Tagarchief: 3e klas vertelstof

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (31)

.

WAPENS

.

leven O.T. 136

1. Hethiet
Deze krijgsman heeft een volle baard, maar geen knevel. Kenmerkend is de zeer lange neus. Het lange hoofdhaar is in een haarvlecht in de hals (a). De hoge spitse muts (b) heeft een versierde rand: het voor- en achterstuk eindigt in een hoorn (c). Het bovenlichaam is bedekt met een hemdrok (d), daarover met brede gordel een schort tot over de heupen. Aan de voeten heeft hij schoenen (e), die naar voren snavelvormig uitloopen. Als wapen heeft hij een zwaard (ƒ), een lange speer (g) en het Pontische schild (h).]\

leven O.T. 137

2. Hethietische strijdwagen
Aangenomen wordt, dat de strijdwagen in Israël via de Hethieten is gekomen (vgl. 1 Kon. 10 : 29). Er stonden drie personen op de strijdwagen: de paardenmenner (a) de schilddrager (b) en de eigenlijke kampvechter (c). (Daarentegen hadden de Egyptenaren maar twee personen op de wagen). De derde man was dus de voornaamste; merkwaardig is het, dat het Hebreeuwse woord voor ,hoofdman” (bijv. in 2 Kon. 7 : 2; 9 : 25) wel als „derde man” verklaard wordt.

leven O.T. 138

3. Egyptische wagen (prinsen uit het huis des konings in hun wagens).
De wagen bood plaats voor twee personen; soms echter (gelijk in de tweede wagen) zijn er drie mannen: degene, die de paarden ment en twee personen; maar dit was zelden het geval, behalve in triomfstoeten, wanneer twee prinsen de koning volgen in hun wagen.

leven O.T. 139

4. Dolk en schild uit Sichem 
Fellahs (boeren) uit Balata hebben aan de voet van de berg Ebal ongeschonden graven gevonden. De vondsten hieruit zijn bronzen voorwerpen, wapens en sieraden. Het belangrijkste van deze voorwerpen is een groot sikkelvormig zwaard: koper ingelegd met goud; een prachtstuk, dat, wat techniek betreft, de invloed van Egyptische kunst vertoont. De technische term voor dit wapen is het Grieksche woord harpè. Nu heeft men zulke pronkwapens als het afgebeelde ook wel gevonden in het graf van de vorst van Byblos (het Bijbelse Gebal; Ezech. 27 : 9). Het zijn pronkwapens uit de graven van koningen of vorsten en het is wel opmerkelijk, dat reeds de eerste vondst uit de heuvel van Sichem een dergelijk pronkstuk heeft opgeleverd (Prof. Böhl). Van de harpè ontbreekt het handvat. — De dolk is gemaakt van brons.

leven O.T. 140

5. Zwaar bewapende Israëliet
(naar een schilderij van Tj. Bottema in de platenserie van Prof. J. de Groot) met a. schild, b. speer en helm.

leven O.T. 141

6. Lichtbewapende Israëliet
(naar een schilderij van Tj. Bottema in de platenserie van Prof. J. de Groot) met a. slinger, b. pijlkoker.

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1087

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (30)

.

STRIJDMIDDELEN

leven O.T. 1251. Zeeslag der Egyptenaren tegen de Filistijnen
Rechts staat de Farao Ramses III (1198—1167) als boogschutter. Over het korte schort draagt hij een lang bovenkleed, waarvan de onderzijde maar door een enkele lijn is aangegeven. In de onderste rij worden Filistijnen als gevangenen weggevoerd. Daarboven zijn drie rijen van schepen. De Egyptische schepen hebben roeiriemen. De Filistijnsche schepen missen roeiriemen; het zijn zeilschepen; de zeilen zijn (evenals op de Egyptische schepen) gereefd. De Filistijnen hebben als wapen dolken en lansen: zij kunnen dus alleen vechten op korte afstand. De kunstenaar heeft door de vele pijlen rechts willen aantoonen, dat de overwinning voor de Egyptenaren verzekerd is.

leven O.T. 126

2. Thoetmosis IV in de slag
De koning staat vol majesteit op zijn strijdwagen, die getrokken wordt door twee steigerende hengsten. Boven het hoofd van de koning is de giergodin Nechbet (a); de koning is in „de schaduw der vleugelen”. De Farao heeft in de ene hand een strijdbijl (b); in de andere een boog (c); hij draagt twee pijlkokers; aan de bovenarm draagt hij armringen. Hij drijft de vluchtende Aziaten met hun typische volle baarden voor zich uit; zij hebben als wapens pijlen en bogen, dolken; zij trachten zich te beschermen door rechthoekige schilden, maar hun „schilden, bogen, dolken” kunnen hen niet bevrijden.

leven O.T. 1273. Egyptische soldaten uit de tijd van Ramses III (1198—1167)
Zij dragen lans, schild en zwaard. Het Egyptische schild (a) is lang, onder recht, boven afgerond. De soldaten zijn afwisselend bewapend met dolken of sikkelzwaarden; de 1e en 6e man (misschien „korporaals”) dragen een stokje. Er is in de Bijbel sprake van verbranden der schilden („het schild van Saul, niet meer „gezalfd” met olie 2 Sam. 1 : 21) vgl. Jesaja 21 : 5. Daaruit kan men afleiden dat de schilden der Israëlieten, evenals van andere volken, bestonden uit hout met leer overtrokken, of uit enkele lagen leer op elkander. Het zwaard en de lans behoren tot de uitrusting van zwaarbewapenden.

leven O.T. 1284. Egyptisch schubbenpantsier
Het pantsier behoorde oorspronkelijk niet tot de uitrusting van de doorsnee man, maar werd gedragen door vooraanstaanden (Goliath 1 Sam. 17 : 5; Saul 1 Sam. 31 : 4; Achab 1 Kon. 22 : 34). Pas Uzzia bereidde voor het hele leger pantsieren (2 Kron. 26 : 14). De pantsieren van de soldaten waren een soort leren jukken door metalen plaatjes bedekt.

leven O.T. 1295. Ramses II verovert Askelon
De stad is omgeven door een dubbele muur (a, b). De Egyptenaren rukken op: zij dragen ovale schilden, (c). In het middenvak ziet men de poort (d) een soldaat slaat met een bijl (e) de houten deur. Rechts en links zijn stormladders (ƒ) een soldaat gaat naar boven met de dolk (g) in de hand en het schild op de rug. De mannen op de bovenste muur houden de handen omhoog; zij smeeken om genade; de man links houdt al een brandend rookvat (h) in de hand als teken van onderwerping. De man rechts laat zijn kind, de man links laat zijn vrouw van de muur af vallen.

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1080

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (29)

.

ASSYRIERS IN DE STRIJD

leven O.T. 130

1. Gevecht van Assyriërs in een moerassig gebied.
De Assyriërs bezaten geen marine. Als Salmanassar III in een inscriptie spreekt van een zeeslag waarbij „de zee rood gekleurd was door bloed”, was dit barre overdrijving, want de bewuste slag was op een klein meer. Evenmin kan men spreken van een zeeslag als Sanherib oorlog voert in de moerassige gebieden van Zuid-Babylonië, waarbij de Assyriërs de vijanden vervolgden in boten, uit wilgentakken vervaardigd. Aan de oevers ziet men Assyrische ruiters tussen het geboomte.

leven O.T. 131

2. Tiglath-Pileser IV verovert Gezer.
De geduchte Assyrische vorst Tiglath-Pileser IV, (745—727) maakte vele veroveringen in het „Westland” (2 Kon. 15 : 29v.v.) en in het jaar 734 toen Tiglath-Pileser naar de wens van Achaz (2 Kon. 16 : 9) Juda’s vijanden bestreed. In dat jaar werd ook Gezer veroverd, gelijk dit relief te zien geeft. Op de dubbele muur (b) van de vestingtorens. Vóór de muur is een Assyrische belegeringsmachine (stormbok) (c); daaraan zijn twee stormbalken (d) met een metalen punt, die de stenen uit de muur (e) losbreken. Een soldaat springt van de stormbok op de stadsmuur. Daarnaast staat een grote rondas (ƒ) die vastgehouden wordt door een soldaat met een dolk (h) gewapend; onder beschutting van de rondas trekt een andere soldaat naast hem voort, gewapend met pijl en boog (ï). De soldaat die uit de belegeringsmachine op de muur stapt, draagt het ronde Assyrische schild (j) en de speer (k).

leven O.T. 132

 

 

 

.3.Assyrische boogschutter.
Op een rijk versierde schacht is de zonneschijf; beneden zijn twee lopendestieren, van elkander gaande. Boven de stieren is een driehoek gevormd door stralenbundels en daarboven staat een godheid (a) (Assur); hij schiet een pijl af; zijn hoofd met helm (b) komt boven de schijf uit en vormt zoo de spits van de standaard.

leven O.T. 133

4. Assyrische boogschutters.
De hoofdmacht van het Assyrische leger werd gevormd door de infanterie en daarvan vormden de boogschutters het belangrijkste deel. Er waren bogen van hout, maar ook van hoorn. De pijlen bestonden uit een houten schacht met een bronzen of ijzeren spits; dit einde was driehoekig van vorm; soms nog voorzien van weerhaken. De soldaten werden zeer geoefend in het boogschieten; op de wagen, te paard, staande, knielende in allerlei houdingen. Op mars droegen zij de boog in de linkerhand; de pijlkoker in de rechter, aan de zijde een kort zwaard. Zij dragen een lederkap op het hoofd.

leven O.T. 134

5. Assyrische slingeraar.
De slingeraars vormden in het Assyrische leger een bijzondere troep, die bij het offensief en defensief meewerkten.

leven O.T. 135

6. Zwaarbewapende Assyriër. Deze draagt een helm van leer met metaalbeslag (a). Hij is een „wagenkamper”, een strijder in de strijdwagen; hij draagt het pantsier (b) tot aan de knie; de hals is bedekt met een halsbescherming (c); zijn wapens zijn speer (d) en zwaard (e). Het zwaard was als bij Israël recht (1 Sam. 31 : 4 v.) tweesnijdend (Richt. 3 : 16; Spr. 5 : 4) en kort (Richt. 3 : 21 v.v.) ; het werd eveneens gedragen in een lederen schede (1 Sam. 17 : 51; 2 Sam. 20 : 8) aan een gordel over de uitrusting gedragen (1 Sam. 17 : 39).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1074

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament – (28)

.

KARAVANSERAI OF HERBERG

leven O.T. 124Karavanserai of herberg 
In het Oude Testament is op enkele plaatsen sprake van een herberg of karavanserai, waar men overnacht (Gen. 43 : 21; Ex. 4 : 24; Jeremia 9 : 2). In het Evangelie van Lukas lezen wij in het kerstverhaal dat „voor hen lieden geen plaats was in de herberg” (Luk. 2:7). Een karavanserai is een groot, vierkant gebouw, rondom een binnenplaats waar hier gezadelde kamelen zijn; op de binnenplaats is meest een overdekte put, waar de lederen zakken gevuld kunnen worden. Deze karavanserai heeft om de binnenplaats een zuilengalerij: onder de bogen ziet men de dieren. Een stenen trap (d) leidt naar boven: op een vloer van houten balken is daar een verdieping (a) waar kleine kamertjes zijn als logeervertrekken in de herberg voor de reizigers. Over de balustrade hangen matrassen, die als „bedden” gebruikt kunnen worden.

Wat nu de herberg betreft, bedoeld in Lukas 2 : 7, daarover zijn de meningen verdeeld. Wij lezen in het boek van I. Snoek, In Bethlehem en Nazareth (bl. 149, 150): „Sommigen denken bij dit „herberg” aan de gewone oosterse herberg. Volgens hen konden Jozef en Maria geen plaats vinden in het overdekte gedeelte, en moesten zij een plek zoeken op het open stuk, in de binnenhof. De meeste uitleggers verwerpen deze opvatting. Wat is dan wel de betekenis van herberg in Lukas 2 : 7. Daarbij zijn er 3 opvattingen:

a. De herberg zou zijn het huis, waar Jozef als Bethlehemiet eigenaar van was, en dat tijdens zijn afwezigheid tijdelijk aan anderen verhuurd was. Bij Jozefs terugkeer in Bethlehem nam hij daar toch tijdelijk zijn intrek; het was zijn herberg. Toen voor Maria de ure kwam, kon zij in het overvolle huis niet blijven; zij trok zich terug in dat deel van het gebouw, dat als stal gebruikt werd.

b. Elk huis, waar een vreemde tijdelijk zijn intrek nam, was voor hem een herberg. In Lukas 2 : 7 moeten wij denken aan een gewone fellahwoning. In zulk een boerenwoning is een verhoogd deel, waar de mensen, en een lager deel, waar de dieren verblijf houden. Daar, in dat lagere gedeelte, zou voor Jozef en Maria een plaatsje zijn geweest. Aan weerszijden van het trapje, dat naar boven leidt, zijn voederbakken (plaats 5; 2c); één daarvan zou de kribbe geweest kunnen zijn. — Beide groepen van uitleggers leggen er de nadruk op, dat vers 6 zegt: „als zij daar waren”; niet „als zij daar kwamen”. Maria en Jozef kunnen vóór de geboorte al geruime tijd in Bethlehem vertoefd hebben, en dan is het verblijf in een huis voor de hand liggend.

c. De voorstelling der traditie: de geboorte had plaats in een grot, als schaapskooi gebruikt. Het is in Palestina niets ongewoons, dat mensen de nacht in een stal doorbrengen; zulk een warme stal was een betere verblijfplaats voor Maria in de toestand, waarin zij zich bevond, dan de herberg. Wanneer wij ons houden aan de traditie, kunnen wij ons de gang der dingen als volgt voorstellen: Jozef en Maria komen in Bethlehem. Alle huizen zijn vol. Ook in de herberg is geen plaats. Men wijst hen de grot, als schaapskooi benut. Voor deze opvatting pleit, dat de engel straks tegen de herders zegt, dat zij het kindeke zullen vinden in de kribbe, de hun bekende kribbe, in de stal, waarheen zij gewoon waren hun schapen te drijven. Zo zegt ook Dalman:. „De oeroude traditie kan zeer wel het juiste getroffen hebben.”

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1067

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (27)

.

ANDERE MIDDELEN VAN VERVOER

leven O.T. 1191. Vrouwen op reis
Assyrisch relief uit het paleis van Sanherib. De bekende geleerde Alfred Jeremias geeft dit plaatje om aanschouwelijk te maken, hoe men zich voorstellen kan de reis genoemd in Gen. 12 : 6. En Abraham is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem. Oorspronkelijk waren de wielen één rond hout; van later tijd zijn pas de spaken in de wielen. Uit die latere tijd zijn ook deze tweewielige wagens; de bouw ervan geschiedde door wagenmakers, welke vooral onder de Elamieten gevonden werden. De twee vrouwen voor dragen beide een sluierkap, maar het gelaat is onbedekt; een ervan heeft een kruik.

leven O.T. 1202. Filistijnsche ossenkarren
De Filistijnen zijn herkenbaar aan hun vederhelm (a) die met een snoer of band bevestigd is; aan de helm is verbonden een halsbedekking. De Filistijnen zijn gewapend met lansen (b) en dolken (c). Zij worden hier voorgesteld in strijd met Egyptenaren. Het schild (d) der Filistijnen is rond. De ossenkarren (e) waarop vrouwen en kinderen zich bevinden, worden door vier ossen getrokken. De wagen of kar is vierhoekig, gemaakt van hout, of gevlochten takken. Als wielen dienen ronde houtschijven (ƒ). De vrouwen in de wagen houden de kinderen omhoog, smeekend om erbarmen. Dat een Filistijnsche wagen van hout is (1 Sam. 6 : 14) en door runderen wordt getrokken, vindt men ook in het bekende verhaal over de terugkeer van de ark (1 Sam. 6:7).

leven O.T. 1213. Wagens van Takkari
(een Aziatisch volk in de berichten der Egyptenaren). Zij rijden in karren met zware schijfwielen (a) getrokken door een vierspan ossen (b). De ene drijver met de stok in de hand drijft de ossen aan; de ander, die achterom ziet heeft een rond schild (c). De wagen is met een vierkante houten wand omgeven. In de wagen staat een vrouw, die een kind aan de bovenarm vasthoudt.

leven O.T. 122

4. Zadels van de kameel
Reeds in de dagen der aartsvaders is sprake van gezadelde kamelen (Gen. 37 : 25). De koningin van Scheba kwam te Jeruzalem met een zeer zwaar heir, met kemelen, dragende specerijen (1 Kon. 10 : 2). Behalve van lastkemelen spreekt de Bijbel ook van snelle kemelen (Jesaja 66 : 20; 60 : 6). Gewoonlijk legt een rijkameel 5—6 km. per uur af en loopt dan 8 tot 10 uur per dag en dat weken lang. Dat houdt geen paard vol. Om de last goed op te laden, wordt gebruik gemaakt van eigenaardige zadels; twee lange stokken aan weerszijden van het dier dienen om het draagvlak te vergroten. De kameelzadels worden dikwijls bewaard in de vrouwenafdeeling van de tent (Gen. 31 : 34).

leven O.T. 1235. Weg tussen steenmren
De handelslieden trokken langs grote internationale karavaanwegen (Genesis 37 : 25) en de eenzame reiziger langs een holle weg (Numeri 22 : 24) die door de wijngaarden loopt met een muur aan deze en een muur aan gene zijde. Tuinen, boomgaarden, wijngaarden en soms de groepen olijfbomen en vijgebomen zijn omsloten door een muur (a) (jedar). De jedar wordt opgebouwd van onbehouwen stukken steen. Deze los-ongestapelde muren zijn vaak vol stoffige gaten, die welkome schuilplaats voor slangen bieden (Prediker 10 : 8). De jedar wordt in de Bijbel gebruikt als beeld van Gods bescherming (Ezra 9 : 9; Micha 7 : 11); het deel van de goddelozen vergelijkt David met een muur die door de winterstormen is vernield (Ps. 62 : 4).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1063

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (26)

.

KLEDING

leven O.T. 1111. Arabische sjeik
Deze Arabier draagt de wijde mantel met lange mouwen, de z.g. kumber (a). Hij heeft de hoofdbedekking der Bedoeïenen, een grote grijswitte, vierkante doek, die tot een driehoek is gevouwen, de z.g. keffiyeh (b). Een dik snoer of agaal (c) van wol of in elkaar gedraaide bokkenharen houdt de doek op het hoofd vast.

leven O.T. 1122. Herder uit het gebied bij Bethlehem
De herder draagt een onderkleed (a) en daarover de mantel of kumber (b); het onderkleed wordt vastgehouden met een gordel (c); op het hoofd heeft hij de keffiyeh (d) omsnoerd door een agaal (e). Op de scherpe verweerde steenbrokken loopt hij de voeten geschoeid met een soort sandalen (ƒ). Boven de gordel houdt hij in de armen een jonge geit met lange afhangende oren (vgl. Amos 3 : 12); de geit heeft lang zwart haar (verg. Hoogl. 6:5).

leven O.T. 1133. Aartsvaderlijke verschijning met mantel en stok
De man draagt een onderkleed (a) samengehouden met een gordel (b). Het onderkleed heet in de Statenvertaling wel rok (Gen. 37 : 3). Over dit kledingstuk is een bovenkleed (c) (opperkleed Deut. 22 : 12). ’s Nachts wikkelden de armen en de herders er zich in (Jer. 43 : 12) daarom mocht het niet langer dan tot de avond verpand zijn (Deut. 24 : 13). Bij de arbeid werd het veelal afgelegd (Matth. 24 : 18; Hand. 7 : 58). De hoofddoek (d) is een om het hoofd gewikkelde lap. Hij draagt eenvoudige sandalen met riemen (e). De staf (ƒ) van een manslengte voltooit de uitrusting van de man (Gen. 38 : 18).

leven O.T. 1144. Joodse gevangenen in lange hemdrok
De twee vrouwen (a, a) dragen een sluierdoek (b) die van het hoofd tot de enkels reikt. In de regel was de sluier open en bedekte het gelaat niet (Gen. 12 : 14; 24 : 15, 16); wilde men dat dit geschiedde, dan hield de vrouw die sluier voor het gezicht met de handen samen (Gen. 24 : 65). — Deze vrouwen dragen deze over de hemdrok (c; dat ook de mannen dragen, d). De hemdrok heeft korte mouwen (e). Wanneer men snel moest gaan, werd het aan de voorzijde opgebonden („gord uw lendenen” 2 Kon. 4 : 29) of „de lendenen opgeschort” (Exodus 12 : 11).

leven O.T. 1155. Boerenvrouw uit Samaria
in een wit lang kleed met lange mouwen, tob, (a), witte hoofddoek (b) en daarbovenop een draagring (c) om de waterkruik op het hoofd te dragen.

leven O.T. 1166. Egyptenaar met lendenschort 
Bij de Egyptenaar en in Babylonië was zeer algemeen het lendenschort (a). De vorm van het lendenschort had ook de zak, een uit geiten- of kameelhaar geweven grove doek, dat als teken van rouw werd gedragen, op de blote huid (Job 16 : 15) soms als enig kledingstuk (2 Kon. 20 : 31) soms onder het opperkleed (2 Kon. 6 : 30).

leven O.T. 117

7. 8. Sandalen

leven O.T. 118

Het schoeisel bestond uit sandalen met riemen (Gen. 14 : 23; Jes. 5 : 27; Mark. 1:7). Gewoonlijk waren deze gemaakt van leer, maar zeer eenvoudig en van weinig waarde (Amos 2 : 6). Wanneer men in huis kwam, werden de sandalen uitgetrokken, eveneens als men een heilige plaats betrad (Exod. 3 : 5; Joz. 5 : 15). Overigens was het barrevoets gaan een teken van rouw (2 Sam. 15 : 30; Ezech. 24 : 17, 23). De oude Assyrische sandalen, die hier afgebeeld zijn waren eigenlijk hielkappen (a), met op de wreef de riemen (b) (de z.g. schoenriemen).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1057

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (25)

.

SCHEPEN

leven O.T. 1061. Filistijnse schepen
De Filistijnse schepen eindigden in een steil opstijgende voor- en achtersteven (a), versierd in de vorm van een zwanenhals (b). Het waren zeilschepen, die niet geroeid werden. De mast (c) heeft een mars of mastkorf (d). Op het onderste schip zijn twee Filistijnse krijgslieden (e); beiden hebben het voor de Filistijnen typische ronde schild (ƒ); de een draagt de eveneens voor dit volk kenmerkende dolk (g) in de rechterhand.

leven O.T. 1072. Fenicisch schip
De schepen hebben een gebogen vorm met nagenoeg gelijke steven. Aan de masten (a) ziet men de raas (b). Veel touwen, waarin de raas hangen zijn eveneens kenmerkend. Het schip heeft een hoog zetboord (plankenhek om het dak) dat bij hoge zee de deklast voor af glijden moet tegenhouden. De scheepsbouw van zulke schepen wordt beschreven in Ezechiël 27 : 5 v.v. Met cypressen van de Senir bouwden zij u al het houtwerk. Cederen van de Libanon namen zij om een mast te maken. Uit de hoogste van Basans eiken maakten zij uw roeiriemen. Bontgewerkt lijnwaad uit Egypte was uw doek om u als zeil te dienen.

leven O.T. 1083. Korenschip uit de dagen van Paulus
„Een korenschip, als waar Paulus mee reisde, stelle men zich niet te klein voor. Er zijn ons opgaven bewaard gebleven van zulke schepen met een inhoud van 2600 ton. Paulus’ schip bood plaats voor 276 man. De romp van het schip vertoonde voor de vorm van een kop, achter die van de staart van een vogel. Midden op het schip stond een grote mast, in de regel van cederhout (vgl. ook Ezechiël 27 : 5), op de voorsteven vond men nog een kleinere mast, tot bevestiging van een kleiner zeil. Het sturen geschiedde met behulp van twee grote roeiriemen, rechts en links aan de achtersteven bevestigd. Op het dek stond een houten huisje voor de stuurman, en een tempeltje met een godenbeeld. Het verblijf van de schipper lag in het achtergedeelte. De passagiers bivakkeerden op het dek.” (I. Snoek).

leven O.T. 1094. Zeelieden aan het werk bij opkomende wind
Een wandschilderij uit Pompeji toont hoe de zeilen werden opgehaald. In het midden is de hoofdmast; deze bestond uit één stuk; tot steun dienden sterke touwen, die van de scheepszijde naar de mars voeren. Aan de hoofdmast is een grote ra; daaraan hangt het zeil; om dat te versterken zijn er over heen genaaid banden van leer, die een hand breed zijn.

leven O.T. 1105. Het verankerde schip,
waarmee Paulus voer, op de morgen van de 14de stormdag. „De Engelse deskundige Smith heeft berekend, dat een schip, varende onder de omstandigheden, waarvan in Hand. 27 gesproken wordt, juist 14 dagen nodig heeft om van Kreta naar Malta te komen (vgl. Hand. 27 : 33 v.v.). Als zij het dieplood uitwerpen geeft het een diepte aan van twintig vademen (37 m.). Even later staan er nog slechts 15 vademen water, 27.75 m. Dat is ondieper. De vrees komt dan op dat het schip ergens op harde plaatsen terecht zal komen. Daartegen nemen de schepelingen hun maatregelen: vier ankers van het achterschip worden uitgeworpen. Vier zijn er noodig, omdat de ankers maar klein zijn, ongeveer 25 kg. En dan moeten de opvarenden wachten tot het dag wordt” (Snoek). De tekening geeft nu het schip in het morgenlicht.

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1053

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (24)

.

VAARTUIGEN

leven O.T. 1021. Assyrische goeffa
De Griekse geschiedschrijver Herodotus beschrijft als iets bewonderenswaardigs deze vaartuigen. „De vaartuigen, die zij hebben om langs de rivier naar Babylon te trekken zijn rond van vorm en geheel van leder (a). Want nadat zij bij de Armeniërs, ribben van wilgenhout hebben doen snijden, spannen zij daarover van buiten huiden tot bedekking, bij wijze van een bodem, zonder een achtersteven af te scheiden, of ze in een voorsteven samen te buigen, doch zij maken het vaartuig als een schild, rond van vorm, vullen het geheel met biezen, en laten het dan met waren beladen de stroom afgaan. Het vaartuig wordt gestuurd met riemen (b) door twee roeiers (c) die rechtop staan” (Herodotus I 194; vert. C. M.-van Deventer). Hier zijn echter vier mannen, die zitten. Gewoonlijk was de vracht vaten palmwijn; hier zijn (volgens Unger) schroeven (d) voor het vervoer van stierkolossen. — Deze goeffa’s dienden ook als veerbooten (een stad aan de Eufraat heet veer of overgang nl. Tifsah, 1 Kon. 4 : 24).

leven O.T. 103

leven O.T. 1042, 3. Assyrische kelek; 2. kelek uit de oudheid; 3. tegenwoordige kelek
„Wij weten, dat reeds in de grijze oudheid vlotten, keleks genaamd, gebruikt werden; wij zien ze afgebeeld op Assyrische reliëfs, die bij opgravingen voor de dag komen, en wel precies in dezelfde vorm, als ze nog heden gebruikt worden. Men vervaardigt vlotten van populierenstammen (a), die in de vorm van roosters op elkander gelegd worden. Daar echter de Tigris bij de vele stroomversnellingen dikwijls slechts een zeer geringe diepte heeft, kwam men al in de vroegste tijd op een geniaal middel om deze vlotten zo hoog mogelijk op het water te houden: men bevestigde onder deze populierenroosters een groot aantal met lucht gevulde ramsvellen (b), die maakten, dat het vaartuig bijna op de waterspiegel dreef. Met deze vlotvaart houdt zich een apart gilde bezig, de kelekdji’s (c) die met riemen (d) het vlot bewegen en sturen. Op de kelek is een „arke”, een huisje voor nachtverblijf op reis en voor de goederen.” (I. Guyer, Meine Tigrisfahrt).

leven O.T. 1054. Egyptische schepen
De tekening is een voorstelling uit de geschiedenis van Cheops. Deze wilde dat aan zijn hof een bekwaam tovenaar zou komen. Toen werden barken uitgerust opdat de zoon des konings deze tovenaar halen kon. Bij de ontmoeting worden veel hoffelijke woorden gesproken. De tovenaar wil meegaan en zegt: „Men geve mij een boot om mee te voeren mijn leerlingen en mijn boeken.” Toen gaf men hem twee schepen met hun equipage. Dit tafereel geeft de tekening weer. — De Nijl vermeldde in de oudheid van barken en allerlei andere vaartuigen. In de zangen van Ichnaton wordt het uitgeroepen in „De dag en de wateren”.

De barken zeilen de stroom op en eveneens de stroom af,
Iedere weg is open, omdat gij zijt opgekomen,
De vissen in de rivier springen voor u op,
En uw stralen zijn in het midden der grote zee.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1050

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (23)

.

HET SCHRIFT (2)

leven O.T. 961. Potscherf met opschrift uit Samaria.
Onder een der kamers van het paleis van Achab werd in een rotskelder de hand gelegd op 75 fragmenten vaatwerk met Hebreeuwse opschriften in oud Hebreeuws schrift. Ze zijn geschreven met zwarte inkt met behulp van een kalam of schrijfstift. Deze potscherven zijn een soort van geleibrieven, die de wijn en de oliezendingen voor de koninklijke magazijnen begeleidden. Op deze „brief” staat: in het jaar 15 van Abiëzer aan Asa (zoon van) Achimelech [een consignatie van wijn voor] Baala [die woont in] El Ma’ttan.

leven O.T. 97 2. Ostracon of potscherf uit Teil ed-Doeweir (waarschijnlijk het Bijbelse Lachis)
Het schrift is met inkt geschreven (de inkt volgens het scheikundig onderzoek samengesteld uit een extract van galnoten en roet). Het is een „brief” aan de vestingcommandant van Lachis uit het jaar 588 voor Christus (dus kort voor de inneming door Nebukadnezar (Jer. 34 : 7). De brief is kruiperig.

Aan mijn heer Ja’oesj. Moge Jahwe aan mijn heer goede berichten doen horen, juist nu, juist nu. Wat is uw knecht, die een hond is, dat mijn heer aan zijn knecht denkt? Moge Jahwe diegenen ten verderve voeren, die op iets ingaan, waarvan zij niet weten! [Dat de mindere zich een hond noemt, komt ook in de Bijbel voor; zie 1 Sam. 24 : 15].

leven O.T. 983. Zegel van Gedalja
Dit zegel heeft eveneens het oud-Hebreeuwe schrift; er staat op:

van Gedaljahoe die over het huis (staat)

Het zegel is van Gedaljahoe (Jahwe is groot). Er zijn drie personen met de naam Gedalja: 1. zanger van David (1 Kron. 25 : 3); 2. tijdgenoot van Jeremia (Jer. 38 : 1); 3. zoon van Ahikam (2 Kon. 25 : 22). Deze derde is bedoeld. Hij heeft hier de titel: die over het huis staat, de paleisoverste, het waarnemend staatshoofd.

leven O.T. 994. „Vat” voor het bewaren van brieven
In de dagen van Jeremia werd wel geschreven op „een rol des hoeks” (Jer. 36 : 2) dat men met een mes kon stuksnijden (Jer. 36 : 23). Daarnaast bestond ook het kleitafeltje, waarop de letters werden aangebracht met een griffie (Jes. 8 : 1), een ijzeren griffie (Jer. 17 : 1). Zo moet men ook de koopbrieven voorstellen (Jer. 32 : 10) waarop dan nog een zegelafdruk werd aangebracht (Jer. 36 : 14). Deze brieven werden bewaard in een aarden vat voor brieven (Jer. 36 : 14); een voorbeeld daarvan vindt men in de ‘tekening naar een vondst in Thaänach.

leven O.T. 100

5. Egyptische schrijver:
hij schrijft „een aktestuk” en heeft behalve de „schrijfstift” in de hand, er ook nog een over elk der oren. Schrijvers van beroep, in dienst van vorsten of van kooplieden, komen in de oudheid voor (2 Sam. 8 : 17; Psalm 45 : 2; Jes. 33 : 18; Jer. 36 : 26).

leven O.T. 1016. Joodse Thora-schrijver
Een Thora-rol (met de 5 boeken van Mozes) wordt met buitengewone zorg vervaardigd; geschreven op perkament. De schrijver moet niet alleen goed kunnen schrijven, maar ook innerlijk voor het heilige werk van de Thora te schrijven, goed toegerust zijn.

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1046

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (22)

.
 SCHRIFT (1)

leven O.T. 90

leven O.T. 91

leven O.T. 921, 2. Kleitafeltje gevonden bij de opgraving in Sichem
 Bij de opgraving in Sichem zijn twee spijkerschrifttafeltjes gevonden. „Hoewel klein en onaanzienlijk en bovendien lastig te ontcijferen zijn zulke inscripties voor onze kennis van het leven en denken der oude Kanaänieten in de eeuwen voor de intocht der Israëlieten van het allergrootste belang. Beide tafeltjes zijn op de voor- en achterzijde beschreven. …Het tweede (hier afgebeelde) is een zakenbrief. De toon is enigszins indringerig. De schrijver vraagt om de zending van koren en beste olie, zooals hij die drie jaar geleden ook al eens ontvangen had, en vraagt, of het zijn schuld is, dat hij geen bericht krijgt, terwijl toch ook zijn agenten reeds herhaaldelijk geschreven hebben.” (Prof. Dr F. M. Th. Böhl).

leven O.T. 933. Israëlstèle
gevonden in de ruïnes van de dodentempel van Farao Merenptha bij Thebe. Dit inschrift, in hiëroglyphenschrift, wordt Israëlstèle genoemd, omdat het de naam Israël noemt. Bovenaan ziet men in de tekening twee helften: in het midden de god Amon onder de gevleugelde zonneschijf, die de koning met de rechterhand het
sikkelzwaard reikt en in de linkerhand de schepter houdt. De koning is getooid met de krijgshelm. Achter de koning staat rechts de god Horus met valkenkop, links de godin Mut. Daaronder is het inschrift van Merenptha. Het is een lied „om alle landen tezamen te laten weten (Merenptha’s overwinning in alle landen) en de schoonheid zijner daden te tonen.” Het is gedateerd op de 3e dag van de 11e maand van het 5e jaar van Merenptha’s regering, dus omstreeks 1228 voor Christus. In dit lied beroemt de koning er zich op:

Israëls lieden zijn weinig; zijn zaad bestaat niet meer.

[Het is een fotografische reproductie; met een vergrootglas zijn de hieroglyphen goed te zien.]

leven O.T. 944. Bijl van Ras Sjamra met opschrift in alfabethisch spijkerschrift
Bij de opgravingen van Ras Sjamra in Fenicië zijn vele interessante dingen gevonden, die licht verspreid hebben over de Feniciërs in de tijd van Mozes; zo is gebleken, dat het alfabetisch schrift ouder is, dan men tot nu toe aannam. Men vond hier een alfabet van 29 letters; de ontcijfering is verrassend snel gegaan. Het schrift is eenvoudig vergeleken met het spijkerschrift.

leven O.T. 955. Samaritaansche rol
Aan de beide einden is een houten staaf, „boom des levens” genoemd, bevestigd, die onder uitloopt in een mooi bearbeide punt en bovenaan een versiering heeft (siertoren of kroon a). Om deze beide staven is de rol gewonden, zó, dat het reeds gedurende de loop van het jaar gelezene deel der rol om een staaf gewikkeld is, het nog te lezen deel om de andere. Om de wetsrol hangt een manteltje (b) van zijde of kostbare stof vervaardigd.
De Pentateuch der Samaritanen is in het Hebreeuwsch geschreven. Deze taal geldt voor hen als de heilige taal, als de taal der wet. Het letterschrift is evenwel niet het bekende kwadraatschrift, maar vertoont meer overeenkomst met de oud-Phoenicische lettertekens.
In de oudheid heeft het boek de vorm van een rol. Zo vinden wij het ook in de H. Schrift (Ezra 6:2; Psalm 40 •: 8; Jesaja 8:1; Jeremia 36; Ezech. 2 : 9; Zach. 5 : 1).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1039