VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (35)

.

BOMEN EN STRUIKEN

amandelboom; ceder; dadelpalm; granaatappelboom; Johannesbroodboom; mirre; nardus; olijfboom; terebint; vijgeboom; wilde vijgeboom

Grohmann over de dadelpalm
meer over mirre op deze blog
.

leven-o-t-158

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Vellen van „cederen” op de Libanon.
Farao Sethos I had bevolen op de Libanon bomen om te hakken, om een groot schip (Nijlschip) voor de tempel van Amon te maken. „De grote vorsten van de Libanon” dragen lange mantels met schouderkragen. De bomen moeten cederen voorstellen; zij worden dicht bij de grond met bijlen gekapt en met touwen omgetrokken.

leven-o-t-159

 

 

 

 

 

 

 

 

 
2. Assyrische soldaten vellen bomen.
Toen Salmanassar in de strijd tegen Hazaël wel de Syrische koning tot terugtocht dwong, maar de stad Damaskus niet kon overmeesteren, liet hij in zijn toorn de palmbomen vellen, die de stad, zoals nu nog, omgeven; hij verwoestte de ganse landstreek tot Hauran. Zo ’n beeld geven ook soldaten van Sanherib, die met bijlen (a) de palmen omhakken; onder de bladerenkroon hangen de vruchten (b); langs de palmentuin is een kanaal (c) waarin vissen zwemmen. Het vellen van vruchtbomen bij een belegering was voor Israël in de wet verboden (Deut. 20 : 19). Maar het oude volk heeft wel ervaren, dat vijanden het deden (Jesaja 14 : 8).

leven-o-t-160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3. Terebint.
De terebint of terpentijnboom (in de Statenvertaling „eik” genoemd) is een der mooiste bomen van Palestina. Hij staat gewoonlijk op zichzelf en trekt daardoor altijd de aandacht. Bovendien geeft het dichte gebladerte in de zomer een donkere schaduw. Hosea 4 : 13 noemt als een boom waarvan „de schaduw goed is” de terebint; die schaduw is alleen in de zomer, want de terebint is de boom, waarvan het in Jesaja 1 : 30 heet „welks bladeren afvallen”. De grootse kroon en de dichte schaduw hebben de menschen in de oudheid zeer geboeid. „Niemand kan zeggen hoeveel stemmen een boom heeft, als hij zich niet uit de stilte der grote woestijn daarheen begeven heeft” (G. A. Smith). Tienmaal wordt in het Oude Testament afkeurend gesproken (het eerst in Deut. 12 : 2) van de afgodendienst „onder alle groene boom”. De bekoring heeft ook Israël bevangen: „zij zondigden op iedere hoge heuvel en onder iedere groene boom.” In de schaduw van de terebint werd afgoderij gepleegd; de profeet zegt in de naam Gods: Gij zult ervaren, dat Ik de Heere ben, wanneer hun verslagenen midden onder hun schandgoden liggen rondom hun altaren op iedere hoge heuvel, op al de toppen der bergen en onder iedere groene boom, en onder iedere dichtgebladerde terebint, ter plaatse waar zij aan al hun schandgoden offers brachten (Ezechiël 6 : 13 vertaling Noordtzij). De terebint komt ook onder Israël wel als heilige boom voor: de „eik” bij Sichem (Genesis 35 : 4; Jozua 24 : 26) de „eik die te Ofra is” (Richt. 6 : 11) bij Jabes (1 Kron. 10 : 12) zijn terebinten. In het Eikendal (1 Sam. 17 : 2) zijn nog steeds terebinten.

leven-o-t-161

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Vijgeboom.
De vijgeboom is een statige boom; onder het dichte loverdak kan men aangenaam rusten (Joh. 1 : 49). In november vallen de bladeren af, doch reeds in januari ziet men knoppen en in het vroege voorjaar zwellen deze aan (Hooglied 2 : 13); in maart gaan de bladeren uitspruiten en weet men, dat de zomer nabij is (Mattheus 24 : 32). Zodra de boom in het blad is, zijn er al vroege vruchten, die onrijp gegeten worden (Jes. 28 : 4); deze werden evenwel gemist aan „de verdorde vijgeboom” (Matth. 21 : 19). Wanneer in mei de jonge zomervruchten gezien worden, vallen de vroege vijgen af (Nahum 3 : 12; Openbaringen 6 : 13).

leven-o-t-162

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2. Blad, vrucht en bloemen van de vijg.
De tekening vertoont een takje van de gewone vijgeboom; boven een bebladerd takje met de vrucht de vijg (a); links deze schijnvrucht (b) in overlangse doorsnede daaronder, en rechts een mannelijk (c) en vrouwelijk bloempje (d). Bij deze bomen zijn de éénslachtige bloemen, mannelijke en vrouwelijke bij elkaar, geplaatst aan de binnenzijde van een holle bloembodem, die zijdelings uit een tak ontspringt, zich vergroot eri holler wordt, tot eindelijk de peervorm is aangenomen. Dit vruchtlichaam is de eetbare vijg; de eigenlijke vruchtjes zijn de in het inwendige gelegen korreltjes. De vijgebladeren zijn dik; als men in de dichte bladeren een scheur maakt, loopt er een slijmerig sap uit, zodat de bladeren gemakkelijk aan elkaar kleven en zo voor de eerste voorouders een schort konden vormen (Gen. 3 : 7).

leven-o-t-163

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3. Zeer oude olijfboom.

leven-o-t-164

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
4. Bloeiende olijftak.

Evenals vele andere bomen uit het Middellandse Zeegebied is hij altijd groen. In de winter vallen dus de bladeren niet af; wel worden in de loop van ongeveer drie jaren alle bladeren geleidelijk door nieuwe vervangen. Het altijd groen zijn van de olijfboom is dan ook het mooie beeld van Psalm 52 : 10. „Maar ik ben als een groenende olijfboom in Gods huis” (vertaling Noordtzij). De bladeren lijken veel op wilgenbladeren (a). Aan de bovenzijde zijn ze matgroen, met een dikke, lederachtige opperhuid bedekt, waardoor de verdamping beperkt wordt. Aan de onderzijde zijn ze om dezelfde reden met fraaie stervormige haren (vervormde opperhuidscellen) bedekt, zodat deze kant witachtig ziet. —
Begin mei is in Palestina de bloeitijd van de olijfboom. Dan komen in de bladoksels en aan de uiteinden der jonge takjes korte trossen met kleine witte bloempjes (b) te voorschijn, die nagenoeg geen geur verspreiden. Na de bestuiving door insecten zetten ze spoedig vrucht. In sommige jaren komt er in het geheel niets van terecht en worden alle bloemen afgeworpen, eer van vruchtvorming sprake is (Job 15 : 33). De vruchten zijn steenvruchten en hebben de vorm en bouw van een spitse pruim. In september hebben de olijven ongeveer hun volle grootte bereikt; ook het oliegehalte is in de laatste maand sterk toegenomen. Omstreeks begin oktober kan de eigenlijke oogst beginnen. Dan is de boom op zijn mooist en zo beschrijft Jeremia hem dan ook als beeld van het uitverkoren volk: Een groene olijfboom, schoon door welgevormde vrucht, noemde de Heere uw naam” (Jeremia 11 : 16a; vertaling Aalders). Zelfs op schrale, rotsachtige bodem wil de olijf groeien en verwerkelijkt zo de toezegging „Olie uit de kei der rots” (Deut. 32 : 136). [F. J. Bruijel, Bijbel en Natuur].

leven-o-t-165

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
1.De dadelpalm
is een 10—20, soms zelfs tot 50 m. hoge boom. Aan de top van de stam bevindt zich een kroon van 40—60 donkergroene bladeren, die geveerd zijn, tot 3 m. lang worden en dus „palmtakken” (a) genoemd mogen worden. Een dadelpalm begint gewoonlijk na ongeveer 10 jaar vrucht te dragen en heeft dan elk jaar 6 a 10 vruchttrossen, die elk honderden dadels tellen. In vroeger tijd droeg Jericho met recht de naam van de Palmstad (Deut. 34 : 3). Palmen vond men ook in de oase van Engedi aan de westkust van de Dode Zee. Engedi droeg ook de naam Hazezon-Thamar (Gen. 14 : 7) d. w. z. „de plaats van het palmensnijden”.
De boom is het beeld van de rechtvaardige (Ps. 92 : 13). Bij de instelling van het Loofhuttenfeest (Lev. 23 : 40) wordt het palmblad genoemd als een der bestanddelen van de „feestruiker” waarmee men vol blijdschap voor het aangezicht des Heeren verscheen en blijkbaar is het palmblad (palmtak) een zeer belangrijk bestanddeel ervan geweest, daar de feestruiker, de loelaab in het Hebreeuws ernaar genoemd werd. De palmtakken golden als symbool voor de overwinnaar (Openb. 7 : 9); en toen de Heere Jezus Zijn intocht hield in Jeruzalem namen de scharen takken van palmboomen en gingen uit Hem tegemoet (Joh. 12 : 13).

leven-o-t-166

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2. Granaatappelboom.

leven-o-t-167

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
3. Tak, bloem, vrucht van de granaatappel.
Wanneer in de Bijbel wordt gesproken van de belangrijkste bomen en vruchten, wordt de granaatappel daarbij genoemd (Deut. 8:8; Haggai 2 : 20; Joel 1 : 12). De boom geeft geen schaduw; als van Saul wordt vermeld dat hij onder een granaatboom zit (1 Sam. 14 : 2), is hij daar niet om de schaduw, maar omdat het een „heilige boom” is. In het voorjaar hult de boom zfch in bladerentooi, als de voorjaarsregens eindigen. Het is in de lentetijd, dat de bruidegom uitgaat in de notenhof om te zien, of de granaatbomen uitbotten (Hoogl. 6 : 11).
De granaatappel is een donkerrode vrucht (uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uwe vlechten, Hooglied 6 : 7); de bruid stelt als iets heerlijks voor „het sap van mijn granaatappelen” (Hooglied8 : 2).
De „granaatappel” is een rode appelvormige vrucht; eigenlijk is het een bes, die na rijping openspringt en dan zijn vruchtvlees toont, waarin donkerrode sappige kernen zijn (Hoogl. 4 : 3). Uit het sap van de vrucht wordt granaatappelwijn gemaakt (vgl. Hoogl. 8:2). Om de mooie vorm dienden de granaatappelen als model voor de versiering der koperen zuilen in Salomo’s tempel (1 Kon. 7 : 18, 42; Jer. 52 : 22, 23) en aan de zomen van de mantel van de hogepriester (Exodus 28 : 33, 34).

leven-o-t-168

 

 

 

 

 

 
4. Wilde vijgeboom of sycomore.
Dit is een boom, die zich reeds dicht bij de grond vertakt, in horizontale takken: daardoor kon men er gemakkelijk in klimmen (Lukas 19 : 4); het mooie bladerdak geeft veel schaduw. De boom groeit in een warm klimaat, dus niet in het bergland, maar in de laagvlakte („wilde vijgebomen die in de laagte zijn”: 1 Kon. 10 : 27; 1 Kron. 27 : 28), in de warme Jordaanvallei (Lukas 19 : 4) en in Egypte (Ps. 78 : 47). De kleine vruchten worden gegeten (Amos 7 : 14).

 

leven-o-t-169

1. De Johannesbroodboom
(zo genoemd, omdat men wel heeft gedacht, maar zonder bewijs, dat Johannes de Doper de vruchten at) is een boom, die het midden houdt tusschen een groote bremstruik en een forse acacia. De boom ontleent zijn Latijnse naam (Ceratonia) aan de vorm van de peulen, die wat hoornig zijn. De boontjes uit de zwarte peulen, werden voorheen gebezigd als gewichten. Zo’n gewicht heette naar keration, karaat. Nog gebruikt de juwelier dit woord bij goud en diamanten. Zo schreef eens Prof. van Veldhuizen en hij vervolgde: Nu denk ik aan de verloren zoon. Volgens Lukas 15 : 16 begeert deze zijn buik te vullen met de draf der zwijnen, maar niemand gaf hem die. Men vraagt: Kon hij er dan niet van nemen? Er was hongersnood. De zwijnen moesten zoveel mogelijk hun eigen kost opzoeken onder zijn leiding. ’s Avonds werden ze bijgevoederd. Dan kon hij toezien. Het was voor de eigenaars van meer gewicht, dat de zwijnen doorvoed waren, dan of hij ondervoed was. Wat door draf werd vertaald, waren die keration in het Grieks, de vruchten van de Johannesbroodboom.”

leven-o-t-174

2. Tak van de amandelboom.
Vrucht (a), bloemen (b). De amandelboom is reeds zeer vroeg in het jaar aan het bloeien; in Januari begint het uitbotten, in februari ziet men de bloemen: een prachtig gezicht in een tijd, dat er nog sneeuw kan vallen. Jeremia (1 : 11) zag eens een amandelroede (maqqêl saqëd) een amandeltak en moest hieruit leren, dat God wakker (soqëd) is over Zijn Woord. Inderdaad: de amandelboom schijnt niet te slapen; de boom is wakker — en daarom past de boom goed voor dit beeld. Dat de staf van Aaron in één nacht bloemen had, (Numeri 17 : 8) hangt met het feit, dat deze een amandeltak was, samen. De bloemen zijn eerst blozend-rood, dan wit: daarom is de bloem ook een beeld van de grijsheid (Pred. 12 : 5). De amandel werd geteld onder het loffelijkste van het land (Gen. 43 : 11). De amandelnoten dienden als voorbeeld voor de versiering van de gouden kandelaar (Exodus 25 : 33, 34; 37 : 19, 20).

leven-o-t-175

3. Mirre. Het hars van deze plant werd op hoge prijs gesteld; deze mirre was een bestanddeel van de heilige zalfolie (de zuiverste mirre, specerijkaneel, specerijkalmus, kassie, olie; Exodus 30 : 23) om de liefelijke geur (mijn vingers drupten van vloeiende mirre; Hoogl. 5 : 5). De mirre vormde een parfum of reukwerk voor kleren (al uwe klederen zijn mirre, en aloë en kassie; Psalm 45 : 9; vgl. Hoogl. 3 : 6) en bedden (Spr. 7 : 17). „Mirre-olie” was een schoonheidsmiddel (Esther 2 : 12). De mirre werd wel meegedragen in reukflesjes (Jes. 3 : 20) of in een bundeltje op de borst gedragen (Hoogl. 1 : 13). Mirre vormde met goud en wierook het geschenk der wijzen uit het oosten (Matth. 2 : 11). Nicodemus bracht een mengsel van mirre en aloë voor de begrafenis van Jezus (Joh. 19 : 39). Ook was mirre gemengd in de wijn bij het Kruis (Markus 15 : 23).

leven-o-t-1764.Nardus
De plant levert uit de wortel de in een albasten fles bewaarde nardus (Markus 14 : 3; Joh. 12 : 3). Wanneer uit Hoogl. 1 : 12; 4 : 13, 14 wordt afgeleid, dat nardus ook in tuinen van Palestina gekweekt werd, moet men wellicht aan een valeriaangewas denken. Het is dikwijls moeilijk te weten, welke planten in de Bijbel bedoeld worden.

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (35)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament – alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s