Tagarchief: open kinderen

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-4)

.

Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, herfst 2002, nr.10
.

Kinderen die te open of te gesloten zijn

Bij ‘moeilijke’ kinderen tref je meestal gedrag aan dan zich kenmerkt door grote uitersten. Dat extreme gedrag valt niet te verbieden, want het kind kan niet anders. Wat je wel kunt doen, wordt zichtbaar aan twee gevallen uit de praktijk van kindertherapeute Joyce Honing.

Annabel is zeven en zit in groep drie. De juf is niet erg tevreden over haar. In de klas is ze een bron van onrust, die nooit stil zit en geen enkel taakje zelfstandig kan uitvoeren. Ze is overal en nergens tegelijk en heeft voortdurend ruzie met de andere kinderen. Ook thuis wordt iedereen gespannen van haar. Haar ouders zijn bang dat er echt iets mis is met hun dochter. Ze overwegen haar te laten testen, maar vragen eerst mijn oordeel over Annabel.
Ik zie een meisje met een guitig gezicht, rossige krullen, sproeten en wakkere, ondeugende, maar onrustige ogen. Haar handen frummelen alsmaar aan de rand van haar vest, via de knopen naar boven en weer terug. Haar bril duwt ze telkens terug op haar neus. Ondanks de stevige stappers die ze draagt, danst ze van de ene voet op de andere. Ze vinden geen rustplek op de grond. Haar bovenlijf zwenkt mee in het zoeken naar een evenwicht dat ze niet vindt. Haar blik blijft nergens rusten maar fladdert nerveus rond zonder te zien. Annabel is zo beweeglijk, vertelt haar moeder, dat ze zich vaak stoot en dingen omgooit. Niet uit onverschilligheid, maar omdat ze haar bewegingen geen richting kan geven. Ze huilt snel en veel, niet zozeer uit verdriet maar door de opgebouwde spanning in haar lijf. 

Duizend stukjes

Het beeld dat ik van Annabel krijg is dat van een zeer gevoelig kind dat door haar eigen gebaren voortdurend in duizend stukjes uiteen valt. Je zou wensen dat ze die stukjes van binnenuit – als met een soort innerlijke magneet – weer bij elkaar kon trekken om zichzelf weer heel te voelen. Maar dat krijgt Annabel niet voor elkaar. Ze moet zich al geweldig inspannen om zich voor één moment samen te rapen en te concentreren. Bij het geringste geluid uit de omgeving vliegt ze weer weg. Ze kijkt me dan aan met grote, angstige ogen, haar handen beginnen te dansen en ze gaat huilen. Want ze weet dat mamma of de juf boos worden als ze zo fladdert. Maar ze kan niet anders. Ze ontspant wat als ik zeg dat ik het niet erg vind dat ze snel is afgeleid.

Waarnemingsspelletjes

Annabels fladderende handen en hoge ademhaling zijn een duidelijk signaal dat ze slecht in haar lijf zit en zeer versnipperd is. Zo kan ze ook geen leerstof opnemen en weer reproduceren in taken en opdrachten.

Om letterlijk te oefenen hoe je van uiteengevallen delen een geheel maakt, knip ik een getekende appel in drie stukken. Het kost haar veel moeite de appel heel te maken. Maar als het lukt slaakt ze een zucht van verlichting. Vele weken lang maken we de appel heel, terwijl hij in steeds meer stukken wordt geknipt, en iedere keer toont ze dan grote opluchting. Annabel kan niet lang hetzelfde doen. Bij haar zap ik als het ware van het ene naar het andere spel. Vooral waarnemingsspelletjes, want daarvoor is het nodig je aandacht op zijn minst even te bundelen. We beginnen met haar voeten die ik een springtouw op de grond laat aftasten – met de ogen dicht. Ze raakt totaal de weg kwijt door het kronkelen van het touw en het kost haar moeite erachter te komen wat het is dat haar voeten voelen.

Hetzelfde doen we met drie knikkers van verschillende grootte op een dienblad. Zij moet zonder te kijken met haar tenen de kleinste, de grootste of de middelste knikker eruit vissen.

We doen ook het bekende waarnemingsspel waarbij je een aantal voorwerpen op tafel legt waar het kind enige ogenblikken naar kijkt, zijn ogen dichtdoet en daarna moet zeggen welk voorwerp jij intussen hebt weggenomen. Bij Annabel begon ik met drie voorwerpen die duidelijk van elkaar verschilden. Toen dat goed ging kwam er een vierde voorwerp bij en maakte ik het ook iets moeilijker door na het wegnemen van het voorwerp een doek over de overgebleven voorwerpen te leggen. Door de doek heen moest Annabel voelen wat er miste. Belangrijk waren ook de spelletjes waarbij ze haar eigen plaats in de ruimte kon leren ervaren. Op vragen als: waar is de hemel, waar is het gras, waar het raam en waar de deur, antwoordde zij dan met een gebaar naar boven, beneden, voor of achter haar. Helemaal op het eind van de therapie deden we ook verwarringsspelletjes. Dan vroeg ik waar de hemel was en wees ik tegelijkertijd op de vloer. Het was een enorme uitdaging voor Annabel om dan niet automatisch mijn gebaar mee te maken, maar zonder iets te zeggen de juiste kant op te wijzen. Dat kun je alleen maar als je jezelf heel goed bij elkaar hebt gepakt.

Een huis bouwen

Het allerleukste spel vond Annabel het bouwen van een huis op een rots in de zee. Op de rots – een stuk papier op de vloer – moest ze krachtig haar voeten neerplanten: dat zijn de fundamenten van het huis. Dan de knieën en de benen erboven voelen als stevige muren, en zo verder naar boven tot ten slotte het hoofd er fier als dak op zit. En dan steekt de wind op.
Ik dwarrel en waai om de rots heen.

Omdat kinderen zoals Annabel fysieke aanraking vaak slecht verdragen, vraagt de wind haar waar hij haar mag duwen. ‘Niet op de dakpannen,’ zegt ze. Waar dan wel, vraagt de wind. ‘Op de muren.’ Ik waai om haar heen en duw zacht tegen haar rug. In het begin ligt het huis snel in het water, waar we beiden om lachen. Maar steeds vaker gaan haar handen niet fladderen en weet ze haar stevig opgebouwde huis rechtop te houden temidden van de gierende wind. Als wind krijg ik goed de kans om te voelen hoe ze in haar lijf zit. Als ik weerstand voel, dan is het goed.

Bijna een jaar lang doen we iedere week dit spel en steeds beter kan Annabel haar lijf vanuit de voeten naar boven toe stevig opbouwen. Op school helpt het haar als ze bij het rekenen ook haar voeten stevig op de grond zet en goed haar knieën voelt.

Dit zijn spelletjes die ieder kind leuk vindt om ook thuis te spelen, maar ze zijn voor kinderen als Annabel, die een onrustig, ongeconcentreerd ADHD-beeld vertonen, vooral ook heilzaam. Let erop dat het huis werkelijk stevig van onderop wordt opgebouwd, anders waait het te snel om. Bij de waarnemingsspelletjes zul je merken dat je kind zo nu en dan toch stiekem door de ogen gluurt. Maak daar een grapje over, want het moet spel blijven en geen loodzware ernst worden. Kinderen als Annabel hebben weinig binding met wat achter hen ligt. Ze neigen letterlijk naar voren. Je helpt hen wanneer je, bijvoorbeeld ’s avonds voor het slapen, in verhaaltjes aanknoopt bij het verleden.

Extreem teruggetrokken

Een totaal tegengesteld beeld toont Roeland van vijf. Hij is niet echt mager maar maakt toch een schriele indruk. Zijn kleren draagt hij niet; ze ‘hangen om hem heen’. Zijn gezicht is bleek, zijn haar kleurloos. Hij spreekt nauwelijks. Thuis hebben zijn ouders eigenlijk weinig problemen met dit extreem teruggetrokken jongetje, maar op school is hij al een jaar lang ongelukkig en eenzaam. Hij speelt nooit mee, maar staat als versteend tussen de spelende kinderen in en reageert niet als ze hem vragen mee te doen. Bij het in de kring zitten, moet juf hem bij de hand nemen en hem op zijn stoel zetten. Uit zichzelf doet hij geen stap naar voren. De kinderen in de klas vinden hem niet leuk en hij wordt steeds meer het mikpunt van plagerijen.

Mijn eerste indruk van Roeland is dat hij zich er te veel van bewust is hoe groot de ruimte om hem heen is. Daardoor krimpt hij zelf een beetje in elkaar. Als hij spreekt, is het binnensmonds en nauwelijks verstaanbaar. Zijn houding is stram, de schouders naar voren, de armen gestrekt naar beneden met de handpalmen half open naar achteren gericht, alsof hij daar iets probeert te pakken. In tegenstelling tot Annabel, die de neiging heeft naar voren te vallen, is Roelands houding naar achteren gericht.

Boer en boerin

Ik vraag zijn juf of ik in de klas een spel mag doen waar ook Roelands iets oudere zus bij is. Van doeken heb ik een huis gemaakt dat helemaal dicht is op een klein raam na dat naar believen open of dicht kan worden gedaan. Er omheen staan hekken van banken. Ik vraag Roeland en zijn zus of ze een boer en boerin willen zijn die in het huis wonen. Dat willen ze. Het eerste wat Roeland doet is het sluiten van het raam. Ik vraag wat voor dieren de boer wil hebben. ‘Een schaap’, klinkt het vanuit het huis. Een kind uit de klas wil wel schaap zijn. De volgende keer stel ik voor dat de boer ook een paard en een koe zoekt. Het raam wordt even open gewipt en Roeland wijst aan wie paard of koe mag spelen. Vervolgens trekken boer en boerin zich weer in het huis terug en doen niets. De kinderen vervelen zich en beginnen al snel aan een ander spel.

Na een keer of vier verandert dat. Ik geef de kinderen boodschappenmandjes en vraag hen eieren, melk of wol te kopen bij de boer. Alle kinderen komen aan de beurt, kopen iets bij de voordeur en gaan weer weg. Dan is de tijd rijp voor de laatste stap in het spel. Samen met Roeland en zijn zus bak ik pannenkoeken en alle kinderen mogen op bezoek komen om een pannenkoek te eten. Roeland vindt het leuk en de kinderen ook. Plotseling wordt het samenspel. Vanaf die tijd is het ijs gebroken. Hij is nog steeds geen kind voor wilde spelletjes, maar wordt geaccepteerd en staat niet meer helemaal buiten het sociale proces in de klas. Iets doen voor de anderen werd zijn rol in de klas.

Het veilige huis verlaten

Bij de hand genomen worden om iets te doen voor een ander, is precies wat het extreem teruggetrokken kind nodig heeft. Uit zichzelf kan hij zich niet los maken van zijn eigen binnenwereld die vaak rijk is aan voorstellingen en beelden. Probeer hem ertoe te verlokken zijn veilige huis te verlaten en naar buiten te treden om iets van zijn innerlijke rijkdom met anderen te delen. Behalve door het soort spelletjes als ik met Roeland deed, lukt dit vaak ook goed door samen met hem een tekening te maken of een klein verhaal te schrijven en dat aan een ander cadeau te doen. Zowel in het geval van Annabel als in dat van Roeland gaat het erom het kind zo te begeleiden dat het de extreme uitersten in zijn gedrag leert overwinnen zonder zijn eigenheid aan te tasten.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1825

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (2-3)

.

GROEI EN WARMTE – EEN ONAFSCHEIDELIJK DUO

Warme kleren, liefst laagje over laagje, en muts op. Dat is het advies van de antroposofische consultatiebureau-artsen meestal geven aan ouders van baby’s en kleine kinderen.
Overdreven gedoe? Of kan je niet voorzichtig genoeg zijn als het om de warmtehuishouding van je kind gaat?
Noor Prent legt uit hoe het eigenlijk zit met dat ‘warmtezintuig’.

Maurits van tweeëneenhalf heeft waterpokken gehad met flinke koorts. Nu gaat het weer goed met hem. Heel goed zelfs, vertelt zijn moeder Marianne. ‘Ik heb het idee dat hij na de waterpokken een sprong heeft gemaakt in zijn ontwikkeling. Hij straalt, hij speelt goed en begint ook in het contact met
andere kinderen een beetje zijn mannetje te staan.’

Maurits is een open kind dat gevoelig reageert op alles wat er om hem heen gebeurt. Hij heeft een ‘dunne huid’ en kan slecht zijn warmte vast houden. Daarom adviseerde ik Marianne om vooral zijn benen en voeten warm te houden en hem regelmatig met olie in te wrijven. Ze vertelt dat ze dat nog steeds drie keer per week doet. Ook trekt ze hem nog altijd een majo aan onder zijn broek met een paar sokken er overheen.
Marianne: ‘Ik weet dat Maurits dat allemaal nodig heeft, hij zit nu eenmaal zo in elkaar dat hij snel warmte verliest. Ik zie dat hij zich er lekker bij voelt. En toch twijfel ik soms aan wat ik doe. Er zijn nogal wat mensen in mijn omgeving die dat allemaal zó overdreven vinden, dat gedoe met laagjes onderkleding van wol. Ik moet dan echt weer even heel goed mijn gesprek met jou in herinnering roepen over het belang van het verzorgen van het warmte-organisme van kleine kinderen, vooral als ze zo open zijn als Maurits. Daarna kan ik die opmerkingen weer wat beter verteren en mijn eigen lijn blijven volgen’.

Warmteverlies

Die onzekerheid van Marianne klinkt wel vaker op het spreekuur van de antroposofische ouder- en kindzorg als het gaat over de verzorging van het warmte-organisme van kleine kinderen. Daarom is het belangrijk dat je als ouder precies weet waarom je daar zo’n aandacht aan schenkt.
In de baarmoeder ontwikkelt een baby zich bij een constante temperatuur. Na de geboorte is zijn warmtezintuig – dat wil zeggen het organisme dat reageert op temperatuurswisselingen van buiten of van binnen – nog niet ontwikkeld. De baby moet warm worden gehouden. Langzaam traint de warmtezin zich in het waarnemen van temperatuursverschillen en leert het de reacties daarop te regelen. Na een aantal weken kunnen de meeste baby’s hun lichaamstemperatuur stabiel houden. Maar dat betekent nog niet dat ze geen hulp van gepaste kleren en warmte van buiten af meer nodig hebben.
De babyhuid is nog dun en laat veel warmte door. Bovendien is de oppervlakte van de huid bij een baby relatief groot ten op zichte van de inhoud. Daardoor is het warmteverlies bij hem groter dan bij oudere kinderen en volwassenen. Een baby verliest zijn warmte vooral via het hoofd, in totaal 60% van zijn lichamelijke warmte-uitstraling. Als je je hand op het hoofdje van je baby legt zul je dat kunnen voelen. In plaats van die warmte-energie via het hoofd verloren te laten gaan, kun je hem met een dun mutsje heel eenvoudig wat terugleiden naar zijn lichaam waar het kan worden gebruikt voor de opbouwprocessen en de groei. Bij premature baby’s geeft een schapenvachtje vaak een positief resultaat op de groei omdat de eigen warmte-huishouding dan wat economischer verloopt.

Luchtlaagje tussen huid en kleren

In de eerste drie levensjaren van een kind wordt zijn zenuwstelsel nog voortdurend verfijnd en uitgebouwd. In het hoofd, het centrum van het zenuwstelsel, is dan sprake van een intensieve stofwisseling. Daar is energie en warmte voor nodig is.
Behalve het warm houden van het hoofd, adviseer ik ouders daarom hun kinderen gedurende die eerste jaren ‘in laagjes’ te kleden: direct op de
huid een liefst wollen hemdje met lange mouwen, een majo en een muts en daar overheen de gewone kleren. Zo kan zich tussen de huid en de eerste laag kleren een dun, stilstaand luchtlaagje vormen. Dit laagje isoleert en vormt een buffer in de uitwisseling van warmte tussen binnen en buiten.
De huid produceert zelf een olielaagje (talg) dat ook warmte isoleert en bovendien bacterieafstotend is.
Dit olielaagje lost gedeeltelijk op in warm water en nog meer bij het gebruik van zeep. Behalve als je kind vuile handen en voeten heeft, kun je zeep dan ook maar het beste vermijden.
Breng na het bad op de huid van zijn hele lijfje dunnetjes een natuurlijke, dus huidverwante,  baby-olie zoals Weleda verzorgende olie aan. Zo geef je als het ware weer terug wat je eraf hebt gehaald. Het masseren van zijn huid is een weldaad voor je kind en tegelijkertijd voelt hij daardoor hoe zijn huid zijn lijfje begrenst. Dat helpt hem bij het opbouwen van een gezond zelfgevoel.

Kruipbroek

Als je kind gaat kruipen, vraagt dat weer wat extra aandacht voor de warmtehuishouding. Over de grond stroomt altijd koude lucht. Ga zelf maar eens een poosje op de grond liggen en je zult merken hoe je dan afkoelt. Die kou kan optrekken tot in de buik en lichte stofwisselingverstoringen veroorzaken. Als je een beetje handig bent kun je voor die fase een kruipbroek maken.
Neem daarvoor een broek die over de andere kleren kan worden gedragen en zet er kniestukken op van leer of stroeve stof, zodat dan de kou niet kan optrekken via de knieen naar boven.
Als je kind eenmaal loopt, kan hij zichzelf door de spierarbeid (die warmte produceert) al beter warm houden, maar ook dan blijft het goed om hem in laagjes te kleden. Als je kind in zijn nek transpireert, dan heeft hij het te warm. Trek dan liever een vest of trui uit dan dat je een laagje van zijn beentjes afhaalt. Zijn voetjes moeten altijd aangenaam warm en droog aanvoelen.
Ook grotere kinderen geven meestal niet aan dat ze koude voeten hebben. Dat moet je dus zelf blijven controleren. Pas als een kind een jaar of acht is, kun je de regie over de verzorging van het warmte-organisme aan het kind zelf beginnen over te laten.

Weerstand

In de babyleeftijd vormt je kind zijn warmtezintuig vooral door het omgaan met temperatuurswisselingen via de huid van gezicht en handen. Je baby kan de activiteit van dat zintuig oefenen als je hem – adequaat aangekleed – mee naar buiten neemt bij allerlei verschillende weersomstandigheden. Alleen bij een ferme noord-oostenwind zou ik liever binnen blijven. Zo’n wind brengt altijd te heet, te koud, te fel of te droog weer met zich mee. En wanneer het kouder is dan – 4 graden heeft een baby onevenredig veel moeite om op temperatuur te blijven.
Vanaf een maand of tien kan je de warmtezin iets extra’s te doen geven door na een warm bad of douche een beetje koel water met kopjes tegelijk over het kind heen te gieten. Gebruik geen koud water en maak er met een rijmpje of een liedje een spelletje van. Want het is niet de bedoeling om hem te laten schrikken, maar om hem op een plezierige manier wakker te maken voor temperatuurverschillen.
Zoals een getrainde spier meer arbeid kan verrichten, zo kan ook een geoefend warmteorganisme sneller en beter reageren. Je kind zal minder worden overrompeld door temperatuurs- en weersveranderingen en minder kouvatten omdat hij een betere weerstand heeft kunnen opbouwen.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda lente 2004 (13)
(met toestemming van de auteur)

.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Michaela Glockler en Tomas GoebelKinderspreekuur  

Edmond Schoorel over warmte.

Menskunde en pedagogie: warmte (nr.11)

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen       zie ook [1-5]

Opvoedingsvragenalle artikelen
.

1538

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.