Tagarchief: Nijl

VRIJESCHOOL – 6e klas – Aardrijkskunde

.

EEN EERSTE BLIK OP DE HELE WERELD

Mensvorming door aardrijkskunde (4)

Aardrijkskunde is op de vrijeschool geen bijvak, maar is even belangrijk als bijv. biologie, natuur- en scheikunde. Dat heeft verschillende redenen. De gebieden op aarde vormen met hun bijzondere bodemconstellatie en bodemschatten, hun weersgesteldheid, hun flora en fauna de economische basis voor het menselijk leven. Wanneer je de landschappelijke gegevens samen met de leefomstandigheden van de mensen bestudeert, zoals Rudolf Steiner dat voor klas 4 tot en met 6 aangeeft, ontstaat er interesse en begrip voor het leven van de andere mens op de gehele aarde.
De aarde is tegelijkertijd het toneel van het geschiedkundig handelen en de culturele ontwikkeling van de mens. 
In klas 7 en 8 (1e twee jaren middelbaar onderwijs) moeten het karakter en de culturele omstandigheden van de verschillende volkeren in ogenschouw owrden genomen.
Steeds belangrijker wordt in de tijd van ecologische bedreiging een derde gezichtspunt: de aarde is een levend organisme waarvoor wij verantwoordelijk zijn. Zo gaat het er niet alleen om slechts wetmatigheden in de uiterlijke structuren en vormen van de aarde te ontdekken, maar a.h.w. aan een fysiologie van de aarde te werken. Hoe dat voor het eerst in de 6e klas kan, laat Christoph Göpfert zien in het volgende artikel, deel van een reeks over aardrijkskunde op de vrijeschool [1]
Redactie Erziehungskunst

Tot het 12e jaar vormt ‘de relatie tussen de natuurlijke gesteldheid en het economische leven van de mens’ [2] het belangrijkste gezichtspunt van het aardrijkskundeonderwijs op de vrijeschool. Dat geldt voor de aardrijkskunde in de 4e klas, maar ook voor de behandeling van Midden-Europa en de rest van Europa in de 5e, resp. 6e klas. Het gaat er nog niet om ‘een volledig beeld van de aarde te geven’. Toch hecht Rudolf Steiner er grote waarde aan dat de leerlingen in hun voorstelling de boog spannen van Europa over de Atlantische Oceaan naar Amerika. Daar is bij het bekijken van West-Europa steeds weer gelegenheid voor.
Met het 12e levensjaar, d.w.z. binnen de 6e klas, wil Steiner graag een nieuw beginsel dat met de menskundige verandering in deze leeftijd samenhangt. Hij beschrijft dat zo: ‘Als u op die manier een goede basis hebt gelegd, dan kunt u er rond het twaalfde jaar op rekenen dat de kinderen u kunnen vol­gen, wanneer u van dan af meer systematisch te werk gaat en in korte tijd een beeld geeft van de hele aarde, de vijf werelddelen, de zeeën – natuurlijk op een beknoptere manier dan eerst – en u dan ook het economische leven van die verschillende werelddelen be­schrijft. Uit de basis die u hebt gelegd, zou u dat alles tevoorschijn moeten halen.’ [3]

Voor zo’n ‘systematisch’ te werk gaan is wel een sterker vermogen tot abstraheren nodig en een voorstelling van de ruimte die meer omvattend is, mogelijkheden die het kind nu van nature krijgt. Naast het gebruik van landkaarten, hier de fysische wereldkaart, komt nu ook de globe. Hiermee kun je het beste de verdeling land – water, de ligging van de werelddelen verduidelijken; de globe als de helft water en de helft land. Interessant is ook het gezichtspunt van de aarde als halve bol met Kaapstad of Japan (i.p.v. Europa) als middelpunt!
Wat betekent ‘systematisch te werk gaan’ en ‘een beeld van de aarde’ (d.w.z. een eerste beeld van de totale aarde) geven, verder ‘de vijf werelddelen’, de zeeën en….het economischc leven van deze verschillende gebieden beschrijven? –
Hoe men vanuit de natuurlijke omstandigheden het menselijke economische leven tot ontwikkeling bracht, staat in deel twee en drie [1] van onze reeks. Bij de behandeling van Europa hebben we ook nog de invloed van de elementen aarde, water, lucht en warmte op het landschap en haar atmosfeer gevolgd. Een andere richtinggevende gedachte kan ontstaan, wanneer je aarde en werelddeel als organisme probeert te begrijpen, als deelgebieden waarin zich levensprocessen afspelen.

De aarde als levend organisme

We weten tegenwoordig dat daadwerkelijk van het begin levensprocessen de aarde hebben gevormd; dat de processen op de aarde volgens de wetten van een organisme verlopen. [4] Wat dat betreft is het meer dan een analogie, wanneer je in de vormen van de continenten, de ‘romptendens’, ziet overheersen (Afrika, Australië), terwijl andere hun schiereilanden als ‘ledematen’ uitstrekken (Europa, Azië). Ook de grote landschappen van een werelddeel onderscheiden zich als ‘lichaamsdelen’ wat hun functioneren betreft van elkaar (zie verderop). Zo zijn er werelddelen en landstreken die zich naar een bepaalde richting openen (Europa naar het westen en zuiden, Amerika naar de Golf van Mexico) andere, die zich naar buiten afsluiten (Afrika). Openstellen en afsluiten zijn echter vormingprincipes en attituden van levende wezens. We hebben bij de behandeling van Europa (deel 3) [1] metamorfosen en tendenzen tot harmoniseren leren kennen – ook dit soort processen en gebaren behoren bij het leven.

Inderdaad is het interessant als je eenmaal karakteristieke eigenschappen van wat levend is, heb leren kennen en gecontroleerd, waar deze op aarde te vinden zijn. Daarbij horen zeker ook bepaalde ritmische processen, analoog aan wat zich afspeelt in de adem-hart-bloedsomloopactiviteit bij mens en dier. Die hebben bij de hogere levensvormen duidelijk in de borststreek hun centrum. Als we naar de aarde kijken, zien we in iedere rivier verschillende pulserende bewegingen die in het groot in het meanderen zichtbaar worden. Hoofd- en bijrivieren vormen een water’netstelsel’ waarvan de ‘aderen’ als levensstroom het landschap doortrékken. In de oceanen en in de lucht nemen kringlopen van dit soort een grote plaats in (Golfstroom, zich verplaatsende lagedrukgebieden).

Nog een basis van het leven is de stofwisseling met de bijbehorende organen. Daarin voltrekt zich de verandering van het voedsel, zodat nieuwe stoffen opgebouwd kunnen worden. Oplossen, veranderen en opnieuw vormen van stoffen vindt echter ook plaats op aarde en dat kun je vaak waarnemen, het meest in het oog springend in het tropische regenwoud. In andere streken overheerst de opbouw van substantie: in de plooiingsgebergten die ontstaan, bij de mid-oceanische ruggen; het vulkanisme, maar ook bij de vorming van delta’s waarbij het meegevoerde slib ten gevolge van het minder snel worden van de stroom, afgezet wordt en daardoor ‘groeit’ de delta de zee in. [5].

Het aardoppervlak wordt door innerlijke en uiterlijke krachten gevormd die een samenspel vormen zoals in een organisme. Het zijn de krachten van het aards-vaste, van het water, de lucht en de warmte. 
In de deltavorming van de grote stromen grijpen ‘stofwisselingskrachten’ in en maken ze tot gebieden met veel leven. Zoals in de stofwisselingsprocessen van een levend organisme vindt ook hier oplossing, omvorming en nieuwe vorming van stoffen plaats. Het meegevoerde slib – de op de lange reis verpulverde stenen – wordt als gevolg van vermindering van de stroomsnelheid afgezet en schuift als landtong in de zee: de delta ‘groeit’. 
De Wolgadelta – zo groot als Schleswig-Holstein – komt hoger te liggen als een dicht rietveld, weilanden en tuinbouwgrond dan de (in augustus) verdorde bruine halve woestenij. Vanuit de binnenranden tot in de delta is een breed patroon getrokken van parallellopende smalle binnenzeeën en heuvels die wellicht het gevolg zijn van vroegere windactiviteit. Voor de delta waaiert een strook licht sediment naar het noorden die echter nog maar een derde zoveel materiaal meevoert als vóór de bouw van de grote stuwdammen in de Midden-Wolga.

In de Nijldelta zijn de tegenstellingen extremer. De helft groter dan de Wolgadelta, omgeven door hete woestijnplateaus zonder regen, overgeleverd aan winderosie. Aan de kust hebben de zeestromingen strandwallen uitgespoeld, waarachter vroegere bochten als lagunen verzouten (vlakke kust). De Nijl waarvan het water uit de evenaargebieden van Afrika komt en die hier in de woestijn een vreemd element is, zorgt voor 59% van de vochtigheid van het Egyptisch landschap onder Caïro. 

Ook ijs kan een landschap gestalte geven en zijn vormen in het levende afdrukken. De Noorse fjordenkust doet je denken aan het aderstelsel. Oudere stroomsystemen volgend hebben de gletsjers van de ijstijd brede U-vormige dalen uitgehold die het mogelijk maken dat de warmte van de Golfstroom ver het land kan binnendringen. In het bijzonder de scheren in het westen die door tectonische kloven alleen zijn komen te liggen, zijn met een groene vegetatiemantel bedekt.

 bron

Vanaf het Makrangebergte in Pakistan met zijn dicht opeen geformeerde vormenreeks dat tot in de lengtedalen naar beneden loopt in zandachtig erosiemateriaal met scherpe kanten, blazen de noordwestenwinden fijn materiaal weg en vormen zo de bergribben. De stofwaaiers worden tot 150 km lang en kunnen het zware leven van herders en vissers volledig lam leggen. 

Warmte en water maken vormen op de ‘hoogtepool’ van de aarde, de oostelijke Himalaya. De grootte Baden-Württemberg als voorbeeld laat de grootst mogelijke tegenstellingen zien. Ze strekken zich uit van het grijs-groene zwoele Gangesgebied helemaal in het zuiden, via de met wouden bedekte, aan de moesson overgeleverde zuidelijk glooiing van de Nepal-Himalaya en de vergletsjerde hoog-Himalaya (met vier toppen van 8000 m tot het woeste, geelgekleurde, winterkoude hoogland van Tibet 4000 m boven de zeespiegel. Omdat rivieren hier zeldzaam zijn, wordt in zuidelijke richting het gebergte door talrijke V-dalen geciseleerd. Hier triomfeert het water over het element aarde, want een paar rivieren doorsnijden, vanuit het noorden komend, de hoog-Himalaya: die zijn hier ouder dan het gebergte! De verschillende grijsnuances wijzen op de zich met de hoogte (en dat betekent met de warmte) veranderende bosbegroeiing. Ingebed in de zuideliljke glooiing komt het met terrassen gevormde kernland van Nepal als bruin-gele streep in het onderste stuk van de foto tevoorschijn: water en warmte zijn hier doodemens in een harmonisch wisselspel gebracht. [10] 

de foto’s in het tijdschriftartikelen zijn zwart/wit. Ik heb ze via Google-maps geprobeerd op te zoeken. De beschrijving van de foto hierboven beantwoordt niet helemaal aan het plaatje: de foto’s in het tijdschrift zijn uit een atlas

Als een reuzenmossel rusten de Berry-eilanden met het daarbij behorende kalme bekken met ondiep water (1 tot 2 m) van de grote Bahamabank. Een hoge temperatuur en een hoog zoutgehalte zijn karakteristiek voor deze unieke zeewereld die door koraalriffen, duinruggen en brandingswallen tegen de driftstromen van de passaatwinden beschermd zijn. Overal modelleert het rustige water: er zijn smalle, langgerekte eilanden, half cirkelvormige baaien ontstaan. Het onderwaterreliëf toont door zijn kleurschakeringen wervelingen, zandbanken en plaatsen waar het ineens steil naar beneden gaat.

Vergaan, resp. vernietiging en daarmee doodsprocessen vind je daarentegen in de woestijnen. [6] Naar deze verschijnselen zal de leekracht steeds weer kijken, ze als levensprocessen van de aarde proberen te begrijpen, ook al maakt hij er niet per se een onderwijsonderwerp van. Voor hemzelf vormen zulke overwegingen echter een basis die zijn leerstofperiode toch anders doeverlopen.

Vorm en klimaat van de werelddelen

Je moet voor het overzicht van de periode van de 6e klas met behulp van de landkaart beginnen en met de behandeling naar details gaan, de namen van de werelddelen en de oceanen laten noemen, hun positie t.o.v elkaar. Daarbij springen belangrijke vormelementen in het oog, bij de zeeën ook de mid-oceanische ruggen die op de moderne kaarten ingetekend zijn. Die moet je niet overslaan, want de kinderen worden door zulke waarnemingen gevoelig voor het feit dat plastische krachten die in de aarde werkzaam zijn, ook invloed hebben op de zeebodem.
Maar vooral aan de vorming van de continenten kun je veel waarnemen; ieder maken ze een bepaald gebaar: de noordelijke werelddelen, breed om de Noordelijke IJszee gesitueerd en door landbruggen met de naburige werelddelen verbonden, worden naar het zuiden toe jonger. De drie zuidelijke werelddelen, verder opgeschoven naar de equator, zijn echter duidelijk van elkaar gescheiden, worden in zuidelijke richting ook smaller. Daardoor ontstaat hier een brede cirkelpolaire oceaangordel waarvan het midden ingenomen wordt door het ijsgeworden Antarctis met de zuidpool als 7e werelddeel, terwijl de noordpool op de ijsschotsen van de Arctische zee ligt. – Een goede waarnemingsoefening is het dan voor de leerlingen, wanneer ze de omtrek van de continenten vereenvoudigd in meetkundige figuren tekenen, waarmee je tegelijkertijd de kinderen wakker maakt (zie deel 1) [1]. Ook het meten van van de diepzeetroggen komt hiervoor in aanmerking en prikkelt de leerlingen om te ontdekken en precies te werken.
Je kan ook nog andere dingen aan de vorm van de werelddelen waarnemen.
Wat wij bij de drie Zuid-Europese schiereilanden als gebaar opgemerkt hebben, komt als een metamorfose – uitvergroot – in de drie Zuid-Aziatische schiereilanden weer opnieuw naar voren: het wat compacte Arabische, het slankere Voor-Indië met een vooruitgeschoven groot eiland; het in halve eilanden en eilanden opgaande Achter-Indië met de Soenda archipel.
Een ander opvallend vormfenomeen biedt het overgangsgebied tussen de noord- en zuidcontinenten die men heel algemeen ‘middenzeeën’ noemt.
De Europese Middellandse Zee kennen de kinderen nu als een watervlakte die helemaal omsloten is door het vaste land die echter in de Zwarte en de Rode Zee twee bijzeeën heeft, echter alleen maar door een smalle doorgang met de open oceaan verbonden.
De Amerikaanse ‘middenzee’, de Caribische‘ is sneller te begrijpen: in het westen wordt die door de smalle Midden-Amerikaanse landbrug naar de oceaan toe afgesloten, in het oosten stromen er door de eilandenbogen van de Antillen sterke Atlantische zeestromingen in en uit. Nog verder open is de ‘Zuidoost-Aziatische middenzee” de Indonesische eilandenwereld. In zijn eilandenbogen zitten overal gaten waardoor het water uit de Stille Oceaan in de Indische kan stromen.

Nog een gezichtspunt voor een overzicht van de werelddelen is hun oppervlaktegesteldheid: Afrika bestaat bijna helemaal uit een oude kristallijne bergmassa die alleen maar in het noordwesten aan de jonge ‘alpine’ plooiing van de Atlasketen raakt die in Oost-Afrika door breuklijnen en vulkanisme zich kenbaar maakt.
Zuid-Amerika daarentegen  wordt in zijn totale lengte door plooiingsgebergten doortrokken, terwijl de kristallijne oerplaten zich beperken tot het oosten.
Australië – om bij de zuidelijke delen te blijven – heeft geen deel aan de jonge vorming van plooiingsgebergten; dat loopt buiten het eigenlijke continent over Nieuw-Zeeland en Nieuw-Guinea.
In verbinding met de sterrenkunde of daarbij aanknopend kun je ook over het klimaat van de nieuw ‘ontdekte’ werelddelen vertellen, want dat behoort ook bij het ‘beeld van de aarde.’
De loodrecht lopende zonnebaan tussen de ‘keerkringen’ en het ontbreken van schemering zijn de eerste opwindende verschijnselen. Daarbij kun je misschien aansluiten met schetsen over de woestijnen en het regenwoud, over de hoogten van de vegetatie in de tropen, bijv. bij de Kilimanjaro. Dat er eeuwige sneeuw onder de equatorzon voorkomt, verbaast de kinderen. maar ook passaat- en moessonwind horen erbij.

De ‘biografie’ van grote stromen

Op opvallende indeling krijgen de continenten tenslotte door hun grote stromen. Ze onderscheiden zich zo sterk van elkaar dat je over ‘rivierindividualiteiten’ mag spreken. Er zijn stromen die traag naar zee gaan (Mississippi), andere die eerst de richting naar de woestijn inslaan en pas laat naar zee afbuigen (Niger), weer andere die de zee nooit bereiken (Tarim).
In het wezen van de grote stromen drukt zich echter ook iets van het werelddeel uit waartoe ze behoren.
De Amazone heeft een volledig ander karakter dan de Nijl en deze weer dan de Hwang-ho, de gele rivier in China.
De leerkracht moet de moed hebben om zijn klas een paar van die rivierbiografieën te vertellen, alsof de rivier een wezen is, dat bij haar loop het omgevende landschap beleeft, wat in overeenstemming is met een geestelijke realiteit:
In alle oude culturen wordt over riviergoden verteld (bijv. over de god ‘Skamandros‘ in de Ilias, die de priesters op grond van hun helderziende vermogen nog konden waarnemen. Een enkel natuurvolk onderhoudt tegenwoordig nog de verbinding in hun riten met zulke natuurgeesten waarover de moderne volkenkunde zonder vooroordeel verslag doet. (Horst Nachtigall: Völkerkunde, Stuttgart 1974)
Rudolf Steiner zet op grond van zijn bijzondere methode van geestonderzoek vaker iets uiteen over dergelijke elementairwezens (bijv. GA 136 en 158, niet vertaald)

Je kan ze ook zakelijker, als reisbeschrijving, geven en de rivier vanaf de bron tot de monding volgen en vergelijkingen maken. [6]
Wat de Nijl betreft zou het er zo uit kunnen zien, waarbij we wel vooropstellen dat de leerkracht gebruik moet maken van kaarten, beeldmateriaal en landschapsschilderingen [7] omdat hij niet in Afrika is geweest.

‘De Nijl ontspringt (als Kagera) ongeveer 2000 m hoog in het jonge vulkaanlandschap van Oost-Afrika, waarin geisers, moddervulkanen en andere verschijnselen van de levendigheid van dit aardegebied getuigen. Al gauw komt hij na steile hellingen naar het oosten uit de mistige wouden tevoorschijn en loopt in de wijde vochtige savannen van Oost-Afrika verder, een licht overstroomd middenhooglandschap van 1200 m. Daar liggen heel wat zoetwater- en sodameren die tijdens de regentijd voller en groter worden, in de droge tijd weer ineen schrompelen. Deze twee jaargetijden bepalen ook hoe het gaat met flora en fauna en het menselijk leven. Het vlakke Victoriameer – zo groot als een kleine zee – is de eerste ‘erosiebasis’ van de Nijl, d.w.z. het water komt hier tot rust, hij zou hier kunnen eindigen, wat misschien vroeger ooit het geval was. In dit ‘zonnesavannenland’ heerste lange tijd harmonie tussen natuur en mens: tussen de rijke hoeveelheid groot wild en de verschillende volkeren en rassen waarvan de veeteelt en de landbouw aan de natuur aangepast was en voor een deel nog steeds is.
Lager dan het Victoriameer begint met de droge savannen de wilde fase van de Nijl, vermoedelijk als gevolg van een ‘aftakking’ van een andere rivier vanuit het noorden. Want de Nijl stort zich nu over cataracten, verandert meerdere keren van richting, vanuit de zijkanten monden er mineraalrijke en -arme zijriveren in uit die je met de witte en zwarte waterstromen van de Amazone zou kunnen vergelijken.
In Bahr-el-Ghasal, het gazellenmoeras, (390m boven de zeespiegel) worden de watermassa’s van de Nijl door een dwarsliggende rotsbarrière tegengehouden – een reusachtige ‘binnendelta’ ontstaat als tweede ‘erosiebasis. Vermoedelijk sijpelde de Nijl hier vroeger net zo verder als in de bovenloop van de Niger bij Timboektoe ooit het geval was en wat nu nog het ‘lot’ is van de Schari in het Tsjadmeer. Want we bevinden ons nu al in het droogtegebied van de Sahel waarin slechts een korte, onregelmatig voorkomende regentijd is. Terzijde daarvan ligt dunbevolkt hongerland. Het is alsof het wegblijven van de levenskrachten aan zijn oevers ook invloed heeft op hemzelf: over 800 km verplaatst de ‘witte Nijl’ zich bijna zonder hellingen naar Khartoem. Hier komen we een andere vorm van stuwing tegen, niet door een bergobstakel, maar door een waterbarrière: de waterrijke Blauwe Nijl vanuit het hoogland van Abessinië, met vruchtbaar vulkaanslib verrijkt, drukt het water van de hoofdstroom terug en brengt Egypte het eerste hoogwater in de zomer. Pas wanneer dit weggestroomd is, volgt het tweede hoogwater door de Witte Nijl.

In dit laatste deel dat men ‘woeste Nijl’ noemt, is de stroom een ‘vreemdelingrivier’ (Fremdlingsfluss) geworden, d.w.z. met zijn water een vreemdeling binnen de hem omgevende gortdroge woestijnplateaus. Er stromen geen zijrivieren meer in, ja hij verliest voortdurend water aan de grondwaterstand en ook door verdamping. Er is ook geen afwisseling meer van de jaargetijden (afgezien van de temperaturen); alleen nog die droge tijd overheerst. Ondanks dat oefende het hoekvormige Nijldal sinds mensenheugnis een aantrekkingskracht uit, omdat je met hulp van het vruchtbare slib en de kunstmatige bevloeiing van de woestijnbodem een intensief te bewerken akkerland kan maken waarop verschillende oogsten per jaar mogelijk zijn. De Egyptenaren werden in de oudheid door de Nijl juist tot bepaalde bewustzijnsstappen gebracht. Zo stroomt de Nijl aan de getuigen van deze oude cultuur voorbij op weg naar zijn delta. Pas hier liggen de huidige grote steden – voor de laatste keer wordt er hier nog water uitgehaald voor de velden. Aan zijn monding brengt hij echter niet meer water mee dan de Rijn – voor de reusachtige rivier met zijn lange ‘biografie’ verschrikkelijk weinig!

De laatste opdracht die je als leraar in deze ‘overzichtsperiode’ moet uitvoeren, is de uiteenzetting van de economische activiteiten die je niet in Eurpa vindt – bijv. het werk op een tweemans boerderij in Noord-Amerika, op een koffie- of katoenplantage in Brazilië, het verbouwen van rijst op de terrassen in China, misschien ook de ecologische houtkap in het tropische regenwoud. Hier zal het afhangen van wat de leerkracht aanschouwelijk en voor de kinderen te begijpen, kan vertellen. [8] Het mag hier echter wel wat korter en beperkter, want een grondige behandeling van de landen, weliswaar meer onder cultuur-geografische gezichtspunten blijft voorbehouden aan de klassen die volgen.

[1] deel 1   deel 2   deel 3   deel 5

[2] Rudolf Steiner GA 294
Vertaald/152
Hier te vinden bij andere opmerkingen van Steiner over aardrijkskunde
[3]  idem/157
[4] Spektrum der Wissenschaft: ‘Die Dynamik der Erde, Heidelberg 1987
[5] Theodor Schwenk Das sensibele Chaos
[6] Eberhard Czaya: Die Strome der Erde; Kevin Sinclair: Der gelbe Fluss; Andreas Suchantke: Kontinent der Kolibris
[7] Andreas Suchantke: Sonnensavannen und Nebelwälder; J.Bockemühl, W.Schad, Suchantke: Mens und landschaft Afrikas
[8] Materiaal hiervoor: Terra – Lesehefte

.

Christoph Göpfert, Erziehungskunst jrg. 56, o2-1999

.
deel 1deel 2;  deel 3;  deel 5

.

aardrijkskunde 6e klas: alle artikelen

aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld6e klas

 

1539

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – klas 5 geschiedenis – (1)

.

Christoph Lindenberg:
‘geschiedenis onderwijzen’

vertaling van ‘Geschichte lehren’                    

HOOFDSTUK: 5E KLAS                                         blz.77-88

In de eerste leerplanvoordracht van 6 september 1919 [2] formuleert Rudolf Steiner de taak van de klassenleerkracht voor het eerste geschiedenisonderwijs: ‘In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijke historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken.’ [3] blz.149

Hoe zien de geschiedkundige begrippen eruit waar het vóór het 12e levensjaar om kan gaan? In ieder geval gaat het nog niet om een consequent doorgevoerde voorstelling van causaliteit van geschiedkundige ontwikkelingen en het in begrippen vatten van de meer verborgen impulsen in de geschiedenis.

Omdat naar de cultuur van de volkeren uit het Morgenland gewezen wordt, wordt het duidelijk dat het in de allereerste plaats gaat om het anders-zijn van deze oude culturen en hierin ligt ook meteen het wezenlijke historische begrip. Voor de leerling van klas 5 wordt dit anders-zijn van de cultuur zichtbaar door historische figuren en wat ze verrichtten. Inderdaad heerst in ieder van de afzonderlijke culturen van het Morgenland een heel andere levenssfeer en levenshouding, die die culturen hun stempel gaven.

INDIA*
De moeilijke opgave, die meteen aan het begin gesteld wordt, is de beschrijving van de oud-Indische cultuur. Wat van deze cultuur uit historische tijd bewaard is, is slechts een schaduw, waarvan de Indische sage bericht, wanneer ze over de grote Manoe en de 7 wijzen verhaalt. Deze oer-Indische cultuur aanschouwelijk te maken kan lukken, wanneer men uitgaat van de glans die er later nog is. De leerkracht kan uitgaan van teksten uit de Veda’s, uit de Upanishads, of de Bhagavad Gita om zich een beeld te vormen van het bewustzijn van die tijd waarvoor zich de godenhemel met zijn eindeloze reeks gestalten opent. Deze wereld is zo machtig dat daartegenover, de aarde  als maja, als schijn wordt beleefd. Daarom gaat de interesse van de vroege Indiër –net zoals tegenwoordig ook nog, niet uit naar de landbouw, niet naar de industrie en werken voor de kost, maar naar het kunnen doorgronden van de godenwereld. De oorspronkelijk rijke, overvloedige, gevarieerde vegetatie van het Indiase subcontinent maakte het in die vroege tijd ook mogelijk te leven zonder al te veel inspanning en daardoor weinig gehinderd een geestelijk leven te leiden om zich zo in de geheimen van de kosmos te verdiepen. Dit geestelijke leven stond in hoog aanzien en wordt weerspiegeld in de kastenorde waarin de priesters de hoogste plaats innamen.

Het heeft geen zin op het kastenstelsel in te gaan, wanneer het niet lukt om de leerlingen duidelijk te maken dat deze ordening van het sociale leven in die vroege tijd van de Indiase cultuur heel anders  ervaren werd dan in deze tijd.

Voor de leerling van klas 5 kan deze cultuur alleen maar echt duidelijk worden, wanneer deze aan een historisch figuur beleefbaar wordt. Deze figuur is Boeddha. Gelukkig is het leven van Boeddha in de Boeddhalegende op een typisch Indiase wijze, rijk aan beeld en gestalten, bewaard gebleven en ook in het boek van Herman Beckh [4] voortreffelijk weergegeven.

Tegen de leerlingen kan men zeggen: nu willen we eens kijken hoe de Indiërs zelf het leven van een van hun grootste mensen schilderen en met de aanwijzing dat de weergave authentiek is, begin je met het op aarde komen van de bodhisattva uit de godenwereld, je schildert aan de hand van de legende het paleis van koning Suddohana, het binnengaan van de bodhisattva in de moederschoot en alle andere episoden van de legende, vrij uitvoerig, want deze beeldenrijkdom  is karakteristiek voor de Indiase geestesgesteldheid. Deze legende zelf zal aan de leerlingen iets meegeven van de ‘couleur locale’ van de vroeg-Indiase cultuur en inderdaad is het paleis van Suddhodan een spiegel van de oer-Indische cultuur, die het gouden tijdperk van India was.

Tegelijkertijd komt het erop aan dat de leerling begrijpt dat de legende van Boeddha geen sprookje is, en dat de laatste resten van de oud-Indische cultuur tegenwoordig in India op een gemetamorfoseerde manier nog levend zijn. Men kan het huidige India als het archeologisch overblijfsel van een oude cultuur beschouwen die veel grootser en zuiverder was, dan hetgeen vandaag de dag uit India in het Avondland doordringt. Daarbij wordt ook duidelijk dat de oude culturen helemaal niet ‘primitief’ waren.

PERZIË
Een heel andere sfeer hangt boven de oud-Iraanse cultuur, de wereld van Zarathustra. Hierin gaat het om het werk op aarde aan te pakken, om veeteelt, om het verbouwen van graan, om huizenbouw, het aanleggen van kanalen, bevloeien van de akkers in een gebied dat veel minder uitnodigend was dan het Indiase subcontinent; het gaat om de landstreken tussen Pamir en de Kaspische Zee, iets ten zuiden van de Oxus. Deze wereld tot een weerspiegeling te maken van een goddelijke orde, dat was de wil van het oer-Perzische volk.

Allereerst moet de leerkracht zelf goed weten wat het voor de mens van die tijd betekende op een vaste plaats te blijven. Met dit sedentair worden offert men een zekere bewegingsvrijheid op: het leven dat nog geen vaste verbinding met de aarde kent. Wij kennen de gevolgen van de vaste woon- en verblijfplaats en wij kunnen ons het leven nauwelijks anders voorstellen dan dat we in huizen wonen en geregeld brood en de producten van de akkerbouw gebruiken; wij weten dat graanverbouw en ergens gevestigd zijn, mogelijk is. Dat was anders vóór de tijd van het sedentair worden; men had de voorstelling en de ervaring daarvan niet. Met het verkrijgen van een vaste woonplaats verandert ook de zielenstemming: van een consument van natuurproducten werd de mens nu een producent van voedsel, de bouwer van zijn woning, van jager werd hij tot verzorger en beschermer van de dieren.

Deze reusachtige vooruitgang wordt weerspiegeld in de sage van Zarathustra. De leerkracht is hier in de gelukkige omstandigheid dat hij gebruik kan maken van het boek van D.J. van Bemmelen ‘Zarathustra’ [5] waarin deze sage en een groot aantal teksten van Zarathustra zijn te vinden.

De vraag is hoe men dit in de 5e klas moet doen.

Mij schijnt het juist – dat net zoals de Griekse sagen en de strijd om Troje en andere – ook de sage van Zarathustra, het leven van Zarathustra in korte bewoordingen verteld wordt en dan aan de hand van de archeologische vondsten duidelijk maakt dat deze sagen op een realiteit wijzen. De leerling leert op deze manier sagen naar waarde te schatten en hij leert dat de mensen in de oude tijden, meer dan honderden jaren lang de grote gebeurtenissen in de herinnering meedroegen en dat het aan het ritme van de teksten gebonden geheugen, iets oerouds bewaart.

In vergelijking met de Indiase cultuur en de Boeddhalegende wordt het heel andere karakter van de Iraanse cultuur duidelijk: de mensen bevinden zich in een strijd tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad en in deze strijd krijgen zij langzaam voet aan de grond, akkerbouw is hun godsdienst.

Zij bevinden zich in het gevecht tegen de duivelaanbidders en kiezen voor de geest van de zon, Ahura Mazda:

‘ik veracht het een Deva-aanbidder te zijn, ik kom ervoor uit dat ik een Mazda-aanbidder ben, een aanhanger van Zarathustra  een vijand van de Deva’s (demonen), een belijder van de Heer, als iemand die de onsterfelijke heilige engelen looft, als aanbidder van de onsterfelijken. Aan de wijze Heer beloof ik al het goede, aan hem het goede, het goedgunstige, het rechtvaardige, prachtige, heerlijke, al het beste, waarvan de koe, waarvan de wet, het hemelse licht zijn! Ik kies voor de heilige deemoed. Ik zweer af diefstal en roof van vee, plundering en verwoesting van de dorpen. De bewoners gun ik vrijheid, onbezorgd wonen, de huisdieren waarmee ze op aarde wonen. Met eerbied beloof ik bij het gewijde water aan de heilige wet dit: ik wil van nu af geen plundering en verwoesting in de dorpen van de Mazda-aanbidders aanrichten, noch dat ik begeerte heb naar lijf en leven. Ik kom ervoor uit een Mazda-aanbidder te zijn, een aanhanger van Zarathustra met de gelofte en de belijdenis. Ik beloof plechtig het goede te denken, ik beloof eerlijk te spreken, ik beloof goede werken’ (Yasna 12, 1-3, 8)*

*(dit is geen officiële vertaling-die is er wel, maar t.t.v. dit schrijven beschikte ik hier niet over)

De strijd en de keuze voor het goede karakteriseert ook het leven van Zarathustra, dat vanaf het begin bedreigd wordt. Ook Zarathustra moet steeds strijd voeren tegen de vijanden om de nieuwe leefwijze, de verering van het goede zeker te stellen.

Voor de leerkracht van de 5e klas is het een lastig probleem een keuze te maken bij de behandeling van de cultuur van het Tweestromenland. Het Tweestromenland is zonder enige twijfel van grote betekenis: hier komt het tot het stichten van de eerste steden van de mensheid; hier wordt het eerste schrift ontwikkeld, hier ontstaan de culturen van Ur, Assyrië en Babylon. Het is haast niet mogelijk al deze culturen, hun opkomst en ondergang voor de 5e klasleerling te schilderen. Wat moet men kiezen? Als vertelling is het Gilgamesjepos voorhanden – maar kan men aan de hand van dit epos de cultuur van Soemerië belichten? Of moet men liever op grond van de beschijvingen van Herodotus een stad als Babylon behandelen? Moet men voor het ontstaan van het schrift het spijkerschrift als voorbeeld nemen of vindt iemand het ontstaan van de hiëroglyfen in Egypte aanschouwelijker? Het is wellicht het verstandigste dat men meteen in het begin duidelijk voor ogen heeft, wat men van de oude hoog ontwikkelde culturen in samenhang met het Tweestromenland behandelen wil en wat in samenhang met Egypte. Voor Egypte is dat natuurlijk de bouw van tempels en piramiden; de heerschappij van de farao’s, de dodencultus; voor het Tweestromenland het stichten van steden en de indeling van het werk; verder kan men aan de hand van het Gilgamesjepos de vroege stadscultuur met de tempelhandel schilderen en daarbij de geschiedenis van een mislukte inwijding. Wat het schrift betreft kan men voor de ontwikkeling daarvan en het schoolwezen bij het Tweestromenland aanknopen en voor de ontcijfering van een schrift bv. bij de hiëroglyphen.

Het begin van het Gilgamesj-epos bevat een korte beschijving van de stad Oeroek, de muren die met schitterende stenen gesierd zijn, de Istartempels. De leerkracht is in staat op grond van archeologische vondsten deze beschrijving aan te vullen, hij kan over de rechtszaal, de handwerkslieden, de woonwijken  vertellen en het stadsleven schetsen dat vanuit de tempel bestuurd wordt die ook alle handelsgoederen beheert, waarin het archief met de kleitabletten gehuisvest is en over de school die in de buurt is waar een paar kinderen  de keg in de vochtige kleitablet drukken om zo het schrijven te leren. Rondom de stad strekt zicht het vruchtbare land uit dat door kanalen bevloeid wordt. In deze omgeving verschijnt Gilgamesj over wie het epos zegt:

‘Dit is de man die alles wist, hij is de koning die de landen van de wereld kende. Hij was wijs, schouwde de geheimen en wist van verborgen dingen. Hij verhaalde over de tijd van voor de grote stormvloed- de muren van Oeroek bouwde hij, de verdedigingswal en de tempel’.

Zo kan in de beginsituatie van het epos de schildering van de stad en het stadsleven met elkaar verweven worden. De leerkracht die dan nog een grotere stad op het hoogtepunt van de cultuur behandelen wil, heeft daarvoor twee uitstekende mogelijkheden: de beschrijving van Assyrië die Walter Andrae [6] gegeven heeft en die veel op gang kan brengen en de beschrijving van Herodotus [7] van Babylon in het eerste boek van zijn ‘geschiedenissen’. – mij lijkt het moeilijk om dieper op de religie en de cultuur van Soemerië of Babylon in te gaan, maar men kan erop wijzen dat hier de waarneming van de hemel bijzondere aandacht kreeg, dat de indeling in dierenriemtekens van Babylonische oorsprong is, zon, maan en planeten beschouwd werden als verschijningsvormen van goden: de zon=schamasch, de maan=Sin, Mercurius=Nabu, Venus=Ischtar, Mars=Nergal, Jupiter=Marduk, Saturnus=Ninurta. Voor de Babyloniër was echter heel het universum een geestelijke staat, een wereld van goden die op veel gebieden werkzaam waren: Anu was de hemel die zich over allen uitspande, Enlil de ‘heer van de storm’, Enki die van de aarde; de aarde die in een andere gestalte ook Nin-tu is, de godin die baart. Het geestelijk-goddelijke werd op deze manier in het veelvuldige  inwerkend en zich manifesterend beleefd – . Het makkelijkst kan deze beleving van de kosmos in samenhang met het Gilgamesj-epos aan de leerlingen duidelijk gemaakt worden.

EGYPTE
De cultuur van Egypte is hier te lande, oppervlakkig gezien, op z’n minst veel bekender dan  die van het Tweestromenland. Uiterlijk bezien heeft men dat aan het feit te danken dat de Egyptische cultuur veel beter bewaard gebleven is dan die van bv. Oeroek of Assyrië. Enerzijds komt dat doordat er veel meer met steen –en niet met leem-gebouwd werd, anderzijds zorgde het droge woestijnzand voor een veel betere conservering van de vele voorwerpen. Toch moet men, wanneer men bv. een piramide bekijkt, voor ogen houden dat alles wat we zien, alleen maar de puinhopen zijn van een prachtige cultuur. Voor het onderwijs is het alleerst belangrijk dat men niet begint met het kijken naar die puinhopen. Voor de leerkracht hier met zijn uiteenzetting begint, heeft hij de mogelijkheid deze wereld in zijn fantasie opnieuw te scheppen. Men verkeert in de gelukkige omstandigheid dat men de eerste stenen bouw in Egypte precies kan reconstrueren en de betekenis ervan bepalen. Hier gaat het om het piramidencomplex van koning Djoser bij Sakkara. Het complex, in steen rondom de piramide opgetrokken, is een kopie van het koninklijke gebied van Memphis. Tot aan de trappiramide, die het centrum van het complex vormt, is het gebied van Sakkara  uit onvergankelijke steen een kopie van de koningsresidentie in Memphis die uit leemtegels, uit hout en vlechtwerk opgetrokken is. Op een andere, maar wel vergelijkbare manier laten de rijke grafbijzettingen ons het dagelijks leven van de Egyptenaar zien.

Om duidelijker te maken wat er in de Egyptische cultuur is gepresteerd, is het zinvol om de leerlingen eerst een beeld te schetsen van het vruchtbare Nijldal met de overdadige vegetatie en de rijke dierenwereld. Midden in die wereld van menselijke nederzettingen, dorpen op heuvels aan de rand van het vruchtbare dal, enige grotere nederzettingen die door stamhoofden beheerst werden, misschien ook een vorstenzetel, maar allemaal bouwwerken uit kleitegels, hout en bossen riet. In deze wereld vormen koningen binnen een korte tijd een staat. De eerste koning die wellicht werkelijk regeert –na een reeks voorlopers-zou Djoser geweest kunnen zijn. Door hem en zijn wijze raadgever Imhotep wordt bijna zonder enige voorfase het stenen bouwwerk geconstrueerd en zo ontstaat bijna meteen met alle perfectie en op grote schaal het piramidencomplex van Sakkara. Alleen de muur al die eromheen staat is 10 meter hoog en meet 277 bij 544 meter. Binnen het complex vond men het rondom bewerkte beeld van een farao, basreliëfs, de oervorm van het Egyptische schrift. Djoser en Imhotep hebben de Egyptische staat vorm gegeven, deze eigenlijk voor het eerst georganiseerd en de Egyptische cultuur de basis gegeven die deze meer dan 2000 jaar hield. Alles bij elkaar genomen een onvoorstelbaar proces.

Ook de bouw van de grote piramide zou zo besproken kunnen worden. Alleen al het egaliseren van het rotsige grondoppervlak waar de piramiden op staan; de precieze afstemming van de zijden op elkaar is bijna onvoorstelbaar; dan nog de organisatie van de bouw van de piramide: voor de grote piramide van Gizeh werden ongeveer 2.600.000 steenblokken met een gemiddeld gewicht van ongeveer 2,5 ton aangesleept –  hoeveel mensen hebben hier meer dan 20 jaar gewerkt, hoe werden ze gevoed? Hier staat de leerkracht voor de opgave om deze verhoudingen eerst zelf zich voor te stellen, dan in de klas, zoals hij zich maar een piramide kan voorstellen met geheel gladde buitenwanden, 146 meter hoog en bij de basis 230 meter lang. Een volgende stap in de les moet samenvallen met de vorige: deze gebouwen en complexen te bekijken vanuit het oogpunt van wat de mens daar beleefde; bv. zich voor te stellen wat een Egyptenaar ervoer die door de overdekte gang vanuit het tempeldal van de grote pirimade toeliep op de dodentempel aan de voet van de piramide en dan opeens de stralende piramide voor zich zag. Met het oog op deze opgaven is het erg fijn dat er voor de leerkracht een inspirerend boek is—van de inhoud kun je zeker zijn- van Frank Teichmann: ‘De mens en zijn tempel’, band 1, Egypte.[8] Juist bij de Egyptische cultuur neigt de leek ertoe verschijnselen als o.a. de piramide uit de losse hand te duiden, zonder al teveel voorkennis.

Teichmann heeft door zijn precieze kennis van oud-Egyptische uitspraken perspectieven geopend die vaktechnisch zeker zijn en die uitleg bevatten die zo goed als mogelijk bij het denken van de Egyptenaren aansluit.

Het is niet zo zinvol de Egyptische geschiedenis: het oude rijk, de tijd van verval, het middenrijk, de invallen van de Hyksos en het nieuwe rijk afzonderljk te behandelen. Men kan zich goed tot twee elementen van het oude rijk beperken, tot het ontstaan van de cultuur en de bouw van de Cheopspiramide. Wie hier nog dieper op in wil gaan, zou bv. de tijdsbepaling, het vastzetten van het jaar,  de oogst- en zaaikalender aan de hand van de overstromingen van de Nijl enz. kunnen nemen.

De behandeling van een gestalte als Echnaton past beter in de 9e klas, omdat de voor ons zichtbare prestaties van deze farao op het terrein van de beeldende kunst liggen. Zou men nog op Toetanchamon komen, dan moet men niet vergeten erop te wijzen dat men hier met een heel onbelangrijke farao te maken heeft en dat zijn graf het kleinste was in de reeks graven in het dal van de koningen.

GRIEKENLAND
Bij de overgang naar de Griekse cultuur moet een heel andere stemming in de klas komen. Het grootse van de Egyptische prestaties, de strengheid van de godsdienst van Zarathustra, het zich afkeren van de wereld bij de Indiër hebben nog iets wat eerbied oproept, ja bijna iets beklemmends-ook de leerkracht die deze culturen behandelt zal steeds merken dat hij de grens bereikt waarbij nog iets te begrijpen valt; het verhevene heeft de overhand. Bij de Grieken echter beginnen wij het te begrijpen. Iets van de overgang die hier nodig is, wordt door een mededeling van Plato gegeven, die in zijn dialoog ‘Timaios’ Kritias laat verhalen over een reis van Solon naar Egypte. Een hoogbejaarde Egyptische priester zei tot Solon toen die de stad Sais bezocht: ‘Solon, ach Solon! Jullie Hellenen blijven toch kinderen, geen Helleen wordt grijsaard!’- ‘Hoezo? Wat bedoel je?’ zou Solon gevraagd hebben. “Jullie zijn allemaal jong van ziel, want jullie bezitten geen oude, op de oudste berichten stoelende overtuiging, noch een door de tijd oud geworden weten….Wat bij jullie en in andere streken waarvan wij hoorden is bereikt, is hier al van oudsher in de tempels opgetekend en bewaard.’
Met deze woorden leidt de oude Egyptische priester zijn mededeling over het verzonken werelddeel Atlantis in. Door dit bericht wordt duidelijk dat in Egypte nog wijsheid heerste die boven het individu uitsteeg, in een bovenindividueel geheugen voortleefde. Uit deze bovenindividuele wijsheid hebben cultuurscheppers als Imhotep en Djoser kunnen handelen en een cultuur kunnen stichten.

In Griekenland staat de cultuur in het teken van ontwikkeling en van het denken. Terwijl in Egypte het hoogtepunt aan het begin van de cultuur, dus tussen de jaren 2700 en 2400 v. Chr. ligt, ontwikkelt de Griekse cultuur zich vanuit een eenvoudig begin naar het hoogtepunt in de 5e en 4e eeuw voor Chr. Voor de 5e klas is het nu belangrijk, door zoveel mogelijk levensechte gestalten een beeld van deze ontwikkeling te krijgen. De leerkracht heeft eerst de mogelijkheid nog aan de hand van een rij sagen de helden van de voorafgaande tijd te schilderen: Perseus, Theseus en Herakles komen hier in aanmerking. In deze sagen zitten zoveel oerbeelden van ons huidige denken, dat men nauwelijks zonder kan; weliswaar blijft de vraag staan of men deze oersagen van de Europese cultuur in de geschiedenisperiode moet vertellen  of dat men dit doet bij andere gelegenheden. De eigenlijke geschiedenis kan men beginnen met de Trojaanse oorlog. In aansluiting daarop bestaat de mogelijkheid het levensverhaal en de onderzoekingen van Heinrich Schliemann [9]te brengen, opdat de leerling op een aanschouwelijke manier ervaart hoe voor onze tijd deze sage bewaarheid is. Van beslissende betekenis is het  dan de sage van Odysseus te vertellen, omdat in deze gestalte de intellectuele kracht die later doordringt in de Griekse cultuur, hier zichtbaar wordt. De Odyssee bericht ook met grote nauwkeurigheid over het leven van de Grieken in de tijd van Homerus, zoals wanneer de aankomst van Odysseus bij de Faiaken beschreven wordt. Men kan hier daarnaast het leven en de sociale orde van de vroege Grieken behandelen. Een tweede stap in de behandeling is Sparta. Men moet  ervan afzien, los van het overige over de Dorische volksverhuizing te spreken, maar bv. bij de verovering van Laconië door de Spartanen kan men deze noemen. In het middelpunt van het thema Sparta moet Lycurgus staan. Bij de leerlingen moet nu voelbaar worden dat de wetten van Lycurgus uit de menselijke geest voorkomen, dat al zijn maatregelen in hoge mate onnatuurlijk zijn en het doel hebben de natuurlijke loop van de dingen tegen te gaan, men denkt hierbij aan het ijzergeld of aan de Spartaanse opvoeding. Een derde motief kunnen de Olympische Spelen zijn, deze zijn een model voor de vele andere spelen die de Grieken om de goden te vereren, organiseerden.
Met Solon begint dan de geschiedenis van Athene. Hier heeft men een soortelijk proces als bij Lycurgus. Iemand maakt wetten voor het geheel. Omdat het nauwelijks zin heeft heel de ontwikkeling van de Attische democratie van Solon via Kleisthenes tot in het tijdperk van Perikles in detail te behandelen, moet men op de gestalte van Solon, zijn rol als bemiddelaar, op zijn afzonderlijke maatregelen, voor zoverre de leerling die kan begrijpen, de grootste nadruk leggen en de mentaliteit karakteriseren die in het feit gedocumenteerd wordt, dat Solon nadat hij het werk aan de wetgeving heeft beëindigd de  Atherners  als verklaring geeft: ‘Nu ga ik op reis.’ Zij moeten hem zweren zich aan zijn wetten te houden tot hij weer terugkomt. Solon ging op reis, maar hij keerde nooit weer naar Athene terug, want hij wilde dat wetten zouden heersen i.p.v. van een man.

Voor de leerling van de 5e klas is het niet nodig de gebeurtenissen die na Solon plaatsvonden: de tirannie van Peisistratos en wat dies meer zij te leren kennen. Wel echter kan men de oorlogen met de Perzen behandelen waarbij een sterke nadruk moet vallen op het culturele aspect van deze strijd tussen twee wereldopvattingen. Wanneer men de uiteenzettingen van Herodotus volgt die in boek V van zijn ‘Historiën’ beginnen, merkt men weer dat de Grieken de intelligentie als strijdmiddel of als politiek middel inzetten. De leider van de Ionische opstand, Aristagoras maakt bv. gebruik van een landkaart die in brons gegoten is, om de Grieken van het moederland over te halen de Ionische Grieken te helpen, Themistokles laat een theaterstuk ‘De val van Milete’, schrijven en opvoeren om de Atheners voor het gevaar van de Perzen te waarschuwen, net zo dwingt hij de Grieken door een list tot de slag bij Salamis enz. enz. Voor de Grieken verschijnen de Perzen als louter een massa, de koning van de Perzen als een tiran die geheel zinloos de Hellespont laat geselen, omdat de storm de brug van schepen over de zeeëngte heeft verwoest. Als centrale figuren van deze tijd kunnen Themistokles en Aristides gelden. Het tragische lot van Themistokles na de zege op de Perzen behoort onmiskenbaar tot de Griekse geschiedenis: het schervengericht, de vervolgingsjacht door Griekenland en de dood als tiran in het machtsbereik van de Perzenkoning.

Een heel moeilijke pedagogische opgave is Athene te schetsen in de tijd van Perikles, de dramatische gebeurtenissen makkelijk voor te stellen is er niet bij. Deze tijd is echter wel het hoogtepunt van het antieke drama, het is de tijd waarin de Akropolis opnieuw gebouwd wordt, het is de tijd van de grote beeldhouwers, het is de tijd waarin Socrates opgroeit, het is tegelijk ook de tijd van de radicale democratie waarin het Attische volk over iedere aangelegenheid op de markt overlegt.

Een mogelijkheid om deze tijd  de leerling eigen te laten maken , is tekenen en schilderen. Je zou bv. een voorstelling van de Akropolis of van het Parthenon kunnen maken; je zou kunnen proberen een Attische vaas te kopiëren of een Grieks beeld weer te geven-of een metope van het Parthenon-de strijd van de Lapithen tegen de kentauren uit te beelden of een kaart van Athene te maken met de verbindingen naar de wereld van de Middellandse Zee. Andere wegen bewandelen is ook mogelijk, je kunt proberen de bouw van het Parthenon uit de optiek van Phidias te ontwikkelen, je zou ook op de Attische opvoeding kunnen ingaan en het leven van Athene vanuit het gezichtspunt van een opgroeiende jongeling  kunnen beschrijven; je zou ook van de figuur van de uit Halikarnassus stammende Herodotus kunnen uitgaan, zijn reizen, zijn onderzoekingen, zijn nieuwsgierigheid tot thema kunnen maken en hem tenslotte naar Athene laten komen-wat in overeenstemming is met de waarheid.

Ter afsluiting van de Griekse geschiedenis is het ook aan te bevelen, met weglating van de Peloponnesische oorlog en de tijd van de hegemonie van Thebe ook met de gestalte van de Macedoniër Alexander en zijn leermeester Aristoteles verder te gaan. De figuur van Alexander belichten is eenvoudig: er zijn genoeg biografieën. Het probleem van de beschrijving bestaat uit 2 delen: ten eerste heeft men de neiging te uitvoerig op de jeugd van Alexander in te gaan en de grote Alexandertochten af te doen met een paar lijnen op de landkaart. Maar de tochten van Alexander bieden nu juist de mogelijkheid om de geschiedenis van de 5e klas terug te vervolgen en samen te vatten. Het is daarom wellicht zinvol in het bijzonder zich ook bezig te houden met Alexander in Egypte, in het tweestromenland, in Perzië en Indië. Het andere probleem is gelegen in hoe we Alexander beoordelen. Het komt erop aan hier geen valse heldenverering te houden. De moord op Philotas, Parmenion en Kleitos zijn slechte getuigen voor zijn karakter en veel onderzoekers beweren op goede gronden dat ook de moord op Philippos door Alexander in scene is gezet. Misschien kan men om dit probleem heen,  door de teleurstelling te schetsen die Aristoteles in zijn pupil had. Ook de vraag naar Alexanders rol als Griekse imperialist in Azië vormt een probleem bij de beoordeling. De leerkracht moet weten dat in de huidige wetenschappelijke literatuur deze vraagstukken controversieel behandeld worden: de een ziet in de ca 30 stedenstichtingen van Alexander alleen maar militaire bases, anderen zien in Alexander de apostel van het Griekse die aan de barbaren de Griekse cultuur wilde brengen. Hoe het ook met de motiven van Alexander geweest moge zijn, voor het openleggen van de Oriënt voor het Griekendom is hij van wereldgeschiedkundige betekenis.

[1]Christoph Lindenberg: Geschichte lehren
Menschenkunde und Erziehung 43
Verlag Freies Geistesleben, 1981. ISBN 3-7725-0243-1
[2]R.Steiner: GA 295 Erziehungskunst-Seminarbesprechungen, 1969
[3] Vertaling: Praktijk van het lesgeven
Uitg.Vrij Geestesleven**1989 ISBN 90-6038-187-4
**nu: uitg.Christofoor

*om het zoeken iets makkelijker te maken heb ik de ‘kopjes’ aangebracht

LITERATUUR
kleur= Nederlandse vertaling

[4] Hermann Beckh: Buddha und seine Lehre. 5. Auflage, Stuttgart 1980
[5] D. J. van Bemmelen: Zarathustra, Stuttgart 1975
Jonathan N. Leonard: Die ersten Ackerbauern. Time-Life-Buch, Reinbek 1977
Helmut von Glasenapp: Die nichtchristlichen Religionen. Fischer-Lexikon 1, Frankfurt 1957
Wilson Frankfort Jacobsen: Frühlicht des Geistes. Stuttgart 1954
Hartmut Schmökel: Ur, Assur und Babylon. Stuttgart o. J.
Samuel Noah Kramer: Mesopotamien. Time-Life-Buch, Reinbek 1971
[6] Walter Andrae: Das wiedererstandene Assur. 2. Auflage, München 1977
Das Gilgamesch Epos: Verschiedene Ausgaben, die billige Reclam-Ausgabe ist nicht leicht lesbar.
John A. Wilson: Ägypten. In: Propyläen Weltgeschichte Band 1, verschiedene Auflagen
[8] Frank Teichmann: Der Mensch und sein Tempel. Bd. 1 Ägypten, Stuttgart 1978 Jean-Philippe Lauer: Saqqara. Bergisch Gladbach 1977 H. D. F. Kitto: Die Griechen
[7] Herodot: Historien. Verschiedene Ausgaben, billig bei Reclam, neu und gut
übersetzt bei Artemis
Plutarch: Große Griechen und Römer. Band 1-6, leicht und gut erreichbar in dtv
Zur Archäologie:
[9] Heinrich Schliemann: Selbstbiographie
C. W. Ceram: Götter, Gräber und Gelehrte. Hamburg 1949

 

5e klas geschiedenis: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas geschiedenis

 

68-66

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.