Tagarchief: Babylonië

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-4/1)

DE WETENSCHAP VAN DE BABYLONIËRS

We hebben ons wellicht allemaal wel eens afgevraagd waarom een uur wordt verdeeld in 60 minuten en een minuut weer in 60 seconden. Waarom nu juist in 60 en niet, bijvoorbeeld, in 100? Dat zou immers veel gemakkelijker zijn bij het maken van berekeningen.

En waarom wordt de cirkel eigenlijk onderverdeeld in 360 graden (6 x 60) en waarom iedere graad weer in 60 minuten en die weer in 60 seconden?

Alleen de priesters uit het oude Babylon zouden ons daar antwoord op kunnen geven. Deze oude geleerden waren namelijk de eersten die een rekensysteem ontwikkelden dat gebaseerd was op het getal 60. De keuze van het getal 60 in het oude Babylon heeft vermoedelijk te maken met het feit dat de Babyloniërs zich met sterrenkunde bezighielden. Ze merkten op dat het getal 60 in hun waarnemingen en berekeningen een grote rol speelde.

Dit 60-tallige systeem bestaat tegenwoordig, ongeveer 4000 jaar later, nog steeds.

Wie er op school of op het werk moeite mee heeft, weet nu aan wie hij dit heeft te danken…

Babylon 1

Op deze stenen grafzuil zijn naast een Babylonische vorst en enige hoogwaardigheidsbekleders ook hemellichamen afgebeeld, waaruit de grote belangstelling voor de sterrenkunde blijkt.

Knap in wiskunde, maar zwak in meetkunde
De Babyloniërs maakten voor hun berekeningen gebruik van een telbord. Ze noemden het ’abacus’ en we kennen de werking ervan. De Babyloniërs hadden een tientallig rekensysteem. Dit systeem werkte zeer eenvoudig, omdat het zich van slechts drie verschillende tekens bediende. Er was een symbool voor de eenheden, een symbool voor de tientallen en een symbool voor de honderdtallen. In de praktijk moet het omslachtig zijn geweest, omdat men bij vele getallen eenzelfde teken wel vele malen moest herhalen. Net als wij beschouwden de Babyloniërs het getal 10 dus als het basisgetal voor de telling.

Dit kleitablet  is een rekentabel. Het is een tafel van vermenigvuldiging, die door kooplieden werd gebruikt om berekeningen te maken. Er zijn dergelijke tafels gevonden met van de meestvoorkomende getallen de helft, een kwart, een derde, het kwadraat en de derde macht.

Babylon 2

Fragment van een Babylonisch kleitablet met daarop in Babylonische tekens de tafel van vermenigvuldiging. Links de getallen 1 t/m 4, bovenaan de getallen 1 t/m 3. De twee rechter rijen geven de sommen van deze getallen aan.

De rekentafels van de kwadraten werden gebruikt voor het berekenen van oppervlakten. De Babyloniërs waren zo in staat om zelfs zeer onregelmatig gevormde oppervlakten te berekenen, mits die maar uit rechte lijnen bestonden.

Maar de oppervlakte van een cirkel berekenen konden ze niet!

Ze tekenden binnen en buiten de cirkel een vierkant. Van beide vierkanten werd de oppervlakte uitgerekend. Vervolgens werden de uitkomsten bij elkaar geteld en de som werd door 2 gedeeld. Zo verkregen ze bij benadering de cirkeloppervlakte.

Om de cirkelomtrek uit te rekenen werd de middellijn ervan eenvoudig met 3 vermenigvuldigd. Dat is een zeer ruwe berekening, zeker als we weten dat reeds de oude Egyptenaren erin geslaagd waren de juiste vermenigvuldigingsfactor te vinden (3 1/7).

Babylon 3

De tafel van vermenigvuldiging in onze moderne (Arabische) cijfers, overeenkomend met het kleitablet hierboven.

Babylon 4

Door de som van de oppervlakten van de twee vierkanten door twee te delen, verkregen de Babyloniërs bij benadering de cirkeloppervlakte.

Babylon 5

Fragment van een tablet met meetkundige tekeningen en berekeningen

Waarzeggers
AI 5000 jaar geleden waren Babylonische priesters in staat zons- en maansverduisteringen te voor spellen. Deze bijzonderheid staat vermeld in een verhandeling over sterrenkunde op kleitabletten, die archeologen in Mesopotamië hebben gevonden. De tabletten dateren uit de tijd van koning Sargon (2850 v. Chr.). De priesters, die in staat waren de verduisteringen op de dag nauwkeurig te voorspellen, werden ongetwijfeld als tovenaars beschouwd, die macht hadden over de natuur.

Niemand zal begrepen hebben dat de priesters niet zelf de verduisteringen veroorzaakten, maar deze slechts hadden berekend. De priesters werden ook geacht het weer te kunnen beheersen, het leger te kunnen laten winnen of verliezen, zieken te kunnen genezen, met de goden te kunnen spreken, enz.

De Babyloniërs wisten meer van sterrenkunde dan ieder ander volk uit de Oudheid. Ze konden nauwkeurig vaststellen op welke dagen de lente, de zomer, de herfst en de winter begonnen. Ze berekenden de omloop van de planeten en de banen van de zon en de maan. De baan die de aarde om de zon beschreef deelden ze in 12 sterrenbeelden in. De Babyloniërs tekenden een hemelkaart met daarop de positie van de sterren.

Door hun grote sterrenkundige kennis konden de Babyloniërs een nauwkeurige kalender maken.
Voor het gemak verdeelden ze het jaar in twaalf ’manen’ (maanden): zes van 30 dagen en zes van 29. Maar op deze wijze had het jaar maar 354 dagen en dat waren er ruim 9 te weinig, wisten ze. Daarom werd af en toe een extra maand aan een jaar toegevoegd: een schrikkeljaar.
De Babyloniërs verdeelden het jaar aanvankelijk in 12 maanden van 30 dagen: in totaal dus 360 dagen. De cirkelvormige baan van de aarde om de zon was dus in 360 dagen verdeeld. Dit is waarschijnlijk de reden waarom de cirkel in de meetkunde in 360 graden is verdeeld.

Aardrijkskundige kaarten in gedroogde klei
De afbeelding hieronder stelt een Babylonische wereldkaart voor. De kaart is in een nat kleitablet gegraveerd, die daarna in de zon werd gedroogd. De aarde wordt voorgesteld als een platte ronde schijf. De bergen zijn aangegeven met cirkels en de rivieren met lijnen. De stad Babylon is in het midden van de ’wereld’ geplaatst (de punt in het midden tussen de lijnen die de rivieren de Eufraat en Tigris voorstellen).

Babylon 6

Babylonische ‘wereld’-kaart in gedroogde klei. De stad Babylon was het centrum van de aarde

Een gevaarlijk beroep
De geneeskunde was in Babylon niet hoog ontwikkeld. Vrijwel alle behandelingen bestonden voor een deel uit magie en tovenarij. Misschien is dat wel de reden waarom koning Hammoerabi (1728-1686 v. Chr.) in zijn wetboek een aantal strenge wetten liet opnemen tegen artsen die de toestand van patiënten verslechterden:

‘Een arts, die met een bronzen mes een gezwel opensnijdt en de patiënt doodt of diens gezichtsvermogen aantast, zullen de handen worden afgezet…

Babylon 7

Babylonische kooplieden met een ‘abacus’, een soort telbord waarmee ze konden optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

5e klas geschiedenis: alle artikelen

897
Advertenties

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-4)

.

zie de inleiding op deze artikelen

De volkerensmeltkroes aan de Eufraat en TiGris

Er is misschien geen streek op aarde, waar zoveel verschillende volkeren zijn samengekomen. In vele sagen wordt de wieg der mensheid in Mesopotamië gelegd.

voor de leerkracht

Veltman blz. 22

De eerste cultuurscheppers in het Tweestromenland zijn de Sumeriërs
(Gilgamesh). Bij de Sumerische cultuur wordt geleidelijk beeldbewustzijn vervangen door eigen denken, kosmologie door astronomie, sociale kosmische ordening door regeling van staatswege (wetten).

Het is niet toevallig dat de Sumeriërs het schrift uitvinden, dat al snel tot een abstract letterschrift wordt. Er moest nl. door documenten bewaard worden wat eerst door onmiddellijk schouwen werd waargenomen. De hemelse kroniek gaat in de menselijke over. De beeldentaal wordt tot begripstaal. Uit de smeltkroes komt de Babylonische spraakverwarring. Nog veel oude wijsheid is te vinden in de Sumerische wereldbeschouwing. Naast de exoterische maat- en
getalwetenschap
der Babyloniërs blijft een esoterische stroming van Sumero-Chaldeërs lopen. Door het centraal-aziatisch mysteriecentrum van Manu werden er drie belangrijke sociale cultuurimpulsen gegeven.

1.India (behoeden van de godsdienst)

2.Perzië (landbouw, veeteelt, economie)

3.Sumer-Akkad (staatvorming en recht)

Sumerië bewaarde de impuls het zuiverst. Akkad heeft veel Turanische invloed. De Assyriërs staan het meest onder de Turanische Marsimpulsen.

Uit deze smeltkroes komt de Israëlitisch-Joodse ontwikkelingslijn.

Abraham komt uit Ur!

dictaat

Veltman blz. 23

Veltman blz. 24

De monding van Eufraat en Tigris met de oudste steden.

Babylonië en het tweestromenland.

In dezelfde periode waarin zich de ontwikkeling van Egypte voltrok, ontstond in Voor-Azië een grote cultuur in het Tweestromenland. Deze cultuur is niet zo’n geheel als de Egyptische en iets ouder dan deze. Het Tweestromenland, ook Mesopotamië geheten, is een brede vlakte, aan de noordzijde afgesloten door de hoge bergtoppen van Armenië, aan de oostzijde door de bergruggen van Iran, in het westen door de Syrische woestijn en in het zuiden door de Indische oceaan. In vroeger tijden was de brede vlakte, waardoor de twee grote rivieren Eufraat en Tigris stromen, een vruchtbaar paradijs. Thans is deze vlakte grotendeels woestijn, waaruit de oude steden als vervallen ronde kleiheuvels omhoogsteken. Al in 5000 v. Chr. was deze vlakte bewoond. Een volk, SUMERIERS geheten, trok door Perzië in oeroude tijden en vestigde zich aan de monding van de Eufraat. De Sumeriërs schreven op kleitafeltjes en er zijn vele sagen bewaard gebleven. Beroemd is hun verhaal van de schepping der wereld, dat aldus begint:

TOEN BOVEN NOG NIET BENOEMD WAS DE HEMEL,
HET VASTE BENEDEN GEEN NAAM NOG DROEG,
TOEN OERSCHEPPER APSU, OERMOEDER TIAMAT
MUMMU HUN WAAT’REN INEEN DEDEN VLOEIEN;
TOEN ER GEEN LAND WAS, GEEN RIET ZICH ROERDE,
GEEN NAAM NOG WEERKLONK EN GEEN LOT BESTEMD WAS…
TOEN ZIJN UIT DE DIEPTE DE GODEN ONTSTAAN.

De belangrijkste goden scheidden zich af van de oergrond. Dit waren

ANU – de hemelgod
ENLIL – de aardgod
EA – de wijze watergod.

De oerdraak Tiamat trachtte met behulp van een aantal monsters de nieuwe goden te vernietigen. Niemand durfde Tiamat aan te vallen. Ea’s zoon, de jonge, stralende MARDUK ondernam het waagstuk en hij kreeg de leiding van de goden. Marduk trok ten strijde, hij bliksemde Tiamat neer, scheurde haar in tweeën en schiep de hemel uit de ene, de aarde uit de andere helft. Daarna gaat hij voort met het scheppen van een nieuwe wereld.

TOEN MARDUK DER GODEN WOORD VERNOMEN HAD
KREEG HIJ HET PLAN OM IETS GROOTS TE SCHEPPEN.
HIJ OPENT DE MOND EN KEERT ZICH TOT EA,
EN DEELT HEM MEE DE GEDACHTE ZIJNS HARTEN:
“EEN GOD MOET MEN SLACHTEN
EN MET ZIJN VLEES EN MET ZIJN BLOED
MOET KLEI VAN DE AARDE WORDEN VERMENGD!
BLOED ZAL IK VERZAMELEN EN GEBEENTE,
DE MENS ZAL IK OP DE AARDE ZETTEN
DE MENS ZAL IK SCHEPPEN EN “MENS” ZAL ZIJN NAAM ZIJN.
DE GODEN TE EREN.’DAT ZAL ZIJN PLICHT ZIJN!
UIT BLOED EN GEBEENTE MAAK IK DE MENSEN
DE DIENST DER GODEN ZAL HUNNE TAAK ZIJN
ZIJ ZULLEN VOOR ALTIJD DE GRENSSTENEN ZETTEN
ZIJ ZULLEN DE DRAAGKORF IN HANDEN NEMEN
OM DE HEILIGE HUIZEN DER GODEN TE BOUWEN.
ZIJ ZULLEN DE LANDERIJEN VERDELEN
DOOR KANALEN DE LOOP VAN HET WATER RICHTEN,
DE LANDEN BEVLOEIEN, DE PLANTEN VERZORGEN,
ZIJ ZULLEN DE HUIZEN EN TEMPELS BOUWEN,
HET GRAAN OPSTAPELEN, HET VELD BEBOUWEN,
OPDAT HET VRUCHT DRAAGT EN RIJK WORDT DE AARDE”

ZO SCHIEP DAN DE MACHTIGE MARDUK DE MENSEN,
HET VEE SCHIEP HIJ OOK, EN HET WILDE GEDIERTE.
HIJ WEES DE TIGRIS EN EUFRAAT HUN BEDDING.
HIJ SCHIEP HET GRAS EN HET RIET DER MOERASSEN,
DE PALMEN, DE STRUIKEN EN GROENE GEWASSEN
DE VELDEN EN TUINEN, DE BOSSEN EN BERGEN…

Veltman blz. 25                                                                                              khshaa = koning
vergelijk Shah

Veltman blz. 26

de rots van Behistun

Een triomfmonument van de Perzische koning Dareios. Deze rotsinscriptie maakte het Sir Henry Rowlandson mogelijk om het spijkerschrift te ontcijferen, in Perzisch.(A en B) met de vertaling in het Babylonisch (C) en het Elamitisch(D). Koning Darius heft bestraffend de arm op tegen 9 oproerkraaiers
(stadhouders, die hij onderwerpen moest). Zijn voet staat op de valse Smerdis, die zich voor koning wilde uitgeven. Boven in de lucht zweeft Ahura Mazda.

Toen de Sumeriërs het mondingsgebied van Eufraat en Tigris bereikten, troffen zij daar uitgestrekte moerassen aan. Met veel ijver legden zij het land droog. Riet en klei was het enige materiaal waarover zij in overvloed beschikten. Op lage heuvels in het moerasland bouwden zij hun huisjes van riet en klei. Daken waren plat of gebogen, deuren en steunpalen waren van hout. Het drooggelegde land was vruchtbaar: gerst en vlas werden rijkelijk verbouwd. De Sumeriërs bezaten ook vee (koeien, schapen, geiten en varkens). Met bootjes, voorzien van een hoge, kromme voorsteven, bevoeren zij plassen en rivieren. De Sumeriërs waren niet alleen flinke boeren, maar ook ondernemende handelslieden. Uit de berglanden van Perzië voerden zij hout en vruchten, groenten, palmbomen en edele metalen in. Het eens zo moerassige land kreeg een geheel ander aanzien: Sumer werd een bloeiend akkerland met palmbomen, vijgenbomen, wijnstokken en bloemen.

De aard der Sumeriërs was mild en wijs. Zij waren gedrongen en stevig van gestalte, hun kaken waren breed, hun neus spits. Het voorhoofd was laag en de kin was gladgeschoren. Hun kleding bestond uit een lendenschort, later droegen zij een wollen mantel met een kap.
De sterrenkunde, de rekenkunde en de bouw- en edelsmeedkunst stond op een hoog plan bij de Sumeriërs. Ook ontwikkelden zij een letterschrift. De schrifttekens werden met een rietstengel in een vochtig kleitafeltje gedrukt. Het oudste schrift was een beeldschrift, zoals in Egypte, maar al spoedig kreeg iedere klank een speciaal teken. De vorm van de rietstengel gaf aan elke indruk een spijkerachtig of wijnachtig(?) aanzien. Het schrift uit Mesopotamië wordt “spijkerschrift” genoemd.

De Sumeriërs bouwden steden die tegen water (en vijanden) beschermd werden door aarden wallen. Huizen en paleizen werden van baksteen (in de zon gedroogd) en hout opgetrokken.Talloze kanalen en sloten doorsneden het land. Mesopotamië werd een vruchtbaar paradijs.

De stichter en inwijder van deze Sumerische cultuur is volgens de overlevering een strijdbaar held geweest. Gilgamesh heette hij en hij was koning over de stad URUK. Zijn lotgevallen zijn bewaard in een lang, verhalend gedicht (EPOS), geheel in spijkerschrift op klei geschreven.

Het begin van het Gilgamesh epos:

SHA NÁGEA IMÚRU                                 DIE ALLES ZAG,

ADI SHIDDI MÁTI                                     TOT HET EINDE DER WERELD;

SHA KULLATI IDU                                     DIE KENDE HET HEELAL

KALAMA IHSUSU                                       EN AL WAT BESTAAT;

PUZRAT IMMA                                            DIE ALLE GEHEIMEN

MITHÁRISH IHITU                                    WIST TE DOORGRONDEN

ENZ.                                                                DIE WIJSHEID BEZAT

EN ALLES UITVORSTE…

HIJ HEEFT HET VERBORGENE AANSCHOUWD
EN HET GEHEIM ONS GEOPENBAARD
HIJ BRACHT BERICHT VAN VOOR DE ZONDVLOED

GILGAMESH is voor 2/3 van goddelijke oorsprong, maar l/3 aan hem is sterfelijk en de geweldige held zal moeten sterven. Gilgamesh heerst met straffe hand over URUK. De goden scheppen hem een tegenstander, de harige ENDIKU. Gilgamesh weet echter deze wildeman met worstelen te overwinnen. Een hechte vriendschap ontstaat uit deze strijd. Samen overwinnen zij de reus CHUMBABA uit het cederbos, samen doden zij de hemelstier, die door de godin ISHTAR op aarde was gebracht. Gilgamesh heeft Ishtars gunst versmaad, de vertoornde godin neemt wraak. Endiku moet sterven, getroffen door de giftige adem van de hemelstier. Gilgamesh is ontroostbaar na de dood van zijn dierbare vriend. Hij staat voor het raadsel van de dood en hij begint een lange zwerftocht om de onsterfelijkheid te zoeken. Hij vindt Utnapishtim, de enige mens, die de zondvloed heeft overleefd en het eeuwige leven heeft verkregen. Utnapishtim vertelt zijn bezoeker van de zondvloed:

“ZODRA DE GRAUWE MORGEN AANBRAK,
STEEG VAN DE EINDER EEN ZWARTE WOLK,
WAARIN DE STORMGOD ADAD LOEIT.
EN VOOR HEM UIT TREKKEN HERAUTEN
SHULLAT EN CHANISH OVER HET BERGLAND.
DE SLUISPALEN RUKT NERGAL UIT,
NINURTA VERNIELT DE WERELDDAM!
DE GODEN DER DIEPTE ZWAAIEN FLAMBOUWEN,
DOEN HET LAND IN LAAIENDE GLOED ONTVLAMMEN.
ONTZETTING VOOR ADAD DRONG DOOR TOT DE HEMEL.
HET LICHT VERANDERT IN DUISTERNIS.
HET WIJDE LAND BREEKT ALS EEN AARDEN KRUIK….
EEN DAG LANG WOEDDE DE ZUIDERSTORM,
BLIES HAASTIG HET WATER TOT OP DE BERGEN
DE MENSEN STIERVEN ALS IN EEN VELDSLAG…
GEEN MENS ZAG DE ANDER…
VAN DE HEMEL UIT WAS GEEN MENS TE ZIEN…
DE GODEN SCHROKKEN VAN DEZE STORTVLOED
EN VLUCHTTEN NAAR DE HEMEL VAN ANU
EN HURKTEN DAAR ALS BANGE HONDEN.
EN.ISHTAR MET HAAR SCHONE STEM
KRIJST ALS EEN VROUW IN BARENSNOOD
DE WERELD VAN GISTEREN WERD TOT KLEI
WEE MIJ, WANT IK GAF SLECHTS RAAD
EN IK RIED DEZE ZONDVLOED AAN!
O MIJN MENSEN DIE IK VOORTBRACHT…
HEB IK HEN GESCHAPEN OM DE ZEE
TE VULLEN ALS VISBROED?
DE GODEN DER DIEPTE KLAAGDEN MEE,
DE GODEN ZATEN GEBOGEN EN WEENDEN…

De wijze Utnapishtim legde Gilgamesh een oefening op teneinde de onsterfelijkheid te verkrijgen: 7 dagen en nachten moest hij wakker blijven. Dan zal hij de goden ontmoeten. Gilgamesh faalt: hij slaapt in en onverrichter zake moet hij terugkeren naar Uruk. Utnapishtim wijst hem het “levenskruid” om hem voor alle vergeefse moeite te belonen, maar onderweg kaapt een slang het kruid weg.

Het raadsel van de dood heeft Gilgamesh niet opgelost en het blijft bestaan voor alle mensen, die na hem op aarde leven.

Veltman blz. 27

Veltman blz. 28

De Akkadiërs
Omstreeks 300 v. Chr. komt aan het vredelievend rijk van de
Sumeriërs een eind. De AKKADIËRS veroveren het. Deze Akkadiërs behoorden tot het Semitische volk, evenals Joden, Arabieren, Phoeniciërs en Syriërs. De Semitische volken zijn ijverig en bezitten een scherp verstand. Hun karavanen en vloten trekken naar alle windstreken om handel te drijven.
De Semiten waren geordend in familiegroepen. Het familieleven was zeer belangrijk voor hen. Zij wilden ook hun bloed zuiver houden en daarom sloten zij geen huwelijken met vrouwen uit andere volken. De oudste werd bij hen steeds als de wijste beschouwd. Hun god is “de god van hun vaderen”. Onder de Akkadische koning SARGON werden Sumeriërs en Akkadiërs tot één volk gemaakt. Hij stichtte een groot rijk met de stad BABYLON als hoofdstad. Het eerste Babylonische wereldrijk. In deze tijd ontstond een grote oorlogszuchtigheid onder de volken van Voor-Azië. Tevens kwam een machtige wil tot bouwen tevoorschijn. Grote steden verrijzen met muren en torens, tempels en paleizen.
Het Akkadisch is volkstaal geworden, maar het Sumerisch bleef de taal van priesters en ingewijden.

Onder koning HAMMURABI (+ 1880 v.Chr.) worden Sumeriërs en Akkadiërs nog steviger samengesmeed. De Sumeriërs moeten de lange Akkadische baard dragen, de Akkadiërs moeten de Sumerische kleding aantrekken.
Door het feit, dat in het rijk twee talen en tweeërlei gebruiken zijn, ontstaat voor het eerst in de geschiedenis een soort vergelijkende taalwetenschap: woordenlijsten, vertalingen en geschriften met taalregels zijn gevonden, die uit Hammurabi’s tijd dateren.
Ook was een wetgeving nodig: precieze regels en voorschriften, die aangeven, waarop ieder staatsburger recht heeft en hoe het recht van de een staat tegenover het recht van de ander.
De koning is een machtig heerser, maar ook hij moet zich houden aan de wet, die hij zelf gegeven heeft!

Hammurabi liet alle wetten des rijks optekenen in spijkerschrift op een twee meter hoge zuil. Deze zuil is bewaard gebleven. De wetten waren gegrond op de familieband en sterrenkunde. De priesters namen de hemellichamen waar en gaven aan,hoe men op aarde volgens de waarheden der sterrenwetten moest leven. De Babyloniers hadden een grootse sterrenkunde tot ontwikkeling gebracht,d ie invloed heeft tot in onze dagen.

De Babylonische goden werden “heer van hemel en aarde ” genoemd.
Wat hemelse wet was, moest ook op aarde gebeuren. De Babyloniërs deelden hun land in met grenspalen, genoemd naar sterrenbeelden. Zij gaven de tekens van de Dierenriem een naam; zij deelden het jaar in naar de loop van zon en maan. Zij maakten de indeling van 1 dag=12 uur, 1uur = 60 minuten, 1 minuut = 60 seconden. Zij ontwierpen de eerste tijdmeters : zand-en waterklokken.
Ook in de rekenkunde en meetkunde bezaten de Babyloniërs een grote vaardigheid. Van hen stamt de deling van de cirkel in 360 graden en de 4 hoofdbewerkingen bij het rekenen. Hun getalstelsel was 60-tallig. 12 dierenriemtekens keer 5 planeten). Onder de hemellichamen vereerden zij die het meest, welke het dichtst bij ons staan: Mercurius (EA), Venus (ISHTAR), Maan (SIN), Jupiter (MARDUK)  Adad (Mars), Anu (Saturnus), Shamash (Zon). De grote tempeltoren van Babylon of E-temen-ank bestond uit zeven verdiepingen; elke verdieping was gewijd aan een planeetgod en had een eigen kleur. Ook het lot van de mensen stond te lezen in de sterren.

Zo ontleenden de Babyloniërs hun ordening van het aardse leven aan de wetten des hemels.

ASSUR
Van het eerste Babylonische rijk heeft zich een volk vrijgevochten, dat honderden jaren geheel Voor-Azië zou doen sidderen. De hoofdgod van dit rijk heette Assur en daarom noemden deze mensen zich Assyriërs. Zij bezaten de scherpzinnigheid van de Semiten, het rekentalent van de Babyloniërs en de wreedheid van de Mongolen. Naast de edele cultuur der oude Sumeriërs en Akkadiërs is het Assyrische volk een duistere, bloeddorstige verschijning in de geschiedenis. De koningen zijn koel, wreed, bekwaam en zuinig. Zij schiepen een leger dat zijn gelijke niet had;e en zwaarbewapende slagorde van gepantserde speerdragers, ondersteund door boogschutters, troepen snelle ruiterij en strijdwagens, een artilleriepark met belegeringsmachines.

Onder de eerzuchtige koning TILGLATH-PILESAR bezwijkt het ene volk na het andere voor het geweld. Babylon wordt veroverd. Zelfs de machtige farao van Egypte buigt voor de Assyriër. Het Assyrische leger treft als een bliksemstraal. Geen volk kan het weerstaan. Oorlogsmachines (stormrammen en geschut)beuken de muren der steden tot puin.Wreed is het lot der gevangenen; mannen worden op palen gespietst, vrouwen als slavinnen weggedreven. Alle buit en kostbaarheden worden weggesleept om de Assyrische hoofdstad NINIVEH te verfraaien.
Onder koning ASSUR-NASIR-PAL is Assyrië een wereldrijk geworden. In vredestijd is de koning een groot jager. In de steppen jaagt hij de wilde stier, in het oosten, aan de Indische grens, de olifant.Vanaf zijn strijdwagen doodt hij in de loop van zijn leven 800 leeuwen, te voet verslaat hij er 120.

De latere koning ASSUR-BANI-PAL is bekend door zijn grote BIBLIOTHEEK. Alle kleitafels, die hij te pakken kan krijgen, sleept hij daarheen. Prachtige paleizen bouwt hij met reliefs, die zijn triomfen in oorlog en op jacht verheerlijken.
Maar in het jaar 612 v. Chr. heeft het uur der wrake geslagen. De onderdrukte volken staan tegen Assyrië op onder koning KYAXARES van Medië. De bloedstad Niniveh wordt ingenomen en verwoest. Het Assyrische rijk houdt op te bestaan.

Veltman blz. 29

Nebukadnezar bouwde een aantal tempels in het zjiidelijk deel van de stad opnieuw. Van de tempelwijk naar zijn paleis legde hij een grote weg aan, de “Processieweg”, die leidde door de mooiste poort van de stad, gewijd aan Ishtar. Daarachter lag het reusachtige koninklijke paleis en de regeringsbureaus. Boven alles uit stak de “Zikkurat” of tempelberg van Marduk, een ware “Toren van Babel”. Weelderige tropische plantentuinen verrezen op terrassen boven het koninklijk paleis. Deze tuin, de “hangende tuin”, was gebouwd ter ere van de Medische prinses Amites, die in de hete Babylonische vlakte heimwee had naar haar schone bergachtige paleistuinen in Medië. De Ishtarpoort, geheel bekleed met diep-blauwe, geglazuurde tegels, was versierd met stieren en draken.

De stad was ontzagwekkend versterkt met driedubbele muren, ook doorgetrokken langs de Euphraat. De grote buitenmuur omsloot voor een deel bouwland, zodat de inwoners bij een beleg voedsel van eigen stadsbodem konden krijgen. Ook groef Nebukadnezar een groot kanaal tussen eufraat en Tigris en liet tussen beide rivieren een sterke muur bouwen om de invallen der Meden af te weren, ca. 25 km benoorden Babylon. In de vruchtbare vlakte, vol wuivend koren en palmbossen lag de stad als een eiland. De Babylonische koning beschikte niet over het prachtige marmer van Niniveh, maar hij maakte zijn stad tot een symphonie van zachtgele, saffraangele en barnsteengele schoonheid. Wat kan de mens al niet scheppen met klei, het nederigste der materialen. De muren der stad maten 18 km in omtrek.

Veltman blz.30

ASHURNASIRPAL neemt een stad in:

“Van de soldaten versloeg ik 600 met ‘ t zwaard,
3o00 gevangenen verbrandde ik in ‘t vuur,
Ik liet niemand als gijzelaar in leven.
De lijken stapelde ik torenhoog op.
De stadsvorst kreeg ik levend in handen.
Hem vilde ik en hing zijn
huid op de muur van Damdamusa.”

NAHUM 3:1-3

profetie over Niniveh

“Wee de bloedstad! Louter leugen,
vol verscheuring, zonder ophouden rovend!
Hoor zweepgeklap, hoor wielgeratel!
En jagende paarden en opspringende wagens!
Steigrende rossen en vlammende zwaarden
en bliksemende lansen
en tal van verslagenen, een menigte doden
en eindeloos veel lijken…..

Veltman blz.31

NINIVEH, STAD VAN MARMER.

Niniveh is zo volledig verwoest, dat men meer dan 1000 jaar niet heeft geweten, waar het gelegen was. Alexander de Grote en Xenophon passeerden de plek,
zonder dat zij er een woord aan gewijd hebben. Later zijn er resten van tempels en paleizen gevonden op de grote heuvel van Kuyunjik en de kleine van Nebi Junus (volgens overlevering het graf van Jona). Niniveh was prachtig gelegen en zeer versterkt.Volgens de voorspellingen zou de stad nooit genomen kunnen worden “wanneer het water haar vijand niet werd”. In 612 v.Chr. toen Meden en
Babyloniers de stad belegerden, zwol de Khosr zo hevig,d at er een overstroming in de stad ontstond  en een groot stuk van de muren instortten.

Toen verbrandde de koning (Sardanapalos) zich in zijn burcht en de stad viel.

Sennacherib (de Bijbelse Sanherib) laat zijn kroniekschrijvers optekenen, welke verbeteringen hij in de stad doet aanbrengen.

”Verleg de funderingen van het paleis, want een riviertje heeft hen ondermijnd. Roep de opzichters der slaven, breng stam na stam in slavernij, Chaldeërs , Ciliciërs, Arameeërs’, om klei op hun zwetende ruggen te torsen en tot baksteen te kneden, Sloop het oude paleis, verleg het opstandige riviertje, vul zijn bedding op met aarde, hoger dan te voren. Laat de timmerlui aanrukken om ahornen, palmen, moerbeibomen ,ceders, cypressen, pijnbomen en groene amandelbomen tot planken te zagen en te schaven; snijdt het ivoor; houwt ’t marmer uit de groeven dichtbij, beeldhouwt de muren en zet met koper beslagen stenen leeuwen aan de poorten, plant een park zo groot dat de heuvel eruitziet als het Ainanusgebergte! Voedt de Khosr bij met stromen van de heuvels uit de verte om een geregelde watervoorziening van de vlakte te waarborgen. Graaft een meer, waarin hij zich uitstorten kan en laat het riet in deze plassen groeien, opdat wilde zwijnen en ooievaars er zich verzamelen. En plant er tenslotte de wonderlijke katoenbomen, die als schapen geschoren moeten worden en maak er kleren van. Daarna moet de stadsmuur verbeterd worden en vijftien poorten zullen erin gebouwd of hersteld worden. Niniveh mag het aan niets ontbreken en de beeldhouwers zullen al deze grote dingen vereeuwigen…’

Veltman blz.32

CHALDEA (2e Babylonische rijk)

Na de val van Assyrië wordt door de Semitische Chaldeeën een Nieuw Babylonisch rijk gesticht. Babylon wordt weer hoofdstad van Mesopotamië. De bekendste koning van dit rijk is NEBUKADNESAR, die 43 jaar lang op de troon zit. Hij heeft veel van de Assyriërs geleerd en zijn legers onderwerpen het ene land na het andere. Ook JERUSALEM neeent hij in en voert de Joden weg in ballingschap. Zij moeten in Babel wonen voortaan. Onder het bestuur van Nebukadnezar wordt Babel vergroot en verfraaid. De stad wordt een wonder voor het oog.
Driedubbele muren en torens verrijzen. De prachtige, blauw betegelde ISHTAR-poort is een wonder van schoonheid. Op een hoog terras legt de koning voor zijn vrouw een geweldige tuin aan (de z.g. hangende tuinen). Babel glanst in geel, roze en oranje tint. Hoog boven alles torent de ZIKKURAT van Marduk. Nebukadnezar was zeer trots op zijn stad.

“ZIE, DIT IS HET GROTE BABEL,
DAT IK MIJ TOT EEN KONINKLIJKE ZETEL HEB GEBOUWD
EN TOT EEN TEKEN MIJNER HEERLIJKHEID:”

De opvolgers van Nebukadnezar waren weelderig en slap. Belsasar zag het vlammend schrift aan de wand.

De profeet Daniël vertaalde het MENE-MENE-TEKEL UPHARSIN met:

Geteld zijn uw dagen,
gewogen zijt gij en te licht bevonden,
gedeeld wordt uw rijk door de Persen!

De Perzische koning KYROS veroverde Babylon in 539 v.Chr. Alle landen van Indië tot Egypte behoren onder Kyros opvolgers tot het Rijk van de “KONING DER KONINGEN”, dat is:van de koning der Persen.

Veltman blz.33

Babylon, Ishtar-poort

Veltman blz.34

5e klas geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – geschiedenisMesopotamië 

5e klas: alle artikelen

881

 

VRIJESCHOOL – klas 5 geschiedenis – (1)

.

Christoph Lindenberg:
‘geschiedenis onderwijzen’

vertaling van ‘Geschichte lehren’                    

HOOFDSTUK: 5E KLAS                                         blz.77-88

In de eerste leerplanvoordracht van 6 september 1919 [2] formuleert Rudolf Steiner de taak van de klassenleerkracht voor het eerste geschiedenisonderwijs: ‘In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijke historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken.’ [3] blz.149

Hoe zien de geschiedkundige begrippen eruit waar het vóór het 12e levensjaar om kan gaan? In ieder geval gaat het nog niet om een consequent doorgevoerde voorstelling van causaliteit van geschiedkundige ontwikkelingen en het in begrippen vatten van de meer verborgen impulsen in de geschiedenis.

Omdat naar de cultuur van de volkeren uit het Morgenland gewezen wordt, wordt het duidelijk dat het in de allereerste plaats gaat om het anders-zijn van deze oude culturen en hierin ligt ook meteen het wezenlijke historische begrip. Voor de leerling van klas 5 wordt dit anders-zijn van de cultuur zichtbaar door historische figuren en wat ze verrichtten. Inderdaad heerst in ieder van de afzonderlijke culturen van het Morgenland een heel andere levenssfeer en levenshouding, die die culturen hun stempel gaven.

INDIA*
De moeilijke opgave, die meteen aan het begin gesteld wordt, is de beschrijving van de oud-Indische cultuur. Wat van deze cultuur uit historische tijd bewaard is, is slechts een schaduw, waarvan de Indische sage bericht, wanneer ze over de grote Manoe en de 7 wijzen verhaalt. Deze oer-Indische cultuur aanschouwelijk te maken kan lukken, wanneer men uitgaat van de glans die er later nog is. De leerkracht kan uitgaan van teksten uit de Veda’s, uit de Upanishads, of de Bhagavad Gita om zich een beeld te vormen van het bewustzijn van die tijd waarvoor zich de godenhemel met zijn eindeloze reeks gestalten opent. Deze wereld is zo machtig dat daartegenover, de aarde  als maja, als schijn wordt beleefd. Daarom gaat de interesse van de vroege Indiër –net zoals tegenwoordig ook nog, niet uit naar de landbouw, niet naar de industrie en werken voor de kost, maar naar het kunnen doorgronden van de godenwereld. De oorspronkelijk rijke, overvloedige, gevarieerde vegetatie van het Indiase subcontinent maakte het in die vroege tijd ook mogelijk te leven zonder al te veel inspanning en daardoor weinig gehinderd een geestelijk leven te leiden om zich zo in de geheimen van de kosmos te verdiepen. Dit geestelijke leven stond in hoog aanzien en wordt weerspiegeld in de kastenorde waarin de priesters de hoogste plaats innamen.

Het heeft geen zin op het kastenstelsel in te gaan, wanneer het niet lukt om de leerlingen duidelijk te maken dat deze ordening van het sociale leven in die vroege tijd van de Indiase cultuur heel anders  ervaren werd dan in deze tijd.

Voor de leerling van klas 5 kan deze cultuur alleen maar echt duidelijk worden, wanneer deze aan een historisch figuur beleefbaar wordt. Deze figuur is Boeddha. Gelukkig is het leven van Boeddha in de Boeddhalegende op een typisch Indiase wijze, rijk aan beeld en gestalten, bewaard gebleven en ook in het boek van Herman Beckh [4] voortreffelijk weergegeven.

Tegen de leerlingen kan men zeggen: nu willen we eens kijken hoe de Indiërs zelf het leven van een van hun grootste mensen schilderen en met de aanwijzing dat de weergave authentiek is, begin je met het op aarde komen van de bodhisattva uit de godenwereld, je schildert aan de hand van de legende het paleis van koning Suddohana, het binnengaan van de bodhisattva in de moederschoot en alle andere episoden van de legende, vrij uitvoerig, want deze beeldenrijkdom  is karakteristiek voor de Indiase geestesgesteldheid. Deze legende zelf zal aan de leerlingen iets meegeven van de ‘couleur locale’ van de vroeg-Indiase cultuur en inderdaad is het paleis van Suddhodan een spiegel van de oer-Indische cultuur, die het gouden tijdperk van India was.

Tegelijkertijd komt het erop aan dat de leerling begrijpt dat de legende van Boeddha geen sprookje is, en dat de laatste resten van de oud-Indische cultuur tegenwoordig in India op een gemetamorfoseerde manier nog levend zijn. Men kan het huidige India als het archeologisch overblijfsel van een oude cultuur beschouwen die veel grootser en zuiverder was, dan hetgeen vandaag de dag uit India in het Avondland doordringt. Daarbij wordt ook duidelijk dat de oude culturen helemaal niet ‘primitief’ waren.

PERZIË
Een heel andere sfeer hangt boven de oud-Iraanse cultuur, de wereld van Zarathustra. Hierin gaat het om het werk op aarde aan te pakken, om veeteelt, om het verbouwen van graan, om huizenbouw, het aanleggen van kanalen, bevloeien van de akkers in een gebied dat veel minder uitnodigend was dan het Indiase subcontinent; het gaat om de landstreken tussen Pamir en de Kaspische Zee, iets ten zuiden van de Oxus. Deze wereld tot een weerspiegeling te maken van een goddelijke orde, dat was de wil van het oer-Perzische volk.

Allereerst moet de leerkracht zelf goed weten wat het voor de mens van die tijd betekende op een vaste plaats te blijven. Met dit sedentair worden offert men een zekere bewegingsvrijheid op: het leven dat nog geen vaste verbinding met de aarde kent. Wij kennen de gevolgen van de vaste woon- en verblijfplaats en wij kunnen ons het leven nauwelijks anders voorstellen dan dat we in huizen wonen en geregeld brood en de producten van de akkerbouw gebruiken; wij weten dat graanverbouw en ergens gevestigd zijn, mogelijk is. Dat was anders vóór de tijd van het sedentair worden; men had de voorstelling en de ervaring daarvan niet. Met het verkrijgen van een vaste woonplaats verandert ook de zielenstemming: van een consument van natuurproducten werd de mens nu een producent van voedsel, de bouwer van zijn woning, van jager werd hij tot verzorger en beschermer van de dieren.

Deze reusachtige vooruitgang wordt weerspiegeld in de sage van Zarathustra. De leerkracht is hier in de gelukkige omstandigheid dat hij gebruik kan maken van het boek van D.J. van Bemmelen ‘Zarathustra’ [5] waarin deze sage en een groot aantal teksten van Zarathustra zijn te vinden.

De vraag is hoe men dit in de 5e klas moet doen.

Mij schijnt het juist – dat net zoals de Griekse sagen en de strijd om Troje en andere – ook de sage van Zarathustra, het leven van Zarathustra in korte bewoordingen verteld wordt en dan aan de hand van de archeologische vondsten duidelijk maakt dat deze sagen op een realiteit wijzen. De leerling leert op deze manier sagen naar waarde te schatten en hij leert dat de mensen in de oude tijden, meer dan honderden jaren lang de grote gebeurtenissen in de herinnering meedroegen en dat het aan het ritme van de teksten gebonden geheugen, iets oerouds bewaart.

In vergelijking met de Indiase cultuur en de Boeddhalegende wordt het heel andere karakter van de Iraanse cultuur duidelijk: de mensen bevinden zich in een strijd tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad en in deze strijd krijgen zij langzaam voet aan de grond, akkerbouw is hun godsdienst.

Zij bevinden zich in het gevecht tegen de duivelaanbidders en kiezen voor de geest van de zon, Ahura Mazda:

‘ik veracht het een Deva-aanbidder te zijn, ik kom ervoor uit dat ik een Mazda-aanbidder ben, een aanhanger van Zarathustra  een vijand van de Deva’s (demonen), een belijder van de Heer, als iemand die de onsterfelijke heilige engelen looft, als aanbidder van de onsterfelijken. Aan de wijze Heer beloof ik al het goede, aan hem het goede, het goedgunstige, het rechtvaardige, prachtige, heerlijke, al het beste, waarvan de koe, waarvan de wet, het hemelse licht zijn! Ik kies voor de heilige deemoed. Ik zweer af diefstal en roof van vee, plundering en verwoesting van de dorpen. De bewoners gun ik vrijheid, onbezorgd wonen, de huisdieren waarmee ze op aarde wonen. Met eerbied beloof ik bij het gewijde water aan de heilige wet dit: ik wil van nu af geen plundering en verwoesting in de dorpen van de Mazda-aanbidders aanrichten, noch dat ik begeerte heb naar lijf en leven. Ik kom ervoor uit een Mazda-aanbidder te zijn, een aanhanger van Zarathustra met de gelofte en de belijdenis. Ik beloof plechtig het goede te denken, ik beloof eerlijk te spreken, ik beloof goede werken’ (Yasna 12, 1-3, 8)*

*(dit is geen officiële vertaling-die is er wel, maar t.t.v. dit schrijven beschikte ik hier niet over)

De strijd en de keuze voor het goede karakteriseert ook het leven van Zarathustra, dat vanaf het begin bedreigd wordt. Ook Zarathustra moet steeds strijd voeren tegen de vijanden om de nieuwe leefwijze, de verering van het goede zeker te stellen.

Voor de leerkracht van de 5e klas is het een lastig probleem een keuze te maken bij de behandeling van de cultuur van het Tweestromenland. Het Tweestromenland is zonder enige twijfel van grote betekenis: hier komt het tot het stichten van de eerste steden van de mensheid; hier wordt het eerste schrift ontwikkeld, hier ontstaan de culturen van Ur, Assyrië en Babylon. Het is haast niet mogelijk al deze culturen, hun opkomst en ondergang voor de 5e klasleerling te schilderen. Wat moet men kiezen? Als vertelling is het Gilgamesjepos voorhanden – maar kan men aan de hand van dit epos de cultuur van Soemerië belichten? Of moet men liever op grond van de beschijvingen van Herodotus een stad als Babylon behandelen? Moet men voor het ontstaan van het schrift het spijkerschrift als voorbeeld nemen of vindt iemand het ontstaan van de hiëroglyfen in Egypte aanschouwelijker? Het is wellicht het verstandigste dat men meteen in het begin duidelijk voor ogen heeft, wat men van de oude hoog ontwikkelde culturen in samenhang met het Tweestromenland behandelen wil en wat in samenhang met Egypte. Voor Egypte is dat natuurlijk de bouw van tempels en piramiden; de heerschappij van de farao’s, de dodencultus; voor het Tweestromenland het stichten van steden en de indeling van het werk; verder kan men aan de hand van het Gilgamesjepos de vroege stadscultuur met de tempelhandel schilderen en daarbij de geschiedenis van een mislukte inwijding. Wat het schrift betreft kan men voor de ontwikkeling daarvan en het schoolwezen bij het Tweestromenland aanknopen en voor de ontcijfering van een schrift bv. bij de hiëroglyphen.

Het begin van het Gilgamesj-epos bevat een korte beschijving van de stad Oeroek, de muren die met schitterende stenen gesierd zijn, de Istartempels. De leerkracht is in staat op grond van archeologische vondsten deze beschrijving aan te vullen, hij kan over de rechtszaal, de handwerkslieden, de woonwijken  vertellen en het stadsleven schetsen dat vanuit de tempel bestuurd wordt die ook alle handelsgoederen beheert, waarin het archief met de kleitabletten gehuisvest is en over de school die in de buurt is waar een paar kinderen  de keg in de vochtige kleitablet drukken om zo het schrijven te leren. Rondom de stad strekt zicht het vruchtbare land uit dat door kanalen bevloeid wordt. In deze omgeving verschijnt Gilgamesj over wie het epos zegt:

‘Dit is de man die alles wist, hij is de koning die de landen van de wereld kende. Hij was wijs, schouwde de geheimen en wist van verborgen dingen. Hij verhaalde over de tijd van voor de grote stormvloed- de muren van Oeroek bouwde hij, de verdedigingswal en de tempel’.

Zo kan in de beginsituatie van het epos de schildering van de stad en het stadsleven met elkaar verweven worden. De leerkracht die dan nog een grotere stad op het hoogtepunt van de cultuur behandelen wil, heeft daarvoor twee uitstekende mogelijkheden: de beschrijving van Assyrië die Walter Andrae [6] gegeven heeft en die veel op gang kan brengen en de beschrijving van Herodotus [7] van Babylon in het eerste boek van zijn ‘geschiedenissen’. – mij lijkt het moeilijk om dieper op de religie en de cultuur van Soemerië of Babylon in te gaan, maar men kan erop wijzen dat hier de waarneming van de hemel bijzondere aandacht kreeg, dat de indeling in dierenriemtekens van Babylonische oorsprong is, zon, maan en planeten beschouwd werden als verschijningsvormen van goden: de zon=schamasch, de maan=Sin, Mercurius=Nabu, Venus=Ischtar, Mars=Nergal, Jupiter=Marduk, Saturnus=Ninurta. Voor de Babyloniër was echter heel het universum een geestelijke staat, een wereld van goden die op veel gebieden werkzaam waren: Anu was de hemel die zich over allen uitspande, Enlil de ‘heer van de storm’, Enki die van de aarde; de aarde die in een andere gestalte ook Nin-tu is, de godin die baart. Het geestelijk-goddelijke werd op deze manier in het veelvuldige  inwerkend en zich manifesterend beleefd – . Het makkelijkst kan deze beleving van de kosmos in samenhang met het Gilgamesj-epos aan de leerlingen duidelijk gemaakt worden.

EGYPTE
De cultuur van Egypte is hier te lande, oppervlakkig gezien, op z’n minst veel bekender dan  die van het Tweestromenland. Uiterlijk bezien heeft men dat aan het feit te danken dat de Egyptische cultuur veel beter bewaard gebleven is dan die van bv. Oeroek of Assyrië. Enerzijds komt dat doordat er veel meer met steen –en niet met leem-gebouwd werd, anderzijds zorgde het droge woestijnzand voor een veel betere conservering van de vele voorwerpen. Toch moet men, wanneer men bv. een piramide bekijkt, voor ogen houden dat alles wat we zien, alleen maar de puinhopen zijn van een prachtige cultuur. Voor het onderwijs is het alleerst belangrijk dat men niet begint met het kijken naar die puinhopen. Voor de leerkracht hier met zijn uiteenzetting begint, heeft hij de mogelijkheid deze wereld in zijn fantasie opnieuw te scheppen. Men verkeert in de gelukkige omstandigheid dat men de eerste stenen bouw in Egypte precies kan reconstrueren en de betekenis ervan bepalen. Hier gaat het om het piramidencomplex van koning Djoser bij Sakkara. Het complex, in steen rondom de piramide opgetrokken, is een kopie van het koninklijke gebied van Memphis. Tot aan de trappiramide, die het centrum van het complex vormt, is het gebied van Sakkara  uit onvergankelijke steen een kopie van de koningsresidentie in Memphis die uit leemtegels, uit hout en vlechtwerk opgetrokken is. Op een andere, maar wel vergelijkbare manier laten de rijke grafbijzettingen ons het dagelijks leven van de Egyptenaar zien.

Om duidelijker te maken wat er in de Egyptische cultuur is gepresteerd, is het zinvol om de leerlingen eerst een beeld te schetsen van het vruchtbare Nijldal met de overdadige vegetatie en de rijke dierenwereld. Midden in die wereld van menselijke nederzettingen, dorpen op heuvels aan de rand van het vruchtbare dal, enige grotere nederzettingen die door stamhoofden beheerst werden, misschien ook een vorstenzetel, maar allemaal bouwwerken uit kleitegels, hout en bossen riet. In deze wereld vormen koningen binnen een korte tijd een staat. De eerste koning die wellicht werkelijk regeert –na een reeks voorlopers-zou Djoser geweest kunnen zijn. Door hem en zijn wijze raadgever Imhotep wordt bijna zonder enige voorfase het stenen bouwwerk geconstrueerd en zo ontstaat bijna meteen met alle perfectie en op grote schaal het piramidencomplex van Sakkara. Alleen de muur al die eromheen staat is 10 meter hoog en meet 277 bij 544 meter. Binnen het complex vond men het rondom bewerkte beeld van een farao, basreliëfs, de oervorm van het Egyptische schrift. Djoser en Imhotep hebben de Egyptische staat vorm gegeven, deze eigenlijk voor het eerst georganiseerd en de Egyptische cultuur de basis gegeven die deze meer dan 2000 jaar hield. Alles bij elkaar genomen een onvoorstelbaar proces.

Ook de bouw van de grote piramide zou zo besproken kunnen worden. Alleen al het egaliseren van het rotsige grondoppervlak waar de piramiden op staan; de precieze afstemming van de zijden op elkaar is bijna onvoorstelbaar; dan nog de organisatie van de bouw van de piramide: voor de grote piramide van Gizeh werden ongeveer 2.600.000 steenblokken met een gemiddeld gewicht van ongeveer 2,5 ton aangesleept –  hoeveel mensen hebben hier meer dan 20 jaar gewerkt, hoe werden ze gevoed? Hier staat de leerkracht voor de opgave om deze verhoudingen eerst zelf zich voor te stellen, dan in de klas, zoals hij zich maar een piramide kan voorstellen met geheel gladde buitenwanden, 146 meter hoog en bij de basis 230 meter lang. Een volgende stap in de les moet samenvallen met de vorige: deze gebouwen en complexen te bekijken vanuit het oogpunt van wat de mens daar beleefde; bv. zich voor te stellen wat een Egyptenaar ervoer die door de overdekte gang vanuit het tempeldal van de grote pirimade toeliep op de dodentempel aan de voet van de piramide en dan opeens de stralende piramide voor zich zag. Met het oog op deze opgaven is het erg fijn dat er voor de leerkracht een inspirerend boek is—van de inhoud kun je zeker zijn- van Frank Teichmann: ‘De mens en zijn tempel’, band 1, Egypte.[8] Juist bij de Egyptische cultuur neigt de leek ertoe verschijnselen als o.a. de piramide uit de losse hand te duiden, zonder al teveel voorkennis.

Teichmann heeft door zijn precieze kennis van oud-Egyptische uitspraken perspectieven geopend die vaktechnisch zeker zijn en die uitleg bevatten die zo goed als mogelijk bij het denken van de Egyptenaren aansluit.

Het is niet zo zinvol de Egyptische geschiedenis: het oude rijk, de tijd van verval, het middenrijk, de invallen van de Hyksos en het nieuwe rijk afzonderljk te behandelen. Men kan zich goed tot twee elementen van het oude rijk beperken, tot het ontstaan van de cultuur en de bouw van de Cheopspiramide. Wie hier nog dieper op in wil gaan, zou bv. de tijdsbepaling, het vastzetten van het jaar,  de oogst- en zaaikalender aan de hand van de overstromingen van de Nijl enz. kunnen nemen.

De behandeling van een gestalte als Echnaton past beter in de 9e klas, omdat de voor ons zichtbare prestaties van deze farao op het terrein van de beeldende kunst liggen. Zou men nog op Toetanchamon komen, dan moet men niet vergeten erop te wijzen dat men hier met een heel onbelangrijke farao te maken heeft en dat zijn graf het kleinste was in de reeks graven in het dal van de koningen.

GRIEKENLAND
Bij de overgang naar de Griekse cultuur moet een heel andere stemming in de klas komen. Het grootse van de Egyptische prestaties, de strengheid van de godsdienst van Zarathustra, het zich afkeren van de wereld bij de Indiër hebben nog iets wat eerbied oproept, ja bijna iets beklemmends-ook de leerkracht die deze culturen behandelt zal steeds merken dat hij de grens bereikt waarbij nog iets te begrijpen valt; het verhevene heeft de overhand. Bij de Grieken echter beginnen wij het te begrijpen. Iets van de overgang die hier nodig is, wordt door een mededeling van Plato gegeven, die in zijn dialoog ‘Timaios’ Kritias laat verhalen over een reis van Solon naar Egypte. Een hoogbejaarde Egyptische priester zei tot Solon toen die de stad Sais bezocht: ‘Solon, ach Solon! Jullie Hellenen blijven toch kinderen, geen Helleen wordt grijsaard!’- ‘Hoezo? Wat bedoel je?’ zou Solon gevraagd hebben. “Jullie zijn allemaal jong van ziel, want jullie bezitten geen oude, op de oudste berichten stoelende overtuiging, noch een door de tijd oud geworden weten….Wat bij jullie en in andere streken waarvan wij hoorden is bereikt, is hier al van oudsher in de tempels opgetekend en bewaard.’
Met deze woorden leidt de oude Egyptische priester zijn mededeling over het verzonken werelddeel Atlantis in. Door dit bericht wordt duidelijk dat in Egypte nog wijsheid heerste die boven het individu uitsteeg, in een bovenindividueel geheugen voortleefde. Uit deze bovenindividuele wijsheid hebben cultuurscheppers als Imhotep en Djoser kunnen handelen en een cultuur kunnen stichten.

In Griekenland staat de cultuur in het teken van ontwikkeling en van het denken. Terwijl in Egypte het hoogtepunt aan het begin van de cultuur, dus tussen de jaren 2700 en 2400 v. Chr. ligt, ontwikkelt de Griekse cultuur zich vanuit een eenvoudig begin naar het hoogtepunt in de 5e en 4e eeuw voor Chr. Voor de 5e klas is het nu belangrijk, door zoveel mogelijk levensechte gestalten een beeld van deze ontwikkeling te krijgen. De leerkracht heeft eerst de mogelijkheid nog aan de hand van een rij sagen de helden van de voorafgaande tijd te schilderen: Perseus, Theseus en Herakles komen hier in aanmerking. In deze sagen zitten zoveel oerbeelden van ons huidige denken, dat men nauwelijks zonder kan; weliswaar blijft de vraag staan of men deze oersagen van de Europese cultuur in de geschiedenisperiode moet vertellen  of dat men dit doet bij andere gelegenheden. De eigenlijke geschiedenis kan men beginnen met de Trojaanse oorlog. In aansluiting daarop bestaat de mogelijkheid het levensverhaal en de onderzoekingen van Heinrich Schliemann [9]te brengen, opdat de leerling op een aanschouwelijke manier ervaart hoe voor onze tijd deze sage bewaarheid is. Van beslissende betekenis is het  dan de sage van Odysseus te vertellen, omdat in deze gestalte de intellectuele kracht die later doordringt in de Griekse cultuur, hier zichtbaar wordt. De Odyssee bericht ook met grote nauwkeurigheid over het leven van de Grieken in de tijd van Homerus, zoals wanneer de aankomst van Odysseus bij de Faiaken beschreven wordt. Men kan hier daarnaast het leven en de sociale orde van de vroege Grieken behandelen. Een tweede stap in de behandeling is Sparta. Men moet  ervan afzien, los van het overige over de Dorische volksverhuizing te spreken, maar bv. bij de verovering van Laconië door de Spartanen kan men deze noemen. In het middelpunt van het thema Sparta moet Lycurgus staan. Bij de leerlingen moet nu voelbaar worden dat de wetten van Lycurgus uit de menselijke geest voorkomen, dat al zijn maatregelen in hoge mate onnatuurlijk zijn en het doel hebben de natuurlijke loop van de dingen tegen te gaan, men denkt hierbij aan het ijzergeld of aan de Spartaanse opvoeding. Een derde motief kunnen de Olympische Spelen zijn, deze zijn een model voor de vele andere spelen die de Grieken om de goden te vereren, organiseerden.
Met Solon begint dan de geschiedenis van Athene. Hier heeft men een soortelijk proces als bij Lycurgus. Iemand maakt wetten voor het geheel. Omdat het nauwelijks zin heeft heel de ontwikkeling van de Attische democratie van Solon via Kleisthenes tot in het tijdperk van Perikles in detail te behandelen, moet men op de gestalte van Solon, zijn rol als bemiddelaar, op zijn afzonderlijke maatregelen, voor zoverre de leerling die kan begrijpen, de grootste nadruk leggen en de mentaliteit karakteriseren die in het feit gedocumenteerd wordt, dat Solon nadat hij het werk aan de wetgeving heeft beëindigd de  Atherners  als verklaring geeft: ‘Nu ga ik op reis.’ Zij moeten hem zweren zich aan zijn wetten te houden tot hij weer terugkomt. Solon ging op reis, maar hij keerde nooit weer naar Athene terug, want hij wilde dat wetten zouden heersen i.p.v. van een man.

Voor de leerling van de 5e klas is het niet nodig de gebeurtenissen die na Solon plaatsvonden: de tirannie van Peisistratos en wat dies meer zij te leren kennen. Wel echter kan men de oorlogen met de Perzen behandelen waarbij een sterke nadruk moet vallen op het culturele aspect van deze strijd tussen twee wereldopvattingen. Wanneer men de uiteenzettingen van Herodotus volgt die in boek V van zijn ‘Historiën’ beginnen, merkt men weer dat de Grieken de intelligentie als strijdmiddel of als politiek middel inzetten. De leider van de Ionische opstand, Aristagoras maakt bv. gebruik van een landkaart die in brons gegoten is, om de Grieken van het moederland over te halen de Ionische Grieken te helpen, Themistokles laat een theaterstuk ‘De val van Milete’, schrijven en opvoeren om de Atheners voor het gevaar van de Perzen te waarschuwen, net zo dwingt hij de Grieken door een list tot de slag bij Salamis enz. enz. Voor de Grieken verschijnen de Perzen als louter een massa, de koning van de Perzen als een tiran die geheel zinloos de Hellespont laat geselen, omdat de storm de brug van schepen over de zeeëngte heeft verwoest. Als centrale figuren van deze tijd kunnen Themistokles en Aristides gelden. Het tragische lot van Themistokles na de zege op de Perzen behoort onmiskenbaar tot de Griekse geschiedenis: het schervengericht, de vervolgingsjacht door Griekenland en de dood als tiran in het machtsbereik van de Perzenkoning.

Een heel moeilijke pedagogische opgave is Athene te schetsen in de tijd van Perikles, de dramatische gebeurtenissen makkelijk voor te stellen is er niet bij. Deze tijd is echter wel het hoogtepunt van het antieke drama, het is de tijd waarin de Akropolis opnieuw gebouwd wordt, het is de tijd van de grote beeldhouwers, het is de tijd waarin Socrates opgroeit, het is tegelijk ook de tijd van de radicale democratie waarin het Attische volk over iedere aangelegenheid op de markt overlegt.

Een mogelijkheid om deze tijd  de leerling eigen te laten maken , is tekenen en schilderen. Je zou bv. een voorstelling van de Akropolis of van het Parthenon kunnen maken; je zou kunnen proberen een Attische vaas te kopiëren of een Grieks beeld weer te geven-of een metope van het Parthenon-de strijd van de Lapithen tegen de kentauren uit te beelden of een kaart van Athene te maken met de verbindingen naar de wereld van de Middellandse Zee. Andere wegen bewandelen is ook mogelijk, je kunt proberen de bouw van het Parthenon uit de optiek van Phidias te ontwikkelen, je zou ook op de Attische opvoeding kunnen ingaan en het leven van Athene vanuit het gezichtspunt van een opgroeiende jongeling  kunnen beschrijven; je zou ook van de figuur van de uit Halikarnassus stammende Herodotus kunnen uitgaan, zijn reizen, zijn onderzoekingen, zijn nieuwsgierigheid tot thema kunnen maken en hem tenslotte naar Athene laten komen-wat in overeenstemming is met de waarheid.

Ter afsluiting van de Griekse geschiedenis is het ook aan te bevelen, met weglating van de Peloponnesische oorlog en de tijd van de hegemonie van Thebe ook met de gestalte van de Macedoniër Alexander en zijn leermeester Aristoteles verder te gaan. De figuur van Alexander belichten is eenvoudig: er zijn genoeg biografieën. Het probleem van de beschrijving bestaat uit 2 delen: ten eerste heeft men de neiging te uitvoerig op de jeugd van Alexander in te gaan en de grote Alexandertochten af te doen met een paar lijnen op de landkaart. Maar de tochten van Alexander bieden nu juist de mogelijkheid om de geschiedenis van de 5e klas terug te vervolgen en samen te vatten. Het is daarom wellicht zinvol in het bijzonder zich ook bezig te houden met Alexander in Egypte, in het tweestromenland, in Perzië en Indië. Het andere probleem is gelegen in hoe we Alexander beoordelen. Het komt erop aan hier geen valse heldenverering te houden. De moord op Philotas, Parmenion en Kleitos zijn slechte getuigen voor zijn karakter en veel onderzoekers beweren op goede gronden dat ook de moord op Philippos door Alexander in scene is gezet. Misschien kan men om dit probleem heen,  door de teleurstelling te schetsen die Aristoteles in zijn pupil had. Ook de vraag naar Alexanders rol als Griekse imperialist in Azië vormt een probleem bij de beoordeling. De leerkracht moet weten dat in de huidige wetenschappelijke literatuur deze vraagstukken controversieel behandeld worden: de een ziet in de ca 30 stedenstichtingen van Alexander alleen maar militaire bases, anderen zien in Alexander de apostel van het Griekse die aan de barbaren de Griekse cultuur wilde brengen. Hoe het ook met de motiven van Alexander geweest moge zijn, voor het openleggen van de Oriënt voor het Griekendom is hij van wereldgeschiedkundige betekenis.

[1]Christoph Lindenberg: Geschichte lehren
Menschenkunde und Erziehung 43
Verlag Freies Geistesleben, 1981. ISBN 3-7725-0243-1
[2]R.Steiner: GA 295 Erziehungskunst-Seminarbesprechungen, 1969
[3] Vertaling: Praktijk van het lesgeven
Uitg.Vrij Geestesleven**1989 ISBN 90-6038-187-4
**nu: uitg.Christofoor

*om het zoeken iets makkelijker te maken heb ik de ‘kopjes’ aangebracht

LITERATUUR
kleur= Nederlandse vertaling

[4] Hermann Beckh: Buddha und seine Lehre. 5. Auflage, Stuttgart 1980
[5] D. J. van Bemmelen: Zarathustra, Stuttgart 1975
Jonathan N. Leonard: Die ersten Ackerbauern. Time-Life-Buch, Reinbek 1977
Helmut von Glasenapp: Die nichtchristlichen Religionen. Fischer-Lexikon 1, Frankfurt 1957
Wilson Frankfort Jacobsen: Frühlicht des Geistes. Stuttgart 1954
Hartmut Schmökel: Ur, Assur und Babylon. Stuttgart o. J.
Samuel Noah Kramer: Mesopotamien. Time-Life-Buch, Reinbek 1971
[6] Walter Andrae: Das wiedererstandene Assur. 2. Auflage, München 1977
Das Gilgamesch Epos: Verschiedene Ausgaben, die billige Reclam-Ausgabe ist nicht leicht lesbar.
John A. Wilson: Ägypten. In: Propyläen Weltgeschichte Band 1, verschiedene Auflagen
[8] Frank Teichmann: Der Mensch und sein Tempel. Bd. 1 Ägypten, Stuttgart 1978 Jean-Philippe Lauer: Saqqara. Bergisch Gladbach 1977 H. D. F. Kitto: Die Griechen
[7] Herodot: Historien. Verschiedene Ausgaben, billig bei Reclam, neu und gut
übersetzt bei Artemis
Plutarch: Große Griechen und Römer. Band 1-6, leicht und gut erreichbar in dtv
Zur Archäologie:
[9] Heinrich Schliemann: Selbstbiographie
C. W. Ceram: Götter, Gräber und Gelehrte. Hamburg 1949

 

5e klas geschiedenis: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis

 

68-66

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.