Tagarchief: 3e klas

VRIJESCHOOL- 3e klas – alle artikelen

.

Kind en leerplan

Beweging
bikkelen  handschaduwbeelden   hinkelen   touwtjespringen

Heemkunde:
alle artikelen

Muziek
Over het aanleren van het notenschrift

Nederlandse taal:
[1]
Werkplan Geert Grooteschool over: de psyche van de 3e-klasser; spreken; schrijven: stelopdrachten; grammatica en denken, voelen, willen; toneelspelen; schrijven met inkt; [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]

[2]
Het ‘Binnenste buiten’ over: het belang van spraakoefeningen; grammatica: voorbeeld van doe-hoe-noemwoorden; leestekens; schrijven: lopend schrift [met aantekening van mij: waarom drukletters schrijven]; toneelspel
taalspelletjes vanaf klas 1

Niet-Nederlandse talen: Duits   [2]
Niet-Nederlandse talen:Engels
Niet-Nederlandse talen: Frans

Rekenen:
alle artikelen

Schilderen
N.a.v. de vertelstof: de scheppingsdagen

spraakoefeningen

sterren kijken (8 – 12jr)

de natuur in

Vertelstof:
alle artikelen

Vormtekenen
zie de blog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (1)

 

HEEMKUNDE 3E KLAS

De heemkunde van de 3e klas krijgt weleens de naam ‘boerderijperiode’ of  ‘(oude) ambachtenperiode’, ‘huizenbouwperiode’ en wellicht meer.

Het is heemkunde als directe voorloper van de aardrijkskunde in klas 4: vanaf ‘thuis’ de grotere en verdere wereld in.

Ja, hoe leid je de beroepen en ambachten in? Men kan uitgaan van een gesprek over het bekende verhaaltje (een sprookje is het niet) van Grimm: Het mooie Pieternelletje en Pief Paf Polleken. Vele kinderen zullen het zich nog herinneren. Bij het behandelen van stof voor oudere kinderen moet men de zorgvuldige voorbereiding in de leerstof van de lagere klassen zoeken. Nu, dat grappige Pief Paf Polleken wordt in de derde klas bekeken vanuit de invalshoek van de ambachten.

De jongelieden bevallen elkaar wel. Maar dan is het tijd voor het zakelijke.

‘Mooie Pieternelletje, hoeveel heb je als bruidsschat?’
‘Veertien penningen opgedoft,
‘Derde half stuiver opgepoft,
‘Een half pond appeltjes,
‘Een handvol kappertjes,’Een handvol klappertjes
en nog zo wat:
Is dat geen prachtige bruidsschat?’

En Pief Paf Polleken, wat is je handwerk?’ 

‘Ben je kleermaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een schoenmaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een boer?’
‘Nog veel beter’
‘Een meubelmaker?1
‘Nog veel beter’
‘Een smid?’
‘Nog veel beter’
‘Een molenaar?”
‘Nog veel beter’
‘Ben je misschien een bezembinder?’
‘Juist, dat ben ik,
is dat geen prachtig handwerk?’

Een komische dialoog. De kinderen mogen hem naspelen. Het zijn precies zeven beroepen in het verhaal. Zes ervan zijn vrijwel onmisbaar in een gewone mensengemeenschap. Vrijwel, want kleren, schoenen en meubels zou men nog zelf kunnen maken met handigheid, vlijt en inzicht.

Dat geldt niet meer voor de smid, de machtige heer van vuur en ijzer, de boer, de sterke bewerker van aarde en granen, de molenaar, de heer van wind en broodmeel.

Bezems kan werkelijk iedereen maken, maar het is zo’n werk! Een zeer eenvoudig beroep of handwerk dus. Sprookjes beginnen soms met ‘Er was eens een arme bezembinder’.

In principe schildert de leraar, hoe de molenaar te werk gaat, maar soms zijn de kinderen al heel uitgeslapen op het gebied van de techniek.

Een molen wordt bezocht. Eventueel wordt een modelletje van een molen gemaakt.

Men kan niet alles doen, een keuze moet gemaakt worden. De kinderen tekenen hun ervaringen op. De eerste opstelletjes ontstaan. En natuurlijk wordt er veel getekend.

Een bakker biedt ook vele mogelijkheden. Brood bakken kan zelfs in de klas, wanneer de moeders draagbare oventjes hebben. Voor het bezoek aan een ‘warme bakker’ kan een hele ochtend uitgetrokken worden. Het gelukt soms ook om een smid te vinden. In ieder geval kan er verteld worden.

Meubelmaker, glasblazer, schoenmaker, kleermaker, pottenbakker, zij kunnen allen de revue passeren.

Het bezoek aan pottenbakker of glasblazer is fascinerend. Belangrijk is, dat de kinderen hun tekeningen of opstelletjes aan de gastvrije handwerkers brengen.

Men behoeft niet steeds het woord dankbaarheid in de mond te nemen. Maar het is van het grootste belang, dat waardering voor het handwerk, interesse voor het materiaal en de werkmethode van de leerkracht uitstralen. De dankbaarheid voor het gebodene komt dan vanzelf. Maar het bedanken is op zichzelf een kunst, die geleerd wil worden. Het is ook mogelijk om ieder beroep, dat met de kinderen wordt behandeld, uitdrukking te laten vinden in een gedicht. Een gedicht bewaart de essentiële dingen beter dan proza en blijft ook beter in het geheugen hangen. Twee onderwerpen behoren ook in de derde klas thuis: het boerenbedrijf en de huizenbouw. Het bezoeken van boerderijen en bouwerijen is het eindstadium, dat lange tijd is voorbereid.

Het spelelement kan aanwezig zijn in het reciteren van gedichten en de juiste bewegingen die bij het beroep horen én bij het gedicht.

De graansoorten tarwe, rogge, gerst en haver worden groot en mooi uitgetekend. Ook boerderijen worden getekend en de betekenis van de verschillende ruimten uiteengezet.
Kleine boerderijtjes van karton ontstaan uit groot enthousiasme. De gang van
graankorreltjes tot boterham wordt zorgvuldig behandeld.

Het koren
Kaal ligt de aarde, kaal is de grond.
Geen vrolijke bloemen kijken meer rond.
De vogels vertrekken naar ’t warmere land.
Kaal staan de bomen langs wegen en kant.
Maar de landman ploegt en de landman graaft.
Hoe zijn paardje zwoegt,
hoe zijn paardje draaft!
Zij trekken de voren, waar zij gaan.
Daar kan het koren groeien en staan.

De Zaaier
De zaaier zaait met vaste hand
En strooit de korrels op het land.
Hij strooit met fors en breed gebaar
De aardeschoot ontvangt het maar.
De korrels rusten, kalm en zacht
Door heel de lange winternacht.

De Boer
Wij ploegen en wij eggen,
Wij zaaien op het land.
Maar wasdom en gedijen,
Die zijn in Godes hand.

Graankorrel
In het omgeploegde akkerland
Werd ik gelegd door mensenhand.
Toen kwam de milde regen
Als eerste lentezegen.
Maar nog leek ik dor en dood
Te liggen in de aardeschoot.
Dat was, omdat ik rustte,
Totdat de zon mij kustte.
Ja! toen hief ik mij omhoog,
Zocht de lichte hemelboog!
En ik was niet meer alleen.
Want vele andere halmen
Wiegden om mij heen…

Maailied
Zongebrand! Goud op ’t land
Zie je nu het koren staan:
Eerst gezaaid, dan gemaaid
En geoogst wordt ’t gouden graan.
Zet de schoven recht naar boven,
Bindt de halmen bij elkaar!

Zon en regen brachten zegen,
Vormden korrels groot en zwaar.
Aan de Aarde die ’t bewaarde.
Aan de regen en de wind.
Aan de zon en aan de mensen,
Brengen wij nu dank, m’n kind!

Dorslied
Klip en klap, klip en klap!
Klinkt het luid in het rond.
Klip en klap, klip en klap!
Door de stille avondstond,
’t Zijn de boeren op hun vloeren,
Die daar werken vlijtig aan.
En zij kloppen met hun vlegels
Alle korrels uit het graan.

Malen
De molenaar, de molenaar
Is flink aan ’t werk, wat doet hij daar?
Hij maalt er de korrels
Van al het gouden graan,
Terwijl daar de wieken
Al klapperend gaan.
En als dan des avonds
Het werk is volbracht.
Dan rookt hij tevreden
Zijn pijpje en lacht!

Bakken
De bakker, de bakker,
Die krijgt nu zijn deel
Van alle volle zakken
Met glanzend wit meel.
Dan kneedt hij het deeg
In een grote, houten trog.
De zakken zijn leeg.
Maar de bakkersknecht werkt nog!
Hij vormt met de handen
De broden rond en zwaar.
Hij schuift ze op een schep
In de hete oven daar.
Hij stookt flink het vuurtje,
Het wordt een felle gloed
En binnen een goed uurtje
Is ’t brood al gaar en goed!

Het Brood
Bruin gebakken, rond en gaar,
Ligt het brood op tafel klaar.
Heb je dan ook wel bedacht
Wie dat alles heeft gebracht?
Warme zon gaf gloed en kracht.
Aarde heeft het voortgebracht,
Boer, die het naar binnen haalde,
Molenaar die ’t graan vermaalde
En de Bakker bakken deed.
Wat je nu zo lekker eet.
Dank hen allen voor dit brood
Daar groei je van en je wordt groot!

De huizenbouw
Holen, rieten hutten*, tenten, huizen, van alles kan besproken worden.
Waarom bouwt de mens een huis? Bescherming, omhulling, warmte zoeken ook de dieren. Bij de mens draagt een afgesloten ruimte ook bij tot individualisering en socialisering. Bijen leven met een heel volk in een nest of kast, maar de mens kan ook andere mensen in zijn huis ontvangen en gastvrij zijn. Die andere mensen behoeven niet tot hetzelfde volk of ras te behoren.

De kinderen zoeken van alles uit, komen met allerlei aandragen, brengen boeken mee, plaatjes van iglo’s, wigwams, paalwoningen, modelletjes van Bedoeïenentent, berghut of Japans lakhuisje. Er heerst een koortsachtige activiteit in de klas.

Herinnering aan de vertelstof uit het Oude Testament komt op: Vroeger woonde de Heer in een tent, de Tabernakel! Later bouwde Salomo een stenen tempel, een Godshuis. Die tempel was drieledig van bouw, zoals een mens. De meeste culturen vertonen deze drieledigheid in hun tempels: voorhof met altaren, middenhof (al of niet met zuilen en heilige voorwerpen) en het ‘heilige der heiligen’.

Zonder dat de kinderen het met zoveel woorden horen, speelt een onbewust weten bij hen mee: het kind zelf bereikt in de derde klas het stadium, dat zijn lichamelijkheid een ‘huis’ gaat worden voor de ontwikkeling van zijn ziel en geest. Een kleine fase wordt afgesloten.

Het huis is een oerbeeld voor het lichaam, dat betrokken gaat worden door het wezen van de mens zelf. ‘Het huis’ kan wel een uitdrukking van het wezen zijn, maar niet het wezen zelf.

Men begint dan over de bouwmaterialen te spreken, waaruit het huis zal worden opgebouwd. De kinderen weten al heel wat: er moeten stenen, balken, planken, palen, betonelementen, latten, buizen, dakpannen zijn. Dat alles wordt neergelegd op het bouwterrein. Het wordt aangevoerd per schip of vrachtwagen.

De vraag: ‘Ligt daar nu een huis?’ wordt met bulderend gelach van de kinderen begroet. Losse materialen zijn nog geen huis, evenmin als losse woorden een zin vormen die zin heeft!

Eigenlijk blijken de kinderen veel intelligenter — niet intellectueler natuurlijk — dan vele, zelfs geleerde mensen, die menen, dat mens en heelal door toeval ontstaan zijn en dat nog wetenschap noemen bovendien. Neen, wat rondgooien van balken, stenen, buizen en pannen doet nog geen huis ontstaan. Er is een plan nodig, een ontwerp, een architect die het maakt, een aannemer en een uitvoerder en natuurlijk vele bouwers, bouwvakkers.

Een of ander huizenbouwspel wordt ingestudeerd. Zo’n spel vind je niet in de literaire tijdschriften: de leerkracht moet het zelf maken, of een spel krijgen van een oudere collega en het eventueel verrijken met eigen vindingen, er is geen auteursrecht op. Wanneer de jonge Mozart een thema van de oude Haydn gebruikte, betekende dat een eer voor de oude meester. Zodoende. Een voorbeeld:

Komt, krachtig aan het werk!
Een huis hecht en sterk,
Dat willen wij bouwen.
Helpt zwoegen en sjouwen!
Voor ’t heien wilt halen
De puntige palen!
Brengt balken en staken
Voor deuren en daken.
Ook stenen en pannen.
Dan kunnen de mannen
Vol ijver aan ’t werk!

Dit wordt gereciteerd met lopen, stampen of ritmisch klappen. Er wordt een tekening gemaakt van elke fase. Andere kinderen weer beginnen van klei stenen te maken, of een klein huisje. Misschien gelukt het soms van echte stenen een huisje in de klas te bouwen. Er wordt in groepen gewerkt.

De recitatie gaat, met de gehele klas. In het gedicht zijn we aan het grondwerk toe.

(spitbewegingen)
Wij spitten met spaden
De grauw-grijze grond
De klodders en kluiten
Zij vliegen in ’t rond!

(elk pakt zijn voorman bij de benen. Die loopt op de handen)

Dan duwen we dapper
Kruiwagens door ’t hek
En dragen de grond
Naar een andere plek.

Morgen kan er geheid worden. Er wordt niet alleen over het heien verteld, maar de kinderen beelden het ook uit. Eén is de paal. Die zakt steeds meer door de knieën, twee maken een stelling. Eén laat zijn vuisten als heiblok fungeren.

Richt recht de paal   /   juist op zijn plaats!
Het heiblok valt   /   met groot geraas.
De eerste klap   /   klinkt luid in ’t rond.
De lange paal   /   zakt in de grond.
Heft hoog het blok   /   trekt stevig neer!
Nu slap het touw   /   het blok valt weer!
Steeds dieper zinkt   /   de grote paal.
Steekt in de grond   /   haast helemaal.
Dan valt het blok   /   nog één keer neer
-Een doffe plof   /   en dan niet meer!

Ongetwijfeld is een moderne heimachine even boeiend als zo n oude heistelling. Toch moet men niet dadelijk het nieuwste technische bespreken. Dit is niet zo goed te doorzien voor een kind. De oude heistelling wel. En daarom gaat het.

Een heel belangrijk punt bij de huizenbouw is het metselen. Over de bereiding van specie wordt gesproken. Ook over steenfabricage. Verschillende soorten steen worden genoemd. Over baksteen en natuursteen wordt verteld.

Het tekenen van alles, wat er aan het huis gebeurt, is voor de derdeklassers moeilijk. Ze kennen immers nog geen perspectief. Maar ze mogen zelf metselen, met hun leerkracht en een stel enthousiaste ouders. Op het toneel wordt het dan:

Voor het metselen maken wij
In een trog de metselbrij!
Meng de kalk met flink wat zand,
Roer gestadig met je hand.
Water moet er ook nog bij.
Anders stolt de dikke brij.
Dan cement, een beetje maar
En de brij is voor elkaar.
Draag de rose stenen aan,
Wilt nu aan het metselen gaan.
Strijk de specie op de kant
Met de troffel in je hand.
Dan komt weldra steen na steen
Van de grote muur bijeen.

Nu, de kinderen zien, dat metselen moeilijker is dan het eerst leek. Er komen nog andere leuke dingen: het stellen van kozijnen en deurposten, heel nauwkeurig.

Om het huis worden stellingen gebouwd. Op de vloer van beton is een woud van blank, geurig timmerhout verrezen. De muren van het huis worden voltooid. De grote dakbalken, de spanten worden aangebracht. De overkapping wordt gevierd met vlag en ‘pannenbier’.

Wat geklap in ons huis!
Wat gebons en gedruis!
Overal, hoog en laag, wordt getimmerd vandaag.
Tikketak! Op het dak zitten wij met gemak.
Plank na plank, tikketok! Slaan wij vast tot de nok.
Komt het klaar deze dag?
Hijs dan hoog onze vlag!
De mannen drinken met plezier
Het helder, schuimend pannenbier!

Dakpannen leggen ‘als schubben van een vis’; afwerken van muren en houtwerk, het buizen werk voor gas, water en elektriciteit, het schilderen, het glaswerk, alles komt klaar.

Alles wekt ook een enthousiasme bij de kinderen. De huizen van papier en hout, de tekeningen, het spel met de benodigde rekwisieten, het komt alles voor elkaar.

Tot slot van de huizenbouwperiode — het kan drie tot vier weken zijn — kan nog gereciteerd worden:

Ons huis is klaar. We gaan er wonen.
Het werk zal steeds de maker lonen.
Bewaar het nu voor ons, o Heer!
Zie op ons werk genadig neer!

De derde klas is de klas van het Oude Testament tenslotte. De kinderen zijn door de heemkunde gebracht tot een overzicht van de praktische wijze waarop de mens gebruik maakt van de natuur en zijn eigen gaven.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*het kan zijn dat deze link  maar tijdelijk op te roepen is

voorbeelden van huizen uit een periode

3e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

478-442

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – Nederlandse taal

.

klas 3 taal 1

Waarom heet een boom nu een boom en waarom zeg ik tegen mijn vader „papa ” en niet ,,mama”?
Voortdurend wordt de leraar van de derde klas met dit soort vragen bestookt.

Op deze leeftijd wil het kind van alles de oorsprong weten, het hoe en waarom, en met zijn vragen probeert hij er meteen achter te komen of zijn meester het allemaal wel weet.

Ook op andere wijzen willen de kinderen weten wat hun leraar waard is. Zonder blikken of blozen kijkt een meisje hem aan en zegt: Wat moet je nou… met jou heb ik niets te maken!, waarbij schouders en wenkbrauwen uitdagend in de hoogte gaan. Dat deze houding niet meer dan een onzekere poging is blijkt wel als de leraar haar even aankijkt: rood van schaamte weet ze opeens niet hoe snel ze haar gezicht moet verbergen.

Dergelijke strubbelingen zijn voor de leraar alvast een voorproefje van het volgend jaar. Nu kibbelen sommige kinderen nog dagelijks met elkaar omdat ze tijdens een wandeling per se aan de hand van hun meester willen lopen. Ook komen ze telkens met hun werk naar hem toe met de vraag: ‘Is het zo goed?’, om daarna welgemoed verder te gaan. Als ze maar op gezette tijden een duwtje krijgen, werken ze verder al heel zelfstandig alleen of samen.

Niet alleen  de houding ten opzichte van de leraar verandert, maar ook die van de kinderen onderling. Vriendschappen ontstaan niet meer toevallig; vaak wordt nu al de basis gelegd voor een vriendschap door dik en dun.
In het spel valt op dat ze meer initiatief nemen: ze wijzen zelf een tikker aan en als er ruzie is, ligt niet meteen het hele spel stil.
In alles wordt het kind zelfstandiger en steviger. Stond het kind in de eerste twee klassen zo open voor z’n omgeving dat het voor alle indrukken ontvankelijk was, nu is het in staat z’n eigen kleur aan deze  indrukken te geven.

Uit de leerstof in de derde klas.
Het verhaal van de schepping en hoe al het geschapene een naam kreeg, hoe de eerste mens Gods verbod overtrad en daardoor verdreven werd uit het paradijs, behoort tot de vertelstof van de derde klas.
De kinderen merken dat het Oude Testament streng en onverbiddelijk is. Je hebt te leven naar de wetten die gegeven zijn en als je dat niet doet, gaat het mis en draai je zelf voor de gevolgen op. Als Lot en zijn vrouw Sodom en Gomorra verlaten wordt hun duidelijk gezegd dat ze niet om mogen kijken. De vrouw draait zich toch om en dat heeft consequenties: ze verandert in een zoutpilaar. Onder Mozes gaat het volk een langzame, moeilijke weg, wankelend tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid.
Het kind leert om zich door middel van de vier hoofdbewerkingen vrij in de wereld van de getallen te bewegen. Ook praktische toepassingen, zoals het omgaan met geld, behoren tot de leerstof.

In de drie heemkundeperiodes worden de oude ambachten spelend beoefend; de boerderij wordt niet alleen in verhalen, maar ook echt bezocht en de klas kijkt wat er allemaal te pas komt aan het bouwen van verschillende soorten huizen, van iglo tot flat.

De derde klas vormt een afsluiting van de gouden kindertijd. Alles wat ze tot nu toe hebben geleerd, moet door oefening tot kunnen en kennen worden.

Over het Nederlands in de derde klas.

Spreken
Tot de derde klas wordt bij het taalonderwijs de meeste tijd besteed aan het spreken. Recitaties hebben vooral het Oude Testament of de heemkunde tot onderwerp. De kinderen zijn nu in staat om ook de betekenis van de gedichten aan te voelen. Hoewel de taal altijd mooi moet zijn, hoeven niet alle gedichten een serieuze ondertoon te hebben. Ze kunnen ook heel luchtig en vrolijk zijn, met taal­- en uitspraakgrapjes. Vooral als handen en voeten mogen meedoen, ontstaat een roerig spektakel.

Schrijven en stelopdrachten.
De kinderen leren nu het verbonden schuine schrijfschrift en de bijpassende hoofdletters. [1]

In de steloefeningen vertellen zij met eigen woorden gedeelten van de verhalen na, die de leraar enkele dagen daarvoor vertelde.

De kinderen leren de spellingregels van de open en gesloten lettergrepen. Zij leren letten op een juiste zinsbouw en goed gebruik te maken van de hoofdletters en de leestekens.

Lezen.
Net als in de tweede klas lezen de kinderen vooral gezamenlijk korte teksten of gedichtjes van het bord. (opmerking 3) Het is nu niet meer nodig dat zij de tekst van de leesoefening uit het hoofd kennen, maar er wordt wel voor gezorgd dat de strekking bekend is.

Grammatica.

De woordsoorten

Spelenderwijs beleven de kinderen het verschil tussen de werkwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige naamwoorden zonder dat deze zo genoemd worden. De leraar probeert levendig met deze woordsoorten om te gaan, zodat het niet een star verdelen van de woorden wordt, maar een groeperen in menselijke samenhang. Dit vraagt om een nadere uitleg:

Wanneer je een ding of een wezen bij de naam noemt (zelfstandig naamwoord), schep je daarmee een afstand tussen jezelf en dat ding of wezen: Hier ben ik en daar staat de hond.

Wanneer ik erbij vertel welke eigenschap het heeft (bijvoeglijk naamwoord), vertel ik wat ik daarbij ervaar: De trouwe hond. Deze ervaring brengt een verbinding tussen mij en de hond tot stand.
Bij de werkwoorden gaan we nog een stap verder. Wanneer ik zeg: De hond graaft een kuil, is de kans groot, dat ik tegelijkertijd met mijn handen gravende bewegingen maak. Maar ook als ik dat niet zichtbaar doe, doorleef ik de actie. Bij werkwoorden is er dus niet alleen sprake van verbonden zijn, maar ook van meedoen. Vertel maar eens over een timmerman die timmert en zaagt. Dan zie je de kinderen met handen en voeten meewerken.

Denken – voelen – willen. Het ligt voor de hand om de kinderen het eerst te laten kennismaken met het werkwoord, omdat het dynamische karakter van het werkwoord het meeste aanspreekt. De lichamelijke bewegingen komen vooral van armen en benen, van handen en voeten. Deze bewegingen worden gestuurd door de wil.

Van de werkwoorden gaan we naar de bijvoeglijke naamwoorden. Deze vertellen wat we innerlijk beleven, wat we voelen. Dit komt het sterkst tot uiting in voorbeelden met tegenstellingen, bijvoorbeeld met sympathie en antipathie: een Zwitser vindt ons water misschien vies, maar een Egyptenaar kan het wel heel helder en fris vinden.

Mijn vader vindt mij jong, maar mijn zoontje zegt dat ik oud ben. Bijvoeglijke naamwoorden zijn uitingen van persoonlijke ervaringen en komen uit het gevoelsgebied.
Ten slotte komen we bij de zelfstandige naamwoorden. Hierbij ervaren we niet zoiets levendigs als bij de werkwoorden of zoiets persoonlijks als bij de bijvoeglijke naamwoorden. Wanneer ik alleen maar zeg: de boom, raakt het je niet. Het is nog een vrijblijvende voorstelling. Voorstelling en begrip horen thuis in het denken. Pas als het beeld wordt ingekleurd met een bijvoeglijk naamwoord, bijvoorbeeld: de bloeiende boom, voel je je betrokken.
Door deze overwegingen wordt zinvol, wat vaak tot een grammaticaal schema verstard is. Goethe zegt het volgende:

Grammatica is geen willekeurige wet, maar het is een spiegel van ons eigen wezen.

De leerkracht die zich dit bewust is, gaat vanzelf op een heel andere manier met de grammatica om.
Ook de andere woordsoorten hangen samen met het denken, het voelen en het willen.
De tussenwerpsels Oei! Au! Ha! zijn directe uitingen van het gevoel.
Ook al zijn de voorzetsels nog zo klein, zij vragen om beweging.
Het kunnen oogbewegingen zijn. Wijs maar eens vanaf een kerktoren naar waar je vrienden wonen:

Achter dat pakhuis, naast het bruggetje, onder die poort.

De ogen moeten steeds naar een andere richting verspringen. Het kunnen ook innerlijke bewegingen zijn:

Niet vóór het bos, maar midden in het bos.

Bij deze maak je in je voorstelling onmiddellijk een sprong van voor naar middenin.

Het overzicht van de woordsoorten ziet er zó uit:

DENKEN hoofd)                    VOELEN (middengebied)       WILLEN (ledematen)
zelfstandige naamwoorden   bijvoeglijke naamwoorden   werkwoorden
lidwoorden                                 tussenwerpsels                        voorzetsels
voornaamwoorden                  bijwoorden                                voegwoorden
telwoorden

 

Natuurlijk behandelt de leraar niet alle woordsoorten uitvoerig in de derde klas. Zij zijn hier slechts gegeven voor de volledigheid.

Een kennismaking met de woordsoorten, met name de werkwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige naamwoorden, is voor de derde klas meer dan genoeg.

Eva en Adam… — een eerste taalperiode.
Jongens, kondigt de leraar aan, deze week ga ik jullie leren met inkt te schrijven. Hoi! roept er eentje en zij kijkt glunderend om zich heen om instemming bij haar klasgenoten.

Op de tafel ligt een hoopje rietstengels. [2] Een paar weken geleden heeft de leraar deze tijdens een zondagse roeitocht verzameld en thuis heeft hij er voorzichtig puntjes aan gesneden. Terwijl hij vertelt over vroegere tijden, waarin de mensen veel meer zelf konden maken, laat hij de klas een rietpen zien. Wanneer de pennen en de potjes inkt zijn uitgedeeld, bekijken de kinderen het riet met heel andere ogen: de doodgewone rietstengel is plotseling een kostbaar gereedschap geworden.

De eerste streken worden gezet en meteen spatten de eerste spetters. Ze moeten nog voorzichtiger met de inkt zijn dan zij al dachten. Het riet schrijft veel stugger dan kleurpotlood, maar het gekras klinkt ze zo echt in de oren. Als voorbereiding op het lopend verbonden schrift doet de leraar enkele slierten voor op het bord die de kinderen met iets meer moeite nadoen:

taal klas 3 2

Bijna elke dag besteedt de leraar tijd aan dit werken met inkt. Het gaat hand in hand met het aanleren van het verbonden schrift. Na een paar dagen worden de rietstengels vervangen door penhouders met pen. Het toppunt van gemak ondervinden de kinderen wanneer zij een vulpen krijgen. Wat zijn ze er in het begin trots en zuinig op.

In de derde klas willen de kinderen graag weten waar alles vandaan komt. Het scheppingsverhaal uit het Oude Testament geeft de meesten op deze leeftijd voorlopig een bevredigend antwoord. Na iedere vertelde scheppingsdag maken de kinderen met waskrijt een tekening en daarin schrijven zij met kleurpotlood wat God die dag schiep:

De eerste dag: Het zal licht worden! En het werd licht.
De tweede dag: De lichte lucht zal naar de hemel stijgen en de zware lucht zal naar de diepte zinken.
De derde dag: Er zal water in rivieren en zeeën stromen en het aardrijk zal gras en kruiden voortbrengen.
De vierde dag:  Geeft glans, lichtjes aan het firmament. Verlicht de tijden elke dag.
De vijfde dag: Vissen, spartelt in het water! Vogels, vliegt en jubelt in de lucht!
De zesde dag: Aarde, komt tol leven met dieren van Iedere soort! En God schiep de mens uit alle krachten van de aarde.

De tekst van de zevende dag geven de kinderen zelf weer, de een uitgebreider dan de ander:
De zevende dag keek God naar beneden en zag dat het goed was. “

of

De zevende dag zei God dat het goed was en dat de mens ook op aarde moest werken. Toen vroeg Michaël of hij Adam en Eva een beetje mocht helpen.

De klas gaat het werkwoord oefenen. De tafels en de stoeltjes worden aan de kant gezet. De kinderen staan verspreid in het lokaal. Lopen, zegt de leraar en daar gaan ze. Stampen. Ze stampen als dragonders in het rond. Ze kruipen, ze graven, ze drinken, ze slapen, ze springen, ze sluipen, ze snuffelen, ze buigen, ze klappen, ze hippen, ze zoemen en ze zitten. Hè, hè, eindelijk rust. Een meisje mag naar voren komen en iets doen. De anderen moeten raden wat. Wie het doewoord het eerst geraden heeft, mag de beurt overnemen.

Later in de periode leren de kinderen de zelfstandige naamwoorden en de bijvoeglijke naamwoorden. De leraar vertelt over Adam en Eva. Hand in hand wandelden zij door het Paradijs.

Adam gaf naam aan al wat bestond, Eva vertelde hoe zij het vond.

Dat ieder kind door iets anders geboeid is, blijkt uit de zelfgeschreven opstelletjes:

Adem  en Eva liepen in het Paradijs. Zij kwamen langs een beer en Eva zei: ‘Wat een groot beest’. Adam zei: „Dat is een beer”. Zij liepen verder. Toen kwamen zij langs een tijger en Eva zei: ,,Wat een mooi dier”. Adam zei: „Dat is een tijger”. En ze liepen door. Toen kwamen zij langs een aap en Eva zei: ,,Wat een gek dier”. En Adam zei: „Dat is een aap”. Ze liepen en ze liepen. Toen kwamen zij langs een boom en daar zat een slang in de boom.

Adam en Eva liepen door het Paradijs en ze zagen een schildpad en Eva zei :,,Wat langzaam”, en ze liepen verder. Toen kwamen zij bij de boom der wijsheid en het slangetje zei: „Hier Eva, neem deze appel”. „Nee slangetje, dat mag ik niet”. „Neem deze appel”. „Nee slangetje, dat mag ik niet”. Het slangetje sprak zo verleidelijk dat Eva de appel in haar hand nam en ze nam een hap van de appel. Ze ging naar Adam en zei: „Adam, neem een hap, Adam”.

Twee kinderen spelen Adam en Eva, die nu niet door het Paradijs lopen, maar door de klas. Dit is de tafel, wijst Adam, waarop Eva antwoordt: Wat een stevige tafel. Adam: Dit is het aanrecht. Eva: Oh, wat een handig aanrecht. Dit is de prullenbak. Bah, wat een stinkende prullenbak.

De kinderen hebben de afgelopen dagen een paar keer deze oefenspelletjes gedaan. De meesten kennen nu het onderscheid tussen de Doewoorden, de Adamwoorden en de Evawoorden.

Nu worden de drie woordsoorten samen geoefend. De kinderen met roodachtige kleren aan moeten opstaan als de leraar een Doewoord zegt, de blauwgekleden bij een Adamwoord en de rest bij een Evawoord. De gelijkgekleurden kijken elkaar betekenisvol aan, niemand wil achterblijven. Eerst horen ze de hele zin: De trotse haan kraait. Dan wordt het woord voor woord herhaald: De trotse… Aarzelend gaan de bontgekleurde kinderen staan en weer zitten. …haan… Daar gaan de blauwen. …kraait. De roden twijfelen het minst. Ook een andere volgorde is mogelijk: Knort het vette varken? Sommige kinderen staan weliswaar op het juiste moment op, maar kunnen het eigenlijk nog niet helemaal vatten. In de groep voelen zij zich echter veilig.

De kinderen schrijven veel verhalen. Daar vragen zij om. De thema’s zijn vaak naar aanleiding van de vertelstof gekozen. Na het verhaal van Jozef in Egypte die de droom van de farao uitlegde, schrijven de kinderen hun eigen dromen op. Soms ook schrijven zij over hun dagelijkse belevenissen of bedenken zij met z’n tweeën een dialoog. De leraar helpt de spelfouten uit het werk te halen en wanneer het helemaal goed is, schrijven zij het op hun mooist over en maken zij er een tekening bij. De leraar kopieert de verhalen en maakt er boekjes van. De kinderen zijn opgetogen als zij hun werk in een boekje terugvinden.

Mozes — een tweede taalperiode.
De kinderen horen het geboorteverhaal van Mozes:

De farao van Egypte, in wiens rijk de Hebreeërs in slavernij leefden, droomde over een klein kind dat zwaarder woog dan heel Egypte. Wijzen, die de betekenis uitlegden, waarschuwden hem voor dit kindje, dat de bevrijder van de Hebreeërs zou worden. De farao gaf daarop bevel om alle eerstgeboren jongetjes in de rivier te werpen. Mirjam, het zusje van de pasgeboren Mozes, droeg haar broertje in een mand naar de rivier en verborg hem in het riet in de wetenschap dat de dochter van de farao daar altijd langskwam. De prinses hoorde het kind huilen en wilde voor het vondelingetje zorgen. Mirjam, die dit gezien en gehoord had. kwam te voorschijn en stelde de prinses voor het kind bij een voedster te verbergen. Zo kwam het jongetje veilig terug bij zijn moeder. Vanaf zijn derde jaar ontfermde de farao’s dochter zich over zijn opvoeding.

Elke dag reciteert de klas gedeelten uit het toneelstuk „De geboorte van
Mozes”. Er komen twee liedjes in voor. Een ervan wordt gezongen door de
Hebreeërs die bij de bouwwerken van de farao dwangarbeid verrichten. Zingend gooien zij de stenen naar elkaar door. De kinderen zijn zwoegende arbeiders geworden. In plaats van stenen geven zij elkaar hun zware tekendozen door in het ritme van dit liedje:

taal klas 3  3

De kinderen doen geconcentreerd mee, want wie even niet oplet, krijgt een tekendoos tegen zijn hoofd. [3]

Ook spelen ze de gedeelten die ze kunnen opzeggen. Sommige kinderen weten wie ze willen zijn: de farao, de prinses, een riethalm, een eendje, de opziener enzovoorts. In het begin mag iedereen spelen wat hij wil. Later zoekt de leerkracht voor sommigen een rol uit, zodat ook de bedeesde kinderen aan bod komen. Harm, bijvoorbeeld, durft niet zo op de voorgrond te treden. Hij krijgt de rol van de wachter. Hij staat op het toneel naast de farao en hoeft verder niets te doen….lijkt het. Maar Harm vat zijn rol ernstig op: hij is gespannen als een snaar. Zijn ogen speuren het toneel af naar mogelijke gevaren. Hij is immers de farao aan het bewaken!

Daantje, die altijd zo gesloten is en zelf meestal een eenzame, stille rol kiest, mag een van de twee eendjes zijn. Zij waggelen achter elkaar aan en snateren om het hardst. Zijn tekst is simpel en kort, maar hij laat tenminste van zich horen. De onstuimige Marrie daarentegen kan zich heerlijk uitleven in de rol van de heerszuchtige farao. Eindelijk kan zij de baas spelen, zonder dat er ruzie van komt.
Op deze manier gaat het toneelspelen niet louter om het spel, maar helpt de kinderen verder in hun ontwikkeling.

Repeteren – derde taalperiode

De leraar probeert in herinnering te brengen wat er in de eerste taalperiode is gedaan.
De schriften worden uitgedeeld en als de kinderen deze nog eens hebben doorgelezen, vertelt de leraar:

Net zoals Adam hebben jullie ook eens voor de eerste keer geademd. Met deze adem heb je langzamerhand leren spreken. Eerst thuis en op straat en later ook hier op school, heb je steeds meer van de taal in je opgenomen. Daardoor draag je al, zonder het te weten, alles in je mee wat we gaan oefenen in deze periode. Eigenlijk kun je zeggen dat je een schatkamer van binnen hebt. Daar kun je alles wat we nodig hebben uithalen, net zoals een schatbewaarder de edelstenen die hij verzameld heeft, uit de schatkist haalt, ze bekijkt, onderscheidt en goed leert kennen.

Wanneer de kinderen voor het eerst echt in boeken lezen, geeft de leraar de opdracht om de Doewoorden te zoeken, die in het gelezen stukje staan. De kinderen blijken dat zo goed te kunnen, dat de leraar een beetje overmoedig wordt: ze moeten in datzelfde stukje de Adamwoorden [4] opzoeken en in hun schrift schrijven. Bij een aantal kinderen loopt het nu spaak. Verwarring en onrust alom. De leraar merkt dat sommigen het wel samen kunnen, maar nog niet alleen. Om ze te helpen geeft hij een paar voorbeelden:

Adam zegt: ,,Kijk Eva, een dennenboom”. Eva: ,,Een stekelige dennenboom”. Adam: ,,Kijk Eva, een zwaan”. Eva: „Een deftige zwaan “.

Hier en daar gaan de vingers omhoog. Sommige kinderen willen zelf graag voorbeelden verzinnen. Ook bij de kinderen die het zo-even niet meer wisten, gaat het nu beter. Opvallend, maar niet zo vreemd is het dat ze het steeds over dieren hebben. De leraar wil ze op een ander spoor brengen. De namen van planten en voorwerpen zijn tenslotte ook Adamwoorden. Even vergeten ze hun dieren en doen ze pogingen om andere soorten zelfstandige naamwoorden te bedenken, maar het duurt niet lang of ze keren vanzelf weer naar hun poezen, honden en muizen terug.

Ook bij de Evawoorden gebruiken de kinderen weinig variaties. Ze noemen steeds: groot, klein, mooi, lelijk en nog een paar algemene beschrijvingen. Weer moeten zij op andere ideeën gebracht worden: De woeste beer, de harige beer, de grommende beer, de duistere lucht, de bewolkte lucht, de zonnige lucht, de dreigende lucht.
Aha, bedoel je dat?! Nou meester, pas maar op! Even nadenken en daar vliegen de vingers omhoog. Ze grinniken om elkaars bedenksels die steeds gekker worden: Het vrolijke nijlpaard! De moedige mug! De slaperige waakhond!

Toch ontgaat de kinderen de essentie van de Adam- en Evawoorden, de leraar had teveel verwacht. Hij besluit terug te gaan naar de Doewoorden. Op het bord schrijft hij met grote letters: IK GA STAAN. Sommigen hebben meteen in de gaten wat de bedoeling is. Zij staan op, spoedig gevolgd door de rest. STAAN wordt uitgeveegd en daarvoor in de plaats komt LIGGEN. De hele klas duikt naar de grond. Bij de werkwoorden voelen de kinderen zich meer in hun element. Hier gaan actie en begrip goed samen.

Het toneelstuk over de geboorte van Mozes heeft in deze periode ook nog steeds de volle aandacht. Aan het eind van de periode zal het voor publiek worden opgevoerd.
Behalve om te spelen, gebruikt de leraar de tekst, die de kinderen nu helemaal uit het hoofd kennen, ook voor andere doeleinden: het oefenen van de drie woordsoorten. Terwijl de kinderen de zinnen reciteren, stampen ze als ze een werkwoord tegenkomen, klappen ze in de handen bij een zelfstandig naamwoord en maken ze een sprongetje omhoog bij een bijvoeglijk naamwoord:

 Ooievaar: Ik kom met deftig afgemeten passen
s
tamp    sprong sprong     klap
door het diepe water plassen.
sprong   klap   stamp
Een kikkertje hier, een visje daar.
            klap                      klap
Ziezo, met eten ben ik klaar.
                   stamp

Prinses: Stil! Ik zie de ooievaar.
                                 stamp klap
Wat zoekt hij daar?
          stamp
In het water gewis
             klap
een maaltje vis.”
            klap    klap

Ze vinden het oefenen heel spannend, maar natuurlijk gaat er veel mis: soms springt er een in zijn eentje op, soms gebeurt er niets als er gestampt moet worden. De geeft niets, als de kinderen maar allemaal meedenken. Dan schrijft de leraar enkele regels van het toneelspel op het bord. Met zijn hulp onderstrepen de kinderen de werkwoorden rood, de bijvoeglijke naamwoorden geel en de zelfstandige naamwoorden blauw.

Het is carnaval. Er heerst een soort marktsfeer in het schoolgebouw. Overal slingers en in elk lokaal is wel iets leuks te doen of iets lekkers te eten. De derde klas zal het toneelstuk opvoeren. In het lokaal is met kleurige doeken een grote, deels open tent gebouwd. Dat is het paleis van de farao. Aan de andere kant van het lokaal staan stoelen en bankjes voor het publiek, leerlingen uit de andere klassen.

Die ochtend komen er wel vier prinsessen, een even groot aantal farao’s, zes wachters en vijf rietstengels binnen. Niemand heeft zich verkleed als eend. De kinderen voelen zich zeker te groot om als eendje op school te komen. Er loopt wel een statige ooievaar rond. Het is de jongste van de klas.
De rollen worden verdeeld. Ze zullen het stuk meerdere keren spelen, zodat alle farao’s en prinsessen een keer de hoofdrol krijgen. Er is echter één probleem: hoe komen we aan eenden? Spontaan bieden twee gesluierde prinsessen zich aan.

Dan stroomt het publiek binnen: prinsen, feeën, kabouters, kikkers, lieveheersbeestjes, konijnen, Noormannen, Griekse goden en godinnen. Alle plaatsen zijn bezet; de deur gaat dicht en het spel kan beginnen. Het publiek is nog een beetje luidruchtig, maar de spelers spreken zo duidelijk en krachtig, dat het al gauw stil wordt. Even dreigt de farao uit zijn rol te vallen. Hij is een stuk van zijn tekst kwijt. Zachtjes fluistert de schildwacht hem de woorden in. De twee prinsesseneenden trekken kordaat hun lange jurken op en lopen gehurkt langs het riet. Ze kwekken en ze kwaken dat het een lieve lust is. Geen enkele toeschouwer heeft er moeite mee. Het bonte gezelschap is ademloos stil…

Als deze periode achter de rug is, blijkt nog eens hoeveel indruk het toneelspel op de kinderen gemaakt heeft. Wanneer de leraar tijdens het werken een beetje streng optreedt, verzucht een jongetje:
Als slaven moeten wij werken gaan.

De anderen vallen hem spontaan bij:

Nu werken wij als slaven
Wij rennen en wij draven
Dag in, dag uit.
En tot besluit
Een karig loon!
Wat een hoon!
Smart en honger drukt ons neer.
Help ons uit de nood, o Heer!

En de leraar? De leraar lacht beschaamd.

 (Van verhaal tot taal
Werkplan taal Geert Grooteschool Amsterdam
Saskia Albrecht; Dominique Borowski; Aernout Henny; Jannie Möller 1985)
.

[1] bij ‘taal in klas 2’ voegde ik dit commentaar toe:
het lijkt alsof er binnen het vrijeschoolonderwijs nooit consensus is ontstaan over ‘de drukletter wel of niet schrijven’.
In Steiners aanwijzingen vind je niet dat de drukletter moet worden geschreven; wel dat deze moet worden geleerd om te lezen. Het een is niet noodzakelijk gebonden aan het ander!. Bij schrijven gaat het om de beweging – om de ‘stromende’ lijn:’ de lijn als spoor van beweging’ (Paul Klee). Het schrijven van de blokletter heeft geen ‘stromende beweging’: deze wordt in zijn opbouw telkens onderbroken. Het aan elkaar schrijven heeft die (etherische!) beweging wèl!.
In ‘Van verhaal tot taal’ waaruit deze hoofdstukken komen, wordt in de 3e klas het verbonden schrift aangeleerd. Dat betekent dat de kinderen weer moeten vergeten wat ze nu net moeizaam geleerd hebben. Wat een verspilling van moeite, energie en tijd! En al helemaal niet ‘economisch’ een eis die Steiner voortdurend aan het onderwijs stelde.
Audrey MacAllen, bekend van ‘The extra lesson’ was ook heel gedecideerd in haar oordeel: geen blokletters schrijven; meteen het lopend schrift.
Mijn ervaring is dat kinderen niet veel moeite hebben de vorm van de verbonden schrijfletter te onderscheiden van de drukletter; lezen van het een en schrijven van het ander gaan heel goed samen.
In klas 3 ‘verlies’ je dus geen tijd aan het aanleren van het verbonden schrift.

[2] vogelveren, m.n. de ganzenveer: zeer geschikt.

[3] Ik zou altijd vermijden dat kinderen dingen tegen hun hoofd kunnen krijgen wanneer ze niet goed opletten. (Bovendien gooi je niet met een tekendoos.)

[4] ‘Adam’- en “Eva’woorden zijn zeker namen die de kinderen helpen gevoel te krijgen voor de woordsoorten. In de loop van de 3e klas kun je ook overgaan op noem (naam)woord en hoe-woord.            Pieter HA Witvliet

.

3e klas: alle artikelen

Spraakoefeningen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas: alle beelden

.

465-431

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pasen (23)

.

PASEN IN DE DERDE KLAS
Viering op joodse wijze

Op de dag van het vorige jaar dat we in de verschillende klassen de paasvieringen hadden, heb ik* met mijn derde klas (Parcivalschool/Amstelveen) het Sederavondfeest gevierd; het was die dag ook volgens de Joodse kalender Pasen, Pesach. Het lag voor de hand: het Oude Testament als vertelstof en een Joods meisje in de klas.
Al gauw bleek overigens, dat er ook nog vijf kinderen in de klas waren met een Joodse vader of grootmoeder.
Pesach wordt gevierd aan de hand van een boek, de Haggada (letterlijk: het Verhaal), waarin alle rituelen en gebeden keurig op een rij beschreven staan. In het door mij gebruikte boek (volgens kenners de mooiste Nederlandse vertaling) is dit geheel zo geordend, dat er zelfs een nummering bij staat. Het feest wordt gevierd op Sederavond; seder betekent ordening.

Iedere Joodse familie bezit minstens één Haggada. Volgens gebruik is het een zeer ‘belezen’ en met wijn- en voedselvlekken besmeurd boek. Op de avond, dat ik het feest met een drietal ouders voorbesprak, lagen er ook al meteen vijf verschillende uitgaven op tafel. En verschillende met vlekken!

DE VOORBEREIDING
De ruimte waarin Pesach wordt gevierd, eigenlijk het hele huis, wordt in de dagen voorafgaand aan het feest zeer grondig gereinigd, omdat ieder kruimeltje gegist of gezuurd brood verwijderd dient te zijn. De kinderen en ik hebben op de dag voorafgaand aan het feest de hele klas geveegd, geboend en gezogen. Alles uit de kast gehaald, uitgeslagen en gestoft. Dit gebeuren was een feest op zich en wat je noemt: de klas werd op zijn paasbest.

Voorafgaand aan het feest, op de dag zelf, wordt met een lantaarn of kaars in alle hoekjes en gaatjes naar mogelijke laatste kruimeltjes gespeurd, die, als ze er niet zijn, symbolisch met een vogelveer bijeengeveegd en verwijderd.

Noodzakelijk is natuurlijk ook, dat alle jongens en mannen een keppeltje dragen. Wij konden ze lenen; wie er niet op die wijze over beschikken kan, zal ze moeten maken (als variatie of aanvulling op de te breien muts in de derde). Ook lange, witte gewaden behoren tot de traditie: die hadden wij niet, want daar­van hoorde ik pas op de ochtend van het feest.
Voor ieder die aan de maaltijd deelneemt moet er uiteraard een plaats aan tafel en een bord, bestek en een wijnglas zijn, maar ook voor Elia, die altijd als plotselinge gast op kan komen dagen, moet er (en liefst extra mooi) serviesgoed zijn en uiteraard de mooiste stoel klaar staan.
Voor de traditionele gerechten, die niet alle genuttigd worden, zou er een uit drie verdiepingen bestaand Sederbord moeten zijn; maar kom daar maar
eens aan …….
Wij hadden gewoon een groot, mooi bord.

LIEDEREN
De liederen die op Sederavond gezongen worden, moeten natuurlijk tevoren worden geleerd. Allereerst is er het ‘Manisjtana’. Dit lied en de andere Sederliederen zijn op de plaat gezet door Hans en Asher Bloe­mendal. Ik heb nog niet kunnen ontdekken, of er ook een CD van is gemaakt.

Overigens heb ik een aantal van de liederen vervangen door andere met dezelfde strekking: ‘Dajenoe’ door ‘Laten wij zingen voor de Here Jahweh’; ‘M’kiemie’ door ‘Halleluja – looft de Heer in zijn Heiligdom’; ‘Echad mie jodea’ door ‘Wie kan me zeggen wat één betekent?’; alles uit ‘De wereld klinkt’ van Elisabeth Lebret.

DE GERECHTEN
Wij hadden de traditionele gerechten, zoals ze op de Sederavond niet mogen ontbreken: het hardgekookt ei, het lamsbotje, de peterselie, de radijsjes en het zoute water, de geraspte mierikswortel en de charoset (een mengsel van geraspte appel, noten, honing en bruine suiker en zoete wijn). De vier glazen wijn die geduren­de de viering gedronken worden (met de elleboog op tafel geleund als extra teken van vrijheid), waren bij ons glazen druivensap, gemengd met wat zoete wijn. Daarnaast hadden wij als feestmaaltijd een eiersalade, matzeballensoep, een matzecake en matzes met divers beleg (waarbij niet vergeten mag worden, dat wanneer melkproducten zijn gebruikt in gerechten, er geen vlees op tafel mag komen of andersom). We hadden gekoch­te matzes, maar we hadden er ook zelfgebakken: een paar dagen voor het feest op een houtvuurtje op het plein.
Voordat de viering begint, is de tafel gedekt en de eerste beker wijn ingeschonken. De kinderen moeten weten, dat vóór de maaltijd begint, er niets op eigen initiatief mag worden gegeten en gedronken. Aan de hand van de vertelde of voorgelezen verhalen is ze dit gemakkelijk bij te brengen.

DE VERHALEN
De Sederavondviering is in eerste instantie een herden­king van de Uittocht uit Egypte; aan de andere kant ook een feest van de vrijheid in meer algemene zin. Wat de deelnemers aan de viering dus minstens moeten kennen is het verhaal van de Uittocht. Tegen Pasen in de derde klas is dit verhaal ongetwijfeld al aan bod geweest.

Maar de Sederavondviering is ook een traditie, met andere woorden, het herdenkt in zekere zin de vorige vieringen. Wie met een groep mensen of kinderen die het feest niet kennen, het feest gaat vieren, moet dit extra voorbereiden. Bruikbaar zijn de twee Pesachverhalen uit het boek ‘Als een lamp voor onze voeten’, die ik in de klas heb voorgelezen op de twee dagen voorafgaande aan de viering. Het ene verhaal vertelt vooral over de voorbereidingen en iets over het feest zelf; het andere verhaal maakt vooral duidelijk, dat er weliswaar een heerlijke maaltijd voor je neus staat, maar dat het wel even kan duren, voordat je daaraan beginnen mag. Wie de hele ‘Haggada’ volgt, heeft daar zeker een uur of vier voor nodig. In de klas heb ik het een en ander ingekort, zodat we al na ruim een uur aan de maaltijd konden beginnen. Ook hebben we de voorgeschreven discussie maar overgeslagen, hoe­wel dat een wezenlijk deel van de viering uitmaakt. Wie durft?

DE VIERING ZELF
In de Haggada staat precies beschreven, hoe de Seder­avondviering hoort te verlopen. Aan de hand van de tekst heb ik dus een ingekorte en soms vereenvoudigde tekst uitgeschreven. Met die tekst in de hand heb ik de viering kunnen leiden. Dat is ook het gebruik: degene die de viering leidt, leest de Haggada. Vandaar dan ook die vlekken op het boek. Er zijn een aantal ceremonieën, die de kinderen bijzon­der aanspreken. Bijvoorbeeld, als de tien plagen ter sprake komen, doopt iedereen de pink in de wijn en schudt de wijn met een min of meer achteloos gebaar van de pink. Lik de wijn vooral niet van je pink: de kikvorsen, de sprinkhanen of het bloed komen in je mond!

GAST          (het lijkt erop of hier een stuk van het artikel ontbreekt)
We waren nieuwsgierig: zou er iemand binnen komen? In ons geval
stond er inderdaad iemand voor de deur………
En komt Elia niet, dan blijft in ieder geval zijn glas wijn staan (op de seizoenentafel bijvoorbeeld) voor het geval hij verlaat is en in de nacht of op een van de volgende dagen mocht verschijnen…….

Tijdens de viering wordt twee maal de handen gewas­sen. Drie mensen gaan rond met kan, schaal en hand­doek, zodat de anderen aan tafel kunnen blijven zitten. De kinderen van mijn klas en de ouders die erbij waren, hebben het als een zeer bijzondere viering ervaren. De hoop, dat ook anderen de stap durven wagen, een traditionele Pesachviering in hun derde klas te houden. Mocht iemand enthousiast zijn geworden, dan horen de kinderen en ik graag eens hoe het geweest is.

“Volgend jaar in Jeruzalem!’

Literatuuropgave:
*    ‘Haggada, Het PaasverhaaP, R.C. Musaph-Andriesse en E. van Voolen, uitgeverij Ten Have/Baarn 2e druk 1995;
*    ‘De wereld klinkt*, Elisabeth Lebret, uitgave Verenging voor Vrije Opvoedkunst 1970.
Abusievelijk gefotokopieerd in omloop zonder titelblad; het heet dan ‘Muziekboek voor de drie laagste klassen van de Vrije Scholen’;
*    ‘Als een lamp voor onze voeten’, H. van Dorssen, uitgave Ne­derlandse Zondagschool Vereniging/Amsterdam 1992;
*    ‘Recepten uit de Joodse keuken’, Bea Polak, uitgeverij Amphora books/Amstelveen 1986. Het laatste hoofdstuk handelt speciaal over de Pesachgerechten;
*    ‘Mijn enige jaarfeest: Pesach’, Paul Gabriner, Vrije Opvoedkunst 59e jaargang, nr 3, april 1996;
*    ‘Sederavond, Hans en Asher Bloemendal zingen oude en nieuwe sedermelodieën’, uitgave Joods Nationaal Fond, stereo 6810 939.

 *Rimbert Moeskops, Parcivalschool Amstelveen, naderre gegevens ontbreken

 

Palmpasen/Pasen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

134-129

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.