Tagarchief: 3e klas vertelstof

VRIJESCHOOL – 3e klas – vertelstof

.

In de 3e klas worden de verhalen uit het Oude Testament verteld.
 Waarom en hoe? [1]

M.i. is het boek ‘En het werd licht’ van Jakob Streit het best geschikt om uit te vertellen. 
Maar er zijn ook kinderbijbels waarin bv. prachtige illustratie staan die je kan gebruiken voor een bordtekening. ‘De Bijbel voor jongeren‘ bv. is zo’n boek.

Uit dit laatste boek:

David en Goliath

De Filistijnen stonden klaar om te vechten. Op twee heuvels, alleen gescheiden door een smalle vallei, hadden de legers zich verzameld, de Filistijnen op de ene heuvel, Saul en de Israëlieten op de andere.
Plotseling kwam een reus van een man met grote stappen uit het Filistijnse kamp naar de vallei gelopen. Goliat uit Gat stak met kop en schouders boven alle anderen uit. Hij droeg een massief bronzen helm, een bronzen borstschild en ook zijn armen en benen waren mei brons bedekt. Met de ene hand omklemde hij een bronzen dolk en met de andere een reusachtige speer met een ijzeren punt.
‘Ik daag je uit, Saul!’ bulderde Goliat. ‘Ik daag je uit om een van je mannen met mij te laten vechten! Door hem en mij wordt de oorlog dan beslist!’

Bij die woorden begon Saul te beven, en de Israëlieten werden door angst gegrepen.
Drie van Isaï’s zonen waren soldaat in het leger van Saul, en David had zijn schapen alleen gelaten om zijn broers eten te brengen. Toen hij bij het kamp kwam, hoorde hij Goliats opschepperige uitdaging, en hij zag dat niemand eropin durfde te gaan.

‘Ik zal met de reus vechten,’ zei hij tegen Saul.

‘Maar je bent nog maar een jongen. En Goliat is een beroemd strijder. Toch liet Saul zich ten slotte overhalen. David weigerde wapens en een harnas te dragen. Bij een beek in de buurt zocht hij vijf gladde stenen uit die hij in zijn herderstas stopte. Toen liep hij, met zijn slinger in de ene hand en zijn staf in de andere, naar Goliat toe.

‘Uit de weg, jongen!’ schreeuwde de kampioen, zijn stem vol verachting. ‘Ik vecht niet met kinderen!’

‘U vecht met een dolk en een speer, maar ik vecht met God aan mijn kant,’ zei David. Hij legde zijn staf op de grond en stopte een steen in zijn slinger. Een keer zwaaide hij de slinger rond en toen liet hij de steen schieten. De steen trof Goliat midden op zijn voorhoofd en de reus donderde neer op de grond, dood.

Toen de Filistijnen zagen dat hun grote kampioen dood was, keerden ze zich om en gingen ervandoor. De Israëlieten bleven achter en vierden hun overwinning.

Een slinger. Een schaapherder als David had meestal een slinger bij zich waarmee hij stenen kon gooien naar beesten die zijn kudde bedreigden. Hij legde een steentje op het stukje leer, hield de beide uiteinden van de slinger in zijn hand en draaide hem rond. Wanneer hij een uiteinde losliet, vloog het steentje op zijn doel af.

Zie bv. Oude Testament: wapens

Het is altijd belangrijk dat je als leerkracht op de hoogte bent van alle mogelijke gezichtspunten en opvattingen. Daarbij behoort ‘de stand van de wetenschap’.

Over de Filistijnen werd als nieuwe opvatting vermeld:

De Filistijnen worden gerehabiliteerd 

De aartsvijanden van de Israëlieten, de Filistijnen, waren cultureel veel meer ontwikkeld dan tot nu toe werd aangenomen. Amerikaanse archeologen concluderen dat op basis van recente vondsten in Israël.

Amerikaanse archeologen hebben bewijsmateriaal ontdekt waaruit ze afleiden dat de Filistijnen — in Bijbelse tijden de aartsvijanden van de Israëlieten — niet de barbaarse lomperiken waren waar hun naam sindsdien voor staat. Het blijken juist makers van verfijnd aardewerk en bouwers van grootse gebouwen. Juist de Israëlieten, toen nog herders en boeren in de heuvels van Palestina, waren in die tijd minder cultureel georiënteerd.

Archeologen van de Harvard-universiteit maken dat op uit resten van een Filistijnse stad, die werden opgegraven bij de ruïnes van Askelon aan de Israëlische kust. De ruïnes dateren van vlak voor de verwoesting door de Babylonische koning Nebukadnezar, in 604 voor Christus. De vondsten omvatten potten met inscripties, stenen altaren en woningen waaruit zou blijken dat de Filistijnen gebruik maakten van geavanceerde bouwtechnieken. Volgens de leider van het team, dr Lawrence Stager, behoren de vondsten tot het beste dat in die tijd is gemaakt.

Omdat het materiaal nog niet openbaar is gemaakt, hebben sommige archeologen, onder wie de Nederlander dr. C. de Geus van de Rijksuniversiteit Groningen, nog hun twijfels. Zij wijzen erop dat het niet zo eenvoudig is om vondsten als Filistijns te identificeren.

De Filistijnen woonden al meer dan een halve eeuw in Palestina toen Nebukadnezar Askelon verwoestte. De Geus denkt dat zij als duidelijk herkenbare groep in die tijd al niet meer bestonden.
Na de verwoesting door Nebukadnezar en de verwoesting van Jeruzalem in 586 voor Christus gingen de Filistijnen, samen met de joden, in Babylonische ballingschap. De joden keerden uiteindelijk naar hun land terug. Van de Filistijnen is nooit meer iets vernomen.

Bij opgravingen in Askelon en elders zijn ook potten gevonden waarmee mogelijk het raadsel van de herkomst van de Filistijnen kan worden opgelost. Bekend was dat de Filistijnen tot de zogeheten zeevolkeren behoorden, die in de dertiende eeuw voor Christus de kusten van Palestina en Egypte bereikten.
Ze kwamen óf uit het Aegeïsch gebied óf uit Klein-Azië, zo luidt de theorie. Het aardewerk maakt het nu waarschijnlijker dat de Filistijnen uit het Aegeïsche gebied kwamen. De potten zijn rood-zwart en lijken opvallend veel op Myceens aardewerk, dat dezelfde kleuren en motieven heeft.

In Egyptische geschriften van de twaalfde eeuw voor onze jaartelling worden de Filistijnen al genoemd. Ze hebben zich, waarschijnlijk als soldaten in Egyptische dienst, in Palestina gevestigd, waar ze geleidelijk assimileerden met de lokale bevolking.
De Israëlitische stammen leefden ten oosten van de Filistijnen, die op hun beurt Kanaänitische steden als Askelon, Asdod, Gath en Gaza innamen en met de plaatselijke bevolking versmolten. Zo raakten zij hun oorspronkelijke indo-Europese taal kwijt en ze schreven waarschijnlijk in een Semitische taal, een variant van het Hebreeuws.
De Geus heeft verscheidene keren opgravingen gedaan in steden die door Filistijnen bewoond zijn geweest. Zolang de vondsten nog niet officieel zijn beschreven in de vaktijdschriften, is hij wat sceptischer over het belang van de vondsten dan zijn Amerikaanse collega’s: ‘Ik ben ervan overtuigd dat het belangrijke vondsten zijn, want Larrie heeft een gouden lepel. Hij vindt altijd wel iets belangrijks waar anderen tien jaar voor niets graven. Maar hij blaast het belang ongetwijfeld ook op. Deze opgraving wordt voor miljoenen guldens door particulieren bekostigd en die willen resultaat zien.’
Voor De Geus persoonlijk is het niet duidelijk waarom de Filistijnen zo’n slechte naam hebben dat het bijvoeglijk naamwoord staat voor cultuurbarbaar. Hij meent dat het woord Filistijn vooral in de Angelsaksische wereld slechte associaties oproept, hoewel hij toegeeft dat ook in het Nederlands iets ‘naar de Filistijnen kan gaan’. Hij acht het zeer waarschijnlijk dat de Filistijnen uit het Aegeïsche gebied naar Palestina kwamen. Ook twijfelt hij er niet aan dat zij een andere, niet-semitische taal spraken. De archeologen vonden in Askelon onder meer haarden, die een centrale plaats innamen in de Aegeïsche cultuur en die in Palestina onbekend waren. ‘Maar er zijn ook raadselachtige dingen. Zo zijn er graven gevonden voor honden. Niemand weet waar dat gebruik vandaan komt. Het stamt in ieder geval niet uit de Semitische wereld, want daar staan honden niet in hoog aanzien.’ De Geus vraagt zich af hoe de archeologen zo duidelijk kunnen spreken van Filistijnse huizen. Volgens hem heeft er zich een lang assimilatieproces afgespeeld waarin de oorspronkelijke Filistijnen om de een of andere reden wel hun naam behielden, maar verder opgingen in hun omgeving.
‘Dat assimileren werkt niet alleen in de taal door. Want als je beweert dat de joden na de Babylonische ballingschap terugkeerden en dat de Filistijnen waren verdwenen, verlies je dat proces uit het oog. Ongetwijfeld zaten er mensen van Filistijnse herkomst bij de groepen die terugkeerden, alleen waren de Filistijnen als groep al lang verdwenen. De eerste groepen zullen uit hoogstens een paar honderd soldaten hebben bestaan, een paar eeuwen later hadden ze hun taal opgegeven en was hun cultuur vermengd met die van de Kanaänieten.’

De Amerikaanse archeologen in Askelon hebben ook bekendgemaakt dat zij inscripties hebben gevonden in een taal die verwant is aan het Hebreeuws. Dat is interessant, maar waar iedereen écht op wacht, is op de ontdekking van inscripties in de oorspronkelijke Filistijnse taal. In het Oude Testament staan twee van die niet-semitische woorden, maar dat is niet genoeg om conclusies uit te kunnen trekken. De vondst van meer inscripties kan een ander beeld van deze cultuur opleveren.
Het zou volgens De Geus interessant zijn te weten wat de Filistijnen zelf vonden van hun gedoodverfde tegenstanders, de Israëlieten. Volgens Stager is dat nog maar een kwestie van tijd, maar ook hier is De Geus wat voorzichtiger. ‘De Filistijnen, in feite de handeldrijvende Foeniciërs, schreven veel meer dan anderen. Maar ze schreven op leer en papyrus en niet op klei, zoals bijvoorbeeld de Jemenieten. Daarom hebben we duizenden Jemenitische kleitabletten en nauwelijks Filistijnse. Het zou prachtig zijn als er inderdaad teksten in de oorspronkelijke taal werden gevonden en dat is niet onmogelijk, want de opgravingen zijn nog maar kort bezig.’

Een soort gelijk bericht:

Filistijnen

Ze hebben eeuwenlang een slechte naam gehad in de geschiedschrijving. Dat hadden zij vooral te danken aan de wijze waarop in de Bijbel over hun handel en wandel werd gesproken. Een lomp, onbetrouwbaar en bruut volkje: dat is altijd het beeld van de Filistijnen geweest, weerspiegeld in de verhalen over de onbetrouwbare Delilah die Samson (figuurlijk) een kopje j kleiner maakte, en de dommekracht Goliath die het moest afleggen tegen David.
Recente* opgravingen hebben Israëlische archeologen tot de conclusie gebracht dat in dit beeld verandering moet worden gebracht. „We moeten af van het idee dat de Filistijnen een onbeschaafd en onontwikkeld volk vormden”, aldus Seymour Gittin, directeur van een archeologisch instituut in Jeruzalem. „Het omgekeerde is waar. De Filistijnen waren knappe bouwers en handelslieden.”

De opgravingen vinden al sinds vijf jaar plaats in Tel Miqne, de plaats waar vroeger de Filistijnse stad Ekron moet hebben gelegen. Het gebied van de Filistijnen omvatte een strook land aan de kust in het zuiden van de huidige staat Israël. Zij kwamen in de dertiende eeuw vóór Christus in dat gebied en waren waarschijnlijk afkomstig van het huidige Kreta. In 603 vóór Christus werden zij door de Babyloniërs ingelijfd.

Deze zomer hebben de archeologen nieuwe vondsten gedaan, waaronder veel olijfpersen. De Filistijnen waren behalve meesters in het bewerken van ijzer op het hoogtepunt van hun macht ook de belangrijkste producenten van olijfolie. Tot dusver zijn 204 olijfpersen gevonden. Dit aantal kan nog veel hoger worden, als het hele gebied is afgegraven (nog slechts drie procent van het terrein is blootgelegd).
„De olijfpersen van de Filistijnen waren high-tech”, aldus Gittin. „Hun persen konden vijftig tot honderd liter produceren, wat zeer veel is in vergelijking met de 25 tot 40 liter die op andere persen werden geproduceerd.”

*In de jaren 1980

[1] Artikelen in Vrije Opvoedkunst:
De verhalen uit het Oude Testament
Over het Oude Testament
Het Oude Testament als oerbeeld van de geschiedenis

Het Oude Testament: vele tekeningen

3e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 3e klas

.

2191

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (46)

.

de hogepriester

Zie, daar komt hij, in zijn prachtige klederen.
Onderaan zijn priesterrok klingelen de gouden belletjes. Op zijn voorhoofd, juist onder de priesterlijke hoed, draagt hij een gouden plaat; daarop staat: Heiligheid den Heere.

De hogepriester Aäron was een beeld, een type van de hemelse Hogepriester.

De hogepriester met zijn ,, kleding tot sieraad’

Twee schouderstenen
Op elke schouder van de hogepriester was een edelsteen bevestigd, een sardonix.
Exodus 28 : 9 – 14.
In elk van deze stenen waren zes namen gegraveerd, namelijk de twaalf namen van de stamvaders van het volk Israël.
Symbolisch droeg zo de hogepriester het hele volk van God op zijn schouders.

In vers 10 bij staat: naar hun geboorten. Ze moesten op de steen gezet worden naar de volgorde van hun geboorte. D.w.z. de volgorde van de namen was naar de volgorde van de geboorte van de aartsvaders: Ruben, Simeon, Levi, Juda enz. Het is logisch dat men tot het volk Israël alleen kon behoren door geboorte.

Het borstschild met de twaalf stenen
Exodus 28:12-29
Het volk wordt in het beeld van de twee sardonixstenen gedragen op de schouders van de hogepriester.
Daar komt nu iets bij dat zo mogelijk nog rijker is: Ieder lid van het volk droeg hij ook apart, en wel op zijn borst.

Een onderdeel van het hogepriesterlijk kleed was de borstlap of het borstschild, een span breed en lang. Een span is bij een uitgestrekte hand de afstand van de top van de duim tot de top van de pink, ongeveer twintig centimeter.

Dit borstschild was geborduurd in vier prachtige kleuren en daarop waren, in goud gevat, twaalf kostbare stenen. Drie rijen van vier edelstenen.

Op de schouders waren het 2 x 6 namen, de twaalf stammen als geheel, op het borstschild 12 x 1, de namen van de twaalf stamvaders ieder op een aparte steen.

Over het borstschild wordt extra vermeld dat hij de namen op zijn hart droeg. Het hart spreekt van de liefde.

1e rij v.l.n.r.:
1] sardis
2] topaas
3] karbonkel

2e rij v.l.n.r.:
4] smaragd
5] saffier
6] diamant

3e rij v.l.n.r.:
7] opaal
8] agaat
9] amethist

4e rij v.l.n.r.:
10] turkoois
11] sardonix
12] jaspis

Edelstenen in de Bijbel
Bij de vertaling van de namen der edelstenen weten we in enkele gevallen niet of niet zeker wat de betekenis van een bepaalde edelsteennaam is.
Daarbij komt dat sedert bijbelse tijden verschillende edelstenen andere namen hebben gekregen.

Uit de verschillende bijbelvertalingen  is een keus gemaakt, veelal uit de Statenvertaling. Deze is weer grotendeels in overeenstemming met de in Duitsland veel gebruikte ‘Elberfelder Bibel’, die aansluit bij de vertalingen in Engels en Frans van J.N Darby en W. Kelly.

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament       [43] borstlap

3e klas: vertelstof

Mineralogie

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

.

1204

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (45)

.

AFGODERIJ

leven-o-t-203

1. Masseben (opgerichte stenen van Gezer).
„Binnen de stad of althans in haar onmiddellijke nabijheid was voor de KanaÄnieten de plaats, waar de goden worden vereerd (Statenvert. „hoogten”). Zo’n hoogte, die niet minder dan vijftien eeuwen achtereen in hoge eer is geweest, hebben de opgravingen in Gezer ons weer voor ogen gesteld. Daardoor kunnen we ons althans met enige zekerheid een beeld vormen van de bekende „hoogtedienst” waartegen Israëls profeten zo lang hebben gestreden. We vinden hier een aantal „opgerichte stenen”; onder deze trekt de kleine de meeste aandacht: het bovenste deel ervan is gepolijst, zoals dat alleen kan ontstaan door de altijd weer vernieuwde aanraking van devote lippen, die met vuur de steen kussen, of wel van handen, die in bloed of olie gedoopt, daarmee de steen zalven ter ere van de godheid. (A. Noordtzij).

leven-o-t-204

2. Babylonische godheid in de gedaante van een vis. Deze godheid herinnert aan de Filistijnse god Dagon. Men neemt gewoonlijk aan, dat hij een visgod was. Uit 1 Sam. 5 blijkt, dat het Dagonbeeld van Asdod hoofd en armen had. Of het onderstuk in visvorm uitliep, hangt af van de vraag, of we vers 4 aldus moeten lezen: „slechts zijn visvorm was op hem gebleven”, dan wel: „slechts zijn romp was op hem gebleven”. In het eerste geval (dat nog steeds waarschijnlijk is) heeft Dagon het hoofd en het bovenlijf van een mens gehad, waarschijnlijk de romp van een vis.” (Prof. Noordtzij).

leven-o-t-205

3. Vrouwelijke godheid.
De figuur is gehuld in een nauwsluitende kledij, die de lichaamsvormen goed doet uitkomen; de godin draagt halsketting, gordel en enkelring. Op het hoofd heeft zij een kroon naar Hethietisch model. De vrouwelijke godheid van het Kanaänietisch heidendom is de pendant van de mannelijken Baäl, naast wie zij herhaaldelijk wordt genoemd (Richt. 2 : 13; 10 : 6; 1 Sam. 7 : 4; 12 : 10). De naam is: Astarte, in het Hebreeuws As’toreth; meervoudsvorm Astaroth; daarnaast ook Asjerah. De Statenvert. heeft hiervoor „bos” maar het is duidelijk, dat wij b.v. in de „vierhonderd profeten van het bos” (1 Kon. 18 : 19) te doen hebben met dienaren van deze godheid. (Daarnaast komt het woord Asjerah ook nog in een andere zin voor, namelijk als de benaming van een voorwerp, dat tot de Kanaänietische eredienst behoorde; wel heeft de Statenvert. hiervoor ook „bos”, maar dit voorwerp is hoogstens een enkele boom, liever nog een boomstam of paal). Astarte vertegenwoordigt de vrouwelijke natuurkracht en wordt als de bron van alle vruchtbaarheid, als de verwekkende en onderhoudende godin van het leven vereerd” (Prof. G. C. Aalders).

leven-o-t-206

4. Baäl.
De naam van de mannelijke godheid in het Kanaänietisch heidendom. Oorspronkelijk is Baäl geen eigennaam; de goden werden niet bij hun naam genoemd, maar deze vervangen door het vage „baäl” d. i. heer of eigenaar van bepaalde heilige bronnen, bomen, dieren, bergen, stenen of plaatsen. Van deze lokale Baäls, die dus waarschijnlijk slechts beschouwd werden als de verpersoonlijking van de grote mannelijke godheid, smeekte de Kanaäniet de vruchtbaarheid van zijn land en alle goede gaven (Hosea 2:4). — De Baäldienst in de dagen van Achab en Izebel was gewijd aan de god der Feniciërs; deze dienst te bestrijden was dus nationale en godsdienstige plicht.

leven-o-t-207

1. Moloch
(volgens H. Vincent). Moloch is een woord, dat eigenlijk hetzelfde is als „melek”, dat koning betekent; vermoedelijk is Moloch hetzij slechts een andere naam voor Baäl in zijn verderfbrengende gedaante, hetzij een van de verschillende Baäls van Kanaän geweest. In Jer. 32 : 35 worden Moloch en Baäl gelijkgesteld. Moloch is de god van de verterende zon, die door de ritus van het „door het vuur gaan” gediend werd (Lev. 21 : 21; 2 Kon. 23 : 10). — De hier afgebeelde „Moloch” is een „stierenkop”, die ook herinneringen wekt aan de kalverendienst (1 Kon. 12 : 28) en drukt de gedachte aan de zinnelijke dienst uit door het mannelijk lid boven de neus op het voorhoofd. — Maar het is een betwiste kwestie of dit beeld wel „echt” is.

leven-o-t-208

2. Babylonisch levermodel.
Bij de Babyloniërs speelde de waarzegging uit de lever (hepatoscopie) een grote rol. Men beschouwde de lever van het geslachte dier met grote aandacht; „de lever bezien” (Ezech. 21 : 21) was geen uitvinding van mensen maar een gave van de godheid. De zonnegod „bepaalde de juiste stand van de ingewanden in het lijf van het schaap” en „schreef zelf in het lijf van het offerlam het orakel op”. Geen schaapslever is volkomen gelijk aan de andere. Steunende op dit feit, heeft men een geheel stelsel opgebouwd, om uit de lever der offerdieren de toekomst te voorspellen. Zo in het gezicht van Ezechiël 21 : 21. De koning van Babel staat op de kruisweg, aan het begin van de beide wegen om waarzeggerij te plegen: hij schudt de pijlen, ondervraagt de terafim, beziet de lever. — Nu werd ook bij Israël de lever wel beschouwd als de zetel van het leven en van het gevoel (Spr. 7 : 23; Klaagl. 2 : 11). Maar de Israëlietische wet heeft de bijgelovige praktijken onmogelijk gemaakt, door het voorschrift dat de leverkwabben der offerdieren verbrand moesten worden (Ex. 29:13; Lev. 3:4; 4:9).

leven-o-t-2093. „Assyrische” goden.
Relief van Tiglath Pileser III uit Kalach. Assyrische soldaten met spitse krijgshelm dragen godenbeelden; misschien als buit; in dat geval zijn het geen Assyrische goden. De voorste (a, b) schijnen vrouwelijke godheden te zijn; beide zitten. De derde godheid is grotendeels verborgen in een kast (c). De vierde (d) godheid is een bliksemgod met de dubbele bliksem in de linker- en de bijl in de rechterhand. De processie kan een trotse uiting wezen, hoe Assyrië’s macht sterker is dan de goden der volken (Jes. 36 : 19; 2 Kon. 18 : 34).

leven-o-t-210

4.Beeld van de godin Diana in de tempel te Efeze. Diana, de Latijnse naam voor de Grieksche godin Artemis was een godheid, die in de Grieks-Oosterse wereld veel geëerd was. De dienst van Artemis van Efeze, de „Diana der Efeziërs” was wijd verbreid („aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst”, Hand. 19 : 27). Oorspronkelijk was de dienst van deze godheid een Oosters getinte natuurdienst; het beeld van Diana had dan ook verschillende zinnebeeldige kentekenen, die wezen op vruchtbaarheid en groeikracht. Afbeeldingen werden als wijgeschenk door vereerders van Diana meegenomen naar huis (Hand. 19 : 24).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

 

1160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (44)

.

SYNAGOGE YAN KAPERNAUM

leven-o-t-201

1. De Synagoge van Kapernaum
zoals die was in de eerste eeuw

leven-o-t-202

2. Doorsnede en gezicht in deze Synagoge (naar Heinrich Kohl en Carl Watzinger, Antike Synagogen in Galilea).
Op een in zee vooruitstekende landberg liggen de oude ruïnes van de Synagoge van Kapernaüm: de benedenstukken van de muren staan nog overeind. Het was tot 1905 een ruïne; daarna hebben in de jaren tussen 1905 en 1921 onderzoekingen plaats gevonden; met grote toewijding is alles minitieus nagegaan; Franciscaner monniken, die met de wacht zijn belast, hebben getracht uit de voorhanden stukken het zó te groeperen, dat men een beeld van de Synagoge kreeg. En de geleerden Kohl en Watzinger hebben in hun boek over oude Synagogen in Galilea enkele tekeningen gegeven, die een reconstructie geven van de oude Synagoge in Kapernaüm. Het is, naar grote waarschijnlijkheid, de in Lukas 7 : 5 vermelde Synagoge, door de Romeinse centurio, de hoofdman over honderd, gebouwd. De Synagoge van Kapernaüm was gebouwd op een terras, iets hoger dan het oeverland: wie binnen wil treden, moet dus eerst dit terras beklimmen, dat 3.30 m. breed is; in het Westen (links) voert een trap van vier treden, in het Oosten een trap van dertien treden (rechts); dat verschil in treden is een gevolg van het feit, dat het terrein in Oostelijke richting daalt. De lengteas van het gebouw is Noord-Zuid; het voorfront is dus Zuid; de richting naar Jeruzalem, naar de Heilige stad, waarheen de Joden bij het gebed hun aangezicht wendden. Van het terras geven drie poorten toegang tot de eigenlijke Synagoge; de vierde deur rechts tot een hof, die aan de westzijde begrensd is door de muur van de Synagoge, aan de drie andere zijden door zuilenhallen. De Synagoges in Galilea hadden in de frontzijde drie deuren. In de hof was vermoedelijk een fontein, waarin men handen en voeten kon wassen.

Van binnen had de Synagoge aan drie zijden een zuilenhal; daarboven waren (wellicht) de plaatsen voor de vrouwen (ƒ). De stenen vloer in het midden (nu nog te zien) is dan de oude plaats van de Synagoge: daar is dus de plaats, waar de voeten van de Heiland  de bodem hebben betreden: hier heeft hij genezen de man wiens rechterhand dor was (Lukas 6 : 6). In deze synagoge heeft hij geleerd en hier heeft de Heiland de bezetene verlost van de onreinen geest (Markus 1 : 21—28). Hier heeft Christus gesproken van het Brood dat uit de hemel gedaald is: deze dingen zeide Hij in de synagoge, lerende te Kapernaüm (Joh. 6 : 59).

Vlak achter de frontzijde was een estrade (verhoogde plaats) met een lessenaar voor de lezing van de wet en met de kast of ark (bij c) voor de wetsrollen en de heilige boeken. Aan weerszijden daarvan staan twee kandelaars.

Links (bij g) is de hof; de lijn boven is een golvende lijn van het heuvellandschap.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

 

1153

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- 3e klas – het leven in het Oude Testament (43)

.

HEILIGE PERSONEN, GEBEDSRIEM

leven-o-t-196

1. Hogepriester.
De Hogepriester droeg over het priesterkleed:
a. Een bovenkleed, geheel geweven, ongenaaid, violetkleurig, met een door boord omgeven halsgat om er het hoofd door te steken, zonder mouwen, dat ongeveer tot even beneden de knieën reikte, zodat de witte linnen priesterrok zichtbaar was. Van onderen was de rand versierd met granaatappelen, gemaakt van dubbeldraadsgaren, afgewisseld met gouden klokjes.
b. De efod, vervaardigd uit violette, purperkleurige, karmozijnkleurige en witte draden, met gouddraad doorweven. Dit was waarschijnlijk een kledingstuk, dat de hogepriester droeg onder de armen over borst en rug. Het was vast om het lichaam gesnoerd; van achteren waren twee schouderstukken, die over de schouders heen, van voren aan de efod verbonden waren. Op de schouders waren twee onyxsteenen bevestigd in gouden rosetten gevat, en waarin de namen der twaalf stammen van Israël, zes op elke steen, gegraveerd waren.
c. Op deze efod bevond zich de borstlap; het was dubbelgevouwen en vormde een soort tas. Aan de buitenzijde bevonden zich twaalf edelstenen, vier rijen van drie, waarin de namen der twaalf stammen van Israël gegraveerd stonden. De borstlap diende tot bewaring van de Urim en Thummim.
d. Tot hoofdbedekking diende de Hogepriester een muts, waaraan door middel van een violetkleurige band bevestigd was een diadeem van zuiver goud, waarop de woorden „den Heere heilig” gegraveerd waren.

leven-o-t-197

2 en 3. Priesters
(naar Prof. de Groot). De priesters hadden voor hun dienst in het heiligdom een ambtskleding:
a. een lange rok met mouwen van wit linnen, geheel geweven, zonder dat eraan genaaid was;
b. een korte witte broek;
c. een muts van wit linnen tot hoofdbedekking, kegelvormig gewonden;
d. een gordel vervaardigd van dezelfde stoffen en in dezelfde kleuren als de voorhang van de Tabernakel (Ex. 39 : 29). „De beide einden van deze gordel konden tot de aarde reiken, doch werden, als de priester dienst had (3) over de linkerschouder geslagen (2). Deze gordel was vele meters lang en werd verscheiden malen van onder de oksels tot de heupen om het lichaam gewonden” (Prof. Dr Joh. de Groot).

leven-o-t-198

 

 

leven-o-t-199

4. Een Nazireeër.
Eigenlijk is het een gewezen Nazireeër. Wilde hij zijn gelofte beëindigen, dan nam hij de geschoren haardos in de linkerhand en voordat hij weer in het gewone leven mag terugkeeren, moet hij de offers brengen, die in Num. 6 : 13 v.v. worden opgesomd.

leven-o-t-200

5. Gebedsriemen (tefilliem):
zij bestaan uit een riem, waaraan een, uit zeer sterk perkament vervaardigd, zwart gelakt vierhoekig doosje (a) bevestigd is. In dit doosje bevinden zich vier op perkament geschreven gedeelten der Thora en wel: Ex. 13 : 1 en 11 : 6; verder Deut. 6 : 4—9 en 11 : 13—21. Op grond van Deut. 6 : 4—9 zijn er twee gebedsriemen: een voor het hoofd en een voor de arm. De gebedsriemen worden nu zó bevestigd, dat het ene kastje op het hoofd komt, tussen de ogen (zetel van het verstand) en het andere op de linkerarm, tegenover het hart (zetel van het handelen en van het gevoel, om aan te duiden, dat men met zijn hart de Heer liefheeft). De gebedsriemen heten in de Statenvert. van het Nieuwe Testament gedenkcedels (Matth. 23 : 5).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1146

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (42)

.

TEMPEL VAN HERODES (naar Schick).

leven-o-t-195

 

 

 

 

 

 

 

Op de voorgronde is een brug (a) over de beek Kedroti (2 Sam. 15 : 23; Johannes 18 : 1). Op de berg Moria (2 Kron. 3 : 1) of Zion (1 Maccab. 14 : 26) ligt het wijde grootse tempelplein. Aan de oostzijde van het tempelplein verheft zich in blanke schoonheid een zuilengalerij: dat is (c) de hal van Salomo (of voorhof van Salomo, Joh. 10 : 23; Hand. 3 : 11; 5 :12). Het schoonste is de koninklijke hal van Herodes (b) aan de zuidzijde; in één van die hallen daar heeft de twaalfjarige Jezus gezeten in het midden der leraren (Luk. 2 : 46). Aan de noord-westzijde is de oude burcht Baris, door Herodes de Groote vernieuwd, versterkt en omgedoopt tot Antonia (k); in de statenvert. „legerplaats” genoemd (Hand. 21 : 34); in de vert. van het Bijbelgenootschap „kazerne”. Van het tempelplein leiden trappen (j) opwaarts naar de burcht (Paulus staande op de trappen, Hand. 21 : 40). De grote voorhof (p) aan de zuidzijde is de „voorhof der heidenen”. Midden op het plein verheft zich een platform omgeven door een lage muur (d). Op zuilen zijn opschriften aangebracht, die iedere Jood verbieden niet verder te gaan. Daarom is het een zware beschuldiging tegen Paulus als de Joden van Azië het uitroepen: Deze heeft Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontheiligd (Hand. 21 : 28). — Klimt men omhoog, dan is men op het platform. Negen poorten geven toegang: vier van het noorden, vier aan het zuiden, een aan het oosten. Deze laatste is de voornaamste (bij e); hier is de Schone Poort (Hand. 3 : 2). De Schone Poort geeft toegang tot het Voorhof der Vrouwen (ƒ). Daar waren tijdens het Loofhuttenfeest twee grote standaarden elk met vier lichten; elke avond verzamelde zich de menigte met brandende fakkels en werden de lichten met gejuich ontstoken. Het is naar aanleiding daarvan dat de Heiland spreekt: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Joh. 8 : 12). Daar, op het voorhof der vrouwen was ook „de schatkist” (Mark. 12 : 41—44). Een hoge trap (i) van 15 treden geeft toegang tot het hoger gelegen voorhof der Israëlieten (g). Op die trap bij (i) mogen wij ons denken de plaats, waar Anna de profetes de Heere heeft beleden en waar de oude Simeon jubelde over het „Licht tot verlichting der heidenen” (die daarbuiten op het grote Tempelplein wandelden) en „tot heerlijkheid van het volk Israël” dat mocht naderen tot het heiligdom (Lukas 2 : 25—38). Van het voorhof der Israëlieten scheidt een lage borstwering van het Voorhof der Priesters (h) ; hier zijn Brandofferaltaar en Wasvat. Twaalf trappen ten westen van het altaar voeren naar het voorhuis van de Tempels; op die trappen zegenen de Priesters het volk; hier heeft de stomme Zacharia gewenkt tot de schare (Luk. 1 : 22). Achter het voorhuis zijn het Heilige en het Heilige der Heiligen. Hier is bij de dood van Jezus het voorhangsel gescheurd (Matth. 27 : 51).
Het is niet met zekerheid te zeggen, waar men zich moet denken „de tinnen van de tempels”; wel wordt aangenomen de hoge hoektoren in het zuidoosten, oprijzend boven de Kedronvallei (bij m). Aan de westzijde van het tempelplein was in de oudheid een dal, het dal Tyropeon (thans met puin gevuld); over dat dal leidde een brug (n) naar de Bovenstad, naar de stad Jeruzalem.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1139

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (41)

.

VOORHOF VAN DE TEMPEL

leven-o-t-194


Voorhof in de Tempel
(naar een voorstelling van Ch. Chipiez en G. Perrot). Op de achterzijde van de voorhof, vóór het Tempelgebouw, staan de zuilen Jachin en Boaz (b en c). De hoogte van deze kolossale bronzen zuilen (1 Kon. 7 : 15 w.; 2 Kon. 25 : 13 v.v.; 2 Kron. 3 : 15 v.v.; Jer. 52 : 21 v.v.) was 18 ellen (9 m); „een draad van twaalf ellen omving de pilaar” (1 Kon. 7 : 15) wat dus wijst op een doorsnede van 39/11 el — ongeveer 1.90; de dikte was vier vingers en de pilaar was hol (Jer. 52 : 21). Boven op de schacht was een kapiteel van vijf ellen (21 m. hoog) en omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen, elk 100 in getal. Hoe die kapitelen er precies uitzagen, weet men niet (zie 40 no. 3). Vermoedelijk waren zij vóór het tempelgebouw, en hadden zij geen draagfunctie. Tussen de zuilen ziet men (bij h) de ingang tot de voorhal: een dubbele deur van cypressenhout; de deurposten van olijvenhout. Daarboven de tempelmuur van massieve, zeer grote en forse stenen opgebouwd (met volmaakte steen, zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd; 1 Kon. 6 : 7). — De Salomonische tempel stond in een groten voorhof (a); men neemt aan, dat de vloer met stenen platen is bedekt. Dit plein heet “In de Bijbel de „binnenste voorhof” (1 Kon. 6 : 36; 1 Kon. 7 : 12). Vóór de ballingschap had het volk vrije toegang tot deze voorhof, waar de feesthoudende menigte dan samenstroomde (Jes. 1 : 12). In deze voorhof stond het grote brandofferaltaar (d, e); de koperen zee (maar zeer gedeeltelijk te zien bij i) en de rijdende ketelwagens (ƒ). Het brandofferaltaar is een statig bouwwerk van steen. Aan de oostzijde van het altaar is (naar de voorstelling in Ezechiël 43 : 17) een trap (in de tempel van Herodes was de opgang aan de zuidzijde en dan zonder trappen naar het oude gebod in Exodus 20 : 26). Rechts en links van het grote brandofferaltaar waren vijf rijdende ketelwagens (ƒ) het zijn in horizontale doorsnede vierhoekige stellages, twee meter in het vierkant, anderhalve meter hoog, van lijstwerk of repen brons gemaakt, waarop een ketel staat met een inhoud van ongeveer 141 hl. (Prof. Dr Joh. de Groot). Immers die „wasvaten” (gelijk de statenvert. 1 Kon. 7 : 38 ze noemt) hielden veertig bath (en 1 bath = 6 hin = 36,44 l, dus 40 bath 40 x  36,44 l = 1457,6 l). Op het lijstwerk van de stelling waren versieringen nl. leeuwen, runderen, cherubs (1 Kon. 7 : 29). De stellages reden op raderen (1 Kon. 7 : 33).

De voorhof was mogelijkerwijze (naar de reconstructie van Chipiez en Perrot) omgeven door een zuilengalerij; het tempelcomplex zelf was omringd door zijgebouwen (g).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1133

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (40)

.

HET HEILIGE

leven-o-t-1931. Het Heilige was van het Heilige der Heiligen
afgescheiden door de Voorhang (F) die daar aan vier pilaren is opgehangen. De wanden rechts en links zijn opgetrokken uit houten berderen.* Aan de zuidzijde (Ex. 40 : 24) staat de Kandelaar (A) beter: luchter (Ex. 25 : 6; 35 : 8) want tot verlichting van het heiligdom diende „reine olie van olijven, gestoten tot de luchter” (Ex. 27 : 20). Het is een kunstwerk van louter goud. Op het voetstuk verheft zich de schacht (de recht opgaande stam): daaruit schieten drie paar rieten uit, die met hun top gelijk in hoogte staan met de top van de schacht. Op die top en op de zes rieten zijn „schaaltjes gelijk als amandelnoten”; daarin werden lampen met olie geplaatst. Onder het schaaltje ziet men een versiering van knopen en bloemen (Ex. 25 : 35). De lichten van de lampen in de amandelnoten op de rieten branden „aan zijn zijden” (Ex. 25 : 3, eigenlijk staat er: naar ‘de kant van zijn aangezicht”, dus aan het voorste deel). Bij de luchter behoorden nog kleinere gereedschappen „snuiters” en „blusvaten” (D links). — Vlak tegenover de gouden luchter stond aan de noordzijde (Exod. 40 : 22) de Tafel der Toonbrooden (bij C). De beschrijving is in Ex. 25 : 23—30 en 37 : 10—16. De tafel was van sittimhout** met goud overtrokken. Aan alle zijden was haar blad omgeven door een gouden krans (c); onder de krans was een lijst van een hand breed en onder die lijst weer een gouden krans; zij stond op vier pooten; verder waren er vier gouden ringen en daardoor werden de handbomen gestoken (bij H). Bij de tafel waren verschillende gereedschappen: schotels, rookschalen, [vermoedelijk kleinere schalen om daarin wierook te doen; die wierook maakte, naar Lev. 24 : 7, 8 het brood ten gedenkoffer] ; platelen (lage bekers) en kroezen (offerkannen). De broden waren twaalf in getal in twee rijen, zes bij zes, op de reine tafel (Lev. 24 : 6; daarbij was dan de wierook). — Het Reukaltaar (B) (Ex. 30 : 1—7; 37 : 25— 28) was van sittimhout overtrokken met louter goud; aan de hoeken zijn hoornen. — In Ex. 30 : 7, 8 wordt van Aaron gezegd, dat hij het gouden Reukaltaar zou aansteken; Aaron deed het bij de inwijding van de Tabernakel, bij de aanvaarding van zijn priesterdom, gelijk hij en de Hogepriesters na hem het deden op de Grote Verzoendag, op de Sabbath, op het feest der nieuwe maan en op de gezette hoge feesten. (Zo’n geval is hier voorgesteld op de tekening, waar de Hogepriester staat bij het Reukaltaar). Het reukwerk bestond uit vier bestanddelen (Ex. 30 : 34—36). – Het is dit reukwerk waarvan David bij vergelijking zegt: Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht (Ps. 141 : 2).

2. De koperen zee (koper is brons). De hoogte van de koperen zee (a), het bekken bedraagt ongeveer 2½ m„ de doorsnede aan de bovenrand ongeveer 4.90 m.; de dikte is één handbreed. Het bekken wordt gedragen door vier groepen van drie runderen (b) alle van brons vervaardigd (1 Kon. 7 : 23 v.v.; 2 Kron. 4 : 2v.v.).

3. Twee vormen, hoe men zich de zuilen Jachin en Boaz voorstelt. De kapitelen zijn omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen.

*oud woord voor plank, bord
**sittimhout

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1131

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (39)

.

HOGEPRIESTER OP DE GROTE  VERZOENDAG

leven-o-t-192

De Hogepriester op de Groten Verzoendag in het Heilige der Heiligen
(naar Ds L. Schouten Hzn). Het Heilige der Heiligen was de plaats van de (e) Ark (kist) des Verbonds (Num. 10 : 33) of Ark der Getuigenis (Ex. 25 : 22 de Ark van de Heer, de Heer van de ganse aarde, Joz. 3 : 13); de Ark des Verbonds van de Heer der heerscharen, die tussen de cherubim woont (1 Sam. 4 : 4_) de Ark van Gods sterkte (Ps. 132 : 8). De Ark was gemaakt van sittimhout (Ex. 25 : 2), en had een lengte van 2½ el, een breedte en hoogte van 1½ el.* Voorts was de Ark van binnen en van buiten met louter goud overtrokken. De Ark werd gedekt door het Verzoendeksel (Ex. 25 : 21); daaromheen was een gouden krans (ƒ) of kroonlijst. Aan de vier hoeken waren vier gouden ringen: door die ringen staken handbomen van sittimhout met goud overtrokken. Op het verzoendeksel stonden twee cherubs (g) hun vleugelen omhoog uitgebreid; hun aangezichten tegenover elkaar, terwijl tevens hun aangezichten naar het Verzoendeksel gericht waren. Tussen de beide cherubijnen en daarboven (h) ziet men de „Schêchina” het zichtbaar teken van Gods tegenwoordigheid onder Israël, boven de vleugels van de Cherubijnen van de Ark des Verbonds, de letterlijke vervulling, door middel van dat teken, van hetgeen God gezegd had, ‘toen Hij ’t bevel gaf tot de bouw van de Tabernakel: „zij zullen Mij een Heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone” (Ex. 25 : 8).

In het Heilige der Heiligen trad de Hogepriester binnen op de Grote Verzoendag, op de tiende van de maand Tisri (Lev. 16 : 1—39; Lev. 23 : 26—32; Numeri 29 : 7—11). De Hogepriester trad het niet binnen in zijn gewoon hogepriesterlijk ambtsgewaad; hij droeg de heilige klederen (Ex. 39 : 41, de heilige linnen rok (a), de linnen gordel, de linnen hoed (b); Lev. 16 : 4. De Hogepriester was in witte linnen klederen gekleed; dit wit is symbolisch voor het verzoeningswerk (Hebr. 9 : 24; 7 : 26). De eerste maal, dat de Hogepriester binnentrad, wordt beschreven in Lev. 16 : 12, 13: „Hij zal een wierookvat (d) vol vurige kolen nemen van het Altaar, van voor het aangezicht van de Heer, en zijn beide handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen de Voorhang dragen. — Terwijl dan het Heilige der Heiligen geheel gevuld werd met de rook van het reukwerk, ging de Hogepriester naar buiten en nam daar van de Priester in de Voorhof, het gouden bekken (c) met het bloed van de var van de zondoffers, om nu met dat bloed het Heilige der Heiligen in te gaan en verzoening te doen voor zich en zijn huis. Hij steekt de wijsvinger van de rechterhand in het bloed van de var, en bespat met dat bloed het middelste gedeelte van het Verzoendeksel, tussen de gouden cherubijnen. — Daarna drukt hij nogmaals de wijsvinger in het zoenbloed, bespat nu de vloer vóór het Verzoendeksel en de Ark, en herhaalt dit tot zevenmalen toe. — Teruggekeerd naar de voorhof werd de éne bok van het offer van het volk geslacht, en met dat bloed ging de Hogepriester nu ten derden male het Allerheiligste binnen, om op gelijke wijze als de vorige maal het bloed te sprengen: nu tot verzoening voor het volk.

*de precieze grootte van deze el is niet bekend, maar wordt geschat tussen 42 en 52 cm.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1126

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (38)

.

leven-o-t-191

De Tabernakel en de Voorhof (naar Ds L. Schouten Hzn).
De Voorhof (Exodus 27 : 9—18; Exodus 38 : 9—20) bestond uit een niet overdekte langwerpig vierkante ruimte. Hij was honderd ellen lang en vijftig ellen breed (dus ongeveer 54 bij 27 m.). De afsluiting werd gevormd door „behangselen van fijn linnen” opgehangen tussen pilaren. Er waren twintig pilaren aan de zuidzijde, evenzoveel aan de noordzijde, tien aan de west- en tien aan de oostkant. Aan elk der vier hoeken stonden twee pilaren (zie bij E). Aan de oost- of voorzijde hing in het midden een voorhangsel „deksel” aan vier pilaren (Ex. 27 : 16). De „behangselen” waren van fijn getweernd linnen, van een helder witte kleur. Zij hingen aan zilveren haken, die in zilveren banden, onder de zilveren hoofden of kapitolen van de pilaren, waren aangebracht, en hadden de hoogte van vijf ellen (Ex. 27 : 18). In het midden aan de oostzijde van de omheining van de voorhof hing een voorhangsel, dat de naam „deksel” draagt (Ex. 27 : 16): dat „deksel” was zoveel als de deur of poort door welke men in de Voorhof kwam en werd gedurende de dienst of opgebonden of ter zijde geschoven.
In de voorhof ziet men allereerst het Brandofferaltaar (B) waarvan de beschrijving gegeven wordt in Ex. 27 : 1—8; 38 : 1—7.
’t Bestond uit een grote vierkante bak of kast van sittimhout, zonder deksel en zonder bodem, van vijf ellen in de lengte, vijf ellen in de breedte en drie ellen in de hoogte. Van binnen en buiten was die bak beslagen met dikke koperen platen. Het altaar had voorts aan de bovenkant, in ’t vierkant, een platte, naar buiten uitstekende lijst of rand, de „omgang”. Uit die lijst kwamen op de vier hoeken, de „hoornen” te voorschijn. Onder de „omgang was een rooster of netwerk; daaraan hingen ringen ; die ringen dienden om daardoor de „handbomen” te steken. „Wij zijn van meening (aldus Ds L. Schouten Hzn) dat de holligheid of ’t inwendige van het altaar gevuld werd met aarde [in overeenstemming met Ex. 20 : 24], Naar Ex. 40 : 6 moest het altaar gezet worden „voor de deur van de Tabernakel” terwijl het Wasvat gezet moest worden „tussen de Tent der samenkomst en tussen het altaar.” Bij het binnentreden zag men dus eerst het Brandofferaltaar (B) dan het Koperen wasvat (C). Symboliek heeft men daarin gezien: eerst’t Altaar, en dan het Wasvat; eerst Christus tot rechtvaardiging, dan Christus tot heiligmaking. Over de vorm van het Wasvat wordt niets in de Bijbel vermeld: slechts dat Bezaleël maakte „het koperen wasvat, met zijn koperen voet (Ex. 38 : 8). — De Tabernakel (D) stond 50 el af van de oostzijde. De Tent bestond uit 48 staande „berderen” of planken van sittimhout. Daaroverheen waren vier soorten van „dekkleden” of tapijten. Het eerste kleed bestond uit „fijn getweernd linnen”; de grondkleur was wit; maar daarin was op een „allerkunstigste” wijze geweven: hemelsblauw, purper en scharlaken. Het tweede kleed was van geitenhaar. Daarover een kleed van „vellen van rammen, die rood geverfd zijn.” Het vierde of buitenste dekkleed, was naar de Statenvertaling van „dassenvellen”; vermoedelijk moeten wij verstaan „vellen van zeehonden of zeekoeien”. Dat werd aan drie kanten, door middel van koorden, en koperen pinnen, welke aan die drie kanten in de grond werden geslagen, vastgemaakt en stevig aangetrokken. — De Tent bevatte twee vertrekken: het Heilige en het Heilige der Heilige.

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1121

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Het leven in het Oude Testament (37)

.

DIEREN

Dromedaris; kameel; gazelle; steenbok; onager; muildier; geit; vetstaartschaap; klipdas; kwartel; treksprinkhaan; mier; gekko (links verwijzen naar Wikipedia)

leven-o-t-177

1. Dromedaris.

leven-o-t-178

2. Kameel
Het Hebr. kent geen onderscheiding tussen „kameel” en „dromedaris”. Ook in later tijd, wanneer in de profetieën van kamelen in Babel (Jes. 21 : 7), in het Zuiderland (Jes. 30 : 6) en, bij de Arabieren (Jer. 49 : 29, 32) sprake is, wordt steeds het woord „gamal” gebruikt. Het verschil tussen de eenbultige en tweebultige kamelen is dus in de ogen van de Israëlieten niet karakteristiek geweest. Dat overigens wel aandacht aan de kamelen besteed werd, blijkt hieruit, dat er verschillende woorden zijn voor het mannelijke en vrouwelijke
kameelveulen. Zo wordt in Jes. 60 : 6a „een stroom van kamelen zal u overdekken” (vertaling Ridderbos) gebruikt het woord „beker” dat mannelijk kameelveulen betekent, en in Jeremia 2 : 33: „gij snelle heen en weder lopende kemelin” (vert. Aalders) het woord voor een vrouwelijk kameelveulen, nl. „bikra” [F. J. Bruijel].

leven-o-t-179

3. De gazelle
komt in Palestina nog voor. Het dier werd bewonderd om de snelheid; 2 Sam. 2 : 18 waar gezegd wordt van Asahel „vlug ter been als een gazel op het veld” (vert. de Groot); 1 Kron. 12 : 8 (Statenvertaling „ree”); Hooglied 2 : 17 (Statenvert. „ree”); .Jesaja 3 : 14 („En het zal geschieden: als een opgejaagde gazelle, als schapen, die niemand bijeenhoudt, zo zullen ze elk naar zijn volk zich keren, en ieder naar zijn land gaan vluchten”, vertaling Ridderbos). In het Hooglied (2 : 7; 4 : 5) is de gazelle beeld van bevalligheid. De eigennaam Zibja (voor een man 1 Kron. 8:9; een vrouw, 2 Kon. 12 : 2) en Dorkas (Hand. 9 : 36) wijst er op, dat men de naam „gazelle” ook aan mensen gaf. Het eten van het vlees was naar de wet geoorloofd (Deut. 14 : 5); daarom werd het wel gejaagd (1 Kon. 4 : 23, Statenvert. „ree”). Het was geen offerdier (Deut. 12 : 15).

leven-o-t-180

4. De steenbok
met zijn machtige horens kwam vroeger veel voor in de bergstreken van Palestina (daarom in 1 Sam. 24 : 3 „de rotsen der steenbokken” bij Engedi; en in Psalm 104 : 18: de hoge bergen zijn voor de steenbokken); nog steeds zijn zij in de rotsgebieden om de Dode Zee, waar het boek Job ook van spreekt (Job 39 : 4, steengeiten). Het wijfje van de steenbok wordt door de Arabieren om snelheid en bevalligheid bewonderd; ook de Spreuken noemen de huisvrouw der jeugd een „aangenaam steengeitje” (Spr. 5 : 19).

leven-o-t-181

5. De onager
wordt in de Statenvertaling „woudezel” genoemd. „Hij is even groot als de tamme ezel; zijn poten zijn echter mooier gevormd. Hij heeft een slanke, ietwat gebogen hals en lange, rechtopstaande oren. De manen zijn donker, terwijl het lichaam lichtgekleurd is. Een bruine, borstelige streep van haren loopt van de manen naar de staart” (F. J. Bruijel). Zij leven ongetemd in de steppe (Job 39 : 8—11); daarom wordt het vrijheidlievende volk van de nazaten van Ismaël ermee vergeleken (Gen. 16 : 12). Zij leven in de steppe en eten gras (Job 6 : 5), de wildernis is tot zijn huis besteld (Job 39 : 8); daarom is het oordeel der verwoesting volkomen als Jesaja profeteert: „Ofel en de wachttoren zullen zijn tot een vreugde der woudezels” (Jes. 32 : 14). De woudezels gewend in de woestijn (Jeremia 2 : 14; Job 24 : 5) komen ook in het boomloze gebergte voor, waar zij water drinken uit de bronnen in de dalen (Psalm 104 : 11).

leven-o-t-182

1. Het muildier
is de bastaard tussen een ezelhengst en een paardenmerrie (Esther 8 : 10). Krachtig en moedig is hij als een paard, terwijl het muildier de voorzichtige gang van een ezel bezit (Esther 8 : 14). In de dagen van David was het muildier het rijdier voor de prinsen (2 Sam. 3 : 29), 2 Sam. 18 : 9). Het is geschikt als lastdier (1 Kron. 12 : 40); Naäman wil aarde uit Israël meenemen „een last aarde van een juk muilen” (2 Kon. 5 : 17); het werd ook in het leger gebruikt (Zach. 14 : 15). De wet verbood de kruising (Leviticus 19 : 19); het is mogelijk, dat men deze dieren van elders kocht; de lieden van Togarma hadden muildierfokkerijen gelijk we lezen in Ezechiël 27 : 14: Die van het huis Togarma betaalden uw waren met paarden, en rossen en muildieren (vertaling Noordtzij).

leven-o-t-183

2. De geit
De oren zijn lang en slap neerhangend; een herder redt bij de strijd met de leeuw wellicht nog een stukje van het oor (Amos 3 : 12). De geiten hebben lang zwart haar (Hoogl. 4 : 1; 6 : 5; vandaar de zwarte tenten van geitenhaar, Hoogl. 1:5; en een geitenvel de nabootsing kon wezen van Davids hoofdhaar, 1 Sam. 19 : 15). Het vlees wordt met graagte als lekkernij gegeten (Gen. 27 : 9; Lukas 15 : 29; Richt. 6 : 19; 13 : 15; 15 : 1; 1 Sam. 16 : 20); genoegzaamheid van geitenmelk als een zegen beschouwd (Spr. 27 : 27). De geitenhuid werd benut als lederen zak; soms zelfs als armelijke kledij (Hebr. 11 : 37). Van het geitenhaar spinnen de vrouwen stoffen (Exodus 35 : 26) voor tentdoek (Exodus 26 : 7). De geitenkudden zijn meest op bergen en heuvels; vandaar de beschrijving in 1 Kon. 20 : 27, van het leger der Israëlieten „als twee blote geitenkudden”.

leven-o-t-185

3. Het vetstaartschaap
is voornamelijk gekenmerkt door de zware vlezige staart; bij het offeren werd voorgeschreven dat de offeraar zal nemen „de gehelen staart, die hij dicht aan de ruggengraat zal afnemen” (Lev. 3 : 9). De kleur van de wol is in de regel wit (Psalm 147 : 16; Jesaja 1 : 18; Dan. 7 : 9; Openb. 1 : 14; Hoogl. 6:6); met bruine of soms zwarte kop en poten; dit verklaart de overeenkomst tussen Jakob en Laban (Gen. 30 : 22). Het karakter van het schaap wordt geschetst als goedmoedig, niet zelfstandig, angstig, weerloos, geduldig in het lijden (Jesaja 53 : 6, 7; Jer. 11 : 19; Psalm 119 : 76). Het schaap was in Israël nuttig door de melk (Deut. 32 : 14; Jes.7 : 21, 22), het vlees (1 Sam. 25 : 18; 2 Sam. 12 : 4; 1 Kon. 4 : 23), en de wol waaruit kleding werd geweven (Job 31 : 19, 20).

leven-o-t-184

 

4. De klipdas,
een klein dier, leeft in troepen in rotsige streken (de rotsen zijn een schuilplaats voor de klipdassen, Ps. 104 : 18; vert. Noordtzij). In de Statenvert. wordt het Hebr. woord door „konijn” vertaald; in Spr. 30 : 26; Lev. 11 : 5 en Deut. 14 : 7. Wanneer men hier evenwel klipdas leest, dan blijkt de nauwkeurigheid in Lev. 11 : 5, want de klipdas „herkauwt wel, maar verdeelt de klauw niet”.

leven-o-t-186

5. Kwartel
Kwartels (vroeger kwakkel(en) trekken elk jaar in grote massa’s in vluchten voort; als zij dan uitgeput zijn, vallen zij neer en worden door de Arabieren dikwijls met de hand gevangen, omdat zij een begeerd voedsel leveren, gelijk reeds tijdens de woestijnreis: Exodus 16 : 13; Numeri 11 : 31; Psalm 105 : 40.

leven-o-t-187

1. Gevleugelde treksprinkhaan

leven-o-t-188

2. Treksprinkhaan
in het laatste ontwikkelingsstadium. De schade wordt vooral veroorzaakt door de treksprinkhanen, die in geweldige massa’s op bepaalde tijden neerstrijken. Daarom wordt de ontelbaarheid van een leger als van de Midianieten voorgesteld als „de sprinkhanen in menigte” (Richt. 6: 5) of de heerscharen die Egypte overmeesteren als „meerder dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen kan” (Jer. 46 : 23). Zij trekken in geweldige vluchten, zij hebben geen koning „toch trekken zij gezamenlijk in goede orde op” (Spr. 30 : 27; vertaling Gemser):
=Als helden snellen zij aan, als krijgslieden beklimmen zij de muur, ieder blijft in het gelid, niemand wijkt af van zijn route.
Geen, die zijn nevenman verdringt, elke krijger houdt zijn koers. Door wapens heen stormen zij voort, van afgesneden worden geen sprake, geen bres in hun gelederen.
In de stad dringen zij binnen, de muren bestormen zij, tegen de huizen klimmen zij op; door de vensters sluipen zij binnen als een dief. (Joel 2 : 7—9; vert. Bleeker).

Verchrikkelijk is de verwoesting: als de hof van Eden is het land vóór hen, en achter hen een ledige woestenij, en niets ontkomt aan hen (Joël 2:3; vert. Ridderbos). Daarom zijn de sprinkhanen vaak het beeld van het goddelijke strafgericht (Deut. 28 : 38; Amos 4:9; „al vreet de sprinkhaan vele van uw hoven” vert. Ridderbos; Amos 7 : 1). In Palestina worden zij aangejaagd door de zuidoostenwind (Joël 2 : 20; vgl. Ps. 109 : 23). In Joël 1 : 4 wordt gezegd:

Wat de knager overliet, vrat de sprinkhaan op
en wat de sprinkhaan overliet, vrat de verslinder op
en wat de verslinder overliet, vrat de afvreter op (Vert. Bleeker).

De vier, (in het Hebreeuws gebruikte) namen, geven wellicht de vier op elkander volgende ontwikkelingsstadia weer.

leven-o-t-189

3. Mieren:
mannetje (3a); wijfje (36); werkster (3c); de laatste links vergroot, rechts op natuurlijke grootte. In Palestina leven 31 soorten mieren. De Spreukendichter stelt de mieren als voorbeeld: want de mier bereidt haar brood in de zomer en vergadert haar spijze in de oogst (Spr. 6:8). Zij bereiden in de zomer haar spijs (Spr. 30 : 25); de soorten mieren, die zich met plantenvoedsel voeden, met name plantenzaden, kunnen in de winter niet voldoende vinden en daarom moeten zij voorraad maken in de zomer.

leven-o-t-190

4. Gekko.
De Statenvertaling heeft in Spr. 30 : 28: De spinnekop grijpt met de handen en is in de paleizen der koningen. De vert. van Prof. Gemser luidt echter: „De hagedis laat zich grijpen met de handen; toch dringt zij in des konings paleizen door.” Wij zullen hier bij hagedis moeten denken aan de „gekko”: die komt in de huizen voor. Bruijel meldt hiervan: Aan de onderzijde van de sterk verlengde tenen hebben zij meestal z.g.n. hechtschijfjes, waardoor zij in staat zijn, in alle richtingen langs de muren te lopen. Zo is het dus als Dr Gemser omschrijft: „De hagedis, die zo onhoorbaar tegen de muren oploopt, om zijn voedsel te zoeken, kan zonder gevaar met de hand worden beetgepakt. Hoe gering ook, hij weet zich toegang te verschaffen, waar vele mensen niet kunnen komen.”

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1115

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (35)

.

BOMEN EN STRUIKEN

amandelboom; ceder; dadelpalm; granaatappelboom; Johannesbroodboom; mirre; nardus; olijfboom; terebint; vijgeboom; wilde vijgeboom

Grohmann over de dadelpalm
meer over mirre op deze blog
.

leven-o-t-158

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Vellen van „cederen” op de Libanon.
Farao Sethos I had bevolen op de Libanon bomen om te hakken, om een groot schip (Nijlschip) voor de tempel van Amon te maken. „De grote vorsten van de Libanon” dragen lange mantels met schouderkragen. De bomen moeten cederen voorstellen; zij worden dicht bij de grond met bijlen gekapt en met touwen omgetrokken.

leven-o-t-159

 

 

 

 

 

 

 

 

 
2. Assyrische soldaten vellen bomen.
Toen Salmanassar in de strijd tegen Hazaël wel de Syrische koning tot terugtocht dwong, maar de stad Damaskus niet kon overmeesteren, liet hij in zijn toorn de palmbomen vellen, die de stad, zoals nu nog, omgeven; hij verwoestte de ganse landstreek tot Hauran. Zo ’n beeld geven ook soldaten van Sanherib, die met bijlen (a) de palmen omhakken; onder de bladerenkroon hangen de vruchten (b); langs de palmentuin is een kanaal (c) waarin vissen zwemmen. Het vellen van vruchtbomen bij een belegering was voor Israël in de wet verboden (Deut. 20 : 19). Maar het oude volk heeft wel ervaren, dat vijanden het deden (Jesaja 14 : 8).

leven-o-t-160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3. Terebint.
De terebint of terpentijnboom (in de Statenvertaling „eik” genoemd) is een der mooiste bomen van Palestina. Hij staat gewoonlijk op zichzelf en trekt daardoor altijd de aandacht. Bovendien geeft het dichte gebladerte in de zomer een donkere schaduw. Hosea 4 : 13 noemt als een boom waarvan „de schaduw goed is” de terebint; die schaduw is alleen in de zomer, want de terebint is de boom, waarvan het in Jesaja 1 : 30 heet „welks bladeren afvallen”. De grootse kroon en de dichte schaduw hebben de menschen in de oudheid zeer geboeid. „Niemand kan zeggen hoeveel stemmen een boom heeft, als hij zich niet uit de stilte der grote woestijn daarheen begeven heeft” (G. A. Smith). Tienmaal wordt in het Oude Testament afkeurend gesproken (het eerst in Deut. 12 : 2) van de afgodendienst „onder alle groene boom”. De bekoring heeft ook Israël bevangen: „zij zondigden op iedere hoge heuvel en onder iedere groene boom.” In de schaduw van de terebint werd afgoderij gepleegd; de profeet zegt in de naam Gods: Gij zult ervaren, dat Ik de Heere ben, wanneer hun verslagenen midden onder hun schandgoden liggen rondom hun altaren op iedere hoge heuvel, op al de toppen der bergen en onder iedere groene boom, en onder iedere dichtgebladerde terebint, ter plaatse waar zij aan al hun schandgoden offers brachten (Ezechiël 6 : 13 vertaling Noordtzij). De terebint komt ook onder Israël wel als heilige boom voor: de „eik” bij Sichem (Genesis 35 : 4; Jozua 24 : 26) de „eik die te Ofra is” (Richt. 6 : 11) bij Jabes (1 Kron. 10 : 12) zijn terebinten. In het Eikendal (1 Sam. 17 : 2) zijn nog steeds terebinten.

leven-o-t-161

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Vijgeboom.
De vijgeboom is een statige boom; onder het dichte loverdak kan men aangenaam rusten (Joh. 1 : 49). In november vallen de bladeren af, doch reeds in januari ziet men knoppen en in het vroege voorjaar zwellen deze aan (Hooglied 2 : 13); in maart gaan de bladeren uitspruiten en weet men, dat de zomer nabij is (Mattheus 24 : 32). Zodra de boom in het blad is, zijn er al vroege vruchten, die onrijp gegeten worden (Jes. 28 : 4); deze werden evenwel gemist aan „de verdorde vijgeboom” (Matth. 21 : 19). Wanneer in mei de jonge zomervruchten gezien worden, vallen de vroege vijgen af (Nahum 3 : 12; Openbaringen 6 : 13).

leven-o-t-162

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2. Blad, vrucht en bloemen van de vijg.
De tekening vertoont een takje van de gewone vijgeboom; boven een bebladerd takje met de vrucht de vijg (a); links deze schijnvrucht (b) in overlangse doorsnede daaronder, en rechts een mannelijk (c) en vrouwelijk bloempje (d). Bij deze bomen zijn de éénslachtige bloemen, mannelijke en vrouwelijke bij elkaar, geplaatst aan de binnenzijde van een holle bloembodem, die zijdelings uit een tak ontspringt, zich vergroot eri holler wordt, tot eindelijk de peervorm is aangenomen. Dit vruchtlichaam is de eetbare vijg; de eigenlijke vruchtjes zijn de in het inwendige gelegen korreltjes. De vijgebladeren zijn dik; als men in de dichte bladeren een scheur maakt, loopt er een slijmerig sap uit, zodat de bladeren gemakkelijk aan elkaar kleven en zo voor de eerste voorouders een schort konden vormen (Gen. 3 : 7).

leven-o-t-163

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3. Zeer oude olijfboom.

leven-o-t-164

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
4. Bloeiende olijftak.

Evenals vele andere bomen uit het Middellandse Zeegebied is hij altijd groen. In de winter vallen dus de bladeren niet af; wel worden in de loop van ongeveer drie jaren alle bladeren geleidelijk door nieuwe vervangen. Het altijd groen zijn van de olijfboom is dan ook het mooie beeld van Psalm 52 : 10. „Maar ik ben als een groenende olijfboom in Gods huis” (vertaling Noordtzij). De bladeren lijken veel op wilgenbladeren (a). Aan de bovenzijde zijn ze matgroen, met een dikke, lederachtige opperhuid bedekt, waardoor de verdamping beperkt wordt. Aan de onderzijde zijn ze om dezelfde reden met fraaie stervormige haren (vervormde opperhuidscellen) bedekt, zodat deze kant witachtig ziet. —
Begin mei is in Palestina de bloeitijd van de olijfboom. Dan komen in de bladoksels en aan de uiteinden der jonge takjes korte trossen met kleine witte bloempjes (b) te voorschijn, die nagenoeg geen geur verspreiden. Na de bestuiving door insecten zetten ze spoedig vrucht. In sommige jaren komt er in het geheel niets van terecht en worden alle bloemen afgeworpen, eer van vruchtvorming sprake is (Job 15 : 33). De vruchten zijn steenvruchten en hebben de vorm en bouw van een spitse pruim. In september hebben de olijven ongeveer hun volle grootte bereikt; ook het oliegehalte is in de laatste maand sterk toegenomen. Omstreeks begin oktober kan de eigenlijke oogst beginnen. Dan is de boom op zijn mooist en zo beschrijft Jeremia hem dan ook als beeld van het uitverkoren volk: Een groene olijfboom, schoon door welgevormde vrucht, noemde de Heere uw naam” (Jeremia 11 : 16a; vertaling Aalders). Zelfs op schrale, rotsachtige bodem wil de olijf groeien en verwerkelijkt zo de toezegging „Olie uit de kei der rots” (Deut. 32 : 136). [F. J. Bruijel, Bijbel en Natuur].

leven-o-t-165

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
1.De dadelpalm
is een 10—20, soms zelfs tot 50 m. hoge boom. Aan de top van de stam bevindt zich een kroon van 40—60 donkergroene bladeren, die geveerd zijn, tot 3 m. lang worden en dus „palmtakken” (a) genoemd mogen worden. Een dadelpalm begint gewoonlijk na ongeveer 10 jaar vrucht te dragen en heeft dan elk jaar 6 a 10 vruchttrossen, die elk honderden dadels tellen. In vroeger tijd droeg Jericho met recht de naam van de Palmstad (Deut. 34 : 3). Palmen vond men ook in de oase van Engedi aan de westkust van de Dode Zee. Engedi droeg ook de naam Hazezon-Thamar (Gen. 14 : 7) d. w. z. „de plaats van het palmensnijden”.
De boom is het beeld van de rechtvaardige (Ps. 92 : 13). Bij de instelling van het Loofhuttenfeest (Lev. 23 : 40) wordt het palmblad genoemd als een der bestanddelen van de „feestruiker” waarmee men vol blijdschap voor het aangezicht des Heeren verscheen en blijkbaar is het palmblad (palmtak) een zeer belangrijk bestanddeel ervan geweest, daar de feestruiker, de loelaab in het Hebreeuws ernaar genoemd werd. De palmtakken golden als symbool voor de overwinnaar (Openb. 7 : 9); en toen de Heere Jezus Zijn intocht hield in Jeruzalem namen de scharen takken van palmboomen en gingen uit Hem tegemoet (Joh. 12 : 13).

leven-o-t-166

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2. Granaatappelboom.

leven-o-t-167

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
3. Tak, bloem, vrucht van de granaatappel.
Wanneer in de Bijbel wordt gesproken van de belangrijkste bomen en vruchten, wordt de granaatappel daarbij genoemd (Deut. 8:8; Haggai 2 : 20; Joel 1 : 12). De boom geeft geen schaduw; als van Saul wordt vermeld dat hij onder een granaatboom zit (1 Sam. 14 : 2), is hij daar niet om de schaduw, maar omdat het een „heilige boom” is. In het voorjaar hult de boom zfch in bladerentooi, als de voorjaarsregens eindigen. Het is in de lentetijd, dat de bruidegom uitgaat in de notenhof om te zien, of de granaatbomen uitbotten (Hoogl. 6 : 11).
De granaatappel is een donkerrode vrucht (uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uwe vlechten, Hooglied 6 : 7); de bruid stelt als iets heerlijks voor „het sap van mijn granaatappelen” (Hooglied8 : 2).
De „granaatappel” is een rode appelvormige vrucht; eigenlijk is het een bes, die na rijping openspringt en dan zijn vruchtvlees toont, waarin donkerrode sappige kernen zijn (Hoogl. 4 : 3). Uit het sap van de vrucht wordt granaatappelwijn gemaakt (vgl. Hoogl. 8:2). Om de mooie vorm dienden de granaatappelen als model voor de versiering der koperen zuilen in Salomo’s tempel (1 Kon. 7 : 18, 42; Jer. 52 : 22, 23) en aan de zomen van de mantel van de hogepriester (Exodus 28 : 33, 34).

leven-o-t-168

 

 

 

 

 

 
4. Wilde vijgeboom of sycomore.
Dit is een boom, die zich reeds dicht bij de grond vertakt, in horizontale takken: daardoor kon men er gemakkelijk in klimmen (Lukas 19 : 4); het mooie bladerdak geeft veel schaduw. De boom groeit in een warm klimaat, dus niet in het bergland, maar in de laagvlakte („wilde vijgebomen die in de laagte zijn”: 1 Kon. 10 : 27; 1 Kron. 27 : 28), in de warme Jordaanvallei (Lukas 19 : 4) en in Egypte (Ps. 78 : 47). De kleine vruchten worden gegeten (Amos 7 : 14).

 

leven-o-t-169

1. De Johannesbroodboom
(zo genoemd, omdat men wel heeft gedacht, maar zonder bewijs, dat Johannes de Doper de vruchten at) is een boom, die het midden houdt tusschen een groote bremstruik en een forse acacia. De boom ontleent zijn Latijnse naam (Ceratonia) aan de vorm van de peulen, die wat hoornig zijn. De boontjes uit de zwarte peulen, werden voorheen gebezigd als gewichten. Zo’n gewicht heette naar keration, karaat. Nog gebruikt de juwelier dit woord bij goud en diamanten. Zo schreef eens Prof. van Veldhuizen en hij vervolgde: Nu denk ik aan de verloren zoon. Volgens Lukas 15 : 16 begeert deze zijn buik te vullen met de draf der zwijnen, maar niemand gaf hem die. Men vraagt: Kon hij er dan niet van nemen? Er was hongersnood. De zwijnen moesten zoveel mogelijk hun eigen kost opzoeken onder zijn leiding. ’s Avonds werden ze bijgevoederd. Dan kon hij toezien. Het was voor de eigenaars van meer gewicht, dat de zwijnen doorvoed waren, dan of hij ondervoed was. Wat door draf werd vertaald, waren die keration in het Grieks, de vruchten van de Johannesbroodboom.”

leven-o-t-174

2. Tak van de amandelboom.
Vrucht (a), bloemen (b). De amandelboom is reeds zeer vroeg in het jaar aan het bloeien; in Januari begint het uitbotten, in februari ziet men de bloemen: een prachtig gezicht in een tijd, dat er nog sneeuw kan vallen. Jeremia (1 : 11) zag eens een amandelroede (maqqêl saqëd) een amandeltak en moest hieruit leren, dat God wakker (soqëd) is over Zijn Woord. Inderdaad: de amandelboom schijnt niet te slapen; de boom is wakker — en daarom past de boom goed voor dit beeld. Dat de staf van Aaron in één nacht bloemen had, (Numeri 17 : 8) hangt met het feit, dat deze een amandeltak was, samen. De bloemen zijn eerst blozend-rood, dan wit: daarom is de bloem ook een beeld van de grijsheid (Pred. 12 : 5). De amandel werd geteld onder het loffelijkste van het land (Gen. 43 : 11). De amandelnoten dienden als voorbeeld voor de versiering van de gouden kandelaar (Exodus 25 : 33, 34; 37 : 19, 20).

leven-o-t-175

3. Mirre. Het hars van deze plant werd op hoge prijs gesteld; deze mirre was een bestanddeel van de heilige zalfolie (de zuiverste mirre, specerijkaneel, specerijkalmus, kassie, olie; Exodus 30 : 23) om de liefelijke geur (mijn vingers drupten van vloeiende mirre; Hoogl. 5 : 5). De mirre vormde een parfum of reukwerk voor kleren (al uwe klederen zijn mirre, en aloë en kassie; Psalm 45 : 9; vgl. Hoogl. 3 : 6) en bedden (Spr. 7 : 17). „Mirre-olie” was een schoonheidsmiddel (Esther 2 : 12). De mirre werd wel meegedragen in reukflesjes (Jes. 3 : 20) of in een bundeltje op de borst gedragen (Hoogl. 1 : 13). Mirre vormde met goud en wierook het geschenk der wijzen uit het oosten (Matth. 2 : 11). Nicodemus bracht een mengsel van mirre en aloë voor de begrafenis van Jezus (Joh. 19 : 39). Ook was mirre gemengd in de wijn bij het Kruis (Markus 15 : 23).

leven-o-t-1764.Nardus
De plant levert uit de wortel de in een albasten fles bewaarde nardus (Markus 14 : 3; Joh. 12 : 3). Wanneer uit Hoogl. 1 : 12; 4 : 13, 14 wordt afgeleid, dat nardus ook in tuinen van Palestina gekweekt werd, moet men wellicht aan een valeriaangewas denken. Het is dikwijls moeilijk te weten, welke planten in de Bijbel bedoeld worden.

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament ( 34)

.

GRAVEN

leven O.T. 153

1. 2. 3. Graven. De Israëlieten achtten het een eer in een familiegraf te worden bijgezet (Gen. 49 : 31, 1 Kon. 13 : 22). De graven werden uitgehouwen in grafkamers. Er waren drieërlei graven. 1. Boog-bankgraf, waarbij onder een boogvormige nis (a) zich een bank (b) in de rotswand bevindt; aan het ene einde is een schuin oplopende verhoging (c) welke als hoofdkussen voor de dode bedoeld is. Een lijk ligt op de bank dan open en bloot, en wordt minder goed bewaard dan in het troggraf.

leven O.T. 154

2. Troggraf.
Dan maakte men een nis in de rotswand en daaronder een horizontale schacht (a), ongeveer ter grootte van het lijk; zo’n troggraf had dan de vorm van een steenkist. Wanneer men dan bovendien nog boven dit graf een ronde nis maakt (als bij het boogbankgraf) heeft men het trogbooggraf of arcosolium (wat vaak voorkomt in catacomben).

leven O.T. 155

3. Schuifgraf.
Er worden in de wand dan gangen gemaakt, waarvan de lengteas loodrecht staat op de rotsmuur. Men schoof er de lijken in, zodat de voeten naar voren lagen. De geringe breedte maakt het mogelijk het graf door een platte steen af te sluiten. Alle deze drie soorten graven komen voor in grafkamers. In zo’n grafkamer kwam men door eerst te treden in

leven O.T. 156

4. een voorhal
van het grafvertrek; een kleine deur (a), geeft de toegang. Deze voorhal is even breed als de grafkamer (wat ook in nummer 5 goed te zien is). De ingang is zeer klein, men zal zich moeten bukken om in de grafkamer te komen (Lukas 24 : 12; Joh. 20 : 11). Vaak is voor de ingang een gleuf of goot; daarin past een steen; deze steen wordt voor het graf gewenteld (Markus 16 : 3); soms is deze steen rond (tekening 5c).

leven O.T. 157

5. Het model van een grafkamer met voorhal toont duidelijk de voorhal (a) de „deur” van de grafkamer (b) en de steen (c). Leerrijk is het hierbij na te gaan, wat de Evangeliën zeggen over het graf van Jezus. Men kwam van de voorhal in de grafkamer (Joh. 20 : 1, 3, 5, 6, 8). Het graf had vermoedelijk een open voorhal. Dan moest men zich bukken om door de ingang van het graf iets te zien (Luk. 24 : 12; Joh. 20 : 11), de ingang was dus laag. Men zag dan direct in de grafkamer; er was dus geen voorhof tussen voorhal en grafkamer. Aan de rechterzijde was een zitplaats (Mark. 16 : 5, en de Engelen zitten aan het hoofd en het voeteneinde van de plaats, waar het lichaam van Jezus gelegen had (Joh. 20 : 12); het kan dus geen schuifgraf geweest zijn. Als de discipelen naar binnen kijken, wordt niet gezegd dat zij het graf leeg zien (wat bij een bankgraf direct in het oog zou vallen) maar dat zij de doeken ontdekken (Lukas 24 : 12, Joh. 20 : 7); dus zal het een troggraf zijn geweest. Nu zijn er in de nabijheid van Jeruzalem de z.g. graven der koningen van de koninklijke familie van Adiabene uit de eerste eeuw; daaruit kan men zien hoe de graven der rijken (vgl. Jes. 53 : 9) waren; men mag eruit afleiden, dat het bankbooggraf en het trogbooggraf in die tijd in Jeruzalem gebruikelijk zijn. Het is aan te nemen, dat de rijke Jozef van Arimathea (Matth. 27 : 57) die een raadsheer was (Markus 15 : 43) het graf zo goed mogelijk gemaakt heeft naar de beste van die tijd; dan zou hij een trogbooggraf of arcosolium hebben laten maken.

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1100

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament ( 33)

.

ROMEINS SOLDAAT; GEVANGENIS

leven O.T. 149

1. Romeins soldaat.
De kledij van een soldaat bestaat uit: 1. tunica militaris, een wollen hemd met korte mouwen, 2. een sagum, sagulum, een wollen mantel, die tot de knie reikt en op de rechterschouder met een gesp (fibula) werd vastgemaakt, 3. een cingulum militare, een gordel (a). Van zijn wapenen: 4. de helm van de infanterie (6), 5. een scutum, een langwerpig schild (c), uit hout vervaardigd, met leer overtrokken en metaalbeslag. Het werd aan de linkerarm gedragen; bovendien droeg de legioensoldaat een harnas met metalen platen voor borst en rug, of ook wel een soort maliënkolder. — Tot de wapens van de aanval behoorden: de gladius, het korte, rechte tweesnijdende zwaard (d) dat meer tot steken dan tot houwen diende en was bevestigd of aan een bandelier, die over de linkerschouder liep, of aan de gordel; de werpspies (e) (pilum) 2 m. lang met een houten schacht en een buigzaam, ijzeren, spits-toelopend gedeelte.

leven O.T. 150

2. Centurio (naar een grafteekening).
De centuriones (in de Statenvertaling „hoofdman over honderd”) hadden een helm en een harnas van een beter soort en met meer versieringen. De centuriones zijn van gemeen soldaat door moed en trouw in het leger opgeklommen en door de veldheer tot officier bevorderd.

leven O.T. 151

3. Carcer Mamertinus.
Een oude Romeinse gevangenis „een kerker, die uitgehouwen in de Tarpeïsche rots ter zijde van het Kapitool, een oeroude historische vermaardheid bezit niet enkel om de staatsgevangenen Jugurtha, Catilina en Vercingetorix, die er doodhongerden, maar ook om zijn gruwzame ondoordringbaarheid. De Romeinse schrijver Sallustius rilde van de duisternis en de stank, die daar heersten, als hij er maar aan dacht. Nog kunnen we heden naar dat lugubere oord van meterdikke basaltmuren (a) afdalen. ’t Zijn twee verdiepingen. Met hun zwarte lage welving dreigen de zwetende muren angstig boven ons hoofd; geen spleet liet eertijds het licht door. Een ronde opening (b) in de vloer van de bovenste kerker was de enige toegang tot de half-verdronken kelder beneden, en hierdoor werden de ongelukkigen tussen ’t ongedierte en de schenkels hunner voorgangers neergelaten” (B. H, Molkenboer). Deze gevangenis wordt door de traditie aangewezen als de kerker van Petrus en Paulus in Rome. Het relief vertoont de apostelen; links om de zuil zijn martelwerktuigen (c); daarbeneden een putje (d) door bronwater gevoed; de inscriptie (e) verhaalt hoe de gevangenbewaarders bekeerd werden.
Reeds in het oude Jeruzalem deed een onderaards gewelf (Jer. 37 : 16) of een slijkerige cisterne (Jer. 38 : 6) als gevangenis dienst [daarnaast ook wel een lokaal aan de noordelijke poort van het binnenste voorhof van de tempel, Jer. 20 : 2; of het voorhof van het paleis van de koning, waar de wacht verblijf hield, Jer. 32 : 2].

leven O.T. 152

4. Gesel.
De Romeinse geesel bestond uit enkele lederen riemen, die aan een stok verbonden en aan het einde van kleine stukjes zink of ijzer voorzien waren. De straf werd verzwaard door de gebogen houding van de gestrafte, die tot op de gordel ontbloot was. Het aantal slagen was in het Joodse recht 40 min 1; (2 Cor. 11 : 24) hetzij om het getal 40 niet te overschrijden; hetzij dat men met de 3 riemen 13 slagen gaf (dus 13 X 3).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1095

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (32)

.

GEVANGENEN

leven O.T. 142

1. Een Assyrische koning, die een gevangene de oogen uitsteekt.

leven O.T. 143

2. Assyrische doodstraf (palen).

leven O.T. 144

3. Assyrische hand- en voetboeien.

leven O.T. 145

4. Israëlietische gevangenen die dwangarbeid verrichten.
De behandeling van de gevangenen door de Assyriërs was zeer hard en wreed. Gevangen vorsten werden naar de hoofdstad gebracht, waar zij de koninklijke zegewagen moesten trekken. Dan werd hun een ring door neus of lippen gestoken, of zij werden bij de poort in een hondenhok gezet tot smaad en schimp van de voorbijgangers. Rebellen werden zeer zwaar gestraft; handen en voeten, neus en oren werden afgesneden, men stak ze de ogen uit en rukte de tong uit de mond. De gewone doodstraf was het onthoofden of het „palen”, waarbij dan de ongelukkigen op hun buik of hun hals op de punt van een paal werden geplaatst, en zij door hun eigen gewicht naar beneden zakten. Knapen en meisjes liet Salmanassar III in een in brand gestoken stad mede verbranden. Soms werden gevangenen gevild en hun huid op de stadsmuur uitgespannen. De inwoners van vijandelijke steden, die aan het bloedbad ontkomen waren, werden als gevangenen in slavernij gevoerd „over haar geëerden hebben zij het lot geworpen, en al hare groten zijn in boeien gebonden geworden” (Nahum 3 : 10). De mannen werden daarbij gebonden met hand- en voetboeien. De vrouwen werden niet gebonden, maar de ruwe soldaten die hen vervoerden hadden een veil vermaak om bij de vrouwen „de zomen te ontdekken” en de schande der naaktheid te zien (Nahum 3 : 5). De gevangenen werden verplicht tot dwangarbeid, gelijk de afbeelding laat zien (van een marmerrelief uit het paleis van Sanherib;) zij dragen zware lasten (steenklompen) ; zij zijn gekleed in korte hemdrok met een gordel.

leven O.T. 147

5. Tellen der handen van gedode vijanden bij de Egyptenaren
Om het getal doden te weten, sneden de Egyptenaren bij de gevallenen de handen of de geslachtsdeelen af, die zij meenamen en voor de koning opstapelden. Zo werden na een slag van Ramses III met de Libyers 12535 van zulke lugubere zegetekenen geteld. Het herinnert aan Davids geschiedenis, die de opdracht kreeg honderd voorhuiden der Filistijnen te brengen (1 Sam. 18 : 25).

leven O.T. 146

6. Gevangenen onder de voetbank des vorsten
De tekening is een deel van een grotere, waarbij Amenophis II (Farao van 1448—1420) zijn voeten zet op de onderworpen Negers (a) en Semieten (b) die gevangen zijn met een strik (c). De onderworpen vijanden, bij wie de armen op de rug gebonden zijn, waren vijanden, die nu gezet zijn tot een voetbank zijner voeten (Psalm 110 : 1).

leven O.T. 148

7. De „voetbank der voeten”
wordt in de Bijbel alleen genoemd bij vorsten, die op de troon zitten en symbolisch is daarvan sprake bij Gods troon (Ps. 99 : 5) en in profetische taal wordt de aarde zelfs zo genoemd (Jesaja 66 : 1).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1089

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.