Tagarchief: klas 3

VRIJESCHOOL – 3e klas – Het leven in het Oude Testament (37)

.

DIEREN

Dromedaris; kameel; gazelle; steenbok; onager; muildier; geit; vetstaartschaap; klipdas; kwartel; treksprinkhaan; mier; gekko (links verwijzen naar Wikipedia)

leven-o-t-177

1. Dromedaris.

leven-o-t-178

2. Kameel
Het Hebr. kent geen onderscheiding tussen „kameel” en „dromedaris”. Ook in later tijd, wanneer in de profetieën van kamelen in Babel (Jes. 21 : 7), in het Zuiderland (Jes. 30 : 6) en, bij de Arabieren (Jer. 49 : 29, 32) sprake is, wordt steeds het woord „gamal” gebruikt. Het verschil tussen de eenbultige en tweebultige kamelen is dus in de ogen van de Israëlieten niet karakteristiek geweest. Dat overigens wel aandacht aan de kamelen besteed werd, blijkt hieruit, dat er verschillende woorden zijn voor het mannelijke en vrouwelijke
kameelveulen. Zo wordt in Jes. 60 : 6a „een stroom van kamelen zal u overdekken” (vertaling Ridderbos) gebruikt het woord „beker” dat mannelijk kameelveulen betekent, en in Jeremia 2 : 33: „gij snelle heen en weder lopende kemelin” (vert. Aalders) het woord voor een vrouwelijk kameelveulen, nl. „bikra” [F. J. Bruijel].

leven-o-t-179

3. De gazelle
komt in Palestina nog voor. Het dier werd bewonderd om de snelheid; 2 Sam. 2 : 18 waar gezegd wordt van Asahel „vlug ter been als een gazel op het veld” (vert. de Groot); 1 Kron. 12 : 8 (Statenvertaling „ree”); Hooglied 2 : 17 (Statenvert. „ree”); .Jesaja 3 : 14 („En het zal geschieden: als een opgejaagde gazelle, als schapen, die niemand bijeenhoudt, zo zullen ze elk naar zijn volk zich keren, en ieder naar zijn land gaan vluchten”, vertaling Ridderbos). In het Hooglied (2 : 7; 4 : 5) is de gazelle beeld van bevalligheid. De eigennaam Zibja (voor een man 1 Kron. 8:9; een vrouw, 2 Kon. 12 : 2) en Dorkas (Hand. 9 : 36) wijst er op, dat men de naam „gazelle” ook aan mensen gaf. Het eten van het vlees was naar de wet geoorloofd (Deut. 14 : 5); daarom werd het wel gejaagd (1 Kon. 4 : 23, Statenvert. „ree”). Het was geen offerdier (Deut. 12 : 15).

leven-o-t-180

4. De steenbok
met zijn machtige horens kwam vroeger veel voor in de bergstreken van Palestina (daarom in 1 Sam. 24 : 3 „de rotsen der steenbokken” bij Engedi; en in Psalm 104 : 18: de hoge bergen zijn voor de steenbokken); nog steeds zijn zij in de rotsgebieden om de Dode Zee, waar het boek Job ook van spreekt (Job 39 : 4, steengeiten). Het wijfje van de steenbok wordt door de Arabieren om snelheid en bevalligheid bewonderd; ook de Spreuken noemen de huisvrouw der jeugd een „aangenaam steengeitje” (Spr. 5 : 19).

leven-o-t-181

5. De onager
wordt in de Statenvertaling „woudezel” genoemd. „Hij is even groot als de tamme ezel; zijn poten zijn echter mooier gevormd. Hij heeft een slanke, ietwat gebogen hals en lange, rechtopstaande oren. De manen zijn donker, terwijl het lichaam lichtgekleurd is. Een bruine, borstelige streep van haren loopt van de manen naar de staart” (F. J. Bruijel). Zij leven ongetemd in de steppe (Job 39 : 8—11); daarom wordt het vrijheidlievende volk van de nazaten van Ismaël ermee vergeleken (Gen. 16 : 12). Zij leven in de steppe en eten gras (Job 6 : 5), de wildernis is tot zijn huis besteld (Job 39 : 8); daarom is het oordeel der verwoesting volkomen als Jesaja profeteert: „Ofel en de wachttoren zullen zijn tot een vreugde der woudezels” (Jes. 32 : 14). De woudezels gewend in de woestijn (Jeremia 2 : 14; Job 24 : 5) komen ook in het boomloze gebergte voor, waar zij water drinken uit de bronnen in de dalen (Psalm 104 : 11).

leven-o-t-182

1. Het muildier
is de bastaard tussen een ezelhengst en een paardenmerrie (Esther 8 : 10). Krachtig en moedig is hij als een paard, terwijl het muildier de voorzichtige gang van een ezel bezit (Esther 8 : 14). In de dagen van David was het muildier het rijdier voor de prinsen (2 Sam. 3 : 29), 2 Sam. 18 : 9). Het is geschikt als lastdier (1 Kron. 12 : 40); Naäman wil aarde uit Israël meenemen „een last aarde van een juk muilen” (2 Kon. 5 : 17); het werd ook in het leger gebruikt (Zach. 14 : 15). De wet verbood de kruising (Leviticus 19 : 19); het is mogelijk, dat men deze dieren van elders kocht; de lieden van Togarma hadden muildierfokkerijen gelijk we lezen in Ezechiël 27 : 14: Die van het huis Togarma betaalden uw waren met paarden, en rossen en muildieren (vertaling Noordtzij).

leven-o-t-183

2. De geit
De oren zijn lang en slap neerhangend; een herder redt bij de strijd met de leeuw wellicht nog een stukje van het oor (Amos 3 : 12). De geiten hebben lang zwart haar (Hoogl. 4 : 1; 6 : 5; vandaar de zwarte tenten van geitenhaar, Hoogl. 1:5; en een geitenvel de nabootsing kon wezen van Davids hoofdhaar, 1 Sam. 19 : 15). Het vlees wordt met graagte als lekkernij gegeten (Gen. 27 : 9; Lukas 15 : 29; Richt. 6 : 19; 13 : 15; 15 : 1; 1 Sam. 16 : 20); genoegzaamheid van geitenmelk als een zegen beschouwd (Spr. 27 : 27). De geitenhuid werd benut als lederen zak; soms zelfs als armelijke kledij (Hebr. 11 : 37). Van het geitenhaar spinnen de vrouwen stoffen (Exodus 35 : 26) voor tentdoek (Exodus 26 : 7). De geitenkudden zijn meest op bergen en heuvels; vandaar de beschrijving in 1 Kon. 20 : 27, van het leger der Israëlieten „als twee blote geitenkudden”.

leven-o-t-185

3. Het vetstaartschaap
is voornamelijk gekenmerkt door de zware vlezige staart; bij het offeren werd voorgeschreven dat de offeraar zal nemen „de gehelen staart, die hij dicht aan de ruggengraat zal afnemen” (Lev. 3 : 9). De kleur van de wol is in de regel wit (Psalm 147 : 16; Jesaja 1 : 18; Dan. 7 : 9; Openb. 1 : 14; Hoogl. 6:6); met bruine of soms zwarte kop en poten; dit verklaart de overeenkomst tussen Jakob en Laban (Gen. 30 : 22). Het karakter van het schaap wordt geschetst als goedmoedig, niet zelfstandig, angstig, weerloos, geduldig in het lijden (Jesaja 53 : 6, 7; Jer. 11 : 19; Psalm 119 : 76). Het schaap was in Israël nuttig door de melk (Deut. 32 : 14; Jes.7 : 21, 22), het vlees (1 Sam. 25 : 18; 2 Sam. 12 : 4; 1 Kon. 4 : 23), en de wol waaruit kleding werd geweven (Job 31 : 19, 20).

leven-o-t-184

 

4. De klipdas,
een klein dier, leeft in troepen in rotsige streken (de rotsen zijn een schuilplaats voor de klipdassen, Ps. 104 : 18; vert. Noordtzij). In de Statenvert. wordt het Hebr. woord door „konijn” vertaald; in Spr. 30 : 26; Lev. 11 : 5 en Deut. 14 : 7. Wanneer men hier evenwel klipdas leest, dan blijkt de nauwkeurigheid in Lev. 11 : 5, want de klipdas „herkauwt wel, maar verdeelt de klauw niet”.

leven-o-t-186

5. Kwartel
Kwartels (vroeger kwakkel(en) trekken elk jaar in grote massa’s in vluchten voort; als zij dan uitgeput zijn, vallen zij neer en worden door de Arabieren dikwijls met de hand gevangen, omdat zij een begeerd voedsel leveren, gelijk reeds tijdens de woestijnreis: Exodus 16 : 13; Numeri 11 : 31; Psalm 105 : 40.

leven-o-t-187

1. Gevleugelde treksprinkhaan

leven-o-t-188

2. Treksprinkhaan
in het laatste ontwikkelingsstadium. De schade wordt vooral veroorzaakt door de treksprinkhanen, die in geweldige massa’s op bepaalde tijden neerstrijken. Daarom wordt de ontelbaarheid van een leger als van de Midianieten voorgesteld als „de sprinkhanen in menigte” (Richt. 6: 5) of de heerscharen die Egypte overmeesteren als „meerder dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen kan” (Jer. 46 : 23). Zij trekken in geweldige vluchten, zij hebben geen koning „toch trekken zij gezamenlijk in goede orde op” (Spr. 30 : 27; vertaling Gemser):
=Als helden snellen zij aan, als krijgslieden beklimmen zij de muur, ieder blijft in het gelid, niemand wijkt af van zijn route.
Geen, die zijn nevenman verdringt, elke krijger houdt zijn koers. Door wapens heen stormen zij voort, van afgesneden worden geen sprake, geen bres in hun gelederen.
In de stad dringen zij binnen, de muren bestormen zij, tegen de huizen klimmen zij op; door de vensters sluipen zij binnen als een dief. (Joel 2 : 7—9; vert. Bleeker).

Verchrikkelijk is de verwoesting: als de hof van Eden is het land vóór hen, en achter hen een ledige woestenij, en niets ontkomt aan hen (Joël 2:3; vert. Ridderbos). Daarom zijn de sprinkhanen vaak het beeld van het goddelijke strafgericht (Deut. 28 : 38; Amos 4:9; „al vreet de sprinkhaan vele van uw hoven” vert. Ridderbos; Amos 7 : 1). In Palestina worden zij aangejaagd door de zuidoostenwind (Joël 2 : 20; vgl. Ps. 109 : 23). In Joël 1 : 4 wordt gezegd:

Wat de knager overliet, vrat de sprinkhaan op
en wat de sprinkhaan overliet, vrat de verslinder op
en wat de verslinder overliet, vrat de afvreter op (Vert. Bleeker).

De vier, (in het Hebreeuws gebruikte) namen, geven wellicht de vier op elkander volgende ontwikkelingsstadia weer.

leven-o-t-189

3. Mieren:
mannetje (3a); wijfje (36); werkster (3c); de laatste links vergroot, rechts op natuurlijke grootte. In Palestina leven 31 soorten mieren. De Spreukendichter stelt de mieren als voorbeeld: want de mier bereidt haar brood in de zomer en vergadert haar spijze in de oogst (Spr. 6:8). Zij bereiden in de zomer haar spijs (Spr. 30 : 25); de soorten mieren, die zich met plantenvoedsel voeden, met name plantenzaden, kunnen in de winter niet voldoende vinden en daarom moeten zij voorraad maken in de zomer.

leven-o-t-190

4. Gekko.
De Statenvertaling heeft in Spr. 30 : 28: De spinnekop grijpt met de handen en is in de paleizen der koningen. De vert. van Prof. Gemser luidt echter: „De hagedis laat zich grijpen met de handen; toch dringt zij in des konings paleizen door.” Wij zullen hier bij hagedis moeten denken aan de „gekko”: die komt in de huizen voor. Bruijel meldt hiervan: Aan de onderzijde van de sterk verlengde tenen hebben zij meestal z.g.n. hechtschijfjes, waardoor zij in staat zijn, in alle richtingen langs de muren te lopen. Zo is het dus als Dr Gemser omschrijft: „De hagedis, die zo onhoorbaar tegen de muren oploopt, om zijn voedsel te zoeken, kan zonder gevaar met de hand worden beetgepakt. Hoe gering ook, hij weet zich toegang te verschaffen, waar vele mensen niet kunnen komen.”

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1115

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- 3e klas – alle artikelen

.

Kind en leerplan

Beweging
bikkelen  handschaduwbeelden   hinkelen   touwtjespringen

Heemkunde:
alle artikelen

Muziek
Over het aanleren van het notenschrift

Nederlandse taal:
[1]
Werkplan Geert Grooteschool over: de psyche van de 3e-klasser; spreken; schrijven: stelopdrachten; grammatica en denken, voelen, willen; toneelspelen; schrijven met inkt; [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]

[2]
Het ‘Binnenste buiten’ over: het belang van spraakoefeningen; grammatica: voorbeeld van doe-hoe-noemwoorden; leestekens; schrijven: lopend schrift [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]; toneelspel
taalspelletjes vanaf klas 1

Niet-Nederlandse talen: Duits   [2]
Niet-Nederlandse talen:Engels
Niet-Nederlandse talen: Frans

Rekenen:
alle artikelen

Schilderen
N.a.v. de vertelstof: de scheppingsdagen

spraakoefeningen

sterren kijken (8 – 12jr)

de natuur in

Vertelstof:
alle artikelen

Vormtekenen
zie de blog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (1)

 

HEEMKUNDE 3E KLAS

De heemkunde van de 3e klas krijgt weleens de naam ‘boerderijperiode’ of  ‘(oude) ambachtenperiode’, ‘huizenbouwperiode’ en wellicht meer.

Het is heemkunde als directe voorloper van de aardrijkskunde in klas 4: vanaf ‘thuis’ de grotere en verdere wereld in.

Ja, hoe leid je de beroepen en ambachten in? Men kan uitgaan van een gesprek over het bekende verhaaltje (een sprookje is het niet) van Grimm: Het mooie Pieternelletje en Pief Paf Polleken. Vele kinderen zullen het zich nog herinneren. Bij het behandelen van stof voor oudere kinderen moet men de zorgvuldige voorbereiding in de leerstof van de lagere klassen zoeken. Nu, dat grappige Pief Paf Polleken wordt in de derde klas bekeken vanuit de invalshoek van de ambachten.

De jongelieden bevallen elkaar wel. Maar dan is het tijd voor het zakelijke.

‘Mooie Pieternelletje, hoeveel heb je als bruidsschat?’
‘Veertien penningen opgedoft,
‘Derde half stuiver opgepoft,
‘Een half pond appeltjes,
‘Een handvol kappertjes,’Een handvol klappertjes
en nog zo wat:
Is dat geen prachtige bruidsschat?’

En Pief Paf Polleken, wat is je handwerk?’ 

‘Ben je kleermaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een schoenmaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een boer?’
‘Nog veel beter’
‘Een meubelmaker?1
‘Nog veel beter’
‘Een smid?’
‘Nog veel beter’
‘Een molenaar?”
‘Nog veel beter’
‘Ben je misschien een bezembinder?’
‘Juist, dat ben ik,
is dat geen prachtig handwerk?’

Een komische dialoog. De kinderen mogen hem naspelen. Het zijn precies zeven beroepen in het verhaal. Zes ervan zijn vrijwel onmisbaar in een gewone mensengemeenschap. Vrijwel, want kleren, schoenen en meubels zou men nog zelf kunnen maken met handigheid, vlijt en inzicht.

Dat geldt niet meer voor de smid, de machtige heer van vuur en ijzer, de boer, de sterke bewerker van aarde en granen, de molenaar, de heer van wind en broodmeel.

Bezems kan werkelijk iedereen maken, maar het is zo’n werk! Een zeer eenvoudig beroep of handwerk dus. Sprookjes beginnen soms met ‘Er was eens een arme bezembinder’.

In principe schildert de leraar, hoe de molenaar te werk gaat, maar soms zijn de kinderen al heel uitgeslapen op het gebied van de techniek.

Een molen wordt bezocht. Eventueel wordt een modelletje van een molen gemaakt.

Men kan niet alles doen, een keuze moet gemaakt worden. De kinderen tekenen hun ervaringen op. De eerste opstelletjes ontstaan. En natuurlijk wordt er veel getekend.

Een bakker biedt ook vele mogelijkheden. Brood bakken kan zelfs in de klas, wanneer de moeders draagbare oventjes hebben. Voor het bezoek aan een ‘warme bakker’ kan een hele ochtend uitgetrokken worden. Het gelukt soms ook om een smid te vinden. In ieder geval kan er verteld worden.

Meubelmaker, glasblazer, schoenmaker, kleermaker, pottenbakker, zij kunnen allen de revue passeren.

Het bezoek aan pottenbakker of glasblazer is fascinerend. Belangrijk is, dat de kinderen hun tekeningen of opstelletjes aan de gastvrije handwerkers brengen.

Men behoeft niet steeds het woord dankbaarheid in de mond te nemen. Maar het is van het grootste belang, dat waardering voor het handwerk, interesse voor het materiaal en de werkmethode van de leerkracht uitstralen. De dankbaarheid voor het gebodene komt dan vanzelf. Maar het bedanken is op zichzelf een kunst, die geleerd wil worden. Het is ook mogelijk om ieder beroep, dat met de kinderen wordt behandeld, uitdrukking te laten vinden in een gedicht. Een gedicht bewaart de essentiële dingen beter dan proza en blijft ook beter in het geheugen hangen. Twee onderwerpen behoren ook in de derde klas thuis: het boerenbedrijf en de huizenbouw. Het bezoeken van boerderijen en bouwerijen is het eindstadium, dat lange tijd is voorbereid.

Het spelelement kan aanwezig zijn in het reciteren van gedichten en de juiste bewegingen die bij het beroep horen én bij het gedicht.

De graansoorten tarwe, rogge, gerst en haver worden groot en mooi uitgetekend. Ook boerderijen worden getekend en de betekenis van de verschillende ruimten uiteengezet.
Kleine boerderijtjes van karton ontstaan uit groot enthousiasme. De gang van
graankorreltjes tot boterham wordt zorgvuldig behandeld.

Het koren
Kaal ligt de aarde, kaal is de grond.
Geen vrolijke bloemen kijken meer rond.
De vogels vertrekken naar ’t warmere land.
Kaal staan de bomen langs wegen en kant.
Maar de landman ploegt en de landman graaft.
Hoe zijn paardje zwoegt,
hoe zijn paardje draaft!
Zij trekken de voren, waar zij gaan.
Daar kan het koren groeien en staan.

De Zaaier
De zaaier zaait met vaste hand
En strooit de korrels op het land.
Hij strooit met fors en breed gebaar
De aardeschoot ontvangt het maar.
De korrels rusten, kalm en zacht
Door heel de lange winternacht.

De Boer
Wij ploegen en wij eggen,
Wij zaaien op het land.
Maar wasdom en gedijen,
Die zijn in Godes hand.

Graankorrel
In het omgeploegde akkerland
Werd ik gelegd door mensenhand.
Toen kwam de milde regen
Als eerste lentezegen.
Maar nog leek ik dor en dood
Te liggen in de aardeschoot.
Dat was, omdat ik rustte,
Totdat de zon mij kustte.
Ja! toen hief ik mij omhoog,
Zocht de lichte hemelboog!
En ik was niet meer alleen.
Want vele andere halmen
Wiegden om mij heen…

Maailied
Zongebrand! Goud op ’t land
Zie je nu het koren staan:
Eerst gezaaid, dan gemaaid
En geoogst wordt ’t gouden graan.
Zet de schoven recht naar boven,
Bindt de halmen bij elkaar!

Zon en regen brachten zegen,
Vormden korrels groot en zwaar.
Aan de Aarde die ’t bewaarde.
Aan de regen en de wind.
Aan de zon en aan de mensen,
Brengen wij nu dank, m’n kind!

Dorslied
Klip en klap, klip en klap!
Klinkt het luid in het rond.
Klip en klap, klip en klap!
Door de stille avondstond,
’t Zijn de boeren op hun vloeren,
Die daar werken vlijtig aan.
En zij kloppen met hun vlegels
Alle korrels uit het graan.

Malen
De molenaar, de molenaar
Is flink aan ’t werk, wat doet hij daar?
Hij maalt er de korrels
Van al het gouden graan,
Terwijl daar de wieken
Al klapperend gaan.
En als dan des avonds
Het werk is volbracht.
Dan rookt hij tevreden
Zijn pijpje en lacht!

Bakken
De bakker, de bakker,
Die krijgt nu zijn deel
Van alle volle zakken
Met glanzend wit meel.
Dan kneedt hij het deeg
In een grote, houten trog.
De zakken zijn leeg.
Maar de bakkersknecht werkt nog!
Hij vormt met de handen
De broden rond en zwaar.
Hij schuift ze op een schep
In de hete oven daar.
Hij stookt flink het vuurtje,
Het wordt een felle gloed
En binnen een goed uurtje
Is ’t brood al gaar en goed!

Het Brood
Bruin gebakken, rond en gaar,
Ligt het brood op tafel klaar.
Heb je dan ook wel bedacht
Wie dat alles heeft gebracht?
Warme zon gaf gloed en kracht.
Aarde heeft het voortgebracht,
Boer, die het naar binnen haalde,
Molenaar die ’t graan vermaalde
En de Bakker bakken deed.
Wat je nu zo lekker eet.
Dank hen allen voor dit brood
Daar groei je van en je wordt groot!

De huizenbouw
Holen, rieten hutten*, tenten, huizen, van alles kan besproken worden.
Waarom bouwt de mens een huis? Bescherming, omhulling, warmte zoeken ook de dieren. Bij de mens draagt een afgesloten ruimte ook bij tot individualisering en socialisering. Bijen leven met een heel volk in een nest of kast, maar de mens kan ook andere mensen in zijn huis ontvangen en gastvrij zijn. Die andere mensen behoeven niet tot hetzelfde volk of ras te behoren.

De kinderen zoeken van alles uit, komen met allerlei aandragen, brengen boeken mee, plaatjes van iglo’s, wigwams, paalwoningen, modelletjes van Bedoeïenentent, berghut of Japans lakhuisje. Er heerst een koortsachtige activiteit in de klas.

Herinnering aan de vertelstof uit het Oude Testament komt op: Vroeger woonde de Heer in een tent, de Tabernakel! Later bouwde Salomo een stenen tempel, een Godshuis. Die tempel was drieledig van bouw, zoals een mens. De meeste culturen vertonen deze drieledigheid in hun tempels: voorhof met altaren, middenhof (al of niet met zuilen en heilige voorwerpen) en het ‘heilige der heiligen’.

Zonder dat de kinderen het met zoveel woorden horen, speelt een onbewust weten bij hen mee: het kind zelf bereikt in de derde klas het stadium, dat zijn lichamelijkheid een ‘huis’ gaat worden voor de ontwikkeling van zijn ziel en geest. Een kleine fase wordt afgesloten.

Het huis is een oerbeeld voor het lichaam, dat betrokken gaat worden door het wezen van de mens zelf. ‘Het huis’ kan wel een uitdrukking van het wezen zijn, maar niet het wezen zelf.

Men begint dan over de bouwmaterialen te spreken, waaruit het huis zal worden opgebouwd. De kinderen weten al heel wat: er moeten stenen, balken, planken, palen, betonelementen, latten, buizen, dakpannen zijn. Dat alles wordt neergelegd op het bouwterrein. Het wordt aangevoerd per schip of vrachtwagen.

De vraag: ‘Ligt daar nu een huis?’ wordt met bulderend gelach van de kinderen begroet. Losse materialen zijn nog geen huis, evenmin als losse woorden een zin vormen die zin heeft!

Eigenlijk blijken de kinderen veel intelligenter — niet intellectueler natuurlijk — dan vele, zelfs geleerde mensen, die menen, dat mens en heelal door toeval ontstaan zijn en dat nog wetenschap noemen bovendien. Neen, wat rondgooien van balken, stenen, buizen en pannen doet nog geen huis ontstaan. Er is een plan nodig, een ontwerp, een architect die het maakt, een aannemer en een uitvoerder en natuurlijk vele bouwers, bouwvakkers.

Een of ander huizenbouwspel wordt ingestudeerd. Zo’n spel vind je niet in de literaire tijdschriften: de leerkracht moet het zelf maken, of een spel krijgen van een oudere collega en het eventueel verrijken met eigen vindingen, er is geen auteursrecht op. Wanneer de jonge Mozart een thema van de oude Haydn gebruikte, betekende dat een eer voor de oude meester. Zodoende. Een voorbeeld:

Komt, krachtig aan het werk!
Een huis hecht en sterk,
Dat willen wij bouwen.
Helpt zwoegen en sjouwen!
Voor ’t heien wilt halen
De puntige palen!
Brengt balken en staken
Voor deuren en daken.
Ook stenen en pannen.
Dan kunnen de mannen
Vol ijver aan ’t werk!

Dit wordt gereciteerd met lopen, stampen of ritmisch klappen. Er wordt een tekening gemaakt van elke fase. Andere kinderen weer beginnen van klei stenen te maken, of een klein huisje. Misschien gelukt het soms van echte stenen een huisje in de klas te bouwen. Er wordt in groepen gewerkt.

De recitatie gaat, met de gehele klas. In het gedicht zijn we aan het grondwerk toe.

(spitbewegingen)
Wij spitten met spaden
De grauw-grijze grond
De klodders en kluiten
Zij vliegen in ’t rond!

(elk pakt zijn voorman bij de benen. Die loopt op de handen)

Dan duwen we dapper
Kruiwagens door ’t hek
En dragen de grond
Naar een andere plek.

Morgen kan er geheid worden. Er wordt niet alleen over het heien verteld, maar de kinderen beelden het ook uit. Eén is de paal. Die zakt steeds meer door de knieën, twee maken een stelling. Eén laat zijn vuisten als heiblok fungeren.

Richt recht de paal   /   juist op zijn plaats!
Het heiblok valt   /   met groot geraas.
De eerste klap   /   klinkt luid in ’t rond.
De lange paal   /   zakt in de grond.
Heft hoog het blok   /   trekt stevig neer!
Nu slap het touw   /   het blok valt weer!
Steeds dieper zinkt   /   de grote paal.
Steekt in de grond   /   haast helemaal.
Dan valt het blok   /   nog één keer neer
-Een doffe plof   /   en dan niet meer!

Ongetwijfeld is een moderne heimachine even boeiend als zo n oude heistelling. Toch moet men niet dadelijk het nieuwste technische bespreken. Dit is niet zo goed te doorzien voor een kind. De oude heistelling wel. En daarom gaat het.

Een heel belangrijk punt bij de huizenbouw is het metselen. Over de bereiding van specie wordt gesproken. Ook over steenfabricage. Verschillende soorten steen worden genoemd. Over baksteen en natuursteen wordt verteld.

Het tekenen van alles, wat er aan het huis gebeurt, is voor de derdeklassers moeilijk. Ze kennen immers nog geen perspectief. Maar ze mogen zelf metselen, met hun leerkracht en een stel enthousiaste ouders. Op het toneel wordt het dan:

Voor het metselen maken wij
In een trog de metselbrij!
Meng de kalk met flink wat zand,
Roer gestadig met je hand.
Water moet er ook nog bij.
Anders stolt de dikke brij.
Dan cement, een beetje maar
En de brij is voor elkaar.
Draag de rose stenen aan,
Wilt nu aan het metselen gaan.
Strijk de specie op de kant
Met de troffel in je hand.
Dan komt weldra steen na steen
Van de grote muur bijeen.

Nu, de kinderen zien, dat metselen moeilijker is dan het eerst leek. Er komen nog andere leuke dingen: het stellen van kozijnen en deurposten, heel nauwkeurig.

Om het huis worden stellingen gebouwd. Op de vloer van beton is een woud van blank, geurig timmerhout verrezen. De muren van het huis worden voltooid. De grote dakbalken, de spanten worden aangebracht. De overkapping wordt gevierd met vlag en ‘pannenbier’.

Wat geklap in ons huis!
Wat gebons en gedruis!
Overal, hoog en laag, wordt getimmerd vandaag.
Tikketak! Op het dak zitten wij met gemak.
Plank na plank, tikketok! Slaan wij vast tot de nok.
Komt het klaar deze dag?
Hijs dan hoog onze vlag!
De mannen drinken met plezier
Het helder, schuimend pannenbier!

Dakpannen leggen ‘als schubben van een vis’; afwerken van muren en houtwerk, het buizen werk voor gas, water en elektriciteit, het schilderen, het glaswerk, alles komt klaar.

Alles wekt ook een enthousiasme bij de kinderen. De huizen van papier en hout, de tekeningen, het spel met de benodigde rekwisieten, het komt alles voor elkaar.

Tot slot van de huizenbouwperiode — het kan drie tot vier weken zijn — kan nog gereciteerd worden:

Ons huis is klaar. We gaan er wonen.
Het werk zal steeds de maker lonen.
Bewaar het nu voor ons, o Heer!
Zie op ons werk genadig neer!

De derde klas is de klas van het Oude Testament tenslotte. De kinderen zijn door de heemkunde gebracht tot een overzicht van de praktische wijze waarop de mens gebruik maakt van de natuur en zijn eigen gaven.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*het kan zijn dat deze link  maar tijdelijk op te roepen is

voorbeelden van huizen uit een periode

3e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

478-442

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.