VRIJESCHOOL – 2 klas – vertelstof (4)

Vertelstof: alle artikelen

 

DE VRIENDELIJKE HUT

Ierse legende

Lang, lang geleden trok er over de weg van Donegal naar Killybegs een groepje zigeuners. Het waren arme lieden die met het lappen van ketels probeerden aan de kost te komen en hier en daar een ei of een lam stalen als de pot té schraal was. Maar van karige beetjes kan men niet veel monden vullen en toen de zigeuners door Cam-Na-Ween trokken, besloten zij afstand te doen van het jongst-geboren kind en legden het te vondeling op de drempel van de hut van Bridget en Gonal Hegarty.

Nu waren in die dagen de tijden zwaar en Bridget en Conal hadden zelf al een groot gezin, maar een kind onderdak weigeren doet men in Ierland niet en dus werd het liefderijk opgenomen. De kleine Oona groeide op tot een mooi meisje, misschien wel het mooiste van heel Cam-Na-Ween en de landen daar ver omheen en de jongens uit die streek hadden haar graag tot vrouw genomen. Maar men was er niet vergeten dat zigeuners dit kind hadden gebracht en iedere jongeling wiens hart in vuur en vlam stond voor de lieftallige Oona, vergat maar gauw hoe aantrekkelijk dat meisje in de hut van Bridget en Gonal was en koos zich een degelijke Ierse huisvrouw. En dus bleef Oona alleen bij de twee oudjes van wie zij veel hield en die ze liefderijk verzorgde. In haar hart koesterde zij een schone droom: als eens Bridget en Conal zouden zijn overleden zouden zij misschien aan haar de hut achterlaten. Zij zou dan een eigen huis hebben, met voor de ramen zonnig-gekleurde gordijnen en boven het vuur een grote koperen ketel die altijd glimmend zou zijn gepoetst. Maar voor Bridget stierf zei ze: ‘Oona, de hut is voor mijn zoon Michael en zijn jonge vrouw. Neem uit de kist het linnengoed dat je toekomt. Misschien zal er ergens een man zijn die nog met je wil trouwen.”

En Oona vouwde haar linnengoed tot een bundel en vertrok, vastbesloten ooit haar schone droom waar te maken. En overal was wel een hutje dat haar wachtte, waar zij een ziek kind kon verzorgen of waar zij de taak van de overleden huisvrouw kon overnemen. Want Oona kon hard werken en er was veel liefde in haar hart. Maar nergens was er een plekje voor haar alleen en geen man kon vergeten dat zij een zigeunerkind was.

De jaren verstreken en hoe ouder en krommer Oona werd, hoe meer haar bezittingen groeiden; overal waar ze had gewerkt hadden de mensen haar linnen en potten en pannen geschonken ~- zoveel dat ze tenslotte wel een wagen nodig had om ze te vervoeren.

Toen zij al heel oud was, woonde ze in de hut van Brian MacManus. Het was in de tijd van de grote hongersnood en voor ieder was er niet meer dan de dagelijkse lepel pap. Het deed Oona pijn te zien hoe hongerig de ogen van de kinderen waren, maar zij kon haar eigen kleine hapje niet afstaan, want de vrouw was ziek en zonder dat beetje eten had ze niet kunnen werken en het gezin zo goed mogelijk verzorgen. Maar toen het midwintertijd werd en de restanten van de laatste mislukte oogst nog kariger geworden, kon zij de ellende en het verdriet niet langer aanzien en pakte haar bezittingen bijeen.
‘Jullle kunnen nu wel voor jezelf zorgen. Je hebt mij niet langer nodig’ zei ze. ‘God weet dat dat waar is’, zei vrouw MacManus.

Maar de man zei: ‘Zwijg toch, vrouw! Weet je niet wat voor avond dit is?’ En de vrouw sprak verbitterd: ‘Ik weet het. Het is kerstavond. Maar in deze tijden is iedere avond gelijk aan de andere. De oude vrouw is gek. Laat haar gaan!’  En Oona zei: ‘Mogen God en Maria u op deze avond bijstaan!’ en zij nam haar bundel over de schouder en stapte de heldere vriesnacht in. Ze nam de weg door Carn-Na-Ween die naar zee leidt en bij ieder hutje stond ze stil en keek naar binnen. Bijna iedere haard was haar vertrouwd, bijna ieder gezin had ze gekend. Langzaam volgde ze het steile pad de heuvels in, en toen zij de laatste hutten ver achter zich had gelaten, ging ze zitten aan de rand van het veen.

‘Ik heb nog nooit zo gezeten’, bedacht ze verwonderd. ‘Voor het eerst is er niemand voor wie ik moet zorgen, niemand die eenzaam, ziek of verdrietig is’. En terwijl de sneeuw zich zachtjes om haar schouders legde, dacht ze: ‘Hïer heb ik altijd willen zijn. Het is hier stil en mooi en hier zal ik wachten tot hij komt. En hij zal komen als een geliefde, die mij in zijn armen neemt en zegt: ‘Kom Oona, wees niet bang!’ en ik zal mijn hand in de zijne leggen en voor altijd mogen rusten.
Eigenlijk wist Oona niet .goed meer wat er hierna gebeurde. Vaag herinnerde zij zich dat ze nog het Elfenland had willen bezoeken, dat naar men zei aan de rand van het veen en de moerassen lag. Maar ze was te moe, haar hoofd viel op haar schouder en ze droomde van het verhaal van ‘Conall van de Duizend Zangen’, die eens op een midzomernacht op dezelfde plek had liggen slapen en die was wakker geworden met een hoofd vol feeënmuziek en van Willy Donogue die op een late voorjaarsavond door het elfenrijk was gereden en had gezien hoe de bewoners daar buiten rondreden, om hun schouders kleedjes van dauw en bloemen in de goudblonde lokken. Van dit alles droomde Oona, terwijl de sneeuw haar langzaam toedekte. Het zou zeker een Witte Kerstmis worden en men vertelde wel dat dan het Vriendelijke Volkje de huizen verliet om gezamenlijk het wonder van de geboorte te aanschouwen. En als dat zo was zou de oude vrouw in deze nacht zeker niet alleen zijn.

Toen Oona, na vele uren te hebben geslapen, wakker werd, had ze het gevoel dat iemand naar haar stond te kijken. Voorzichtig probeerde zij haar benen te strekken en ze voelde hoe ze daarbij iets aanstootte. Toen zij naar haar voeten keek, dacht ze dat de duisternis en haar oude ogen haar parten speelden. Zij zag daar een heel klein mannetje staan; een dwerg nog kleiner dan de hand van een man.
Maar toen Oona goed keek, zag zij rechts en links, voor en achter haar honderden van die dwergen en ze zei:
‘Wees maar niet bang. Ik wist niet dat jullie hier waren. Zoeken jullie iets?’ ‘Jou en niemand anders,’zeiden de mannetjes met lachende knopgezichtjes. En Oona begreep dat dit het Vriendelijke Volkje moest zijn. ‘Waarom lachen jullie?’, vroeg ze verwonderd.

‘Om jou natuurlijk! Je leven lang heb je voor anderen gezorgd en nooit heb je iets gevraagd en nooit heeft een mens je zichzelf of zijn woonplek geboden. En daarom zijn wij nu hier. Slaap nog maar wat, kind van zigeuners, vanaf heden doen wij het werk!’

En van onder haar deken van sneeuw zag Oona hoe het Vriendelijke Volkje heen en weer rende, hoe het stenen en riet aansjouwde en hoe het die stenen begon te stapelen en er balken op aanbracht en hoe op die balken het dak werd gelegd en hoe daar een Vriendelijke Hut werd gebouwd. En toen het werk gedaan was zeiden de dwergen: ‘Word wakker, Oona Hegarty, word wakker!’ ‘Maar ik ben wakker,’zei Oona, ‘hoewel ik het gevoel heb alsof ik droom.’ ‘Dan pakken we nu je bundel en kun je eindelijk naar huis gaan.
De duizenden kabouters pakten haar bundel en droegen hem de hut binnen en toen Oona over de drempel stapte zag ze dat alles net zo was als zij haar leven lang had gedroomd: voor de ramen hingen zonnige gordijntjes en boven het vuur een glimmend gepoetste koperen ketel. En zij zag dat er nog veel meer was: tafels en stoelen, potten en pannen en de lepel waarmee men het ‘griddle-bread’ roert.

Oona keek naar de dwergen. ‘Ik weet niet waarom jullie dit deden’, zei ze  ‘en ik wil ook niets vragen, behalve één ding: breng mij iedere Witte Kerstmis mensen die ongelukkig, ziek of eenzaam zijn. Ik zal het vuur dan opstoken, waaraan zij zich kunnen verwarmen en ik zal het brood bakken waarmee zij hun maag kunnen vullen. Hier zullen zij dan tevreden en gelukkig zijn.’ ‘Wij beloven het je, Oona Hegarty’, zeiden de elfjes. En toen waren ze weg Nog even hoorde Oona hun heldere stemmen in de verte, daarna werd alles stil.

Doodmoe viel de oude vrouw in een diepe slaap en toen zij wakker werd hoorde ze hoe de klink van de deur werd opgelicht. Vriendelijk zeï ze: ‘Kom binnen Maggie MacManus, ik heb al op je gewacht.’

Het uitgehongerde kind was verbaasd de stem van Oona te horen en een vrouw te zien die Oona misschien wel, maar misschien ook niet was. Zij lag geknield voor de haard en keerde het ‘griddle-bread’ en ze was jong en mooi; haar ogen waren hemelsblauw en haar lokken goudblond en zij leek wel iemand die tot het elfenvolk hoort.

‘Ga maar bij de haard zitten, Maggie,’ zei ze. ‘Je mag zoveel eten als je wilt en als je buik vol is mag je weer naar huis gaan.’

En toen Maggie weer thuis kwam vertelde ze van de Vriendelijke Hut en van Oona die weer als een jonge bruid was. Maar hoewel alle inwoners van Carn-Na-Ween nog maanden naar het hutje zochten, vonden zij het niet. En pas toen er weer een Witte Kerstmis was, zag de weduwe Molly Maclntyre, die was weggelopen omdat men haar naar het armenhuis wilde brengen, een kleine hut, waar achter de ramen een warm licht scheen. Maar zij is nimmer teruggekomen om in Carn-Na-Ween te vertellen hoe behaaglijk het daar was in die hut aan de rand van het veen.

Maar in Carn-Na-Ween weet men dat áls er een Witte Kerstmis is, er altijd hoop is voor een arm, eenzaam mens, dat de weg zal gaan die naar Killybegs leidt en daar zal worden ontvangen door een jonge vrouw die een Vriendelijke Hut bewoont.

(Bron bij mij onbekend)

Vertelstof: alle artikelen

 

717

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.