Tagarchief: 3e klas heemkunde

VRIJESCHOOL – 3e klas – huizenbouw (4-4)

.

HUIZEN BOUWEN

Achter in de klas staan op de kast vijf houten bakken, gevuld met zand en in elke bak groeit langzaam een huis. Als we bezig zijn is de klas een en al bedrijvigheid: er wordt gemetseld, getimmerd, cement* klaar gemaakt, gevijld en gezaagd en de onderdelen worden in elkaar gepast.

Aan het begin van de periode hebben we eerst naar aanleiding van een verhaal, met elkaar gepraat over allerlei dingen die met wonen te maken hebben en hebben het huis waarin we graag zouden willen wonen, getekend.

Daarna zijn we eens gaan kijken wat voor soorten huizen er allemaal zijn en wat voor huizen er vroeger gebouwd werden.

Er kwam een geweldige lijst van mensen die allemaal meewerken om een huis te bouwen en we konden zo een heleboel beroepen even onder de loep nemen. We hoorden over de architect en zijn tekeningen en maakten zelf een plattegrond van de benedenverdieping van een huis. We leerden dat een metselaar allerlei soorten muren kan maken.

We tekenden in ons schrift een paar van deze verbanden en verschillende kinderen ontdekten daarna zelf buiten nog andere verbanden. De school zelf was bijvoorbeeld in kettingverband gemaakt. Ook leerden we nog allerlei dingen over het gereedschap en het materiaal dat door de timmerman en de metselaar wordt gebruikt.

Aan het eind van die eerste week werd het steeds moeilijker om nog naar die lege bakken achter op de kast te kijken en gelukkig maakten we op die zaterdag de plannen voor de volgende maandag.

We gingen vijf verschillende soorten huizen bouwen: een huis van bakstenen (de bakstenen hadden we in de loop van de eerste week met vereende krachten gemaakt), een blokhut, zoals de vader van Laura en Mary bouwde, een huis van natuursteen, een vakwerkhuis en een plaggenhut. De laatste drie hadden we aan het begin van het jaar gezien op ons schoolreisje naar het Openlucht Museum. Na het weekend konden we dan, na nog een korte werkbespreking, met het bouwen beginnen.

Elk huis schoof elke dag door naar een volgende groep, zodat we aan elk huis konden meebouwen. We ontdekten dat het helemaal niet zo eenvoudig was om een stevige rechte muur te bouwen, maar toch groeiden de huizen elke dag verder en zullen na nog een paar dagen hard samen werken hun voltooiing bereiken.
.

Frans Geus, Geert Grooteschool, Amsterdam, mei 1976

.
*cement is het poeder, dat samen met water en meestal met zand vermengd, specie vormt.
.

3e klas heemkunde: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld3e klas heemkunde

.

1436

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (45)

.

AFGODERIJ

leven-o-t-203

1. Masseben (opgerichte stenen van Gezer).
„Binnen de stad of althans in haar onmiddellijke nabijheid was voor de KanaÄnieten de plaats, waar de goden worden vereerd (Statenvert. „hoogten”). Zo’n hoogte, die niet minder dan vijftien eeuwen achtereen in hoge eer is geweest, hebben de opgravingen in Gezer ons weer voor ogen gesteld. Daardoor kunnen we ons althans met enige zekerheid een beeld vormen van de bekende „hoogtedienst” waartegen Israëls profeten zo lang hebben gestreden. We vinden hier een aantal „opgerichte stenen”; onder deze trekt de kleine de meeste aandacht: het bovenste deel ervan is gepolijst, zoals dat alleen kan ontstaan door de altijd weer vernieuwde aanraking van devote lippen, die met vuur de steen kussen, of wel van handen, die in bloed of olie gedoopt, daarmee de steen zalven ter ere van de godheid. (A. Noordtzij).

leven-o-t-204

2. Babylonische godheid in de gedaante van een vis. Deze godheid herinnert aan de Filistijnse god Dagon. Men neemt gewoonlijk aan, dat hij een visgod was. Uit 1 Sam. 5 blijkt, dat het Dagonbeeld van Asdod hoofd en armen had. Of het onderstuk in visvorm uitliep, hangt af van de vraag, of we vers 4 aldus moeten lezen: „slechts zijn visvorm was op hem gebleven”, dan wel: „slechts zijn romp was op hem gebleven”. In het eerste geval (dat nog steeds waarschijnlijk is) heeft Dagon het hoofd en het bovenlijf van een mens gehad, waarschijnlijk de romp van een vis.” (Prof. Noordtzij).

leven-o-t-205

3. Vrouwelijke godheid.
De figuur is gehuld in een nauwsluitende kledij, die de lichaamsvormen goed doet uitkomen; de godin draagt halsketting, gordel en enkelring. Op het hoofd heeft zij een kroon naar Hethietisch model. De vrouwelijke godheid van het Kanaänietisch heidendom is de pendant van de mannelijken Baäl, naast wie zij herhaaldelijk wordt genoemd (Richt. 2 : 13; 10 : 6; 1 Sam. 7 : 4; 12 : 10). De naam is: Astarte, in het Hebreeuws As’toreth; meervoudsvorm Astaroth; daarnaast ook Asjerah. De Statenvert. heeft hiervoor „bos” maar het is duidelijk, dat wij b.v. in de „vierhonderd profeten van het bos” (1 Kon. 18 : 19) te doen hebben met dienaren van deze godheid. (Daarnaast komt het woord Asjerah ook nog in een andere zin voor, namelijk als de benaming van een voorwerp, dat tot de Kanaänietische eredienst behoorde; wel heeft de Statenvert. hiervoor ook „bos”, maar dit voorwerp is hoogstens een enkele boom, liever nog een boomstam of paal). Astarte vertegenwoordigt de vrouwelijke natuurkracht en wordt als de bron van alle vruchtbaarheid, als de verwekkende en onderhoudende godin van het leven vereerd” (Prof. G. C. Aalders).

leven-o-t-206

4. Baäl.
De naam van de mannelijke godheid in het Kanaänietisch heidendom. Oorspronkelijk is Baäl geen eigennaam; de goden werden niet bij hun naam genoemd, maar deze vervangen door het vage „baäl” d. i. heer of eigenaar van bepaalde heilige bronnen, bomen, dieren, bergen, stenen of plaatsen. Van deze lokale Baäls, die dus waarschijnlijk slechts beschouwd werden als de verpersoonlijking van de grote mannelijke godheid, smeekte de Kanaäniet de vruchtbaarheid van zijn land en alle goede gaven (Hosea 2:4). — De Baäldienst in de dagen van Achab en Izebel was gewijd aan de god der Feniciërs; deze dienst te bestrijden was dus nationale en godsdienstige plicht.

leven-o-t-207

1. Moloch
(volgens H. Vincent). Moloch is een woord, dat eigenlijk hetzelfde is als „melek”, dat koning betekent; vermoedelijk is Moloch hetzij slechts een andere naam voor Baäl in zijn verderfbrengende gedaante, hetzij een van de verschillende Baäls van Kanaän geweest. In Jer. 32 : 35 worden Moloch en Baäl gelijkgesteld. Moloch is de god van de verterende zon, die door de ritus van het „door het vuur gaan” gediend werd (Lev. 21 : 21; 2 Kon. 23 : 10). — De hier afgebeelde „Moloch” is een „stierenkop”, die ook herinneringen wekt aan de kalverendienst (1 Kon. 12 : 28) en drukt de gedachte aan de zinnelijke dienst uit door het mannelijk lid boven de neus op het voorhoofd. — Maar het is een betwiste kwestie of dit beeld wel „echt” is.

leven-o-t-208

2. Babylonisch levermodel.
Bij de Babyloniërs speelde de waarzegging uit de lever (hepatoscopie) een grote rol. Men beschouwde de lever van het geslachte dier met grote aandacht; „de lever bezien” (Ezech. 21 : 21) was geen uitvinding van mensen maar een gave van de godheid. De zonnegod „bepaalde de juiste stand van de ingewanden in het lijf van het schaap” en „schreef zelf in het lijf van het offerlam het orakel op”. Geen schaapslever is volkomen gelijk aan de andere. Steunende op dit feit, heeft men een geheel stelsel opgebouwd, om uit de lever der offerdieren de toekomst te voorspellen. Zo in het gezicht van Ezechiël 21 : 21. De koning van Babel staat op de kruisweg, aan het begin van de beide wegen om waarzeggerij te plegen: hij schudt de pijlen, ondervraagt de terafim, beziet de lever. — Nu werd ook bij Israël de lever wel beschouwd als de zetel van het leven en van het gevoel (Spr. 7 : 23; Klaagl. 2 : 11). Maar de Israëlietische wet heeft de bijgelovige praktijken onmogelijk gemaakt, door het voorschrift dat de leverkwabben der offerdieren verbrand moesten worden (Ex. 29:13; Lev. 3:4; 4:9).

leven-o-t-2093. „Assyrische” goden.
Relief van Tiglath Pileser III uit Kalach. Assyrische soldaten met spitse krijgshelm dragen godenbeelden; misschien als buit; in dat geval zijn het geen Assyrische goden. De voorste (a, b) schijnen vrouwelijke godheden te zijn; beide zitten. De derde godheid is grotendeels verborgen in een kast (c). De vierde (d) godheid is een bliksemgod met de dubbele bliksem in de linker- en de bijl in de rechterhand. De processie kan een trotse uiting wezen, hoe Assyrië’s macht sterker is dan de goden der volken (Jes. 36 : 19; 2 Kon. 18 : 34).

leven-o-t-210

4.Beeld van de godin Diana in de tempel te Efeze. Diana, de Latijnse naam voor de Grieksche godin Artemis was een godheid, die in de Grieks-Oosterse wereld veel geëerd was. De dienst van Artemis van Efeze, de „Diana der Efeziërs” was wijd verbreid („aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst”, Hand. 19 : 27). Oorspronkelijk was de dienst van deze godheid een Oosters getinte natuurdienst; het beeld van Diana had dan ook verschillende zinnebeeldige kentekenen, die wezen op vruchtbaarheid en groeikracht. Afbeeldingen werden als wijgeschenk door vereerders van Diana meegenomen naar huis (Hand. 19 : 24).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

 

1160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL- 3e klas – het leven in het Oude Testament (43)

.

HEILIGE PERSONEN, GEBEDSRIEM

leven-o-t-196

1. Hogepriester.
De Hogepriester droeg over het priesterkleed:
a. Een bovenkleed, geheel geweven, ongenaaid, violetkleurig, met een door boord omgeven halsgat om er het hoofd door te steken, zonder mouwen, dat ongeveer tot even beneden de knieën reikte, zodat de witte linnen priesterrok zichtbaar was. Van onderen was de rand versierd met granaatappelen, gemaakt van dubbeldraadsgaren, afgewisseld met gouden klokjes.
b. De efod, vervaardigd uit violette, purperkleurige, karmozijnkleurige en witte draden, met gouddraad doorweven. Dit was waarschijnlijk een kledingstuk, dat de hogepriester droeg onder de armen over borst en rug. Het was vast om het lichaam gesnoerd; van achteren waren twee schouderstukken, die over de schouders heen, van voren aan de efod verbonden waren. Op de schouders waren twee onyxsteenen bevestigd in gouden rosetten gevat, en waarin de namen der twaalf stammen van Israël, zes op elke steen, gegraveerd waren.
c. Op deze efod bevond zich de borstlap; het was dubbelgevouwen en vormde een soort tas. Aan de buitenzijde bevonden zich twaalf edelstenen, vier rijen van drie, waarin de namen der twaalf stammen van Israël gegraveerd stonden. De borstlap diende tot bewaring van de Urim en Thummim.
d. Tot hoofdbedekking diende de Hogepriester een muts, waaraan door middel van een violetkleurige band bevestigd was een diadeem van zuiver goud, waarop de woorden „den Heere heilig” gegraveerd waren.

leven-o-t-197

2 en 3. Priesters
(naar Prof. de Groot). De priesters hadden voor hun dienst in het heiligdom een ambtskleding:
a. een lange rok met mouwen van wit linnen, geheel geweven, zonder dat eraan genaaid was;
b. een korte witte broek;
c. een muts van wit linnen tot hoofdbedekking, kegelvormig gewonden;
d. een gordel vervaardigd van dezelfde stoffen en in dezelfde kleuren als de voorhang van de Tabernakel (Ex. 39 : 29). „De beide einden van deze gordel konden tot de aarde reiken, doch werden, als de priester dienst had (3) over de linkerschouder geslagen (2). Deze gordel was vele meters lang en werd verscheiden malen van onder de oksels tot de heupen om het lichaam gewonden” (Prof. Dr Joh. de Groot).

leven-o-t-198

 

 

leven-o-t-199

4. Een Nazireeër.
Eigenlijk is het een gewezen Nazireeër. Wilde hij zijn gelofte beëindigen, dan nam hij de geschoren haardos in de linkerhand en voordat hij weer in het gewone leven mag terugkeeren, moet hij de offers brengen, die in Num. 6 : 13 v.v. worden opgesomd.

leven-o-t-200

5. Gebedsriemen (tefilliem):
zij bestaan uit een riem, waaraan een, uit zeer sterk perkament vervaardigd, zwart gelakt vierhoekig doosje (a) bevestigd is. In dit doosje bevinden zich vier op perkament geschreven gedeelten der Thora en wel: Ex. 13 : 1 en 11 : 6; verder Deut. 6 : 4—9 en 11 : 13—21. Op grond van Deut. 6 : 4—9 zijn er twee gebedsriemen: een voor het hoofd en een voor de arm. De gebedsriemen worden nu zó bevestigd, dat het ene kastje op het hoofd komt, tussen de ogen (zetel van het verstand) en het andere op de linkerarm, tegenover het hart (zetel van het handelen en van het gevoel, om aan te duiden, dat men met zijn hart de Heer liefheeft). De gebedsriemen heten in de Statenvert. van het Nieuwe Testament gedenkcedels (Matth. 23 : 5).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1146

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (42)

.

TEMPEL VAN HERODES (naar Schick).

leven-o-t-195

 

 

 

 

 

 

 

Op de voorgronde is een brug (a) over de beek Kedroti (2 Sam. 15 : 23; Johannes 18 : 1). Op de berg Moria (2 Kron. 3 : 1) of Zion (1 Maccab. 14 : 26) ligt het wijde grootse tempelplein. Aan de oostzijde van het tempelplein verheft zich in blanke schoonheid een zuilengalerij: dat is (c) de hal van Salomo (of voorhof van Salomo, Joh. 10 : 23; Hand. 3 : 11; 5 :12). Het schoonste is de koninklijke hal van Herodes (b) aan de zuidzijde; in één van die hallen daar heeft de twaalfjarige Jezus gezeten in het midden der leraren (Luk. 2 : 46). Aan de noord-westzijde is de oude burcht Baris, door Herodes de Groote vernieuwd, versterkt en omgedoopt tot Antonia (k); in de statenvert. „legerplaats” genoemd (Hand. 21 : 34); in de vert. van het Bijbelgenootschap „kazerne”. Van het tempelplein leiden trappen (j) opwaarts naar de burcht (Paulus staande op de trappen, Hand. 21 : 40). De grote voorhof (p) aan de zuidzijde is de „voorhof der heidenen”. Midden op het plein verheft zich een platform omgeven door een lage muur (d). Op zuilen zijn opschriften aangebracht, die iedere Jood verbieden niet verder te gaan. Daarom is het een zware beschuldiging tegen Paulus als de Joden van Azië het uitroepen: Deze heeft Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontheiligd (Hand. 21 : 28). — Klimt men omhoog, dan is men op het platform. Negen poorten geven toegang: vier van het noorden, vier aan het zuiden, een aan het oosten. Deze laatste is de voornaamste (bij e); hier is de Schone Poort (Hand. 3 : 2). De Schone Poort geeft toegang tot het Voorhof der Vrouwen (ƒ). Daar waren tijdens het Loofhuttenfeest twee grote standaarden elk met vier lichten; elke avond verzamelde zich de menigte met brandende fakkels en werden de lichten met gejuich ontstoken. Het is naar aanleiding daarvan dat de Heiland spreekt: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Joh. 8 : 12). Daar, op het voorhof der vrouwen was ook „de schatkist” (Mark. 12 : 41—44). Een hoge trap (i) van 15 treden geeft toegang tot het hoger gelegen voorhof der Israëlieten (g). Op die trap bij (i) mogen wij ons denken de plaats, waar Anna de profetes de Heere heeft beleden en waar de oude Simeon jubelde over het „Licht tot verlichting der heidenen” (die daarbuiten op het grote Tempelplein wandelden) en „tot heerlijkheid van het volk Israël” dat mocht naderen tot het heiligdom (Lukas 2 : 25—38). Van het voorhof der Israëlieten scheidt een lage borstwering van het Voorhof der Priesters (h) ; hier zijn Brandofferaltaar en Wasvat. Twaalf trappen ten westen van het altaar voeren naar het voorhuis van de Tempels; op die trappen zegenen de Priesters het volk; hier heeft de stomme Zacharia gewenkt tot de schare (Luk. 1 : 22). Achter het voorhuis zijn het Heilige en het Heilige der Heiligen. Hier is bij de dood van Jezus het voorhangsel gescheurd (Matth. 27 : 51).
Het is niet met zekerheid te zeggen, waar men zich moet denken „de tinnen van de tempels”; wel wordt aangenomen de hoge hoektoren in het zuidoosten, oprijzend boven de Kedronvallei (bij m). Aan de westzijde van het tempelplein was in de oudheid een dal, het dal Tyropeon (thans met puin gevuld); over dat dal leidde een brug (n) naar de Bovenstad, naar de stad Jeruzalem.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1139

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (41)

.

VOORHOF VAN DE TEMPEL

leven-o-t-194


Voorhof in de Tempel
(naar een voorstelling van Ch. Chipiez en G. Perrot). Op de achterzijde van de voorhof, vóór het Tempelgebouw, staan de zuilen Jachin en Boaz (b en c). De hoogte van deze kolossale bronzen zuilen (1 Kon. 7 : 15 w.; 2 Kon. 25 : 13 v.v.; 2 Kron. 3 : 15 v.v.; Jer. 52 : 21 v.v.) was 18 ellen (9 m); „een draad van twaalf ellen omving de pilaar” (1 Kon. 7 : 15) wat dus wijst op een doorsnede van 39/11 el — ongeveer 1.90; de dikte was vier vingers en de pilaar was hol (Jer. 52 : 21). Boven op de schacht was een kapiteel van vijf ellen (21 m. hoog) en omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen, elk 100 in getal. Hoe die kapitelen er precies uitzagen, weet men niet (zie 40 no. 3). Vermoedelijk waren zij vóór het tempelgebouw, en hadden zij geen draagfunctie. Tussen de zuilen ziet men (bij h) de ingang tot de voorhal: een dubbele deur van cypressenhout; de deurposten van olijvenhout. Daarboven de tempelmuur van massieve, zeer grote en forse stenen opgebouwd (met volmaakte steen, zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd; 1 Kon. 6 : 7). — De Salomonische tempel stond in een groten voorhof (a); men neemt aan, dat de vloer met stenen platen is bedekt. Dit plein heet “In de Bijbel de „binnenste voorhof” (1 Kon. 6 : 36; 1 Kon. 7 : 12). Vóór de ballingschap had het volk vrije toegang tot deze voorhof, waar de feesthoudende menigte dan samenstroomde (Jes. 1 : 12). In deze voorhof stond het grote brandofferaltaar (d, e); de koperen zee (maar zeer gedeeltelijk te zien bij i) en de rijdende ketelwagens (ƒ). Het brandofferaltaar is een statig bouwwerk van steen. Aan de oostzijde van het altaar is (naar de voorstelling in Ezechiël 43 : 17) een trap (in de tempel van Herodes was de opgang aan de zuidzijde en dan zonder trappen naar het oude gebod in Exodus 20 : 26). Rechts en links van het grote brandofferaltaar waren vijf rijdende ketelwagens (ƒ) het zijn in horizontale doorsnede vierhoekige stellages, twee meter in het vierkant, anderhalve meter hoog, van lijstwerk of repen brons gemaakt, waarop een ketel staat met een inhoud van ongeveer 141 hl. (Prof. Dr Joh. de Groot). Immers die „wasvaten” (gelijk de statenvert. 1 Kon. 7 : 38 ze noemt) hielden veertig bath (en 1 bath = 6 hin = 36,44 l, dus 40 bath 40 x  36,44 l = 1457,6 l). Op het lijstwerk van de stelling waren versieringen nl. leeuwen, runderen, cherubs (1 Kon. 7 : 29). De stellages reden op raderen (1 Kon. 7 : 33).

De voorhof was mogelijkerwijze (naar de reconstructie van Chipiez en Perrot) omgeven door een zuilengalerij; het tempelcomplex zelf was omringd door zijgebouwen (g).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1133

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (40)

.

HET HEILIGE

leven-o-t-1931. Het Heilige was van het Heilige der Heiligen
afgescheiden door de Voorhang (F) die daar aan vier pilaren is opgehangen. De wanden rechts en links zijn opgetrokken uit houten berderen.* Aan de zuidzijde (Ex. 40 : 24) staat de Kandelaar (A) beter: luchter (Ex. 25 : 6; 35 : 8) want tot verlichting van het heiligdom diende „reine olie van olijven, gestoten tot de luchter” (Ex. 27 : 20). Het is een kunstwerk van louter goud. Op het voetstuk verheft zich de schacht (de recht opgaande stam): daaruit schieten drie paar rieten uit, die met hun top gelijk in hoogte staan met de top van de schacht. Op die top en op de zes rieten zijn „schaaltjes gelijk als amandelnoten”; daarin werden lampen met olie geplaatst. Onder het schaaltje ziet men een versiering van knopen en bloemen (Ex. 25 : 35). De lichten van de lampen in de amandelnoten op de rieten branden „aan zijn zijden” (Ex. 25 : 3, eigenlijk staat er: naar ‘de kant van zijn aangezicht”, dus aan het voorste deel). Bij de luchter behoorden nog kleinere gereedschappen „snuiters” en „blusvaten” (D links). — Vlak tegenover de gouden luchter stond aan de noordzijde (Exod. 40 : 22) de Tafel der Toonbrooden (bij C). De beschrijving is in Ex. 25 : 23—30 en 37 : 10—16. De tafel was van sittimhout** met goud overtrokken. Aan alle zijden was haar blad omgeven door een gouden krans (c); onder de krans was een lijst van een hand breed en onder die lijst weer een gouden krans; zij stond op vier pooten; verder waren er vier gouden ringen en daardoor werden de handbomen gestoken (bij H). Bij de tafel waren verschillende gereedschappen: schotels, rookschalen, [vermoedelijk kleinere schalen om daarin wierook te doen; die wierook maakte, naar Lev. 24 : 7, 8 het brood ten gedenkoffer] ; platelen (lage bekers) en kroezen (offerkannen). De broden waren twaalf in getal in twee rijen, zes bij zes, op de reine tafel (Lev. 24 : 6; daarbij was dan de wierook). — Het Reukaltaar (B) (Ex. 30 : 1—7; 37 : 25— 28) was van sittimhout overtrokken met louter goud; aan de hoeken zijn hoornen. — In Ex. 30 : 7, 8 wordt van Aaron gezegd, dat hij het gouden Reukaltaar zou aansteken; Aaron deed het bij de inwijding van de Tabernakel, bij de aanvaarding van zijn priesterdom, gelijk hij en de Hogepriesters na hem het deden op de Grote Verzoendag, op de Sabbath, op het feest der nieuwe maan en op de gezette hoge feesten. (Zo’n geval is hier voorgesteld op de tekening, waar de Hogepriester staat bij het Reukaltaar). Het reukwerk bestond uit vier bestanddelen (Ex. 30 : 34—36). – Het is dit reukwerk waarvan David bij vergelijking zegt: Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht (Ps. 141 : 2).

2. De koperen zee (koper is brons). De hoogte van de koperen zee (a), het bekken bedraagt ongeveer 2½ m„ de doorsnede aan de bovenrand ongeveer 4.90 m.; de dikte is één handbreed. Het bekken wordt gedragen door vier groepen van drie runderen (b) alle van brons vervaardigd (1 Kon. 7 : 23 v.v.; 2 Kron. 4 : 2v.v.).

3. Twee vormen, hoe men zich de zuilen Jachin en Boaz voorstelt. De kapitelen zijn omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen.

*oud woord voor plank, bord
**sittimhout

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1131

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (39)

.

HOGEPRIESTER OP DE GROTE  VERZOENDAG

leven-o-t-192

De Hogepriester op de Groten Verzoendag in het Heilige der Heiligen
(naar Ds L. Schouten Hzn). Het Heilige der Heiligen was de plaats van de (e) Ark (kist) des Verbonds (Num. 10 : 33) of Ark der Getuigenis (Ex. 25 : 22 de Ark van de Heer, de Heer van de ganse aarde, Joz. 3 : 13); de Ark des Verbonds van de Heer der heerscharen, die tussen de cherubim woont (1 Sam. 4 : 4_) de Ark van Gods sterkte (Ps. 132 : 8). De Ark was gemaakt van sittimhout (Ex. 25 : 2), en had een lengte van 2½ el, een breedte en hoogte van 1½ el.* Voorts was de Ark van binnen en van buiten met louter goud overtrokken. De Ark werd gedekt door het Verzoendeksel (Ex. 25 : 21); daaromheen was een gouden krans (ƒ) of kroonlijst. Aan de vier hoeken waren vier gouden ringen: door die ringen staken handbomen van sittimhout met goud overtrokken. Op het verzoendeksel stonden twee cherubs (g) hun vleugelen omhoog uitgebreid; hun aangezichten tegenover elkaar, terwijl tevens hun aangezichten naar het Verzoendeksel gericht waren. Tussen de beide cherubijnen en daarboven (h) ziet men de „Schêchina” het zichtbaar teken van Gods tegenwoordigheid onder Israël, boven de vleugels van de Cherubijnen van de Ark des Verbonds, de letterlijke vervulling, door middel van dat teken, van hetgeen God gezegd had, ‘toen Hij ’t bevel gaf tot de bouw van de Tabernakel: „zij zullen Mij een Heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone” (Ex. 25 : 8).

In het Heilige der Heiligen trad de Hogepriester binnen op de Grote Verzoendag, op de tiende van de maand Tisri (Lev. 16 : 1—39; Lev. 23 : 26—32; Numeri 29 : 7—11). De Hogepriester trad het niet binnen in zijn gewoon hogepriesterlijk ambtsgewaad; hij droeg de heilige klederen (Ex. 39 : 41, de heilige linnen rok (a), de linnen gordel, de linnen hoed (b); Lev. 16 : 4. De Hogepriester was in witte linnen klederen gekleed; dit wit is symbolisch voor het verzoeningswerk (Hebr. 9 : 24; 7 : 26). De eerste maal, dat de Hogepriester binnentrad, wordt beschreven in Lev. 16 : 12, 13: „Hij zal een wierookvat (d) vol vurige kolen nemen van het Altaar, van voor het aangezicht van de Heer, en zijn beide handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen de Voorhang dragen. — Terwijl dan het Heilige der Heiligen geheel gevuld werd met de rook van het reukwerk, ging de Hogepriester naar buiten en nam daar van de Priester in de Voorhof, het gouden bekken (c) met het bloed van de var van de zondoffers, om nu met dat bloed het Heilige der Heiligen in te gaan en verzoening te doen voor zich en zijn huis. Hij steekt de wijsvinger van de rechterhand in het bloed van de var, en bespat met dat bloed het middelste gedeelte van het Verzoendeksel, tussen de gouden cherubijnen. — Daarna drukt hij nogmaals de wijsvinger in het zoenbloed, bespat nu de vloer vóór het Verzoendeksel en de Ark, en herhaalt dit tot zevenmalen toe. — Teruggekeerd naar de voorhof werd de éne bok van het offer van het volk geslacht, en met dat bloed ging de Hogepriester nu ten derden male het Allerheiligste binnen, om op gelijke wijze als de vorige maal het bloed te sprengen: nu tot verzoening voor het volk.

*de precieze grootte van deze el is niet bekend, maar wordt geschat tussen 42 en 52 cm.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1126

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.