Tagarchief: Julius Caesar

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Julius Caesar

 

Julius Caesar ca. 100-44 v. Chr.

julius caesar 2Julius Caesar was een van de grootste veldheren en staatslieden van het oude Rome. Vrijwel zijn hele leven was hij aan gevaar blootgesteld. Als jonge man koos hij de zijde van een aantal hervormers in de Romeinse senaat tegen conservatieve leden en hun machtige leider Sulla. Hij werd gedwongen te vluchten om zijn leven te redden. Later werd hij, terwijl hij op weg was naar Rhodos om lessen te nemen in het houden van redevoeringen, door piraten gevangengenomen. Nog later, als generaal in Gallië, leidde hij zijn troepen in de strijd tegen de barbaarse stammen. Hij onderwierp het grootste deel van Europa aan Rome.

Caesar behoorde tot een voorname Romeinse patriciërs-familie. Al op jonge leeftijd nam hij de beslissing een loopbaan in de politiek te beginnen. Op 18-jarige leeftijd trouwde hij met de dochter van één van de leiders van de hervormers. Daarmee maakte hij zijn standpunt al bekend. Maar het begin van zijn carrière werd vertraagd toen hij door Sulla werd verbannen, omdat hij weigerde van haar te scheiden. Na de dood van Sulla in 78 v. Chr. keerde hij naar Rome terug. Hij begon de politieke ladder te beklimmen. In 62 v. Chr. was hij al tot praetor gekozen. Dit was het op één na hoogste ambt in de Romeinse regering. Het jaar daarna werd hij gouverneur in Andalusië en Portugal. Hij gebruikte zijn positie, net als de andere Romeinse gouverneurs, om militaire overwinningen te behalen en oorlogsbuit te veroveren. Deze buit maakte het voor hem mogelijk in 59 v. Chr. tot consul te worden gekozen.

Als consul won Caesar het vertrouwen van Pompejus, een populaire en succesvolle generaal die ooit aanhanger van Sulla was geweest. Caesar won zijn trouw, door de senaat te dwingen land te geven aan de gepensioneerde soldaten van de generaal. Daarna haalde Caesar Crassus over om zich bij hun verbond aan te sluiten. Daardoor werd het een driemanschap. Crassus, een oude tegenstander van Pompejus, was één van de leidende staatslieden en de rijkste man van Rome. Toen de termijn van één jaar van het consulschap van Caesar was verstreken, vertrouwde hij zijn politieke zaken in Rome toe aan zijn twee bondgenoten en vertrok naar Gallië, waar hij als stadhouder was aangesteld.

In Gallië kreeg Caesar de kans een leger op te bouwen en door middel van veroveringen grote rijkdommen en glorie te vergaren. Tegen 50 v. Chr had hij heel Gallië veroverd. Hij had er orde en vrede gesticht en het gebied volledig onder de controle van Rome gebracht. Zijn overwinningen werden door een samenhang van drie factoren tot stand gebracht. Voor een deel kwam dat voor rekening van de trouw van zijn leger, dat een groot respect had voor zijn moed en kunde. Voor een deel kwam het door zijn besluitvaardigheid en geïnspireerde tactieken, waardoor de tegenstander vaak volledig werd verrast. Voor een ander deel kwam het door een gebrek aan eenheid van de Gallische stammen. Hij trok naar Duitsland en Engeland (toen Germanië en Brittannië genoemd), maar hij had niet genoeg manschappen om ook deze landen aan het rijk toe te voegen.

Caesars overwinningen in Gallië maakten grote indruk op de Romeinen. Pompejus raakte er echter ongerust door, omdat hij de macht en het aanzien van Caesar ten koste van zichzelf zag toenemen. Ook Crassus was niet helemaal tevreden over de bestaande afspraken en ook hij werd ongerust. Maar Caesar overwon de geschillen tussen de drie mannen en hield het driemanschap in stand totdat hij zijn oorlogen in Gallië had beëindigd. Crassus sneuvelde tijdens de oorlog tegen de Parthen in het oosten.

Zowel Caesar als Pompejus hadden legers. Geen van beiden wilde die macht opgeven, zo lang de ander dat ook niet deed. Toen de senaat besloot Pompejus te steunen en Caesar het bevel gaf zijn opperbevel af te staan, weigerde deze. Hij deed de beroemde uitspraak ‘de teerling is geworpen’. Daarop leidde hij zijn troepen over het riviertje de Rubico*, dat de grens tussen Italië en Gallië aangaf. en marcheerde in de richting van Rome. Dit was het begin van een burgeroorlog tussen aan de ene kant de Romeinen die hém als heerser steunden. en aan de andere kant de Romeinen die de republikeinse regeringsvorm en de macht van de senaat bleven steunen. De troepen die de senaat steunden, stonden onder bevel van Pompejus. Ze trokken zich terug voor de opmars van Caesar en vluchtten uiteindelijk van Italië naar Griekenland. Caesar achtervolgde hen. In de eerste veldslag in Griekenland werd hij misleid. Maar Caesar hergroepeerde zijn strijdkrachten op een strategische plaats bij Pharsalus. Toen de troepen van Pompejus tot de aanval overgingen, werden ze vernietigend verslagen. Pompejus vluchtte weer, deze keer naar Egypte, waar hij werd vermoord. Maar zijn leger marcheerde verder naar Tunesië. Caesar, die hen nog steeds achtervolgde, bereikte Egypte. Daar ontmoette hij Cleopatra. Hij besloot eerst te rusten, voordat hij via Syrië en Pontus (in Klein-Azië) naar Rome terugkeerde. In die landen onderdrukte hij verschillende opstanden. Hij beschreef zijn overwinning in Pontus in drie woorden: ‘Veni Vidi Vici’ (‘Ik kwam, Ik zag, Ik overwon’).

Caesar keerde in 46 v. Chr. naar Rome terug. Hij was toen de absolute heerser. Hij begon allerlei plannen te maken. Sommige daarvan werden pas door zijn opvolgers uitgevoerd. Die plannen dienden om de regering in het rijk te reorganiseren. Maar hij werd twee keer weggeroepen om het rebellerende leger van Pompejus in Afrika en Spanje te bestrijden. Alles bij elkaar had hij minder dan een jaar om zijn plannen ten uitvoer te brengen. In 44 v. Chr. bereidde hij zich voor op een veldtocht tegen de Parthen om in het oosten meer gebied aan het rijk toe te voegen. Een groep van 60 tegenstanders zwoer tegen hem samen en vermoordde hem. Zijn toenemende arrogantie en dictatoriale beslissingen hadden hun wrevel opgewekt.

*Alea iacta est!

Toen Julius Caesar op een ochtend in januari met zijn leger het grensriviertje de Rubicon overstak, onder het uitspreken van de historische woorden ‘alea iacta est! oftewel de teerling (dobbelsteen) is geworpen, ontketende hij een van de beroemdste burgeroorlogen uit de geschiedenis. In 2006 schreef de Britse historicus Tom Holland daarover een boek, simpelweg Rubicon getiteld. In dit uitstekend gedocumenteerde werk, dat bij Uitgeverij Athenaeum in Nederlandse vertaling verscheen, beschrijft Holland hoe onder Julius Caesar de Romeinse republiek in een keizerrijk transformeerde. Bovendien weet Holland van de hoofdrolspelers, zoals de generaals Sulla, Pompeius en Julius Caesar, de politicus Cato en de redenaar Cicero, mensen van vlees en bloed te maken. De vele afbeeldingen en kaarten maken Rubicon tot een regelrechte aanrader van liefhebbers van de Romeinse (en dus de Italiaanse) geschiedenis.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

6e klas: geschiedenis

vertelstof: alle biografieën

 

964

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis – Caesar in de lage landen (10-2)

 

Massamoord Caesar in Nederland

Romeinse keizer joeg bij Kessel 100.000 tot 150.000 Germaanse asielzoekers over de kling

Julius Caesar heeft in zijn boek ‘De bello Gallico’ (Over de oorlog in Gallië) beschreven hoe zijn manschappen een groot deel van een Germaans leger, wel 430.000 strijders, doodden, terwijl de overgebleven Germanen in de rivier sprongen en verdronken. Dat verschrikkelijke schouwspel speelde zich af in het jaar 55 voor Christus.

Dit verslag geldt als bewijs dat Caesar ooit hier geweest is. Het is ook het enige verslag, dus het oudste, van een veldslag in Nederland.

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de veldslag heeft plaats gevonden in een oude bedding van de Maas, in Noord-Brabant, in de buurt van Kessel.
In de voorbije tientallen jaren is daar van alles gevonden dat heel overtuigend wijst op een grote veldslag: allerlei zwaarden, veel botten en schedels, maar ook speerpunten en een Gallische helm. De datering komt uit op de eerste eeuw voor Christus. De conclusie is gerechtvaardigd:  Julius Caesar heeft hier echt slag geleverd.

In boek IV van De Bello Gallico beschrijft Caesar hoe twee Germaanse stammen de Rijn waren overgestoken, de grens tussen Gallië en Germania. Ze hebben asiel aangevraagd, maar Caesar moet niets hebben van deze barbaren. Hij rukt met zijn volledige legermacht -acht legioenen plus cavalerie, 45.000 soldaten – naar hen op. En terwijl de Germaanse stamhoofden met hun gcvolg in zijn legerkamp zijn, valt hij hun nederzetting aan.

Het is geen wonder dat er weinig van de massale slachting is teruggevonden. De Romeinen sloegen maar voor een paar dagen een kamp op. Later – maar dat pas in de tijd van Augustus – worden er vaste legerkampen gebouwd, zoals bijv. bij Nijmegen.

Caesar schrijft dat de slag plaatsvond in een gebied waar Maas en Rijn samenvloeien. Die komen echter nergens bij elkaar, behalve als je de Waal geen Waal noemt, maar haar loop naar de Noordzee Rijn blijft noemen, wat op zich niet vreemd is.

Het onderzoek – ook van de eerder toevallige vondsten in die streken – bevestigt de af- en herkomst van de botten: de 1e eeuw voor Christus; met geweldsporen en ze waren ook van vrouwen en kinderen. En ze kwamen van elders.

De onderzoekers maken wel enkele kanttekeningen: Caesar overdreef. Die Germanen kunnen nooit met 430.000 zijn geweest. Zoveel mensen konden ze toen niet bevoorraden. Maar we moeten het ook niet bagatelliseren. Het zullen toch wel 150- tot 200.000 man zijn geweest. Of ze allemaal zijn omgekomen? Een deel moet wel hebben kunnen ontkomen, dat kan niet anders. Maar een fors deel zal zijn gesneuveld. 60 a 70 procent?

Caesar is in de Romeinse senaat heftig aangevallen. Niet vanwege die slachting zelf, zijn tegenstanders verweten hem dat hij de erecode had verbroken. Hij was tot de aanval overgegaan terwijl er een wapenstilstand was. Daar maakte men zich druk om.

Caesars verslag van de massavernietiging van de Tencteri en Usipetes bij de samenvloeiing van Maas en Waal:

Met mijn leger (…) arriveerde ik al bij het vijandelijke kamp voordat de Germanen door konden hebben wat er gebeurde. Door dit alles raakten ze plotseling in paniek: wij waren snel ter plaatse, hun stamhoofden ontbraken, en zij kregen geen tijd om te overleggen en naar de wapens te grijpen. (…). En terwijl hun angst zich manifesteerde in hun geschreeuw en gedraaf, drongen onze soldaten (…) het kamp binnen. Daar boden de mannen die in allerijl de wapens hadden kunnen grijpen korte tijd weerstand, en vochten tussen de karren en bagagewagens. (…) Maar er was ook een grote groep vrouwen en kinderen en deze sloegen nu naar alle kanten op de vlucht. Ik stuurde de ruiterij achter hen aan. De Germanen hoorden gegil achter zich en toen zij zagen dat hun vrouwen en kinderen gedood werden, smeten zij hun wapens neer (…) en renden hals over kop weg uit het kamp. Toen zij bij het punt waren gekomen waar Maas en Rijn samenstromen, zagen zij geen heil meer in verder vluchten. Een groot aantal van hen werd gedood en de rest wierp zich in de rivier, waar zij omkwamen overweldigd door angst, vermoeidheid en de kracht van de stroom.

(Caesar, ‘De Bello Gallico’ 4.14-15)

6e klas Julius Caesar in Nederland

6e klas geschiedenis: alle artikelen

 

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

 

vertelstof: alle biografieën

 

958

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (3-5)

.
6e klas geschiedenis: alle artikelen
 .

JULIUS CAESAR  (100 – 44 v. Chr)

Caesar weigerde zijn vrouw te verstoten
Na de dood van Sulla werd het poli­tieke leven van Rome bepaald door drie mannen. De belangrijkste van hen zou Gaius Julius Caesar blijken te zijn.

Hij werd in 100 of 101 v. Chr. gebo­ren en behoorde tot één van de meest vooraanstaande Romeinse families. Als iets hem onderscheidde van zijn medemensen, dan was het wel zijn wilskracht. Zoals hij het wilde, moesten de dingen gebeuren.
Suetonius geeft er in zijn boek ‘Het leven van de twaalf keizers’ (van Caesar en de elf eerste keizers) verschillende voorbeelden van.
Hij vertelt bijvoor­beeld hoe een priester eens waarschuwde dat de ingewanden van het offerdier ongeluk voorspelden en hoe Caesar antwoordde: ‘Als ik dat wil, voorspellen ze geluk!’ Hij toonde zijn wilskracht al heel jong. Op een zekere dag vaardigde Sulla het bevel uit dat allen die door hun huwelijk banden met de partij van Marius of Cinna hadden, hun vrouwen moesten wegsturen. Caesar, toen pas 19 jaar oud, weigerde te ge­hoorzamen. Hij hield zijn Cornelia, Cinna’s dochter, bij zich. Hiermee liep hij een enorm risico. Het kwam Sulla ter ore dat de jonge Julius Cae­sar zijn bevel niet had opgevolgd en hij was hierover zéér ontstemd. ‘Laat hem maar,’ zeiden zijn vrien­den, ‘het is nog maar een jongeman.’ Maar Sullla getuigde van veel men­senkennis, toen hij opmerkte: ‘Jullie zijn niet slim. In deze slechtgeklede knaap steekt méér dan een Marius!’ Toen deze woorden aan Caesar wer­den overgebracht, leek het deze toch beter voor een tijdje uit Rome te ver­dwijnen…

Ik ben veel meer waard!
Korte tijd later ging de jonge patriciër Julius Caesar naar het Griekse eiland Rhodos om daar welsprekendheid te studeren. Voor een politieke loop­baan was de beheersing van de wel­sprekendheid nu eenmaal een eerste vereiste. En van niemand kon je het  spreken zo goed leren als van de Grie­ken. Daarom gingen vele rijke jonge­mannen een poosje in Griekenland studeren.

Maar Caesar kwam niet zonder avonturen op Rhodos aan. Onderweg werd hij door zeerovers gevangengenomen. Ze deelden hem mee dat ze 20 talenten losgeld voor hem gingen vra­gen. Caesar schoot in de lach, toen hij dit hoorde. Want hij vond dat hij veel meer waard was. ‘Vraag maar gerust vijftig,’ zei hij spottend. Die vijftig talenten van toen staan ge­lijk met 1.200.000 gulden [500.000 euro]. Caesar zond zijn dienaren terug naar Rome om het geld te gaan halen. Hij bleef alleen bij de zeerovers achter. Dat was niet ongevaarlijk, omdat dezen hun gevangenen niet zelden ter dood brachten. Zo bracht Caesar 38 dagen met hen door. Hij deelde hun ruwe leven en ’s avonds las hij hen de gedichten voor die hij maakte. De zeerovers kwamen onder de indruk van zijn krachtige persoonlijkheid. Ze geloofden hem echter niet, toen hij beweerde dat hij, eenmaal vrijge­komen, terug zou komen en hen alle­maal zou laten kruisigen. Ze namen die woorden niet ernstig. Maar toen het losgeld aankwam en Caesar werd vrijgelaten, huurde hij schepen om de zeerovers op te sporen. Hij vond hen en liet allen die hij gevangen kon nemen zonder uitzondering kruisigen zoals hij beloofd had. Pas daarna reisde hij naar Rhodos om zijn studie te beginnen!

Schulden
Weer in Rome teruggekeerd, ging Caesar werken aan zijn politieke loopbaan. Hij behoorde tot de Populares, de Volkspartij van Marius. Dat viel ook wel te verwachten, omdat  zijn vrouw een dochter was van Cinna, een aanhanger van Marius. En tevens omdat hijzelf een neef van Marius was. Caesar viel van jongs af aan in de smaak bij het volk door zijn vrijgevigheid. Hij liet bv. grote gladiatorengevechten houden. Daarbij stak hij zich wel in de schulden. Hij had het aan zijn vriendschap met de rijke Crassus te danken dat hij niet in moeilijkheden kwam. In noodgevallen wilde Crassus wel borg voor hem staan. In 69 v. Chr. begon Caesar als quaestor in Spanje. Daarna doorliep hij nog een aantal ambachtelijke rangen in Rome. In 63 v. Chr. spreken, omdat hij zich verzette tegen de terechtstelling Catilinariërs. Wat was er gebeurd?

De samenzwering van Catalina
Marcus Tullius Cicero was een groot bewonderaar van het vroege Rome en hij nam stelling tegen iedereen die de oude wetten wilde negeren. Zo kwam hij in het kamp van de Optimaten te­recht, de Senaatspartij. In het jaar 63 werd Cicero consul. Twee jaar eerder had hij een samenzwering ontdekt om de regering omver te werpen. Hij beweerde dat dit complot nog steeds bestond. De leider van de samenzweerders was Catalina, een wrede, woeste figuur die in het troebele water van de strijd tussen Marius en Sul­la zeer voordelig gevist had. Hij was nu bezig in de buurt van het huidige Florence troepen samen te trekken, waarmee hij Rome wilde binnenvallen. Op zijn barbaarse programma stonden het doden van Cicero en ver­scheidene senatoren, alsmede het in brand steken van de stad. In een aan­tal meesterlijke redevoeringen wees Cicero de Senaat op het dreigende gevaar. Eerst had hij nog geen bewijzen. Maar toen meldden zich enige Gallische gezanten bij hem. Ze vertel­den hem dat Catalina hun stam had willen omkopen om tegen Rome op te trekken. Toen kon hij zijn beschuldi­gende redevoeringen met een prachtig vuurwerk laten eindigen. Iedereen prees hem om zijn waakzaamheid. De consul had het recht het doodvon­nis over de reeds gearresteerde sa­menzweerders uit te spreken. Cicero maakte hier echter geen gebruik van. Hij vroeg de Senaat hem raad te ge­ven. Het bleek dat de meningen zeer uiteenliepen. Julius Caesar was genadig en wilde de samenzweerders tot levenslange gevangenisstraf veroor­delen. Maar Cato, een achterklein­zoon van de man die eens op de ver­woesting van Carthago had
aange­drongen, eiste de doodstraf en wist de meerderheid op zijn hand te krijgen.

Het volk morde en riep om de ter­doodbrenging van de Catalinariërs. ‘Zij zijn dood,’ zei Cicero dan ook, toen hij de vergaderzaal verliet en de menigte hem vroeg wat er met de sa­menzweerders zou gebeuren. Hij liet de vijf voornaamste Catalinariërs te­rechtstellen. Catalina zelf was naar Etrurië gevlucht, maar werd enige maanden later in een gevecht gedood. Zijn aanhangers sneuvelden tot de laatste man.

Het Eerste Driemanschap
In 61 v. Chr. zat Caesar zó diep in de schulden, dat hij maar weer naar Spanje ging om daar zijn financiën te verbeteren. Hij mocht Rome echter alleen verlaten omdat de rijke Crassus borg voor hem stond. Caesar be­perkte zich ditmaal niet tot ambtelij­ke bezigheden, maar ontpopte zich als een bekwaam veldheer. Verschei­dene gebieden die nog niet door de Romeinen veroverd waren, wist hij aan de provincie toe te voegen. Bin­nen een jaar schraapte hij bovendien zoveel rijkdommen bijeen, dat hij al zijn schulden kon betalen. Toen hij terugkwam in Rome, wilde hij een triomftocht houden. Daarvoor moest hij buiten de stad blijven tot hij toestemming had gekregen. Maar hij wilde zich ook kandidaat stellen voor het consulschap en daarvoor moest hij juist in de stad zijn! Hij liet daarom zijn triomftocht maar varen om zich in Rome kandidaat te kunnen stellen.
De hele Adelspartij was hem echter vijandig gezind, wat betekende dat hij niet tot consul zou worden geko­zen… Maar met de steun van Crassus en Pompejus – één van de vroegere officieren van Sulla – wist hij de be­geerde positie toch te verkrijgen. Hij sloot toen met zijn vrienden een ge­heim verbond. Later heeft men dit wel het Eerste Driemanschap ge­noemd. De vijanden van het verbond noemden het overigens ‘het driekop­pig monster’.

Een heel bijzondere brandweer
Crassus was zo rijk geworden, omdat hij op het idee was gekomen een brandweer op te richten. Een heel bij­zondere brandweer… In Rome, met zijn hoge etagewonin­gen en zijn nauwe, volle straten, was het brandgevaar bijzonder groot. Maar zodra de kreet ‘Brand!’ weer­klonk, was Crassus ter plaatse. Ter­wijl zijn brandweerlieden zich gereed maakten om het vuur te lijf te gaan, zocht hij de eigenaar van het pand op. Hij bood er een prijs voor die zeer laag lag, maar toch net iets hoger dan de waarde van het huis als het af­gebrand zou zijn. Ging de eigenaar niet op zijn bod in, dan haalde hij zijn schouders op en liet hij de vlammen hun vernielende werk doen. Maar aanvaardde de eigenaar zijn bod, dan spoorde hij zijn brandweer­lieden aan de brand snel te blussen. Vervolgens knapte hij het huis op en verkocht het met een grote winst… Omdat er geen tweede brandweer in Rome was, had Crassus herhaaldelijk succes met zijn afpersingspraktijken. Hij vergaarde een groot fortuin. Al spoedig beheerste hij het Romeinse zakenleven. Met zijn fortuin kocht hij stemmen. Hij leende zijn geld na­melijk uit, en wanneer iemand hem niet op tijd terug kon betalen, zei hij: ‘Dat geeft niet, zolang je maar op mij stemt.’
Crassus wilde graag een groot bevel­hebber en heerser worden. Van al zijn dromen kwam helaas weinig terecht. Maar één keer kreeg hij de gelegen­heid de held te spelen. Dat was bij de opstand van de slaven, onder leiding van de gladiator Spartacus.

Zij die gaan sterven, groeten U!
De Romeinse gladiatorengevechten stamden af van het Etruskische ge­bruik om bij begrafenissen een aantal zwaardvechters tegen elkaar te laten strijden. Later werd dit een volksver­maak. Krijgsgevangenen, slaven en misdadigers werden gedwongen om in de arena op leven en dood met el­kaar te vechten.

Hoewel ‘gladiator’ is afgeleid van ‘gladius’, het Latijnse woord voor ‘zwaard’, kreeg het publiek ook an­dere wapens en andere strijdmethoden te zien. Sommige gladiatoren moesten de tegenstander met een net proberen te vangen. Daarna doodden ze hem met een drietand, die ze in de andere hand hielden. Het kwam ook voor dat de gladiatoren slechts gewa­pend waren met een lasso, waarmee ze de tegenstander wurgden, zodra ze hem te pakken hadden gekregen. De voorstelling begon altijd met de intocht van de gladiatoren. Wanneer de keizer of een andere prominent aanwezig was, maakten de vechters hun opwachting met de woorden: ‘Zij die gaan sterven, groeten U!’ Dan kon de strijd een aanvang ne­men. Als een strijder zwaar gewond werd, riep het volk: ‘Habet!’ (Hij heeft hem!). De gevallen gladiator kon in dit geval zijn hand opheffen en daarmee om genade vragen. Het hing vooral van de stemming van de keizer of het publiek af of hij gespaard werd. Beslissend daarbij was of hij goed gestreden had of niet. De keizer balde zijn vuist als de gladi­ator mocht blijven leven, en stak zijn duim omlaag als hij moest sterven. In het laatste geval ontving de gladiator de genadestoot van de collega die hem geveld had.

De opstand van de slaven en gladiatoren
Voor de wrede gladiatorensport waren natuurlijk steeds nieuwe, getrain­de vechtersbazen nodig. Eén van de opleidingscentrums bevond zich in Capua. Daar brak in 73 v. Chr. een opstand uit. Zeventig gladiatoren wisten zich te bevrijden. Op straat ge­komen, plunderden ze een winkel waar mensen te koop waren. Als hun aanvoerder wierp zich Spartacus op. Spartacus was als vrij man geboren in Thracië, het tegenwoordige Roeme­nië. Omdat hij gedeserteerd was uit het Romeinse leger, was hij als slaaf in de gladiatorenschool terechtgeko­men. Maar nu had hij zijn vrijheid te­rug, en hij was niet van plan deze weer te verliezen! Doordat zich vele weggelopen landbouwslaven bij hem voegden en zijn rebellenleger uit­groeide tot 70.000 man, kon hij tot tweemaal toe de op hem afgestuurde Romeinse legers verslaan die uitge­zonden waren om hem te bedwingen.
Intussen drong hij op naar het noor­den, in de hoop dat hij over de Alpen zou kunnen ontkomen en zijn ge­boorteland weer zou kunnen berei­ken. Maar zijn volgelingen bleven lie­ver roven en moorden in Italië. De discipline in het slavenleger was ver te zoeken. Toen trok Spartacus naar het uiterste zuiden van het schiereiland, waar de rijke generaal Crassus zich met hem kwam meten. Nog éénmaal versloeg Spartacus de Romeinse troe­pen. Maar de volgende keer moest hij het onderspit delven. Toen hij in 71 v. Chr. tegenover het leger van Cras­sus stond, doodde hij zijn paard om daarmee te kennen te geven dat hij niet zou vluchten. Zijn aanhangers waren echter minder dapper en lieten hem in de steek. Hij werd door een speer getroffen en vocht nog moedig door. Maar ten slotte zakte hij ineen. De meeste aanhangers van Spartacus vonden tijdens deze veldslag eveneens de dood. En met hetgeen er nog over was van zijn leger, rekende de veld­heer Pompejus af tijdens een felle drijfjacht.
Als afschrikwekkend voorbeeld wer­den  zesduizend  gevangen slaven langs  de  Via  Appia  gekruisigd.

Hoe de Provence aan zijn naam kwam
In het jaar dat Caesar consul was, maakte hij vooral wetten die hem ver­zekerden van de steun van het volk. Zo kwam er een wet die toewijzing van land aan gepensioneerde soldaten regelde, en een andere wet voor de uitdeling van graan. Na afloop van zijn consulaat vroeg Caesar aan de Senaat of hij gouverneur van de provincie Gallië mocht worden. Zoiets was gebruikelijk. Maar niet normaal was dat hij het ambt voor de duur van vijf jaar wilde hebben, in plaats van voor één jaar. De Senaat was evenwel bang voor zijn invloed en vond het niet zo’n slecht idee dat hij voor een tijdje van het toneel verdween. Daarom ging men op zijn verzoek in. De jaren in Gallië vormen één lange reeks verove­ringen en overwinningen. Caesar be­schreef ze zelf in zijn boek ‘Over de Gallische Oorlog’. Het is geen bescheiden boek, omdat hij het ge­bruikte om propaganda voor zijn ei­gen persoon te maken. Er waren twee Gallische gebieden: Cisalpijns Gallië dat samenviel met de Povlakte, en Transalpijns Gallië, dat ruwgezegd Zuid-Frankrijk om­vatte. In de tijd dat ze zich Iberië (Spanje) toeeigenden, hadden de Ro­meinen het zuidoostelijk deel van Frankrijk bezet. Want dat was de toegangsweg naar Spanje. Ze noem­den dit gebied vaak kortweg ‘de pro­vincie’ en daaruit is de huidige naam Provence’ ontstaan. De rest van het latere Frankrijk werd in de jaren 58 -50 v. Chr. door Caesar veroverd.

Belgen – de dappersten onder de Galliërs
De Romeinen kwamen aanvankelijk altijd – of het nu oprecht was of niet -te hulp en dat deed Caesar nu. Een Gallische natie riep zijn hulp in tegen Germaanse stammen die vanuit het oosten opdrongen. Welwillend dreef Caesar eerst het Gallische volk van de Helvetiërs, dat vanuit Zwitserland op de vlucht was, terug. Daarna joeg hij de oprukkende Germanen met hun aanvoerder Ariovistus terug over de Rijn. Hij bezette meteen elk gebied dat hij doortrok. Door deze succes­sen kreeg Caesar de smaak van het veroveren te pakken. In 57 en 56 v. Chr. veroverde hij geheel Frank­rijk en delen van de Nederlanden be­zuiden de Rijn. Deze gebieden wer­den allemaal tezamen Gallië genoemd en de bewoners Galliërs. Verreweg de meeste weerstand bood het Gallische volk van de Belgen. Toen Caesar bij de rivier de Sambre in de Ardennen door de stam der Nerviërs werd aangevallen, leek het even of hij zou gaan verliezen. Als hij niet – zo vertelt hij tenminste zelf -een schild had gegrepen en zijn mannen was voorgegaan in het gevecht, dan zouden de Romeinen misschien nooit noordelijker gekomen zijn. Met een zeker ontzag noemt Caesar de Belgen dan ook ‘de dappersten onder de Galliërs’.

De Rijngrens in Nederland
In de Nederlanden hebben de Romei­nen zich nog even ten noorden van de Rijn vertoond. Er is een ogenblik ge­weest dat ze bijna het hele Nederland­se grondgebied beheersten. Maar de Rijndelta bestond uit moeilijk toe­gankelijke gebieden en de Friezen maakten het hun te moeilijk. Ze wa­ren gedwongen de Rijn voorgoed als grens te aanvaarden. Langs deze na­tuurlijke grens bouwden ze een reeks sterkten, zoals Noviomagus (Nijme­gen), Fectio (Vechten) en Praetorium Agrippinae (Valkenburg-Z.H.), wel­ke door een weg verbonden waren. Hier, bij deze Nederlandse plaatsen, eindigde dus het onmetelijke
Ro­meinse Rijk! In de Zuidelijke Neder­landen legden de Romeinen ‘villae’ (herenboerderijen) aan, waarvan de eigenaars behalve aan landbouw ook aan nijverheid deden. Door de aanleg van wegen werd dit gebied voor de Romeinse handel ontsloten. Op de knooppunten van deze wegen ont­stonden steden, zoals Atuatuca Tungrorum (Tongeren) en Orolaunum (Aarlen).

Landing in Engeland
Caesar moest in 56 v. Chr. even terug naar Italië om ervoor te zorgen dat hij zijn greep op de politiek aldaar niet verloor. Hij verlengde zijn geheime verbond met Crassus en Pompejus en hij sprak met hen af dat zij tweeën het eerstvolgende jaar consul zouden worden en dat hij nog vijf jaar in Gallië zou blijven. Eigenlijk koesterde Caesar nog grotere plan­nen. Kooplieden hadden hem verteld dat in Engeland tin en lood in de aardbodem aanwezig waren en dat de edelstenen er voor het oprapen lagen. Maar bovenal wilde hij naar Brittannië om er de inwoners de omvang van zijn macht te tonen. Caesar was beze­ten van macht. In het jaar 55 v. Chr. stak Caesar met 80 schepen en 80.000 man naar Engeland over. Hij landde bij het tegenwoordige plaatsje Deal. De invasie verliep moeilijk. Toen men de barbaren eindelijk had terug­geslagen, bleek dat er maar weinig buit in dit land te behalen viel. Toch deed Caesar het volgende jaar nog een tweede aanval, ditmaal met 800 in plaats van 80 schepen. Het succes was nauwelijks groter. Pas in 43 na Chr. zou onder keizer Claudius het zuidelijk deel van Engeland veroverd worden. Voordat de grens van het Romeinse Rijk in Schotland kwam te liggen, zouden nog dertig jaar ver­strijken. In 122 na Chr. liet keizer Hadrianus in Schotland de bekende Hadrianuswal aanleggen, een grens-wal tegen de barbaarse Schotten.

Caesar en Vercingetorix
In Gallië was Caesars taak nog niet geëindigd, want in 52 v. Chr. kwa­men zuidelijke stammen in opstand tegen de Romeinse overheersing. Hun leider was Vercingetorix. Omdat hij Caesar veel last bezorgde, is hij sindsdien vereerd als een nationale beid van Frankrijk. Toen Vercingeto­rix zich in de stad Gergovia [in de buurt van Clermont-Ferrand] in Auvergne verschanste, lukte het Caesar niet de stad te veroveren. De eerste keer dat een Gallische stad sterker was dan hij! Deze vernederende gang van za­ken leek zich even later te gaan herha­len in Alesia, niet ver van het huidige Dijon. Vercingetorix had zich daar verschanst en hij was erin geslaagd boodschappers dwars door de Ro­meinse linies te zenden om andere stammen te hulp te roepen. Vier da­gen lang zag het er voor de Romeinen somber uit. Maar ten slotte kregen ze toch de overhand. Om zijn leger te redden gaf Vercingetorix zich over en wierp zich aan de voeten van Caesar. Maar dit opofferende gebaar was niet aan Caesar besteed. Hij zond Vercingetorix als gevangene naar Rome en zes jaar later, op de dag van zijn triomftocht, liet hij hem wurgen.

De teerling is geworpen
Terwijl Caesar in Gallië roem voor zich zelf en voor zijn land behaalde, vocht Crassus in Syrië tegen de Par­then. Hij werd niet de legendarische veldheer die hij had willen worden. In 53 v. Chr. sneuvelde hij. Toen was er van het Driemanschap nog maar één in Rome over: Pompe­jus. Hij wendde zich van de Volks­partij af en sloot zich bij de Se­naatspartij aan. Alles ging hij doen om de macht van Caesar te ondermij­nen…

Het resultaat was dat de Senaat Cae­sar beval terug te komen in Rome. Zijn vijanden beschuldigden hem van wandaden die hij tijdens zijn consu­laat begaan zou hebben. Daar moest hij zich maar eens voor komen ver­antwoorden. Maar hij mocht uiter­aard niet zijn leger meebrengen! Dat moest hij achterlaten bij de rivier de Rubico, die de grens tussen Gallië en Italië vormde. Caesar aarzelde. Als hij niet aan het bevel van de Senaat gehoorzaamde en toch zijn leger mee­bracht, betekende dat een burgeroorlog. Maar kon hij zich zo maar gaan uitleveren aan zijn vijand? Peinzend stond hij aan de Rubico. ‘We kunnen nog terug,’ zei hij tegen zijn mannen. Op dat ogenblik begon een herder aan de overkant een lief­lijk wijsje te spelen. Hierdoor aange­trokken staken een paar soldaten het riviertje over. Caesar vond het een goed voorteken. ‘Laat ons gaan waar de voortekenen van de goden ons roepen,’ riep hij uit, ‘de teerling is geworpen!’

Hij gaf zijn paard de sporen en stak aan het hoofd van zijn leger de Rubi­co over. En dit had zoveel gevolgen dat men nog steeds de uitdrukking ‘de teerling is geworpen’ en ‘de Rubi­co* oversteken’ gebruikt voor het ne­men van een belangrijk besluit.

Het hoofd van Pompejus
Zonder Italië te verdedigen vluchtte Pompejus met de Senaat naar Grie­kenland. Daar wilde hij troepen ver­zamelen om Caesar vanuit het oosten en vanuit Spanje aan te vallen. Cae­sar maakte zich niet druk om zijn te­genstander en veroverde eerst Italië. Vele aanhangers van Pompejus lie­pen naar hem over. Vervolgens trok hij naar Spanje, waar hij Pompejus’ troepen versloeg en opnieuw vele overlopers kreeg. Pas in de winter van 48 v. Chr. stak Caesars strijd­macht over naar Griekenland. Na enige schermutselingen hier en daar verpletterde Caesar de troepen van Pompejus bij Pharsalus. Pompejus vluchtte verder, nu naar Egypte. Zou men hem daar asiel ver­lenen? De koning, Ptolemaeus XII, was pas dertien jaar, maar de kroon­raad nam het besluit. Men zou Pom­pejus niet wegsturen en men zou hem niet welkom heten. Bij de landing werd Pompejus vermoord! Toen Caesar tien dagen later in Egypte landde, kon men hem het hoofd van Pompejus tonen. Caesar maakte nog een korte strafexpeditie door Klein-Azië om de vorsten te straffen die steun aan Pompejus hadden verleend en een opstand hadden ontketend. Alles liep daarbij zo op rolletjes dat hij aan een vriend kon schrijven: ‘Veni, vidi, vici!’ ofwel ‘ik kwam, ik zag en ik overwon!’

In het jaar 45 v. Chr. kon hij naar Rome terugkeren. Zijn soldaten wa­ren de oorlog moe geworden. Ze lie­ten dit duidelijk merken; er dreigde opstand. Caesar sprak slechts één woord tot hen, waarmee hij niet al­leen de dreigende opstand bedwong, maar ook alle soldaten de hun toeko­mende oorlogsbuit en triomf
ont­nam. Hij sprak alleen maar: ‘Burgers…!’

Eind 45 trok Caesar naar Afrika. Daar had de verslagen Se­naatspartij zich verschanst met de hulp van de Numidische koning Juba. De republikeinen werden aange­voerd door Cato en ene Scipio. In 46 werden ze bij Thapsus door Caesar verslagen. Daarmee kwam aan het laatste republikeinse verzet een einde. Cato, Scipio, Juba en anderen pleeg­den zelfmoord.

Dictator voor het leven
Caesar liet zich enorme volmachten geven. Hij werd dictator voor het le­ven en hij kreeg het recht om de titel ‘Imperator’ te dragen, wat wil zeggen opperbevelhebber van het leger in het hele rijk. De bevoegdheden van con­sul, censor, opperpriester en tribuun, allemaal trok hij ze aan zich. Hij mocht voortaan de wetten maken, hij mocht rechtspreken zonder dat hier beroep op mogelijk was en hij mocht vrijwel alle magistraten benoemen. Kortom, het gezag van de Volksver­gadering, van de Senaat en van de magistraten was weggevaagd. Alleen Caesar bleef over! Het moet eveneens erkend worden dat Caesar zijn macht niet, zoals Marius en Sulla, gebruikte om zijn tegenstanders te vervolgen. ‘Laten we een nieuwe manier van overwinnen invoeren,’ zei hij, ‘en la­ten we proberen ons te handhaven door te vergeven en zacht te zijn.’ Hij ging erop toezien dat de provin­cies rechtvaardiger bestuurd en niet meer zo uitgezogen werden. Ook trachtte hij iets voor de armsten van Rome te doen. Hij gaf hun trouwens liever werk dan aalmoezen, en hij on­dernam daarom grote publieke wer­ken, zoals het plan tot het droogleg­gen van de Pontijnse Moerassen. Hij bracht ook de verdediging van de rijksgrenzen in uitstekende staat. Voorts wist hij de financiële positie van de staat weer gezond te maken. De tijdrekening, die geheel in de war was, verbeterde hij door invoering van een nieuwe, de zogenaamde Juli­aanse kalender.

Ook jij, Brutus?
Maar toen er geruchten gingen dat Caesar zich tot koning wilde laten uitroepen – en sinds de Etruskische koningen hadden de Romeinen een intense afkeer van de monarchie – konden zijn vijanden vrij gemakke­lijk zijn val bewerkstelligen. Zij kon­den nu immers zeggen dat ze de repu­bliek wilden redden… Er werd een complot gesmeed om Caesar te vermoorden. De voor­naamste samenzweerder was Cassius, een voormalige tegenstander van Caesar, die echter begenadigd was. Met Brutus, een tweede samenzweer­der, was dit ook het geval. Maar Bru­tus was intussen een beschermeling en vriend van Caesar geworden. Hij deed alleen mee, omdat hij de inner­lijke overtuiging had dat het staatsbe­lang dit eiste. De samenzweerders, al­lemaal senatoren, besloten snel te handelen vóór hun plan ontdekt werd. Ze kozen als datum de 15e maart 44 v. Chr. Er zou dan een
be­langrijke Senaatsvergadering plaats­vinden. En ze wisten dat Caesar
on­gewapend en zonder lijfwacht naar het Senaatsgebouw zou komen. Hoewel hij vanwege talrijke slechte voortekenen en herhaalde waarschu­wingen eerst niet wilde gaan, begaf Caesar zich op de bewuste dag toch naar die vergadering. Op een afgesproken teken trokken de samenzweerders hun dolken en vielen hun slachtoffer van alle kanten tege­lijk aan. Toen Caesar zag dat Brutus eveneens zijn wapen ontblootte, sta­melde hij teleurgesteld: ‘Ook jij, Bru­tus…?’

Vervolgens trok hij zijn toga over zijn hoofd en bezweek onder de dolksteken.

6e l;as Rome Julius Caesar

Een mooie vrouw
Tijdens zijn verblijf in Egypte raakte Caesar nog betrokken bij een konink­lijke familiestrijd. De jonge ‘Ptolemaeus XII regeerde samen met zijn zuster Cleopatra. Zij was geen katje om zonder handschoenen aan te pak­ken, en men had aan het hof op een ze­kere dag zo genoeg van haar streken en eisen dat men haar eenvoudig de stad uitzette. Dit gebeurde juist toen Caesar in Egypte kwam. Cleopatra ging gauw zijn hulp vragen. Omdat zij een mooie vrouw was, kreeg ze die.

Caesar mar­cheerde Alexandrië binnen, nam Ptolemaeus gevangen, maar werd toen plot­seling door het Egyptische leger aange­vallen. Samen met Cleopatra en de 13-jarige koning moest hij zijn toevlucht zoeken op het eiland Pharos, waar de vuurtoren stond. Hij zat daar zes maanden ingesloten vóór hij door Ro­meinse troepen ontzet werd. Caesar zorgde ervoor dat Cleopatra de Egyptische troon voor zich alleen kreeg en in de toekomst niets meer hoefde te vrezen. Maar nadat dit alles geregeld was, bleef hij vanwege haar charmes nog een hele tijd bij haar han­gen…

Omdat de Romeinen in ons land veel hebben nagelaten, is het vanzelfsprekend ook aan dat deel van de vaderlandse geschiedenis aandacht te besteden.

Dat kan bv. heel goed vanuit plaatselijke omstandigheden. Een vrijeschool in Nijmegen heeft allerlei mogelijkheden om de interesse van de kinderen voor de Romeinse tijd te wekken.

Julius Caesar in Engeland
E
en leesboekje in het Engels – een 6e klas met Engels vanaf klas 1 zou het met wat hulp moeten kunnen lezen.

Julius Caesar in de lage landen

In ‘Geschiedenis van de lage landen‘ van Jaap ter Haar staat in deel 1 heel veel wat je meteen kunt gebruiken en bijna letterlijk vertellen

*Steiner gebruikte het woord vaak om de overgang van vóór het 9e of 1oe jaar naar de tijd erna te karakteriseren.
.

 6e klas geschiedenis: alle artikelen
.
 6e klas: alle artikelen
 .
661

 

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – 6e klas (1)

 .
Pieter HA Witvliet
.

VAKKENINTEGRATIE


Het op elkaar betrekken van verschillende vakken, is na de zeventiger jaren van de vorige eeuw als ‘vak(ken)integratie bekend geworden; de vraag is wel in hoeverre het in het onderwijs – in ’t algemeen – in de praktijk wordt gebracht.

Steiner wees er al meteen bij het begin van de eerste vrijeschool in Stuttgart op (1919!) hoe zinvol het is dezelfde leerstof vanuit verschillende vakoptieken met de leerlingen te behandelen.

Hij noemde dit af en toe ook ‘economisch’ waarbij je dan ook moet denken aan ‘tijdwinst’ en grotere interesse, betrokkenheid van de leerlingen bij de stof.

Tevens vloeide daaruit voort dat de leerkrachten: klassen- en vakleerkrachten met elkaar zouden moeten overleggen: waar ben jij in het hoofdonderwijs mee bezig en hoe kan ik daar met mijn vak bij aansluiten; of wat doe jij en wat doe ik of doen we allebei hetzelfde maar dan vanuit een verschillende invalshoek.

Zo zou je bv. wanneer je in klas 6 geschiedenis geeft, de rol van Julius Caesar voor onze streken kunnen belichten door in het Engels een boekje over hem te lezen.

Bij de uitgeverij Ladybird werd ooit gepubliceerd:

JULIUS CAESAR and ROMAN BRITAIN

Een klein, handzaam, goedkoop boekje, met een tekst die voor een 6-klasser – mits hij in de jaren ervoor goed Engels heeft gekregen – niet al te moeilijk is. Bovendien zijn de illustraties heel mooi.

Hier volgen een paar bladzijden. I.v.m. de rechten weet ik niet of ik heel het boekje mag weergeven.*

JULIUS  CAESAR AND  ROMAN BRITAIN

Long before the Romans conquered Britain, men had lived in these islands for hundreds of years. Some of them had come from northern countries like Norway or Denmark, others from France and Spain.

These people were divided into many tribes, each under its own chief. They lived in villages, in houses made of wattle and daub, that is, wooden poles and branches twisted together and covered with dried clay. These houses were usually just one room, thatched with reeds, and with a hole in the roof above the open fire. There was no glass in the small openings which let in the light, and they must have been very cold and draughty.
The men were mostly farmers, growing corn and grazing cattle. Their farming tools were made of bronze or iron by smiths, who also made swords and simple helmets; potters made bowls and jugs for domestic use.
The men and women wore brightly coloured clothes made of wool, and the wives and daughters of the chiefs had golden bracelets and necklaces, which may still be seen today in museums up and down the country.
Those of the Britons who lived by the sea were fishermen as well as farmers, and all of them fished in the rivers, which were cleaner than they are now.
The boats which the fishermen used were called coracles. They were very unlike the boats used today, although similar boats may still be seen in parts of Wales.
The coracles of the Britons were made of willow branches woven into what looked like a large shallow basket. This was covered on the outside with skins and then made waterproof with the resin or gum from pine and other trees. These little boats were very light, and the fisherman could easily carry his boat from his house to the lake or river.
Because they were round and flat, they were also very difficult to upset, and even on a rough sea they were safer than present-day rowing boats. On the west coast of Ireland coracles are still used by the islanders of Great Blasquet to cross the rough waters of the Blasquet Sound, and wrecks are said to be quite unknown.

engels 6e klas 1

engels 6e klas 2

*Bij de uitgever is het uitverkocht. Wie het met zijn klas zou willen lezen: ik kan je de tekst toesturen. Je kunt je bericht sturen naar:

pieterhawitvliet -voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

6e klas geschiedenis: alle artikelen

vertelstof: alle biografieën

Vrijeschool in beeld: 6e klas w.o. geschiedenis

.

552-506

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Julius Caesar

.

Heil Caesar!

De piraten hadden er geen vermoeden van hoe gevaarlijk  hun gevangene was. Deze jonge Romein met zijn blanke huid, donkere ogen en volle lippen was duidelijk een edel­man en zij stelden de losprijs dus op twintig talenten (ongeveer 40 000 gulden).
Julius Caesar lachte hen openlijk uit. Hij was er vijftig waard, zei hij, en beloofde terug te zullen komen om hen stuk voor stuk aan de galg te brengen! De losprijs werd betaald en de jonge Caesar hield zich aan zijn woord. Op een vlootexpeditie nam hij zijn ontvoerders gevangen, stak de vijftig talenten weer in zijn zak en keek toe hoe de piraten werden opgehangen.

Dit gebeurde in 76 v. Chr., toen Caius Julius Caesar in de twintig was, maar toen al een rijp man. Opgeleid aan de beroem­de school van Rhodos, waar men de kunst van  het spreken en schrijven onderwees, was hij een der meest gecultiveerde mannen van zijn tijd, briljant causeur en uitmuntend redenaar. Deze eigenschappen en een nimmer aflatende ambitie zetten Julius Caesar ertoe aan zich in het openbare leven te storten. Hij schiep zich een reputatie door namens een aantal Griekse steden de Romeinse gouverneur te vervolgen wegens corruptie. In Rome wreef men zich de ogen uit toen men zag, hoe de meesters nu ter verantwoording werden geroepen wegens knevelarij van de overwonnenen en senator Cato, een van degenen die iedereen voortdurend van ondermijnende activiteiten verdachten, nam zich voor een onderzoek naar hem in te stellen.
Maar deze elegante aristocraat was tevens een slim politicus en het ene ambt na het andere viel hem toe. Om de schitterende partijen te kunnen geven, die daarbij hoorden, ging de roekeloze Caesar monsterachtige schulden aan, die hij slechts kon terug­betalen met leningen van zijn vriend Crassus, een miljonair. Bij het jagen naar macht bewoog hij zich onder de laagsten en de hoogst geplaatsten. Hij werd een fat en een genotzoeker. Hij liet zich van zijn tweede echtgenote, Pompeja, scheiden, omdat “Caesars vrouw boven elke verdenking verheven moet zijn” en zij dat niet was. Zo kwam de corruptie van het heidense Rome zijn briljante toekomst als een langzaam vergif ondermijnen.

Toen, na vele jaren verdaan te hebben, ontdeed Caesar zich van zijn ondeugden als van een stel vuile kleren. Hij aanvaardde een benoeming als gouverneur in West-Spanje en daar hardde hij zich door dagen en nachten in het zadel te blijven. Met zijn legioenen deelde hij honger en vermoeidheid. Van lichaam en wil smeedde hij stalen werktuigen. Zonder aflaten, in hitte en stof, storm en sneeuw, achtervolgde Caesar de bandieten die het land, dat onder zijn bestuur was gekomen, vergiftigden. Bij die expedi­ties bereikte hij de kusten van de Atlantische Oceaan en bracht dit gebied (het huidige Portugal) binnen het Romeinse rijk.

Na zijn terugkeer in Rome werd Caesar met algemene stemmen tot Romeins Consul gekozen. Als bestuurder van de staat stelde Caesar een wetsontwerp op, waarbij veteranen uit buitenlandse oorlogen land toegewezen zouden krijgen. Tot dusver had een ontslagen soldaat zich al gelukkig geprezen wanneer hij zijn ach­terstallige soldij uitbetaald kreeg, en land dat aan het rijk was toegevoegd, werd door de senatoren onmiddellijk in de wacht gesleept als speculatie-object.

De Senaat verzette zich als één man. Caesar ging toen met zijn wetsvoorstel naar het Forum, het grote marktplein in het hartje van Rome, en legde het daar ter stemming voor aan het plebs, het gewone volk. Deze handelwijze was in overeenstemming met de grondwet, maar Rome was verbaasd een Consul zo voor het volk te zien buigen. Caesar kreeg het zover, dat de afgod van de dag, Pompejus de Grote, hem op het rostrum (de stenen verhoging, die men in de ruïnes van het oude Rome nog altijd kan zien) bijstond. Het volk betuigde juichend zijn instemming en Caesar keerde terug naar de Senaat om bekend te maken dat het voor­stel nu kracht van wet had gekregen.

Daarna gaf Caesar bevel, dat de handelingen van de Senaat elke dag overal in de stad op muren moesten worden bekendge­maakt om de bevolking op de hoogte te houden. Hij liet een wet aannemen, waarbij de gouverneurs van veroverde provincies ertoe verplicht werden verantwoording van hun inkomsten af te leggen. Toen zijn ambtstermijn in 59 v. Chr. eindigde, stelde de Senaat hem prompt aan tot gouverneur van het Romeinse Gallië (nu Zuid-Frankrijk), een afgelegen provincie, voortdurend door wilde stammen bedreigd.

Julius Caesar schreef zelf het beroemde hoofdstuk van zijn leven dat nu zou volgen. Zijn “Oorlog in Gallië” (De Bello Gallico) is het meest gelezen van alle klassieke militaire werken, want in vele landen is het in het leerprogramma van de scholen opgenomen. Maar achter de stoffige Latijnse grammatica vinden de leerlingen het opwindende verhaal zelf— de suizende pijlen, de hete pek die vanaf belegerde muren op de aanvallers wordt gegoten, de
bagagetrein, die door ruiters in het water wordt verrast, het gillen van de wilde Gallische vrouwen.

Caesar was het type commandant dat door de soldaten veraf­good wordt, altijd bezorgd om rantsoenen en soldij voor de troe­pen, altijd erop uit de regimentstrots te versterken. Hij stelde zich aan gevaren bloot vóór ieder ander, zijn blinkende zwaard hoog geheven en zijn rode mantel achter zich aan fladderend in het heetst van de slag. Zo ging hij zijn legioenen voor in de botsing met de Helvetiërs, die uit hun Zwitserse valleien kwamen opzetten. Toen hij hen verslagen had, voorzag hij hen genadig van brood en graan, genoeg voor een jaar, en gaf hun zaaikoren mee naar huis.

Erger was de dreiging van de kant van de Germanen, die vanuit hun wouden de Elzas, in Oost-Frankrijk, waren komen binnenvallen. Daar vernietigde Caesar hen en naderhand, toen hij de eerste brug had laten aanleggen, die ooit over de Rijn was gebouwd (niet ver van het huidige Remagen) bestreed hij hen op hun eigen gebied. De Belgen versloeg hij aan de Marne, de Maas, de Sambre en de Somme. Op twee strafexpedities tegen de vijan­dige Britten stak hij het Kanaal over en behaalde een overwinning op de Britse vorst. Acht jaar lang trok hij op en neer, pacificeerde de woelige volken van Gallië en maakte er trouwe Romeinse onderdanen van, waarmee hij het gebied, dat thans geheel Frank­rijk en België omvat, vrede en eenheid bezorgde. Op die wijze werd Gallië een machtig bolwerk, dat het Romeinse Rijk nog gedurende 400 grootse jaren in tact zou laten. In Frankrijk zijn de wetgeving, de taal, de literatuur en de bouwkunst nog altijd evenzovele bewijzen van hetgeen Caesar daar tot stand heeft gebracht.

Caesars grote succes wekte ontsteltenis in de partij, die de Optimaten genoemd werd en de bevoorrechte adelstand vertegen­woordigde. Haar leider Pompejus was bitter jaloers op de nieuwe lauweren die Caesar vergaard had. Vandaar dat toen de terug­kerende Caesar met zijn overwinningslegioenen in de Povlakte ten noorden van Rome bleef liggen, de Senaat een onderzoek naar hem instelde, oude schandalen ophaalde en hem ten slotte bevel gaf zijn leger te ontbinden en zich naar Rome te begeven waar hij zou moeten terechtstaan. Caesar wist dat zijn legioenen hem overal zouden volgen. En niemand begreep beter dan hij, dat de eens zo glorierijke republiek in staat van verval verkeerde. De Senaat had de uitvoerende macht aan zich getrokken en Pompe­jus was daarvan het werktuig. Caesar trok onversaagd over de Rubicon, het riviertje dat de noordelijke grens vormde van het eigenlijke Rome. Hij was nu in oorlog met de Senaat.

Legioenen, die uitgezonden werden om Caesar tot staan te brengen, liepen naar hem over. Terwijl deze groeiende legermacht naar Rome optrok, vluchtte Pompejus naar Noord-Griekenland waar zijn hoofdleger zich bevond. Daar, op 9 augustus van het jaar 48 v. Chr., maten de twee militaire genieën van die tijd zich met elkaar op de vlakte van Pharsalus. Tegen de avond was Cae­sar meester van zijn wereld en Pompejus op de vlucht. Hij vluchtte naar Egypte om het tegen Rome op te zetten en Caesar achter­volgde hem. Maar de jonge koning daar, Ptolemaeus XII, liet Pompejus vermoorden en bood de van afgrijzen vervulde Caesar diens hoofd aan, verbaasd dat hij daarmee Caesars gunst niet had gewonnen. Ptolemaeus had zijn zuster Cleopatra van de troon verdreven, hoewel hun vader had bepaald dat zij samen zouden regeren. De koningin, nog maar een meisje, haalde Caesar binnen als haar beschermer. Weldra werd hij haar minnaar.

Voor haar en voor Rome dwong Caesar koning Ptolemaeus op de knieën. Cleopatra kreeg haar troon terug, onder Romeins protectoraat, en Caesar had daarmee het rijkste land ter wereld aan het Romeinse gebied toegevoegd.

Intussen hadden de volgelingen van Pompejus hun strijd­krachten opnieuw in Spanje en Noord-Afrika verzameld. Caesar trok dwars door Noord-Afrika naar Tunesië voor een treffen en kwam daar te staan tegenover tien legioenen onder Cato, versterkt door de snelle cavalerie en 120 oorlogsolifanten van de koning van Numidië. Aan de vooravond van de slag bij Thapsus werd Caesar belaagd door een oude vijand — vallende ziekte. Hij voelde de aanval aankomen, maar in alle kalmte sprak hij zijn vermoeide troepen moed in en deelde bevelen uit voor hij bewusteloos neer­viel. Toen hij weer bij zinnen was, bestonden Cato’s legioenen niet meer en had de koning van Numidië zijn troon verloren.

In triomf keerde Caesar, vergezeld van Cleopatra en hun zoon­tje Caesarion, naar Rome terug. Vier dagen lang was de overvolle stad het toneel van feesten, spelen en optochten. Standaarden en bloemenkransen dansten in de hete, heldere lucht. De bodem trilde onder de zware stap van soldaten, die de schitterende oor­logsbuit aan het volk toonden, de slepende tred van de gevangenen en de wielen van de strijdwagen, waarop de overwinnaar zelf stond, met opgeheven hoofd en een lauwerkrans om de slapen. Achter hem kwamen de legioenen, getekend in de strijd en ver­brand door de zon.

De Senaat kon nu niet onderdanig genoeg zijn jegens Caesar. Voor de duur van zijn leven gaf men hem een titel, die de soldaten hem lang tevoren uit aanhankelijkheid gegeven hadden — Imperator. Caesar nam dit op als een uitdaging om hervormingen aan te brengen in een bestel, dat eeuwen tevoren was ontworpen voor de behoeften van een kleine stadstaat, maar nu volkomen achterhaald was door een zich enorm uitbreidend rijk.

Caesar begon de beslotenheid van de aristocratische club, die de Senaat was, te doorbreken door er driehonderd leden aan toe te voegen, grotendeels voortkomend uit de tot dusver verachte koopmans- en werkmansstand, met vertegenwoordigers uit de veroverde landen. Hij gaf het Romeinse staatsburgerschap aan de zonen van slaven, die vrije mannen geworden waren en aan de Galliërs, met het voornemen het burgerschap uit te breiden tot alle vrije mannen in het gehele Rijk. Ook gaf hij de Joden, die vervolgd waren geweest, de vrijheid om hun eredienst uit te oefenen.

Hij trachtte een oplossing te vinden voor de vele afgedankte soldaten en werklozen in het propvolle Rome door tachtigduizend kolonisten naar Sevilla, Arles, Corinthe en Carthago te laten overbrengen. Hij stelde duizenden te werk bij de landontginning en het verfraaien van de hoofdstad. Hij maakte een eind aan de misbruiken van belastinggaarders, die zich verrijkten ten koste van handel en landbouw in de provincies. Het geld werd weer waardevast doordat het opnieuw aan de gouden standaard ge­bonden werd. Hij zorgde er ook voor dat gouverneursposten niet meer vergeven konden worden door de Senaat.

Zelfs de kalender behoefde hervorming. De oude Romeinse maand was gebaseerd op de kringloop van de maan en duurde 28 dagen, maar op wens van de Romeinse consul werden er telkens extra dagen en zelfs maanden aan toegevoegd. De Ro­meinse kalender was zozeer uit de koers geraakt, dat de herfst nu in juli viel (een maand die herdoopt was ter ere van de grote Julius). Caesar liet een Grieks sterrenkundige uit Alexandrië komen en op zijn advies baseerde hij de kalender op een zonne­jaar van 365 dagen, met om de vier jaar een schrikkeljaar.

Maar hoezeer hij ook zijn stempel drukte op de tijd waarin hij leefde, Julius Caesars dagen waren nu geteld, want de Iden van maart (de 15de) van het jaar 44 v. Chr. naderden. Shakespeare’s beroemde stuk, gebaseerd op de biografie van Caesar door Plutarchus, is juist voor zover het de essentiële feiten betreft, maar de betekenis van de handeling is erin veranderd. De waarheid is, dat de samenzweerders, van wie de meesten niet alleen hun fortuin maar zelfs hun leven aan Caesar dankten, niet optraden om de vrijheden van het volk te verdedigen, maar om de af­brokkelende privileges van hun eigen klasse te beschermen.

De aanslag werd gepleegd in tegenwoordigheid van de gehele Senaat. Casca, die van achter op Caesar was toegeslopen, bracht de eerste slag toe, maar zijn wapen schampte af op diens sleutel­been. Caesar draaide zich bliksemsnel om en vocht terug met zijn enige wapen — een schrijfstift. De samenzweerders sloegen nu allen tegelijk toe en raakten hun slachtoffer drieëntwintig keer. Cassius stak zijn dolk in Caesars gelaat en door een mist van bloed, dat hem in de ogen vloeide, zag Caesar dat Brutus, die zijn zoon had kunnen zijn, zich op hem wierp en hem zijn zwaard in de lendenen stak.

De woorden, die hij toen sprak, waren zijn laatste en hij zei ze in het Grieks: Kai su teknon? (“Ook gij, mijn kind?”). Toen viel hij dood neer, voor het standbeeld van zijn oude vijand Pompejus.

Alle omstanders vluchtten nu. En hoewel de samenzweerders, zwaaiend met hun bebloede wapens “vrijheid” riepen, oogstten zij geen bijval, maar brachten slechts paniek teweeg. Terwijl het volk, opgezweept door de lijkrede van Marcus Antonius, uiting gaf aan zijn smart werd het bloedige lijk op het Forum plechtig verbrand. Maar al het goede dat hij verricht had ging niet met hem teloor. Hij had miljoenen ongelukkigen in het bekken van de Middellandse Zee het rechtvaardigste, mildste en verstandigste bestuur bezorgd, dat zij ooit gekend hadden. Hij had zich voor­gesteld een wereld van vrije mensen te scheppen, allen burgers van één grote gemeenschap, en hij was daar halverwege in ge­slaagd. Hij had het Romeinse Rijk geschapen, op welks stevig fundament onze westerse beschaving kon groeien.

 

.

Alea iacta est!

Toen Julius Caesar op een ochtend in januari met zijn leger het grensriviertje de Rubicon overstak, onder het uitspreken van de historische woorden ‘alea iacta est! oftewel de teerling (dobbelsteen) is geworpen, ontketende hij een van de beroemdste burgeroorlogen uit de geschiedenis. In 2006 schreef de Britse historicus Tom Holland daarover een boek, simpelweg Rubicon getiteld. In dit uitstekend gedocumenteerde werk, dat bij Uitgeverij Athenaeum in Nederlandse vertaling verscheen, beschrijft Holland hoe onder Julius Caesar de Romeinse republiek in een keizerrijk transformeerde. Bovendien weet Holland van de hoofdrolspelers, zoals de generaals Sulla, Pompeius en Julius Caesar, de politicus Cato en de redenaar Cicero, mensen van vlees en bloed te maken. De vele afbeeldingen en kaarten maken Rubicon tot een regelrechte aanrader van liefhebbers van de Romeinse (en dus de Italiaanse) geschiedenis.

Julius Caesar

Julius Caesar uitgebreide biografie

Julius Caesar in de Nederlanden

Julius Caesar in Engeland

6e klas: geschiedenis

vertelstof: alle biografieën

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas

.

493-456

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (18)

.

PASEN LOOPT NAAR DE MAAN

Door eeuwenlang geharrewar met kalenders bleef de paasdatum zweven

Terwijl Kerstmis al eeu­wenlang een vaste plaats heeft op de kalender, stelt Pa­sen ons elk jaar weer voor een verrassing. In totaal zijn er 35 data waarop Pasen kan vallen, en dit jaar* vindt Pasen op een van de vroegst moge­lijke dagen plaats.
Het ontbreken van een vaste datum voor het paasfeest heeft in de loop der tijden voor de no­dige hoofdbrekens en conflicten gezorgd. Maar eerst iets over het ontstaan van onze huidige kalender.

De basis hiervoor is gelegd door Julius Caesar, in de eerste eeuw voor Christus. Voordat Caesar zijn Juliaanse kalender invoerde, was de Romeinse ka­lender een behoorlijk rom­meltje. Het jaar telde 355 dagen, die waren verdeeld over twaalf maanden. Om in overeenstem­ming te blijven met de seizoenen werd elke twee jaar een extra maand van 22 of 23 dagen inge­voegd.

Omdat het aldus gevormde jaar nog steeds niet synchroon liep met het zonnejaar (de tijd waarin de aarde een volledige baan rond de zon beschrijft), ging deze kalender steeds meer uit de pas lopen met de jaarge­tijden.
Speciale functionarissen, de pontifices, hadden tot taak deze afwijkingen te corrigeren. Maar dit gebeurde met zoveel willekeur, dat er op den duur voor niemand meer een touw aan vast te knopen was.

Een verblijf in Egypte bracht Caesar op het juiste spoor. Hij raakte hier niet alleen onder be­koring van Cleopatra, maar ook van het kalendersysteem van de Egyptenaren, die een zuivere zonnekalender hanteerden. Cleo­patra schonk hij een kind en het kalendersysteem nam hij mee naar Rome.

Het jaar kreeg 365 dagen, ver­deeld over de twaalf maanden, op een wijze die we nu nog steeds kennen. Ook bepaalde Caesar dat eens per vier jaar een schrikkeldag moest worden ingevoerd om te corrigeren voor het feit dat een volledig zonne­jaar eigenlijk een kwart dag lan­ger duurt dan 365 dagen.
Er gingen enige decennia overheen voor het nieuwe kalen­dersysteem goed doorgedrongen was, maar omstreeks het begin van onze jaartelling waren de meeste plooien gladgestreken.

Joods feest
Terug naar de paasdatum nu. Pasen is van oorsprong het feest waarmee de Joden de uittocht uit Egypte herdenken. Hun paas­feest (Pesach) duurt een week en begint van oudsher op de veer­tiende van de maand nisan, de lentemaand.
Voor de Joden heeft Pesach dus een vaste plaats op de kalen­der. Maar vanuit onze kalender bekeken valt de veertiende nisan elk jaar op een andere datum. Dit komt doordat de Joden een maankalender hanteren; voor het begin van hun maanden gaan ze uit van de stand van de maan.

Met de komst van het chris­tendom kreeg het paasfeest een nieuwe inhoud. Voor de christe­nen werd het de gedachtenis aan de dood en verrijzenis van Jezus Christus. Al snel ontstond er me­ningsverschil over de vraag wanneer dit christelijke Pasen gevierd moest worden.

Voor de Joodse christenen was de keus niet zo moeilijk. Zij hielden veelal de veertiende ni­san aan, de dag van Jezus’ kruis­dood. De niet-Joodse christenen voelden er echter weinig voor om de datum van hun belang­rijkste feestdag te laten bepalen door de Joodse tijdrekening. Maar wanneer dan?

Nicea
Na een lange periode van he­vige conflicten over deze kwes­tie werd uiteindelijk in 325 na Chr. op het concilie van Nicea de strijdbijl begraven. De kerkva­ders besloten dat Pasen zou val­len op de eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Meestal betekent dit de eerste zondag na het joodse paasfeest; dit jaar* vindt het joodse paas­feest echter in april plaats.

Ook onze paasdatum is dus afhankelijk van de maanstand en dit veroorzaakt de grilligheid van de paasdatum. Op zijn vroegst valt Pasen op 22 maart, wat in 1919 voor het laatst is voorgekomen en pas in 2285 weer zal gebeuren. De uiterste datum is 25 april; dit was in 1943 het geval.

Maar nog waren alle proble­men niet opgelost. Dat zat hem in een subtiel foutje van de Ju­liaanse kalender. Volgens deze kalender duurt een jaar 365 en een kwart dag. Maar in werke­lijkheid is dit elf minuten korter. Dit had tot gevolg dat na verloop van tijd de Juliaanse kalender achterliep bij het ‘echte’ jaar. Elke vier eeuwen leverde een achterstand van drie dagen op.

Afwijking
Een dergelijke afwijking had natuurlijk ook consequenties voor de paasdatum. Doordat het begin van de lente op de Ju­liaanse kalender te laat kwam, zou Pasen op het verkeerde mo­ment kunnen vallen. Vele kerk­geleerden hebben hun tanden in dit probleem gezet, maar pas in de zestiende eeuw werd een op­lossing gevonden, die de reli­gieuze gevoeligheden voldoende tegemoetkwam.

Op last van paus Gregorius XIII werden in 1582 tien dagen weggestreept om zodoende de opgelopen achterstand in één keer goed te maken. Na 4 okto­ber 1582 volgde onmiddellijk 15 oktober. Door deze ingreep viel 21 maart 1583 weer op de juiste plek, waarmee ook het paasfeest weer op de goede datum terecht kwam.
Bovendien besloot Gregorius om per vier eeuwen drie schrikkeldagen af te schaffen. In de Gregoriaanse kalender zijn de eeuwjaren alleen schrikkeljaar als ze deelbaar zijn door vier­honderd, bijvoorbeeld 1600 of 2000. De andere eeuwjaren (1800, 1900,2100) zijn gewone jaren.
De geringe populariteit van het pausendom stond een vlotte invoering van deze hervormin­gen echter in de weg. Of zoals Kepler het uitdrukte: men was het liever oneens met de zon dan eens met de paus.

Oktoberrevolutie
In Nederland was pas in 1701 de Gregoriaanse kalender volle­dig ingevoerd. Rusland en Griekenland gingen pas in het begin van deze eeuw overstag. Om deze reden viel de oktoberrevo­lutie van 1917 volgens onze ka­lender op 7 november, terwijl het volgens de Juliaanse 25 okto­ber was.

De orthodoxe christenen in Rusland hanteren nog steeds de Juliaanse kalender. Zij vieren om deze reden Pasen dertien da­gen later dan de christenen in het westen.

Gezien het geharrewar rond de jaarlijkse paasdatum, is re­gelmatig geopperd om het voor­beeld van Kerstmis te volgen en ook voor Pasen een vaste datum af te spreken. Deze eeuw is dit punt meerdere malen aan de orde geweest, samen met de mo­gelijkheid om tot een nieuwe ka­lender te komen. Want ook tegen de Gregoriaanse kalender zijn nogal wat bezwaren in te bren­gen, met name economische.

De stap naar een andere ka­lender is tot nu toe steeds gestuit op verzet vanuit Rome die geen inbreuk willen op de zeven­daagse week. De aanvankelijk weerstand tegen een vaste paas­datum is in de loop van deze eeuw echter weggeëbd. Op het concilie van 1963 verklaarde de paus hiertegen geen bezwaar te hebben.
Omdat de kalenderhervor­ming in het slop is geraakt, is ook aan het paasfront weinig be­weging meer geweest. Voorlopig blijft Pasen dus naar de maan lopen.

pasen 20

De twintig vierkantjes bevatten de paasdagen voor de jaren 1175-1176. Onderin staan twee regels uit de kalender, met het begin van de maanden januari en februari. De paasdata zijn aangegeven door vertikale strepen, de feestdagen door een of twee dwarsstreepjes. Onder 1 jauari staat de letter a. De Romeinse cijfers duiden op zogeheten ‘gulden getallen’. De kalender stamt uit de Hortus deliciarum van Herrad van Landsberg.

.

Paul van Laare, ‘De Gelderlander’van 25 maart  *1989

.

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

128-123

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.