VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas – overzicht (3)

.
6E KLAS GESCHIEDENIS: ALLE ARTIKELEN
[1]  vakkenintegratie met het vak Engels
[2-1]  spelletjes in Rome
[2-2] geld in Rome
[3] vertaling van Lindenberg ‘Geschichte lehren’: 6e klas; overzicht van de lesstof
uitwerking van Lindenberg
[3-1] Rome: Aeneas; Romulus en Remus
[3-2] Democratie of aristocratie; patriciërs en plebejers
[3-3]  Hannibal
[3-4] De Cracchen
[3-5] Julius Caesar
[3-6] Jeruzalem en Rome
[3-7] Volksverhuizing en ondergang Rome
[3-7/1] Attila
[4-1] Mohammed
[4-2] Franken
[4-3/1] Karel de Grote
[4-3/2] Karel de Grote
[4-4] Karolingers
[5-1] Heilige Romeinse Rijk; Otto 1
[5-2] Otto 1
[5-3] Gregorius VI
[6-1] Kruistochten: 1e
[6-2] Kruistochten: de volgende en de gevolgen
[7-1] Monniken en kloosters
[7-2] Adel, boeren, ridderschap
[7-3] Steden
[8-1] Hoe ga je te werk: levendig vertellen

Als achtergrond voor het geschiedenisonderwijs kun je niet zonder “Geschichte lehren”  van Christoph Lindenberg:

6e klas

Het geschiedenisonderwijs in de 6e klas is door de thema’s meteen heel anders dan de lesstof van de 5e klas. De leidende historische persoonlijkheden treden nu veel sterker op de voorgrond als leden van een groep, als exponenten van een sociale verband. Daarmee hangt samen, dat er heel dikwijls een dualiteit optreedt: twee personen, twee groepen, twee levensopvattingen staan tegenover elkaar en tussen deze groepen speelt de geschiedenis zich af.

In het begin van de Romeinse geschiedenis: 
[3-1] Romulus en Remus

In de tijd van klassenstrijd:
[3-2] patriciërs en plebejers

In de strijd om de wereldheerschappij:  
[3-3] Rome en Carthago
[3-4] de Gracchen**
[3-5] Julius Caesar**
[3-6] Jeruzalem en Rome**
[3-7] Volkverhuizing en ondergang **
[3-7/1] Attila
[4-1] Mohammed
[4-2] Franken
[4-3] Karel de Grote

In de middeleeuwen:  
[4-1] Mohammed**
Arabieren
[4-2] Franken
[4-3/1] Karel de Grote**
[4-3/2] Karel de Grote
[4-4] Karolingers

[5-1] Keizer en Paus

monniken en ridders

Daarmee komt de geschiedenis uit de hoge sferen van cultuurstichting in het bereik van de menselijke uiteenzetting. Dit principe, dat is zeker zo, kun je niet absoluut stellen, maar je kan desondanks bedenken dat zelfs de nu nieuw optredende religie van het christendom betrokken raakt in deze uiteenzetting: alleen al de geschiedenis van de apostelen vermeldt meningsverschillen die later in een dogmastrijd en in de uiteenzetting tussen Rome en Byzantium hun voortzetting vinden.
In dit alles wordt het dialectische principe van de verstandsziel zichtbaar.

De leerkracht moet met het oog op de veelheid van de stof ook zijn eigen verstandsziel goed gebruiken en beslissingen nemen: wat wil je behandelen van deze veelheid aan stof, wat laat je weg.

De thematiek van de 6e klas vraagt meer dan sommige van de andere klassen om een plan, waaraan je je heel precies moet houden, want aan het einde van de 2e geschiedenisperiode moet je bij 1400 zijn aangekomen. In geen geval mogen de thema’s van de 6e klas in de 7e terechtkomen. Het gevaar is steeds, dat je aan het begin van een nieuw klassenjaar, net zoals aan het begin van een nieuwe periode episch  breed begint om daarna verbaasd vast te stellen, dat je maar de helft van de hoeveelheid hebt gedaan.

Wanneer je bij jezelf te rade gaat hoe de 2 perioden te verdelen, lijkt het zinvol je in de 1e periode te beperken tot de geschiedenis van het Romeinse Rijk, het begin van het christendom en de volksverhuizingen: een ongelooflijk omvangrijk programma.
De 2e periode bestaat dan uit islam en de Arabieren als begin en loopt dan via Karel de Grote naar het ontstaan van het Duitse Rijk tot in de hoge middeleeuwen.

Als mogelijkheid je te oriënteren zal hier bij wijze van uitzondering een tijdsplan voor beide perioden voorgesteld worden.

1e  periode
1e week:
In de eerste drie dagen het ontstaan van Rome  en de 7 koningen tot 510, in de drie volgende dagen de strijd tussen patriciërs en plebejers en hoe door die strijd het recht en de wetgeving ontstaat [3-2]

2e week: De strijd tussen Rome en Carthago (Hannibal en
Scipio), [3-3]; de Gracchen en de strijd voor de sociale hervorming [3-4], Caesar als voorbeeld voor het begin van een nieuwe heerschappij [3-5].

3e week: Paulus  en de uitbreiding van het Christendom in het Romeinse Rijk, Paulus in Rome. [3-6]
De laatste 3 dagen:Hunnen en Goten in de volksverhuizing, [3-7]
Ondergang van het Romeinse Rijk [3-7]

2e periode
1e week:
1e helft: Mohammed en de  Islam tot de verovering van Spanje door
Tarik.
2e helft: Karl Martel en de Franken. Karel de Grote en de vernieuwing van het R.R.
2e week:
Ontstaan Duitse Rijk: Hendrik I. en Otto I., kloostercultuurhervorming van Cluny en begin van de strijd tussen keizer en paus.
3e week:
kruistochten, ridderschap ridderorden, ontmoeting Oost/West
Frederik 11 en het begin van de stadscultuur. Poging tot samenvatting: verplaatsing van de cultuur van rondom de Middellandse Zee naar het noorden van Europa

Om dit voorstel meteen wat te relativeren en het niet een verplicht nummer te laten lijken, moet gezegd worden, dat je je best een leerkracht kan voorstellen die zegt: ‘De strijd tussen Rome en Carthago, de Gracchen en de sociale reformatie laat ik weg; ik vind het belangrijker dat ik bv. in de middeleeuwen de Franciscaner monniken en de Hanze behandel. Deze beslissing die bv. in Bremen, Hamburg en Lübeck bijna niet te vermijden is, kun je alleen maar toejuichen.
Waar het enkel en alleen  op aankomt is dat de leerkracht voor het begin van zijn geschiedenisperioden een echt plan maakt en er alles aan doet zo economisch mogelijk les te geven; dat hij het uitvoert.

Met de voorgeschiedenis van de stichting van Rome kom je nog één keer aan het begin van de 6e klas in de sfeer van de sage. De geschiedenis van Rome verschijnt tegen de achtergrond van de mythe, die in de sage van de goddelijke afkomst van de tweeling, in de strijd tussen die twee, in de gedaante van de wolvin aangeduid wordt.
Van betekenis is de moord op Remus die de wet van de heilige muur aan zijn laars lapt. De pas gestichte stad wordt een vrijplaats voor het op drift geraakte volk uit de omgeving. Deze stad kan slechts door strijd en roof groot worden. Nu laat de sage van de 7 koningen met name in de figuur van Numa Pompilius, maar ook in die van Ancus Martius zien met welke middelen het leven van de gemeenschap op orde wordt gebracht.

Het ordenen van de rechtsverhoudingen is dan ook hèt thema van de geschiedenis van de vroege Romeinse republiek. In plaats van een koning komen er twee consuls die zich beraden, elk heeft het recht van tegenspraak . Aan de hand van de standenstrijd kan dan de regeling van eenvoudige sociale verhoudingen beschreven worden, omdat hier problemen, posities en oplossingen helder en eenvoudig zijn: het ontstaan van het plebs als een eedgenootschap (coniuratio, samenzwering), het vertrekken naar de heilige berg, de missie van Menenius Agrippa en zijn beroemde fabel van de ledematen die weigeren nog langer de maag te dienen en tot slot het compromis met de 10 volkstribunen die ook allemaal het vetorecht krijgen
Op dezelfde manier gaat het met de twaalftafelenwet: de publicatie van het recht maakt rechtsgelijkheid mogelijk, vanaf 367 kunnen de plebejers consul worden, vanaf 300 priester, vanaf 287 zijn de besluiten van het volk (plebiscita) bindend voor heel het volk.
Net zo duidelijk kunnen voor een 6e klas de wetsbepalingen zijn die tot uitdrukking komen in de loopbaan van de ambten (cursus honorum) en in de principes van collegialiteit en annuïteit, alsmede in het instituut van de censor: dat het hoogste staatsambt alleen toegankelijk was na gebleken kwaliteit als questor, edil en pretor; dat een censor de uitvoering van het ambt controleerde, dat ieder ambt – tot en met dat van de dictator wiens tijd een half jaar (een veldtocht van één zomer) duurde – begrensd was tot op een jaar, dat ieder ambt tenminste door 2 burgers werd bemand om machtsconcentratie tegen te gaan: dat alles is zo duidelijk dat het iedere leerling diep tevreden kan stellen.

Een tweede deel zou het thema kunnen hebben: de Romeinse deugden scheppen een wereldrijk en het wereldrijk richt de Romeinse deugden ten gronde. Hier zou je intensief het cultuurhistorische aspect kunnen belichten: het landbouwvolk van de Romeinen komt in oorlog met de handelsmacht  Carthago. Als Rome wint, verandert de stad. De lemen hutten maken plaats voor grotere huizen, straten worden geplaveid, Griekse cultuur komt  met Griekse slaven mee de stad in, de landbouwcultuur verdwijnt en daarmee de Romeinse krijgsman die huis en haard verdedigt. In plaats daarvan komt de soldaat, die aangewezen is op soldij en buit. In de flatgebouwen huizen nu mensen die van olie- en graangiften leven, die in het circus strijd willen zien. In de figuur en het leven van Caesar kan het culturele en politieke toneel van de wereldstad Rome geschetst worden. Rome wordt tot het middelpunt van een goed georganiseerd wereldrijk, een periode van 200 jaar vrede en welvaart breekt aan, de binnenstad van Rome wordt met marmer geplaveid, de straten overdekt, aquaducten leiden vers water uit de bergen de stad in, in de thermen baden de rijken, de armen worden met gladiatorenstrijd tevreden gehouden. Het Romeinse is verloren gegaan.

De uitbreiding van het christendom is voor heel de geschiedenis die volgt van de allergrootste betekenis; daarom moet die een plaats krijgen in het geschiedenisonderwijs.
In de figuur van de apostel Paulus komen op een unieke manier samen drie bepaalde aspecten van de wereld van toen: het Joodse, het Griekse en het Romeinse die in dienst komen te staan van de christelijke impuls. Van geboorte en religieuze afkomst was Paulus een strenggelovige Jood, wat zijn vorming betreft groeide hij in Tarsus op, beïnvloed door de Griekse geest, tenslotte was hij Romeins burger, die rechtspositie genoten bij lange na niet alle inwoners van Rome. Zijn reizen brachten hem uit Azië naar Europa; hij brengt het jonge christendom uit de kleine Joodse wereld door zijn predikingen in de cultuur van de antieken; hij sticht de gemeenten in Efese, Filippi, Thessaloniki, Athene, Corinthe en ook in Rome.
Nu komt het erop aan te laten zien hoe in het midden van een oude cultuur in de kleinste kringen de kiem voor iets nieuws ontstaat; hoe een mens die door de geest vervuld en van zijn opgave doordrongen gemeenschappen vormt die, ondanks vervolging en verachting de tijd overleven en stand houden in een tijd van ondergang van de uiterlijke beschaving.

Erg moeilijk is het wat er met de volksverhuizingen gebeurt ten tijde van de ondergang van het Romeinse Rijk, aan leerlingen duidelijk te maken. Het is een buitengewoon complex geheel, waarin Germaanse volkeren, Hunnen, Byzantium en Rome verwikkeld zijn en het kan misschien nog het beste aan het lot van de Westgoten duidelijk gemaakt worden, want het lot van de Westgoten voert ons in de tijd van de volksverhuizingen uit het vruchtbare gebied van de Donau tot voor de poort van Byzantium (378), tot aan de verovering en plundering van Rome (410), naar Gallië waar ze deelnemen aan de slag op de Catalaanse velden, tot aan spanje, waar uiteindelijke het Westgotische rijk ontstaan.
Het eigene van de Germanen kun je het beste karakteriseren door hun manier van leven: de kleine dorpjes, de boerderij, persoonlijke trouw en door de wijze van rechtspraak. In al deze vormen van leven komt de aanspraak op individuele vrijheid naar voren. Vrij sloot de landman zich aan bij de landsheer die hij ook weer kan verlaten; in vrij overleg werd er over het recht en gemeenschappelijke ondernemingen. De vrouw stond bij de Germanen in aanzien, als priesteres kon ze een belangrijke activiteit ontplooien.

De orde van het Romeinse Rijk stort in, in zoverre dat deze al niet ongeschikt tot functioneren was geworden vóór de volksverhuizingen: de verkeerswegen werden onveilig, de handel stortte in, steden liepen leeg, van een staatkundig bestuur kon  nauwelijks meer sprake zijn; de stedelijke wereld van de antieken moest plaats maken voor de agrarische maatschappij van de vroege middeleeuwen.

Behandeling van Mohammed en de islam kan vandaag de dag niet achterwege worden gelaten. Hier kun je beginnen met de biografie van Mohammed, zijn visioenen, zijn roeping tot profeet, zijn strijd. Het is dan belangrijk te laten zien dat de islam een heel ander soort religie voorstaat dan het christendom. De islam kent geen sacramenten, geen gewijde priesters, wezenlijk is het onderhouden van de 5 plichten: de erkenning van de enige god en zijn profeet, de mens Mohammed, het vijf maal bidden per dag, het geven van aalmoezen, het vasten overdag in de Ramadanmaand en de pelgrimstocht naar Mekka. De idee van de heilige oorlog (Jihad) maakt de verovering van verdere gebieden door deze godsdienst begrijpelijk.
Een tweede nadruk na de biografie van Mohammed zou op het behandelen van de culturele verworvenheden van het rijk van de kaliefen kunnen liggen, t.t.v. Harun al Raschid, waarbij bv. een ziekenhuis in Bagdad behandeld kan worden. Belangrijk en indrukwekkend is een blik in de islamitische kunst: kunst zonder beelden, zoals je wellicht in het Alhambra of in de moskee van Abbas de Grote in Isfahan kunt zien. Aldus ontstaat het beeld van een grootse cultuur die op een heel eenvoudige religie stoelt, het toenmalige Avondland ver overtreft, maar merkwaardigerwijs na deze hoge bloei maar weinig verder tot ontwikkeling komt.

De Franken hadden zich anders dan de Goten, Vandalen, Bourgondiërs enz. niet met een leger als bovenlaag gevestigd, maar als volk zich verspreid. Daarom doorstaat het Frankenrijk, anders dan de overige stichtingen van Germaanse rijken, de volksverhuizingstijd in de daarop volgende eeuwen. Op de Franken loopt dan ook de Arabische stormaanval stuk in de slag bij Tours en Poitiers. Maar in de 6e klas hoeft dat maar ternauwernood vermeld te worden om zo tijd te sparen om Karel de Grote te behandelen.
Karel de Grote legde de basis waarop de West-Europese cultuur zich verder zou ontwikkelen, door zijn werk, de Karolingische renaissance, ontstond de aanzet tot een vermenging van Germanendom, christendom en antieke wereld, die zich in de latere eeuwen tot de cultuur van het Avondland zou ontwikkelen. Er vindt iets uiterst merkwaardigs plaats: de Germaanse stammen van West- en Midden-Europa nemen in het teken van het christendom stap voor stap de cultuur van de oudheid in zich op.

De opdracht van de les ligt erin deze cultuurvernieuwing ook werkelijk zichtbaar te maken. Zeer zeker is de uitbreiding van het rijk niet te onderschatten, maar dit zou zonder duidelijke betekenis zijn gebleven, als het ontbroken zou hebben aan een culturele kern die de tijd overleefde.
Van de keizer moet het beeld ontstaan dat hij met Petrus van Pisa, Paulus Diaconus, Theodulf van Orleans en Alquin belangrijke geleerden om zich heen verzamelde, dat hij onderwijs en zielzorg bevorderde, klooster beschermde en stichtte. Deze klooster waren bv. door het verbouwing van wijn, fruit, kruiden een voorbeeld voor de landelijke omgeving. In de Capitulare de Vilis verordonneerde Karel dat iedere boerderij een geneeskruidentuin moest aanplanten met bijvoet, alruin, lavas, zwaardlelie, wortels, salie, rozemarijn, muntsoorten en vele andere planten. Zo bekommerde Karel zich niet alleen om vorming en theologie, om kloosterorde en bouwkunst, bij zijn cultuurvernieuwing hoorde ook het praktische voorbeeld voor de plattelandsbevolking.

Op deze manier kun je dan ook het begin van de Duitse geschiedenis, koning Hendrik 1 en keizer Otto 1, behandelen:
het proces van cultuurvorming zet zich nu in die gebieden voort die pas op het allerlaatst bij het Frankenrijk gekomen waren. De confrontatie tussen Paus en keizer zou je in de 6e klas nog niet als zodanig hoeven te thematiseren, maar wel het proces dat eraan ten grondslag ligt: de sociale differentiatie. Het gaat erom dat eerst de kloosters en dan de geestelijkheid zelfstandiger worden en de geestelijkheid van het ambt weer herbeleven. Voor de priesters wordt het celibaat ingevoerd, opdat ze zich alleen wijden aan het geestelijk ambt; voor de kloosters wordt de vrije abtkeuze doorgevoerd en de seculiere invloed op de bezetting van dit ambt wordt opgeheven. In diezelfde tijd maakt de landbouw een  belangrijke opbloei door: langzaam doet in West – en Midden-Europa  de wielploeg zijn intrede; op grotere schaal wordt ijzer als grondstof gebruik; naast ossen wordt ook het paard voor de ploeg gespannen. Dit alles is gebaseerd op het feit dat sinds het midden van de 11e eeuw de vredesbeweging (Treuga dei) zich steeds verder uitbreidde.
De gebruikelijke vorm van strijd om recht is in de middeleeuwen de vete die volgens bepaalde regels verloopt: nu worden door een vredesgebod de dagen van de week waarop de Heer heeft geleden: donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag tot vredesdagen verklaard, waarop er geen vete mag gelden. Dat geeft aan het hele leven – met name aan de boeren, handelslieden en handwerkslui grotere zekerheid. Deze zekerheid op de verkeerswegen werkt niet alleen door op de monnikenbeweging: die blijft niet tot enkele klooster beperkt, gesteund door de keizer krijgt deze vaste voet in West – en Midden-Europa en uiteindelijk ook in Rome. Daardoor ontstaat uiteindelijk de strijd tussen keizer en Paus.
Door de scheiding van het geestelijke en het wereldlijke breidde zich in West-Europa een nieuwe ascetische geestgezindheid uit, niet alleen in de kloosters, maar ook onder grote delen van de bevolking.Uit deze geestgezindheid ontstonden de kruistochten. Het oorspronkelijke idee was, de Grieken in Byzantium tegen de Seltsjoeken te helpen en in het oosten op de heilige plaatsen een nieuw rijk te stichten. De kruisvaarders die met groot enthousiasme en heilige ernst op weg gingen, konden hun doel niet bereiken. Hoe verder ze naar het oosten kwamen, des te meer vragen riepen hun gedragingen op. De verovering van Jeruzalem 1099, het verloop van de 4e kruistocht werden tot een gruwelijke perversie van wat oorspronkelijk werd nagestreefd. De culturele betekenis van de kruistochten is in het moderne onderzoek zeer omstreden. Vroeger werd algemeen de culturele invloed van de Oriënt op het Avondland toegeschreven aan de ontmoeting van de kruisvaarders met de Oriënt. Onderzoekers van tegenwoordig attenderen erop dat het overnemen van Arabisch cultuurgoed zich vroeger had voltrokken in de vreedzame contactgebieden op Sicilië en in Spanje. In ieder geval echter leidt de kennis maken met producten en productietechnieken van de Oriënt tot een sterke opbloei van de steden. Via de bekende, uit het Arabische of Perzisch stammende leenwoorden kan op de soort producten en nieuwe kennis gewezen worden: damast, katoen, mousseline, gaas, koffie, marsepein, suiker, siroop, sinaasappel, spinazie, abrikoos, muskaat, kaneel, kummel, kopje, karaf, pantoffel;, divan, sofa, matras, magazijn, tarief, schaal, algebra, cijfer.
Om het allemaal samen te vatten zou je het leven van Frederik 2 van Hohenstaufen kunnen vertellen: hoe hij op Sicilië opgroeit en daar in aanraking komt met de Arabische cultuur; hoe hij dan door Paus Innocentius 2 als tegenkoning naar Duitsland wordt gestuurd; hoe hij zich onderscheidt in het conflict tussen de vorsten en de nu zelfstandig geworden steden; de keizerskroning in 1220 en opnieuw bijzonder opvallend: de stichting van de universiteit van Napels, 1224 en Frederiks interesse in de natuur, die je kunt aflezen uit zijn boek over de valkenjacht. Op zijn kruistocht 1228/29 onderhandelt de keizer persoonlijk in het Arabisch met de vertegenwoordiger van de sultan en eist de teruggave van de heilige plaatsen aan de christenen en een veilige verbinding naar de kust. Er zijn nog andere belangrijke en karakteristieke situaties in het leven van deze Staufer.
Het beeld van de middeleeuwen zou echter te eenzijdig zijn geschetst, als je het met deze figuur zou afsluiten. Een persoon die het tegengestelde was van deze glansrijke en tragische keizer is Franciscus van Assisi. Hij en zijn orden vertegenwoordigen een nieuwe manier van vroomheid. Door de absolute armoede, niet alleen die van de monniken, maar ook van de kloosters, waren deze orden in het steedse proletariaat van Noord-Italië, bij de armen geloofwaardig. Uit dit facet van het werken van de Franciscanen kun je het beeld van de maatschappij aanvullen zo dat niet alleen het doen en laten van de grote heren, maar ook het lot van de kleine man, de arme vrouw zichtbaar wordt.

De mogelijkheid bestaat om deze chronologische en op thema’s van de Duitse geschiedenis georiënteerde historie wat naar de achtergrond te verdringen ten gunste van een nog sterkere cultuurhistorische thematiek.
Wat de vroege middeleeuwen betreft, zou het uitgesproken gelukkig zijn, wanneer de leerlingen vooral leerden begrijpen wat het woud in de middeleeuwen betekende: het was de woestijn waarin zich kluizenaars en vogelvrijen terugtrokken; het was wild en dreigend. In vele streken van Europa was de wolvenjacht een plicht van boeren en ridders. Het woud was aanvankelijk gemeenschappelijk bezit; de eikels waren voer voor de zwijnen, honingverzamelaars waagden zich diep in het woud om de begeerde zoete lekkernij te bemachtigen. In de loop van de tijd werd het woud door ontginning steeds verder teruggedrongen en de jacht werd het recht van de heer, het gemeenschappelijk bezit zijn eigendom. In de bossen ontstonden uit kleine nederzettingen dorpjes, de boeren bebouwden het land in vruchtwisseling van 2 of 3 veldjes. De onvrije boeren zijn verplicht tot herendienst en menigeen kijkt verbeten naar de burcht waarvan hij de stenen met de kar moest aanvoeren.

Steeds opnieuw hoor je in de middeleeuwen van volksopstootjes: boeren die zich tegen de heer, bv. Hendrik 4 verzetten. Vele boeren, vooral in Zuid-Duitsland en Frankrijk waren blij, wanneer ze onder de protectie en onder het gezag van een gemoderniseerd klooster konden komen, want deze kloosters hadden geen heer die naast de dienstverlening aan het klooster ook nog aanspraak kon maken op hun werkzaamheden. De kloosters boden de boeren niet alleen bescherming en stimuleerden niet alleen de landbouw, de monniken richtten zich met hun preken vaak meteen tot het volk – dat bestond niet voor de kloosterreformatie van Cluny en Hirsau – en zo leerde de boer niet alleen de inhoud van het geloof kennen, maar ook de dingen die in de afgelegen wereld plaatsvonden.

De plattegronden van de middeleeuwse kloosters laten zien – bv die van Sankt Gallen – dat de kloosters een wereld op zich vormden en tegelijkertijd een wereld voor anderen waren. In de kerk vind je 15 altaren en de priestermonniken zongen of lazen hier meerdere keren per dag de mes en baden dag en nacht voor de gestorvenen, voor hen die leven. Bij dit klooster horen buiten de bibliotheek en het scriptorium, buiten het huis van de abt en de kruisgang ook de herberg voor de pelgrims, het gastenverblijf, het hospitaal, de school, het huis voor de handwerkslieden en al de werkplaatsen, van de stallen, de molen tot aan de bakkerij; er is het huis van de medicus en de apotheek en een tuin met geneeskruiden. Aldus kwam er bij het gebod van de heilige Benedictus naast het gebed ook het werk.

Zoals in het klooster heerste ook in de middeleeuwse stad principieel vrede. Vrede betekende bescherming en recht. De stadsmuur beschermde de burgers, de poorten werden bewaakt, het recht, de markt- en jaarmarktverordeningen boden in de stad bescherming. Stadslucht maakt vrij en deze vrijheid leidt in veel steden tot zelfontplooiing. In Keulen wordt de gemeente in 22 gildes verdeeld; deze kiezen met de aftredende raad de raadsheren die op hun beurt de beide burgemeesters kiezen voor een jaar. De raad beslist over uitgaven en inkomsten, over belastingen, over bondgenootschappen en over oorlog en vrede. De burgemeesters vertegenwoordigen de stad naar buiten toe. Intern regelen de gilden de handel, de kwaliteit van de producten, maten en gewichten. Deze mogelijkheid tot zelfontplooiing, het bewustzijn van vrijheid, leidde in de steden zoals Keulen, Straatsburg en Basel en nog andere, ertoe dat men zich losmaakte van de heerschappij van de bisschoppen en dat op deze wijze de steden de wieg van een nieuw rechts- kunst- en geestesleven werden.*

Voor de vertelstof die je over heel het jaar kunt verdelen:
Romeinse sagen en verhalen

In het Duits – niet vertaald – Römische Sagen und Geschichten

Beide zijn zeer beeldend verteld.

*eigen vertaling.
Voor verbeteringen: pieterhawitvliet  apenstaartje gmail punt com

**Lindenberg geeft de onderwerpen aan in het weekoverzicht. Ik heb ze er hier voor het overzicht, bijgezet

6E KLAS GESCHIEDENIS: ALLE ARTIKELEN
[1]  vakkenintegratie met het vak Engels
[2-1]  spelletjes in Rome
[2-2] geld in Rome
[3] vertaling van Lindenberg ‘Geschichte lehren’: 6e klas; overzicht van de lesstof
uitwerking van Lindenberg
[3-1] Rome: Aeneas; Romulus en Remus
[3-2] Democratie of aristocratie; patriciërs en plebejers
[3-3]  Hannibal
[3-4] De Cracchen
[3-5] Julius Caesar
[3-6] Jeruzalem en Rome
[3-7] Volksverhuizing en ondergang Rome
[3-7/1] Attila
[4-1] Mohammed
[4-2] Franken
[4-3/1] Karel de Grote
[4-3/2] Karel de Grote
[4-4] Karolingers
[5-1] Heilige Romeinse Rijk; Otto 1
[5-2] Otto 1
[5-3] Gregorius VI
[6-1] Kruistochten: 1e
[6-2] Kruistochten: de volgende en de gevolgen
[7-1] Monniken en kloosters
[7-2] Adel, boeren, ridderschap
[7-3] Steden
[8-1] Hoe ga je ter werk: levendig vertellen

6e klas: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Advertenties

10 Reacties op “VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas – overzicht (3)

  1. Pingback: Wat heeft een kind aan de wetenschap? – Vrije School

  2. Pingback: Is de vrijeschool een antroposofische school (2) | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: Ramon de Jonghe/Verachtert nu ook manipulerend op Wikipedia (2) | steinerscholen.com gefocust

  4. Pingback: VRIJESCHOOL- Rudolf Steiner als didaticus (1) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis – alle berichten | VRIJESCHOOL

  6. Pingback: VRIJESCHOOL – 6e klas = geschiedenis (3-3/2) | VRIJESCHOOL

  7. Pingback: VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-3) | VRIJESCHOOL

  8. Pingback: VRIJESCHOOL – Geschiedenis – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  9. Pingback: VRIJESCHOOL – 6e klas – alle artikelen | VRIJESCHOOL

  10. Pingback: VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas – Rome (3-1) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s