijk en helder zijn, ontwaakt de drang om antwoorden te zoeken op deze onbegrijpelijkeheden. En waar de poort naar het religieuze zich meer en meer sluit, wordt de mens gedwongen om verstandelijke verklaringen daarvoor in de plaats te stellen.
Plato viel het op dat de planeten, die door de Grieken als goden werden voorgesteld, geen mooie gelijkmatige banen aan de hemel beschrijven, maar grillige slingers.

Hoe te verklaren dat de planetengoden zich als dronken mannen langs de hemel bewegen? Een ander voorbeeld van deze manier van vragen stellen, waarin het meetbare en het religieuze ongemerkt verward worden, is dat in de middeleeuwen de mensen zich afvroegen hoeveel engelen er op de punt van een naald pasten.

Sinds Kopernikus, die rond 1500 zijn wereldbeeld lanceerde, begon datgene wat wij nu met het begrip natuurwetenschap aanduiden, opgang te maken. Een wetenschap die zich gedachten vormt over de natuur. Sterrenbeelden kunnen dan niet meer als realiteiten worden opgevat.

De sterren die voor ons oog aan de hemel de Grote Beer vormen, kunnen lichtjaren uit elkaar liggen en ons zo het idee geven dat een sterrenbeeld uit kleinere en grotere sterren bestaat. Ook over de gang der planeten worden verklaringen gegeven.

Natuurwetenschap

Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de natuurwetenschap wordt gezet door Francis Bacon (1561-1626). Hij formuleert uitgangspunten* :

1. het wantrouwen in de zintuigelijke waarneming
2. de subjectiviteit van het gevoelsleven
3. het misleidende karakter van kwalitatieve begrippen

Bacon formuleert deze stellingen niet geheel ten onrechte, maar bij het eerste punt bijvoorbeeld zijn er twee manieren waarop je kunt proberen met deze onvolmaaktheden om te gaan:

— het persoonlijke aspect en de zintuiglijke waarneming uitschakelen en vervangen door het uiterst objectieve opnemen en registreren via instrumenten; — het waarnemingsvermogen oefenen.

Francis Bacon ‘koos’ voor de eerste manier, wat tot gevolg had dat de onderzoeker steeds verder en verder afgroeide van de realiteit en de werking van de kosmos, daar deze meer dan alleen maar meetbaar is. De natuurwetenschap was destijds in ontwikkeling gekomen tot verruiming van het bewustzijn; het resultaat was echter een verarming.

De huidige wetenschapsbeoefening kent een geweldige catalogiseerijver. In het onderzoek van de kosmos beperkt de methode zich tot de vraagstelling: Waar is wat in de ruimte? Het antwoord vinden op die vraag is in principe een oneindige bezigheid. Het registreren van gegevens via de wetenschappelijke apparatuur kan onbeperkt voortgaan, De registraties leiden vervolgens tot hypothesevorming. De modellen van de werkelijkheid die zo ontstaan, hebben met menselijke waarneming en ervaring niets meer van doen. Er wordt slechts uit duidelijk hoe instrumenten reageren op kosmische verschijnselen.

Het is zinvol om hiernaast de verwaarloosde weg van de waarneming te plaatsen, vanuit de vraagstelling: Wat neem ik waar? Het is dan nodig dat de waarneming wordt geoefend.

Het belang van het scholen van het waarnemingsvermogen ligt onder meer in het feit dat de mens door de fenomenen te bestuderen, opnieuw buiten zich kan ontdekken wat vroeger als vanzelfsprekende wijsheid binnen hem leefde. Wanneer wij de fenomenen in ons opnemen, kunnen we tot een ‘innerlijke ruimtevaart’ komen.

Er heerst tegenwoordig de neiging om terug te grijpen naar oude mysteriën (oude, naar binnen gerichte wegen), die zouden kunnen helpen de innerlijke wijsheid te heroveren. Het bereiken van de goddelijke wereld langs deze natuurlijke weg is niet meer passend in deze tijd. De enige toegang ontstaat pas weer door het scholen van het bewustzijn. Het is moeilijk voor de moderne mens om naar de dingen te kijken en zuiver binnen de waarnemingswereld te blijven zonder er meteen een hypothese uit af te leiden.

De waarnemingswereld is tegenwoordig een verborgen, dus occulte mogelijkheid om de werkelijkheid te beleven. Toegepast op de kennismaking met de kosmos levert een waarnemende methode op dat de sterrenwereld als beeld verschijnt. Ruimte immers valt niet waar te nemen, die is alleen theoretisch voor te stellen. Alleen begrenzingen van ruimte zijn zichtbaar.

Astrologie

Nu dringt zich vanouds de vraag op hoe de samenhang tussen mens en kosmos is met het oog op de menselijke levensloop en de menselijke vrijheid.
De oude astrologie beschreef die samenhang door de mens gebonden te zien aan de sterrenconstellatie op het moment van zijn geboorte. Deze geboorteconstellatie, die een beeld gaf van de ervaringen die een mens in zijn voorgeboortelijke bestaanstoestand in de planetensferen had doorgemaakt, was bepalend voor de rest van zijn aardeleven. De kracht van de menselijke individualiteit was nog niet geboren en de enkeling kon zich als zelfstandige persoonlijkheid nog niet beleven. Door de komst van Christus op aarde en door de gebeurtenissen op Golgotha is de mens vrij geworden. Van zijn gang door de sterrenwereld neemt een mens ook nu een afdruk mee bij de geboorte, maar die behoeft dankzij de Ik-ontwikkeling van de mensheid niet meer bepalend te zijn voor de rest van zijn leven. In tegenstelling hiertoe draagt de mens datgene wat hij door vrije wilsontplooiing ontwikkeld heeft gedurende het leven, na zijn dood mee in de sterrenwereld.

De waarde van de voorspellende astrologie is om deze reden beperkt. Wanneer een zorgvuldige geboortehoroscoop zich gedurende het leven inderdaad realiseert, dan blijkt daaruit dat de betrokken persoon in sterke mate gebonden bleef aan de sterrenconstellatie van zijn geboortemoment. Op de mate waarin een mens zich door een krachtige persoonlijke ontwikkeling een stuk innerlijke vrijheid verwerft, kan de geboortehoroscoop geen betrekking hebben.

Het is overigens opmerkelijk hoe de voorspellende horoscopie nog pas een jonge twijg is van de astrologische wetenschap. Vooral na 1930 heeft de horoscopie een enorme vlucht gemaakt, die tenslotte heeft geresulteerd in de wekelijkse horoscopen in dagbladen en tijdschriften.

Terwijl de natuurwetenschappen vervreemd waren van de menselijke waarneming — zoals eerder beschreven —, overkwam de astrologie in feite hetzelfde. Ook de astrologie betrekt zich niet meer op de eigenlijke waarnemingen, doordat zij te werk gaat met traditie en overgeleverde wijsheid. De natuurwetenschap stelde voor de menselijke zintuigen het gewapende, instrumentele oog in de plaats.

De astrologie verloor zich in speculatieve gedachtespinsels; zij vervreemdde van de waarneming, doordat zij zich niet oriënteerde op de werkelijke fenomenen, mede door een gebrek aan astronomische kennis. Dit heeft er onder andere toe geleid dat de benamingen van de dierenriemelementen, zoals vissen, ram, stier, enz. voor tweeduidige uitleg vatbaar zijn. Dit feit wordt weinig onderkend.

Voor het goede begrip is het nodig een onscheid te maken tussen sterrenbeeld en sterrenteken. Wanneer iemand geboren is tussen 21 maart en 21 april, dan draagt hij van oudsher het dierenriemteken ram, omdat het eerste teken na het lentepunt ram wordt genoemd. Op deze wijze werkt de astrologie met een indeling van het jaar in twaalf tekens, samenhangend met de seizoenen. Feitelijk komen echter deze twaalf tijdvakken niet meer overeen met de gang van de zon door de beelden van de dierenriem. Dit komt door het verschuiven van het jaarritme binnen de dierenriem:

Platonisch wereldjaar

Tot de interessante ontdekkingen die bij waarneming aan de nachtelijke hemel kunnen worden gedaan, behoort ook de cirkelbeweging van de sterren. Alleen de poolster verschijnt voor onze waarneming elke nacht weer en gedurende alle uren van één nacht als een vast punt. Het is mogelijk om ook waarnemingen uit veel vroeger tijden bijeen te leggen; de eerste die zoiets deed was de Griekse filosoof en natuuronderzoeker Hipparchus (190 – 125 v Chr). Hij stelde vast hoe Homerus vele eeuwen voor hem het sterrenbeeld van de Grote Beer had zien ondergaan in de oceaan, terwijl dat in zijn eigen tijd reeds een circumpolair sterrenbeeld was, dat wil zeggen een sterrenbeeld dat zijn boog aan de hemel zodanig maakt, dat het altijd zichtbaar blijft en dus niet op- en ondergaat. Het hier gesignaleerde ritme van verschuivingen drukt zich ook uit in de veranderlijkheid van het lentepunt. Wanneer de zon opkomt op 21 maart – het moment in het jaar waarop dag en nacht even lang duren, zoals ook bij het herfstpunt – dan staat er op die plaats aan de hemel een dierenriemteken. Na 2160 jaar blijkt dat lentepunt in de dierenriem een teken te zijn verschoven. Pas wanneer twaalfmaal 2160 jaar, dus 25920 jaar zijn verstreken, lig het lentepunt weer op dezelfde plaats in hetzelfde teken van de dierenriem. Dit tijdvak heeft de naam platonisch wereldjaar. Nu valt een opmerkelijke samenhang met de mens op aarde vast te stellen. De menselijke ademhaling, die gemiddeld 18 maal per minuut plaats vindt, blijkt zich gedurende één dag juist datzelfde aantal van 25920 malen voor te doen. Om die reden kan het platonisch wereldjaar ook worden aangeduid als één aardedag, waarbij dan één jaar is te benoemen als één aarde-ademhaling, in- en uitgaand in winter en zomer.

Zo kan het goed zijn dat de persoon uit het voorbeeld wel als dierenriemteken ram heeft, maar dat de feitelijke situatie aan de sterrenhemel op de dag van zijn geboorte zo was, dat de zon opkwam in het sterrenbeeld van de vissen. Omdat de tekens betrekking hebben op de verschillende seizoenen werkt de astrologie dus met de samenhang tussen aarde en zon en niet met de samenhang van aarde en sterren.

Voor een juiste verhouding tot de kosmos is een helder begrip van de fenomenen van belang. Een eenvoudige waarneming laat zien dat het lentepunt zich momenteel in het sterrenbeeld van de vissen bevindt en niet in de waterman. De geruchten over het aquariustijdperk, waarin de huidige mensheid thans zou overgaan, missen daarmee een fundament. Het zal nog enkele eeuwen duren alvorens het lentepunt feitelijk zal zijn verschoven naar het sterrenbeeld van de waterman.
.

*R. van Romunde – Materie en straling in ruimte en tijd.
J.von Baravalle, ‘Erscheinungen am Sternenhimmel
Kraul, ‘Erscheinungen am Sternenhimmel
E.Mulder, Zon, maan en sterren

.

Ir. L.de la Houssaye, Jonas 8/9, 19-12-1975
.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

1495

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-4)

 

.

De jaargetijden aan de sterrenhemel

Nu na de dag en nachtevening de nachten het in lengte weer van de dagen gaan winnen, zullen velen onwillekeurig wat meer aandacht besteden aan de nachtelijke hemel. Maar hoe vind je de weg tussen de sterren, en wat is er eigenlijk te zien? Het heeft weinig zin iemand een sterrenkaart te geven, als hij geen enkel punt heeft waarop hij zich kan oriënteren.
De Grote Beer echter zal voor de meeste mensen wel een begrip zijn. Dit vertrouwde beeld aan de noordelijke hemel kan als baken dienen om ons in alle jaargetijden de weg langs het uitspansel te laten vinden.

Het zal velen nooit opgevallen zijn dat elk jaargetijde aan de sterrenhemel zijn eigen signatuur heeft. Elk ogenblik van het jaar zouden we aan de stand van de sterren kunnen zien in welk jaargetijde we zijn, welk jaargetijde hieraan vooraf ging, en wat er gaat komen.
In de herfst zien we in het westen de beelden van de zomer verdwijnen, de karakteristieke beelden van het najaar staan hoog aan de zuidelijke hemel, terwijl op de late avond de wintersterren in het oosten zichtbaar worden.

sterrenkunde-12

De voor de zomer kenmerkende sterrengroep is gemakkelijk te vinden. Zoals gezegd, in de herfst moeten we daarvoor de westelijke hemel bekijken. Maar eerst gaan we de Grote Beer zoeken aan de noordelijke hemel. Op het kaartje is te zien waar dit sterrenbeeld zich in de herfst ’s avonds bevindt. We staan met ons gezicht naar het noorden en betrekkelijk laag aan de hemel zien we de zeven bekende sterren staan. Voor het gemak zijn ze op het kaartje voorzien van Griekse letters. Als we de lijn van β naar ∝ vijf maal met zichzelf verlengen, vinden we een betrekkelijk alleen staande ster: de Poolster. Eigenlijk kunnen we niet van lijnen spreken: alle schijnbaar rechte lijnen op een sterrenkaart zijn in werkelijkheid boven.
Terug naar de Grote Beer. We verlengen de lijn y δ tot we in de melkweg terecht komen, dat is dus een heel eind want de melkweg staat hoog aan de hemel. Nu komen we terecht in de buurt van de helderste ster van het sterrenbeeld de Zwaan: Deneb. Gaan we nu vanuit Deneb een beetje schuin naar beneden, dan ontmoeten we de zeer heldere Wega in de Lier. Een flink eind links van Wega staat, in de melkweg, Altaïr, de helderste ster van de Adelaar. Deneb, Wega en Altaïr vormen samen de zomerdriehoek. In de zomer vindt men deze drie sterren hoog aan de zuidelijke avondhemel, terwijl men dan in het westen het lentetrapezium ziet verdwijnen, maar daarover later. Het herfstbeeld, dat in de zomer in het oosten zichtbaar is, staat nu in het zuiden hoog aan de hemel: het herfstvierkant, gevormd door de vier heldere sterren van Pegasus.

Ook deze configuratie kunnen we met behulp van de Grote Beer vinden. We trekken daarvoor een lijn vanuit 5 naar de Poolster en trekken die lijn door tot we op de zuidelijke helft van de hemel komen. We vinden dan het herfstvierkant.

In het oosten kondigt zich in deze tijd de winter reeds aan: de bovenste sterren van de winterzeshoek worden in de late avond al zichtbaar: als we van de Grote Beer doortrekken, komen we uit bij de heldere Capella in de Voerman.

Tot zover deze eerste verkenning van de sterrenhemel.

Rinke Visser, Jonas 10/11, 3e jrg.

 

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

 

7e klas: alle artikelen

 

1230

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (3-2)

.

Een zonnewijzer maken kan ook heel goed in klas 6. Wanneer de kinderen in de meetkundeperiode hebben leren construeren en weten wat een lijn oprichten is, bijv. moet het lukken. Dan wordt de meetkunde ook ‘praktisch’. Ook tijdens de periode meteorologie kan het natuurlijk heel goed.
Er zijn verschillende modellen.

 

ZELF EEN ZONNEWIJZER MAKEN

Hoe laat is het echt ?

Hoe laat is het?’ Je kijkt op je horloge en je zegt: ‘Twee uur’. Een half uur later stelt weer iemand die vraag. Je kijkt weer op je horloge en je zegt: ‘Half twee’. Wat is dat nou? Dat kan toch niet! Dat kan wel, het moet zelfs: bij de wet geregeld!
Ja, zo is dat, de tijdsafspraken zijn bij de wet geregeld. Een raar idee eigenlijk. Is de tijd dan niet iets autonooms, iets waar je als mens gehoorzaamheid aan verschuldigd bent? Met de tijd kun je toch niet sjoemelen?

De boven beschreven situatie kan zich voorgedaan hebben in de nacht van 28 op 29 maart*, toen dit jaar de zomertijd inging. De klokken werden één uur vooruitgezet. Het gevolg daarvan is dat de zon, vergeleken met de klok, een uur later ondergaat dan zij volgens de oude regeling zou doen. Met andere woorden: het blijft langer licht, de avondpret kost minder energie.
Hoe zit dat nu als je de klok verzet, is het dan ook echt zo laat, of is er een ‘echte tijd’ die gewoon doorgaat, wet of geen wet?
Dat je in werkelijkheid de tijdstroom, wat dat dan ook mag zijn, niet terug kunt zetten, een stukje kunt laten overdoen, spreekt vanzelf. Als je de kalender een jaar terugzet, wordt er geen mens een jaar jonger! Verder is het heel begrijpelijk dat er wettelijke afspraken moeten zijn over de tijdsmeting en de tijdsaanduiding. Dat is juist nodig omdat je van zoveel verschillende uitgangspunten uit kunt gaan: de tijd gemeten aan de zonsomloop of gemeten aan de dagelijkse omloop van de sterren. In het ene geval spreek je van zonnetijd, het andere is de sterrentijd. Maar dan ben je er nog niet; doordat beide tijd ‘soorten’ gemeenschappelijk hebben dat ze gebaseerd zijn op de aswenteling van de aarde, is de tijdsaanduiding heel plaatsgebonden. Immers, als het op de ene plaats op aarde middag is, is het ergens anders nacht, avond of ochtend. Je zou voor elke plaats een andere tijd hebben, nauwkeuriger gezegd: alle plaatsen die op dezelfde meridiaan liggen zouden dezelfde tijd hebben. (Een meridiaan is een lijn die de noordpool en de zuidpool van de aarde met elkaar verbindt). Voor Nederland zou dat betekenen dat het in Zutphen later is dan in Haarlem. Op die manier wordt het heel lastig om een spoorboekje te maken! Vandaar dat men er op gekomen is de aarde in tijdzones in te delen.
Als we naar de ligging van Nederland kijken, zouden we in dezelfde tijdzone moeten liggen als Engeland. Maar sinds de oorlog hebben we in Nederland dezelfde tijd als de Midden-Europese landen. Door de invoering van de zomertijd komen we zelfs terecht bij de tijd van de Oost-Europese landen. Daarmee worden we dus nog verder van onze eigen tijd verwijderd.

Voor wie het leuk vindt op de hoogte te zijn van de tijdsverschillen, volgt hier de beschrijving van de constructie van een horizontale en een vertikale zonnewijzer, die de plaatselijke ware zonnetijd aangeeft. Als we het hele jaar door de aanwijzing van de zonnewijzer vergelijken met het horloge, kunnen we zien dat de verschillen niet constant zijn, maar dat ze, nog afgezien van die rare sprong naar de zomertijd, groeien en weer afnemen. De plaatselijke zonnetijd is heel bewegelijk!

De constructie
We kijken eerst naar tekening 1. Daarop zijn drie vlakken te zien, die loodrecht op elkaar staan: vlak H (Horizontaal), vlak Va (Vertikaal achter) en vlak Vz (Vertikaal zij). De vlakken H en Va worden respectievelijk de horizontale en vertikale zonnewijzer.

De lijn PQ is een lijn die evenwijdig aan de aardas loopt (hij is dus precies op de poolster gericht). Hoek PQS is 52° (bij ons).

Tenslotte is er nog een vierde vlak getekend: vlak E (Equatoriaal vlak). Dit vlak staat loodrecht op PQ en het gaat door de snijlijn van vlak Va en H. In dat vlak is een cirkel te zien met middelpunt R. R is tevens het snijpunt van PQ met vlak E.

sterrenkunde-4

We moeten ons voorstellen dat de zon in 24 uur rondom PQ loopt. De schaduwlijn van PQ loopt dan op vlak E in 24 uur rond. Daarop berust het ontwerp van de zonnewijzer. Het probleem is alleen: hoe laat je nu de schaduwlijnen op H en Va de uren aangeven? Daarvoor moeten we de uurlijnen cconstrueren. Eerst zouden we de cirkel E in 24 partjes van 15º moeten indelen, maar dat doen we niet, dat is te veel werk. We construeren maar een aantal uurlijnen, de rest laat zich dan spiegelbeeldig vinden of hebben we niet nodig.

In tekening 2 ziet het er wat ingewikkeld uit, maar dat valt erg mee. In de eerste plaats zien we dat alle vlakken uit tekening 1 hier ook op staan, alleen zijn ze nu allemaal neergeklapt, zoals je een doos kunt opensnijden en alle zijkanten neerklappen.

Nu kunnen we er in construeren met geodriehoek en passer.

Wat die vlakken betreft is er één probleempje: vlak E en H vallen in tekening 2 samen. We moeten dus bij het tekenen steeds gaan bedenken in welk vlak we aan het werk zijn.

sterrenkunde-5

Voor onze zonnewijzer is het voldoende als we de uurlijnen van 4-20 uur tekenen.

Vóór iemand met de uiteindelijke constructie voor zijn of haar zonnewijzer begint, lijkt het me verstandig de constructie eerst eens te oefenen, ook met het oog op de maten die de zonnewijzer moet krijgen. Die zijn natuurlijk helemaal vrij, maar het is goed eerst de onderlinge verhoudingen te leren kennen.

We beginnen met de cirkel vanuit R om te cirkelen. Daarna trekken we een middellijn door R. Deze middellijn snijdt in S de cirkelomtrek. Door dit punt trekken we de raaklijn r. Daarna trekken we de twee andere aangegeven raaklijnen loodrecht op r: raaklijn r(1)  en raaklijn r(2)

Nu passen we, uitgaande van RS steeds hoeken van 15º af. Dat doen we aan de rechterkant anders komen er teveel lijnen door elkaar te lopen. We passen 8 hoeken af en trekken heel dun de stralen. De eerste 3 trekken we door tot lijn r. We vinden dan de punten 13, 14 en 15. Deze punten zijn straks direct bruikbaar voor de uurlijnen.

Van de andere punten beschrijf ik alleen de constructie van de 16-uurlijn, de 18-uurlijn en de 20-uurlijn. De andere gaan net zo.

De 16-uurlijn. We nummeren op de cirkel na 15 door: 16(1), 17(1), 18(1), 19(1), 20(1). Nu trekken we door het punt 16(1) en middelpunt R een middellijn. We vinden dan op lijn r2 het punt 4(1)

Nu moeten we even naar het linker bovendeel van de tekening kijken. Dat is de neergeklapte zijde Vz. Als projectie van het vlak E zien we hier een lijntje E(1). De hoek tussen E(1) en r is 38° . Trek E(1). Daarop moeten we punt R(1) tekenen (vanuit R (middelpunt cirkel) loodrecht op r(2), = 6(1), dan vanuit T de straal. T-6(1) omcirkelen naar E) = R(1) Door R(1) trekken we nu P(1) Q(1), hoek P(1) Q(1) T is 52°

We gaan nu weer verder met de constructie van de 16-uurlijn. Punt 4(1) hadden we gevonden op r(2). Nu zetten we de punt van de passer weer in T en cirkelen T-4(1) om naar E(1) en vinden daar punt 4(2). Vervolgens trekken we een lijn door 4(2)//P(1) Q(1). Het snijpunt met r cirkelen we weer naar beneden naar r(2): punt 4. Punt Q vinden we door eerst Q(1) naar lijn r(2) om te cirkelen, en daarna vanuit het nu gevonden punt een loodlijn op te richten. De tekening spreekt verder voor zich.

Als we nu 4-Q trekken hebben we de 4-uur-lijn, trekken we deze lijn verder door naar r(l), dan hebben we ook de 16-uurlijn. Spiegelen we 4 naar r, dan hebben we de 20-uurlijn. De 18-6 uurlijnen vinden we heel eenvoudig: daarvoor hoeven we alleen een lijn door Q//r te trekken.

De nog ontbrekende lijnen laten zich op analoge wijze construeren. (vergelijk de 16-uur-lijn.

Door alle lijnen spiegelbeeldig te tekenen, krijgen we de overige uurlijnen (links, 7 uur en 8 uur en boven 9 uur, 10 uur en 11 uur).

Dit is de horizontale zonnewijzer (tekening 3a), die in de tuin of in de kamer kan worden opgesteld. De richting van de 12-uurlijn moet exact noord-zuid zijn.sterrenkunde-63a

De vertikale zonnewijzer volgt uit de tekening (tekening 3b, zie tekening 2 boven de r-lijn). Deze kan tegen een muur (uitsluitend op het zuiden) worden opgesteld. De aanwijzer PQ moet op de poolster gericht zijn.

Je kunt ook een combinatie van beide maken. Als  materiaal kun je karton nemen (alleen geschikt voor binnenshuis) of triplex. De schaduwgever kan of een staafje zijn (PQ) of een driehoekig stukje karton of hout (heel dun) De schaduwrand van de schuine zijde is dan de zonnewijzer.

Literatuur:
Zonnewijzers aan en bij gebouwen in Nederland -J.G. van Cittert-Eymers. Uitgeverij Thieme. Niet meer te verkrijgen, alleen in bibliotheken.

Rinke Visser, Jonas 17, *17-04-1981

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

 

1170

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde – alle artikelen

 

[1-1] Sterrenbeelden: grote beer e.a. (voor op het bord)

[1-2] Astrologie en astronomie
Willem Beekman over: verschil beeld en teken

[1-3] Maan, zon en dierenriem
Mieneke de Boer over: hoe de dierenriem ooit beleefd werd; samenhang zon, maan en tekens met de plantenwereld; de 4 elementen

[1-4] De jaargetijden aan de sterrenhemel
Rinke Visser over: Grote Beer als baken; zomerdriehoek; herfstvierkant; lentetrapezium; winterzeshoek

[2-1Een periode sterrenkunde
Voorbeeld van een 3-weekse periode

[2-2] Astronomie in de vrijeschool
Rinke Visser over: aspecten van de periode

[2-3Sterrenkunde 7e klas
Sjoerd Adema over: enkele aspecten van de periode

[2-4] De zeven planeten en de zeven dagen van de week
Hans ter Beek: periodeverslag klas 7 over: planeten en dagen van de week – hun sfeer’

[3-1] De dansende dierenriem
Willem Beekman over: de dierenriem; hoe je een dierenriemkaart maakt

[3-2] Hoe laat is het echt?
Rinke Visser over:  zomer- en wintertijd; hoe je een zonnewijzer maakt
zie ook: ritme

[3-3] Een zonneklare maankaart
Willem Beekman over: de bewegingen van de maan; hoe je een kaart maakt om die te volgen

[4] Grondslag voor een nieuwe astrologie
Leo de Lahoussaye over: belang van waarnemen; zenith; Ptolemeus; Bacon; natuurwetenschap; astrologie; horoscoop, de beperkingen door eigen wilsontplooiing; sterrenbeeld en sterrenteken (zie 1-2); verschuiving lentepunt i.v.m. dierenriem;

sterren kijken (vanaf 12jr)

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (3-1)

 

DE DANSENDE DIERENRIEM

Sterrenbeelden zijn er vele, zowel grote als kleine. Een aantal daarvan zijn altijd zichtbaar vanuit onze positie op aarde, andere nooit of maar gedeeltelijk. Tot de laatste groep behoren de beelden van de dierenriem. Wanneer je een verbindingslijn langs die twaalf tekens legt, zie je dat die denkbeeldige cirkel zich op een bijzondere wijze door de hemel beweegt.

Dit ‘dansen’ van de dierenriem, en daarmee het verschijnen en verdwijnen uit ons blikveld, wordt zichtbaar in deze zelf te maken draaibare dierenriemkaart.

Een zestal jaren ervaring in het maken en gebruiken van deze kaart heeft de bruikbaarheid en de eenvoud laten zien. Eerst een stukje hemelachtergrond om de kaart te doorzien. Alle sterrren zijn opgenomen in de grootse beeldentaal van de sterrenbeelden. Daaronder bevinden zich bekende, zoals Grote Beer, Orion en Stier en wat minder bekende, zoals Giraffe, Jachthonden en Zuidervis. Als je alle sterrenbeelden van ‘onze’ hemel bekijkt (op 52 graden noorderbreedte) dan zijn er een paar hoofdgroepen te onderscheiden op grond van zichtbaarheid aan de nachthemel.

1. De groep altijd zichtbare beelden, in de astronomie circumpolair genoemd: Grote Beer, Kleine Beer, Cassiopeia, Draak, Cepheus.
Deze beelden zijn eeuwig boven de horizon en gaan dus nooit onder. Met andere woorden: het zijn de voor ons meest vertrouwde hemelwachters.

2. De groep gedeeltelijk zichtbare beelden. Deze gaan ieder etmaal onder en komen weer op. Kenmerkend is dus een ritmische afwisseling tussen zichtbaar en onzichtbaar, waarbij sommige beelden (Perseus, Zwaan, Lier) vooral op zijn en andere beelden (Grote Hond, Walvis, Haas) vooral onder.

3. De groep nooit zichtbare beelden, die dus niet boven onze horizon verschijnen. Dit zijn beelden die horen bij zuidelijker breedtegraden, zoals het zuidelijk halfrond: Zuiderkruis, Toekan, Passer etcetera. Ze verschijnen nooit on onze waarneming en het daaruit voortvloeiende bewustzijn.

Zoals bekend bewegen alle zichtbare beelden zich van oost naar west, in cirkelvormige banen en de zichtbaarheid wordt bepaald door boven besproken wetmatigheid en de positie van de zon. Orion is bijvoorbeeld in de zomernachten niet zichtbaar, wel in de winternachten. Alleen de circumpolaire sterrenbeelden weten zich aan de overstraling van de zon te onttrekken.

Binnen de groep partieel zichtbare beelden neemt de dierenriem een speciale plaats in. Deze twaalf beelden zijn van oudsher in een bijzonder daglicht gesteld, omdat we ze mogen beschouwen als het toneel waarop zon, maan en planeten hun bewegingsspel vertonen. Altijd staan de dwaalsterren in een beeld van de dierenriem, nooit daarbuiten: Venus in Perseus en Zon in de Zwaan zijn dan ook onmogelijkheden.

Hoewel de afzonderlijke dierenriembeelden voldoen aan de voor ieder sterrenbeeld geldende bewegingskarakteristieken, geldt dat niet voor de riem als geheel: de denkbeeldige verbindingslijn van alle twaalf beelden, de zogenaamde ecliptica, is een hemelcirkel met een eigenaardige beweging die het beste omschreven kan worden als ‘dansen’. Een combinatie van springen en schuiven. U zou het eens kunnen proberen, deze combinatie, om dan spoedig te ontdekken dat er niets anders dan dansen uit resulteert.

Deze ecliptica is het beste voor te stellen door met de hand aan onze nachthemel de achtereenvolgende beelden te verbinden: van Ram naar Stier naar Tweelingen enzovoorts. De gemiddelde lijn die ontstaat is tevens de verzameling van alle plekken aan de hemel waar ooit in de historie zon- en maansverduisteringen (zogenaamde eclipsen, vandaar de naam ecliptica) zijn opgetreden. Dat betekent dat de zon altijd op deze ecliptica staat en nooit daarbuiten, waarmee per definitie een gemiddelde zonnebaan is aangegeven.

Dierenriem in 4 seizoenen
Kijken we naar de winternachthemel, dan zien we van de dierenriem de Tweelingen hoog boven het zuiden, in het westen geflankeerd door Stier en in het oosten door Kreeft. In de zomernachten zien we laag boven het zuiden de Schutter, geflankeerd door Schorpioen (westwaarts) en Steenbok. Door vergelijkbare waarnemingen te doen in lente- en herfstnacht krijgen we hetvolgende overzicht:

winter 22 december (middernacht)

Kreeft-Tweelingen-Stier lente 21 maart (middernacht)

Weegschaal-Maagd-Leeuw zomer 21 juni (middernacht)

Steenbok-Schutter-Schorpioen

herfst 23 september (middernacht)

Ram-Vissen-Waterman Tussen Tweelingen en Schutter, die de hoogste en laagste positie aan de hemel innemen, bezitten Maagd en Vissen een gemiddelde plaats. Door de seizoenen heen zien we de dierenriem (en daarmee ook de ecliptica) op en neer bewegen ten opzichte van de horizon; een een soort springen.

Kijken we nu naar de punten van opkomst en ondergang aan de horizon, dan ontstaat een ander beeld. In de wintermiddennacht komt de Maagd op in het oosten en gaan Vissen onder het westen. In de zomernacht is dat precies omgekeerd. Daartussen verschuiven de plaatsen over de horizon: in de lente komt de schutter op in het zuidoosten en gaan de Tweelingen onder in het noordwesten. De ecliptica is westwaarts verschoven! In de herfst komen de Tweelingen op in het noordoosten en gaat de Schutter onder in het zuidwesten. Een verschuiving in oostelijke richting! Door de seizoenen heen betekent dat een voortdurend heen en weer schuiven over de horizon.

Deze twee bewegingen vatten we met behulp van de draaibare kaart in één beeld samen.

De kaart

Benodigdheden: wit foto- of etalagekarton 30 x 25 cm, plastic folie (zo dik mogelijk) 15 x 15 cm, 1 kleine splitpen, 12 kleine zelfklevende etiketjes, 2 beschermringetjes, passer, schaar, lineaal, potlood en balpen.

Eerst bewerken we het karton (figuur 1).

sterrenkunde-2

Bepaal daarvan het midden en trek met de passer zeven cirkels met de volgende stralen: 41, 43, 49, 62, 76, 87, en 92 mm. Dit moet nauwkeurig gebeuren, evenals de volgende handelingen, want daar hangt de bruikbaarheid van de kaart vanaf. Verdeel deze cirkels in 12 gelijke segmenten en 30º, zoals spaken in een wiel. Trek de lijnen alleen door in het gebied van de cirkels, niet tot het middelpunt. Trek met een passer de horizoncirkel,uitgaande van punt A. Nu zijn ook de punten oost en west bepaald.

De middelste van de 7 cirkels, waar oost en west op liggen, heeft een speciale betekenis en heet hemelequator en is door een aparte kleur aan te geven. Het gebied binnen de horizoncirkel kan ook het beste gekleurd worden en er kan een mensenfiguurtje verschijnen die de zuidhemel aan het waarnemen is. Dat bent u. Plak een beschermringetje aan weerszijden van het kartonmiddelpunt.Bepaal nu eerst het midden van het folie (figuur 2), trek een cirkel met straal van 67 mm en knip deze uit. Dit is een lastig werkje, omdat de passer niet ‘pakt’ op het folie. Daartoe kan de potloodpunt vervangen worden door een stalen passerpunt zodat de cirkel wordt ingekrast. Het uitknippen moet nauwkeurig gebeuren zodat de schijf echt rond wordt en geen platte kanten vertoont. Bepaal nu een punt 25 mm van het middelpunt verwijderd en steek daar de splitpen door (eerst voorwerken met een hete breinaald bijvoorbeeld). Steek de splitpen ook door het kartonmiddelpunt en draai het folie zo, dat de rand daarvan door oost en west gaat en zo hoog mogelijk boven de horizon uitsteekt.
Trek nu met een balpen (potlood, Rotring en dergelijke werken niet) op het folie de lijnen over die op het karton de spaken vormen. Doe dit vanaf de folierand tot aan de splitpen. Plak op deze lijnen vlak tegen de rand de etiketjes en teken daarop de symbolen van de dierenriembeelden.

De Maagd staat nu bij het oosten en de Vissen bij het westen. Na enig afwerken en verfraaien (het karton kan ook gekleurd zijn) is de de kaart klaar.

sterrenkunde-3

De werking laat zich al doende makkelijk doorzien, maar een paar aanwijzingen zijn wellicht nuttig. De rand van het folie vormt de ecliptica. Door het folie een maal geheel rond te draaien wordt zichtbaar hoe de springende beweging boven het zuiden ten opzichte van de horizon verloopt en hoe de ecliptica heen en weer schuift over de horizon rondom de punten oost en west. De wat wiebelende totaalbeweging die zo ontstaat heb ik met ‘dansen’ omschreven. U ziet nu ook de betekenis van de cirkels op het karton: ze geven de banen aan van de dierenriembeelden. De buitenste is de Tweelingenbaan, de binnenste de Schutterbaan en de middelste de baan van de Maagd en de Vissen. Ieder etmaal beschrijft een beeld deze baan in zijn geheel, zodat één ronddraaiing van het folie de dierenriemdans van een etmaal weergeeft. Het verschuiven over één segment van 30º graden komt overeen met twee uur, zodat met enig schatten de kaart een aardig overzicht geeft van de veranderingen, die de ecliptica in een etmaal ondergaat.

De standen van de vier seizoenen (en alle overgangen daartussen) laten zich makkelijk interpreteren. Bijvoorbeeld in de lentenacht, 21 maart om 24 uur: de Schorpioen komt op in het zuidoosten, de Tweelingen gaat onder in het noordwesten. Daartussen prijkt de Maagd boven het zuiden, geflankeerd door de heldere Leeuw (westwaarts) en de kleine en zwakke Weegschaal (oostwaarts). De totale ecliptica helt naar het westen over en doet ten opzichte van de overige sterren scheef aan.

In de zomermiddernacht bijvoorbeeld loopt de ecliptica van oost naar west, maar bereikt een geringe hoogte boven de horizon bij de Schutter. De kaart kan ook gebruikt worden als zonnekaart, maar dan spreken we over de daghemel. De Tweelingenbaan is dan de baan van de zon op 21 juni, de Maagdbaan op 23 september, de Schutterbaan op 22 december de Vissenbaan op 21 maart, als de zon het lentepunt bereikt. Al spelende en kijkende zult u ongetwijfeld nog meer ontdekken.

Willem Beekman, Jonas 5, 26-10-1984

.

H.Keller-van Asten: Sterne schauen dich an

.

 

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

 

Willem Beekman:  Bij heldere hemel        meer

1169

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (2-3)

.

STERRENKUNDE 7E KLAS

Wanneer je je in de adventstijd bezig houdt met sterrenkunde is het onvermijdelijk, dat ook de vraag naar de ster uit de kerstverhalen vanuit de klas komt.

Om dit verschijnsel uit te leggen is het noodzakelijk de hele sterrenkunde vanuit een ander gezichtspunt dan de natuurwetenschappelijke te benaderen.

Zouden we dit namelijk doen, dan zouden we zeer veel exacte gegevens vinden en te weten komen, maar de sterren en planeten niet echt leren kennen. Net zo min als we een mens vanuit een serie exacte gegevens over gewicht, maat, diameter ed. leren kennen.

Daarom is geprobeerd te spreken over hetgeen de Zon, de Maan, Mercurius, Venus, Mars en andere planeten voor ons betekenen. Voor velen is dat, wat de Zon betreft, vrij duidelijk.

De Zon schenkt ongelooflijk veel: warmte en licht, die ons in samenwerking met de Aarde voedsel schenkt als stoffelijke zaken, en als geestelijk goed: vriendelijkheid en liefde.

Ook de Maan is ons beter bekend dan we vermoeden. We hoeven maar te kijken naar de weekdagen, naar eb en vloed. Ook in ons mensen is hij werkzaam als we kijken naar het ritme van de vrouw, dat verbonden kan worden met het ritme van het wassen en afnemen van de Maan.

Moeilijker wordt het als we kijken naar Venus en Mars.

Toch kunnen we ook deze planeten leren kennen. Neem als uitgangspunt bijvoorbeeld hun astronomische tekens:  Mars en Venus. Beide tekens zijn ons ook bekend als mannelijk symbool ♂ (Mars) en vrouwelijk symbool ♀ (Venus).

Vanouds her wordt Mars met het ijzer verbonden. Het ijzer, dat weer verbonden kan worden met het mannelijk aspect en met kracht.

In ons bloed vinden we het ijzer terug. Je zou kunnen zeggen: “We vinden Mars in ons bloed”. Hebben we te weinig “Mars” in ons bloed dan schrijft de arts ons ijzer- of staalpillen voor.

Venus wordt van oudsher met koper verbonden. Het koper toont kwaliteiten van bescherming, omhulling en verbinding (deurbeslag, electrische bedrading). Kwaliteiten, die ook als een vrouwelijk element gekenmerkt kunnen worden. De moederlijke bescherming is toch anders dan de vaderlijke.

Ook koper (Venus) is in het bloed terug te vinden. Aangetoond is, dat de vrouw iets meer koper in het bloed heeft dan de man terwijl dit bij ijzer juist andersom is.

Kijken we op deze wijze naar de planeten en sterren dan is het wellicht mogelijk ook de staartster te leren kennen en begrijpen, zoals de Wijzen uit het Oosten. Aangenomen wordt, dat de Wijzen een staartster (komeet) gezien hebben.

In het volksgeloof werd de staartster als een teken beschouwd voor “iets dat gebeuren gaat’. Veelal als een kwaad teken.

De Wijzen uit het Oosten zagen het als het lang verwachte teken voor een blijde, grootse gebeurtenis.

S.Adema, nadere gegevens onbekend

.

7e klas – sterrenkundealle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

1168

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.